Tot nu toe hebben we het hooggebergte, misschien met uitzondering van de rit naar Blockhaus, nog niet echt aangedaan. Zodra we in Valle d’Aosta terechtkomen, verandert dat. Het profiel van rit 14, van Aosta naar Pila, laat weinig twijfel bestaan: dit wordt een dag van klimmen, dalen, opnieuw klimmen en nog eens dalen, met een aankomst bergop in Pila. Vlakke meters zullen de renners hier niet zoeken.
Om trouw te blijven aan mijn opzet om bij elke rit een passende DOC te bespreken, zijn zulke bergetappes een kleine nachtmerrie. Hoe hoger je het gebergte intrekt, hoe minder vanzelfsprekend wijnbouw wordt — en het moet dan ook nog eens een minder bekende naam zijn. Gelukkig telt de enige DOC van Valle d’Aosta zeven subdenominaties. Het ritprofiel brengt ons het dichtst in de buurt van Nus, en dus vind je hieronder de specificaties van Valle d’Aosta Nus.
Valle d’Aosta DOC Nus
Valle d’Aosta is de kleinste wijnregio van Italië, en dat merk je aan de indeling van de herkomstbenamingen. De regio heeft geen DOCG en geen IGT, maar één DOC: Valle d’Aosta of Vallée d’Aoste DOC, erkend in 1971 en nadien meermaals aangepast. Namen als Donnas, Chambave, Torrette, Enfer d’Arvier, Blanc de Morgex et de La Salle en Nus kregen daardoor toch een eigen gezicht binnen die ene brede DOC.
De schaal van Nus is uiteraard nog kleiner dan die van Valle d’Aosta als geheel. Voor Nus gaat het om amper 3,65 hectare ingeschreven wijngaard, voor Nus Malvoisie om 2,62 hectare. Samen kom je dus aan 6,27 hectare. Piepklein dus, en de kans dat je deze wijnen zomaar even bij je lokale wijnhandel zal treffen, is dan ook uiterst gering.
De productiezone van Nus ligt aan beide zijden van de Dora Baltea. Aan de kant van Fénis mag wijnbouw tot 650 meter hoogte. Aan de kant van Nus, Quart, Saint Christophe en Aosta loopt de toegelaten zone hoger, tot 850 meter. Dat verschil heeft vooral met zon te maken. De hellingen aan de kant van Nus kijken grotendeels naar het zuiden en krijgen daardoor meer warmte en licht. In Valle d’Aosta noemt men die zonnige zijde de adret. Aan de overkant, bij Fénis, kijken de hellingen vaker naar het noorden. Dat is de koelere envers. Daar wordt het sneller te fris om druiven betrouwbaar rijp te krijgen, waardoor de hoogtegrens lager ligt.
Bodem en klimaat
Nus ligt in het centrale deel van Valle d’Aosta, in een droge alpiene vallei waar wijnbouw vooral mogelijk is op plaatsen waar helling, zon en beschutting voldoende aanwezig zijn. Percelen met natte gronden of te weinig zon komen niet in aanmerking.
De bodems volgen het reliëf van de vallei. Dicht bij de Dora Baltea en op plaatsen waar water en erosie materiaal uit de hoger gelegen hellingen hebben afgezet, vind je vooral colluviale en alluviale gronden. Die kunnen wat dieper zijn, maar blijven vaak stenig en goed drainerend. Op de steilere hellingen worden de bodems dunner en armer, met meer stenen en grof puin. Waterhuishouding speelt daardoor een grote rol. De bodem moet genoeg reserve bieden om de wijnstok door droge periodes te helpen, maar mag nooit zwaar of drassig worden.
Het klimaat is continentaal en droog, met duidelijke invloed van de Alpen. Het centrale deel van de vallei behoort tot de drogere zones van Valle d’Aosta. De neerslag blijft beperkt, terwijl het aantal zonuren hoog is. Vooral aan het einde van het groeiseizoen worden de verschillen tussen dag en nacht belangrijk. Overdag kunnen de druiven verder rijpen, terwijl de koele nachten helpen om zuren en aromatische precisie te behouden.
Rode wijn
Valle d’Aosta Nus is een droge rode wijn op basis van Vien de Nus en Petit Rouge, samen goed voor minstens 70 procent van de assemblage. Binnen dat aandeel moet Vien de Nus minstens 40 procent vertegenwoordigen. Andere toegelaten blauwe druiven uit Valle d’Aosta mogen tot maximaal 30 procent worden toegevoegd. Beide druiven zijn sterk verbonden met Valle d’Aosta en spelen buiten de regio nauwelijks een rol. Petit Rouge is daarbij de bekendere en ruimer verspreide van de twee, terwijl Vien de Nus veel specifieker aan deze zone gelinkt blijft.
Nus heeft doorgaans een intense rode kleur met granaatreflecties. In de geur zitten voornamelijk aroma’s van sappig rood fruit, wilde bessen en een lichte florale toets, vaak aangevuld met kruidigheid, aardse toetsen en soms een licht vegetaal accent. De mond is eerder soepel dan krachtig, met fijne tannine, frisse zuren en een kruidige ondertoon.
De verplichte rijping bedraagt vijf maanden vanaf 1 december van het oogstjaar. Voor de vermelding superiore loopt dat op tot minstens acht maanden. Houtlagering is daarbij niet verplicht. Producenten kunnen dus zelf bepalen hoe ze die rijping invullen, zolang het karakter van de wijn bewaard blijft.
Witte wijn
De witte wijn uit Nus kan voor verwarring zorgen. Hij komt immers op de markt als Nus Malvoisie. De link met Malvasia wordt dan bijna automatisch gelegd, maar het gaat wel degelijk om Pinot Grigio, met de verplichting om deze druif voor de volle 100 procent te gebruiken.
Verwacht hier een wijn met een goudgele kleur. De geur is intens, met rijpere peer, gele appel, bloemen, zachte kruidigheid en soms een lichte amandeltoets. De smaak is dankzij het bergkarakter frisser dan je doorgaans van Pinot Grigio verwacht.
Naast de droge versie bestaat er ook een passito. Lokaal wordt deze stijl ook wel flétri genoemd. De druiven drogen na de oogst verder in een goed geventileerde ruimte, tot ze minstens 26 procent suiker bereiken. Mostconcentraat mag daarbij niet worden toegevoegd. De passito mag pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.
Dit geeft een intens kopergele wijn, met een krachtige geur en een zoete, warme smaak. Die warmte komt niet alleen van de alcohol, maar ook van de concentratie door het indrogen van de druiven. De minimale vereiste ligt op 16,5 procent totaal alcoholvolume, waarvan minstens 14 procent effectief vergist alcohol.

Filed under: J(ust) F(or) F(un), Vini Italiani | Tagged: Aosta, doc, giro, Italian wine ambassador, malvoisie, nus, petit rouge, Pinot Grigio, vien de nus, wijn, wijnblog, wijnkennis, wineblog, wineblogger | Leave a comment »
