Corvina, het fundament van Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella-wijnen zijn we aan de ontleding van de blend toegekomen. De belangrijkste druiven die deel moeten of kunnen uitmaken van de Valpolicella-samenstelling, nemen we onder het vergrootglas. Uiteraard starten we met Corvina. Wie Valpolicella zegt, zegt Corvina. Deze blauwe druif is zonder twijfel de belangrijkste variëteit van de streek rond Verona. Ze vormt de ruggengraat van wijnen als Valpolicella Classico, Ripasso, Recioto en Amarone. Zonder Corvina geen Valpolicella, althans niet in zijn klassieke vorm.

De druif is wijdverspreid in het westen van Verona, van de heuvels rond het Gardameer tot diep in de Valpolicella. Haar rol gaat echter verder dan geografische aanwezigheid. Corvina geeft structuur, zuren, aromatische verfijning en de nodige spanning aan de wijnen van de regio. Ze bezit bovendien de zeldzame eigenschap om goed te gedijen in zowel frisse als warme omstandigheden, en leent zich uitstekend tot het indrogen van de druiven, een essentiële techniek voor de productie van Recioto en Amarone.

Toch blijft Corvina een druif met schakeringen. Doorheen de geschiedenis zijn verschillende biotypen en synoniemen opgetekend. Sommige zijn vrijwel verdwenen, andere leven voort in oude wijngaarden of zijn recent herontdekt. Wat ze allemaal gemeen hebben is hun bijdrage aan het unieke profiel van Valpolicella-wijnen: geurige finesse, zachte tannine en een haast moeiteloze elegantie, zelfs in de krachtigste expressies.

Ook de wijnwereld ontsnapt niet aan trends. Vernieuwing is al enige tijd aan de gang, en Corvina ontsnapt daar niet aan. Tijdens onze volgende wijnreis met Amici, komende lente, zullen we ongetwijfeld wijnbouwers ontmoeten die monocépage Corvina op de markt brengen. Enkele jaren geleden nog een uitzondering, vandaag een bon-ton keuze bij veel moderne producenten. Hetzelfde gebeurt met andere protagonisten uit de blend, zoals Oseleta of Croatina. Uiteraard vallen deze wijnen niet langer onder de Valpolicella-appellatie maar onder de bredere Veneto IGT. Een evolutie om met open blik te volgen, al blijft de klassieke blend voorlopig onaantastbaar in haar balans.

De schaduw van de raaf

Hoewel we vaak kortweg spreken over Corvina, is de officiële benaming van deze druif Corvina Veronese. In sommige documenten verschijnt ook de aanduiding Corvina N, waarbij de N staat voor nero, een verwijzing naar de blauwe kleur van de druif.

De herkomst van de naam Corvina wordt meestal verklaard vanuit het Italiaanse woord corvo, wat raaf betekent. Dat verwijst naar de intens blauwzwarte kleur van de rijpe bessen. Er bestaat echter ook een alternatieve verklaring die verwijst naar het lokale dialect uit Verona. Het woord cruina betekent daar ‘onrijp’ of ‘laat rijpend’, wat perfect aansluit bij het feit dat Corvina een laatrijpende druif is, doorgaans pas geoogst in de derde tot vierde rijpingsperiode van het seizoen.

In de loop der tijd dook Corvina onder allerlei verschillende namen op. Soms ging het echt om dezelfde druif, soms om iets anders. Namen zoals Cruina, Corbina en Cassabria kwamen geregeld voor. Daarnaast zijn er ook varianten met gelijkaardige namen zoals Corvina Gentile, Corvinella, Corvina Rizza en Corvinone. Lange tijd dacht men dat dit allemaal verschillende druiven waren, of hoogstens variaties op éénzelfde soort.

Pas recent, dankzij DNA-onderzoek en gedetailleerde druivenstudies, is er duidelijkheid gekomen. Corvina Veronese blijkt een op zichzelf staande druif te zijn, genetisch verschillend van bijvoorbeeld Corvinone. De andere namen verwijzen meestal naar kleine verschillen in uitzicht of groeiwijze van planten binnen dezelfde familie, en worden tegenwoordig beschouwd als variaties of natuurlijke afsplitsingen van het originele type.

Van bijrol naar hoofdrol

De geschiedenis van Corvina gaat niet zo heel ver terug. Slechts mondjesmaat is er geschiedkundige informatie over te vinden. De oudste bekende verwijzing komt uit de zeventiende eeuw, toen Zerveri de Gatto melding maakte van een druif die opvallend veel gelijkenissen vertoont met wat we vandaag herkennen als Corvina Veronese. Toch bleef de druif lange tijd in de schaduw van andere lokale rassen en werd ze zelden afzonderlijk benoemd. Ze maakte deel uit van een bredere familie van rode druiven die in de regio rond Verona samen werden aangeplant en verwerkt, vaak zonder strikte naamgeving of duidelijke variëteitsherkenning.

Pas in de achttiende en negentiende eeuw verschenen er meer gestructureerde ampelografische beschrijvingen. Landbouwkundigen en botanici begonnen de druivensoorten nauwkeuriger te onderscheiden, waarbij Corvina geleidelijk een herkenbaar profiel kreeg. Toch duurde het tot de twintigste eeuw vooraleer haar identiteit als afzonderlijke variëteit formeel werd vastgelegd. In 1970 werd Corvina Veronese officieel opgenomen in het Italiaanse druivenregister.

De ware doorbraak kwam er met de evolutie van de Valpolicella-regio zelf. In de loop van de twintigste eeuw groeide de vraag naar kwaliteitswijnen en daarmee de behoefte aan druiven met karakter, structuur en bewaarpotentieel. Corvina bleek perfect aan die verwachtingen te voldoen. Haar frisse zuren, zachte tannine, aromatische precisie en geschiktheid voor appassimento-technieken maakten haar tot de logische ruggengraat van wijnen als Amarone, Recioto en later ook Ripasso.

Wat aanvankelijk een druif was onder velen, groeide uit tot het fundament van een van Italië’s bekendste wijngebieden. Vandaag wordt Corvina erkend als een sleutelvariëteit die bovendien ook een verdere toekomst mogelijk maakt, zowel in blends als in pure vorm.

Veneto rules

Corvina wordt vrijwel uitsluitend geteeld in de regio Veneto, met een sterke concentratie in de provincie Verona. Binnen deze provincie is de druif vooral aanwezig in het westen, op de heuvels tussen het Gardameer en de klassieke zone van Valpolicella. Hier, in de Valpolicella Classica, bereikt ze haar hoogste expressie. Ook in de uitgebreidere zones van Valpolicella is Corvina aanwezig, zij het iets minder prominent.

In het Bardolino-gebied, aan de zuidoostelijke kant van het Gardameer, speelt Corvina eveneens een hoofdrol. Ze vormt daar de basis van zowel rode als roséwijnen, vaak in lichtere stijl dan in Valpolicella. Ook in andere kleine DOC’s rond Verona duikt Corvina geregeld op, meestal in blends.

De aanplant van Corvina is in de voorbije decennia sterk gegroeid. In 1970 werd nog minder dan 4.000 hectare geregistreerd. Vandaag staat de teller op meer dan 7.500 hectare, waarvan het overgrote deel zich situeert binnen de appellaties Valpolicella en Bardolino.

Binnen die appellaties gelden duidelijke regels. In Bardolino moet Corvina minimaal 35 procent van de blend uitmaken, en dat aandeel kan oplopen tot 95 procent. Voor Valpolicella gelden gelijkaardige cijfers: een minimum van 45 procent en een maximum van 95 procent Corvina in de assemblage. In praktijk is het aandeel vaak nog hoger, zeker bij kwaliteitsgerichte producenten.

Corvina is vandaag officieel toegelaten binnen meerdere herkomstbenamingen. Onder de DOCG’s zijn dat Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore. Binnen de DOC’s zijn Valpolicella, Valpolicella Ripasso, Bardolino en Garda de voornaamste gebieden. Buiten deze beschermde oorsprongsbenamingen is Corvina ook erkend in diverse IGT’s, zoals Veneto, Trevenezie en Veronese, waar ze vaak als monocépage op de markt wordt gebracht.

Daarnaast is Corvina in beperkte mate toegestaan in enkele IGT’s buiten de provincie Verona. Zo laat de IGT Vallagarina, gelegen op de grens tussen Veneto en Trentino, formeel de aanplant van Corvina toe. Ook in enkele IGT-zones van Lombardije, zoals Alpi Retiche in de provincie Sondrio, is Corvina wettelijk toegelaten, al wordt ze daar in de praktijk nauwelijks aangeplant. In deze gebieden blijft de aanwezigheid van Corvina vooral symbolisch en beperkt tot kleinschalige of experimentele projecten.

Karakter in de wijngaard

Corvina is een krachtige groeier met een uitgesproken profiel in de wijngaard. De wijnstok is stevig opgebouwd, met een robuuste houtstructuur, opvallend lange tussenstukken tussen de knopen en krachtige knoppen. Het blad is middelgroot, vijf-lobbig met scherpe tanden, donkergroen aan de bovenzijde en licht behaard aan de onderkant. In de herfst kleuren de bladeren opvallend rood, een visueel kenmerk dat haar onderscheidt van andere variëteiten.

De trossen zijn middelgroot, compact en lopen licht taps toe. Vaak dragen ze een extra vleugel, wat in de volksmond Corvina doppia wordt genoemd. De bessen zijn middelgroot, ovaal en blauw-violet van kleur. Hun schil is dik en bezit een natuurlijke waslaag die bescherming biedt tegen uitdroging. Deze stevige schil is essentieel voor appassimento: ze voorkomt rot tijdens het drogen en draagt bij aan het behoud van aroma’s en zuren.

De pulp is sappig, zachtzoet en bevat meestal twee tot drie pitten. In de schil bevinden zich hoge concentraties aan polyfenolen en antioxidanten zoals resveratrol. Die maken de druif niet alleen resistenter tegen schimmels, maar ook interessanter voor producenten die zoeken naar structuur en bewaarpotentieel in hun wijn.

Corvina rijpt laat, doorgaans pas eind september of begin oktober. Dat betekent dat ze gevoelig is voor weersomstandigheden in de laatste groeifase. Om dit op te vangen, maken veel producenten gebruik van het traditionele Veronese pergola-systeem. Deze teeltwijze biedt schaduw, betere ventilatie en extra ondersteuning voor de relatief zware trossen. Ze helpt de rijping te vertragen en verhoogt tegelijk het gehalte aan kleurstoffen en fenolische stoffen in de druif. Het systeem vraagt wel meer arbeid en dus hogere productiekosten, maar wordt om zijn effectiviteit nog altijd veel toegepast.

Kortom Corvina staat er als een stevig geheel: een robuuste wijnstok met laat rijpende trossen, dikke schillen en een natuurlijke balans tussen aromatische finesse en structurele kracht. In de wijngaard toont ze geduld, maar wie dat geduld opbrengt, wordt beloond met een druif die bestand is tegen droogte, geschikt is voor droging en garant staat voor complexe, evenwichtige wijnen.

Stijl en expressie

Corvina levert een opvallend breed scala aan wijnstijlen, van lichtvoetige rosato tot krachtige Amarone. Haar ware kracht ligt in haar veelzijdigheid: ze past zich aan de vinificatiestijl aan, zonder haar karakter te verliezen.

Als zuivere variëteit of in frisse blends geeft Corvina een wijn met een helder robijnrode kleur. In de neus komen florale en kruidige aroma’s naar voren, met viooltjes, rozemarijn en een toets van balsamico. Op het palet domineren rijpe en zure kersen, soms aangevuld met braambes, kaneel of zwarte peper. De wijn is doorgaans hoog in zuren, met zachte tot medium tannine, en daardoor bijzonder geschikt voor wijnen met een zekere elegantie en lengte.

In haar jeugd toont Corvina zich vooral fruitig en levendig. Met wat flesrijping komen meer aardse en kruidige nuances naar boven, soms zelfs minerale of tertiaire aroma’s. Goed gemaakte Corvina’s kunnen verrassend goed ouderen, zeker wanneer ze met concentratie en zorg gevinifieerd zijn. Dit geldt zowel voor blends als voor monocépagewijnen.

De appassimento-techniek, waarbij de druiven worden ingedroogd, opent een heel ander spectrum. Tijdens dit gecontroleerde proces stijgt het gehalte aan glycerine en gluconzuur in de druif, wat zorgt voor een fluwelige structuur en een bijna romige mondgevoel. “Withering is not a simple dehydration,” zoals de literatuur het kernachtig samenvatte. Het is een geleidelijke metamorfose die rijkdom, diepte en souplesse oplevert.

Uit ingedroogde Corvina ontstaan twee iconische stijlen: Recioto en Amarone. Recioto is intens geurig, zachtzoet en fluweelachtig, met aroma’s van gedroogde bloemen, krenten, kruiden en cacao. Amarone is de gespierde tegenhanger: droog, vol, krachtig en complex, maar dankzij Corvina’s frisse zuren en zachte textuur nooit log. Beide stijlen hebben een indrukwekkend verouderingspotentieel en behoren tot de absolute top van wat Italië in rood te bieden heeft.

Naast deze grote wijnen zijn er ook lichtere stijlen waarin Corvina haar finesse toont. In Bardolino bijvoorbeeld speelt ze een hoofdrol in frisse rosato’s met knapperig rood fruit en levendige zuren. Ook mousserende versies bestaan, al blijven die zeldzaam en eerder regionaal van belang.

Wat al deze stijlen bindt, is de rol van Corvina als bron van spanning, elegantie en aromatische verfijning. Of ze nu jong, droog, zoet, krachtig of luchtig gevinifieerd wordt, haar signatuur blijft herkenbaar: kers, zuren, zachte tannine en een zekere ingetogenheid die met tijd alleen maar aan diepgang wint.

Een stille verschuiving

Laat ons het glas heffen met een heerlijke La Poja van Allegrini en klinken op de toekomst van Corvina: een druif met een dubbele ziel, tegelijk delicaat en krachtig, stevig verankerd in de Valpolicella, maar open voor de toekomst.

Toch plaatsen we een kanttekening waarmee we de brug maken naar ons volgende artikel. Terwijl Corvina terecht wordt gevierd als ruggengraat van Valpolicella, zien we dat Corvinone steeds vaker opduikt als interessante aanvulling binnen de blend.

Is er een machtsverschuiving aan de gang in de wijngaarden rond Verona? Niet meteen. Maar wie goed oplet in de kelders en proeverijen van vandaag, merkt dat Corvinone in stilte aan invloed wint. Misschien geen paleisrevolutie, maar wel een stille herwaardering.

Volgende keer nemen we Corvinone onder de loep: de druif die ooit in de schaduw van Corvina leefde, en stilaan haar eigen stempel begint te drukken.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse

Fiano di Avellino: Een onverwachte liefde

Tot voor kort dacht ik stellig dat Greco mijn favoriete witte druif uit Campania was. Karaktervol, met pit en een duidelijke signatuur. Fiano leek me altijd net iets te gereserveerd. Tot ik in Irpinia belandde. Daar proefde ik de Fiano in zijn natuurlijke habitat, en eerlijk, het was een openbaring. Fiano bleek veel meer dan ik verwacht had: verfijnd, gelaagd en allesbehalve terughoudend.

Een oude nobele dame, diep geworteld in Irpinia

Fiano behoort tot de oudste druivenrassen van Italië. De oorsprong ligt in de heuvelachtige streek rond het dorp Lapio, in het hart van Irpinia. Daar, op de kleirijke bodems en onder invloed van het koele binnenlandse klimaat, ontwikkelde de druif het profiel waarmee ze vandaag nog altijd uitblinkt: elegant, complex en nooit overdadig.

De eerste schriftelijke vermeldingen van Fiano dateren al uit de 12de eeuw. Haar naam zou afgeleid zijn van ‘Apiana’, een verwijzing naar de bijen die zich aangetrokken voelden tot het zoete sap van de bessen. Andere bronnen spreken dan weer over ‘Latina’, wat mee verklaart waarom ze ook opdook onder synoniemen als Latina Bianca, Uva Latina of Santa Sofia. Die variatie aan benamingen, gecombineerd met haar genetische verwantschap aan andere oude rassen zoals Greco, heeft lang voor verwarring gezorgd. Maar recent genetisch onderzoek laat weinig twijfel: Fiano heeft een duidelijk eigen identiteit.

Toch hing haar voortbestaan aan een zijden draadje. De druifluis, twee wereldoorlogen en een tanende belangstelling voor traditionele druivenrassen deden Fiano bijna verdwijnen. Het was Antonio Mastroberardino die haar na de Tweede Wereldoorlog uit de vergeethoek haalde. Hij herplantte haar op de oorspronkelijke gronden rond Avellino en legde zo de basis voor wat vandaag bekendstaat als Fiano di Avellino DOCG. Dankzij zijn visie en volharding kreeg deze vergeten druif opnieuw een toekomst.

Binnen die appellatie zijn enkele gemeenten en wijngaardzones uitgegroeid tot referentie. Montefredane, Summonte en natuurlijk Lapio zelf leveren steevast wijnen met precisie en diepgang. Maar het is het kleine gehucht Arianiello, net boven Lapio, dat door kenners vaak als het ultieme Fiano-terroir wordt gezien. Niet toevallig liggen hier de wijngaarden van topproducenten zoals Colli di Lapio. De combinatie van grote hoogte, een oostelijke expositie, sterk kleihoudende bodems en constante luchtcirculatie zorgt er voor een optimale rijping. De druiven krijgen er overdag voldoende zon en koelen ’s nachts sterk af, wat de aroma’s scherp houdt en de zuren bewaart. Die spanning tussen rijpheid en frisheid levert Fiano op zijn best.

Dankzij dat microklimaat en de ondergrond ontwikkelt Arianiello-Fiano een uitgesproken structuur, met aroma’s die van florale subtiliteit evolueren naar vuursteen en bijenwas na enkele jaren op fles. Het zijn wijnen die zowel jong als gerijpt indruk maken, met een transparantie en lengte die zelden geëvenaard worden.

Wispelturig maar weerbaar in de wijngaard

Deze druif is best een nukkige dame en wie Fiano in de wijngaard wil temmen, moet van goede huize zijn. Fiano is een laatbloeier, met een groeicyclus die zich uitstrekt tot laat in september of zelfs oktober. Ze gedijt bij voorkeur op hoogte, zoals in de heuvelachtige zones van Irpinia. Daar zorgen de combinatie van vulkanische bodems, koele nachten en warme dagen voor een langzame en gelijkmatige rijping. Ideaal voor de ontwikkeling van haar aromatische precisie.

De standplaats is cruciaal: oriëntatie, luchtcirculatie en drainage maken het verschil tussen een vlakke wijn en een dragende wijn. In regio’s zoals Lapio en specifiek het gehucht Arianiello, komt Fiano volledig tot haar recht. Kleihoudende gronden zorgen daar voor grip en structuur, terwijl het frisse microklimaat haar elegantie bewaart.

De plant zelf is krachtig en expansief. De vegetatie groeit fors, met lange ranken en stevige houtstructuren. Een doordachte snoei is essentieel om haar groeikracht te temperen en de kwaliteit te bewaken.
De druif is best wel gevoelig voor ziektes als peronospora en oidium, vooral rond de bloei, wanneer de jonge trossen bescherming nodig hebben. Ze vraagt dus om een zorgvuldige aanpak in de wijngaard.

Gelukkig heeft ze ook troeven. De druiven hebben een stevige, leerachtige schil, die bescherming biedt tegen botrytis en helpt om de trossen gezond te houden tijdens de lange rijpingsperiode. Dat maakt Fiano opmerkelijk geschikt voor laat geoogste stijlen, zonder risico op rot of verlies aan frisheid. In droge, goed doorlatende bodems produceert ze minder fruit, maar wel druiven met meer concentratie en aromatische kracht.

Fiano levert compacte trossen van kleine tot middelgrote omvang, meestal piramidaal van vorm met een uitgesproken zijvleugel. De bessen zijn middelgroot, ovaal en goudgeel met een vleugje amber aan de zonzijde. Het sap is kleurloos, de smaak mild zoet met een licht krokante textuur. In de kelder betekent dit: veel vrijheid. Fiano laat zich vinifiëren in uiteenlopende stijlen, van strak mineraal tot rijk en romig, zelfs houtgelagerd of als passito. Zonder haar kern te verliezen.

Fiano is dus wispelturig in de wijngaard, maar wie haar leert kennen en begrijpt wat ze nodig heeft, wordt beloond met wijnen die méér doen dan plezieren. Ze weerspiegelen het landschap waaruit ze komen: precies, complex en altijd met karakter. En dat maakt haar tot een van de meest intrigerende witte druiven van Zuid-Italië.

In het glas: ingetogen complexiteit

Verwacht geen tropische fruitbom, geen overdreven aromatische intensiteit. Wat je wél krijgt, is een verfijnde structuur, een subtiel geurenspectrum en een opmerkelijke evolutie in het glas én in de fles.

Bij het inschenken toont Fiano zich lichtgeel, vaak met een wat groenige schijn. De eerste indrukken in de neus zijn floraal: acacia, jasmijn en lindebloesem domineren. Daaronder ligt een laagje fris wit fruit, meestal peer en groene appel, dat de wijn een jeugdige levendigheid geeft.

Fiano bezit een vermogen om zich fantastisch te ontwikkelen. Met wat flesrijping schuiven de aroma’s langzaam op richting amandel, hazelnoot, bijenwas en acaciahoning. Die aromatische verdieping gaat samen met een verandering in textuur: het mondgevoel wordt zachter, voller, romiger, zelfs licht olieachtig, maar zonder in logheid te vervallen. De wijn behoudt haar frisheid dankzij haar natuurlijke zuren, die haar ruggengraat vormen.

Bij oudere Fiano’s treden tertiaire tonen op de voorgrond. Rook, vuursteen, een hint van toast. Weliswaar nooit dominant, altijd in balans. Deze evolutie maakt Fiano niet alleen verrassend complex, maar ook geschikt voor flesrijping. Tien jaar is geen uitzondering, en wie geduld heeft, wordt beloond met een witte wijn die spanning, gelaagdheid en finesse combineert.

De hazelnoottoets: signatuur of subtiele schim?

Elk artikel dat je er over Fiano op naslaat komt terug op dat ene aspect dat typisch zou zijn voor een Fiano wijn, namelijk hazelnoot. Meer bepaald zou er bij gerijpte exemplaren een subtiele hazelnoottoets kunnen optreden. Deze aanwezigheid van geroosterde hazelnoot zit dan vooral in het aromaprofiel. Er zijn, zoals dat dan gaat, onderzoeken naar gevoerd en tijdens een sensorische analyse van tien Fiano-wijnen door zestig ervaren proefpanelleden, werd hazelnoot als geurcomponent consistent waargenomen. Weliswaar niet als dominant kenmerk, maar als element van complexiteit.

Die toets van ‘nocciola tostata’ is wat Fiano onderscheidt van veel andere witte druivenrassen. Ze verschijnt vaak samen met tertiaire aroma’s zoals bijenwas, honing en vuursteen, en draagt bij aan de herkenbaarheid van de druif na flesrijping. Voor sommigen is het net die hazelnoottoets die Fiano zijn typisch ‘volwassen’ karakter geeft.

Veelzijdigheid op tafel én in stijl

Fiano is niet in één stijl te vatten. Hoewel ze doorgaans droog en stil gevinifieerd wordt, vertoont ze een indrukwekkend palet aan stijlen. Afhankelijk van terroir, rijpingsgraad en vinificatietechniek beweegt Fiano zich moeiteloos tussen fris en lineair tot vol, gestructureerd en krachtig. Wat haar verbindt over die variatie heen, is een zekere ingetogen klasse die steeds de nodige complexiteit zal vertonen.

De jeugdige Fiano toont zich levendig en verteerbaar. Hier draait het om mineraliteit, frisse zuren en citrusachtige spanning, ideaal bij lichte mediterrane gerechten zoals vis, schaal- en schelpdieren, zomerse salades of antipasti met een zuurtje. Dankzij haar florale kant en haar gecontroleerde fruitigheid voelt ze zich ook prima thuis bij gerechten op basis van tomaat of met een kruidige toets. Zelfs een pittige bouillabaisse krijgt er een elegante partner bij.

Wanneer de wijn wat ouder is of afkomstig uit meer kleihoudende terroirs zoals Lapio of Arianiello, verandert haar rol aan tafel. Dan schuift Fiano op richting gevogelte, kalfsvlees of zelfs een sappige varkenskarbonade. De extra textuur, een vettiger mondgevoel en tertiaire aroma’s zoals hazelnoot, bijenwas en rook maken haar tot een witte wijn met de draagkracht van een rode.

Naast de droge varianten zijn er ook zoetere interpretaties. Zowel laat geoogste Fiano als passito wijnen, waarbij de druiven ingedroogd worden, leveren een geconcentreerd resultaat met honingachtige tonen, maar zonder hun elegantie te verliezen. Deze stijlen zijn zeldzamer, maar tonen des te meer de mogelijkheden van de druif.

DOCG Fiano di Avellino en verder

Hoewel Fiano di Avellino het bekendst is, wordt de druif ook elders in Italië aangeplant. Daar, in het heuvelachtige hart van Irpinia, liggen zowel haar historische wortels als haar hoogste expressie. De herkomstbenaming Fiano di Avellino DOCG geldt dan ook terecht als het referentiepunt.

Ook buiten de DOCG duikt Fiano op in diverse appellaties in Campanië, zoals Irpinia DOC, Cilento DOC en Sannio DOC. In Puglia wordt ze verbouwd onder de naam Fiano Minutolo. Deze is genetisch verwant, maar aromatisch heel anders, vaak expressiever en floraler van stijl. Op Sicilië wordt Fiano ingezet in onder meer Contessa Entellina DOC en Sicilia DOC, waar ze in een rijpere, warmere gedaante verschijnt.

Toch blijft Fiano di Avellino dé maatstaf. Niet alleen vanwege het terroir, maar ook door de wijnmakers die er de afgelopen decennia hun stempel op hebben gedrukt. Namen als Mastroberardino, Ciro Picariello, Pietracupa, Villa Diamante, Villa Raiano en Feudi di San Gregorio hebben elk hun eigen interpretatie, van strak mineraal tot rijp en houtgelagerd. Aan dat rijtje mogen zonder twijfel ook Colli di Lapio en Rocca del Principe worden toegevoegd. Beide producenten leveren jaar na jaar wijnen met precisie, diepgang. Hun wijngaarden liggen in het centrum van Arianiello en dat proef je gewoonweg. De kwaliteit spat ervan af.

Tot slot: een druif herbekeken

Mijn bezoek aan Irpinia heeft mijn kijk op Fiano grondig veranderd. Waar ik jarenlang zonder veel twijfel naar Greco greep, heeft Fiano zich daar van een andere, rijkere kant laten zien. Het is duidelijk een druif met een eigen profiel: zuiver, genuanceerd en met een opmerkelijk verouderingspotentieel.

Wat me vooral is bijgebleven, is hoe scherp de rol van terroir tot uiting komt. De hoogte, de bodems, het microklimaat. Dit blijken geen losse elementen te zijn maar bouwstenen die Fiano maken tot wat ze kan zijn. En dan heb je nog de wijnmakers die haar potentieel lezen en vormgeven, elk op hun manier.

Fiano is voor mij geen ontdekking in de zin van iets nieuws, maar een correctie van een onderschatting. Vanaf nu krijgt deze druif de aandacht die ze verdient. En ja, die fles Fiano di Avellino zal voortaan niet meer onopgemerkt naast de Greco blijven staan. Integendeel.

Lagrein: Als ik een druif was, was ik deze

Tijdens een lesmoment in onze opleiding tot Italian Wine Ambassador kregen we plots die onschuldige maar alleszeggende vraag: “Als je een druif was, welke zou je dan zijn?” Sommigen speelden op veilig met een Nebbiolo of Sangiovese. Begrijpelijk. Grote namen, iconisch bijna. Maar ik niet. Voor mij was het meteen duidelijk: Lagrein. Geen twijfel mogelijk. Niet de populairste, niet de makkelijkste, maar eentje met karakter. Een druif die geduld vraagt, koppig kan zijn, en zich alleen laat kennen aan wie moeite doet.

Niet overtuigd? Een oude vriend schreef ooit een gedicht over deze druif. Licht absurd, maar verrassend raak. Het bleef me altijd bij. Misschien omdat het onbedoeld precies vangt wat Lagrein is: tegendraads, uitgesproken en verrassend veelzijdig.

(de man, argeloze amateur)
-Zei de man, de stem vol venijn-:
“Wat rijmt er op Migraine?
Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!”

(het koor, boos):
Ach man, stop dat gedaas, zo vilein:
Lagrein, da’s pas goede wijn!
Geschikt voor feest of festijn
Het marineren van een konijn
Een ree of een everzwijn
Maar geenszins brasem of tonijn!
Ga heen, los op of verdwijn
En sidder thans van spijt en chagrijn!

(de man, ontzet en berouwvol)
Komaan, komaan, ’t was maar voor de gein
Schenk vol die pul en wel met wijn
Niet met Pinot Blanc, Pinot Noir noch Savagnin
Maar wel met Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!

Een karakterdruif die vraagt om geduld

Lagrein is geen allemansvriend. Hij vraagt de nodige aandacht en een benadering die rekening houdt met zijn eigen ritme. Zijn uitgesproken karakter komt pas echt tot zijn recht wanneer zowel de wijngaard als de wijnmaker hem de juiste condities bieden. In rijke, vochtige bodems verliest hij zijn focus. In warme, stenige hellingen met een goede drainage zoals de grindrijke terrassen van Gries in Bolzano voelt hij zich wél thuis. Daar groeit hij beheerst, met diepe wortels en een natuurlijke beperking in opbrengst, wat resulteert in compacte trossen en fruit dat niet alleen intens is, maar ook gebalanceerd.

Maar ook in de kelder moet je hem ruimte geven. Lagrein laat zich niet dwingen. Een te harde hand bij de extractie maakt hem stroef en onvriendelijk. Wordt hij te licht aangepakt, dan mist hij structuur en expressie. Bottel je hem te vroeg, dan krijg je brute kracht zonder finesse. De sleutel ligt bij wijnmakers die weten wanneer ze moeten ingrijpen en wanneer net niet. Geen trucjes of technologie, maar ervaring, vakmanschap en vooral: geduld.

Dat geduld wordt beloond. Wie Lagrein de tijd geeft om te rijpen, ontdekt een wijn die van hoekig naar harmonieus evolueert. In zijn jeugd kan hij ruw overkomen, koppig bijna. Maar geef hem wat jaren in hout en fles, en je proeft een fluweelzachte gelaagdheid die contrasteert met zijn donkere kracht. Het is die combinatie van densiteit en finesse die Lagrein zo fascinerend maakt. Hij is niet direct verleidelijk, maar op de lange termijn vaak onvergetelijk.

Juist omdat hij niet makkelijk is, past Lagrein ook niet in elke stijltrend of marketingverhaal. Hij is een druif met een uitgesproken identiteit, met een zekere onverzettelijkheid. En net daarom wordt hij gewaardeerd door wie zoekt naar wijnen met inhoud, die nieuwsgierig blijven naar alternatieven voor de bekende paden.

Lagrein blijft trouw aan zijn oorsprong, aan zijn temperament en aan zijn traagheid. Hij is geen wijn voor ongeduldige mensen, maar voor wie durft te wachten. Geen vluchtige flirt, maar een volwaardige relatie.

Een druif van goede komaf

Lagrein draagt zijn geschiedenis met trots, en die geschiedenis reikt verder dan vaak wordt gedacht. De oudst bekende schriftelijke vermeldingen dateren uit de 16e eeuw, toen de druif al duidelijk aanwezig was in Zuid-Tirol. Maar zijn verhaal begon mogelijk nog veel eerder. Sommige bronnen suggereren een etymologische link met Lagaria, een antieke Griekse nederzetting in Zuid-Italië. Of dat effectief de oorsprong is, blijft onzeker, maar de suggestie alleen al wijst op een lange, bijna mythische voorgeschiedenis. In elk geval is het duidelijk: Lagrein is geen nieuwkomer in het Italiaanse wijnlandschap, maar een vaste waarde met diepe wortels in de alpine cultuur.

Wat we intussen met meer zekerheid kunnen stellen, is dat Lagrein thuishoort in een cluster van oude Noord-Italiaanse druivenrassen die genetisch met elkaar verbonden zijn. Hij wordt beschouwd als een afstammeling van Teroldego, een krachtige, aromatische druif uit Trentino, en vertoont genetische verwantschap met onder meer Marzemino, Schiava Gentile en zelfs Pinot Nero en Syrah. Het is een indrukwekkende afstamming, die meteen ook de complexiteit, kracht en structuur van Lagrein verklaart. Maar zijn precieze familiegeschiedenis, inclusief onverwachte connecties, behandelen we later in dit artikel in een apart hoofdstuk over zijn stamboom.

Lagrein was in zijn thuisstreek altijd al een wijn van aanzien. Zo wordt in historische documenten uit 1370 vermeld dat keizer Karel IV het schenken van Lagrein aan soldaten verbood. Niet uit bezorgdheid over hun gezondheid, maar omdat de wijn als te kostbaar en verfijnd werd beschouwd voor het gewone voetvolk. Alleen geestelijken en de elite mochten zich eraan tegoed doen. Een vroeg bewijs van zijn status als wijn van kwaliteit.

Door de eeuwen heen bleef Lagrein een vaste waarde in Zuid-Tirol, met Bolzano, en in het bijzonder de wijk Gries, als centrum van zijn reputatie. Zijn populariteit kende ups en downs, met een heropleving in de late 20e eeuw, toen men opnieuw aandacht kreeg voor authentieke, lokale rassen met karakter en historie.

Zijn plaats in het Italiaanse wijnlandschap

Lagrein is stevig verankerd in het noorden van Italië, en dan vooral in de regio Trentino-Alto Adige. Binnen dat gebied zijn het voornamelijk Bolzano, Gries, Mezzolombardo, Cembra en de Valle dei Laghi die uitgroeiden tot kernzones voor zijn aanplant. Vooral Gries, een wijk in Bolzano, wordt nog steeds beschouwd als het epicentrum van kwaliteit. Daar, op rivierterrassen langs de Talvera, met een bodem vol grind en stenen, voelt Lagrein zich perfect thuis. De warme dagen en koele nachten zorgen voor een langzame, evenwichtige rijping. Maar terroir alleen is niet genoeg: het zijn de generaties wijnbouwers die hem hebben grootgebracht met geduld, precisie en een scherp oog voor detail, die het verschil maken.

Met ongeveer 650 hectare aanplant is Lagrein vandaag, met 9% van de aanplant, de tweede meest aangeplante rode druif in Alto Adige, net na Pinot Nero. Hij wordt zowel als monocépage gebruikt als in blends, vaak met Schiava, om zijn kracht te verzachten en zijn toegankelijkheid te vergroten. Toch staat hij ook op zichzelf sterk, met een herkenbare signatuur die nergens anders in Italië zo uitgesproken tot uiting komt.

Lagrein is erkend in meerdere herkomstbenamingen. Hij is officieel opgenomen in de DOC’s Alto Adige Lagrein, Trentino Lagrein, Valdadige/Etschtaler en Casteller. Daarnaast is hij toegestaan in diverse IGT’s, verspreid over Noord-Italië, waaronder Vigneti delle Dolomiti, Vallagarina, Mitterberg, Sebino, Alto Mincio, en zelfs delen van Lombardije en Veneto. Deze aanwezigheid buiten zijn kernregio is vaak beperkt in schaal en blijft doorgaans experimenteel of nichegericht, maar bevestigt wel zijn potentieel in verschillende microklimaten.

Ampelografie: het portret van een druif

Voor wie houdt van de details achter het glas: Lagrein is niet alleen een wijn met karakter, maar ook een druif met een uitgesproken profiel in de wijngaard. Zijn morfologische en fenologische eigenschappen maken hem zowel uitdagend als fascinerend voor wijnbouwers.

Lagrein is een vitale, krachtig groeiende druif met een robuuste stam en lange, weinig vertakte scheuten. Hij wordt vaak geleid volgens traditionele systemen zoals de pergola, en vraagt om langere snoei. De productie kan royaal zijn, maar is allesbehalve stabiel. In vochtige lentes is hij gevoelig voor colatura (bloesemval) en filatura (onvolledige vruchtzetting), wat de opbrengst grillig maakt. Ook waterbeheer speelt een grote rol: hij verdraagt matige droogte goed, maar vraagt controle om te vermijden dat de groeikracht ten koste gaat van de druifkwaliteit.

Lagrein stelt duidelijke eisen aan zijn omgeving. Hij houdt van warmte, maar niet van overdaad. Zijn voorkeur gaat uit naar stenige, goed drainerende bodems met lage vruchtbaarheid. Zoals de alluviale terrassen van Gries in Bolzano. Die arme gronden zorgen voor natuurlijke opbrengstbeperking, waardoor de plant zich concentreert op kleine, intens smakende druiven. In combinatie met warme dagen en koele nachten ontwikkelen de bessen hun typische frisheid en krachtige structuur.

In zijn vegetatieve cyclus behoort Lagrein tot de later ontwikkelende rassen. Hij loopt gemiddeld laat uit, bloeit rond het midden van het seizoen, en bereikt zijn rijpheid meestal half oktober. Die lange rijpingstijd vraagt om een stabiel klimaat met voldoende nazomerse warmte. De herfstkleur van de bladeren is opvallend roodbruin, wat hem in het najaar ook visueel onderscheidt in de wijngaard.

Het blad is middelgroot tot groot, pentagonaal en meestal trilobaat, met een donkergroene, matte bovenzijde en een licht behaarde onderzijde. De trossen zijn klein tot middelgroot, piramidaal van vorm, meestal compact en vaak met één of twee kleine ‘vleugels’. De bessen zelf zijn ovaal, gemiddeld van grootte, met een dikke, blauwzwarte schil. De pulp is neutraal van smaak, licht zuur en kleurloos, maar de schil is rijk aan anthocyanen zoals malvin en delphin. Deze hoge kleurintensiteit is wat Lagrein zijn iconisch diepe kleur geeft, die soms bijna inktachtig overkomt.

Lagrein is volledig zelfbestuivend, wat de opbrengst onder ideale omstandigheden voorspelbaarder maakt. Zijn weerstand tegen ziektes is gematigd: hij is gevoelig voor echte en valse meeldauw, maar relatief goed bestand tegen botrytis. Een aandachtige wijngaardzorg is dus onmisbaar.

Herkomst: een familie vol karakter

Wie Lagrein zegt, zegt Zuid-Tirol of Trentino. Maar achter deze druif schuilt meer dan een geografische oorsprong. Dankzij modern DNA-onderzoek en ampelografische studies weten we vandaag dat Lagrein geen geïsoleerde variëteit is, maar het product van een rijke, genetisch verweven familiegeschiedenis.

Centraal in die stamboom staat Teroldego, een nobele druif uit Trentino, bekend om zijn donkere kleur, aromatische kracht en robuuste structuur. Teroldego wordt algemeen erkend als een van de directe ouders van Lagrein, en verklaart een groot deel van zijn krachtige profiel. De tweede ouder is minder precies geïdentificeerd, maar er zijn sterke vermoedens dat het gaat om een variëteit verwant aan Marzemino. Eveneens een historische druif uit Noord-Italië.

De genetische verwantschap stopt daar niet. Lagrein blijkt ook verbonden met druiven als Schiava Gentile en Pinot Nero, wat zijn aromatische finesse en zuurgraad mee helpt verklaren. Verder in zijn uitgebreide stamboom duiken verrassend genoeg ook internationale namen op zoals Syrah, Refosco dal Peduncolo Rosso en zelfs Dureza, één van de ouders van Syrah. Dit wijst op genetische raakvlakken tussen Lagrein en enkele van de belangrijkste Europese druivenrassen.

Lagrein is dus geen toeval, geen vergeten druif die uit het niets opdook. Hij is het resultaat van eeuwen natuurlijke kruisingen tussen druiven met karakter, die samen een ras hebben voortgebracht dat stevig, diep en complex is. Geen wonder dus dat hij zich niet meteen blootgeeft. Maar wie bereid is om hem te leren kennen, ontdekt een druif met een stamboom waar je u tegen zegt.

De K3 van Lagrein bestaat uit: Kracht, kleur en karakter

Lagrein is geen makkelijke druif. Hij laat zich niet dwingen en straft ongeduld onverbiddelijk af. Wie hem te snel vinifieert, krijgt een rustieke wijn met scherpe randjes, hoekig en onevenwichtig. Maar wie zijn tijd neemt, zijn ritme respecteert en de juiste aanpak kiest, wordt beloond met iets zeldzaams: een wijn die kracht en finesse combineert, intens is zonder zwaar te worden, gelaagd zonder ondoorgrondelijk te zijn.

De Lagrein Dunkel is het vlaggenschip van de variëteit. Deze donkerrode wijn is vol, vlezig en stevig van structuur. Zijn tannine zijn uitgesproken aanwezig, maar goed rijpend en bij de juiste vinificatie fluwelig in plaats van stroef. In het glas toont hij zich krachtig: robijn tot paars van kleur, met een sappige textuur, een uitgesproken zuurtegraad en een lange afdronk. Dit is geen wijn voor tussendoor, maar een met inhoud, die zich traag opent en lang blijft hangen.

Weinig druiven hebben zo’n opvallend visueel profiel als Lagrein. De schil is rijk aan anthocyanen, wat de iconisch diepe kleur van Lagrein verklaart. Die hoge concentratie anthocyanen zorgt voor een diepe, haast inktachtige kleur. Zelfs bij beperkte schilweking blijft de wijn intens gekleurd, wat hem niet alleen visueel aantrekkelijk maakt, maar ook stevig en structuurvol. De kleur is dus geen façade, maar een voorbode van wat nog komt.

Wat Lagrein écht uniek maakt, is zijn aromatisch profiel. In de Dunkel vinden we aroma’s van viooltjes, zure kersen, rode pruimen, cassis, laurier, cacao, drop en bosgrond. In gerijpte versies kunnen daar toetsen van vanille of zelfs pure chocolade bij komen. De stijl varieert van krachtig en gespierd tot complex en elegant, afhankelijk van de vinificatie en rijping. Maar altijd is er die herkenbare combinatie van zuren, tannine en diepgang.

En dan is er nog zijn lichtere kant: de Lagrein Kretzer. Dit is de roséversie van Lagrein, traditioneel gemaakt via korte schilweking. Kretzer is minder complex, maar allerminst banaal. Hij legt de nadruk op fruit, fraîcheur en levendigheid, met tonen van aardbei, rode bes en soms een kruidige toets. Lichtvoetiger dan de Dunkel, maar met dezelfde herkenbare signatuur.

Riserva: the best of the best!

Lagrein is op zichzelf al een wijn met kracht en karakter, maar wanneer je een fles Riserva in handen hebt, weet je dat je een niveau hoger speelt. Dit zijn geen snelle flessen voor impulsieve drinkmomenten, maar doordachte wijnen waar de producent zijn beste druiven, grootste zorg en langste rijpingstijd aan heeft toevertrouwd.

Wat een Lagrein Riserva onderscheidt, begint al in de wijngaard. Voor deze wijnen worden bijna uitsluitend druiven van oudere stokken gebruikt. Die wortelen dieper, leveren minder maar geconcentreerder fruit, en geven druiven met meer diepgang en balans. De trossen zijn kleiner, de bessen dikker, met een rijkere schilstructuur en meer fenolische kracht. Dat proef je onmiddellijk: het sap is intenser, complexer en krachtiger.

Ook in de kelder wordt niets aan het toeval overgelaten. Riserva-wijnen ondergaan doorgaans een langere rijping, vaak op grote houten fusten of barriques. Die extra tijd op hout en later op fles zorgt voor zachtere tannine, een betere integratie van aroma’s en een gelaagde structuur die pas na enkele jaren volledig tot zijn recht komt. De stijl verschuift van uitbundig fruit naar diepte en nuance: rijpe pruimen, donkere chocolade, grafiet, balsamico en een minerale ondertoon die lang blijft hangen.

Een Lagrein Riserva is geen drinkwijn voor elke dag, maar een begeleider van gerechten met inhoud: wild, stoofpotten met paddenstoelen, bosduifjes of een stevig stuk lamsvlees. Gerechten met structuur, weerhaakjes en kracht, net als de wijn zelf.

Een druif voor de doorzetter

Lagrein is koppig, intens en heeft tijd nodig om te bloeien. Maar geef hem die tijd, en je krijgt er rijkdom en finesse voor terug. Het is een druif voor mensen die geen zin hebben in oppervlakkige pleasers. Voor wie gelooft dat karakter boven charme gaat. En dat een goed gesprek pas begint nadat de eerste indruk is weggeëbd.

Dus ja, als ik een druif was, dan was ik Lagrein. Geen allemansvriend, maar wel eentje waar je op kunt bouwen.

Schioppettino: De Peperknal uit Friuli

Of: hoe een vergeten druif, een podcast met Petrussa en een snufje rotundone een stille revolutie in je glas ontketent

Laat me je meenemen naar een podcast die ik recent beluisterde, waarin de Friuliaanse wijnmaker Vigna Petrussa openhartig sprak over één van de spannendste druiven van Noord-Italië: Schioppettino. De passie waarmee ze vertelden over hun wijnstokken, de bodem van Prepotto, en de mysterieuze geurcomponent rotundone, die geur van gemalen zwarte peper in je glas, was zo aanstekelijk dat ik meteen het diepe indook in deze druif met een tumultueus verleden en een hopelijk sprankelende toekomst.

Wat Shakespeare voor toneel is, is Schioppettino voor Friuli

Elke regio heeft zijn grote verteller. Voor toneel was dat Shakespeare: meester van dramatische wendingen met diepgravende karakters en verhalen die eeuwenlang blijven hangen. Voor Friuli is dat, zij het in vloeibare vorm, Schioppettino. Een druif die alle elementen van een goed drama bevat: een glorieuze oorsprong, tragisch verval, onverwachte comeback en een hedendaagse cultstatus.

Schioppettino, ook bekend als Ribolla Nera of in het Sloveens Pokalza, is geen doorsnee druif. Ze is temperamentvol, lastig in de wijngaard en zeker geen allemansvriend. Maar net als bij een Shakespeareaanse held, ligt haar kracht juist in die gelaagdheid. De druif werd al in de 13e eeuw verbouwd in het oosten van Friuli, langs de grens met Slovenië. Vooral in het dal van de Judrio-rivier, rond de dorpen Prepotto, Cialla en Albana, vond ze haar natuurlijke habitat. Daar, in de koele, goed geventileerde microklimaten op mergelbodems (ponca), kon ze schitteren.

Maar het ging mis!

In de 19e eeuw werd Schioppettino zwaar getroffen door de ziektes oidium en phylloxera. Wat volgde was geen pauze, maar een bijna definitieve exit. In de 20e eeuw was er geen plaats meer voor grillige druiven met lage opbrengsten. Consistentie en commercie waren koning. Zo verdween Schioppettino uit de wijngaarden en letterlijk ook van de radar: in 1970 haalde ze het niet eens tot de officiële lijst van toegestane druiven in de nieuwe Colli Orientali del Friuli DOC.

In 1978 volgde de reïncarnatie. Dankzij een paar koppige, visionaire wijnboeren in Prepotto, onder wie de familie Petrussa, werd Schioppettino opnieuw aangeplant. Niet omdat het moest, maar omdat het mócht. De wet werd aangepast, de druif werd gerehabiliteerd. Van obscure overlevering keerde ze terug als regionale ster.

De naam zelf is al pure poëzie: Schioppettino is afgeleid van het Italiaanse schioppare, ‘knappen’ of ‘ploffen’, een verwijzing naar het knapperige mondgevoel van de druif, de licht bruisende wijnen van vroeger, of misschien wel naar het onverwachte vuurwerk aan kruidigheid en zuren in het glas.

Vandaag de dag wordt Schioppettino weer gezien als een van dé identiteitsdragers van Friuli. Niet zomaar een lokale variëteit, maar een druif die met elegantie én karakter een compleet wijnverhaal vertelt.

Waar groeit de druif dan?

Als Schioppettino het hoofdpersonage is in het Friuliaanse wijnverhaal, dan is het toneel waarop hij schittert zonder twijfel de regio rond Prepotto, in de provincie Udine, vlak tegen de Sloveense grens. Hier, in een heuvelachtig landschap dat doet denken aan Toscane vóór het massatoerisme, is de druif in haar element. Geen glitter en glamour, maar een decor van oude stenen muren, mistige ochtenden en ponca-bodem: broze mergel die afbrokkelt onder je voeten en tegelijk de ruggengraat vormt van enkele van de meest karaktervolle wijnen van Italië.

Schioppettino is hier weer helemaal terug van weggeweest, en hoe! In topappellaties zoals Colli Orientali del Friuli en Friuli Isonzo is ze niet langer een verdwaalde bijrolspeler, maar mag ze in volle glorie optreden: in purezza, dus als monocépage, zonder blends, zonder trucjes. Gewoon druif, terroir en de wijnmaker als gids.

Maar laat je niet misleiden door die wederopstanding: Schioppettino is allesbehalve makkelijk. Warmte ligt haar niet want in hete jaren verliest ze haar finesse. Ze is gevoelig voor millerandage (ongelijke rijping binnen één tros), voor ziektes zoals peronospora, en stelt hoge eisen aan haar ondergrond. Die moet bestaan uit ponca, een gelaagde mix van zandsteen en kalkhoudende klei, die water goed afvoert en tegelijk mineralen vasthoudt. Combineer dat met constante ventilatie en een breed temperatuurverschil tussen dag en nacht, en je krijgt precies wat deze druif nodig heeft om te schitteren.

Dat verklaart waarom je haar vooral vindt in dorpen zoals Prepotto, Albana en Cialla. Elk van deze zones geeft een ander karakter aan de wijn:

  • Prepotto en Albana liggen in iets warmere microklimaten. Hier levert Schioppettino wijnen op met meer rijp fruit, vollere body en uitgesproken aromatische intensiteit. Perfect voor wie houdt van structuur en geurige kracht.
  • Cialla, daarentegen, is koeler en hoger gelegen. De wijnen van hier zijn strakker, slanker en frisser, met meer nadruk op zuren en finesse. Ze zijn verfijnd, bijna Bourgondisch in hun elegantie, en kunnen prachtig ouderen.

Wat overal hetzelfde blijft? Dat typische kruidige, bijna nerveuze karakter van Schioppettino. Maar het is het samenspel tussen druif en plek dat elke fles uniek maakt. Dit is terroir in zijn puurste vorm.

De plant: een gespierde druif met elegantie

Als je Schioppettino zou tekenen als stripfiguur, zou het een soort gespierde acrobaat zijn met een fluwelen cape. Stoer, veerkrachtig, maar verrassend verfijnd als je dichterbij komt.

De trossen zijn groot, langwerpig en vaak cilindrisch van vorm, soms voorzien van een eigenzinnig ‘vleugeltje’ alsof de natuur zich bedacht heeft halverwege het ontwerp. De bessen zijn ellipsvormig en middelgroot, met een diepe blauwzwarte kleur en een stevige huid die bedekt is met een dikke laag bloeiwas. Ideaal voor een wijn met structuur en bewaarpotentieel.

De schil is dik en taai, wat de druif niet alleen resistent maakt tegen regenbuien vlak voor de oogst, maar ook zorgt voor een intense extractie van kleur en aroma’s tijdens het vinificatieproces. De pulp is vast, weinig sappig, maar smakelijk, met geen bijzondere aroma’s in de vrucht zelf. Dit suggereert dat de magie vooral in de schil zit.

Wat betreft groei, is Schioppettino een soort late bloeier met flair. De plant loopt gemiddeld laat uit (eind april), bloeit in juni en wordt meestal pas begin oktober geoogst. Wanneer de eerste herfstgeuren zich aandienen en de oogstploeg al verlangt naar risotto en fricò friulano. Het is dan ook een druif die koele nachten en lange rijpingstijd nodig heeft om haar zuren te behouden en tannine mooi te laten rijpen.

In de wijngaard is het geen makkelijke klant. De plant houdt niet van natte lentes en is gevoelig voor bloeiverlies (colatura), waarbij bloemen wel verschijnen maar zich niet ontwikkelen tot bessen. Vooral aan de top van de tros ontstaan er soms misvormde bloemetjes die simpelweg niet ‘af’ zijn, waardoor de vruchtzetting onvolledig blijft. Het gevolg: minder druiven, en vaak ongelijkmatig gevormde trossen.

Qua productie is ze ook behoorlijk eigenzinnig. In sommige jaren produceert de plant nauwelijks 40–50 quintalen per hectare, terwijl in gunstige seizoenen uitschieters tot 160 q/ha worden genoteerd. Kortom: lage opbrengst, hoge kwaliteit, als alles meezit. De suikergehaltes in het sap zijn gemiddeld (rond de 18%), net als de zuren (tot 8–9‰ tartarisch), maar het zijn de aromatische verbindingen in de schil, denk aan rotundone, die het verschil maken.

Ook opvallend: de plant groeit met matige kracht, heeft een halfopgerichte tot rechtopgaande groeiwijze, en produceert doorgaans maar één tros per scheut. Het bladerdek is middelgroot tot groot, met bladeren die vaak drie- tot vijflobbig zijn, licht behaard aan de onderzijde en frisgroen aan de bovenkant. De hele plant ademt balans: geen overdaad, maar gericht op concentratie.

Tot slot: de druif is officieel hermafrodiet, dus volledig zelfbestuivend. En de pedicels (de steeltjes waarmee de bessen aan de tros hangen) zijn stevig en moeilijk te scheiden. Een handige eigenschap bij mechanische oogst, al wordt bij kwaliteitswijnen nog vrijwel altijd met de hand geplukt.

In het glas: violette fluwelen handschoenen met een peperklap

Een glas Schioppettino inschenken en je weet dat je iets bijzonders in handen hebt. De wijn bezit een diep robijnrode kleur met paarse reflexen. Al bij het walsen van het glas voel je de spanning: dit wordt geen simpele dorstlesser, maar een glas vol gelaagdheid en karakter.

De neus is expressief. Aroma’s van rijp rood en donker fruit. Denk aan kersen, frambozen, bramen en blauwe bes die worden gedragen door een subtiele florale toets en een onmiskenbare kruidigheid. Die laatste komt van het geheimzinnige stofje rotundone, dat zorgt voor die karakteristieke geur van versgemalen zwarte peper. Het is geen hint, het is een punch. Een kleine peperklap in een fluwelen handschoen.

In de mond toont Schioppettino zijn finesse: levendige zuren, een medium body en fijnkorrelige tannine die nooit schurend worden. Het is een wijn die niet bulkt van kracht, maar juist overtuigt door balans en definitie. Hij houdt het midden tussen elegantie en bite.

Wat hem extra boeiend maakt, is zijn leeftijdspotentieel. Jong gedronken is Schioppettino levendig en speels, met de nadruk op fruit en frisse kruidigheid. Maar geef hem een paar jaar flesrijping, en de toon verschuift: de peper blijft, maar krijgt gezelschap van bosgrond, ceder, gedroogde bladeren, tabak en een vleugje teer. Dan verandert de wijn in een herfstwandeling door een vochtig bos, met modder op je laarzen en paddenstoelen in je neus.

En toch blijft hij ook dan lichtvoetig: zelfs in zijn gerijpte vorm behoudt hij een zekere luchtigheid, een bijna gewichtloos mondgevoel dat zelden voorkomt bij rode wijnen met zoveel complexiteit. Dat is misschien wel zijn grootste troef: diepgang zonder zwaarte.

Rotundone: de geur van zwarte peper en potentieel

Ah, rotundone. Daar had Petrussa het uitgebreid over in de podcast die me aan het denken zette. Niet als een vluchtige voetnoot, maar als een centraal element in het DNA van Schioppettino. En terecht, want dit geurstofje, nauwelijks waarneembaar, maar o zo bepalend, is wat deze druif onderscheidt van de massa.

In wetenschappelijke termen is rotundone een sesquiterpeen. Een type aromatische verbinding die voorkomt in de schil van bepaalde druiven, waaronder kruiden als zwarte peper, kruidnagel en oregano. In de wijnwereld staat rotundone vooral bekend als dé veroorzaker van dat karakteristieke, prikkelende aroma van zwarte peper. Als een zachte pepermolenwolk die boven je glas zweeft.

Het komt voor in enkele druivenrassen, zoals Syrah, Grüner Veltliner, en jawel: Schioppettino. Maar hier komt het: niet élke druif bevat rotundone, en zelfs binnen één druivensoort is de aanwezigheid ervan grillig. Het is extreem afhankelijk van terroir, microklimaat, rijping en vinificatie. Dat maakt het uiteraard mysterieus.

In Schioppettino gedijt rotundone bijzonder goed. Dankzij de langzame rijping in de koele, goed geventileerde heuvels van Prepotto en Cialla, kunnen de bessen zich langzaam ontwikkelen, waarbij de schil voldoende suikers, zuren én aromatische stoffen zoals rotundone opbouwt. Dat verklaart waarom je bij een goede Schioppettino meteen wordt getroffen door die geur van gemalen zwarte peper, soms aangevuld met kruidnagel, viooltjes of zelfs wierook.

Maar rotundone is meer dan een geurcomponent. Het is een soort geparfumeerde vingerafdruk die niet alleen de herkomst verraadt, maar ook het vakmanschap van de wijnmaker. Wijnen met rotundone zijn complexer, gelaagder, en vaak ook langer houdbaar. Het is niet voor niets dat sommigen rotundone “de truffel van de wijnaroma’s” noemen: zeldzaam, aards, intens en bijna onmogelijk om kunstmatig na te bootsen. Dat maakt het des te indrukwekkender dat Schioppettino, een lokale druif uit een vergeten hoekje van Noord-Italië, zo rijk kan zijn aan dit molecuul.

Slotgedachte: Waarom Schioppettino nu?

We leven in een tijd waarin wijnliefhebbers niet meer tevreden zijn met de zoveelste Merlot of Sangiovese. Er is honger naar authenticiteit, naar wijnen waar een verhaal achter schuilt en een eigen karakter. Precies daar komt Schioppettino binnengewandeld.

Deze druif, lang over het hoofd gezien, blijkt verrassend actueel: verfijnd maar uitgesproken, klassiek maar rebels, met een aromatisch profiel dat tegelijk uitnodigt én intrigeert. En zoals de podcast met Petrussa mooi illustreerde: dit is geen heropleving uit nostalgie, maar een beweging voorwaarts. De druif leeft, evolueert, en laat elk jaar nieuwe facetten zien.

Schioppettino is laat zich niet vergelijken met een andere druif, en dat is maar goed ook. Hij is de vertegenwoordiger van Friuli, krachtig in zijn subtiliteit, kruidig als het landschap, en altijd trouw aan zijn herkomst.

Ribolla Gialla: De oude ziel van Friuli in een modern jasje

Wijnliefhebbers, opgelet. Maak kennis met Ribolla Gialla! Een druif die ouder is dan je overgrootmoeder en toch helemaal van nu lijkt te zijn. Als je dacht dat Italiaanse witte wijn alleen draaide om Pinot Grigio en Vermentino, think again: Ribolla Gialla is bezig aan een glorieuze comeback, en eerlijk gezegd, wij zijn helemaal aan boord.

Oud, ouder, oudst (maar springlevend)

Ribolla Gialla is niet zomaar een oude bekende. Het is een druif met serieuze levenservaring. Je komt haar tegen in documenten die teruggaan tot 1296, waar ze opduikt als “Rabolla wine”. En in 1324 werd ze al expliciet genoemd in de wijnarchieven van Friuli en Istrië. We hebben het hier dus over een druif die al wijn maakte toen Dante nog zijn Divina Commedia aan het dichten was. Respect.

De naam “Ribolla” werd eeuwenlang vrij losjes gebruikt, een beetje zoals “Malvasia”. Soms als druivennaam, soms gewoon als wijn, niet noodzakelijk van Ribolla, met kwaliteitslabel. In de Venetiaanse Republiek werd Ribolla-wijn zelfs zo populair dat het bijna een merknaam werd, vooral bij de adel in Venetië in de 13e en 14e eeuw. Iedereen wilde Ribolla, want dat stond voor klasse. Er werd gespeculeerd of deze Rabolla misschien zelfs verwant was aan de Griekse Robola. Wijnhistorici zijn er nog niet helemaal uit.

Tegelijkertijd zijn er een heleboel spellingvarianten in omloop geweest: Rabola, Rabiola, Rebolla, Ribuèle. Taalbarrières, lokale dialecten en creatieve middeleeuwse spelling zorgden ervoor dat het allemaal een beetje troebel werd. Maar één ding bleef overeind: Ribolla was speciaal.

Sommige ampelografen (druivenwetenschappers, ja dat is een ding) vermoeden zelfs een genetische link met de Gouais Blanc, die op zijn beurt een van de ouders is van o.a. Chardonnay, Aligoté en Gamay. Dat plaatst Ribolla Gialla dus in bijzonder goed gezelschap.

En dan is er natuurlijk de verwarring rondom haar “familieleden”.

  • Ribolla Verde: een zeldzame, wat bescheiden verschijning met minder aromatische impact.
  • Ribolla Nera: leuk feitje – dat is gewoon een andere naam voor Schioppettino, een robuuste rode druif uit dezelfde streek. Klinkt verwant, maar is genetisch en organoleptisch compleet anders.
  • Rebula: de Sloveense tegenhanger van Ribolla Gialla. Dezelfde druif, andere taal, en vaak een ander wijnmaakfilosofie.

Maar laat je niet misleiden: Ribolla Gialla is geen verzamelnaam of generiek begrip. Ze is een op zichzelf staande variëteit met een uniek profiel, eigenzinnig temperament, en een grote historische én culturele waarde.

En het mooiste? Ze is allesbehalve stoffig. Na eeuwen van respect, verwaarlozing en herontdekking is Ribolla Gialla vandaag relevanter dan ooit. Als klassiek witte wijn én als speerpunt van de orange wine revival. Een veteraan met een comeback waar zelfs Mick Jagger jaloers op zou zijn.

Diva met diepgang – Waar Ribolla Gialla zich écht thuis voelt

Ribolla Gialla is geen makkelijke meid. Ze vraagt veel, want als er één druif is die het liefst met de voeten in kalkrijke mergel staat, het hoofd in de frisse berglucht en de zon subtiel op haar schouders, dan is het Ribolla Gialla wel. Deze wijnpersoonlijkheid bij uitstek floreert niet zomaar overal. Ze heeft duidelijke eisen. Maar geef haar wat ze nodig heeft, en ze geeft je een wijn met verfijning, kracht én spanning.

Gelegen in het uiterste noordoosten van Italië, tegen de grens met Slovenië, ligt een regio die net zo complex is als de druif zelf. Friuli Venezia Giulia is een kruispunt van culturen, klimaten en bodems. Adriatische invloeden vermengen zich hier met alpine frisheid, en dat zie je terug in de stijl en finesse van de wijnen. Hier voelt Ribolla Gialla zich thuis als een vis in het water.

Haar ware karakter komt pas naar boven op heuvelachtig terrein met goed doorlatende bodems. In de vruchtbare vlaktes is ze haarzelf niet: daar verliest ze haar zuren, haar frisheid, haar kenmerkende grip. Ze wordt flauw, voorspelbaar. En dat is nu precies wat Ribolla Gialla niet is. Ze is een druif die piekt als ze moet vechten voor haar plek, diep moet wortelen in arme grond, en het zonlicht net moet verdienen.

Wat deze regio uniek maakt, en Ribolla Gialla haar fundament geeft, is de bodemsoort die lokaal bekendstaat als ponca. Deze brokkelige, gelaagde mix van mergel en zandsteen komt vooral voor in de heuvels van Collio en Oslavia. Ponca is niet alleen goed waterdoorlatend, maar ook licht alkalisch en mineraalrijk. Perfect om zuren te behouden, mineraliteit te accentueren en wortels diep te laten graven.

Het effect op de wijn is spectaculair: strakke, zinderende zuren, een kalkachtige textuur, en een subtiele ziltigheid die Ribolla’s pure stijl onderscheidt van andere witte druiven. Hier, in deze fragiele maar krachtige bodem, ontwikkelt ze die kenmerkende combinatie van energie en elegantie.

De vier gezichten van Ribolla: terroir in kaart

Binnen Friuli zijn er vier sleutelregio’s waar Ribolla Gialla haar potentieel ten volle laat zien. Elk met een eigen profiel en stijl.

1. Collio DOC

De Collio is een zachtglooiend gebied op de grens met Slovenië, beroemd om zijn witte wijnen. Hier vinden we klassieke Ribolla Gialla: droog, fris, lichtvoetig maar met diepgang, en vaak vinificatie in staal of beton om haar levendigheid te bewaren. De invloed van ponca is hier groot, wat resulteert in een zeer mineraal profiel, met aroma’s van citrus, appel en witte bloemen.

2. Friuli Colli Orientali DOC

Ten oosten van Udine vinden we de Colli Orientali, een net iets warmer gebied dan Collio. Hier zie je variatie: zowel klassieke stijlen als houtgerijpte en zelfs licht gemacereerde versies komen voor. De zuren blijven hoog, maar de wijnen kunnen net iets voller aanvoelen, met tonen van peer, rijpe appel en soms een vleugje honing.

3. Oslavia

Oslavia, geen aparte DOC maar wel een mythische naam binnen Collio, verdient een hoofdstuk op zich, maar laten we proberen het kort te houden. Dit is het spirituele hart van de orange wine-beweging in Italië. Hier krijgt Ribolla Gialla de “amfora-behandeling”: lange schilweking, spontane fermentatie, vaak rijping in grote houten vaten. Het resultaat? Amberkleurige wijnen met grip, spanning en lagen van citruszest, thee, noten en kruiden. Oslavia’s hoger gelegen wijngaarden leveren zuren van chirurgische precisie. Hier laat Ribolla zien dat wit niet per se licht hoeft te zijn.

4. Rosazzo DOCG (binnen Friuli Colli Orientali DOC)

Rosazzo ligt op een kruising van warme zuidelijke invloeden en koele bergbriesjes. Dit gebied produceert rijpere, zachtere Ribolla met een rijkere body en aroma’s die neigen naar gele perzik, abrikoos en bloesemhoning. Het is Ribolla met fluwelen handschoenen. Iets ronder, iets verleidelijker, zonder haar spanning te verliezen.

Ribolla Gialla is geen massaproduct. Ze heeft ouderdom nodig. Wijnstokken van twintig, dertig jaar en ouder geven complexiteit. Ze heeft lage opbrengsten nodig, anders verwatert haar persoonlijkheid. En ze vraagt om aandacht in de kelder: sommige wijnmakers kiezen voor beschermde vergisting in staal om haar frisheid te behouden, anderen durven schilcontact of zelfs oxidatie toe te laten, om haar ziel bloot te leggen. Moderne wijnmakers buiten Italië experimenteren met Ribolla, van Californië tot Australië, vaak met verrassend goede resultaten. Toch blijft Friuli haar spirituele thuis.

Enter “Ribolla di Oslavia”!

In een recent beluisterde podcast (de aanleiding tot het schrijven van dit artikel) werd het prachtig uitgelegd: Ribolla di Oslavia is niet zomaar een wijn, het is een beweging die een levensovertuiging accentueert. Wat begon als een nieuwsgierige verkenning van een lokale druif, mondde uit in een ontmoeting met een diepe, haast filosofische wijncultuur. Want daar, in de heuvels rond het dorpje Oslavia, is Ribolla Gialla geen neutrale witte wijn, maar een karaktervolle, amberkleurige vertelling over traditie, terroir en tijd.

Wat deze wijnen zo bijzonder maakt, is hun bereidingswijze: maceratie, ofwel het langdurig contact tussen sap en schillen. Iets wat normaal gesproken alleen bij rode wijn gebeurt en wat we benoemen als een Orange Wine. In Oslavia laten ze Ribolla Gialla wekenlang, soms maandenlang, vergisten mét schil. Daardoor krijgt de wijn kleur, structuur, tannine en een complexiteit die veel verder reikt dan het frisse citrusprofiel van haar lichtere familieleden uit andere delen van Friuli. Hier proef je sinaasappelschil, gedroogde abrikozen, kamille, bijenwas, thee, specerijen. Allemaal gedragen door een bijna ziltige mineraliteit en een indrukwekkende frisheid.

Maar Ribolla di Oslavia is meer dan een stijl of techniek. Het is een collectieve houding, ontstaan uit een vorm van verzet. Begin jaren ’90 besloten enkele wijnmakers dat ze niet langer wilden bijdragen aan de standaardisering van wijn. Ze wilden terug naar iets echts, iets dat niet gladgestreken was door technologie en commercie, maar gevormd werd door hun omgeving en hun handen. Wijnmakers als Josko Gravner, Stanko Radikon, Dario Princic, en collega’s van La Castellada, Primosic, en Il Carpino vormden samen de Associazione Ribolla di Oslavia. Niet als merk of keurmerk, maar als een cultureel pact. Hun uitgangspunten waren helder: spontane vergisting, geen klaring of filtering, weinig tot geen sulfiet, en bovenal: geduld. Deze wijnen worden niet in een seizoen gemaakt, maar in jaren.

Wat hen bindt, is niet alleen hun visie, maar ook hun grond. De beroemde ponca-bodem, een fragiele mengeling van mergel en zandsteen, is bepalend voor het karakter van de wijn. De wortels reiken diep, de opbrengsten zijn laag, en de expressie is puur. De Ribolla’s uit Oslavia zijn amberkleurig, maar nooit zwaar; krachtig, maar altijd levendig. Het zijn wijnen die niet vragen om aandacht, maar die haar opeisen.

En ja, ze zijn uitdagend. Deze wijnen passen zich niet aan. Ze vragen de drinker om zich aan te passen. Ze zijn niet gemaakt voor wie wijn zoekt als dorstlesser, maar voor wie wijn wil begrijpen als uitdrukking van plaats en filosofie. Je kunt ze moeilijk vinden in het schap van een doorsnee wijnhandel. En terecht. Ribolla di Oslavia wil niet geconsumeerd worden, ze wil begrepen worden.

De podcast besloot met een rake uitspraak: “Ribolla di Oslavia is geen trend, maar een herontdekking van wat we nooit hadden mogen vergeten.” En dat is precies wat deze wijnen zijn. Een herinnering in vloeibare vorm. Aan een tijd waarin wijn traag, eerlijk en mysterieus mocht zijn. Aan wijnmakers die liever een stap terug deden, dan in te leveren op karakter.

De druif in de wijngaard

Op het eerste gezicht oogt Ribolla Gialla misschien ingetogen, bijna bescheiden. Maar vergis je niet: deze druif is een stille kracht in de wijngaard. Geen theatrale trossen of flamboyante kleuren, maar een geconcentreerde, compacte verschijning die duidelijk laat zien waar haar prioriteiten liggen: finesse, zuiverheid en structuur.

Als we even nerdy worden dan kunnen we de wijnstok en de druif als volgt omschrijven.
De druiventros is compact tot middelmatig van formaat, met een kenmerkende cilindrisch-piramidale vorm. De bessen zijn middelgroot en licht afgeplat, met een geel-alabastrine schil die een delicate waas draagt van natuurlijke was (pruina). De schil is stevig genoeg voor maceratie, een belangrijke eigenschap, zeker in Oslavia-stijl vinificatie, terwijl de pulp juist neutraal en sappig blijft, met een friszuur karakter en een lichte astringentie. Vaak zijn de bessen subtiel gevlekt, wat in Friuliaans aangeduid wordt als “punzecchiata”: een soort roodachtig stippenpatroon op de schil.

Ribolla Gialla is een laatrijpende variëteit, wat betekent dat de oogst doorgaans pas eind september of later plaatsvindt. Die lange rijpingstijd, gecombineerd met haar natuurlijke zuurbalans, maakt haar tot een ideale kandidaat voor complexe witte wijnen – fris, krachtig of lang op schil geweekt.

Haar groeicyclus start traag. De knoppen lopen laat uit, wat haar beschermt tegen voorjaarsvorst. Een welkom voordeel in de heuvelachtige, soms koele wijngaarden van Friuli. De bloei en kleurverandering verlopen gemiddeld, met een gestage, robuuste ontwikkeling door het seizoen heen.

Wat teelt betreft is Ribolla Gialla redelijk genereus en stabiel, met meestal één tot twee trossen per scheut en een behoorlijke groeikracht. Toch vraagt ze om aandacht: in vochtige jaren is ze vatbaar voor coulure (slechte vruchtzetting) en botrytis (grijsrot). Goede luchtcirculatie en een beheerste opbrengst zijn daarom essentieel.

Dankzij haar hoge zuurgraad, subtiele aromaprofiel en stevige schil is Ribolla Gialla breed inzetbaar: ze leent zich perfect voor frisse vinificatie in inox, maar ook voor houtlagering, mousserende wijn, en voor orange wines met lange maceratie. Haar neutrale pulp werkt als een blanco canvas waarop het terroir en de hand van de wijnmaker zich volledig kunnen uitleven.

En hoe smaakt de wijn?

Ribolla Gialla is een wijn die zich langzaam zal openen. In het glas oogt ze bescheiden maar elegant, met een kleur die varieert van helder strogeel tot goudgeel. Zodra je je neus boven het glas brengt, zal je merken dat deze langzaam tot bloei komt. De geur is subtiel maar gelaagd: florale tonen van acaciabloesem en kamille worden afgewisseld met hints van citrus (citroenschil, mandarijn) en groene elementen als venkel of vers gemaaid gras. Soms duikt er een minerale ondertoon op, die doet denken aan natte steen of krijt.

In de mond ontvouwt Ribolla Gialla zich met een verrassende combinatie van strakheid en textuur. Ze is droog, levendig en helder, maar met een subtiele diepgang die zich pas na enkele slokken laat voelen. De zuren zijn altijd aanwezig, fris en pittig maar nooit scherp, en zorgen voor een lineaire spanning die de wijn elegant en energiek houdt. Door haar relatief neutrale pulp laat Ribolla Gialla niet meteen een uitbundig fruitbombardement los, maar juist die ingetogenheid geeft ruimte aan terroir, rijping en de hand van de wijnmaker. Het is wijn die vorm krijgt door structuur, niet door expressieve aroma’s.

Die structuur maakt haar ook uitermate geschikt voor rijping, zowel in hout als op fles. Een beetje houtrijping, bij voorkeur op groot hout of acacia in plaats van op barrique, voegt geen zwaarte toe, maar verrijkt het palet met tonen van bijenwas, amandel, subtiele specerijen en iets wat doet denken aan de geur van oud papier of droge bloemen. Na een paar jaar rijping ontwikkelt de wijn zich richting kweepeer, honing, gekonfijte citrus en zelfs een vleugje gember, zonder ooit haar frisheid te verliezen. Dat is haar geheim: ze verandert, maar wordt nooit log of vermoeid.

En dan is er natuurlijk haar andere gezicht. Dat van de maceratie, de orange wine-stijl. Wanneer Ribolla Gialla weken- of maandenlang op haar schillen fermenteert, zoals in Oslavia, verandert ze radicaal. De kleur wordt diep amber, de geur evolueert naar sinaasappelschil, thee, hars, gedroogde abrikoos en kruiden. De textuur krijgt grip, de wijn wordt bijna tactiel, met zachte tannine en een lange, gelaagde afdronk. Dit is Ribolla in haar meest filosofische gedaante: niet zomaar een witte wijn, maar een meditatieve, levendige expressie van druif, bodem en tijd.

Of ze nu jong, fris en strak is of gerijpt en diep, Ribolla Gialla toont zich altijd met een zekere terughoudendheid die intrigeert. Het is een wijn die niet gemaakt is om snel te behagen, maar om langzaam te overtuigen. Geen spektakel in het glas, maar een subtiele spanningsboog die zich uitstrekt van de eerste slok tot ver na de laatste. Een wijn die, net als haar beste makers, meer geïnteresseerd is in eerlijkheid dan in effect.

Waarom je deze wijn móét proeven

Ribolla Gialla is zo’n wijn die zich moeilijk in één stijl laat vangen, maar juist daarin schuilt haar kracht. Ze combineert frisheid, structuur en subtiliteit op een manier die je zelden tegenkomt. In haar jeugdige vorm is ze levendig en dorstlessend. Ideaal bij lichte antipasti, rauwe vis of een bord dampende vongole. Maar geef haar wat tijd, of kies een versie die wat hout of maceratie heeft gezien, en je ontdekt een wijn die moeiteloos overeind blijft naast gerechten met meer body: geroosterde kip met citroen, paddenstoelenrisotto, zelfs kruidige Aziatische keuken met gember of miso. De levendige zuren en minerale ruggengraat zorgen voor balans, zelfs bij uitgesproken gerechten.

Kortom: of je nu zin hebt in een verfrissend glas op een zomerse middag of een diepgravende wijn voor een avond vol gesprekken, Ribolla Gialla, in al haar verschijningsvormen, verdient een plek in je kelder, je glas en je geheugen. Klinken met een glas Ribolla doen we het best op gepaste Friulische wijze: Salût!

Nerello Mascalese: Lava, legende en lyriek in je glas

Zet je schrap voor een wijnverhaal dat letterlijk vonkt. We nemen je mee naar de ruige, betoverende flanken van de Etna, Europa’s meest actieve vulkaan, waar lava, as en druiven al eeuwenlang samen een intens verhaal schrijven. Hier, tussen de gestolde lavavelden en terrassen die als trappen naar de hemel lijken te leiden, vind je een druif met evenveel karakter als het landschap waarin hij groeit: Nerello Mascalese.

Dit is geen wijn die zich zomaar prijsgeeft. Geen makkelijke doordrinker of internationale allemansvriend. Nerello Mascalese is complex, koppig en uitgesproken. Eeuwenlang bleef hij een goed bewaard geheim van Siciliaanse wijnboeren. Zijn naam klonk bekend in de dorpen aan de voet van de vulkaan, maar ver daarbuiten was hij zelden onderwerp van gesprek. Tot recent. Want stilaan begint de wereld te beseffen wat voor karakter hier uit het glas stroomt. Nerello Mascalese is opgestaan. Van lokale legende tot nieuw ankerpunt voor liefhebbers van terroirgedreven elegantie. En laten we eerlijk zijn: dat werd tijd.

Roots van rots en rook

Nerello Mascalese is zonder twijfel een van de meest karaktervolle druiven van oostelijk Sicilië, met als kloppend hart de flanken van de Etna. Zijn naam verwijst naar de Mascali-vlakte bij Catania, waar hij vermoedelijk al eeuwen aanwezig is in de wijngaarden. In de volksmond draagt hij namen als Niureddu of Nireddu. Soms wordt hij nog wel eens verward met Pignatello nero, maar dat is een vergissing die zijn unieke identiteit tekortdoet. Nerello Mascalese is een druif met een duidelijke eigen stempel, gevormd door het vulkanisch terroir waarop hij groeit.

Jarenlang bleef zijn potentieel grotendeels onder de radar, zeker buiten Sicilië. Maar sinds het begin van deze eeuw is er een duidelijke kentering. Nieuwe generaties wijnmakers, vaak met moderne technieken en internationale ambities, investeerden volop in wijngaarden rond de Etna. Die kwaliteitsimpuls binnen de Etna DOC heeft ervoor gezorgd dat Nerello Mascalese vandaag de dag een sleutelrol speelt in de heropleving van Siciliaanse kwaliteitswijn.

De exacte afkomst van de druif is niet met zekerheid vastgelegd, maar genetisch onderzoek wijst op een mogelijke spontane kruising tussen Sangiovese en Mantonico Bianco. Wat wel zeker is, is dat Nerello Mascalese in de loop der eeuwen een brede genetische diversiteit heeft ontwikkeld. Het grote aantal biotypen maakt hem moeilijk te categoriseren, wat meteen verklaart waarom hij zich zo sterk laat beïnvloeden door terroir en microklimaat.

In 1970 werd de druif officieel erkend binnen de Italiaanse wijnwetgeving. Toen stond hij nog op meer dan 14.000 hectare aangeplant. Sindsdien is dat areaal gestaag afgenomen tot net onder de 3.000 hectare, mede door veranderende wijnbouwtrends en de moeilijke omstandigheden waarin hij gedijt. Toch geldt vandaag meer dan ooit: wat overblijft is geen massaproductie, maar puur kwaliteitsmateriaal. Stokken op hoogte, in moeilijke omstandigheden, met lage opbrengsten en hoge expressie. Geen volume, wel persoonlijkheid.

Nerello Mascalese is geen druif die zich makkelijk laat sturen. Hij stelt eisen aan zijn omgeving en zijn wijnmaker. Maar wie met geduld en respect werkt, krijgt er een wijn voor terug die een precieze afdruk is van zijn plek en zijn geschiedenis. Een druif die tegelijk de ruigheid van lavasteen en de subtiliteit van een oude ziel in zich draagt.

Ampelografie voor gevorderden (of wijnnerds)

De wijnstok van Nerello Mascalese straalt kracht en vitaliteit uit. Hij groeit robuust en gedijt het beste in moeilijke omstandigheden, wat goed past bij zijn natuurlijke habitat op de flanken van de Etna. De trossen zijn groot, langgerekt en conisch van vorm, soms met kleine vleugels. De bessen zijn middelgroot tot langwerpig, met een opvallende blauwgrijze kleur. De schil is dik, stevig en bedekt met een uitgesproken waslaag, wat hem goed beschermt tegen uitdroging maar tegelijk ook zijn aromatische intensiteit bewaart.

De bladeren zijn pentagonaal en trilobaat, met soms twee extra, licht ontwikkelde lobben. De bovenkant van het blad is matgroen en licht golvend, terwijl de onderzijde een kenmerkend behaard, fluweelachtig oppervlak heeft. In de herfst krijgt het loof een geelgroene kleur met rode schakeringen, wat extra visuele flair geeft aan de wijngaard.

In de traditionele Siciliaanse wijnbouw wordt Nerello Mascalese vaak geleid volgens het alberello-systeem. Deze lage struikvorm is uitermate geschikt voor de steile, stenige hellingen en de intense zon die kenmerkend zijn voor het vulkanische landschap. De combinatie van hoogte, arme lavagrond en goede ventilatie zorgt ervoor dat de druif zich volledig kan uitdrukken, mits hij met zorg wordt behandeld.

Fenologisch gezien is Nerello Mascalese een laatrijpende variëteit. Het ontluiken van de knoppen begint al vroeg in het voorjaar, meestal rond de tweede helft van maart. De rijping van de druiven voltrekt zich langzaam, met oogstmomenten die doorgaans tussen eind september en de eerste helft van oktober vallen. Op grotere hoogten kan die rijping extra tijd vragen, wat het risico op onrijpe of onregelmatig ontwikkelde bessen verhoogt, vooral in koelere jaren.

De plant biedt redelijke weerstand tegen ziektes en parasieten in het algemeen, maar blijft gevoelig voor oidium en botrytis, vooral in hoger gelegen wijngaarden waar het microklimaat grilliger is. Bij instabiel weer kan onvolledige ontwikkeling van de bessen optreden, waarbij sommige druiven in de tros klein en roodgroen blijven. Dit komt vooral voor boven de duizend meter hoogte.

Toch ligt precies in die moeilijkheid de charme. In optimale omstandigheden, met een lage opbrengst en de juiste balans tussen bladgroei en rijping, levert Nerello Mascalese wijnen met een ongeziene precisie en diepgang. Een waar uithangbord van zijn terroir, met een opmerkelijk vermogen om bodemstructuur, hoogte en jaargang te weerspiegelen in geur en smaak.

Van lavabodem naar Bourgondische elegantie

Nerello Mascalese is geen wijn die je gedachteloos inschenkt. Hij nodigt uit tot stilstaan, tot ruiken, proeven en herproeven. Deze druif wil ademen, maar vooral ook vertellen met overtuiging en detail. Zijn finesse, zijn lichtvoetigheid en zijn transparantie maken dat hij vaak wordt vergeleken met Pinot Noir. Niet omdat hij hetzelfde smaakt, maar omdat hij hetzelfde kan: zijn terroir verklanken, zijn maker weerspiegelen, en het ritme van het wijnjaar voelbaar maken in elke slok. Hij is de Bourgogne van het zuiden, maar dan met lava onder zijn voeten.

Wie een glas Nerello Mascalese inschenkt, ziet doorgaans een lichte tot medium robijnrode kleur. De wijn oogt delicaat, maar wat volgt is allesbehalve vlak. In de neus openbaart zich een gelaagd boeket van rode kers, granaatappel, kruiden als rozemarijn en tijm, maar ook tabak, cederhout en bij rijpere exemplaren zelfs florale tonen zoals viooltjes of gedroogde rozenblaadjes. Soms zweemt er iets rokerigs of aards doorheen, een echo van de vulkanische oorsprong van de druif.

In de mond toont hij zich slank maar gespierd, met frisse zuren die voor levendigheid zorgen en fijnkorrelige tannine die structuur bieden zonder te domineren. Wat veel proevers opvalt is de opmerkelijke mineraliteit, een ziltige of steenachtige ondertoon die rechtstreeks lijkt voort te komen uit de lavabodem waarin de stokken geworteld zijn. Die spanning tussen luchtigheid en diepte, tussen elegantie en energie, maakt hem zo bijzonder.

Veel wijnen op basis van Nerello Mascalese winnen aan diepte met enkele jaren flesrijping, waarin de scherpe kantjes verzachten en tertiaire aroma’s naar voren komen. Houtgebruik varieert sterk tussen producenten, van strakke inox-vinificatie tot rijping op grote Slavonische vaten of neutrale barriques. Het resultaat blijft telkens trouw aan zijn essentie: een wijn met helderheid, lengte en een zekere ingetogen kracht.

Wie hem leert kennen, ontdekt een druif die niet mikt op effectbejag, maar op gelaagde expressie. Een wijn die boeit zonder te vermoeien, die verrast zonder te overrompelen. Intens, maar nooit zwaar. Serieus, maar nooit saai.

De blends, de DOC’s en de toppers

Binnen de Etna Rosso DOC is Nerello Mascalese zonder twijfel de hoofdrolspeler. Hij vormt er het overgrote deel van de blend, vaak tot tachtig procent of meer, aangevuld met een kleinere hoeveelheid Nerello Cappuccio. Die laatste zorgt voor extra kleur, iets rondere tannine en een tikje fruitige charme. Mascalese daarentegen levert de ruggengraat, de structuur en het karakter. Waar Cappuccio soepelheid brengt, geeft Mascalese richting en diepte. Samen vormen ze een complementair duo, maar het is duidelijk wie de hoofdtoon zet.

Opvallend is dat steeds meer wijnmakers bewust kiezen voor wijnen die volledig op Nerello Mascalese zijn gebaseerd. Er is een duidelijke trend richting monocepagewijnen, waarin het pure karakter van de druif ten volle wordt uitgedrukt. Deze beweging past binnen een bredere herwaardering van terroir en authenticiteit, en biedt wijnliefhebbers de kans om de gelaagdheid, elegantie en minerale diepte van Mascalese in zijn meest onversneden vorm te ervaren.

Hoewel de Etna het epicentrum blijft, duikt Nerello Mascalese ook elders in Sicilië op. In de Faro DOC, in het noordoosten van het eiland, maakt hij deel uit van een complexe blend met lokale variëteiten zoals Nocera. In Marsala is hij toegestaan binnen de DOC, al komt hij daar minder prominent voor. Buiten Sicilië vinden we hem ook in Calabrië, onder meer in de Lamezia DOC, waar hij op kleinere schaal wordt verbouwd.

Wat Nerello Mascalese zo bijzonder maakt, is zijn vermogen om zich aan te passen aan het terroir zonder zijn identiteit te verliezen. Wijnen van lagere hellingen en jongere stokken zijn vaak lichtvoetig en aromatisch, met levendige zuren en fris rood fruit. Naarmate de aanplant hoger ligt, of de stokken ouder zijn, neemt de complexiteit toe. Dan verschijnen er tonen van kruiden, rook, grafiet en aarde, met een diepere structuur en meer concentratie. Elke wijngaard spreekt zijn eigen taal, maar de druif vertaalt telkens met heldere precisie.

Er is een groeiende groep producenten die zich ten volle toewijdt aan het potentieel van Nerello Mascalese en hem internationaal op de kaart hebben gezet. Naast de vaak genoemde referenties zoals Benanti, Tenuta delle Terre Nere, Passopisciaro, Graci en Salvo Foti, zijn ook wijnhuizen als Frank Cornelissen, Girolamo Russo, Pietradolce, Tascante en Carranco relevante namen binnen het Etna-spectrum. Ieder met hun eigen interpretatie van de vulkaan, van natuurlijk en ongefilterd tot precies en klassiek.

Waarom jij deze wijn moet proberen

Voor liefhebbers van karaktervolle wijnen die spanning combineren met finesse is Nerello Mascalese een ontdekking die je niet mag missen. Dit is geen wijn die zich makkelijk laat samenvatten. Hij spreekt met subtiele kracht, met een zekere ingetogen intensiteit, en nodigt uit om aandachtig te proeven. In elke slok voel je het contrast tussen het ruwe landschap waar hij groeit en de verfijning waarmee hij zich in het glas toont.

Proeven is hier meer dan smaak. Het is een ervaring. Je waant je op een lavaterras, met uitzicht over de valleien van de Etna, rookpluimen die loom aan de horizon hangen, en de geur van warme aarde en kruiden in de lucht. Wat je drinkt is niet zomaar wijn, maar een directe afdruk van plaats, klimaat en geschiedenis.

Nerello Mascalese is bovendien verrassend veelzijdig aan tafel. Zijn frisse zuren en minerale structuur maken hem een dankbare begeleider van uiteenlopende gerechten. Denk aan gegrilde aubergine met olijfolie en knoflook, een smeuïge ossobuco, geroosterde lamskoteletjes of een Siciliaanse klassieker als caponata met zoetzure groentetoetsen. Hij voelt zich ook thuis bij gerechten met paddestoelen, harde kazen of zelfs bij tonijn van de grill.

Maar soms vraagt hij om geen gezelschap, behalve dat van een groot glas en een moment van rust. Dan volstaat hij op zichzelf. Geen eten, geen gesprek. Enkel jij, de wijn, en een stille gedachte aan de vulkanische helling die zijn karakter vormt.


Timorasso: De Witte Feniks uit Piemonte

Ik ben het vlug even gaan opzoeken alvorens ik aan de ontleding van de Timorasso druif begin. Sinds 2012 heb ik Timorasso wijnen in mijn assortiment heb opgenomen. De aanleiding was een uiterst aangename reis naar Piemonte met een aantal internationale wijnschrijvers. Eén van de opgezette proeverijen kreeg als titel mee ‘Young promising winemakers’. Hier stonden toen de Timorasso wijnen van onder andere Pomodolce, La Colombera en Claudio Mariotto tussen. De druif fascineerde me zodanig dat ik enkele maanden later aanklopte bij Pomodolce en een samenwerking met hen startte.

Een druif met geschiedenis én karakter

Timorasso is inheems aan Zuid-Piemonte, met name het gebied rond Tortona (vroeger bekend als Derthona) in de provincie Alessandria, waar de eerste schriftelijke vermelding van de druif al dateert uit de 14e eeuw. In de 19e eeuw was het zelfs de meest aangeplante variëteit in die regio — volgens het ampelografisch bulletin van de familie Di Rovasenda uit 1885.

Toch verdween Timorasso bijna volledig van het toneel. Moeilijke bloei, onregelmatige opbrengsten, gevoeligheid voor weersomstandigheden, en druiven die bij wind gewoon van de tros vallen: dit is geen druif voor luie wijnmakers.

Tot Walter Massa in de jaren ’80 besloot dat Timorasso gered moest worden. Met amper 500 overgebleven stokken op zijn domein vinifieerde hij in 1987 zijn eerste 100% Timorasso. Hij stelde dat deze wijn niet per se baat had bij houtlagering, maar wél aan complexiteit wint door rijping “sur lie”. De rest is geschiedenis. Vandaag vormt Timorasso de ziel van de subzone Colli Tortonesi Derthona DOC.

Die wedergeboorte is ondertussen ook de veel rijkere Barolo boeren ter ore gekomen. We zien een toename van investeringen in wijngaarden rondom Tortona van deze grote namen en een serieuze stijging in de aanplant van de druif. Je kan vandaag al Timorasso wijnen van onder andere Vietti en Borgnono vinden op de markt.

Synoniemen en foute vrienden

Timorasso komt in het veld ook wel eens onder andere namen tegen: Timorosso, Timorazza en vroeger ook Morasso. De naam Barbassese wordt soms nog genoemd, maar dat is officieel een foute toewijzing.

Hoe groeit ze, hoe bloeit ze?

Ampelografisch gezien is Timorasso een beauty met karakter. De trossen zijn middelgroot tot groot, conisch tot piramidaal van vorm en vaak voorzien van een extra ‘vleugel’. De bessen zijn geelgroen, stevig van schil en hebben een sappige, licht vlezige pulp. De smaak is neutraal als druif, maar met serieuze potentie in het glas.

Ze gedijt goed op middelhoge aanplantingen, wordt doorgaans geleid volgens het Guyot-systeem en voelt zich het best op klei-kalkrijke bodems. Haar groeicyclus is uitgebalanceerd: knoppen breken door in april, de bloei volgt in juni, véraison in augustus en de oogst vindt plaats eind september. Toch is ze gevoelig voor ongunstige weersomstandigheden in het voorjaar, wat kan leiden tot misbloei en een onregelmatige opbrengst.

In de wijngaard herken je Timorasso aan haar jonge scheuten met een witgroene kleur en karminroze randjes, bedekt met zachte haartjes. De bladeren zijn middelgroot, vijf- tot zevenlobbig en vertonen een gesloten, U-vormige bladsteelsinus. De trossen zijn meestal compact en hebben een duidelijke piramidale vorm, soms met zijtrosjes. De bessen zijn groot en geelgroen van kleur, met een stevige, wasachtige schil en een sappige, neutrale pulp. Meestal bevatten ze twee zaden per bes. De houtstructuur van de plant is robuust, met een grijsbruine kleur en opvallende knopen.

De druif rijpt laat, maar vaak ongelijkmatig. Door florale abortie en de kwetsbare verbinding tussen bes en steel verliest de plant makkelijk druiven, zeker bij wind. Een goed gekozen wijngaardlocatie met voldoende beschutting en ventilatie is daarom cruciaal, net als nauwgezette zorg tijdens de rijpingsfase.

Herkomst en verspreiding

Hoewel Timorasso vandaag vrijwel synoniem is met de Colli Tortonesi DOC, is hij officieel erkend sinds 1970 en toegestaan in zowel Piemonte als Lombardije. Je vindt hem ook terug in een reeks IGT’s zoals Ronchi Varesini, Bergamasca, Provincia di Pavia en Sebino.

Timorasso werd officieel erkend in 1970, maar pas sinds 2010 schiet de aanplant de lucht in — van 21 hectare in 2000 naar 129 hectare in 2010. En dat stijgt gestaag. Er zijn momenteel twee geregistreerde klonen: CVT 13 en CVT 31, beiden erkend in 2015. De aanplant van gecertificeerde stokken stijgt jaarlijks — in 2023 werden er bijna 450.000 stokken geproduceerd.

De wijn: rijk, rijp en serieus goed

Wie voor het eerst een glas Timorasso inschenkt, merkt meteen dat dit geen wijn is die zich opdringt. De druif vraagt om aandacht en tijd, maar beloont die generositeit met gelaagdheid en karakter. De kleur is diep citroengeel en de neus opent met aroma’s van rijpe peer, perzik en abrikoos. Daarbovenop komen toetsen van tropisch fruit en florale accenten zoals acacia en meidoorn. Honingtonen geven het geheel een zachte en gulle ondertoon.

Na enkele jaren flesrijping komt er een fascinerende transformatie op gang. De uitbundige fruitigheid maakt plaats voor meer diepgang en spanning. De mineraliteit wordt prominenter en doet denken aan natte kalksteen of vuursteen. Tegelijk ontwikkelen zich tertiaire aroma’s zoals petroleum, bijenwas en gedroogde kruiden. Deze evolutie roept vergelijkingen op met grote gerijpte Rieslings, maar Timorasso behoudt altijd zijn eigenzinnige identiteit.

In de mond presenteert hij zich met een brede structuur, levendige zuren en een vol, rijk mondgevoel. Wat deze wijn typeert is de combinatie van complexiteit, evenwicht en lengte. Timorasso wordt altijd gemaakt als een droge, stille witte wijn. Houtopvoeding is niet nodig. Integendeel, de wijn ontwikkelt zijn complexiteit door langdurige rijping op de fijne lies.

Dankzij zijn stevige structuur en frisse zuren is Timorasso uitstekend geschikt om te bewaren. Vijf tot tien jaar rijping in de fles is gebruikelijk, en in topjaren of bij getalenteerde wijnmakers kan hij nog veel langer meegaan. Dit is een wijn met kracht, spanning en finesse die zich prachtig ontwikkelt in de tijd.

Wat eet je erbij?

Timorasso is een veelzijdige begeleider aan tafel, zolang de gerechten zijn karakter en intensiteit kunnen evenaren. In zijn jeugdige vorm combineert hij bijzonder goed met geitenkaas, vitello tonnato of licht gekruide kipgerechten met een oosterse toets. Zijn frisse zuren en florale aroma’s zorgen voor een mooie balans met deze verfijnde smaken.

Wanneer de wijn meer rijping heeft gehad, verandert ook de gastronomische inzetbaarheid. Rijpere Timorasso’s verdienen gerechten met meer diepte en romigheid. Denk aan een romige risotto met saffraan en truffel, waarbij de aardse tonen perfect harmoniëren met de minerale onderbouw van de wijn. Ook bij schaal- en schelpdieren zoals oesters of sappige garnalen komt zijn zilte frisheid volledig tot zijn recht. Voor wie van umami houdt, is risotto ai funghi een schot in de roos, waarbij de wijn de hartigheid van het gerecht elegant omarmt en versterkt.

Timorasso is een wijn die zich graag laat uitdagen en die, mits juist gecombineerd, elke maaltijd naar een hoger niveau tilt.

Waarom je ‘m echt moet proberen

Timorasso is een wijn met persoonlijkheid en inhoud. Geen snelle verleider, maar een ras dat zich pas toont aan wie bereid is aandacht te geven aan wat er in het glas gebeurt. Zijn combinatie van frisheid, diepgang, structuur en evolutief potentieel maakt hem uniek binnen het Italiaanse witte wijnaanbod.

Voor liefhebbers van wijnen die spanning en complexiteit bieden, is Timorasso geen curiositeit maar een logische keuze. Niet omdat hij zeldzaam is, maar omdat hij goed is. Ontdekken dus, niet als trend, maar als blijvende verrijking van je wijnervaring.

Refosco dal Peduncolo Rosso: Karakter in elke druppel

Ik herinner me nog goed de vraag die Roberto Felluga me stelde tijdens ons bezoek aan zijn fantastische Relais de Russiz Superiore, nadat ik hem vertelde dat ik, naast zijn witte wijnen, ook de Refosco dal Peduncolo Rosso in mijn gamma heb zitten. “Why and how is it possible you try to sell this wine in Belgium?” was zijn onverwachte reactie. Mijn antwoord ontlokte een grote glimlach op zijn gezicht. “Because I like the wine, Roberto!”

In het mozaïek van Italiaanse druivenrassen is Refosco dal Peduncolo Rosso zonder twijfel een van de meest markante figuren. Deze inheemse held uit Friuli Venezia Giulia is niet alleen de bekendste binnen de Refosco-groep, maar geldt ook, samen met Pignolo en Schiopettino, als een van de vaandeldragers van de regio’s autochtone rode druiven. Geen doorsnee wijn, maar een druif met uitgesproken identiteit.

Zijn naam verwijst naar een van zijn unieke kenmerken: Peduncolo Rosso betekent “rode steel”, een knipoog naar de karakteristiek roodgekleurde trossteel wanneer de druif volledig rijp is. En laat dat nu net de sleutel zijn bij deze variëteit: volledige rijping is essentieel, want onrijpe Refosco dal Peduncolo Rosso kan groene, vegetale tonen à la Cabernet vertonen. Iets waar elke serieuze wijnmaker voor op zijn hoede is.

Een druif met pit (en een rode steel!)

De trossen zijn middelgroot, piramidaal van vorm en bevatten elliptische, diepblauw gekleurde druiven met een stevige, vrij dikke schil. Die maakt deze druif resistenter dan hij op het eerste gezicht lijkt. Die robuustheid proef je terug in het glas.

De plant zelf is een taaie doorzetter. Zet hem in arme, steenachtige of droge bodems en hij groeit zonder klagen door. Rijping gebeurt doorgaans laat, eind september of begin oktober. Al komt hij verrassend genoeg net iets eerder tot rijpheid dan andere Refosco-varianten.

Herkomst en geschiedenis: Een vat vol karakter

Refosco dal Peduncolo Rosso is de meest expressieve en bekendste vertegenwoordiger van de grotere Refosco-groep, waartoe ook Refosco Bianco, Refosco Gentile, Refoscone en Refosco Nostrano behoren. Het zijn stuk voor stuk inheemse druivenvariëteiten met diepe wortels in het noordoosten van Italië en Slovenië, ook al delen ze genetisch niet allemaal dezelfde achtergrond.

Binnen deze diverse groep heeft Refosco dal Peduncolo Rosso zich het duidelijkst weten te profileren: hij is het breedst aangeplant en het sterkst vertegenwoordigd in zowel wijngaard als wijnkelder.

Zijn genetische achtergrond was lange tijd voer voor discussie. Men dacht ooit dat hij identiek was aan Mondeuse Noire, of verwant aan Syrah of Pinot Noir. Inmiddels is duidelijk: hij is genetisch uniek, maar wél de afstammeling van Marzemino en zelf ouder van Corvina, een sleutelvariëteit in Valpolicella. Verder deelt hij verwantschap met druiven als Teroldego en Lagrein, wat zijn structuur en aromatische gelaagdheid deels verklaart.

De eerste officiële beschrijving verscheen in het Atlante Ampelografico van G. Poggi (1939). In 1971 werd de druif officieel erkend in het Italiaanse druivenregister (staatsblad van 24 april).

Ampelografie: Het DNA van een overlever

Wat maakt Refosco dal Peduncolo Rosso herkenbaar in het veld?

  • Scheut: groenachtig-wit, met een bruine tint en een donslaagje
  • Blad: groot, vijflobbig, met een diep groene bovenkant en behaarde onderkant
  • Tros: middelgroot, los, piramidaal, vaak met zijtakje
  • Druif: elliptisch, dikschillig, diep paars, met rijke anthocyanen
  • Zaden: groot, meestal drie per bes
  • Hout: dun, roodachtig, met korte internodiën

De plant is krachtig en productief, maar gevoelig voor oidium (echte meeldauw), wat om zorgvuldige wijngaardcontrole vraagt.

Van ruwe bolster tot verfijnde charmeur

In zijn jeugdige vorm is Refosco dal Peduncolo Rosso eerder streng dan soepel: veel zuren, robuuste tannine en een laag alcoholpercentage. Toch schuilt er, met geduld en vakmanschap, een wijn achter die initieel ruwe façade die stilaan opent als een boek met karakter.

In zijn pure vorm toont hij aroma’s van frisse kersen, bessen en een kruidige toets. Maar met houtlagering komt de verfijning: cacao, tabak, vanille en geroosterde specerijen tillen de wijn naar een hoger niveau. Eikenhout helpt bovendien om reductieve aroma’s, waarvoor de druif gevoelig is, onder controle te houden.

Aromatisch is hij zonder twijfel de meest complexe van zijn groep. In het glas opent hij zich met:

  • gedroogde rode kers
  • verse mediterrane kruiden
  • amandel
  • viooltjes, lavendel en geranium

De geuren zijn intens maar vluchtig. Perfect rijpen én correct schenken zijn dus essentieel.

Naast droge stille wijnen toont de druif potentie voor appassimento-stijl: halfzoete of versterkte wijnen van ingedroogde druiven, met een geconcentreerd en fluwelig profiel.

Waar groeit deze druif eigenlijk?

Het epicentrum ligt in Friuli Venezia Giulia, vooral in de provincie Udine (Torreano en Faedis). Daarnaast komt hij voor in DOC’s zoals:

  • Carso, Friuli Aquileia, Friuli Annia, Colli Orientali, Grave, Isonzo, Latisana en Lison-Pramaggiore
  • In Veneto: Merlara, Riviera del Brenta
  • En in IGT-zones: Trevenezie, Toscane, Puglia en Sardinië

Wat eet je erbij?

Dit is geen wijn voor lichte salades of subtiele visgerechten. Refosco dal Peduncolo Rosso vraagt om stevige kost. Denk aan wildgerechten, geroosterd vlees, oude kazen en stoofpotten. Zijn zuren snijden moeiteloos door vet en zijn tannine houden stand tegen intense smaken. Perfect dus voor een herfstige avond met een goed stuk hert of een stoofpot van everzwijn.

Waarom je ‘m echt moet proberen

Refosco dal Peduncolo Rosso is misschien niet de meest voor de hand liggende keuze in de wijnwinkel, maar dat maakt ‘m juist zo interessant. Wie hem de tijd geeft, ontdekt een wijn met gelaagdheid, karakter en bewaarpotentieel. Dus, de volgende keer dat je voor het wijnrek staat, loop eens voorbij die voorspelbare Merlot en Cabernet. Ga voor avontuur, ga voor karakter, ga voor Refosco dal Peduncolo Rosso. Je smaakpapillen zullen je dankbaar zijn.

Cortese: Expressief wit uit Piemonte

De Cortese druif is autochtoon aan Piemonte en is een van de meest populaire en wijdverspreide witte druiven in deze regio. De eerste schriftelijke vermeldingen dateren uit de 17e eeuw in de provincie Alessandria, hoewel de precieze oorsprong onzeker blijft. Wel is duidelijk dat de bakermat van deze druif in de zuidelijke regio’s van Piemonte ligt, met een sterke aanwezigheid in de provincies Alessandria, Asti en Cuneo. Vooral de gebieden rond Gavi en Tortona hebben zich ontpopt als een belangrijke productieregio voor hoogwaardige Cortese wijnen.

Bijna 90% van de Cortese aanplant bevindt zich in Piemonte, maar er zijn ook wijngaarden in Veneto en Lombardije. In de loop der jaren heeft deze druif nooit grote schommelingen in populariteit gekend en is hij altijd een gerespecteerd, maar bescheiden onderdeel van de Piemontese wijnbouw gebleven. Toch heeft hij vooral dankzij de prestigieuze Gavi Docg wijnen internationale erkenning verworven. Cortese di Gavi was ooit de meest populaire witte wijn van Piemonte, maar is in recentere tijden in populariteit ingehaald door de Arneis en Timorasso. Desondanks blijft de wijn erg geliefd, vooral in de kustplaatsen van Ligurië, waar hij vanwege zijn heldere zuurgraad en frisheid uitstekend combineert met de lokale verse visgerechten.

Stamboom

De stamboom van de Cortese druif is niet volledig bekend, maar er zijn enkele belangrijke inzichten over de genetische afkomst en verwantschappen binnen de Italiaanse druivenfamilies.

  • Autochtoon aan Piemonte: Cortese is een inheemse witte druivensoort uit Piemonte, Italië. De eerste vermeldingen dateren uit de 17e eeuw in de provincie Alessandria.
  • Mogelijke voorouders: Hoewel er geen directe genetische ouders bekend zijn, vertoont Cortese genetische gelijkenissen met andere Piemontese druiven zoals Timorasso en Favorita (een synoniem voor Vermentino).

De naam “Cortese Bianco” wordt vaak gebruikt, naast dialectische varianten zoals Cortéis en Courtesia.

Verspreiding en belangrijke productiegebieden

Cortese wordt voornamelijk verbouwd in Piemonte, vooral in de provincies Asti en Alessandria. Binnen deze regio is de productie het meest geconcentreerd in de zones rond Gavi en de Colli Tortonesi, maar ook in delen van Cuneo, met name in de lagere Valle Belbo. Buiten Piemonte wordt de druif nog in beperkte mate geteeld in Lombardije (Oltrepò Pavese) en het westen van Veneto, met sporadische aanplantingen in andere Italiaanse regio’s en zelfs overzees.

Hoewel Cortese een echt Piemontees karakter heeft, heeft de opkomst van internationale witte druiven zoals Chardonnay in de jaren ’80 de totale aanplanting enigszins doen afnemen. Toch blijft Cortese een belangrijk onderdeel van de wijntraditie in Piemonte, met ongeveer 3.000 hectare wijngaarden.

Vandaag de dag speelt de druif een sleutelrol in verschillende DOC- en DOCG-wijnen, waaronder Gavi DOCG, Monferrato DOC, Cortese dell’Alto Monferrato DOC, Colli Tortonesi DOC, Piemonte DOC, Oltrepo Pavese DOC, Custoza DOC en Garda Cortese DOC.

Cortese – Ampelografie

De druif heeft een middelgrote tot kleine tros, afhankelijk van de klonale variëteit. De tros heeft een compacte structuur en een cilindrische tot piramidale vorm. De druiven zelf zijn klein, licht plomp en ellipsvormig en hebben een dunne, groenachtig gele schil met een subtiele goudkleurige tint bij blootstelling aan de zon.

Cortese staat bekend om zijn constante opbrengsten. De druif rijpt laat en wordt doorgaans in de tweede helft van september geoogst. Hoewel hij niet bijzonder ziektegevoelig is, kan meeldauw (odium) een probleem vormen. Omwille van de dunne schil kan de druif ook vatbaar zijn voor botrytis. De trossen zijn lang en los, eerst driehoekig en versmallend naar de onderkant.

Cortese past zich goed aan verschillende bodemsoorten aan, mits deze niet te rijk of vruchtbaar zijn. Hij gedijt het beste in droge klimaten met zonnige hellingen. De druif wordt vaak geteeld met de Guyot-snoeimethode om de opbrengst en kwaliteit te beheersen. Sommige wijnmakers passen malolactische fermentatie of houtrijping toe om de zuurgraad van de stille wijnen te temperen.

De Wijn: Een delicate en verfrissende Stijl

Oorspronkelijk werd de Cortese druif zowel voor tafelwijn als voor vinificatie gebruikt, maar tegenwoordig is het een pure wijndruif geworden. De meest bekende expressie is ongetwijfeld Gavi Docg, die wordt beschouwd als een van de meest verfijnde witte wijnen uit Piemonte.

Cortese wijnen zijn witte wijnen met een bleke citroenkleur. In de neus onthult de wijn aroma’s van vers geperste limoenen, kruidige en grasachtige tonen en witte bloemen. Op de tong toont hij smaken van honingdauw meloen, amandel, peer, citroen en Granny Smith appel, met een lichte ziltige ondertoon. De wijn heeft een medium body en een medium tot hoge zuurgraad.

Over het algemeen worden Cortese wijnen jong gedronken, maar de beste producenten kunnen wijnen maken die een lange levensduur hebben, dankzij de kwaliteit van de druiven, de productiemethoden en de hoge zuurgraad. In koelere regio’s of oogstjaren kan Cortese extreem hoge zuurgraad ontwikkelen, wat hem bijzonder geschikt maakt voor mousserende wijnen.

Dankzij deze kenmerken is Cortese een uitstekende begeleider van zeevruchten, lichte pastagerechten en delicate voorgerechten. Zijn verfrissende karakter maakt het ook een ideale zomerwijn.

Conclusie

Cortese is een druif met een sterke Piemontese identiteit en een elegante, verfijnde stijl. Ondanks de toenemende concurrentie van internationale witte druiven blijft Cortese een essentiële speler in de Italiaanse wijnwereld. Of het nu in de iconische Gavi-wijnen is of in andere appellaties, deze druif blijft een toonbeeld van frisheid, finesse en authenticiteit.
Enkele gerenommeerde producenten die Cortese wijnen aanbieden zijn:​

  • Broglia: Bekend om hun ‘La Meirana’ Cortese di Gavi, een wijn die de essentie van de Cortese druif belichaamt.
  • La Scolca: Bekend om hun ‘Cortese di Gavi’ wijnen, La Scolca staat synoniem voor kwaliteit en traditie in de productie van Cortese wijnen.
  • Villa Sparina: Een producent die bekend staat om zijn expressieve Gavi wijnen, met een focus op terroir en authenticiteit. ​
  • Pio Cesare: Een historisch wijnhuis dat naast hun beroemde Barolo en Barbaresco ook uitstekende Gavi produceert.

Prünent vanuit Ossolane

Mooie liedjes duren niet lang durft men wel eens te stellen. Er kwam dus ook onvermijdelijk een einde aan de Educational Tour doorheen Piemonte. Alweer één en meerdere ervaringen rijker. Organisatorisch een fiasco (blame it on the Italians… No Fucking Way!!) en dat zorgde wel eens voor wat wrevel en ongemakken. Maar als een ware professional zet ik dat opzij en concentreer ik me liever op het belangrijkste. Het was mijn intentie ook de voorbije week te blijven bloggen over Piemonte, dat is me niet gelukt. Late diners bomvol goede wijnen en fantastische gesprekken met de warmhartige wijnboeren en mijn collega-schrijvers beslisten hier anders over. Niet één seconde treur ik hieromtrent.

Laat ik het even hebben over de laatste toevoeging aan de DOC waardeladder van Piemonte; nl. de Valli Ossolane DOC (DOC sinds 2009). Deze verborgen parel zit verscholen in het noorden van Piemonte. meer bepaald in de provincie Vebano Cusio Ossola (bestaat slechts sinds 1992). De wijngaarden liggen dus in het hoge noorden, grenzend aan de Valle d’Aosta en Lombardia (Valtellina). De hoogst gelegen wijngaarden vinden we terug op een hoogte van 1000 meter boven de zeespiegel. Er mag zowel witte als rode wijn gemaakt worden. De bodem is er gedeeltelijk rots en graniet. Voor de witte wijnen zullen we er hoofdzakelijk Chardonnay vinden. Het zijn echter de rode wijnen die er belangrijker zijn. Hiervoor staat er voornamelijk Nebbiolo, Merlot en Barbera aangeplant.

Tijdens de vele proeverijen mocht ik genieten van een rode wijn van de Prünent druif! Dit was pas interessant want ik had voordien nog nooit gehoord van de Prünent. De wijn was er eentje van CantineGarrone en de maker ervan was aanwezig op de tasting.
CantineGarrone is een coöperatieve die de druiven van een 60-tal wijnboeren haalt die allen aangesloten zijn bij de Associazione Produttori of Ossola. Zij zijn een initiatief gestart dat de traditie van de Prünent in ere moet herstellen. De Prünent was en is immers nog steeds de trots van het gebied. De meeste stokken die er staan zijn stokoud, sommigen zelfs over de 100 jaar en velen van hen zijn niet geënte stokken.
Maar wat is die daar zo geëerde Prünent nu eigenlijk? De vraag deed een glimlach verschijnen op de mond van de wijnmaker. Het is immers een zeer gekende druif die in de regio zeer populair is en die we ook wel eens tegenkomen onder de noemer Picotendro, Schiavennasca, Spanna of als de door ondergetekende zo geliefde Nebbiolo!

Ik proefde er de CantineGarrone Prünent 2009. De wijn kreeg een houtlagering mee van 13 maand in eiken barriques waarna er nog een flesrijping volgde van 12 maanden. De vinificatie vond plaats in stainless steel. De wijn oogde mooi kersenrood en kende de aan de druif zo typische bruine rand. Even snuiven in het glas om iets goedkeurends te mompelen, even walsen om de aroma’s beter te openen. Wat volgde was een mooie uitnodigende neus. Eerste impressie was het cederhout, daar moet je steeds even doorheen. Wat volgde waren een waaier aan fruitimpressies zoals de kers (rood en zwart), de rode bes, braam en pruim. Fijnkruidig en geparfumeerde viooltjes kwamen in aanvulling net als sousbois en tabak.
De mond bevestigde de complexiteit van het bouquet. Knappe sappige tannines, lichtjes uitdrogend, zeer kruidig, dragend met een volle lange afdronk. De aanzet is voornamelijk fruitig. Het hout moet nog wel volledig opgenomen worden en domineert het middenrif lichtjes. Naar het einde toe is er de tabak en vooral de mix aan vers gesneden kruiden. Het geheel is een zeer mooie karaktervolle wijn. Nog iets te jong maar barstensvol potentie!