Durella, van schaduwrol naar eigen stijl

Stel je het landschap van oostelijk Verona voor, zoals het er zo’n 50 miljoen jaar geleden uitzag. Waar nu heuvels, weiden en wijngaarden liggen, bevond zich toen een ondiepe zee met warm, tropisch water. Rond die zee groeide een weelderige vegetatie en leefde een fauna die intussen al lang verdwenen is. Af en toe werd dat rustige landschap verstoord door vulkanische activiteit onder water.

Vandaag is dat landschap uiteraard verdwenen, maar het verleden ervan werkt nog altijd door in de streek. De zee heeft plaatsgemaakt voor heuvels en landbouwgronden, en de vulkanische activiteit is al lang tot rust gekomen. Wat bleef, is een gebied met een bijzondere geologische opbouw en een opvallende rijkdom aan fossielen.

In die omgeving groeit Durella. Het is een authentiek en opvallend ras uit het grensgebied van Verona en Vicenza. De druif staat niet bekend om uitbundige aromatiek of een zacht profiel, maar om frisheid, spanning en een uitgesproken zuurstructuur.

De populariteit van Durella is de voorbije jaren duidelijk toegenomen. Als ik alleen al naar mezelf kijk, dan moet ik toegeven dat ik enkele jaren geleden heel bewust op zoek ben gegaan naar de wijnen, en vooral de bubbels, die deze druif kan voortbrengen. En ik ben daarin zeker niet de enige. Durella heeft stilaan heel wat wijnliefhebbers nieuwsgierig gemaakt.

Opmerkelijk misschien, want Durella is allesbehalve een recente ontdekking. Het gaat om een oud, inheems ras met een duidelijke eigen identiteit en een lange band met de Lessinische heuvels. Lange tijd stond de druif vooral in de schaduw van eenvoudiger mousserende wijnen in Martinotti stijl. Vandaag lijkt voor Durella een nieuwe fase aangebroken: die frisse, fruitige stijl blijft bestaan, maar daarnaast ontwikkelt Durella zich steeds nadrukkelijker in de richting van complexere metodo classico wijnen.

Geschiedenis en naamgeving

Durella is een oud ras dat al eeuwen voorkomt in het oosten van Veneto. Op basis van historische verwijzingen wordt aangenomen dat ze mogelijk verband houdt met de Uva Durasena, die al in 1292 vermeld werd in de statuten van Costozza, in de Colli Berici. Helemaal sluitend is die identificatie niet, maar ze wijst wel op een zeer oude aanwezigheid van dit type druif in de regio.

Een eerste meer zekere vermelding van het ras zelf duikt op in 1825, in het werk van Giuseppe Acerbi over Italiaanse druiven. Daarmee krijgt Durella een duidelijke plaats in de geschreven wijnhistorie.

De officiële naam is Durella Bianca, maar op het etiket verschijnt ze zowel als Durella als Durello. In essentie gaat het om dezelfde druif. Durella verwijst in de eerste plaats naar de druif zelf, terwijl Durello vaker opduikt in de benaming van de wijn. Het verschil is dus vooral een kwestie van gebruik en taal, niet van een ander ras. De naam zelf verwijst naar iets hards of stevigs, een duidelijke verwijzing naar de dikke en taaie schil van de bes, een van de meest kenmerkende eigenschappen van deze druif.

Daarnaast circuleren lokaal nog andere benamingen. In de heuvels van Asolo werd ze ook Rabiosa of Rabbiosa genoemd. In een hoger gelegen deel van de heuvels ten westen van Schio, in de provincie Vicenza, dook ook de naam Cagnina op. Die benaming mag niet verward worden met de blauwe Cagnina uit de vlakte van Ravenna, want het gaat hier wel degelijk om een witte druif. Mogelijk houdt die lokale naam verband met het nog strengere en zuurdere karakter dat de wijn op grotere hoogte kon aannemen.

Ook de bekendere druif Nosiola uit Trentino werd ooit als synoniem van Durello vermeld. Later onderzoek heeft die koppeling echter niet bevestigd. Verwarring met andere rassen, zoals een vroegere Rabiosa bianca uit de zone van Raboso Piave, werd evenmin bevestigd.

Rond Durella ontstonden in de loop van de tijd ook allerlei verhalen en overtuigingen. Zo werden de druif en haar wijn vroeger in verband gebracht met een geneeskrachtige werking, onder meer door de hoge natuurlijke zuren en het vitamine C-gehalte. Er deden zelfs verhalen de ronde dat de wijn werd ingezet tegen scheurbuik en ooit via apotheken werd verkocht. Zulke anekdotes verdienen enige nuance, maar ze tonen wel hoe sterk Durella deel uitmaakte van de lokale cultuur.

Herkomst en terroir

Het kerngebied van Durella ligt in het Lessini gebergte, op de grens van Verona en Vicenza. In dit heuvelachtige landschap, op de overgang van de Povlakte naar hoger reliëf, vindt de druif de omstandigheden waarin ze het duidelijkst tot haar recht komt. Wijngaarden liggen hier vaak tussen 400 en 600 meter hoogte, waar koelere omstandigheden en een tragere rijping helpen om de natuurlijke frisheid en strakke stijl van de wijn te behouden.

De bodems zijn hier vulkanisch van oorsprong, vaak donker van kleur en op sommige plaatsen vermengd met mariene sedimenten. In delen van de streek werden ook fossiele resten van vissen en schelpdieren gevonden, een tastbare herinnering aan een ver verleden waarin dit gebied er volledig anders uitzag. Die geologische gelaagdheid geeft het gebied een uitgesproken eigenheid en werkt mee door in het karakter van de wijnen op basis van Durella. Ook het landschap draagt daartoe bij, met wijngaarden die vaak tussen bosranden, hellingen en andere vegetatie liggen.

Waar vinden we Durella vandaag?

Veel wijnliefhebbers hebben wellicht nog nooit van Durella gehoord, en dat is niet onlogisch. Het is nooit een druif van grote volumes geweest. Meer nog, het areaal is in de loop van de voorbije decennia duidelijk teruggelopen. Waar bij de opname in het nationale register nog sprake was van 1.080 hectare, wordt vandaag meestal uitgegaan van ongeveer 430 tot 450 hectare.

Tegelijk is het interessant om te kijken welke richting de toekomst uitgaat. De hernieuwde belangstelling voor Durella, en vooral voor de meer ambitieuze mousserende wijnen die ze kan voortbrengen, zou op termijn opnieuw tot extra aanplant kunnen leiden. Zeker nu mousserende wijn ook bij jongere Italiaanse consumenten aan populariteit blijft winnen, valt dat scenario niet uit te sluiten.

Wie Durella in het glas wil ontdekken, komt in de eerste plaats uit bij Lessini Durello DOC en Monti Lessini DOC. Lessini Durello verwijst naar schuimwijnen volgens de metodo Martinotti, terwijl Monti Lessini de benaming is voor schuimwijnen volgens de metodo classico.

Daarnaast blijft de druif ook aanwezig binnen bredere IGT benamingen zoals Veneto, Verona of Veronese, en Trevenezie. Daar duikt ze vooral op in droge, stille wijnen, meestal als blendpartner en slechts zelden als monocépage wijn.
Buiten Veneto komt Durella zelden voor, en ook buiten Italië is er vandaag geen noemenswaardige verspreiding van de druif.

Ampelografie

Durella heeft in de wijngaard een duidelijk herkenbaar profiel. De wijnstok is krachtig en robuust. De scheuttop is behaard en de jonge blaadjes tonen groene tot goudachtige tinten. De volwassen bladeren zijn middelgroot, meestal licht drielobbig of soms bijna gaaf, met een open V-vormige bladsteelinsnijding. Aan de onderzijde is het blad kaal, terwijl het in de herfst geel verkleurt.

De tros is klein tot middelgroot, kort en gedrongen, vaak met een vleugel. De bessen zijn middelgroot en ovaal. Hun schil is geelgroen tot goudkleurig, duidelijk bedekt met een waslaag, dik en taai. Net die stevige schil is een van de meest kenmerkende eigenschappen van de druif. Ook het vruchtvlees is vrij eenvoudig van smaak, maar duidelijk zuur.

Durella is bovendien een laat ras in al zijn facetten. Ze loopt laat uit, ook de verkleuring komt laat op gang, en de oogst valt meestal in de tweede helft van september of begin oktober. De groeikracht is groot en de productie wordt als constant en overvloedig omschreven. Opvallend is dat de druif haar zuren goed weet te behouden, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. In natte voorjaren kan er wel gevoeligheid zijn voor coulure.

We hebben al verschillende keren aangegeven dat Durella wijnen voortbrengt met een hoge aciditeit, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. Dat hoge zuurgehalte is in de eerste plaats eigen aan het ras zelf, dat van nature rijk is aan appelzuur en zijn zuren tijdens de rijping goed weet te behouden. De dikke, harde schil, waaraan de druif haar naam dankt, is bovendien een eigenschap die mee helpt verklaren waarom Durella haar aciditeit zo goed weet vast te houden tijdens de rijping.

Durella in het glas

Dat hoge zuurgehalte proef je ook letterlijk in het glas: een strakke, frisse wijn zonder veel overbodige franjes. In de bubbels komt dat profiel het scherpst naar voren. Jonge wijnen tonen vaak aroma’s van grapefruit en witte bloesem, met een mondgevoel dat slank, energiek en uitgesproken levendig is. De zuren geven de wijn draagkracht en lengte.

Met langere rijping wint Durella duidelijk aan complexiteit. Dan verschuift het profiel van puur citrusgedreven frisheid naar meer gelaagde aroma’s, met florale toetsen, kamille, lichte broodtoetsen, vuursteen, ziltigheid en soms ook een subtiele amandeltoets. Ook de mineraliteit treedt dan duidelijker op de voorgrond. De beste voorbeelden combineren die extra complexiteit met dezelfde strakke ruggengraat die de druif van nature meebrengt.

Ook in stille wijn blijft dat karakter herkenbaar. Durella geeft doorgaans bleek strogele wijnen, vaak met licht groenige reflecties, en een eerder ingetogen aromatisch profiel. Ook daar draait het om frisheid, citrus en spanning. Toch ligt haar sterkste expressie vandaag zonder twijfel bij de schuimwijnen.

Laat je verrassen

Durella is dus nog altijd een relatief onbekende druif. De volgende keer dat je een wijnkaart bekijkt of bij een wijnhandel tussen de flessen snuistert, kijk dan eens of je een Monti Lessini op de kaart of in het schap ziet staan. Laat je dus gerust verleiden om eens een glas Durello te proberen.

Als schuimwijn toont ze zich van haar beste kant. Een brut werkt uitstekend als aperitief, terwijl een extra brut moeiteloos aansluiting vindt bij oesters en andere ziltige gerechten. Enfin, met de veelzijdigheid van deze druif begeleid je moeiteloos een hele maaltijd. Durella bewijst zo dat onbekend in wijn lang niet altijd onbemind hoeft te blijven. Misschien word je ook wel, net als ik, een aanhanger van deze druif.

Lambrusco Grasparossa: donker, krachtig en tanninerijk

Na Sorbara en Salamino komt Grasparossa. Dit is de Lambrusco die meteen ernst op tafel zet: donkerder van kleur, meer extract, meer tannine en een afdronk met duidelijke grip. Zelfs de naam verraadt het karakter. Grasparossa verwijst naar de rood verkleurende trossteel en de kleine bessensteeltjes, een wijngaarddetail dat je eens gezien niet snel vergeet.

In een proeverij is dit voor mij het glas dat mensen het meest zullen associëren met Lambrusco. De kleur voldoet aan het verwachte beeld. De stevig opkomende schuimkraag versterkt dat nog. Misschien heb je in je gedachten dat je een lichte en speelse Lambrusco hebt, maar de realiteit is een sprankelende rode met drive en structuur. Het hardnekkige cliché van goedkoop en simpel zal je heel zeker treffen, maar je kan het snel doorbreken door een glas amabile naast een glas secco te presenteren. Je merkt direct het verschil, terwijl het Lambrusco beeld wel degelijk overeind blijft.

Persoonlijk zal je me minder vaak naar een Grasparossa zien grijpen en zal ik bijna steeds het lichtere en frivolere van een Sorbara verkiezen. Uiteraard is dit een persoonlijke voorkeur en is het iedereen toegestaan om hierin zijn eigen weg te kiezen. Toch merken we dat er de voorbije jaren in Castelvetro zichtbaar iets verschoven is. Er wordt minder over volume gesproken en meer over percelen, oogstmoment en precisie. Die beweging levert flessen op die ook buiten de regio erkenning krijgen en ze trekt de stijl mee richting droger, met een groeiende aandacht voor Metodo Classico.

Castelvetro, waar de druif haar kracht vindt

Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC hoort bij de provincie Modena, met Castelvetro als kern. Je zit net ten zuiden van de stad Modena, op de overgang van de vlakkere Po omgeving naar de eerste heuvelruggen van de Apennijnen. Het gebied is dus geen klein postzegeltje rond één dorp. Het omvat het volledige grondgebied van dertien gemeenten in Modena en ook een deel van de gemeente Modena zelf. Denk aan plaatsen als Castelvetro, Maranello, Sassuolo, Formigine, Fiorano, Vignola en Spilamberto, naast nog een reeks omliggende gemeenten.

Het disciplinare beschrijft de afbakening bijna alsof je er te voet omheen kan lopen. Binnen die contouren zit net de overgang die voor Grasparossa zo bepalend is. Beneden vind je bredere, zachtere zones die sneller naar rijp fruit en rondeur sturen. Hogerop, richting de eerste heuvels, krijg je meer reliëf, meer expositie en vaker betere afwatering. Dat vertaalt zich in de wijn naar donkerder fruit, meer kruidigheid en een compacter mondgevoel.

Bodem speelt mee. In en rond Castelvetro wordt vaak gewezen op klei en kleileem. Klei houdt water vast en kan in warme zomers tegelijk buffering en stress geven, wat concentratie ondersteunt. Grasparossa profiteert daarvan, mede door zijn dikke schil, die bijdraagt aan kleurintensiteit, structuur en tannine. Voeg daar de lokale keuken aan toe en de logica wordt compleet. Prosciutto di Parma, Parmigiano Reggiano, ragù en balsamico uit Modena vragen om wijn die fris genoeg blijft, maar tegelijk structuur genoeg heeft. Castelvetro levert precies dat soort Lambrusco.

De spelregels voor Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC

De vastgelegde spelregels voor Lambrusco Grasparossa di Castelvetro zijn er met een duidelijke bedoeling: ervoor zorgen dat je in het glas altijd Castelvetro herkent, ook wanneer producenten andere keuzes maken in vinificatie en restsuiker. Je krijgt marge voor stijl, maar binnen vaste krijtlijnen.

Voor de wijngaard vertrekt men van de lokale realiteit. De omstandigheden en teeltwijze moeten passen bij wat in de zone gebruikelijk is en moeten kwaliteit ondersteunen. Irrigatie is niet verboden, wel beperkt tot noodsituaties. Aanplant, geleidingssysteem en snoei moeten aansluiten bij wat in de streek gangbaar is.

Opbrengst is strak afgelijnd. Zowel voor frizzante als spumante ligt de maximale opbrengst op 18 ton druiven per hectare. In zeer gunstige jaren bestaat er een beperkte tolerantie.

In de kelder hanteert men het principe van toegelaten en gangbare praktijken. Traditionele hergisting hoort daarbij en is zelfs essentieel voor het profiel. Belangrijk is ook de geografische verankering. Vinificatie, prise de mousse, stabilisatie, dosage, botteling en conditionering moeten in de provincie Modena gebeuren.

Wat de stijl betreft is de DOC expliciet gebouwd rond twee families. Frizzante en spumante, in rosso en rosato. Beide mogen verschillende zoetheidsniveaus hebben. Bij frizzante loopt dat van secco tot dolce, bij spumante van brut nature tot dolce. Het disciplinare legt daarnaast minimale potentiële alcoholwaarden vast bij vrijgave, 10,5 procent voor frizzante en 11 procent voor spumante, en het bewaakt basisparameters zoals minimale zuren en minimale extractwaarden. De vermelding van het restsuikerprofiel is verplicht, zowel bij frizzante en bij spumante volgens de wettelijke categorieën.

De herkenningspunten in het veld

Grasparossa heeft een sterke visuele handtekening door de link met de rood verkleurende takjes en steeltjes. Vooral later in het seizoen vallen deze rode tinten visueel heel duidelijk op. In de herfst kleurt het blad immers opvallend roodachtig, een mooi detail dat opnieuw bij de naam aansluit.

Ook de jonge groei heeft typische kenmerken. De scheuttop oogt bleekgroen met een donzige indruk en krijgt later vaak een bronsachtige schijn. Ranken zijn meestal tweedelig en keren in een regelmatig patroon terug. De bloemen zijn normaal en zelfbestuivend, wat een stabiele vruchtzetting ondersteunt.

Het blad is middelgroot en meestal rond tot vijfhoekig, vaak drielobbig. De bladsteelinsnijding is doorgaans smal en V-vormig, met beperkte laterale insnijdingen. De bovenzijde oogt donkerder en mat, de onderzijde toont lichte beharing, met kleine haarplukjes bij de nerven.

De tros is middelgroot en piramidaal, geregeld met een schouder of vleugeltje. In percelen waar men op kwaliteit mikt, zie je vaak graag een wat lossere tros, omdat dat de rijping gelijkmatiger maakt en de druiven beter laat ventileren. De bessen zijn middelgroot en eerder subovaal. De schil is dik en stevig, met een blauwzwarte kleur en een duidelijke waslaag. Dat schilmateriaal is cruciaal. Het levert kleurintensiteit, fenolen en dus tannine, precies de bouwstenen die Grasparossa in het glas zijn stevige profiel geven.

Hij rijpt meestal laat, vaak eind september tot begin oktober. De plant is vitaal en kan overvloedig en vrij constant produceren. Dat maakt selectie, snoei, groenwerk en opbrengstbeheersing extra belangrijk wanneer men mikt op een wijn met meer complexiteit en een verfijnde structuur.

Een herkenbaar glas

Begin bij het visuele. Grasparossa schenkt robijnrood tot diep robijn, vaak met violette reflectie wanneer hij jong is. Bij frizzante zie je een levendige pareling met een vlotte, schuimige indruk. Bij spumante is de mousse doorgaans fijner en aanhoudender, afhankelijk van de gekozen methode.

Ga dan naar de neus. Verwacht donker fruit, braam en zwarte kers staan vaak vooraan, met pruim en soms ook zwarte bes. Kruidigheid duikt geregeld op, denk aan zwarte peper of gedroogde kruiden. Bij rijpere versies kan ook een lichte aardse toets opduiken, terwijl de fruitkern mooi overeind blijft.

In de mond is de herkenning het duidelijkst. Tannine is merkbaar en geeft grip, vaak met een licht bittertje in de finale dat de afdronk strakker maakt. Zuren zorgen voor spanning en houden de wijn verteerbaar. Het evenwicht tussen bubbels, fruit, tannine en eventuele restsuiker is de plek waar producenten hun stijl tonen. Droge versies proeven compacter en strakker, zachtere versies tonen meer ronding, en laten die typische coca cola indruk na.

Een praktische proefstap helpt. Proef meteen na het inschenken en proef opnieuw na vijf minuten. Vaak worden fruit en kruidigheid opener, de mousse rustiger, de tannine beter geïntegreerd. Dat tweede moment toont meestal het echte evenwicht. Grasparossa is dus echt herkenbaar in het glas, op kleur en structuur.

Proef en vergelijk

Grasparossa maakt de reeks over de drie belangrijkste Lambrusco variëteiten compleet. Sorbara zet in op spanning en finesse, Salamino brengt sappigheid en balans, Grasparossa voegt structuur en karakter toe. Je proeft het meteen in kleur en fruitdruk, en vooral in tannine, die het glas grip geeft tot in de finale.

De beste manier om dit te begrijpen is vergelijken. Schenk de drie naast elkaar, het liefst in dezelfde stijl. Neem bijvoorbeeld een spumante brut volgens de metodo Martinotti. Proef in korte stappen. Kijk eerst naar kleur en schuim, ga dan naar het fruitregister, en eindig bij mondgevoel en afdronk.

Zet er vervolgens eten bij en het kwartje valt nog sneller. Parmigiano Reggiano met een paar druppels balsamico, Prosciutto di Parma, of tagliatelle al ragù, maakt meteen duidelijk waarom deze wijnen zo goed aan tafel passen. De bubbels maken het vet lichter, het fruit blijft aanwezig, de structuur draagt het geheel.

Of het nu Grasparossa, Salamino of Sorbara is, serieuze Lambrusco is gemaakt om te plezieren, tijdens een aperitivo met lekkernijen uit Emilia.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco
  8. Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco

Friulano, identiteit in nuance

Afgelopen weekend dook ik mijn kelder in op zoek naar een geschikte wijn voor bij een zeevruchtenpasta. Van de feestdagen waren er nog restanten kreeft en langoustine over, veel te goed om achteloos te laten verdwijnen. Het gerecht vroeg om een wijn met inhoud. Na wat wikken en wegen viel mijn oog op een Russiz Superiore Friulano 2016 Collio DOC.

De combinatie werkte perfect. De wijn gleed moeiteloos door het gerecht heen en gaf het geheel extra diepte. Om eerlijk te zijn, zelfs als de pasta was mislukt, had de wijn nog altijd overeind gebleven. Zo’n glas dus dat niet alleen ondersteunt, maar ook gerust alleen kan schitteren. Het idee om Friulano eens grondig onder de loep te nemen, liet zich op dat moment vanzelf opdringen.

Friulano is zo’n druif die je niet overdondert bij de eerste slok, maar die je wel bijblijft. In het noordoosten van Italië, vlak bij de Sloveense grens, is hij uitgegroeid tot het witte uithangbord van Friuli-Venezia Giulia. Zijn kracht zit niet in een opvallende expressie, maar in finesse, textuur en een smaak die rustig doorloopt tot in de afdronk.

Toch is Friulano allesbehalve eenvoudig. Achter dat ingetogen karakter schuilt een verhaal vol omwegen, naamswissels en identiteitsvragen die jarenlang stof deden opwaaien. Het is precies die combinatie van discretie in het glas en complexiteit in de achtergrond die Friulano zo boeiend maakt.

De naam van de druif

Vandaag heet hij gewoon Friulano op het etiket. Dat lijkt helder, maar wie iets verder kijkt, merkt al snel dat die eenvoud vooral schijn is. Jarenlang stond de druif bekend als Tocai Friulano, een naam die uiteindelijk meer problemen dan duidelijkheid opleverde. De gelijkenis met Tokaji, de beroemde Hongaarse zoete wijn, leidde tot een lange juridische strijd waarin Hongarije met succes het alleenrecht op de naam afdwong.

Sinds die Europese uitspraak verdween Tocai van Italiaanse flessen en bleef Friulano over als officiële wijnnaam. Opmerkelijk genoeg leeft de oude benaming achter de schermen verder. In technische en administratieve contexten duikt Tocai Friulano nog geregeld op, wat betekent dat we in het dagelijkse taalgebruik eigenlijk de wijn benoemen, en niet strikt de druif.

Toch is daarmee niet alle verwarring van tafel. In Italië circuleren nog steeds verschillende erkende benamingen voor dezelfde druif, afhankelijk van regio en context. Zo wordt in Veneto ook de naam Tai gebruikt. In sommige zones duikt zelfs Tuchi op, een historische variant die vandaag zelden nog buiten administratieve lijsten verschijnt.

Buiten Europa mag de historische naam in sommige gevallen zelfs nog worden gebruikt, wat het verhaal extra complex maakt. Friulano heeft zich dus niet alleen in het glas moeten bewijzen, maar ook op papier en in rechtbanken.

Franse afkomst en sauvignonasse, eenvoud bestaat hier niet

Lang werd Friulano gezien als een inheemse Italiaanse druif, of door de hardnekkige Tokaji associatie zelfs als een mogelijke import uit Hongarije. Dat beeld is de voorbije decennia grondig bijgesteld. DNA onderzoek heeft de discussie opengebroken en genetische verbanden blootgelegd met een oude, grotendeels vergeten Franse druif. Dat leidde tot de conclusie dat Friulano samenvalt met wat in Frankrijk bekendstond als sauvignonasse. Op papier lijkt dat een elegante oplossing, in de praktijk blijkt het verhaal allesbehalve rechtlijnig.

Een groot deel van de verwarring zit in historisch naamgebruik. Eeuwenlang doken woorden als Tokai, Tocai, Toccai en Tokaj op in documenten, maar zelden met een duidelijke omschrijving van de gebruikte druif. In tijden zonder strikte regelgeving kon Tokai evengoed verwijzen naar een lokale variëteit, een ingevoerde druif, een blend of zelfs een stijl. Oude vermeldingen zijn daardoor verleidelijk, maar zelden sluitend bewijs voor wat we vandaag Friulano noemen.

Ook op het niveau van uiterlijk en druifkenmerken zorgde Friulano lange tijd voor verwarring. Hij lijkt sterk op Sauvignon blanc. Genoeg om jarenlang verkeerd te worden ingedeeld, zowel in wijngaarden als in onderzoekscentra. In Frankrijk werd het verhaal nog complexer door een wirwar aan namen. Naast sauvignonasse doken ook benamingen op als Sauvignon de la Corrèze en Sauvignon à Gros Grains. Daar kwam Sauvignon Vert bovenop, een naam die in sommige landen als synoniem werd gebruikt en elders naar een heel andere druif verwees. Het gevolg was een langdurige verwarring waarin namen en identiteiten door elkaar bleven lopen.

Wat DNA onderzoek wél heeft gedaan, is de discussie verplaatsen van romantische herkomstverhalen naar genetische aannemelijkheid. Daarbij kwam nog een belangrijk argument naar voren. Sauvignonasse blijkt ouderlijk materiaal te zijn van meerdere klassieke Franse rassen met een lange geschiedenis, waaronder Chenin Blanc. Zulke ouder-kindrelaties wijzen op een langdurige aanwezigheid binnen een Franse viticulturele context en maken een Franse oorsprong waarschijnlijker dan een Italiaanse. Tegelijk blijft het mogelijk dat de druif al vroeg in Noordoost-Italië aanwezig was onder andere namen, en dat pas later een duidelijke identificatie volgde.

De meest eerlijke samenvatting is deze. De genetica wijst richting Frankrijk, maar de historische naamvoering in Italië is zo diffuus dat absolute zekerheid moeilijk blijft. Friulano heeft helaas geen eenvoudige geboorteakte.

Wat wel vaststaat, is dat de druif haar definitieve identiteit in Friuli heeft gevonden. De eeuwenlange associatie met de naam Tocai, hoe verwarrend ook, maakte deel uit van dat proces. De Europese beslissing om Tocai exclusief aan Hongarije toe te kennen betekende het einde van een tijdperk, maar tegelijk het begin van een herpositionering.

Terroir, appellaties en hedendaagse expressie

Het kloppende hart van Friulano ligt onmiskenbaar in Friuli Venezia Giulia. Hier is de druif al decennialang een vaste waarde en behoort hij tot de meest aangeplante witte rassen. Het landschap speelt daarin een sleutelrol. Heuvels, koele luchtstromen uit de Alpen en de verzachtende invloed van de Adriatische Zee zorgen samen voor een klimaat waarin Friulano zijn natuurlijke evenwicht vindt.

Binnen de regio zijn er meerdere herkomstgebieden die elk hun eigen lezing van Friulano brengen. De bekendste liggen in en rond Collio, Colli Orientali en Isonzo, maar ook twee DOCG’s spelen een belangrijke rol in het hedendaagse verhaal van de druif.

Colli Orientali, beschut door de Julische Alpen, combineert hoogte met een koeler microklimaat en arme, mineraalrijke bodems. Het resultaat zijn precieze, frisse en vaak licht zilte Friulano-wijnen met spanning en lengte. Binnen dit gebied bevindt zich ook Rosazzo DOCG, een historisch heuvelplateau rond de abdij van Rosazzo. Hier krijgt Friulano extra diepte en structuur, vaak met meer concentratie en bewaarpotentieel, zonder zijn verfijnde karakter te verliezen.

Collio, of Collio Goriziano, tegen de Sloveense grens, geldt als een van de meest dynamische wijngebieden van Italië. Duurzame wijnbouw is hier geen modewoord maar een breed gedragen overtuiging. Organische en biodynamische praktijken vormen de basis voor wijnen met uitgesproken persoonlijkheid. In Collio ontstaan ook de meest uitgesproken interpretaties van Friulano, met langere schilweking, rijping in hout of amfora en een duidelijke focus op textuur en complexiteit.

Meer naar het westen, op de overgang tussen Friuli Venezia Giulia en Veneto, ligt Lison DOCG. Deze grensoverschrijdende appellatie vormt een historische schakel tussen beide regio’s en kent een zachter, maritiem beïnvloed klimaat. Friulano speelt hier een sleutelrol en levert doorgaans rondere, soepelere wijnen met een uitgesproken aromatische finesse. Lison toont hoe Friulano ook buiten de heuvelzones verfijning kan behouden, zij het met een ander accent.

Isonzo, dichter bij de rivier en de vlaktes, levert meestal de meest directe en fruitgedreven stijlen, steeds gedragen door de frisse ondertoon die Friulano typeert.

Buiten deze kerngebieden blijft de druif relatief zeldzaam. Hij komt nog beperkt voor in delen van Veneto en Lombardije en steekt net over de grens in Slovenië, waar hij bekendstaat als jakot, een speelse omkering van de oude naam tocai. Toch blijft Friulano in essentie een kind van zijn streek. Pogingen elders leveren zelden hetzelfde resultaat op, omdat hij sterk afhankelijk is van het koele, heuvelachtige landschap en de specifieke bodems van zijn thuisregio.

Hoewel het areaal in de tweede helft van de twintigste eeuw merkbaar is afgenomen door veranderende marktvoorkeuren en de impact van de naamswijziging, blijft Friulano vandaag stevig verankerd in de regio. Voor veel wijnbouwers is hij geen nostalgisch overblijfsel, maar een bewuste keuze.

Ampelografie

Friulano is een druif met een uitgesproken groeikracht en een duidelijk eigen gedrag in de wijngaard. De wijnstok is vitaal en productief, wat hem betrouwbaar maakt voor de wijnbouwer, maar tegelijk discipline vraagt. Zonder ingrijpen neigt hij naar overvloed, en precies daar schuilt het grootste risico. Overproductie vertaalt zich snel in vlakke, weinig expressieve wijnen. Ruimte, lucht en een doordachte snoei zijn dus een noodzaak.

De trossen zijn middelgroot en meestal piramidaal van vorm. De bessen zijn ovaal en kleuren bij rijpheid goudgeel. De schil is relatief dik maar soepel, het vruchtvlees sappig en vrij neutraal van aroma. Friulano dankt zijn expressie dan ook minder aan uitgesproken geurstoffen in de druif zelf, en meer aan textuur, balans en de manier waarop hij wordt begeleid in wijngaard en kelder.

Fenologisch gezien loopt Friulano iets later uit, wat hem beschermt tegen voorjaarsvorst. De bloei verloopt gemiddeld en de rijping volgt in de tweede helft van het seizoen. Hij rijpt niet extreem laat, maar vraagt wel voldoende warmte om volledig in balans te komen. Op koelere of slecht gekozen standplaatsen kan dat leiden tot spanning tussen rijpheid en frisheid.

De opbrengsten zijn doorgaans constant en voorspelbaar, al vraagt de druif extra aandacht richting het einde van het groeiseizoen. Bij natte omstandigheden is Friulano gevoelig voor rot en kan ook echte meeldauw een rol spelen. Met gericht bladwerk, opbrengstbeperking en een open loofwand blijft dat perfect beheersbaar.

Friulano en de renaissance van Italiaanse witte wijn

Friulano speelde een sleutelrol in de herwaardering van Italiaanse witte wijn vanaf de jaren zeventig. In de decennia voordien werden witte wijnen in grote delen van Italië gekenmerkt door oxidatie, slordige wijngaardarbeid en beperkte keldertechniek. Frisheid was zeldzaam, precisie nog zeldzamer. De introductie van roestvrij staal en temperatuurgecontroleerde fermentatie betekende een kantelpunt. Friuli Venezia Giulia behoorde tot de eerste regio’s die deze nieuwe aanpak voluit omarmden en zich profileerden als referentie voor moderne, frisse witte wijnen. Friulano stond daarbij centraal, naast zowel inheemse als internationale druiven.

Die vernieuwingsdrang vertaalt zich tot vandaag in de manier waarop Friulano wordt gemaakt. In zijn meest klassieke vorm levert de druif heldere, precieze wijnen met aroma’s van peer, appel en witte bloesem. De zuren zijn rijp en verfrissend, de alcohol blijft mooi in balans. Kenmerkend is de zachte textuur en de licht bittere toets in de afdronk die aan amandel doet denken. Die bitterheid geeft spanning, lengte en maakt de wijn bijzonder gastronomisch. Van eenvoudige antipasti tot verfijnde zeevruchten, Friulano voelt zich zelden misplaatst aan tafel.

Veel Friulano wordt vandaag gemaakt met een focus op frisheid en zuiverheid. Koele fermentaties en een zorgvuldige omgang met zuurstof leveren wijnen op die helder, precies en direct zijn. Dat werkt uitstekend, al schuilt er ook een keerzijde. Wanneer iedereen dezelfde aanpak volgt, dreigt het karakter van het terroir soms wat naar de achtergrond te verdwijnen.

Daarom kiezen sommige wijnmakers voor een andere weg. Met meer tijd op de fijne lie, een vleugje hout, schilweking of zelfs amfora krijgt Friulano een ruimer spectrum. De wijnen worden voller, gelaagder en winnen aan textuur en diepte. Het fruit wordt iets minder nadrukkelijk, maar maakt plaats voor complexiteit en een stijl die rustiger evolueert in het glas en vaak ook in de fles.

Een glas dat blijft hangen

De geschiedenis van Friulano is complex en soms verwarrend. Verdere DNA studies zullen zijn dubbelzinnige afkomst misschien ooit scherper kunnen kaderen. Zijn stijl daarentegen is helder en rechtlijnig. In het glas vertaalt zich dat naar finesse, spanning en die herkenbare amandeltoets die zacht blijft nazinderen.

Desondanks zal het nooit de meest modieuze druif worden en zal Friulano buiten zijn thuisregio voor velen onder de radar blijven. Misschien is dat net zijn charme. Wijnbars, sommeliers en nieuwsgierige wijnliefhebbers kunnen hier het verschil maken, want dat Friulano een gastronomische zegen kan zijn, heb ik zelf mogen ervaren. In de juiste context kan die combinatie zorgen voor momenten die blijven hangen, lang nadat het glas leeg is.

Riesling Italico: de naam die misleidt

Druivenrassen en hun namen zijn soms ware valkuilen. Riesling Italico is daar een schoolvoorbeeld van. Wie de naam leest, denkt vanzelf aan de nobele Riesling uit Duitsland en verwacht aromatische wijnen met bewaarpotentieel. Niets is minder waar. Riesling Italico heeft genetisch en stijlmatig helemaal niets te maken met de beroemde Riesling, die in Italië wordt aangeduid als Riesling Renano. De gelijkenis stopt bij de naam, en die zorgt al decennialang voor misverstanden en verkeerde verwachtingen.

Het is een druif die in de loop van de twintigste eeuw aan populariteit verloor, maar vandaag opnieuw aandacht krijgt van producenten en wijnliefhebbers. Daarmee verdient deze druif het om opnieuw bekeken te worden, niet door de bril van zijn naam, maar door wat hij werkelijk in de wijngaard en het glas te bieden heeft.

Wat zit er in een naam?

De aanduiding “Riesling Italico” heeft al sinds de 19e eeuw tot verwarring geleid. Enerzijds omdat de term “Riesling” onmiddellijk de link legt met de Duitse klassieker, anderzijds omdat de toevoeging Italico de indruk wekt dat het gaat om een Italiaanse variant daarvan. In werkelijkheid gaat het om een volledig aparte druif met een eigen geschiedenis.

Moderne DNA-analyses hebben dit definitief bevestigd: het enige gekende ouderras van Riesling Italico is de Coccalona Nera, een weinig voorkomende druif zonder grote rol in de hedendaagse wijnbouw. Dit gegeven onderstreept hoe misleidend de naam “Riesling” hier gebruikt is, en hoe weinig de druif gemeen heeft met zijn Duitse naamgenoot.

De naamgeving wordt nog complexer door regionale varianten. In Duitstalige gebieden staat de druif bekend als Welschriesling, letterlijk “vreemde Riesling”. In Veneto leeft ze verder onder volksnamen als Rismi, Risii en Riesli. Bovendien laten Italiaanse registers in sommige provincies etikettering onder de naam Riesling toe, wat de verwarring bij consumenten en sommeliers in stand houdt.

Juist deze onduidelijkheid rond de naam heeft de opbouw van een eigen identiteit jarenlang afgeremd. Terwijl andere druiven hun profiel konden aanscherpen, bleef Riesling Italico worstelen met verwachtingen die ze niet kan of hoeft waar te maken. Het erkennen van de Coccalona Nera als genetische bron was daarom van enorm belang: het helpt om de druif los te maken van de verkeerde associatie met de Duitse Riesling en een eigen plaats toe te wijzen binnen de wijnbouw.

Geschiedenis en verspreiding

De precieze oorsprong van Riesling Italico is al meer dan een eeuw onderwerp van discussie. Verschillende theorieën circuleren:

  • In 1876 suggereerde Goethe dat de druif zijn wortels had in de Champagne, waar hij bekend zou zijn geweest als Meslier, en later als Welschriesling naar Duitsland zou zijn overgewaaid.
  • In 1906 ontkrachtte de ampelograaf Molon dit, omdat hij in de Franse literatuur geen enkel spoor vond van de druif. Een Italiaanse oorsprong leek hem waarschijnlijker.
  • Een derde hypothese koppelt Riesling Italico aan de Aminea gemella uit de Romeinse tijd, een variëteit waarmee de Falerner-wijnen werden gemaakt.

Zekerheid over de oorsprong ontbreekt nog steeds. Wat wel vaststaat, is dat moderne DNA-analyses geen verwantschap hebben gevonden met Pignoletto of Verdicchio, druiven waarmee Riesling Italico in de loop van de tijd geregeld werd verward.

Binnen Italië kreeg de druif in de twintigste eeuw een vaste plaats, vooral in Lombardije. In de Oltrepò Pavese beslaat hij vandaag ongeveer 95 procent van de nationale aanplant. Daarnaast zijn er kleinere oppervlaktes in Veneto, Friuli en Trentino-Alto Adige, waar de druif vaak Welschriesling wordt genoemd. Sporadisch duikt hij ook op in Emilia, onder meer in de Colli Bolognesi.

De officiële erkenning van Riesling Italico binnen de Italiaanse wijnwetgeving is breed. Hij is toegelaten in meerdere provincies, zoals Verona, Vicenza, Treviso en Udine, en maakt deel uit van talrijke DOC’s waaronder Oltrepò Pavese, Collio, Garda, Custoza en Friuli Isonzo. Ook binnen de IGT-categorie komt zijn naam vaak voor, van Terre di Chieti tot Veneto en Vigneti delle Dolomiti.

Buiten Italië is Riesling Italico vooral bekend in Centraal-Europa. Daar wordt hij Welschriesling genoemd en speelt hij een belangrijke rol in Oostenrijk, Slovenië en Hongarije. In Slovenië staat hij bekend als Laški Rizling, in Hongarije als Olaszrizling, en in Kroatië als Graševina. Daarnaast duiken in historische bronnen en lokale tradities nog andere namen op, zoals Crouchen en Rieling Oslas. In deze landen geniet de druif meer aanzien dan in Italië zelf, met stijlen die variëren van lichte, frisse wijnen tot complexere versies met bewaarpotentieel.

Een druif op de dool

Riesling Italico heeft in Italië een bewogen traject achter de rug. In de jaren negentig stond er nog ruim 2.300 hectare aangeplant, maar sindsdien is de oppervlakte gestaag geslonken tot ongeveer 1.200 à 1.300 hectare vandaag. Die terugval weerspiegelt het geringe aanzien dat de druif decennialang genoot. Lange tijd werd ze beschouwd als een tweede keuze, een variëteit die zelden bewust werd gepositioneerd of gecommuniceerd.

Die situatie had ook gevolgen voor de markt. Het Consorzio van Oltrepò Pavese, waar het gros van de aanplant zich bevindt, heeft nooit een helder communicatief kader ontwikkeld om Italico van Renano te onderscheiden. Daardoor bleef de druif voor velen in een grijze zone hangen: aanwezig, maar niet erkend.

Toch tekenen zich de laatste jaren signalen van verandering af. Kleine producenten in Oltrepò Pavese kiezen ervoor om Riesling Italico opnieuw in de kijker te zetten, ditmaal met een focus op kwaliteit. Ook internationale initiatieven zoals het concours Grow du Monde hebben bijgedragen aan een herwaardering: ze tonen dat Italico, mits de juiste vinificatie, frisse en minerale wijnen kan leveren die perfect inspelen op de huidige vraag naar lichtvoetige, doordrinkbare stijlen.

Eigenschappen van de wijnstok

Riesling Italico is een wijnstok met een middelmatige groeikracht en een betrouwbare, vrij consistente productie. Op heuvelhellingen met klei-kalkrijke bodems, een goede drainage en een relatief droog klimaat presteert hij het best. In zulke omstandigheden behoudt de druif zijn frisse zuren, waardoor de wijnen levendig en evenwichtig blijven. In vlakke of vochtige wijngaarden is hij gevoeliger voor rot, waardoor de keuze van de locatie een doorslaggevende rol speelt in de kwaliteit.

Ampelografisch valt de plant op door zijn middelgrote bladeren, meestal gaaf of licht gelobd, met een heldergroene, bijna metaalachtige glans aan de bovenzijde. De trossen zijn klein, compact en vaak cilindrisch van vorm, soms met een korte vleugel. De bessen zijn middelgroot, goudgeel met een lichte groene tint en bedekt met een dunne maar stevige schil. Het vruchtvlees is sappig en zoet, eerder neutraal van karakter, maar daardoor juist geschikt om bij vinificatie frisse en subtiele aroma’s naar voren te laten komen.

De groeicyclus van Riesling Italico verloopt gemiddeld in tempo. Knopzetting, bloei en véraison volgen elkaar in een normaal ritme, en de druif bereikt zijn rijpheid in de derde tijdsperiode, doorgaans in de tweede helft van september. Dit geeft de wijnmaker de mogelijkheid om een goed evenwicht te vinden tussen rijpheid en behoud van natuurlijke aciditeit. Bij een nauwgezette oogstplanning kunnen de aroma’s zich optimaal ontwikkelen zonder dat de frisheid verloren gaat.

Het wijnprofiel

Riesling Italico levert wijnen met een lichte tot medium body en een bleke strogele kleur die vaak groene reflecties vertoont. Het aromatische profiel is ingetogen maar verfijnd, waarbij vinificatie doorgaans frisse tonen van citrus, kweepeer en abrikoos naar voren brengt, vaak ondersteund door een minerale ondertoon die de wijn een zekere spanning geeft.

In de mond proef je frisse zuren die zorgen voor levendigheid en een droge, evenwichtige stijl. Kenmerkend is een subtiel bittertje in de afdronk dat de wijnen een eigen signatuur meegeeft. Deze combinatie maakt Riesling Italico bijzonder geschikt om jong te drinken, wanneer de fruitigheid en de frisheid op hun hoogtepunt zijn.

Naast stille wijnen wordt de druif steeds vaker gebruikt voor mousserende vinificaties. De natuurlijke aciditeit en de delicate aroma’s lenen zich uitstekend voor frizzante en spumante stijlen, die vooral overtuigen in wijngaarden met heuvelachtige ligging en drogere klimaten. Daar komt de frisheid het best tot uiting en ontstaan wijnen die lichtvoetig maar karaktervol zijn. Het profiel van Riesling Italico sluit zo goed aan bij de huidige voorkeur voor toegankelijke, verteerbare wijnen die niet in kracht maar in zuiverheid en doordrinkbaarheid uitblinken.

Riesling Italico versus Riesling Renano

De verwarring tussen beide druiven is hardnekkig, maar in werkelijkheid gaat het om twee volledig verschillende druiven die zowel qua oorsprong, stijl als marktpositie weinig met elkaar gemeen hebben. Riesling Renano, de klassieke Duitse Riesling, staat internationaal bekend om zijn aromatische intensiteit en de veelzijdigheid waarmee hij uiteenlopende stijlen kan voortbrengen, van strakdroog tot edelzoet. Kenmerkend zijn de uitgesproken citrus- en steenvruchtaroma’s, florale tonen en een hoge zuurgraad die de basis vormt voor een uitzonderlijk bewaarpotentieel. Grote wijnen van Renano ontwikkelen zich in de fles vaak tientallen jaren en krijgen daarbij complexe tertiaire aroma’s zoals petroleum, honing en gedroogd fruit, eigenschappen die de druif tot een icoon van de wereldwijde wijnbouw hebben gemaakt.

Riesling Italico heeft een totaal ander profiel. De wijnen zijn lichter, minder aromatisch uitgesproken en bedoeld om jong te drinken. Het accent ligt op frisheid en toegankelijkheid, met subtiele fruittonen en een levendige maar niet overdreven hoge aciditeit. Waar Renano vaak aanzien en prestige uitstraalt, positioneert Italico zich eerder als een druif voor dagelijks drinkplezier en veelzijdige toepassingen. Juist dankzij zijn frisse karakter en doordrinkbaarheid is hij geschikt voor mousserende vinificatie, een domein waarin hij steeds vaker wordt ingezet.

Het fundamentele onderscheid tussen beide zit dus niet enkel in de genetische achtergrond, maar vooral in stijl, gebruik en perceptie. Riesling Renano is de druif van de lange adem en de grote bewaarwijnen, Riesling Italico die van de directe drinkbaarheid en de moderne trend naar lichtere, verfrissende wijnen. Beide druiven beantwoorden aan heel andere verwachtingen en markten, en precies daarom is het essentieel ze duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Een blik op de toekomst

Riesling Italico staat op een kruispunt. Aan de ene kant blijven de officiële aanplantcijfers dalen en ontbreekt er nog altijd een eenduidige strategie van consortia of appellaties om de druif stevig te positioneren. Aan de andere kant groeit de belangstelling vanuit nichekringen, zowel bij producenten die experimenteren met nieuwe vinificatiestijlen als bij een publiek dat meer openstaat voor frisse, lichte en minder voor de hand liggende wijnen. Internationale initiatieven spelen hierbij een belangrijke rol. Het concours Grow du Monde heeft de druif zichtbaar gemaakt op een niveau waar Italië tot 2023 nauwelijks aanwezig was. De eerste inzendingen in 2024 werden positief onthaald en toonden dat Italico, mits zorgvuldig gemaakt, kan overtuigen naast voorbeelden uit Centraal-Europa.

Ook de digitale gemeenschap draagt bij aan de herwaardering. Online fora en sociale media laten zien dat er een generatie wijnliefhebbers opstaat die bewust buiten de klassieke paden kijkt en Italico prijst om mineraliteit, frisse zuren en toegankelijkheid. In die kringen wordt de druif omschreven als een onderschat alternatief, vooral geschikt voor wie een Italiaanse witte wijn zoekt met karakter maar zonder zwaarte. Dit enthousiasme onderstreept dat Italico zich in een markt kan nestelen die steeds meer waarde hecht aan verteerbaarheid en authenticiteit.

De grote uitdaging blijft communicatie. Zolang de naam verwarring zaait en er geen gecoördineerde inspanning is om de druif een eigen profiel te geven, zal Riesling Italico niet de zichtbaarheid krijgen die hij verdient. Toch zijn er tekenen van verandering: kleine producenten die het voortouw nemen, internationale erkenning die toeneemt en een consument die klaar lijkt voor iets nieuws. Als deze lijnen worden doorgetrokken, kan de druif uitgroeien tot een verrassend relevant uithangbord van hedendaagse Italiaanse wijnbouw, niet door te wedijveren met de grote Riesling Renano, maar door zijn eigen plaats te claimen in het spectrum van frisse en authentieke wijnen.

Tabula rasa

Riesling Italico verdient een nieuwe kans, maar dan zonder de ballast van een misleidende naam. Noch Riesling noch Italico weerspiegelt zijn echte identiteit. Een herstart met een andere benaming, zoals Graševina die in de Balkanlanden stevig is ingeburgerd, kan de druif de duidelijke positionering geven die ze nodig heeft. De bal ligt bij consortia en producenten: enkel door die stap te durven zetten kan deze druif uitgroeien tot een volwaardige speler in de moderne Italiaanse wijnbouw.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Het afsluitende artikel in onze reeks over de Valpolicella-wijnen is zonder twijfel het stuk waarvoor het meeste opzoekwerk nodig was. Er zijn namelijk talloze druivenrassen toegestaan in de wijnen van deze appellatie. De hoofdrolspelers hebben we al besproken, net als de meest voorkomende figuranten. Wat resteert zijn piepkleine bijrollen voor soms obscure, bijna vergeten namen, maar ook voor rassen die wereldwijd bekendstaan om hun klassewijnen. Denk aan Sangiovese en Nebbiolo, maar ook aan enkele grote Franse namen. Op het etiket zal je ze zelden afzonderlijk vermeld zien, vaak verdwijnen ze onder de noemer ‘overige toegelaten druiven – 10%’. In dit artikel proberen we daar wat licht op te werpen.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Om een beter beeld te krijgen van welke druivenrassen een plek mogen krijgen in een Valpolicella-wijn, is het zinvol eerst naar de wetgeving te kijken. Artikel 2 van het disciplinare voor Valpolicella DOC zegt in essentie het volgende:

De Valpolicella wijnen moeten worden gemaakt van druiven die afkomstig zijn van wijngaarden met deze samenstelling:

  • Corvina Veronese (ook Cruina of Corvina genoemd): tussen 45% en 95%. Binnen dat percentage mag maximaal 50% Corvina vervangen worden door Corvinone.
  • Rondinella: tussen 5% en 30%.
  • Daarnaast mogen er tot maximaal 25% andere druiven gebruikt worden, mits ze voldoen aan deze voorwaarden:
    • Niet-aromatische rode druiven die toegelaten zijn voor de provincie Verona (zoals vastgelegd in het nationale register), tot maximaal 15% totaal, met per afzonderlijk druivenras een limiet van 10%.
    • Italiaanse autochtone rode druiven (volgens wet 82/06) die zijn toegelaten in de provincie Verona, tot het resterende maximum van 10%.

Wie het nationale register van Italiaanse druivenrassen bekijkt voor de IGT Veronese, vindt een lijst van ongeveer vijfenveertig toegelaten rode variëteiten. Filter je daaruit de niet-aromatische rassen, dan blijft nog altijd een indrukwekkend aantal over. Namen als Ancelotta, Barbera, Cabernet Sauvignon, Carmenère, Casetta, Corvina, Corvinone, Croatina, Dindarella, Forsellina, Gamay, Lagrein, Marselan, Marzemino, Merlot, Molinara, Negrara, Oseleta, Petit Verdot, Pinot Nero, Raboso Veronese, Rebo, Regent, Rondinella, Rossignola, Sangiovese, Schiava, Syrah en Teroldego passeren de revue. Het is echter geen sluitende lijst. In de praktijk blijkt dat ook druivenrassen als Cabernet Franc en Nebbiolo hun weg naar Valpolicella vinden, zoals bij de meesterlijke wijnen van Giuseppe Quintarelli. Spigamonti, gebruikt door Tedeschi, is eveneens een voorbeeld van een variëteit die niet in de standaardoverzichten voorkomt, maar wel degelijk een rol speelt. Elders zoals bij Tenuta Santa Maria zie je dan weer namen als Enantio en Turchetta.

Het is duidelijk dat een volledig overzicht van toegelaten en daadwerkelijk gebruikte druiven vrijwel onhaalbaar is. De keuzemogelijkheden zijn simpelweg te groot. Daarom beperken we ons in het vervolg tot een handvol oude inheemse rassen. Ze worden zelden gebruikt, maar dragen bij aan het rijke verhaal van Valpolicella en geven een glimp van de diversiteit die schuilgaat achter de bekende namen op het etiket.

Dindarella

Dindarella is een oud inheems ras uit het Veneto dat ooit veel wijngaarden sierde, maar in de loop van de twintigste eeuw bijna volledig verdween. De naam zou volgens sommige bronnen komen van het dialectwoord ‘dindare’, dat ‘trillen’ of ‘wiegen’ betekent, mogelijk een verwijzing naar de losse trossen die gemakkelijk in de wind bewegen. Na de bloei zijn de trossen vaak open en de bessen gedeeltelijk bloot, wat de opbrengst beperkt. Juist die losse structuur, samen met de dikke, bedauwde schil, stevige structuur en het vermogen om goed te drogen, maakt Dindarella geschikt voor appassimento en dus inzetbaar in Amarone en vooral in aromatisch rijke Recioto.

De aanplant bevindt zich voornamelijk in Valpolicella, met kleinere percelen bij het Gardameer en in de Valdadige. De bessen zijn middelgroot, onregelmatig van vorm en blauw van kleur. De rijping vindt plaats in het midden van het seizoen, waarna de druif uitstekend indroogt zonder haar frisheid te verliezen.

Forsellina

Ook Forsellina is een oud inheems ras uit de provincie Verona dat vandaag nog maar op ongeveer vijftien hectare wordt aangeplant. De eerste vermelding dateert uit 1824 in de catalogus van Veronese druivenrassen van de botanicus Ciro Pollini. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd ze door verschillende auteurs beschreven, tot ze in 1971 officieel werd opgenomen in het nationale druivenregister.

De plant groeit rechtop en vertoont gelijkenissen met Molinara, maar de kwaliteit van de opbrengst wordt lager ingeschat. De middelgrote, compacte trossen zijn cilindrisch en soms licht gevleugeld. De bessen zijn onregelmatig ovaal, met een dunne, bedauwde schil en kleurloos sap met een neutrale smaak. Door de compacte trossen leent Forsellina zich niet goed voor droging, waardoor ze zelden wordt gebruikt in passito-wijnen zoals Amarone of Recioto.

Forsellina rijpt in het middenseizoen en past zich goed aan aan minder ideale omstandigheden. Ze wordt toegestaan in de DOC’s Valpolicella en Bardolino, evenals in de IGT’s Verona, Vallagarina en Trevenezie. In de blend geeft ze een heldere, lichte robijnrode kleur, florale en fruitige aroma’s en een evenwichtige smaak waarin zachtheid en frisheid mooi samenkomen.

Negrara

Negrara Veronese behoort tot de bredere familie van Negrare, waartoe ook de beter bekende Negrara Trentina behoort. Hoewel de namen vaak door elkaar worden gebruikt, hebben ze duidelijke verschillen in bladstructuur en bessen. De eerste vermelding van Negrara gaat terug tot 1824 in het werk van Ciro Pollini, waarin hij meerdere typen onderscheidde, waaronder de Negrara bastarda, die waarschijnlijk overeenkomt met de huidige Negrara Veronese. In het begin van de twintigste eeuw besloeg de Negrare-familie zo’n twintig procent van de aanplant in de provincie Verona. Sinds 1970 staat Negrara officieel in het nationale druivenregister.

De aanplant is vandaag beperkt en verspreid, met aanwezigheid in Valpolicella, Bardolino, Breganze Rosso en Valdadige, en in kleine percelen in Padova en Vicenza. De trossen zijn middelgroot tot groot, cilindrisch, vaak gevleugeld en matig compact. De bessen zijn vrij groot, blauwzwart en sterk bedauwd, met een dikke, leerachtige en licht wrange schil. De rijping valt laat in het seizoen, terwijl de knopontplooiing eveneens later plaatsvindt.

Negrara levert constant goede opbrengsten, maar is gevoelig voor valse meeldauw, echte meeldauw, mijten en trosschimmels. In de kelder geeft ze een robijnrode kleur met violette schakeringen, aroma’s van zure kers, een kruidige toets en soms een vleug groene peper die met rijping milder wordt. In de mond presenteert de wijn zich licht van body maar verfijnd, met een frisse, sappige aanzet en een goede balans tussen tannine en kleurstoffen. In blends voor Valpolicella, Amarone en Recioto mag ze tot tien procent worden gebruikt, waar ze kruidigheid, frisheid en een subtiel gespannen structuur toevoegt.

Spigamonti

Spigamonti is een zeldzaam en recent herontdekt druivenras dat in Valpolicella slechts op enkele plekken voorkomt, onder andere in Tedeschi’s wijngaard Maternigo. Opvallend aan de plant zijn de bladeren met een rood-koperkleurige gloed en de dieprode kleur van de bloemstelen. Het is een teinturier, wat betekent dat ook het vruchtvlees rood is. Daardoor levert Spigamonti extra kleurintensiteit en structuur in blends, zowel voor Valpolicella als voor Amarone.

Het ras is van oorsprong Frans en staat ook bekend onder de naam Aspiran Bouschet. Het werd in 1865 door Henri Bouschet gekweekt uit een kruising tussen Aspiran Noir en Bouschet Gros, familie van de bekende Alicante Bouschet. In Italië werd Spigamonti pas in 2013 officieel toegelaten. De ontdekking in Valpolicella gebeurde door een teler nabij Montecchio di Negrar, die de druif aanleverde aan Cantina Negrar.

De teelt is uiterst kleinschalig en beperkt tot enkele percelen. De trossen zijn compact en het vruchtvlees is rijk aan anthocyanen. In kleine hoeveelheden kan Spigamonti een blend spanning, kleurkracht en kruidigheid meegeven.

Op uitstap!

Met deze laatste etappe ronden we onze reis door de Valpolicella-wijngaarden af. Nu is het aftellen tot de echte reis kan beginnen, samen met Amici. Want niets is mooier dan theorie omzetten in praktijk. De voorbije twaalf etappes hebben de kiemen gelegd, en de tijd van de floraison is aangebroken. Op naar de proeftochten bij wijnboeren, om ons te laven aan de vele gezichten en smaken van de Valpolicella-wijnen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst
  12. Croatina: Het koppige buitenbeentje

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ‘overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italië af. Dáár wordt ze echt au sérieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatië tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiële documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italië doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieën. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatië. Van daaruit zou ze via Slovenië haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italië, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiële status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oïdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel én geografisch breed verankerd in Noord-Italië. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardinië.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiëren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op Sardinië. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variëteiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oïdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocépage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiële erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciële aandacht die andere rassen wél genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst

Oseleta: Een druif met toekomst

Ik weet niet exact waarom, maar ik heb een zwak voor Oseleta. Misschien omdat de eerste die ik ooit proefde – die van Zýmē – meteen raak was? Feit is: als ik de kans krijg om een wijn van 100% Oseleta te proeven, dan bestel ik die ook. Helaas komt dat niet vaak voor. Er zijn nog maar weinig wijnmakers die de druif solo bottelen, al verandert dat stilaan. Steeds meer producenten wagen zich eraan, en dat wekt nieuwsgierigheid en waardering op. Ik kijk er alvast naar uit om te zien waar deze druif nog allemaal toe in staat is.

Tijdens het schrijven van deze reeks over Valpolicella, zijn wijnen en de samenstelling van de blend vind ik het best grappig dat ook de naam Oseleta in verband wordt gebracht met onze gevederde vrienden. Het lijkt er wel op dat de inspiratie in Valpolicella om hun regio-eigen druiven een naam te geven in handen is gegeven van een ornitholoog.

Een naam met veren

Hoewel Oseleta voor velen onbekend zal klinken kan je de druif moeilijk een nieuwkomer noemen in Valpolicella. De druif heeft er een eerder bizarre levenscyclus op zitten. Lange tijd is ze onder de radar gebleven. Ze was op een gegeven moment zelfs amper nog te vinden en zo goed als uitgestorven. Terwijl ze nu stilaan opnieuw opduikt in de wijngaarden van wijnmakers met zin voor karakter en identiteit.

De naam Oseleta komt van osei, het Venetiaanse woord voor vogel. Die link is geen toeval. De druif dankt haar bijnaam aan haar aantrekkingskracht voor vogels, die dol waren op haar kleine, suikerrijke bessen. Nog vóór ze door wijnmakers werd gewaardeerd, was ze dus al geliefd in de lucht.

Maar de druif is dus niet nieuw. In ampelografische bronnen uit de 19e eeuw duikt ze op onder verschillende namen. In Verona en Treviso sprak men van Oselina, in Brescia van uva ozilina, en in Cremona zelfs van uva passerina (niet te verwarren met de witte Passerina uit Marche en Abruzzo). Het ging hier om verwante of verwilderde druiven die aan de rand van de wijngaard groeiden en vaak dienden als voedsel voor vogels.

Pas veel later, in de jaren 70, kreeg Oseleta een tweede kans. Het was het wijnhuis Masi dat haar potentieel opnieuw onder de aandacht bracht. In een oude wijngaard vonden ze nog enkele overlevende stokken. Men besloot de druif niet alleen te bewaren, maar haar opnieuw een volwaardige plaats te geven. Een gewaagde zet, maar wel eentje die loonde.

Beperkte maar groeiende verspreiding

Vandaag is Oseleta nog altijd relatief zeldzaam. Je vindt haar voornamelijk in de heuvels van de Valpolicella Classica. Buiten deze kernzone is haar aanwezigheid eerder beperkt, en buiten Veneto is ze quasi onbestaand. Dat maakt wijnen op basis van Oseleta meteen schaars én interessant voor wie op zoek is naar authenticiteit.

Hoewel ze zelden als monocépage wordt gebotteld, wint de druif aan terrein. Meestal verschijnt ze als ondersteunende component in wijnen onder Rosso del Veronese IGT of Valpolicella DOC.

Dat de belangstelling toeneemt, is geen toeval. Producenten zoals Masi, Tedeschi en Zýmē geloven in het potentieel van Oseleta en investeren bewust in deze druif. Dit doen ze niet uit nostalgie, maar omdat ze kwaliteit en onderscheid kan bieden. Jaar na jaar groeit ook het aantal stekken en jonge aanplanten, een teken dat Oseleta meer is dan een curiositeit.

De plant: klein, krachtig, geconcentreerd

Oseleta is compact opgebouwd: kleine vijf-lobbige bladeren, korte internodiën en een opgerichte groeiwijze met veel vrouwelijke scheuten. Ze geeft relatief weinig trossen per stok en de opbrengst is structureel laag. Wie haar aanplant, doet dat niet voor volume, maar voor intensiteit.

De trossen zijn kort, klein en opvallend compact, vaak met een klein zijvleugeltje. De bessen zijn blauwzwart, klein, met een dikke schil en hebben die kenmerkende, iets gezwollen vorm die niet perfect rond is, maar eerder als een omgekeerde druppel of een stompe kegel oogt. Hun dikke huid zit vol kleurstoffen en tannine, het vruchtvlees is neutraal van smaak maar sappig en stevig van structuur. Het sap is opvallend gekleurd, zelfs vóór vergisting. Oseleta is geen echte teinturier, maar ze komt er qua pigmentatie verrassend dicht bij in de buurt.

De rijping gebeurt gemiddeld laat, doorgaans rond eind september. Oseleta bouwt snel suiker op, wat betekent dat ze potentieel krachtige wijnen oplevert. Dankzij de robuuste schil en de compacte trosstructuur blijft ze lang gezond aan de plant. Dat maakt haar bijzonder geschikt voor appassimento of een late pluk.

In de wijngaard gedijt ze het best op droge, goed drainerende bodems met een hoog aandeel grind of zand. Ze heeft een degelijke weerstand tegen botrytis en andere rot, waardoor ze zich goed leent voor een minimale interventieaanpak.

De lage opbrengst, in combinatie met haar uitgesproken fenolische rijkdom, maakt van Oseleta een veeleisende maar dankbare druif. Niet eenvoudig te telen, maar een wijnmaker met kennis van zaken, beschikt over een ras met zeldzame concentratie en structuur.

De wijn: donker, diep en gespierd

Een pure Oseleta-wijn is een zeldzaam maar krachtig beestje. In het glas vinden we een wijn met een diepe robijnrode kleur, vaak met een paarse rand. Die kleurintensiteit is niet enkel optisch: ze weerspiegelt het krachtige karakter dat deze druif van nature bezit.

Het aromaprofiel is uitgesproken en gelaagd. In de neus domineren donker fruit en florale toetsen: zwarte bosbessen, viooltjes, pruimen, vaak aangevuld met kruidigheid, leder en een vleugje teer. Bij rijping treden aroma’s van specerijen zoals kruidnagel, kaneel en zelfs wat wilde kruiden naar voren. De geur is compact, nooit vluchtig, en ontwikkelt zich traag maar trefzeker in het glas.

De mondstructuur is fors, maar niet log. Oseleta levert een volle body met een medium aciditeit en opvallend stevige tannine. Die tannine is robuust, maar zelden ruw, en draagt bij aan de lengte en de bewaarkracht van de wijn. Jong kan de wijn wat gesloten of stroef ogen, met inktachtige trekken en een nadruk op structuur. Met flesrijping verzacht ze en opent ze zich naar een complex en evenwichtig geheel, met meer finesse en diepgang.

Wie een wijn zoekt met persoonlijkheid, bewaarkracht en een uitgesproken structuur, vindt in Oseleta een overtuigende partner.

Wat brengt Oseleta bij in de blend?

We zien Oseleta nog maar sporadisch optreden in Valpolicella wijnen, maar haar bijdrage aan de klassieke blend is intussen moeilijk te negeren. Ze wordt vooral toegevoegd in wijnen als Valpolicella Superiore, Ripasso en Amarone, waar haar specifieke eigenschappen het profiel van de blend verrijken en versterken.

In een assemblage met Corvina, Corvinone, Rondinella en eventueel Molinara levert Oseleta een duidelijke meerwaarde: ze voegt kleurintensiteit toe, verhoogt de structuur en verstevigt het tanninegehalte. Dat maakt de wijn niet per se zwaarder, maar wel stabieler, complexer en langer houdbaar.

Haar rol is ondersteunend maar fundamenteel. Denk aan de baslijn in een muziekstuk: je hoort haar niet altijd expliciet, maar als ze wegvalt, mist het lied de grip. Ze legt als het ware een fundament onder het luchtigere fruit van Corvina en de florale toets van Rondinella. Zeker in krachtige stijlen zoals Amarone, waar de wijn concentratie moet dragen zonder te verzanden in logheid, bewijst Oseleta haar nut.

Wat ook meespeelt: haar dikke schil en hoge fenolische intensiteit zorgen voor wijnen met meer extract en rijpingscapaciteit. Dat komt vooral van pas in warme jaren, waarin andere druiven aan frisheid inboeten. Oseleta houdt de structuur overeind, zonder dominant te worden.

Wijnmakers gebruiken haar dus met mate, vaak in percentages tussen 5 en 10 procent. Maar die kleine toevoeging maakt een merkbaar verschil. In een blend die vaak wordt geprezen om haar elegantie, voegt Oseleta precisie en diepte toe.

Waarom ze een toekomst heeft

Het is niet omdat ik fan ben van deze druif en van de wijnen die ze geeft dat Oseleta misschien een mooie toekomst te wachten staat. De herontdekking past in een bredere tendens: Oseleta past immers naadloos in de hedendaagse zoektocht van wijnmakers naar druiven met karakter, authenticiteit en klimaatresistentie. In een tijd waarin klassieke rassen onder druk staan door hitte, droogte en ziektedruk, biedt deze oude Veronese variëteit precies die eigenschappen waar de toekomst om vraagt.

Haar dikke schil beschermt tegen de brandende zon, uitdroging en rot. De compacte trossen rijpen traag maar krachtig, met een opmerkelijk behoud van fenolische rijkdom. De lage en onvoorspelbare opbrengst maakt haar misschien minder aantrekkelijk voor volumeproducenten, maar net dat dwingt tot een meer selectieve, kwaliteitsgerichte aanpak. In de handen van wijnmakers met visie wordt dat geen beperking, maar een troef.

Oseleta is lokaal verankerd en draagt bij aan de identiteit van Valpolicella. Ze vult de blend aan met structuur, kleur en bewaarpotentieel. Maar ze heeft ook het potentieel om zelfstandig te schitteren, zij het in kleine oplages.

Bovendien spreekt Oseleta een publiek aan dat verder kijkt dan het voorspelbare. Haar uitgesproken stijl trekt liefhebbers aan die zoeken naar spanning, concentratie en raszuivere identiteit in hun glas. Geen allemansvriend, maar wel een druif die indruk maakt en beklijft. Het is dan ook waarschijnlijk dat meer producenten het voorbeeld van Masi, Tedeschi en Zýmē zullen volgen.

Oseleta komt van ver, maar ze is er nog. En alles wijst erop dat ze niet terug zal verdwijnen. Integendeel: in de juiste handen groeit ze uit tot een van de meest markante stemmen in het koor van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje

Molinara: In het verdomhoekje

Alvorens we van start gaan met de ontleding van de minder bekende druivenrassen in de Valpolicella-blend, blijven we eerst nog even stilstaan bij het raadsel dat Molinara heet. Wat is er precies aan de hand met deze druif die ooit verplicht deel uitmaakte van de assemblage, maar vandaag volledig optioneel is? Dat ze hierdoor aan populariteit heeft verloren, is als een open deur intrappen. De druif wordt door heel wat wijnbouwers in de regio bewust gemeden. Vraag je hen waarom, dan halen ze smalend de schouders op.

Toch zijn er ook andere geluiden. Sommige traditionele wijnmakers blijven Molinara trouw, niet uit nostalgie, maar misschien omdat ze iets zien wat anderen over het hoofd lijken te zien. De toekomst zal uitwijzen of Molinara haar plaats terugvindt, of verder wegglijdt in de schaduw van haar krachtigere collega’s.

Een naam met meel aan de handen

Molinara is een blauwe druif uit de provincie Verona. Haar naam verwijst naar het meest kenmerkende visuele detail: een dikke laag pruina op de schil, een witachtig waasje dat doet denken aan bloem. Alsof de druifbes net uit een molen is gerold. Die vergelijking ligt aan de basis van de naam Molinara, afgeleid van het Italiaanse molino, of molen. Ze kreeg ooit ook de bijnaam Uva del Mulino, de molendruif, als eerbetoon aan dat bloemige waasje dat haar eigen maakt.

In het lokale dialect werd ze ook aangeduid als Mulinara, terwijl ze in verschillende regio’s andere namen kreeg die telkens verwijzen naar dezelfde eigenschap. Zo sprak men in de morenische gebieden rond het Gardameer van Rossanella, en langs de oevers van het meer van Rossara (niet te verwarren met de gelijknamige Trentino-variant, dat een totaal ander ras is). In de valleien van Illasi en Tramigna klonk dan weer de naam Brepon molinaro, een oud synoniem dat door botanicus Acerbi in 1825 werd gekoppeld aan de Molinara. Hij maakte een eind aan de verwarring en toonde aan dat het om één en hetzelfde ras ging.

De afkomst van Molinara is een blinde vlek in de druivenstamboom. Maar hoewel haar precieze oorsprong niet met zekerheid te bepalen is, staat vast dat Molinara al eeuwen een vaste waarde is in de wijnbouw van Verona. We gaan er dan ook vanuit dat haar geboorte daar ergens ten velde heeft plaats gevonden.

Een wortel in de Veronese geschiedenis

Dat de geschiedenis van Molinara stevig verankerd is met de wijnbouwtraditie van Verona is voldoende bewezen in geschiedkundige geschriften. De eerste gedocumenteerde vermeldingen dateren uit het begin van de 19e eeuw. In zijn catalogus van druivenrassen uit de provincie Verona (1818–1823) onderscheidde Ciro Pollini Molinara en Brepon molinara nog als afzonderlijke variëteiten. Enkele jaren later, in 1825, bracht botanist Acerbi duidelijkheid: het ging om één en hetzelfde ras. Hij prees haar vruchtbaarheid en haar geschiktheid voor zware gronden. De wijn die ze opleverde was volgens hem “niet erg zwart, maar wel duurzaam”.

In de loop van de 19e eeuw bevestigde de druif haar aanwezigheid in meerdere gezaghebbende bronnen. Ze werd opgenomen in het Catalogo delle varietà di viti del Regno Veneto van graaf Pietro di Maniago (1823) en later door Zantedeschi (1862). Volgens een verslag van G.P. Perez uit 1900 was Molinara verspreid over vrijwel alle wijnbouwzones van Verona. In 1901 noteerde Zava zelfs aanplant in de provincie Padua.

Tijdens de wederopbouw van de wijngaarden na de vernietigende druifluisepidemie in de late 19e eeuw werd Molinara door vooraanstaande onderzoekers zoals Dalmasso, Cosmo en Dall’Olio erkend als een van de lokale rassen waarop opnieuw ingezet moest worden. Haar betrouwbaarheid, opbrengst en regionale verankering speelden daarin een cruciale rol.

In de jaren 1950 werd haar belang opnieuw bevestigd door Montanari en Ceccarelli, die haar als essentieel beschouwden voor de productie in Bardolino, Custoza, Valpolicella en de omliggende valleien. Volgens hun analyse leverde Molinara, samen met Corvina, tot wel 90% van de druiven in deze zones.

Deze historische documenten schetsen een duidelijk beeld: Molinara was geen randfiguur, maar een spil in de ontwikkeling van de wijnbouw rond Verona. Ze was jarenlang een vanzelfsprekend onderdeel van de streek, zichtbaar in de rijen wijngaarden maar zelden benoemd in de fles.

Aanwezig maar op de achtergrond

Hoewel Molinara vandaag een bescheiden rol speelt in de wijngaarden van de Veneto, is ze nog altijd aanwezig. Binnen de DOC Valpolicella neemt ze ongeveer 5 tot 7 procent van de aanplant voor haar rekening. In blends voor de diverse Valpolicella wijnen mag ze tot 25% van de assemblage uitmaken. In Bardolino, inclusief Chiaretto en spumante-versies, varieert haar toegelaten aandeel doorgaans tussen 10% en 20%.

Buiten de klassieke zones van Valpolicella duikt ze nog op in het zuidelijker gelegen Garda-gebied, meer bepaald in de Garda Orientale. In enkele delen van Trentino is ze ook terug te vinden. In de provincie Mantua werd ze tot voor kort zelfs verplicht opgenomen in de DOC Colli Morenici Mantovani del Garda – met een aandeel van 40 tot 80% in de rode en roséwijnen. Vandaag is haar gebruik daar echter sterk teruggelopen.

Ze maakt ook deel uit van diverse IGT-zones, zoals Veneto, Veronese en Alto Mincio.

In een handvol wijnkelders duikt Molinara vandaag opnieuw op in een glansrol, zij het in een andere vorm: als basis voor roséwijnen. Dankzij haar uitgesproken zuren en zilte mineraliteit leent ze zich uitstekend voor elegante, verfrissende wijnen met laag alcoholgehalte en subtiele fruitigheid. Het is een bescheiden comeback, maar een die aantoont dat de druif nog niet volledig is uitgeklonken.

Groei, vorm en gevoeligheid van de Molinara-rank

Molinara is een druif die krachtig groeit, maar die tegelijk ook om ruimte vraagt. De plant ontwikkelt lange, licht gebogen scheuten en voelt zich het best thuis in de pergola veronese, de traditionele opleidingsvorm van Verona die haar toelaat breed uit te waaieren. Het eerste vruchtbare oog bevindt zich pas vanaf de vierde of vijfde knoop, waardoor een langere snoei noodzakelijk is. Ze doet het goed op zwaardere bodems, die rijk zijn aan klei en leem, waar haar groeidrang zich gecontroleerd kan ontwikkelen.

De bladeren vertellen hun eigen verhaal. Jong blad toont een witgroene kleur met zacht rosé aan de randen, vaak fijn behaard met spinachtige draden. Naarmate het blad ouder wordt, ontwikkelt het een herkenbare trilobale vorm en een doffe, grijsgroene kleur. De onderzijde is licht behaard langs de nerven, terwijl de bovenzijde glad en mat blijft. De bladstructuur is vrij regelmatig, met stompe tanden en een uitgesproken V-vormige uitsparing aan de bladsteel.

De trossen zijn middelgroot tot groot, los van structuur en meestal piramidaal opgebouwd, met twee korte zijvleugels. Deze luchtige opbouw maakt haar minder gevoelig voor rot. De bessen zijn gemiddeld van grootte, vaak iets ovaal, met een opvallend blauwviolette kleur en een dikke laag pruina. De schil is stevig, de pulp kleurloos en zoet, zonder uitgesproken aroma’s. Elke bes bevat doorgaans twee pitten.

De fenologische cyclus van Molinara is uitgesproken laat. De bloei valt meestal begin juni, de verkleuring van de bessen volgt in de tweede helft van augustus en de rijping is pas volledig tussen 10 en 30 oktober. Dat maakt haar gevoelig voor het grillige herfstweer. Toch is ze opvallend resistent tegen rot, een eigenschap die uitstekend van pas komt bij het nadrogen van druiven voor Amarone of Recioto.

De productie is overvloedig en doorgaans stabiel, maar Molinara is niet zonder eigenaardigheden. Ze is gevoelig voor vruchtval en onregelmatige vruchtzetting, wat bij stressvolle jaren kan leiden tot ongelijke rijping of opbrengstverlies. Tegen ziekten zoals echte en valse meeldauw is ze redelijk bestand. Ze trekt bovendien minder druivenmotten aan dan veel andere Veronese rassen.

Wat brengt ze in het glas?

Molinara is zelden een solist, maar wie haar als enige druif vinifieert, krijgt een opvallend resultaat. 100% Molinara toont een heldere, robijnrode kleur met schakeringen van rode kers. De neus is fris en delicaat, met aroma’s van framboos, wilde aardbei en een lichte toets van bosbes. Soms duiken er subtiele kruidige nuances op, zoals rozemarijn of laurier. In de mond valt vooral het frisse, speelse karakter op. De wijn is licht van body, laag in alcohol en heeft een uitgesproken zuurgraad. Wat ze mist aan structuur, compenseert ze met een ziltige mineraliteit die lang blijft hangen.

Net omwille van dat profiel wordt Molinara door enkele producenten herontdekt als basis voor rosé. Wijnmakers zoals de Fratelli Vogadori kiezen ervoor om de schillen slechts kort te laten weken, net genoeg om kleur en aroma’s op te vangen zonder bitterstoffen te extraheren. Het resultaat is een rosé met spanning, elegantie en een uitgesproken droge finale.

Toch ligt haar belangrijkste rol niet in solo-optredens, maar in de harmonie van blends. In de klassieke Valpolicella-samenstelling voegt Molinara iets toe wat haar partners vaak missen: levendigheid en spanning. Corvina brengt de ruggengraat en het fruit, Rondinella vult aan met zachte rondingen, maar het is Molinara die zuur, frisheid en structuur binnenbrengt. Die eigenschappen zijn cruciaal, zeker bij wijnen die bedoeld zijn om te rijpen.

In krachtige stijlen zoals Amarone della Valpolicella en Recioto speelt Molinara een verfrissende bijrol. Ze brengt zuur en finesse tegenover de intensiteit van Corvina en de neutraliteit van Rondinella. Die balans zorgt ervoor dat Amarone niet log wordt, maar elegant blijft, zelfs na jaren kelderrust. In Recioto ondersteunt ze het zoete profiel met een backbone van aciditeit, waardoor de wijn levendig en verteerbaar blijft.

Tot 2003 was Molinara verplicht in deze blends. Nadien werd haar rol facultatief, en haar aanplant daalde snel. Veel producenten kozen voor andere druiven met meer kleur en extractie. Toch blijft haar bijdrage in sommige wijnen van onschatbare waarde omdat ze alles samenbrengt zonder op de voorgrond te treden.

Van sleutelras tot schaduwbestaan

Molinara werd decennialang beschouwd als een vaste waarde binnen de Valpolicella-blends. Ze bleef weliswaar steeds op de achtergrond, maar haar rol in de samenstelling van Valpolicella, Ripasso, Amarone en Recioto stond buiten kijf. Tot 2003 was haar aanwezigheid zelfs verplicht. Met de wijziging van de regelgeving werd haar aandeel facultatief. En dat bracht een grote wijzing in het gebruik en toekomst van de druif.

De reden ligt in haar profiel. Molinara is lichtvoetig, zuurhoudend en bescheiden van aroma. In een tijd waarin de wijnmarkt hunkerde naar concentratie, kleur en alcohol, werd dat geen voordeel maar een minpunt. Haar zachte structuur, haar bleke kleur in vergelijking met Corvina, en haar delicate karakter pasten niet bij de stijlen die internationaal succes oogstten. Wijnmakers kozen steeds vaker voor rassen die krachtiger presteerden in de kelder én in de marketing.

Daar kwam bij dat Molinara makkelijk hoge opbrengsten geeft, wat bij gebrek aan zorgvuldige vinificatie tot vlakke, weinig gelaagde wijnen kan leiden. Haar ster doofde geleidelijk. In de wijngaarden werd ze vervangen, blendpercentages werden aangepast, en haar aanwezigheid in de fles raakte op de achtergrond.

En vandaag?

De dominantie van geconcentreerde, alcoholrijke wijnen vertoont barsten. Producenten en wijnliefhebbers keren zich steeds vaker af van overdaad, op zoek naar elegantie, spanning en verteerbaarheid. Molinara past onverwacht goed in dat veranderende landschap.

Haar kwaliteiten zijn precies de elementen waar moderne blends vaak naar verlangen. In roséwijnen speelt ze zelfs een hoofdrol: lichtvoetig, dorstlessend, met karakter. In Valpolicella-blends, waar ze nog altijd is toegestaan, durven sommige wijnbouwers haar opnieuw inschakelen om evenwicht te brengen tussen rijp fruit en structuur.

Molinara is misschien geen druif die een wijn vanzelf naar grote hoogten tilt. Maar om haar dan in het verdomhoekje te zetten? Dat is een brug te ver. Haar bescheiden comeback zegt veel over de evolutie van smaak, én over het belang van druiven die niet zijn ontworpen voor impact, maar voor samenhang. Haar terugkeer is geen nostalgisch gebaar, maar een bewuste keuze voor balans, souplesse en terroir.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 

Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella wijnen hebben we eerder al de hoofdrolspelers Corvina en Corvinone belicht. Terecht, want zij dragen de stijl, het karakter en het fundament van de blend. Ze staan op het hoogste schavotje, met reden.

Maar wat dan met Rondinella, de druif die zelden het woord krijgt, maar wél verplicht aanwezig is in de assemblage? Vaak wordt ze nog net mee opgesomd, en dan begint de motor te sputteren. We weten dat ze erbij hoort, maar wat ze precies bijdraagt of waarin ze uitblinkt, blijft vaag. Ze is een naam die bekend klinkt, maar zelden tot leven komt. Known by name, not by character.

Over de oorsprong van haar naam bestaan twee theorieën. De eerste verwijst naar de zwarte, glanzende schil van de druif, die doet denken aan het verenkleed van de zwaluw, of ‘rondine’. De tweede legt het verband met diezelfde vogels, die zich graag tegoed doen aan de rijpe bessen. In beide gevallen is de link met de fauna van de Veneto poëtisch.

Een geschiedenis tussen gemak en veerkracht

De precieze oorsprong van Rondinella is onbekend, maar haar eerste vermeldingen in officiële bronnen dateren uit het einde van de 19e eeuw. In 1882 dook haar naam op in landbouwverslagen uit Verona, en sindsdien is haar aanwezigheid in de streek onafgebroken gebleven. Rondinella werd op 25 mei 1970 officieel erkend als toegelaten druivenras in Italië en staat sindsdien geregistreerd als ‘Rondinella N. (Nera)’.

Genetisch onderzoek wijst uit dat Rondinella een nakomeling is van Corvina, de centrale druif van de Valpolicella. Die verwantschap verklaart deels haar affiniteit met de regio, maar haar populariteit dankt ze vooral aan haar praktische kwaliteiten in de wijngaard.

Na de verwoestende doortocht van phylloxera, die het Europese wijngaardlandschap aan het einde van de 19e eeuw zwaar trof, gingen wijnbouwers op zoek naar robuuste variëteiten die zich snel konden aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Rondinella bleek een schot in de roos. Ze liet zich vlot enten op Amerikaanse onderstammen, toonde zich bestand tegen kou, droogte en ziektes, en leverde stabiele opbrengsten.

Die combinatie van veerkracht en betrouwbaarheid maakte haar tot een geliefde keuze in de heropbouw van de wijngaarden in de Veneto. Bovendien bleek ze bijzonder geschikt voor het drogen van druiven: haar bessen hebben een dikke schil, behouden hun vorm tijdens het indrogen en slaan makkelijk suikers op. Dat maakt haar tot een ideale partner in de productie van wijnen volgens de appassimento-techniek, zoals Amarone en Recioto della Valpolicella.

Het is belangrijk om Rondinella Nera niet te verwarren met Rondinella Rosa RS. Deze laatste is een kleurmutatie van Rondinella Nera. De druif onderscheidt zich door haar rozige schil, lichtere expressie en wijnen met een bleke kleur en subtiel florale aroma’s. Hoewel genetisch verwant, wordt ze apart beheerd en blijft haar aanplant voorlopig beperkt tot enkele proefvelden in de provincie Verona. Ze werd ontdekt in een wijngaard van het wijnhuis Zymè in Illasi, waar enkele stokken opvallend lichtere bessen vertoonden.

Verspreiding: een vertrouwd gezicht in de Veneto

Rondinella is sterk verankerd in de provincie Verona en is haast onlosmakelijk verbonden met de Valpolicella-regio. Hoewel ze zelden buiten Veneto voorkomt, is haar rol binnen deze zone niet te onderschatten. De druif speelde lange tijd een dominante rol in de wijngaarden van Valpolicella, met een aandeel dat ooit de helft van de aanplant benaderde. Hoewel haar aandeel sindsdien is teruggelopen, blijft ze een vaste waarde dankzij haar betrouwbaarheid, weerstand tegen ziektes en voorspelbare opbrengst. Haar rol mag dan minder prominent zijn geworden, ze blijft essentieel in het evenwicht van de Valpolicella-blend.

In de praktijk vinden we Rondinella terug in vrijwel alle belangrijke appellaties van de streek: Valpolicella DOC, Valpolicella Superiore Ripasso DOC, Amarone della Valpolicella DOCG en Recioto della Valpolicella DOCG. Haar aandeel in de blends varieert doorgaans tussen 5 en 30 procent, waarbij ze een ondersteunende rol speelt naast Corvina en Corvinone.

Ook in de Bardolino DOC en Bardolino Superiore DOCG is Rondinella prominent aanwezig, met een aandeel dat kan oplopen tot 40 procent. In deze appellatie wordt ze soms ook ingezet voor het maken van rosato, al blijft ze, net als elders, zelden als monocepage gevinifieerd.

Buiten Verona is Rondinella erkend in Lombardia, en toegelaten in diverse IGT’s zoals Trevenezie, Veneto, en Provincia di Verona. Toch blijft haar verspreiding buiten de Veneto zeer beperkt, wat haar regionale identiteit des te sterker maakt. Ze is dus niet de druif die verre horizonten opzoekt, maar wel een vaste waarde in haar thuisgebied.

De wijnstok: betrouwbaar en efficiënt

Rondinella is een druivenras dat wijnbouwers vertrouwen inboezemt. Ze is voorspelbaar, bezit veerkracht en belangrijk, een constante kwaliteit. Wat ze mist aan expressieve flair in de wijngaard, maakt ze ruimschoots goed door haar praktische kwaliteiten.

De plant vertoont een stevige groeikracht en voelt zich thuis op uiteenlopende bodems. Ze verdraagt zowel droogte als kou en toont een hoge natuurlijke weerstand tegen ziektes, schimmels en rot. Dit maakt haar uitermate geschikt voor duurzame teelt, zonder overmatige afhankelijkheid van chemische tussenkomst.

Rondinella heeft gemiddeld twee tot drie bloemtrossen per scheut, soms zelfs vier, wat bijdraagt aan haar stabiele productie. De trossen zelf zijn middelgroot, piramidaal van vorm en vaak voorzien van een of twee kleine zijarmen. Ze zijn eerder compact en hangen aan korte, stevige steeltjes.

De bessen zijn rond, gemiddeld van grootte, met een dikke, donkerblauw tot zwart-violette schil die bedekt is met een fijne waslaag. Deze schil beschermt niet alleen tegen rot, maar maakt de druif ook bijzonder geschikt voor het drogen, wat essentieel is voor appassimento-wijnen.

De pulp is sappig, met een zoete, neutrale smaak, wat ze ideaal maakt als ondersteunende component in blends. De rijping verloopt vrij regelmatig en vindt doorgaans plaats in de tweede helft van september, wat haar tot een laatrijpende variëteit maakt.

Rondinella vraagt doorgaans om een langere snoei en gedijt goed in ruime, open geleidingssystemen. Ze is dus geen lastige druif om te telen, maar ze vraagt wel wat ruimte om haar potentieel volledig te benutten. Kortom, Rondinella is de metronoom van de wijngaard: discreet, precies en betrouwbaar. Ze groeit regelmatig, geeft stabiele opbrengsten en vraagt zelden om extra aandacht. In die zin sluit haar gedrag mooi aan bij de vermoedelijke oorsprong van haar naam: de zwaluw (rondine), een vogel die beweeglijk en standvastig is, maar zelden op de voorgrond treedt.

De wijn: steunpilaar in de blend

Hoewel we zelden tot nooit een monocépage wijn van Rondinella zullen tegenkomen kenmerkt de wijn op basis van deze druif zich door een heldere tot diepe robijnrode kleur. In de neus duiken vooral tonen op van rode kersen, viooltjes en subtiele kruidigheid. Het aroma is niet uitgesproken complex, maar wel zuiver.

In de mond toont Rondinella zich evenwichtig: medium van body, met frisse zuren, lage tannine en een zachte, toegankelijke structuur. Die combinatie maakt haar wijnen licht verteerbaar, levendig en bijzonder stabiel.

Rondinella is dus zelden de ster van het podium. Haar kracht ligt in de blend, waar ze zelden meer dan een ondersteunende rol speelt. In de Valpolicella-blends staat ze naast Corvina, Corvinone en soms Molinara, waarbij ze kleur, zuren en een zekere frisheid toevoegt, zonder de expressie van de hoofdvariëteiten te overschaduwen.

Diezelfde eigenschappen maken haar ook geschikt voor appassimento-wijnen zoals Recioto della Valpolicella, waar haar vermogen om suiker op te slaan van cruciaal belang is. In deze stijl draagt ze bij aan de balans tussen zoetheid, zuren en structuur.

Rondinella is zelden opvallend aanwezig in het glas, maar wel essentieel voor het evenwicht. Ze biedt precies wat een blend nodig heeft: stabiliteit, frisheid en draagkracht, zonder de ambitie om zelf te domineren.

Waarom geen monocépage wijnen?

Het is een vraag die zich bijna opdringt: waarom wordt van de ene druif wel een monocépage gemaakt en van de andere niet? Rondinella, bijvoorbeeld, kom je zelden of nooit solo tegen in het schap. En eerlijk gezegd, een sluitend antwoord is moeilijk te geven.

Misschien is het omdat ze op zichzelf te weinig expressie heeft, of omdat haar profiel te lineair wordt zonder de steun van Corvina of Corvinone. Misschien ook omdat ze juist zó goed werkt in een blend, dat niemand ooit echt behoefte gevoeld heeft om haar alleen in de schijnwerper te plaatsen. Je proeft haar meestal enkel op vat of uit de tank, in het overgangsmoment tussen druif en assemblage. Dat maakt het moeilijk om haar als individu volledig te doorgronden.

Is ze te neutraal? Te correct? Of net te dienstbaar? Dat is voer voor discussie. Er zal ongetwijfeld een goede reden achter zitten, en misschien is het niet eens één reden, maar een optelsom van technische keuzes, historische gewoontes en marktlogica.

Met de Amici-reis naar Valpolicella in het vooruitzicht lijkt dit het uitgelezen moment om daar eindelijk eens een goed gesprek over te voeren. Op de plek zelf, met de mensen die er dagelijks mee werken. Want als er één plek is waar Rondinella wél volwaardig aan tafel zit, dan is het daar.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Dat er behoorlijk wat druiven zijn toegelaten in de blend van Valpolicella wijnen, is nog zacht uitgedrukt. Naast de gebruikelijke verdachten duiken ook minder bekende namen op. Zo was tot voor kort ook Corvinone een nobele onbekende. Maar wat moeten we eigenlijk denken van deze Corvinone? Lange tijd werd ze gezien als een variant van Corvina, en waren het vooral blends met Corvina, Rondinella en Molinara die de dienst uitmaakten. Vandaag is Corvinone niet alleen een erkende variëteit, maar ook een vanzelfsprekend onderdeel van het team. Het is maar weinige druiven gegeven om zo snel en overtuigend binnen te dringen in wat jarenlang gold als een perfect uitgebalanceerde ploeg.

Van naam tot identiteit

De naam Corvinone laat weinig aan de verbeelding over. Het achtervoegsel -one betekent in het Italiaans ‘groot’ of ‘groter’, waardoor de term letterlijk vertaald kan worden als ‘grote Corvina’. Die benaming heeft geleid tot een hardnekkige veronderstelling: dat Corvinone een grotere variant of mutatie van Corvina zou zijn. En toegegeven, die aanname lag voor de hand.

Beide druiven worden vaak samen aangeplant, delen gelijkaardige aroma’s van kersen en kruiden, en vertonen op het eerste gezicht fysieke gelijkenissen in trosstructuur en kleur. Bovendien was het gebruik van Corvinone in blends lange tijd ondergeschikt aan Corvina, wat de indruk versterkte van een ondersteunende, eerder afgeleide rol.

Toch bleek die verwantschap slechts schijn. In de jaren 1980 werd in Italië genetisch onderzoek opgestart, onder andere door het Istituto Sperimentale per la Viticoltura di Conegliano en zijn afdeling in Verona. De conclusie liet weinig ruimte voor twijfel: Corvinone is géén mutatie of kloon van Corvina, maar een genetisch afzonderlijke druivensoort.

De officiële erkenning liet nog enkele jaren op zich wachten. Op 15 juli 1993 werd Corvinone opgenomen in het Italiaanse nationale druivenregister. Daarmee kreeg de druif een symbolische rehabilitatie als volwaardige variëteit. Vandaag is duidelijk dat Corvinone een eigen identiteit heeft, zowel in de wijngaard als in het glas. Haar naam mag dan nog verwijzen naar een vermeende familieband, de druif staat stevig op eigen benen.

De stille revolutie van Corvinone

Corvinone kende jarenlang een bescheiden bestaan in de schaduw van grotere namen binnen Valpolicella. Vandaag is dat beeld grondig bijgesteld. De plots toegenomen belangstelling voor deze druif is niet te verklaren door één enkele eigenschap, maar door een samenspel van kwaliteiten die net nu bijzonder relevant zijn.

Voor wijnbouwers biedt Corvinone zekerheid. De plant is relatief sterk en minder vatbaar voor ziekten, wat belangrijk is in een regio waar de herfstmaanden het verschil maken tussen een degelijk en een groot wijnjaar. De trossen zijn stevig en compact, maar tegelijk luchtig genoeg om gecontroleerd te kunnen indrogen, wat cruciaal is voor appassimento. Die geschiktheid voor droging heeft ertoe geleid dat Corvinone snel terrein won in de productie van Amarone en Recioto, twee wijnen die internationaal aanzien genieten en waar de druk op kwaliteit bijzonder hoog ligt.

Ook in termen van smaakprofiel biedt Corvinone precies wat veel wijnmakers zoeken. De druif levert niet alleen volume, maar ook frisheid en een herkenbare kruidigheid die voor spanning zorgt in het smaakprofiel. Wie Amarone maakt, weet dat structuur belangrijk is, maar dat overextractie het risico met zich meebrengt van vermoeiende wijnen. Corvinone weet daarin het midden te vinden: kracht met behoud van finesse.

De keuze voor Corvinone is dus zelden louter technisch. Ze is een manier geworden om Valpolicella opnieuw te definiëren, met wijnen die expressief en gastronomisch inzetbaar zijn, maar die tegelijk trouw blijven aan hun oorsprong. De druif past in een evolutie die gericht is op zuiverheid, balans en regionale identiteit. Precies dat maakt haar op vandaag zo gegeerd, niet enkel bij producenten die mikken op volume, maar net zo goed bij wie inzet op finesse.

De snelle verspreiding van Corvinone is niet het resultaat van toeval of trends. Ze is het logische gevolg van een zoektocht naar druiven die zowel wijngaard als kelder aankunnen, die technische kwaliteit koppelen aan stijl, en die kunnen meegroeien met een publiek dat geen genoegen meer neemt met generiek of voorspelbaar. In dat verhaal speelt Corvinone geen bijrol meer. Ze is uitgegroeid tot een discreet maar doorslaggevend hoofdpersonage.

Een grillige groeier met potentieel

Wie Corvinone in de wijngaard observeert, merkt al snel dat het geen alledaagse druif is, maar wel een die duidelijk potentieel toont De wijnstok combineert een uitgesproken morfologie met eigenschappen die haar zowel uitdagend als aantrekkelijk maken voor wijnbouwers met oog voor detail.

De bladeren zijn groot, vijflobbig en hebben een uitgesproken V-vormige bladsteelinsnijding. De onderzijde is kaal en licht bobbelig, wat typisch is voor deze variëteit. De jonge scheuten zijn groen, met een licht behaard topje. Ook fenologisch is Corvinone wat vertraagd: de knopbreuk is laat, de bloei valt gemiddeld, en de rijping gebeurt pas in de tweede helft van oktober.

De trossen zijn robuust, groot en piramidaal, vaak met één of twee zijvleugels. Ondanks hun volume zijn ze compact gebouwd, wat een dubbel effect heeft. Enerzijds is er voldoende bescherming van de bessen, anderzijds zorgt de dichte structuur voor een ongelijke rijping. Die asynchroniciteit dwingt de wijnbouwer tot zorgvuldige selectie, vooral als de druiven bestemd zijn voor directe vinificatie in plaats van droging. Wie daar onvoldoende op anticipeert, riskeert ruwe tannine of groene tonen in het eindproduct.

De bessen zelf zijn ellipsvormig, middelgroot tot groot, met een dikke, blauwzwarte schil die rijk is aan pruïna. Dit maakt Corvinone minder gevoelig voor schimmels en bevordert haar geschiktheid voor appassimento. De robuuste schil vertraagt oxidatie en beschermt de druif tijdens het indrogingsproces, een troef die ze deelt met Corvina maar in grotere mate bezit.

Op agronomisch vlak is Corvinone betrouwbaar, maar veeleisend. Ze vraagt een geschikte bodemstructuur, voldoende ventilatie in de troszone en een oogst die niet uitsluitend op rendement is gericht. Wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, levert de plant druiven die rijpheid, aromatische diepte en technische stabiliteit combineren.

Wortels in Verona, vleugels in Valpolicella

De aanwezigheid van Corvinone is vandaag onlosmakelijk verbonden met de regio Veneto, en meer bepaald met de provincie Verona. Daar ligt haar oorsprong, daar ontwikkelde ze zich, en daar beleeft ze vandaag haar tweede jeugd. Met ongeveer 900 hectare aangeplante oppervlakte in 2023 is ze nog steeds bescheidener dan Corvina, maar de kloof wordt kleiner. Rond 1990 telde men nog amper 90 hectare, wat haar heropleving des te opvallender maakt.

Binnen Verona concentreert Corvinone zich vooral in de oostelijke delen van Valpolicella, waar de heuvels, de ventilatie en het verschil in dag- en nachttemperaturen haar eigenschappen ten volle tot uiting laten komen. Op de vlaktes doet ze het minder goed: de luchtcirculatie is er beperkter, de bodem vaak te rijk, en de druif verliest er haar focus.

In de DOC-gebieden van Valpolicella, Valpolicella Superiore, Valpolicella Ripasso en Bardolino is Corvinone vandaag een vast onderdeel van het toegestane druivenpakket. Ook in de prestigieuze DOCG’s zoals Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore is ze wettelijk erkend. Binnen deze appellaties mag Corvinone tot 50 procent van de blend uitmaken, naast onder andere Corvina, Rondinella en Molinara. Buiten de klassieke zones komt ze voor in enkele IGT-wijnen, zoals Veneto, Trevenezie en Verona, waar haar naam zelfs expliciet op het etiket vermeld mag worden.

Corvinone wordt vrijwel nooit als monocepage gevinifieerd, maar is een vaste waarde in blends. Ze wordt vaak samen met Corvina aangeplant, wat de timing van de oogst vereenvoudigt en het vinificatieproces stroomlijnt.

Karakter in de blend

Het potentieel van Corvinone is groot, maar komt pas echt tot uiting onder de juiste omstandigheden. Dat verklaart waarom ze zelden als monocepage op de markt verschijnt. Wie het toch probeert, stuit vaak op een complex profiel dat krachtig maar stroef kan uitvallen, zeker wanneer de bessen niet homogeen rijpen. Zonder strikte selectie in de wijngaard ontstaat het risico op te groene of hoekige toetsen die het fruit overschaduwen.

Binnen blends ligt haar ware kracht. In combinatie met Corvina brengt Corvinone een opvallende hoeveelheid structuur, zuur en kruidigheid in het glas. Ze biedt een tegengewicht voor de zachte rondingen van Corvina, zonder de balans te verstoren. De hogere zuurtegraad zorgt voor spanning en een langere, frissere afdronk. In een warm klimaat als dat van de Valpolicella is dat een absolute troef.

De kleur van een wijn met Corvinone is doorgaans diep robijnrood, een gevolg van de dikke, intens gekleurde schil. Het aromatische profiel draait rond zwarte kers, zwarte bes en specerijen, met vaak een herkenbare toets van zwarte peper. Die laatste is het resultaat van een verhoogde concentratie rotundone, een molecule die ook in Syrah druiven voorkomt. Het geeft de wijn een herkenbaar en gelaagd karakter.

De tannine van Corvinone is merkbaar hoger dan die van Corvina. In jeugdige wijnen kan dat voor wat stroefheid zorgen, maar met flesrijping ontwikkelt zich een fijne, dragende structuur. Vooral in Amarone en Ripasso vormt ze daardoor een cruciale schakel. Zonder haar zouden veel van deze wijnen aan grip verliezen.

Corvinone is dus geen solist, maar wel een onmisbare stem in het ensemble. Ze zorgt voor basiskracht, aromatische diepte en technische stabiliteit. Mits zorgvuldige vinificatie levert ze wijnen met een gelaagdheid die in de Valpolicella vandaag als een kwaliteitskenmerk geldt.

De vraag is niet óf Corvinone een belangrijkere rol zal spelen, maar hoe snel die evolutie zich voltrekt in de definitieve signatuur van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella