Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden

In het rood aangeduid op mijn wishlist voor onze Marche reis stond een bezoek aan het Parco Naturale del Conero, de Conero Riviera en Le Due Sorelle. Hoewel het dus bovenaan mijn lijstje stond, heb ik het bezoek bewust niet tijdens de start van onze reis geplaatst. Je hebt dan altijd nog iets om naar uit te kijken. Het was één van de kortste verplaatsingen die we moesten maken. Monte Conero ligt immers net ten zuiden van Ancona.

Tussen Ancona en Numana rijst Monte Conero op als een markante witte kalkmassa, met kliffen, baaien, bos en dorpen die mooi in dat decor lijken te zijn neergelegd. Je merkt het vlug als je er naartoe rijdt. Het landschap krijgt al snel een ander gezicht. Alles wordt er ruwer en steiler zodra je de kaap nadert. Het Parco del Conero strekt zich uit over ruim 6.000 hectare in de zones van Ancona, Camerano, Numana en Sirolo, met een kustlijn van witte rotsen en een groen binnenland dat mee het karakter van dit gebied bepaalt.

Je kan hier gerust een volledige daguitstap van maken. Wie ten volle van de schoonheid wil genieten, inclusief wandeling en tijd op het strand van Le Due Sorelle, heeft er misschien wel twee dagen voor nodig.

Het ruwe gezicht van de kust

Ik vind het opmerkelijk hoe weinig bekend Monte Conero is wanneer je erover vertelt tegen mensen die zelf al in Marche geweest zijn. Dat is zonde natuurlijk, want het beeld van de kustlijn verandert hier helemaal. Plots krijg je steile kalkrotsen, bos, kliffen en wandelpaden, op een stuk Adriatische kust dat elders meestal veel vlakker oogt. Met zijn 572 meter is Monte Conero hier een unieke verschijning.

Geologisch ontstond Monte Conero uit mariene sedimentatie die al in het Jura begon. Pas in het Plioceen kwam de berg boven water. Het park zelf werd in 1987 opgericht om de rijkdom aan flora, fauna en cultureel erfgoed te beschermen, en dat voel je ook wanneer je er rondloopt. Wij waren er in juli en hoewel het er dan zeer warm kan zijn, is dit een heerlijke plek om rond te trekken. Er zijn verschillende goed aangeduide wandelroutes, ook voor mountainbike en paardrijden. Je merkt onderweg hoe sterk zee en landschap hier in elkaar grijpen. Achter bijna elke bocht verandert het uitzicht. Het ene moment wandel je tussen groen en kalksteen, wat later kijk je ineens uit over de Adriatische kust en sta je toch weer even stil bij die mooie vergezichten.

Passo del Lupo, volg het pad van de wolf

Als je er zin in hebt neem je best je wandelschoenen en wandelstokken mee. De Passo del Lupo is een van de bekendste wandelroutes van het park. Vanuit Sirolo, met start aan het kerkhof op ongeveer een kilometer van het centrale plein, wandel je hier over de zuidelijke kalkflanken van Monte Conero naar een uitzichtpunt dat je niet snel meer vergeet. De route volgt wandelpad 302 en is goed bewegwijzerd. De wandeling zelf is technisch niet bijzonder zwaar en het hoogteverschil blijft vrij beperkt, al vraagt het laatste stuk wel wat voorzichtigheid. Zeker wie last heeft van hoogtevrees blijft daar beter attent.

Onderweg wandel je door een afwisselend landschap van bos, kalkrotsen en mediterrane vegetatie. Geregeld trekt het uitzicht open en krijg je dat typische samenspel van groen, wit en blauw dat deze kust zo herkenbaar maakt. Na ongeveer een uur stappen bereik je het uitzichtpunt boven Le Due Sorelle. Dat is zo’n plek waar iedereen automatisch even stilvalt. Voor je ligt de besloten baai met het witte strand, het heldere water en natuurlijk de twee rotsen die als twee wachters uit zee oprijzen. Dat beeld is intussen zowat het icoon van de Conero Riviera geworden, en terecht. Het is gewoon indrukwekkend.

Sirolo en Numana, twee parels van de Riviera del Conero

Ben je niet zo’n liefhebber van avontuurlijke wandelingen, dan kan je hier ook gewoon heerlijk flaneren langs de Riviera del Conero. Hier liggen immers enkele van de mooiste kustplaatsen van Marche. Sirolo en Numana zijn dan de ideale haltes.

Sirolo is zonder twijfel een van de mooiste kustplaatsen van de Conero Riviera. Het oude middeleeuwse centrum ligt hoog boven zee en kijkt uit over een van de fraaiste stukken Adriatische kust van Marche. Je wandelt er door smalle straatjes en kleine steegjes die nog duidelijk de sfeer van het oude vestingdorp bewaren. Sirolo combineert dat historische karakter ook nog eens met de ligging aan enkele van de bekendste stranden van de streek, zoals Spiaggia Urbani, San Michele en natuurlijk Le Due Sorelle. De witte rotsen van Monte Conero duiken hier de zee in en vormen baaien en inhammen. Ook het centrale plein speelt een belangrijke rol. Dat is in de zomer echt een ontmoetingsplek, met zicht op zee, een ijsje of aperitief binnen handbereik en net genoeg leven om het gezellig te houden.

Amper een kilometer verder, en perfect te voet te doen, ligt Numana. Het hogere deel is Numana Alta. Hier voel je nog duidelijk de oorsprong van het oude vissersdorp. Alles oogt er kleiner, intiemer en wat rustiger. Van daaruit daal je via de Costarella, de oude trap die vissers vroeger gebruikten, af naar de haven. Beneden verandert de sfeer. Daar zit je dichter bij het strand, de bars, de promenade en dat typische kustleven dat in de zomer volop draait.

Le Due Sorelle, het beeld van Conero

We hebben al een paar keer verwezen naar Le Due Sorelle, het indrukwekkende visitekaartje van de regio. Die twee witte rotspunten die uit zee oprijzen voor de kust zijn intussen uitgegroeid tot een echt symbool van dit gebied. En eerlijk, dat is volkomen begrijpelijk.

Deze baai ligt voor de kust van Sirolo en officieel spreken we over Spiaggia delle Velare. Maar zowat iedereen kent ze gewoon als het strand van Le Due Sorelle. Het strand zelf bestaat uit witte kiezel, rotsachtige uitlopers en helder water. Je gaat online ongetwijfeld heel mooie foto’s van Le Due Sorelle vinden, maar in werkelijkheid maakt deze plek nog meer indruk. Vroeger kon je Le Due Sorelle ook te voet bereiken via de Passo del Lupo, maar deze toegangsweg is al geruime tijd afgesloten. Vandaag geraak je er enkel over zee, met een boot of shuttle. Je moet er dus wat moeite voor doen om deze schoonheid van dichtbij te bewonderen.

Rond Le Due Sorelle hangt ook een oude legende. Men vertelt dat in deze wateren ooit een verleidelijke sirene leefde die met haar gezang zeelieden lokte en hen vervolgens in een grot gevangen hield. Een zeedemon zou haar daarbij geholpen hebben. Volgens het verhaal werd dat monster door de goden gestraft en in steen veranderd, waarbij het in twee delen brak. Zo zouden de twee rotsen ontstaan zijn. Vergeet dus zeker je waterpistool niet om deze demonen af te schrikken.

De baai van Portonovo

Aan de noordkant van de Conero, op ongeveer 15 kilometer van Sirolo, richting Ancona, ligt Portonovo. Deze baai ligt verscholen in het groen van het Parco del Conero, helemaal tegen de flanken van Monte Conero aan, en heeft een heel eigen sfeer. Zodra je er aankomt voel je dat dit geen gewone badplaats is. Alles oogt hier natuurlijker, rustiger en ook net dat tikkeltje ruiger.

De baai zelf bestaat uit grind, stenen en helder water. Je hebt er publieke stukken strand en een aantal beach clubs, maar zelfs dan blijft het geheel vrij ongerept aanvoelen. Je zit hier midden in het groen, met de berg bijna in je rug en de zee vlak voor je. Veel dichter op elkaar kan natuur en kust bijna niet zitten.

Portonovo heeft ook nog wat extra’s. Het witte Fortino Napoleonico springt in het oog. Dat militaire verleden voel je hier nog wel een beetje. Verder ligt er ook nog de Torre Clementina, ooit gebouwd om de kust te bewaken. En uiteraard kom je in Portonovo ook voor wat er uit die zee op tafel belandt. Dan kom je automatisch uit bij een van de bekendste specialiteiten van de streek: de mosciolo di Portonovo.

Dit is een erkende en beschermde term die specifiek verwijst naar wilde mosselen die zich vasthechten aan de rotsen van Monte Conero. Ze worden niet gekweekt, maar groeien volledig natuurlijk in het heldere zeewater van dit natuurgebied. Dankzij de uitzonderlijke waterkwaliteit, die tot de zuiverste van Italië behoort, krijgen de moscioli het label ‘Categorie A’, de hoogste classificatie voor consumptieschelpdieren. In 2004 werden ze erkend als Slow Food Presidium, een eer die enkel is weggelegd voor producten met een uitgesproken identiteit en sterke regionale verankering.

We schreven er eerder al uitgebreid over. Wie er meer over wil weten, kan ook ons artikel ‘De wilde mossel van Portonovo‘ lezen.

Camerano, het kloppend hart van Rosso Conero

De wijnliefhebbers zijn misschien wat op hun honger blijven zitten maar als je ervan uitging dat er rond Monte Conero geen wijn te vinden is, dan heb je het goed fout. Camerano ligt tussen de heuvels van de Conero Riviera en wordt niet voor niets gezien als een van de echte wijnplaatsen van dit gebied. Dit is immers het hart van Rosso Conero, de rode wijn die hier al sinds 1967 een eigen DOC heeft. Sinds 2004 kreeg de riserva het DOCG statuut onder de naam Conero DOCG. Sinds 26 september 2024 zijn binnen die DOCG ook de rosé wijnen, inclusief een spumante, officieel toegelaten.

Die wijnen steunen in hoofdzaak op Montepulciano, goed voor minstens 85 procent van de blend. Voor de DOCG mag Sangiovese nog een aanvullende rol spelen, maar slechts tot maximaal 15 procent. Bij Rosso Conero DOC ligt dat iets ruimer. Ook daar moet Montepulciano minstens 85 procent halen, maar de resterende 15 procent mag bestaan uit andere niet aromatische blauwe druivenrassen die in Marche toegelaten zijn. In het glas levert dat rode wijnen op met kleur, kracht, rijp donker fruit, kruidigheid en duidelijke tannine.

Voor Rosso Conero DOC is geen verplichte rijping vastgelegd vooraleer de wijn op de markt komt. Bij Conero DOCG ligt dat anders: de riserva moet minstens twee jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. De rosato binnen de DOCG mag dan weer pas vanaf 1 januari van het jaar na de oogst in de handel worden gebracht. Voor de rosato spumante ligt het nog strikter, want die moet via een verplichte tweede gisting op fles volgens de metodo classico worden gemaakt en minstens 18 maanden op de gisten rijpen.

Het productiegebied omvat onder meer Ancona, Offagna, Camerano, Sirolo en Numana, met ook delen van Castelfidardo en Osimo. De wijngaarden liggen op de heuvels rond de kaap, waar de Adriatische Zee nooit ver weg is. Dat samenspel van reliëf, zeebries en zon geeft deze wijnen hun eigen profiel.

Staat de wijn voor je centraal, dan kan je perfect de Strada del Rosso Conero volgen. Je kan onderweg niet alleen een stop maken bij een of meerdere van de 22 wijnbouwers die hier actief zijn. Je zal ook langs de meeste plaatsen komen die we in dit artikel beschreven. Inclusief Camerano zelf, want dit dorpje is evenzeer een bezoek waard. Het dorp heeft een eigen sfeer en staat ook bekend om zijn ondergrondse gangen en ruimtes. Ook geschiedenis en cultuur zijn hier nooit ver weg. Camerano kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie en groeide in de middeleeuwen uit tot een onafhankelijk kasteel.

Culinaire tips

Tijdens je bezoek aan de Monte Conero, de Riviera del Conero of onderweg op de Strada del Rosso Conero zal je zonder moeite heel wat culinaire stops kunnen inlassen. Je kan er zelfs perfect een extra bezoek aan Ancona aan breien, waardoor de culinaire mogelijkheden nog breder gaan.

Graag geven we ter afronding van dit artikel nog enkele adressen mee waar het goed tafelen is.

In Portonovo springt Clandestino Susci Bar eruit als een van de meest uitgesproken adressen. Voor wie aan de baai een echt gastronomisch moment wil inbouwen, zit daar goed. Wie het liever iets minder uitgesproken maar nog altijd bijzonder smaakvol houdt, kan in Portonovo ook terecht bij Marcello. Iets verder van de kustdrukte, maar nog altijd helemaal in de sfeer van het gebied, is Trattoria Mafalda een adres om te onthouden.

In Sirolo is L’Officina een aanrader voor wie verfijnd wil eten in een hedendaagse setting. Wie daarnaast ook een meer verborgen adres zoekt, kan Da Silvio meenemen. Dat is zo’n plek die minder nadrukkelijk in de spotlights staat, maar net daarom extra interessant blijft.

In Numana zijn In Riva a Numana en Casa Rapisarda twee adressen om te onthouden. Het eerste mikt duidelijk op een meer gastronomische ervaring, het tweede voelt iets intiemer aan maar blijft culinair bijzonder interessant. Daarnaast zijn ook La Spiaggiola en La Torre twee mooie tips voor wie in Numana graag wat verder kijkt dan de meest voor de hand liggende namen.

Wie nog een kleine omweg wil maken buiten de directe kuststrook kan ook Andreina in Loreto meenemen. Dat is een mooie extra halte voor wie de regio graag ook via het bord verder verkent. En wil je je culinaire uitstap doortrekken tot in Ancona zelf, dan is Ginevra het Michelinsteradres van de stad. Wie liever wat minder formeel tafelt maar nog altijd bijzonder goed wil eten, kan in Ancona ook Sot’Ajarchi meenemen, dat met een Bib Gourmand in de Michelingids is opgenomen..

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche

Hagel in de wijngaard: schade, herstel en bescherming

Het is begin april wanneer we aan dit artikel beginnen. Binnen enkele weken kijken heel wat wijnbouwers opnieuw met argusogen naar de weerberichten. Niet zonder reden. De stevige hagelbuien waarmee we de voorbije jaren almaar vaker geconfronteerd worden, kunnen in enkele minuten een wijngaard zwaar toetakelen. Wie de berichten uit het voorjaar van de laatste jaren erbij neemt, merkt al snel dat de invloed van hagel op de wijnbouw veel groter is geworden en in sommige periodes echt cruciaal is.

Hagel blijft dan ook een van de meest gevreesde fenomenen in de wijngaard. Dat was vroeger al zo, en dat is vandaag niet anders. Alleen is de manier waarop wijnbouwers ermee omgaan grondig veranderd. Hagel ontstaat in krachtige onweerscellen waarin waterdruppels door opstijgende luchtstromen herhaaldelijk bevriezen en aangroeien, tot ze uiteindelijk als ijsklompen naar beneden vallen. Voor een wijngaard vol jong en kwetsbaar groen weefsel is dat zowat het laatste wat je wil zien aankomen.

Met de alsmaar grilligere weersomstandigheden van de voorbije jaren is dit onderwerp relevanter dan ooit. De wijnbouwer volgt de weersmodellen dan ook met de nodige onrust op, in de hoop dat zijn wijngaard bij dreigend noodweer buiten schot blijft.

Hagelschade, vandaag maar ook morgen

Wie hagel enkel bekijkt als een risico op wat beschadigde trossen, onderschat grondig wat er in de wijngaard kan gebeuren. De impact hangt sterk af van het moment waarop de bui toeslaat. Vroeg in het seizoen worden vooral jonge scheuten, bladeren en bloeiwijzen geraakt. Dat zorgt voor direct verlies van groen weefsel, voor wonden op de plant en voor een verzwakking van de hele vegetatieve opbouw. De wijnstok verliest bladoppervlak, wordt gevoeliger voor infecties en ziet zijn groeicyclus fors verstoord.

Op dat moment is er gelukkig wel nog een zeker herstelpotentieel. Gezonde volwassen wijnstokken kunnen zich verrassend goed herpakken, omdat secundaire of latente knoppen opnieuw kunnen uitlopen. Dat betekent dat een vroege hagelbui, hoe hard die ook aankomt, nog ruimte laat om opnieuw functioneel blad op te bouwen en een deel van het seizoen te redden.

Complexer wordt het tussen bloei en vruchtzetting, doorgaans van juni tot in juli. In die periode raakt hagel vaak tegelijk het bladerdek en de jonge trossen. De hergroei verloopt minder gelijkmatig en het opbrengstverlies loopt sneller op. Slaagt de plant erin opnieuw voldoende functioneel blad op te bouwen, dan kan zij nog reserves aanleggen die nodig zijn voor het volgende seizoen. Lukt dat onvoldoende, dan blijft de schade langer doorwerken dan alleen in het lopende jaar.

Nog gevoeliger wordt het na de verkleuring van de druiven, meestal vanaf augustus, en in de aanloop naar de oogst. Dan zijn de bladeren de motor van de rijping en van de reserveopbouw in stam en wortels. Als in die fase een groot deel van het bladerdek verloren gaat, vertraagt de rijping en komt ook de knopvruchtbaarheid van het volgende jaar onder druk te staan. Tegelijk zijn het dan vooral de trossen zelf die zwaar lijden. Bessen kunnen kneuzen, openscheuren, beginnen rotten of gewoon voortijdig afvallen.

Daar zit net de angel in de schade die hagel kan aanrichten. De schade is zichtbaar in volume, in kwaliteit en kan zelfs gevolgen hebben voor de volgende jaren. Zware schade kan de reserves van de plant aantasten en de basis leggen voor een zwakker volgend jaar. Wie meerdere jaren na elkaar met stevige hagelschade te maken krijgt, ziet soms ook de algemene veerkracht van een perceel afnemen.

De eerste dagen na de bui

Is de wijngaard getroffen door een hagelbui, weet dan dat de eerste 24 tot 48 uur nadien vaak doorslaggevend zijn. Net in dat korte tijdsvenster moet duidelijk worden hoe zwaar de schade werkelijk is, waar snel ingrijpen nodig is en welke delen van de plant nog levensvatbaar zijn. Bij warm en vochtig weer kan een wijnstok vrij snel opnieuw beginnen uitlopen, waardoor de schade aan scheuten, vaatweefsel of blijvend hout minder zichtbaar wordt dan ze werkelijk is. Tegelijk stijgt vanaf dat moment ook het risico op infecties via open wonden. Daarom volstaat een snelle blik op een gehavend perceel niet.

Voor een goede evaluatie moet de wijnbouwer kijken naar afgebroken toppen, beschadigde bladstelen, gekneusde of opengebarsten bessen en vooral ook naar letsels aan stam of dragende ranken. Net daar zit soms schade die op het eerste gezicht minder spectaculair oogt, maar later veel zwaarder kan doorwegen.

Wie voor dergelijke schade verzekerd is, weet bovendien dat ook de eerste foto’s cruciaal kunnen zijn om een mogelijk financieel verlies later nog te verhalen via die polis.

Dan is het heropbouwen geblazen. Beschadigde percelen vragen snelle wondzorg, opvolging van het bladerdek en een nuchtere inschatting van wat nog levensvatbaar is. Het doel is dubbel: zoveel mogelijk van de huidige oogst redden waar dat nog zinvol is, en tegelijk de architectuur en de reserves van de wijnstok beschermen voor het volgende seizoen.

Als dit fenomeen zich enkele jaren na elkaar herhaalt, is het trouwens niet alleen een technische en economische belasting, maar ook een mentale. Niet elke wijnbouwer is actief in een economisch bijzonder rendabel gebied zoals Barolo, Brunello, Bourgogne of Champagne, waar een deel van de schade makkelijker kan worden opgevangen via hogere prijzen. Voor veel andere wijnboeren ligt dat compleet anders. Daar kan herhaalde hagelschade het voortbestaan van het domein echt onder druk zetten.

Herstel vraagt gericht sturen

Dat de wijnstok een opmerkelijk stukje natuur is, weten we al langer. Bovendien beschikt hij over een sterk herstelvermogen. Zelfs na zware bladschade kan hij via nieuwe scheuten en lateralen opnieuw fotosynthese opbouwen. Daardoor kan bij een goede opvolging soms nog een deel van de productie gered worden en kan de plant opvallend veel van haar functie herstellen.

Toch leert de logica ons ook dat beschadigd vaatweefsel niet zomaar weer dichtgroeit alsof er niets gebeurd is. Wonden worden afgegrendeld en overgroeid, maar niet echt ongedaan gemaakt. Hoe goed dat proces verloopt, hangt af van de energiereserves van de plant, van de keuzes die de wijnbouwer maakt en van de omstandigheden na de bui.

Een belangrijk onderdeel van dat herstel is strategisch snoeien. Bij zwaar beschadigde groene scheuten is het vaak verstandiger om terug te snoeien tot dicht bij de basis van de scheut, zodat de energie naar sterke en goed geplaatste nieuwe uitloop gaat. Zulke hergroei is doorgaans veel bruikbaarder voor de opbouw van het volgende seizoen dan zwakke lateralen die ontstaan wanneer men half beschadigde scheuten ergens in het midden terugknipt.

Half beschadigde scheuten laten staan lijkt soms geruststellend, omdat er nog iets groen hangt, maar in de praktijk levert dat vaak rommelige en weinig bruikbare hergroei op. Doelgericht terugwerken naar een sterke basis geeft de wijnstok meer kans om opnieuw orde in zijn vegetatie te brengen. Wanneer ook ranken of stam schade vertonen, wordt het ernstiger. Zeker bij jonge wijnstokken kan het dan nodig zijn om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden. Dat is soms gewoon de verstandigste keuze op lange termijn, hoe ingrijpend die beslissing ook is.

Ook voeding en waterbeheer vragen na hagelschade meer finesse dan kracht. Er bestaat soms de neiging om de wijnstok na zulke schade te willen overbehandelen: veel voeding, veel stimulans, veel goede bedoelingen. Alleen werkt het zo niet helemaal. Overmatig gebruik van stikstof kan leiden tot te uitbundige vegetatieve groei, en daar is de plant lang niet altijd mee geholpen. Wat nodig is, is zoals steeds evenwicht. Een verzorgde ondersteuning van de plant, met aandacht voor weefselsterkte en wondheling, is meestal verstandiger dan een groeispurt proberen forceren.

Hetzelfde geldt voor waterbeheer. De wijnstok moet functioneel blijven, maar overmatige stimulering van laterale groei helpt niet altijd. De bedoeling is niet om zoveel mogelijk nieuw groen te produceren, wel om de plant opnieuw stabiel en werkbaar te krijgen.

Wonden, infecties en de invloed op kwaliteit

Hagelwonden vergroten het risico op infecties, en die hebben op hun beurt hun invloed op de uiteindelijke kwaliteit in het glas. Vooral bij beschadigde bessen kan rot zich snel ontwikkelen. Ernstig getroffen trossen verwijderen is dan vaak gewoon noodzakelijk, liefst zo snel mogelijk, zodat de kans op verdere aantasting niet toeneemt.

Zelfs wanneer rot uitblijft, blijft beschadigd fruit een risico voor de uiteindelijke wijnkwaliteit. Ongelijkmatige rijping, verlies aan frisheid of minder zuivere aroma’s kunnen later mee het gevolg zijn wanneer te veel geraakt fruit toch in de oogst terechtkomt. Extra frustrerend voor onze wijnbouwer uiteraard. Je bent dan al blij dat er nog iets te oogsten valt, om vervolgens te merken dat ook de homogeniteit van het fruit onder druk staat.

Daarnaast schuilt er nog een minder zichtbaar gevaar in houtwonden. Beschadigingen aan blijvend hout kunnen later toegangspoorten worden voor houtziekten (zoals eutypa, botryosphaeria of esca). Net daarom vraagt schade aan stam of blijvend hout een propere en doordachte aanpak. Loshangend of zwaar beschadigd weefsel moet netjes worden weggewerkt, gereedschap hoort ontsmet te zijn en ook in de wijngaard laat je beschadigd materiaal best niet zomaar liggen. Is de stam echt gespleten of lijkt het blijvende hout zwaar geraakt, dan is het op langere termijn vaak verstandiger om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden, dan te rekenen op volledig herstel van zwaar beschadigd hout.

Preventief beschermen?

Het hagelkanon spreekt nog altijd tot de verbeelding. Zo’n installatie oogt indrukwekkend en suggereert daadkracht. Alleen is de realiteit minder heroïsch. Het basisidee is bekend: via schokgolven probeert men de vorming of aangroei van hagel te verstoren. De werking blijft wetenschappelijk echter zwak onderbouwd en de kans op succes is hoogst onzeker. Met dit kanon moet je dus anticiperen op wat mogelijks komen gaat. Bovendien maakt het extreem veel lawaai, wat voor irritatie bij de omgeving zorgt. Populair is dit dus niet, of beter niet langer.

Veel vaker zie je vandaag anti hagelnetten. Die zijn de voorbije jaren uitgegroeid tot de meest geloofwaardige vorm van actieve bescherming in de wijngaard. Ze vormen een echte barrière tussen hagel en tros. Ze beïnvloeden het licht, de luchtcirculatie en soms ook de algemene werking van het perceel. Ze vragen bovendien een investering, onderhoud en aanpassing in de manier van werken. Toch wegen die nadelen in veel situaties niet op tegen het voordeel van daadwerkelijke bescherming. In risicovolle zones zijn ze steeds vaker een rationele keuze geworden.

De echte vernieuwing in het hagelverhaal zit misschien wel in de manier waarop wijnbouwers informatie gebruiken. Lokale radar, gerichte weerapps, waarschuwingen per perceel en snellere communicatie hebben de voorbereiding sterk verbeterd. Hagel blijft onvoorspelbaar, maar hij komt minder vaak volledig uit het niets dan vroeger. Daardoor kan de wijnbouwer sneller reageren, sneller mensen en materiaal inzetten en na de bui ook gerichter beslissen waar eerst moet worden ingegrepen.

Verzekering blijft daarnaast voor veel domeinen de laatste verdedigingslijn. Alleen is ook dat verhaal minder eenvoudig geworden. Schade door extreme weersomstandigheden weegt steeds zwaarder door, waardoor verzekeringen duurder, selectiever of complexer worden. Voor wijnbouwers betekent dat dat een polis belangrijk blijft, maar niet langer volstaat als enige antwoord.

Een weesgegroetje bidden zal dus niet helpen, evenmin als hopen dat je buiten schot blijft. Al blijft dat laatste, alle technologie ten spijt, nog altijd een stille wens van elke wijnbouwer.

Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio

Met de situering van Marche trappen we onze nieuwe zondagse reeks officieel op gang. Beetje bij beetje pellen we deze regio verder af en duiken we dieper in een werkelijk fascinerend stuk Italië. Hoewel het ondertussen al enige tijd geleden is dat we zelf op ontdekkingstocht trokken door Marche, staan de beelden me nog scherp voor de geest. Het was een instant crush, die intussen is uitgegroeid tot een diepe genegenheid voor deze minder toeristische, maar ronduit bloedmooie regio.

En waar het hart van vol is, daar komen vroeg of laat vragen van. Zo wilden goede vrienden van ons weten wat ze absoluut moeten bezoeken wanneer ze hun jaarlijkse vakantie in Marche doorbrengen. Vermits ik beter schrijf dan spreek, kom ik op deze wijze graag tegemoet aan hun verzoek.

Sommige regio’s in Italië zijn zo bekend dat je er nauwelijks nog iets over hoeft te zeggen. Marche hoort daar niet bij. Gelukkig maar. Wie hierheen reist, krijgt niet het gevoel in een decor terecht te komen dat al eindeloos is opgevoerd. Marche voelt echt. Menselijk ook. Eens je er bent, kom je ogen tekort, proef je gulzig van al het goede dat de regio te bieden heeft, rijd je van de ene bestemming naar de andere, trek je de natuur in en neem je af en toe bewust de tijd om alles rustig te laten bezinken.

Maak je dus klaar voor veel Marche. Tegen het einde van deze reeks heb je wellicht al een vliegticket geboekt en een verblijf vastgelegd. Gewoon, omdat je het met eigen ogen wilt zien. Marche: een parel tussen de Adriatische kust en de Apennijnen.

Eerst even de kaart erbij

We openen met saaie geografische kost. Marche ligt aan de oostkant van Midden Italië, aan de Adriatische Zee. Ten noorden grenst de regio aan Emilia Romagna en San Marino. Ten westen liggen Toscane en Umbrië. In het zuiden sluiten Lazio en Abruzzo aan. Op de kaart oogt Marche misschien niet als de grootste regio van Italië, maar ze heeft wel een indrukwekkende rijkdom aan landschappen. Dat heeft alles te maken met haar langgerekte vorm tussen zee en bergketen. De Adriatische kust tekent de oostelijke grens. De Apennijnen vormen in het westen een stevige ruggengraat. Daartussen ligt een golvend heuvelland dat traag reizen als de normaalste zaak van de wereld beschouwt. Na enige tijd pas je je vanzelf aan dat ritme aan en lijkt de ratrace van bij ons plots heel ver weg.

Vanuit België heb je in de praktijk twee logische opties om naar Marche te reizen: met de wagen of met het vliegtuig. Die keuze is vooral persoonlijk en hangt af van het soort reis dat je wilt maken. Wij kozen voor het vliegtuig. Hoewel Ancona wel degelijk een luchthaven heeft, bleek die voor ons niet de meest evidente optie. Bologna werd uiteindelijk ons aankomstpunt, en dat was allerminst een slechte keuze. Daar huurden we een wagen, die tijdens onze veertiendaagse ontdekkingsreis een onmisbare compagnon werd.

Vanuit Bologna reden we richting Rimini en vervolgens de snelweg op die langs de Adriatische kust loopt, helemaal zuidwaarts, tot diep in Puglia. Aanvankelijk zijn dat brede, vlot berijdbare wegen. Hoe verder je zuidwaarts trekt, hoe minder ruim alles aanvoelt. De snelweg wordt smaller, het traject bochtiger en het comfort wat minder vanzelfsprekend. Echt onveilig wordt het gelukkig nooit. Zelf moesten we niet zo ver doorrijden, want vlak voor Ancona gaf onze gps aan dat we de snelweg moesten verlaten.

Voor wie wil rondtrekken, blijft een wagen ter plaatse echt wel onmisbaar. Op de kaart lijken veel afstanden best mee te vallen, maar in werkelijkheid ben je vaak langer onderweg dan je zou denken. Voor heel wat verplaatsingen rij je eerst richting de snelweg langs de Adriatische kust, om daarna opnieuw landinwaarts te trekken.

Federico II, Stupor Mundi

Wat doet de geschiedenis van Marche ter zake, zal je je misschien wel afvragen. Dit heeft toch weinig te maken met wat er vandaag te bezoeken valt in de regio. Toch wel. Zoals in haast elke Italiaanse regio is het verleden ook hier een blijvend hangijzer. Marche vormt daarop geen uitzondering. Zeker niet wanneer we later ook nog wat dieper in de wijnen willen duiken.

De aanwezigheid van de Picenen, de Romeinen en de ontwikkeling van handelsroutes hebben allemaal hun belang gehad, maar voor ons verhaal moeten we vrij snel richting middeleeuwen kijken. Daar begint Marche zich echt te tonen als een gebied met sterke steden, lokale machtscentra en een ingewikkeld kluwen van pauselijke, keizerlijke en regionale invloeden. Precies in die context duikt Federico II op, een van de meest fascinerende figuren uit de middeleeuwse Europese geschiedenis, geboren in 1194 in Jesi. Jawel, Jesi, het hart van de Verdicchio.

Dat we net hem hier extra in de verf zetten, is geen toeval. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Sicilië combineerde Federico II politieke macht met een opvallende intellectuele nieuwsgierigheid. Hij hield zich bezig met recht, wetenschap, talen, filosofie en natuurstudie. Die zeldzame combinatie bezorgde hem de bijnaam Stupor Mundi, verwondering van de wereld. Laat ons zeggen dat de man zijn tijd op veel vlakken vooruit was en in heel Italië zijn sporen heeft nagelaten. Als valkenier trok hij er geregeld op uit, en volgens de overlevering zou ook Montefalco in het naburige Umbrië zijn naam aan die passie te danken hebben. Of dat historisch tot op de letter waterdicht is, laten we hier even in het midden.

Helemaal tastbaar wordt Federico II in het noorden van Puglia, bij Castel del Monte. Dat kasteel, hoog op een heuvel bij Andria gelegen en uitkijkend over het landschap richting Adriatische kust, is een van de meest markante bouwwerken die met zijn naam verbonden zijn. De strakke, achthoekige vorm was voor die tijd bijzonder vernieuwend. Vandaag is het een van de meest bezochte plaatsen van Puglia en nog altijd een indrukwekkende herinnering aan de visionaire kant van Federico II.

De eenmaking van Italië werd pas in 1861 werkelijkheid, met Victor Emmanuel II, Cavour en Garibaldi als de grote namen. Naar persoonlijke interpretatie en met enige zin voor overdrijving zou je kunnen stellen dat Federico II al veel eerder een soort voorgevoel belichaamde van wat Italië ooit zou kunnen worden. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en als koning van Sicilië had hij macht over een enorm gebied en stond hij dichter bij een politieke samenhang op het Italiaanse schiereiland dan veel anderen voor hem. Dat is uiteraard geen letterlijke voorafname op het latere Italië, maar het zegt wel iets over de reikwijdte van zijn ambitie en zijn historische gewicht.

En hier raken we stilaan ook aan de band tussen Federico II en de wijn van Marche. De verwijzing naar de Castelli di Jesi roept niet alleen een geografische zone op, maar ook een historisch verhaal. Die castelli, de versterkte nederzettingen rond Jesi, zouden onder zijn invloed, of minstens binnen die bredere keizerlijke context, mee zijn uitgegroeid als bescherming van de stad en haar territorium. Vandaag zijn die plaatsen nog altijd zichtbaar aanwezig in het landschap.

Ancona, de hoofdstad van Marche

Ancona is de hoofdstad van Marche, en veel reizigers beschouwen de stad vooral als toegangspoort, als plek van aankomst of vertrek. Dat is begrijpelijk, want Ancona is een havenstad en speelt logistiek een belangrijke rol.

De stad ligt prachtig aan de Adriatische kust en heeft van oudsher een sterke band met de zee. Dat voel je nog altijd. Ancona kijkt niet alleen landinwaarts naar de regio, maar ook over het water naar de bredere wereld. Die maritieme gerichtheid gaf haar doorheen de geschiedenis een heel eigen karakter. Ze was een handelsstad, een strategisch punt en een plek waar invloeden samenkwamen. Daardoor heeft Ancona een ander profiel dan veel charmante binnenlandse steden van Marche. Ze is levendiger en voelt mondialer aan.

Ancona is zeker de moeite om te bezoeken, maar het is wellicht niet de stad die het langst nazindert na een verblijf in Marche. Dat neemt niet weg dat ze cultureel wel degelijk haar waarde heeft. Voor reizigers die net dat culturele willen opzoeken, is Ancona zeker een bezoek waard. Tijdens onze reis bleef de stad zelf uiteindelijk eerder een voetnoot.

De omgeving van Jesi als ideale uitvalsbasis

Op de Verdicchio wijngebieden rond Jesi en Matelica komen we in het slotartikel van deze reeks, naar aanleiding van onze masterclass, uitgebreid terug. Hier willen we het vooral hebben over de omgeving van Jesi, die voor ons tijdens deze reis een ideale uitvalsbasis bleek om Marche te verkennen.

De zone rond Jesi ligt centraal in Marche, op een half uurtje rijden van Ancona en de kust. Het is dus een bijzonder geschikte uitvalsbasis om zowel de noordelijke als de zuidelijke Marche te verkennen. Je zit er bovendien in een aantrekkelijk heuvellandschap met wijngaarden, charmante dorpjes en, voor de sportievelingen, een sterke aanwezigheid van strade bianche. Dat betekent dat je hier gemakkelijk dagen kunt afwisselen tussen wijndomeinen, stadsbezoek, lunches in het binnenland en uitstappen naar zee. Dat soort evenwicht maakt reizen gewoon aangenaam.

Wij verbleven tijdens onze reis in San Marcello en kozen, zoals we bijna altijd doen, voor een rustig wine resort. Filodivino is veel meer dan zomaar een verblijfplaats. Je vindt er rust, er is slechts een beperkt aantal kamers en dat is voor ons ideaal. Tijdens onze vakantie zijn we niet meteen op zoek naar sociaal contact. Je vindt er alle luxe en comfort, met een vriendelijke gastheer en gastvrouw. Je verblijft er midden in een wine resort, wat betekent dat de wijn, Verdicchio in dit geval, altijd aanwezig is. Voor ons was het de perfecte plek om de dag af te sluiten met een spannend boek en een lekker glas wijn, gewoon met zicht op de weidse wijngaarden terwijl de zon stilaan onderging.

Uitkijken naar wat komen gaat

Met deze eerste situering hebben we Marche eigenlijk nog maar amper aangeraakt. De regio ligt nu op tafel, de grote lijnen zijn uitgezet, maar het echte werk moet nog beginnen. In het verdere verloop van de reeks gaan we op zoek naar de vele gezichten, de vele mooie hoeken, de verrassende diversiteit op wijngebied en veel te veel plekken waar je net iets langer wilt blijven hangen dan je vooraf had gepland.

Voor onze vrienden is hiermee hopelijk een eerste aanzet gegeven. Voor ons, en vooral voor mezelf, is dit een terugblik op onze beleving ginds. Eentje die nog altijd helder voor de geest staat en die me tijdens het schrijven constant een smile bezorgde. Memories like they were only from yesterday!

Durella, van schaduwrol naar eigen stijl

Stel je het landschap van oostelijk Verona voor, zoals het er zo’n 50 miljoen jaar geleden uitzag. Waar nu heuvels, weiden en wijngaarden liggen, bevond zich toen een ondiepe zee met warm, tropisch water. Rond die zee groeide een weelderige vegetatie en leefde een fauna die intussen al lang verdwenen is. Af en toe werd dat rustige landschap verstoord door vulkanische activiteit onder water.

Vandaag is dat landschap uiteraard verdwenen, maar het verleden ervan werkt nog altijd door in de streek. De zee heeft plaatsgemaakt voor heuvels en landbouwgronden, en de vulkanische activiteit is al lang tot rust gekomen. Wat bleef, is een gebied met een bijzondere geologische opbouw en een opvallende rijkdom aan fossielen.

In die omgeving groeit Durella. Het is een authentiek en opvallend ras uit het grensgebied van Verona en Vicenza. De druif staat niet bekend om uitbundige aromatiek of een zacht profiel, maar om frisheid, spanning en een uitgesproken zuurstructuur.

De populariteit van Durella is de voorbije jaren duidelijk toegenomen. Als ik alleen al naar mezelf kijk, dan moet ik toegeven dat ik enkele jaren geleden heel bewust op zoek ben gegaan naar de wijnen, en vooral de bubbels, die deze druif kan voortbrengen. En ik ben daarin zeker niet de enige. Durella heeft stilaan heel wat wijnliefhebbers nieuwsgierig gemaakt.

Opmerkelijk misschien, want Durella is allesbehalve een recente ontdekking. Het gaat om een oud, inheems ras met een duidelijke eigen identiteit en een lange band met de Lessinische heuvels. Lange tijd stond de druif vooral in de schaduw van eenvoudiger mousserende wijnen in Martinotti stijl. Vandaag lijkt voor Durella een nieuwe fase aangebroken: die frisse, fruitige stijl blijft bestaan, maar daarnaast ontwikkelt Durella zich steeds nadrukkelijker in de richting van complexere metodo classico wijnen.

Geschiedenis en naamgeving

Durella is een oud ras dat al eeuwen voorkomt in het oosten van Veneto. Op basis van historische verwijzingen wordt aangenomen dat ze mogelijk verband houdt met de Uva Durasena, die al in 1292 vermeld werd in de statuten van Costozza, in de Colli Berici. Helemaal sluitend is die identificatie niet, maar ze wijst wel op een zeer oude aanwezigheid van dit type druif in de regio.

Een eerste meer zekere vermelding van het ras zelf duikt op in 1825, in het werk van Giuseppe Acerbi over Italiaanse druiven. Daarmee krijgt Durella een duidelijke plaats in de geschreven wijnhistorie.

De officiële naam is Durella Bianca, maar op het etiket verschijnt ze zowel als Durella als Durello. In essentie gaat het om dezelfde druif. Durella verwijst in de eerste plaats naar de druif zelf, terwijl Durello vaker opduikt in de benaming van de wijn. Het verschil is dus vooral een kwestie van gebruik en taal, niet van een ander ras. De naam zelf verwijst naar iets hards of stevigs, een duidelijke verwijzing naar de dikke en taaie schil van de bes, een van de meest kenmerkende eigenschappen van deze druif.

Daarnaast circuleren lokaal nog andere benamingen. In de heuvels van Asolo werd ze ook Rabiosa of Rabbiosa genoemd. In een hoger gelegen deel van de heuvels ten westen van Schio, in de provincie Vicenza, dook ook de naam Cagnina op. Die benaming mag niet verward worden met de blauwe Cagnina uit de vlakte van Ravenna, want het gaat hier wel degelijk om een witte druif. Mogelijk houdt die lokale naam verband met het nog strengere en zuurdere karakter dat de wijn op grotere hoogte kon aannemen.

Ook de bekendere druif Nosiola uit Trentino werd ooit als synoniem van Durello vermeld. Later onderzoek heeft die koppeling echter niet bevestigd. Verwarring met andere rassen, zoals een vroegere Rabiosa bianca uit de zone van Raboso Piave, werd evenmin bevestigd.

Rond Durella ontstonden in de loop van de tijd ook allerlei verhalen en overtuigingen. Zo werden de druif en haar wijn vroeger in verband gebracht met een geneeskrachtige werking, onder meer door de hoge natuurlijke zuren en het vitamine C-gehalte. Er deden zelfs verhalen de ronde dat de wijn werd ingezet tegen scheurbuik en ooit via apotheken werd verkocht. Zulke anekdotes verdienen enige nuance, maar ze tonen wel hoe sterk Durella deel uitmaakte van de lokale cultuur.

Herkomst en terroir

Het kerngebied van Durella ligt in het Lessini gebergte, op de grens van Verona en Vicenza. In dit heuvelachtige landschap, op de overgang van de Povlakte naar hoger reliëf, vindt de druif de omstandigheden waarin ze het duidelijkst tot haar recht komt. Wijngaarden liggen hier vaak tussen 400 en 600 meter hoogte, waar koelere omstandigheden en een tragere rijping helpen om de natuurlijke frisheid en strakke stijl van de wijn te behouden.

De bodems zijn hier vulkanisch van oorsprong, vaak donker van kleur en op sommige plaatsen vermengd met mariene sedimenten. In delen van de streek werden ook fossiele resten van vissen en schelpdieren gevonden, een tastbare herinnering aan een ver verleden waarin dit gebied er volledig anders uitzag. Die geologische gelaagdheid geeft het gebied een uitgesproken eigenheid en werkt mee door in het karakter van de wijnen op basis van Durella. Ook het landschap draagt daartoe bij, met wijngaarden die vaak tussen bosranden, hellingen en andere vegetatie liggen.

Waar vinden we Durella vandaag?

Veel wijnliefhebbers hebben wellicht nog nooit van Durella gehoord, en dat is niet onlogisch. Het is nooit een druif van grote volumes geweest. Meer nog, het areaal is in de loop van de voorbije decennia duidelijk teruggelopen. Waar bij de opname in het nationale register nog sprake was van 1.080 hectare, wordt vandaag meestal uitgegaan van ongeveer 430 tot 450 hectare.

Tegelijk is het interessant om te kijken welke richting de toekomst uitgaat. De hernieuwde belangstelling voor Durella, en vooral voor de meer ambitieuze mousserende wijnen die ze kan voortbrengen, zou op termijn opnieuw tot extra aanplant kunnen leiden. Zeker nu mousserende wijn ook bij jongere Italiaanse consumenten aan populariteit blijft winnen, valt dat scenario niet uit te sluiten.

Wie Durella in het glas wil ontdekken, komt in de eerste plaats uit bij Lessini Durello DOC en Monti Lessini DOC. Lessini Durello verwijst naar schuimwijnen volgens de metodo Martinotti, terwijl Monti Lessini de benaming is voor schuimwijnen volgens de metodo classico.

Daarnaast blijft de druif ook aanwezig binnen bredere IGT benamingen zoals Veneto, Verona of Veronese, en Trevenezie. Daar duikt ze vooral op in droge, stille wijnen, meestal als blendpartner en slechts zelden als monocépage wijn.
Buiten Veneto komt Durella zelden voor, en ook buiten Italië is er vandaag geen noemenswaardige verspreiding van de druif.

Ampelografie

Durella heeft in de wijngaard een duidelijk herkenbaar profiel. De wijnstok is krachtig en robuust. De scheuttop is behaard en de jonge blaadjes tonen groene tot goudachtige tinten. De volwassen bladeren zijn middelgroot, meestal licht drielobbig of soms bijna gaaf, met een open V-vormige bladsteelinsnijding. Aan de onderzijde is het blad kaal, terwijl het in de herfst geel verkleurt.

De tros is klein tot middelgroot, kort en gedrongen, vaak met een vleugel. De bessen zijn middelgroot en ovaal. Hun schil is geelgroen tot goudkleurig, duidelijk bedekt met een waslaag, dik en taai. Net die stevige schil is een van de meest kenmerkende eigenschappen van de druif. Ook het vruchtvlees is vrij eenvoudig van smaak, maar duidelijk zuur.

Durella is bovendien een laat ras in al zijn facetten. Ze loopt laat uit, ook de verkleuring komt laat op gang, en de oogst valt meestal in de tweede helft van september of begin oktober. De groeikracht is groot en de productie wordt als constant en overvloedig omschreven. Opvallend is dat de druif haar zuren goed weet te behouden, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. In natte voorjaren kan er wel gevoeligheid zijn voor coulure.

We hebben al verschillende keren aangegeven dat Durella wijnen voortbrengt met een hoge aciditeit, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. Dat hoge zuurgehalte is in de eerste plaats eigen aan het ras zelf, dat van nature rijk is aan appelzuur en zijn zuren tijdens de rijping goed weet te behouden. De dikke, harde schil, waaraan de druif haar naam dankt, is bovendien een eigenschap die mee helpt verklaren waarom Durella haar aciditeit zo goed weet vast te houden tijdens de rijping.

Durella in het glas

Dat hoge zuurgehalte proef je ook letterlijk in het glas: een strakke, frisse wijn zonder veel overbodige franjes. In de bubbels komt dat profiel het scherpst naar voren. Jonge wijnen tonen vaak aroma’s van grapefruit en witte bloesem, met een mondgevoel dat slank, energiek en uitgesproken levendig is. De zuren geven de wijn draagkracht en lengte.

Met langere rijping wint Durella duidelijk aan complexiteit. Dan verschuift het profiel van puur citrusgedreven frisheid naar meer gelaagde aroma’s, met florale toetsen, kamille, lichte broodtoetsen, vuursteen, ziltigheid en soms ook een subtiele amandeltoets. Ook de mineraliteit treedt dan duidelijker op de voorgrond. De beste voorbeelden combineren die extra complexiteit met dezelfde strakke ruggengraat die de druif van nature meebrengt.

Ook in stille wijn blijft dat karakter herkenbaar. Durella geeft doorgaans bleek strogele wijnen, vaak met licht groenige reflecties, en een eerder ingetogen aromatisch profiel. Ook daar draait het om frisheid, citrus en spanning. Toch ligt haar sterkste expressie vandaag zonder twijfel bij de schuimwijnen.

Laat je verrassen

Durella is dus nog altijd een relatief onbekende druif. De volgende keer dat je een wijnkaart bekijkt of bij een wijnhandel tussen de flessen snuistert, kijk dan eens of je een Monti Lessini op de kaart of in het schap ziet staan. Laat je dus gerust verleiden om eens een glas Durello te proberen.

Als schuimwijn toont ze zich van haar beste kant. Een brut werkt uitstekend als aperitief, terwijl een extra brut moeiteloos aansluiting vindt bij oesters en andere ziltige gerechten. Enfin, met de veelzijdigheid van deze druif begeleid je moeiteloos een hele maaltijd. Durella bewijst zo dat onbekend in wijn lang niet altijd onbemind hoeft te blijven. Misschien word je ook wel, net als ik, een aanhanger van deze druif.

Vegan wijn: helder label, troebele werkelijkheid

Het gaat snel, dat is wel het minste wat je kan zeggen. Plots zie je ook in de wijnwereld flessen opduiken met het bekende V label op het rugetiket. In de food- en non-foodwereld was dat al veel langer ingeburgerd, maar intussen heeft het label ook duidelijk zijn plaats gevonden in wijn.

Dat het fenomeen niet meer weg te denken is, lijkt me duidelijk. Toch stel ik me daar wel de nodige vragen bij. Niet zozeer omdat ik het belang van duidelijke informatie voor de consument in twijfel trek, wel omdat ik me afvraag wat de echte meerwaarde van zo’n label in wijn precies is. Zeker in een sector waar de fles vandaag al omringd wordt door een hele stoet aan andere keurmerken en claims: Ecocert, Biodyvin, Demeter, Terra Vitis, Fairtrade, VIVA, Equalitas en nog heel wat meer. Op de duur zie je de bomen door het bos niet meer.

Wie wat dieper graaft, merkt bovendien al snel dat vegan allerminst een eenduidig begrip is. Zodra je achter het etiket kijkt, kom je terecht in een wereld van verschillende definities, overtuigingen en grijze zones. Voor de ene producent betekent vegan eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Voor de ene consument volstaat dat. Voor de andere begint de discussie daar pas echt.

Op het eerste gezicht lijkt vegan wijn zelfs een bijna overbodige term. Wijn wordt tenslotte gemaakt van druiven, en druiven groeien aan een plant. Maar tussen druif en fles schuilt een hele reeks keuzes, handelingen en materialen die het verhaal minder vanzelfsprekend maken. Mag er bijenwas op een capsule zitten? Is een wijn nog vegan als een paard de wijngaard ploegt? En wat met biodynamische domeinen die dierlijke onderdelen gebruiken in hun preparaten? Daarom lijkt het me de moeite om verder te kijken dan het logo alleen.

Wat bedoelen we eigenlijk met vegan wijn?

Wie zich in vegan wijn verdiept, merkt al snel dat het begrip minder eenduidig is dan het etiket doet vermoeden. In de praktijk circuleren namelijk twee lezingen naast elkaar.

De meest gangbare en beperkte invulling is technisch van aard. Daarbij betekent vegan wijn eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Dat is ook de definitie waarop veel wijnbedrijven zich in de praktijk baseren. Wanneer zij op hun website of etiket vermelden dat hun wijn vegan is, bedoelen ze meestal precies dit, niet meer en niet minder.

Voor een deel van het publiek ligt de lat echter hoger. Daar volstaat het niet dat de wijn in de kelder zonder dierlijke hulpmiddelen is gemaakt. In die strengere lezing moet in de volledige productieketen elke vorm van dierlijk gebruik worden vermeden, voor zover dat mogelijk en praktisch haalbaar is.

Precies daar begint de verwarring. Veel consumenten denken nog altijd in één brede categorie van plantaardig of diervrij, terwijl in de praktijk verschillende definities, gevoeligheden en overtuigingen naast elkaar bestaan. Wie het echt nauw neemt, wil dus niet alleen weten of een wijn vegan is, maar ook volgens welke lezing dat precies wordt bedoeld.

Waarom klaring het klassieke discussiepunt werd

De bekendste discussie rond vegan wijn draait nog altijd om de klaring. Daarbij worden stoffen toegevoegd die zich binden aan kleine deeltjes in de wijn, zodat die nadien verwijderd kunnen worden. Traditioneel gebeurde dat met dierlijke stoffen zoals eiwit, caseïne of vislijm.

Vanuit klassiek oenologisch standpunt is dat niets uitzonderlijks. Het gaat om een technische ingreep die helpt om de wijn helderder en stabieler te maken. Precies daar wringt het voor vegan consumenten. Ook al blijft er in theorie niets of nauwelijks iets achter in de uiteindelijke wijn, het dierlijke product is wel gebruikt tijdens het proces.

Daarom kiezen veel producenten die vegan willen werken voor alternatieven zoals bentoniet of plantaardige eiwitten, bijvoorbeeld op basis van erwten. Anderen laten klaring volledig achterwege. Vooral bij rode wijnen is dat geen uitzondering. Het resultaat hoeft daar niet onder te lijden. Een zorgvuldig gemaakte wijn kan perfect zonder dierlijke klaringsmiddelen tot een zuiver en aantrekkelijk eindresultaat komen.

Voor veel producenten en consumenten eindigt de discussie ook precies daar. Zodra er in de kelder geen dierlijke hulpmiddelen zijn gebruikt, geldt de wijn voor hen als vegan.

De wijngaard als moreel terrein

Als we de advocaat van de duivel mogen spelen, dan is het heel eenvoudig: het debat stopt niet bij de klassieke klaring. Wie het onderwerp consequent doordenkt, komt onvermijdelijk uit bij minder voor de hand liggende vragen. Wat betekent vegan eigenlijk in een landbouwproduct dat midden in de natuur ontstaat? Zodra je het debat volledig opentrekt, kom je al snel uit bij allerlei vraagtekens, en misschien ook bij echte twistpunten. Ik pik er, eerder willekeurig, alvast enkele uit.

Ten eerste komt er bij mechanische oogst soms meer dan alleen druiven binnen op het domein. Wie ooit een sorteertafel van dichtbij heeft gezien, weet dat tussen het fruit ook blaadjes, takjes en af en toe kleine dieren of insecten kunnen opduiken. Muizen, slakken en hagedissen horen daar uiteraard evenmin thuis: het valt allemaal onder wat men wel eens ‘matter other than grapes’ noemt. Bij handmatige pluk is die kans kleiner, maar volledig uitsluiten kan je het nooit. Moderne sorteertechnieken, zoals optische sortering, kunnen veel ongewenst materiaal eruit halen, maar ook dat is geen absolute garantie. Moeten we dan zover gaan dat voor vegan wijn enkel handmatige oogst nog aanvaardbaar zou zijn?

Ten tweede kunnen er vragen worden gesteld bij de dierlijke hulpmiddelen die wijnbouwers inzetten bij het beheer van hun wijngaarden. Sommige producenten gebruiken paarden om te ploegen, schapen om begroeiing te beheren of eenden als natuurlijke hulp in het ecosysteem van de wijngaard. Dat kan je zien als een mooi voorbeeld van gemengde landbouw en respectvolle samenwerking met dieren. Je kan het ook bekijken als functioneel gebruik van dieren binnen een productiesysteem. En precies daar wordt het voor een deel van het vegan publiek moeilijker te verantwoorden.

Ten derde duikt ook bemesting op als een gevoelig punt. Sommige wijnbouwers gebruiken organische meststoffen van dierlijke oorsprong, terwijl anderen overschakelen op plantaardige alternatieven, niet alleen om praktische redenen, maar ook om het vegan vraagstuk te vermijden. Meststof komt natuurlijk niet rechtstreeks in het glas terecht, maar wel in de bodem waarin de wijnstok groeit. Voor sommigen is dat geen probleem. Voor anderen hoort ook dat bij de ethische beoordeling van de wijn.

Net daar wordt ook duidelijk hoe breed de discussie is geworden. In een absolute filosofische lezing van veganisme kan zelfs dierlijke mest problematisch zijn. In de landbouwpraktijk blijkt een totaalverbod daarop echter nauwelijks werkbaar. Veel systemen, ook duurzame, biologische en regeneratieve, steunen nog altijd op organische bemesting waarin dierlijke mest een plaats heeft. Precies daarom kiezen sommige vegan standaarden voor een pragmatische aanpak. Ze aanvaarden dierlijke mest, omdat een volledig verbod in de praktijk een groot deel van de landbouwproductie zou uitsluiten. Dat is begrijpelijk, maar het toont ook hoe zelfs strenge definities niet altijd volledig consequent kunnen zijn.

Trek je de redenering nog verder door, dan kom je bovendien uit bij alles wat rond de fles gebeurt. Ook een capsule op basis van bijenwas lijkt op het eerste gezicht een detail, maar kan in een strikte vegan lezing problematisch worden. Zo verschuift het debat steeds verder weg van wat in het glas zit, naar de volledige keten errond. En dan mag je je toch stilaan de vraag stellen waar de grens precies ligt.

Die vraag is dus niet alleen technisch, maar ook filosofisch. Gaat vegan wijn enkel over wat rechtstreeks in contact komt met de wijn, of ook over elk onderdeel van het systeem waarin die wijn ontstaat? Op dat punt bestaat vandaag geen universeel aanvaard antwoord.

Biodynamie, natuur en de onverwachte botsing

Nu we toch op dreef zijn, mogen we ook die vraag stellen: is biodynamie eigenlijk wel verenigbaar met vegan wijn? Het is een van de boeiendste spanningsvelden binnen dit debat. Op het eerste gezicht lijken beide werelden elkaar namelijk te vinden in hun zoektocht naar een meer bewuste omgang met natuur en landbouw. Toch lopen ze op cruciale punten uit elkaar.

Biodynamische wijnbouw maakt gebruik van preparaten waarin dierlijke onderdelen, zoals koehoorns, een rol spelen. Voor veel strikte vegan interpretaties is dat onverenigbaar met het basisprincipe. En precies daar ontstaat een opvallende paradox: sommige domeinen die bijzonder zorgvuldig, ecologisch en nauwkeurig met hun bodem en biodiversiteit omgaan, vallen daardoor toch buiten een strenge vegan lezing.

Dat maakt één zaak meteen duidelijk: vegan is geen synoniem voor biologisch, duurzaam of regenererend. Er kan overlap zijn, zeker, maar het blijven verschillende kaders. Een wijn kan vegan zijn zonder uitgesproken duurzaam te zijn. En een biodynamische wijn kan op ecologisch vlak bijzonder sterk staan, maar toch niet als vegan gelden.

Dat levert een bijna ironische spanning op. Een producent kan biodynamisch werken, de biodiversiteit in de wijngaard verhogen, synthetische ingrepen vermijden en tegelijk toch niet als vegan gecertificeerd worden. Omgekeerd kan een wijn perfect vegan gelabeld zijn in technische zin, terwijl de bredere duurzaamheidsbalans minder overtuigend is.

De echte les: transparantie boven slogans

Misschien is dat wel de kern van het hele debat. Niet dat elke wijnproducent plots een moreel filosoof moet worden, wel dat er minder mysterie en meer openheid mag zijn over hoe wijn wordt gemaakt.

Veel consumenten kennen enkel het verhaal van klaring met eiwit of vislijm. Maar wie iets dieper kijkt, merkt al snel dat de discussie veel verder reikt: van accidenteel contact tijdens de oogst tot meststoffen, biodynamische preparaten, werkdieren, capsulewas, kurk en lijm. Wie dat alles ernstig neemt, beseft snel dat vegan wijn geen simpele aan of uit knop is.

Precies daarom is een transparante producent vandaag geloofwaardiger dan een vage claim. Niet de slogan “vegan friendly” op zich is doorslaggevend, wel de uitleg erachter. Tegelijk schuilt daar ook een risico. Want zodra het debat herleid wordt tot een logo op het rugetiket, dreig je in een vorm van holle frasering terecht te komen. Dan lijken duidelijk afgebakende systemen zoals bio of biodynamie plots minder relevant, terwijl een overduidelijk conventioneel gemaakte wijn met een vegan label veel te gemakkelijk een moreel geloofwaardig imago kan krijgen, zelfs wanneer de wijngaard intussen zonder veel scrupules chemisch wordt bewerkt.

En precies daar wringt het voor mij. Vegan kan een nuttige aanduiding zijn, maar het mag geen alibi worden dat alle andere vragen overstemt. Niet over landbouw, niet over duurzaamheid, en niet over de bredere manier waarop een wijn tot stand komt.

Tegelijk heeft de realiteit het debat misschien al deels ingehaald. De klant die vandaag bij mij in de winkel binnenstapt en op een fles het woord vegan ziet staan, neemt die vaak ook mee naar huis en voelt zich goed bij die keuze. Zo eenvoudig werkt het soms ook.


Marche op zondag – Op ontdekking met de levensgenieter

De komende weken duiken we op zondag de Marche in. De aanleiding voor deze nieuwe zondagse reeks kwam van goede vrienden van ons. “Wim, wij trekken komende zomer naar de Marche”, kreeg ik te horen. “Jij gaat ons toch wel kunnen zeggen wat we daar absoluut moeten zien en doen?”

Dat zette meteen iets in gang. Marche is namelijk zo’n boeiende, aangename en mooie regio dat ze, eens je er geweest bent, onder je huid kruipt. Geen seconde hebben we ons er verveeld. Van noord tot zuid trokken we er elke dag op uit, telkens op zoek naar een ander stukje Marche dat ons wist te verrassen.

Mijn antwoord kon dus moeilijk anders luiden: ik ga die tips niet alleen aan jullie vertellen, ik ga ze uitschrijven in een blogreeks.

Zo kunnen ook jullie mee genieten van alles wat Marche te bieden heeft. En misschien begint het dan ook bij jullie te kriebelen om er zelf vakantie te plannen.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
    We openen met de regio zelf: waar ligt Marche precies, hoe geraak je er, welke grote lijnen uit de geschiedenis zijn relevant, en waarom is Verdicchio de ideale eerste sleutel om dit verhaal te beginnen?
  2. Offida DOCG: zuidelijke Marche in het glas
    In het zuiden van Marche ontdekken we een nog te weinig bekende DOCG die perfect weergeeft hoe veelzijdig deze regio eigenlijk is. Offida toont zich hier niet alleen met expressieve witte wijnen van Pecorino en Passerina, maar ook met een stevige rode zijde waarin Montepulciano bepalend is.
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en rode wijn elkaar vinden
    Rond de Monte Conero toont Marche zich van een van zijn meest markante kanten. Het Parco Naturale del Conero zorgt voor een spectaculair decor, Conero DOCG voor karaktervolle rode wijn, en de mosciolo di Portonovo verbindt het geheel met de zilte keuken van de kust.
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en stadjes met karakter
    Wie Marche alleen met heuvels en wijn associeert, mist een belangrijk deel van het verhaal. Langs de Adriatische kust liggen badplaatsen, vissersstadjes en elegante zeepromenades die de regio een heel eigen dynamiek en uitstraling geven.
  5. Hidden gems van Marche, deel 1
    We kiezen niet voor de meest voor de hand liggende plekken, maar voor plaatsjes die je onverwacht raken: charmant, authentiek en veelzeggend voor het karakter van de regio.
  6. Hidden gems van Marche, deel 2
    We verlaten de meer voor de hand liggende routes en trekken dieper het binnenland in, naar dorpen, kleine steden en de Monti Sibillini, waar Marche zich van een ruigere, stillere en minstens even boeiende kant laat zien.
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi
    Hoewel de keuken van Marche minder naam heeft dan die van sommige andere Italiaanse regio’s, is ze bijzonder boeiend. Ze is vaak sober van uitstraling, maar rijk aan smaak, stevig verankerd in het landschap en vol gerechten die meer indruk maken dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.
  8. De rode veelzijdigheid van Marche
    Marche wordt vaak in de eerste plaats met witte wijn geassocieerd, maar daarmee is lang niet alles gezegd. Rosso Piceno, Lacrima di Morro d’Alba en Vernaccia di Serrapetrona tonen samen hoe veelzijdig, eigenzinnig en boeiend de rode kant van deze regio eigenlijk is.
  9. Bonus – Masterclass Marche
    We sluiten af met een van de boeiendste proeverijen die ik de voorbije tijd deed. We plaatsen Castelli di Jesi Verdicchio, in Superiore en Riserva, naast Verdicchio di Matelica, in de gewone versie en in Riserva, en gaan op zoek naar de subtiele verschillen tussen deze wijnen.

In deze reeks houden we het bewust ruimer en beperken we ons niet tot wijn en gastronomie alleen. Tegen het einde ligt er zo een alternatieve minireisgids door Marche op tafel. Kerken, musea en andere klassieke cultuurstops laten we doelbewust buiten beeld. Daarvoor bestaan al genoeg klassieke reisgidsen. Wij trekken vanaf volgende zondag op ontdekking vanuit het perspectief van de levensgenieter. Soms leidt het glas. Soms het bord. Soms het landschap. Meestal vloeit alles mooi in elkaar over, zoals dat in Italië wel vaker gebeurt.

ProWein: kroniek van een terugval

ProWein is intussen alweer voorbij. De jaarlijkse wijnbeurs van Düsseldorf vond dit jaar plaats van 15 tot 17 maart. In de aanloop naar ons bezoek op zondag las ik in Winemag, een Italiaans online wijnmedium, een artikel over de terugval van wat ooit zonder veel discussie de belangrijkste wijnbeurs van Europa was. De teneur was duidelijk: ProWein was niet langer de onbetwiste reus van vroeger. Genoeg aanleiding dus om die analyse eens af te toetsen aan de werkelijkheid.

Die toets begon al bij aankomst. Toen we de immense parking opdraaiden, viel meteen op hoe weinig wagens er stonden. Ook de busdienst naar de beurs, vroeger steevast goed gevuld, was nu bijna leeg. Het waren kleine signalen, maar wel signalen die de richting van het verhaal al aangaven nog voor we één hal hadden betreden.

Van recordbeurs naar kleiner formaat

Wie ProWein al langer volgt, weet hoe indrukwekkend de beurs in haar topjaren was. In 2019 bereikte Düsseldorf een piek met meer dan 61.000 professionele bezoekers, zowat 6.900 exposanten en dertien volledig gevulde hallen. Dat was meer dan zomaar een sterke editie: het was het moment waarop ProWein zich definitief had gevestigd als de grote internationale afspraak voor wijn en distillaten.

Zes jaar later oogt het plaatje anders. De editie van 2026 vond plaats in zeven hallen, zowat de helft van wat tijdens de gloriejaren in gebruik was. Het aantal exposanten daalde tot ongeveer 3.400 en ook het bezoekersaantal bleef met ongeveer 31.000 ver onder het niveau van vóór de pandemie. Alleen al in de fysieke opstelling van de beurs werd zichtbaar wat de cijfers al langer aangeven: ProWein is vandaag een duidelijk kleiner evenement dan in zijn topjaren.

Onderstaande tabel maakt die evolutie helder zichtbaar.

JaarBezoekersExposantenHallenOpmerking
2016ca. 55.000ca. 6.20013gestage groei
201758.5026.61513internationale expansie
2018ca. 60.000ca. 6.87013bijna verzadigd
201961.000+ca. 6.90013historisch record
2020geannuleerdn.v.t.n.v.t.pandemie
2021geannuleerdn.v.t.n.v.t.pandemie
202238.0005.70013terugkeer na Covid
2023ca. 49.000ca. 6.00013gedeeltelijk herstel
202445.0825.289ca. 11 tot 13nieuwe daling van bezoekers
2025ca. 42.000ca. 4.200ca. 9 tot 11structurele inkrimping
2026ca. 31.000ca. 3.4007drastische vermindering van de opstelling, bezoekers én exposanten

De pandemie als breuklijn

De eerste grote schok kwam natuurlijk met corona. De editie van 2020 werd op het laatste moment geannuleerd. Ook 2021 viel volledig weg. Voor een beurs die draaide op internationale mobiliteit, ritme en gewoonte was dat meer dan een tijdelijke onderbreking. Het was een echte breuklijn.

Toen ProWein in 2022 terugkeerde, was het landschap veranderd. Het aantal bezoekers zakte naar ongeveer 38.000 en ook het aantal exposanten bleef ver achter op het niveau van 2019. In 2023 volgde nog een gedeeltelijk herstel, maar de vroegere dynamiek keerde niet echt terug. Vanaf 2024 werd opnieuw een daling zichtbaar, zowel in bezoekers als in exposanten. Wat eerst nog als een nasleep van Covid kon worden gezien, begon steeds meer op een structurele verschuiving te lijken.

Die terugval laat zich ook samenvatten in één compact overzicht.

Indicator20192026Verandering
Bezoekers61.000ca. 31.000-49%
Exposantenca. 6.900ca. 3.400-51%
Hallen137-46%

De werkelijkheid op de beursvloer

Dat gevoel van structurele inkrimping was dit jaar moeilijk te negeren. Natuurlijk blijft ProWein een grote, professionele en internationaal relevante beurs. Er zijn nog altijd veel producenten, veel landen en veel contacten. Maar de beleving is anders geworden: minder drukte, meer ruimte en minder vanzelfsprekende buzz. Niet overal hing nog die geladen sfeer van een evenement waar iedereen per se aanwezig moest zijn.

Dat hoeft op zich niet negatief te zijn. Minder overrompeling kan voor bezoekers zelfs comfortabeler zijn. Toch was het contrast met vroegere jaren groot genoeg om de vraag op te roepen of ProWein nog wel dezelfde plaats inneemt in de internationale wijnkalender. Ons eerste gevoel, op parking en shuttlebus, bleek binnen dus allerminst onterecht.

Tijdens ons bezoek merkten we ook bij veel wijnboeren een duidelijk pessimisme. De forse financiële inspanningen die nodig zijn om op de beurs aanwezig te zijn, lijken almaar minder te renderen. Bij verschillende producenten werden openlijk vraagtekens geplaatst bij een toekomstige deelname.

Ook voor ons als bezoeker wordt ProWein gaandeweg minder relevant. De beurs blijft aantrekkelijk door haar onmiddellijke nabijheid en door de mogelijkheid om contacten met wijnproducenten aan te halen of te verdiepen. Tegelijk stelden we vast dat er steeds minder rechtstreekse contacten aanwezig waren. Waar we vroeger moeiteloos drie volle dagen konden vullen met bezoeken aan producenten uit onze eigen portefeuille, troffen we er dit jaar nog slechts een zestal aan. Voor ons volstond één dag om de beurs af te werken.

De oplopende kost van een beursbezoek

Een belangrijke verklaring ligt bij de kost van internationale beurzen. Deelnemen aan ProWein betekent al lang niet meer simpelweg een stand boeken. Naast de huur van de oppervlakte spelen ook standbouw, logistiek, transport, personeel, reizen, overnachtingen en hospitality mee. Voor een gemiddeld wijnbedrijf loopt die totale investering al snel op tot enkele tienduizenden euro. Voor grotere spelers kan dat bedrag nog veel hoger uitvallen.

In een economisch klimaat waarin marges onder druk staan, kijken bedrijven kritischer naar het rendement van zulke uitgaven. Dat vertaalt zich op verschillende manieren. Sommige producenten kiezen voor kleinere stands. Andere slaan een jaar over. Nog andere geven de voorkeur aan meer gerichte evenementen waar de kans op concrete commerciële contacten groter is.

Ook de geschatte deelnamekosten van de grote Europese beurzen tonen waarom die afweging vandaag scherper wordt gemaakt.

BeursGemiddelde standkostDuur
ProWein30.000 tot 100.000 euro3 dagen
Wine Paris20.000 tot 70.000 euro3 dagen
Vinitaly15.000 tot 60.000 euro4 dagen

De daling van het bezoekersaantal heeft ook met die hoge kost te maken. Zo zagen we de prijs van een parkingticket stevig stijgen. Ook de catering op de beurs, vaak van bedroevend zwakke kwaliteit, is haar prijs nauwelijks waard. En dan is er nog de overnachting. Hotels in Düsseldorf trekken tijdens ProWein zonder veel schroom hun tarieven fors op. Kamers die buiten de beursperiode ongeveer 120 euro per nacht kosten, gaan tijdens de beurs vlot richting 420 euro. Tel daar parking, maaltijden en verplaatsingen bij, en het is duidelijk hoe snel de rekening oploopt.

Zelf weken wij om die reden uit naar de rand, op zo’n 30 kilometer van Düsseldorf, om de verblijfskosten te drukken. Ook daar merkten we overigens een prijsstijging door de beurs, al was die minder uitgesproken. In economisch moeilijke tijden maakt dat de drempel voor een bezoek alleen maar groter.

Wine Paris en de verschuiving van het zwaartepunt

Daar komt nog bij dat het internationale beurslandschap intussen competitiever is geworden. Waar ProWein jarenlang de toonaangevende Europese referentie was, heeft Wine Paris zich in korte tijd stevig op de kaart gezet. Die beurs is de voorbije jaren sterk gegroeid en wordt steeds vaker genoemd als de plek waar het momentum momenteel het duidelijkst voelbaar is.

Dat betekent niet dat ProWein plots irrelevant is geworden. Wel dat de machtsverhoudingen binnen de Europese beurskalender minder vanzelfsprekend zijn dan vroeger. De wijnwereld heeft vandaag niet langer één centrum waar alles samenkomt. Ze is diffuser geworden, met meer concurrentie tussen beurzen en meer keuze voor producenten en kopers.

Ook de kalender is versnipperd

Naast de opkomst van nieuwe grote beurzen is er nog een tweede evolutie: de fragmentatie van de wijnkalender. Regionale salons, thematische evenementen en meer nichegerichte businessformats hebben de laatste jaren aan belang gewonnen. Voor veel producenten is dat aantrekkelijk. Ze kunnen gerichter werken, dichter bij hun markt opereren en vaak met lagere kosten toch een relevant publiek bereiken.

Daardoor verliest het klassieke model van de allesomvattende internationale vakbeurs een deel van zijn vanzelfsprekendheid. De grote afspraak blijft bestaan, maar ze is niet langer de enige plek waar het moet gebeuren.

Geen eindverhaal, wel een kantelpunt

Toch zou het te gemakkelijk zijn om ProWein louter als een verliezer te beschrijven. De beurs blijft een sleutelmoment voor de internationale wijnhandel. Ze trekt nog steeds buyers, importeurs, distributeurs en horecaprofessionals uit de hele wereld aan. De naam ProWein heeft nog gewicht en Düsseldorf blijft logistiek sterk geplaatst.

Maar tegelijk is het duidelijk dat de beurs zich in een overgangsfase bevindt. De terugval van dertien naar zeven hallen is daarvoor misschien wel het meest sprekende beeld. Daardoor wordt tastbaar wat er veranderd is: minder omvang, meer selectiviteit, meer concurrentie en meer druk op het klassieke model.

De vraag is dus niet of ProWein nog bestaat als relevante beurs. Dat doet ze zonder twijfel. De echte vraag is welke rol ze in de toekomst wil spelen. Blijft ze inzetten op schaal en internationale breedte, of kiest ze voor een scherper profiel in een markt die niet langer automatisch dezelfde reflexen heeft als vóór 2020?

Na ons bezoek lijkt de conclusie vrij helder. Het artikel uit Winemag over de neergang van ProWein was misschien streng van toon, maar de onderliggende observatie bleek wel degelijk herkenbaar op het terrein. De beurs is niet ingestort, maar ze is ook niet meer wat ze was. Wie vandaag door Düsseldorf wandelt, ziet nog steeds een belangrijk vaksalon, alleen niet langer de onaantastbare reus van weleer.

De rotofermenter: techniek, tempo en stijl in de rode wijnkelder

Zelfstudie heeft me altijd al aangesproken, en het is meteen ook een van de redenen waarom ik zo vaak over wijn blog. Het gebruik van een rotofermenter bij de vinificatie van rode wijn was mij al jaren bekend, maar tegelijk besefte ik dat ik eigenlijk maar weinig wist over hoe die techniek precies werkt. Veel informatie blijkt er online niet meteen over te vinden. Daarom ben ik aan de slag gegaan met enkele korte stukken die ik wel kon opsporen, en heb ik die verwerkt tot onderstaande bijdrage. Mijn inzicht in deze techniek is daardoor in elk geval een pak ruimer geworden.

Wat is een rotofermenter precies?

Een rotofermenter is in wezen een horizontale fermentatietank waarin schillen, pitten en sap tijdens de gisting op gecontroleerde wijze met elkaar in contact worden gehouden door rotatie. Dat kan doordat de volledige tank draait, of via een intern mengsysteem dat de massa in beweging houdt.

Bij rode wijn ontstaat tijdens de alcoholische gisting vanzelf een drijvende laag van schillen, pitten en andere vaste delen boven op het sap. In vaktaal noemt men die laag de hoed. Het koolzuurgas dat door de gist wordt geproduceerd, duwt die massa omhoog. Net daarom is contactbeheer zo belangrijk: wie kleur, aroma en tannine uit de schillen wil extraheren, moet ervoor zorgen dat die hoed geregeld opnieuw met het sap in aanraking komt. Traditioneel gebeurt dat via het onderdompelen van de hoed, ook wel pigeage genoemd, of via overpompen, wat men in vaktaal remontage noemt. De rotofermenter neemt die taak over en mechaniseert dit proces.

Dat lijkt een eenvoudig principe, maar het effect kan groot zijn. Door de horizontale opstelling en de actieve vermenging verloopt het contact tussen sap en vaste delen doorgaans gelijkmatiger dan bij een traditionele gisting in een rechtopstaande tank. Daardoor kan de extractie sneller verlopen en vaak ook consistenter worden gestuurd.

Waarom wijnmakers ermee aan de slag gaan

De voornaamste aantrekkingskracht van de rotofermenter ligt in de combinatie van snelheid en controle. Wijnmakers die mikken op diepe kleur, uitgesproken fruit en een zachte, toegankelijke structuur, zien in dit systeem een bijzonder efficiënt hulpmiddel. Men kan in een relatief korte tijd veel kleur en aroma uit de schillen halen, om vervolgens de wijn al vroeg van de vaste delen te scheiden, nog voor de tannine te stevig wordt.

Voor veel producenten is dat de kern van de zaak. Niet wachten tot de gisting volledig is afgelopen om te persen, maar al vroeger beslissen: nu hebben we voldoende kleur, voldoende fruit, voldoende structuur, en nu halen we de wijn van de schillen af. Zo ontstaat er speelruimte. De verdere gisting kan dan afgewerkt worden in tank of in vat, afhankelijk van de stijl die men voor ogen heeft.

Voor grote bedrijven is er ook een praktisch voordeel. Arbeid in de kelder is duur en tijdens de oogst staat alles onder druk. Een rotofermenter kan taken overnemen die anders veel manueel werk vragen. Minder overpompen, minder fysieke interventies, minder afhankelijkheid van wie toevallig dienst heeft in de kelder. In drukke oogstjaren telt dat zwaar door.

Van techniek naar wijnstijl

Uiteindelijk draait ook hier alles om de vraag wat die techniek in het glas oplevert, want de wijnen die met dit systeem worden gemaakt, zijn vaak diep van kleur, aromatisch expressief, sappig in het fruit en relatief snel toegankelijk. Dat profiel spreekt veel consumenten aan. Het zijn rode wijnen die zich jong al aantrekkelijk presenteren en niet noodzakelijk jaren flesrijping nodig hebben om hun structuur te verfijnen.

Sommige wijnmakers beschrijven dat effect bijna provocerend: meer rood fruit, meer impact, meer onmiddellijke expressie. Dat klinkt aantrekkelijk, al zit daar ook meteen de kritiek vervat. Want wat voor de ene een levendige, genereuze wijn is, is voor de andere een stijl die te nadrukkelijk is gestuurd.

De rotofermenter wordt dan ook vaak ingezet bij druivenrassen die baat hebben bij kleur en fruitintensiteit, zonder dat men hen te ver wil doorduwen in een harde structuur. Syrah, Merlot en Cabernet Sauvignon worden in dat verband geregeld genoemd. Bij fragielere druivenrassen ligt dat anders. Pinot Noir, of Pinot Nero, vraagt doorgaans meer zachtheid en nuance. Wie daar te mechanisch of te intens mee omspringt, riskeert karakterverlies. Ook bij Nerello Mascalese is voorzichtigheid geboden, omdat finesse, spanning en detail daar vaak belangrijker zijn dan maximale extractie.

Snellere extractie, maar niet zonder risico

Zoals vaker in de wijnbouw is een voordeel tegelijk ook een valkuil. Dat de rotofermenter snel extraheert, is precies zijn kracht. Maar snelheid zonder gevoel voor timing kan omslaan in overextractie. Waar kleur en fruit snel worden vrijgemaakt, liggen ook bitterheid en een te nadrukkelijke tanninestructuur op de loer. De rotofermenter maakt niets vanzelf beter, maar toont vooral sneller wat mogelijk is, in goede én in minder goede zin.

Sommige producenten wijzen daarnaast op het risico van reductieve aroma’s. In een gesloten systeem, met veel vaste delen en een actieve gisting, kunnen wijnen aromatisch wat geslotener overkomen. Dat hoeft geen probleem te zijn wanneer men het proces goed beheerst, maar het onderstreept wel dat een rotofermenter geen wonderknop is waarmee betere wijn vanzelf ontstaat.

Bovendien verandert ook de aard van het contact tussen sap en schillen. In een klassieke rechtopstaande tank kan overpompen kanaalvorming in de hoed veroorzaken, waardoor niet alle schillen even intens met het sap in contact komen. De rotofermenter beperkt dat effect en zorgt voor een gelijkmatigere vermenging. Dat is technisch interessant, maar het maakt de extractie ook efficiënter. En efficiënter betekent in wijn lang niet altijd verfijnder.

Klassieke kuip of rotofermenter

Voor veel wijnmakers blijft de klassieke open kuip of rechtopstaande tank de referentie, net omdat die meer ruimte laat voor observatie, bijsturing en gevoel voor ritme. Het onderdompelen van de hoed kan zachter of steviger gebeuren. Overpompen kan kort of lang duren. Ook een délestage, waarbij men de most tijdelijk aftapt en daarna opnieuw over de schillen brengt, zorgt voor een ander effect. Er zit met andere woorden meer nuance in de handeling zelf.

De rotofermenter verschuift dat accent. De wijnmaker stuurt hier vooral via timing, draaisnelheid, duur en het moment waarop de wijn van de schillen wordt gehaald. Ook dat is precisie, maar van een andere soort. Minder ambacht in het fysieke gebaar, meer sturing via parameters.

Dat verklaart waarom dit toestel zo vaak opduikt in discussies tussen zogenoemde modernisten en traditionalisten. In regio’s waar structuur, langzame maceratie en terroirexpressie hoog in het vaandel staan, wordt de rotofermenter soms met argwaan bekeken, net omdat hij wordt geassocieerd met een rondere, gladdere en meer gepolijste stijl. In andere regio’s, waar fruitexpressie en vroege drinkbaarheid centraal staan, geldt hij dan weer als een logische bondgenoot.

Oud principe, moderne toepassingen

Toen ik me in het gebruik van de rotofermenter verdiepte, was mijn eerste verrassing vooral historisch van aard. Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat de eerste sporen van dit systeem al teruggaan tot het begin van de jaren 1970. Dat het toestel aanvankelijk in Australië opduikt, voelt ergens wel logisch. In Europa liet de bredere doorbraak langer op zich wachten. In Piemonte bijvoorbeeld wordt Enrico Scavino vaak genoemd als de eerste producent in de Langhe die met een rotofermenter werkte, en dat zou in 1993 zijn geweest. Dat sluit mooi aan bij het bredere verhaal van de modernistische golf in Barolo en Barbaresco.

Een principe dat al zo lang meegaat, is uiteraard niet onveranderd gebleven. Ook de rotofermenter heeft in de loop der jaren een duidelijke evolutie doorgemaakt. Modernere systemen werken vandaag met verfijndere rotatiecycli, nauwkeuriger temperatuurcontrole en een hogere graad van automatisering. Sommige toestellen laten bovendien ook andere toepassingen toe, zoals cryomaceratie of koolzuurmaceratie. Zo brengt ook dit onderwerp weer nieuwe begrippen met zich mee en nodigt het bijna vanzelf uit tot een volgende ronde zelfstudie.

Lambrusco aan tafel: een verrassend sterke gastronomische partner

Tijdens ons bezoek aan de regio hielden we halt in Modena, overigens een bijzonder aangename stad. We namen plaats bij Enoteca al Duomo en zagen hoe heel wat gasten er genoten van een schotel met lokale specialiteiten, vrijwel altijd begeleid door een glas Lambrusco. Uiteraard volgden ook wij dat voorbeeld. Er kwam een fles Lambrusco volgens de Metodo Classico op tafel, een meer verfijndere en gastronomische stijl, samen met culatello, mortadella, Parmigiano Reggiano en andere lokale lekkernijen. Ter plaatse konden we alleen maar vaststellen dat de reputatie van Lambrusco als gastronomische wijn allerminst overdreven is.

Maar Lambrusco is veel meer dan een wijn voor het aperitief. Aan tafel toont hij misschien wel zijn grootste kwaliteit: hij past zich moeiteloos aan uiteenlopende gerechten aan. Dat heeft alles te maken met zijn frisse zuren, zijn sprankelende karakter, zijn sappige fruit en, afhankelijk van de stijl, ook met voldoende structuur en tannine.

Net daarin schuilt zijn gastronomische waarde. Lambrusco kan vet counteren, zout opvangen, rijke bereidingen verlichten en hartige smaken extra reliëf geven. Van charcuterie en gevulde pasta tot bolliti, cotechino, Parmigiano Reggiano en zelfs sommige visgerechten: weinig wijnen bewegen zich zo vlot doorheen een maaltijd als Lambrusco.

Waarom Lambrusco zo goed werkt aan tafel

De vraag is niet alleen waarom Lambrusco gastronomisch inzetbaar is, maar vooral waarom hij dat in de praktijk zo overtuigend waarmaakt. De verklaring ligt in de manier waarop zuren, koolzuur, fruit en, in sommige stijlen, ook tannine en structuur reageren op textuur, vet, zout en hartigheid in gerechten.

De frisse zuren vormen daarbij een eerste belangrijke sleutel. Die zuren lossen vet niet letterlijk op, maar ze stimuleren wel de speekselproductie. Daardoor wordt de vettige film die rijke gerechten op tong en gehemelte achterlaten sneller losgemaakt en weggespoeld. Het effect merk je meteen: zulke bereidingen voelen minder zwaar aan en de mond blijft frisser, waardoor de combinatie langer aangenaam blijft.

Ook het koolzuur speelt daarin een belangrijke rol. Het versterkt het verfrissende effect van de zuren en maakt dat romige, zoute of vettige texturen minder log overkomen. Precies daardoor werkt Lambrusco zo overtuigend bij rijke en hartige bereidingen. De wijn houdt de mond fris zonder het gerecht uit balans te trekken.

Daarnaast is er het fruit. Het sappige, directe karakter van Lambrusco verzacht de impact van zout en voorkomt dat de combinatie streng of hoekig wordt. Zout vraagt vaak om een wijn met voldoende souplesse en een sappig, open smaakprofiel. Lambrusco heeft dat doorgaans van nature, zeker in goed gemaakte, droge stijlen. Dat verklaart mee waarom hij zich zo gemakkelijk voegt naar hartige gerechten met vleeswaren, kaas of gevulde pasta.

Bij krachtigere versies komt daar nog een extra dimensie bij. Meer structuur en wat meer tannine geven de wijn extra grip, waardoor hij ook bij rijkere vleesgerechten of vollere bereidingen overeind blijft. Zo behoudt Lambrusco zijn verfrissende karakter, maar heeft hij tegelijk voldoende inhoud om niet weg te vallen naast gerechten met meer gewicht.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Lambrusco in deze context vaak meer doet dan pakweg een Soave Classico of zelfs een Trento DOC. Ook die wijnen kunnen frisse zuren hebben, en in het geval van Trento DOC uiteraard ook koolzuur. Lambrusco brengt daar echter vaak nog sappig rood fruit, meer diepte in het smaakbeeld en soms ook een lichte grip van tannine bovenop. Daardoor verfrist hij niet alleen, maar sluit hij ook natuurlijker aan bij deze smaakwereld.

Precies die combinatie maakt Lambrusco zo interessant aan tafel. Hij brengt frisheid en dynamiek, maar tegelijk ook souplesse en grip. Daardoor kan hij vet opvangen, zout in balans brengen, rijke gerechten lichter doen aanvoelen en hartige smaken extra reliëf geven.

Een belangrijke nuance is wel dat niet elke Lambrusco die gastronomische rol op exact dezelfde manier speelt. De beschreven logica geldt in grote lijnen voor de categorie als geheel, maar aan tafel zijn het vooral de droge stijlen die het breedst inzetbaar zijn. Halfdroge en zoetere versies kunnen zeker ook werken, alleen verschuift hun natuurlijke terrein dan sneller richting aperitief, licht kruidige gerechten of dessert. Ook binnen de droge stijlen blijft het verschil groot: een slanke Sorbara gedraagt zich anders aan tafel dan een krachtigere Grasparossa.

Bij het aperitief: slank en opwekkend

Als aperitief komt Lambrusco het best tot zijn recht wanneer hij droog, fris en energiek blijft. De lichtere stijlen voelen hier het meest vanzelfsprekend aan. Vooral slankere en blekere Sorbara expressies zijn bijzonder geschikt om de eetlust op te wekken, zonder te zwaar of te nadrukkelijk te worden.

In die rol komt vooral de meest verfijnde kant van Lambrusco naar voren. Hij past goed bij kleine zoute hapjes, een eerste plankje met wat fijne charcuterie of een bescheiden selectie kazen. Hij brengt meteen sfeer en karakter in het glas, maar laat tegelijk voldoende ruimte voor wat nog moet volgen. Precies dat maakt hem zo geschikt als opener van de maaltijd.

Charcuterie en regionale tafelklassiekers

Bij charcuterie voelt Lambrusco zich volledig in zijn element. Dat is ook niet verwonderlijk: salame, mortadella, prosciutto, culatello en andere vleeswaren brengen vet, zout en kruiding samen, precies de elementen waarmee Lambrusco zo goed overweg kan. Hier toont hij waarom hij in Emilia al zo lang een vanzelfsprekende tafelwijn is.

Voor dit soort gerechten zijn het vooral de droge stijlen die het best werken. Zij houden het geheel strak, fris en levendig, zonder dat het zout of het vet uitvergroot wordt. Zoetere versies kunnen toegankelijk en charmant zijn, maar bij hartige bereidingen missen ze vaak de precisie die hier net zo belangrijk is.

Dat geldt ook voor regionale klassiekers als gnocco fritto, torta fritta, tigelle en crescentine. Zulke bereidingen vragen om een wijn die het geheel levendig houdt, zonder zelf naar de achtergrond te verdwijnen. Een droge Lambrusco doet dat met opvallend veel gemak.

Afhankelijk van de intensiteit van het bord kan je daarbij mooi in stijl schakelen. Bij een fijnere selectie vleeswaren werkt een lichtere Sorbara vaak uitstekend. Wordt het robuuster, vetter of krachtiger, dan komen Salamino, Grasparossa of een donkerdere Mantovaanse stijl beter tot hun recht.

Gevulde pasta en rijke primi

Ook bij de primi van Emilia toont Lambrusco zijn klasse. Lasagne, tortellini, cappelletti, anolini, ravioli en andere gevulde pasta’s vragen om een wijn die meer kan dan alleen fris ogen. Hier is een Lambrusco nodig met voldoende inhoud, maar zonder dat hij het gerecht verzwaart.

Droge stijlen zijn hier doorgaans de veiligste keuze. Salamino, Reggiano en Colli di Scandiano e di Canossa voelen zich bijzonder goed thuis naast pasta’s met rijke vulling, boter, bouillon of vleessaus. Ze brengen niet alleen frisheid, maar ook genoeg smaak om de intensiteit van het gerecht te volgen.

Ook pasta in brodo kan verrassend goed samengaan met Lambrusco. De wijn moet dan voldoende inhoud hebben om de vulling te volgen, maar tegelijk strak genoeg blijven om de bouillon niet log te maken. Precies in dat spanningsveld blijkt Lambrusco vaak sterker dan men vooraf zou vermoeden.

Van wit vlees tot bolliti en stoofgerechten

Ook bij vleesgerechten toont Lambrusco hoe breed inzetbaar hij kan zijn. Alleen verschuift hier het zwaartepunt duidelijk naar de drogere stijlen met meer structuur. Bij bolliti, cotechino, zampone, stoofpotten en andere rijke bereidingen zijn het vooral donkerdere Lambrusco’s die het best tot hun recht komen. Ze hebben voldoende body, smaakintensiteit en tannine om het gerecht te volgen, zonder het nog zwaarder te maken. Grasparossa is hier vaak de meest voor de hand liggende keuze, al kunnen ook krachtigere versies van Salamino of Reggiano uitstekend werken.

Precies daarin zit een van de sterke punten van Lambrusco aan tafel. Hij hoeft geen massieve wijn te zijn om overeind te blijven naast rijke, vettere en kruidige gerechten. Waar sommige stille rode wijnen zulke bereidingen nog zwaarder maken, houdt Lambrusco het geheel net levendig en verteerbaar.

Bij wit vlees ligt het accent iets anders. Kip, parelhoen of konijn vragen doorgaans minder kracht, maar wel voldoende frisheid en smaakdiepte. Ook hier zijn droge stijlen aangewezen, al mag het profiel soberder blijven. Salamino is dan vaak een erg bruikbare keuze, terwijl ook lichtere stijlen goed kunnen werken, zeker wanneer het gerecht geroosterde tonen heeft of gedragen wordt door een hartige saus.

Lambrusco en vis: minder vreemd dan het lijkt

Wie Lambrusco uitsluitend met vlees en charcuterie associeert, kijkt wellicht vreemd op bij vis. Toch kunnen vooral lichtere, drogere stijlen hier verrassend goed werken. Zeker in gerechten waarin zoutigheid, kruiden, tomaat of een licht vettige textuur meespelen, blijkt Lambrusco veel minder onlogisch dan vaak wordt aangenomen.

Vooral slankere en blekere expressies voelen zich in die rol het best thuis. Ze brengen frisheid en levendigheid, zonder het gerecht te overheersen. Dat maakt hen geschikt voor pasta’s met vis, bereidingen met sardines of andere gerechten waarin de vis niet alleen verfijnd, maar ook wat uitgesprokener van smaak is.

Niet elke visbereiding vraagt om Lambrusco. Bij heel delicate, subtiele gerechten ligt een andere wijn vaak meer voor de hand. Maar in de juiste context toont ook hier zijn veelzijdigheid zich. Wat op papier ongewoon lijkt, blijkt aan tafel vaak verrassend overtuigend.

Kaas als natuurlijke bondgenoot

Lambrusco voelt zich ook bijzonder goed thuis naast harde, rijpe kazen, met Parmigiano Reggiano en Grana Padano als meest vanzelfsprekende voorbeelden. Dat is geen toeval. Zulke kazen combineren zout, umami, vet en een korrelige, geconcentreerde textuur, precies de elementen waarmee Lambrusco doorgaans sterk overweg kan.

Waar de kaas kracht, hartigheid en rijpingsaroma’s aanbrengt, zorgt Lambrusco voor frisheid, sprankeling en voldoende fruit om het geheel levendig te houden. Daardoor wordt de combinatie niet zwaar, maar juist evenwichtig en zeer tafelvriendelijk. Jongere kazen sluiten vaak mooi aan bij lichtere stijlen, terwijl langer gerijpte en intensere kazen meer vragen om een Lambrusco met extra vulling en structuur.

Lambrusco als partner van dessert

Lambrusco hoeft niet noodzakelijk te stoppen bij het hoofdgerecht. In halfdroge, amabile of zoetere stijlen kan hij ook overtuigen bij dessert. Dan is het wel essentieel dat het restzoet van de wijn in verhouding staat tot het gerecht, zodat de combinatie niet schraal, hard of onevenwichtig overkomt.

Vooral fruitige desserts, verfijnd gebak en regionale klassiekers zoals een sbrisolona taart kunnen mooi samengaan met Lambrusco. De frisse zuren zorgen ervoor dat ook zachtere stijlen voldoende levendigheid behouden, waardoor het glas niet log wordt en het nagerecht aan frisheid wint.

Lambrusco hoort op tafel

Na dit alles is vooral één conclusie moeilijk te ontkennen: Lambrusco is veel meer dan een wijn voor het aperitief of een speelse opener van de maaltijd. In zijn verschillende stijlen kan hij moeiteloos mee doorheen een menu, van charcuterie en gevulde pasta tot vlees, kaas en dessert.

Precies dat maakt hem gastronomisch zo relevant. De moderne Lambrusco biedt frisheid, energie, souplesse en, waar nodig, ook structuur. Het zijn eigenschappen die hem niet alleen aantrekkelijk maken in het glas, maar vooral bijzonder bruikbaar aan tafel.

Misschien ligt daar ook een rol voor de sommelier. Wie wijnkaarten samenstelt en gasten begeleidt in hun keuzes, kan mee helpen tonen dat Lambrusco veel meer is dan het vereenvoudigde beeld dat er nog te vaak van bestaat: een volwaardige gastronomische wijn die op tafel echt iets te bieden heeft.

Chaptalisatie in het hedendaagse klimaat

Onlangs kreeg ik een spontane, op het eerste gezicht onschuldige vraag van een wijnstudent. Chaptalisatie: is dat nog van deze tijd met de klimaatopwarming? Mijn eerste reactie was euh… niet omdat ik het onderwerp niet kende, maar omdat ik plots merkte hoeveel nuance er achter die ene vraag schuilt. Chaptalisatie bestaat al eeuwen. In sommige regio’s is het perfect toegestaan, elders is het strikt begrensd of verboden. Maar of het in een warmere wereld ook minder relevant wordt, dat is minder evident dan het lijkt. Ik beloofde de vraagsteller om daar later op terug te komen en trok op zoek naar de nodige antwoorden omtrent chaptalisatie.

Wat is chaptalisatie precies?

Chaptalisatie betekent dat je suiker toevoegt aan druivenmost, of aan most die al aan het vergisten is, met één doel: het potentiële alcoholgehalte verhogen. Die suiker dient als extra brandstof voor de gisten. Als de gisting normaal en volledig doorloopt, wordt die suiker omgezet in alcohol en koolzuurgas. Het resultaat is dus niet zoeter, je kan perfect een kurkdroge wijn maken met chaptalisatie.

Je ziet de techniek vooral opduiken wanneer druiven moeite hebben om voldoende natuurlijke suikers op te bouwen. Dat gebeurt typisch in koelere regio’s, in natte oogstjaren, of in streken waar de rijping in het najaar vroeg stilvalt en het een race tegen de klok wordt. In zulke omstandigheden kan een beperkte verrijking helpen om de wijn weer in balans te brengen, zeker bij stijlen die een zekere body en structuur nodig hebben.

De techniek draagt de naam van Jean Antoine Chaptal, een Franse chemicus en politicus die ze begin 19de eeuw beschreef en bekend maakte. Hij was niet de uitvinder, maar hij gaf er wel een systematische logica aan. Je hoort ook andere termen: verrijking is de neutrale benaming, in het Engels hoor je ook sugaring en enrichment.

Een belangrijke verwarring bij consumenten: chaptalisatie is iets anders dan dosage bij mousserende wijn. Dosage gebeurt na de tweede gisting en bepaalt de zoetheidsstijl. Chaptalisatie gebeurt vóór of tijdens de alcoholische gisting en stuurt alcohol, niet zoetheid.

Wie graag nog één historisch detail meeneemt: het idee om een wijn in een lastig jaar “aan te sterken” is ouder dan Chaptal. In de oudheid werkte men bijvoorbeeld met honing om wijnen voller te maken. Dat is niet chaptalisatie in moderne zin, maar het toont dat wijnmakers al eeuwen zoeken naar manieren om een seizoen dat tegenzit toch richting balans te krijgen.

Waarom wijnbouwers verrijken

Ook vandaag, in een warmer maar grilliger klimaat, blijft het basisprobleem hetzelfde. Niet elk groeiseizoen levert druiven op met voldoende natuurlijke suikers om een stabiele, evenwichtige wijn te maken. In koelere klimaten kan de rijping achterblijven door lagere temperaturen, minder zoninstraling en een nazomer die te vroeg afkoelt. In natte jaren kan regen vlak voor de oogst de bessen doen zwellen, waardoor de concentratie aan suiker en aromacomponenten in het sap daalt.

Als druiven te weinig suiker hebben, zit je bij de start meteen met een lager alcoholpotentieel. Dat is typisch voor jaren waarin de nazomer vroeg afkoelt of regen de druiven minder geconcentreerd maakt. Het resultaat kan een wijn zijn die mager aanvoelt, met hoekige zuren en aroma’s die minder gedragen worden, precies omdat het evenwicht tussen rijpheid en structuur zoek raakt. Alcohol is geen smaak op zich, maar het geeft de wijn meer draagkracht: het maakt aroma’s expressiever en rondt het geheel af. Soms is een kleine correctie genoeg om een wijn van correct maar dun naar correct en compleet te brengen.

Er is bovendien een praktische kelderrealiteit. In zulke koelere of nattere jaren vallen laag alcohol en hogere zuren vaker samen, waardoor de microbiologische marge kan verkleinen. Dat is geen vrijgeleide om te verrijken, wel een extra reden waarom sommige producenten bij moeilijke jaren liever corrigeren dan gokken.

In de praktijk is chaptalisatie minder een automatische reflex geworden dan vroeger. In veel klassieke koelere regio’s halen druiven gemiddeld vaker voldoende rijpheid, waardoor er in normale jaren minder nood is om bij te sturen. Maar de techniek is zeker niet verdwenen. Ze duikt vooral op in jaren waarin het seizoen vroeg kantelt, met een koele nazomer of veel regen rond de oogst, en in percelen of subzones die structureel later rijpen. Met andere woorden, minder routine, meer noodoplossing.

Bovendien is verrijken vandaag breder dan suiker toevoegen. Waar sucrose juridisch of stilistisch minder gewenst is, kiest men vaker voor druifgebonden opties zoals geconcentreerde most, of voor technieken die de most concentreren door water te verwijderen. En soms is de meest radicale keuze net géén ingreep, maar bewust een lager alcoholniveau aanvaarden als stijl.

Wat chaptalisatie doet in het glas?

Chaptalisatie verhoogt alcohol. Dat klinkt banaal, maar de sensorische gevolgen zijn reëel, omdat alcohol mee bepaalt hoe een wijn ruikt, aanvoelt en in balans komt.

Alcohol werkt als drager van aroma’s. Fruitige tonen kunnen duidelijker overkomen en de wijn kan voller aanvoelen. Het beïnvloedt ook hoe makkelijk geurcomponenten vrijkomen, en het kan de expressie van bepaalde gistafgeleide aroma’s versterken. Bovendien heeft alcohol zelf een licht zoetige indruk, waardoor fruit soms rijper lijkt dan het strikt genomen is. Tegelijk kan extra alcohol het fruit ronder doen lijken en sommige onrijpe randjes minder scherp maken, al hangt het effect sterk af van zuur, fenolen en de stijl.

Daar staat een duidelijke grens tegenover. Te veel alcohol geeft warmte en branderigheid, en de wijn kan log of uit evenwicht overkomen. Een dun jaar wordt door suiker geen groot jaar. Je corrigeert de basis, je herschrijft het seizoen niet.

Een nuance die vaak onderschat wordt: alcoholniveau stuurt de waarneming van rijpheid sterker dan we denken. Wijnen die naar een lager alcoholniveau worden bijgesteld kunnen plots groener en zuurder overkomen, terwijl wijnen die naar een hoger alcoholniveau worden opgetrokken sneller rijper, fruitiger of bloemiger lijken. Alcohol is dus niet enkel een cijfer op het etiket, het kleurt mee hoe we het profiel interpreteren.

Glycerol wordt in dit verband vaak genoemd omdat het tijdens de gisting ontstaat en bijdraagt aan ronding. Dat klopt, maar het effect is subtiel. Mondgevoel komt uit het totaalplaatje: alcohol, zuur, fenolische structuur, eventueel restsuiker, rijping op lie en soms hout.

Tot slot een realiteitscheck. Je kan zelden met zekerheid proeven of een wijn gechaptaliseerd is, zeker niet als het beperkt en technisch netjes gebeurt. Je proeft vooral het eindresultaat. Is het geheel in balans, dan stelt de vraag zich minder. Voelt hij branderig of uit evenwicht, dan is er vooral een discrepantie tussen alcohol en structuur, of die alcohol nu van nature hoog is of het resultaat van verrijking.

De praktische uitvoering

De klassieke methode is toevoeging van sucrose, meestal afkomstig van bieten of riet, met een zeer hoge zuiverheid. Als vuistregel geldt dat ongeveer 17 gram sucrose per liter most nodig is om het potentiële alcoholgehalte met ongeveer 1 procentpunt te verhogen. Afhankelijk van vergistingsrendement en omstandigheden wordt vaak een bandbreedte van ongeveer 16 tot 19 gram aangehouden.

Belangrijker dan de rekensom is het moment van toevoeging. Te vroeg toevoegen kan gisten stressen door een hogere osmotische druk, te laat toevoegen kan de gisting uit balans brengen en het risico op problemen verhogen. Daarom lossen producenten de suiker vaak eerst op in een deel most en voegen ze dit gecontroleerd toe zodra de gisting goed op gang is.

In de EU bestaan er ook druifgebonden opties zoals geconcentreerde druivenmost en veredelde geconcentreerde druivenmost. Die laatste is in essentie een vrijwel kleurloos, sterk gezuiverd druivensuikerconcentraat, voornamelijk glucose en fructose, met een doorgaans neutraal sensorisch effect, al is het product meestal duurder.

Daarnaast zijn er technieken die het suikergehalte verhogen door water te verwijderen, zoals omgekeerde osmose, of gedeeltelijke concentratie van most onder voorwaarden. Deze benaderingen worden vooral relevant in regio’s waar sucrose niet is toegestaan, of wanneer men de verrijking liever realiseert met druifeigen materialen dan met toegevoegde suiker.

In Europa is de keuze daarom niet louter technisch, maar ook juridisch en cultureel. Waar sucrose niet mag, verschuift men bij verrijking richting druifgebonden producten of concentratietechnieken binnen de toegelaten oenologische praktijken.

De Europese marges

De EU laat verrijking toe, maar strikt afgebakend. De basislogica is eenvoudig: verrijking is gekoppeld aan wijnbouwzones en aan een maximale stijging van de natuurlijke alcoholsterkte. In koelere zones mag dus meer bijsturing dan in warmere zones, precies omdat het risico op onvoldoende rijping er groter is.

Europa hanteert daarvoor traditioneel drie grote niveaus: zone A, zone B en zone C. Denk aan een klimaatladder van koel naar warm, met grenzen die juridisch vastliggen per land en soms per regio.

Zone A is de koelste en meest noordelijke band, met onder meer Duitsland, Luxemburg, België en Nederland. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte door verrijking maximaal met 3,0 procent volume stijgen.

Zone B is de volgende band, met onder meer Oostenrijk en meerdere noordelijke en oostelijke gebieden van Frankrijk zoals Alsace en Champagne, en ook zones in Slovenië. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte maximaal met 2,0 procent volume stijgen.

Zone C is de warmere band, opgesplitst in subzones. Ze omvat in grote lijnen de zuidelijkere wijnlanden en regio’s, zoals mediterrane zones in landen als Italië, Spanje, Portugal en Griekenland, en ook warmere delen van Frankrijk. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte maximaal met 1,5 procent volume stijgen.

In uitzonderlijk ongunstige jaren kunnen nationale autoriteiten die maxima tijdelijk verhogen met 0,5 procent volume, binnen de geldende procedures en meldingen. Maar ook dan blijft het uitgangspunt hetzelfde: bijsturen mag, structureel opkrikken niet.

Voor de praktijk is er nog een gevoelige nuance. Sucrose toevoegen mag in de EU niet overal. In de koelere zones is het in principe toegelaten binnen de maxima, maar in verschillende warmere landen en regio’s, waaronder grote delen van Italië, Spanje, Portugal en Griekenland, is het expliciet uitgesloten, net als delen van Zuid Frankrijk waar men het juridisch of via regionale regels niet toelaat. Wie daar toch wil verrijken, kan enkel werken met druifgebonden producten of met toegelaten concentratiemethodes, afhankelijk van de zone en de lokale regels.

Chaptalisatie in tijden van klimaatverandering

Uiteindelijk belanden we terug bij de kern van dit artikel, de vraag van mijn student of chaptalisatie met de klimaatopwarming nog wel relevant is. Dat is een terechte vraag, want het debat is de laatste jaren duidelijk verschoven. Veel klassieke chaptalisatiegebieden halen vandaag vaker rijpere oogsten dan enkele decennia geleden.

Tegelijk maakt klimaatgrilligheid het verhaal minder voorspelbaar. Er zijn nog altijd jaren waarin rijping plots stokt door regen rond de oogst, schimmeldruk of een koele nazomer die de laatste suikeraanwas afremt. In zulke jaren duikt verrijking opnieuw op als instrument om het evenwicht te bewaren.

Dat maakt chaptalisatie niet achterhaald, wel selectiever. De beste toepassing is minder routine en meer noodmaatregel. Vroeger ging het vooral over koelte, vandaag gaat het vooral over onzekerheid. Chaptalisatie wordt dus nog toegepast, maar anders dan vroeger. Minder als standaardoplossing, vaker als gerichte correctie wanneer het seizoen daar echt om vraagt.