10 Italiaanse wijnen die je ooit gedronken moet hebben

Jaarlijks geven we een diepgaande opleiding over Italiaanse wijnen, gespreid over zes avonden. Afgelopen woensdag werkten we de laatste sessie af en sindsdien is het alweer aftellen naar de volgende reeks. Als afsluiter van de lessenreeks deelde ik mijn eigen lijst van tien iconische Italiaanse wijnen die je ooit in je leven gedronken moet hebben. Wat de cursisten niet wisten, was dat ik er als afsluiter eentje van deze lijst had laten binnenkomen.

Zo’n lijst is natuurlijk persoonlijk en al zeker geen vaststaand gegeven. Hij kan er volgend jaar alweer helemaal anders uitzien. Of misschien moet ik de wijnen die ik reeds proefde van de lijst afhalen en vervangen door anderen. Want ondertussen heb ik toch al de helft ervan ooit in het glas gehad.

Misschien vinden jullie dat er best wel een of andere wijn ontbreekt op deze lijst of zou die voor jou er compleet anders uitzien. Zoals je weet staan we open voor alle suggesties en mag je me overladen met tips van Italiaanse wijnen die je zelf zou opnemen op de lijst.

Ik deel alvast mijn lijst. De wijnen zijn gewoon alfabetisch geplaatst zonder dat er een rangorde achter zit. Voor de goede orde, die heb ik wel degelijk.

Amarone della Valpolicella Classico DOCG: Giuseppe Quintarelli Riserva

Misschien zijn er velen verbaasd deze wijn op de lijst te zien staan, want ik ben niet onmiddellijk een grote liefhebber van Amarone. Maar over Amarone bestaan veel misverstanden. Te zwaar, te geconcentreerd, te veel alcohol, eigenlijk net allemaal te. En dan kom je bij Quintarelli uit, en dan valt dat hele simplistische praatje gewoon stil. Ik proefde reeds zijn basis Amarone en daar word je toch even stil van. Ik zou ook zijn Selezione Giuseppe Quintarelli op het lijstje kunnen plaatsen, maar zal al vrede nemen met de Riserva.

De Riserva wordt niet elk jaar gemaakt. Enkel in de beste jaren zal je deze zien verschijnen. Hij vertrekt vanuit een persoonlijke vatselectie. De druiven komen uit de heuvels rond Negrar, in het hart van de Valpolicella Classico. Corvina en Corvinone vormen de basis, aangevuld met Rondinella en een klein aandeel andere lokale rassen. De druiven worden tijdens de oogst streng geselecteerd en daarna in houten kistjes of op rieten matten gelegd. Daarbij wordt zelfs gelet op hoe de druiven precies liggen, zodat de appassimento op een natuurlijke manier kan verlopen. In november verschijnt de edele rotting, die zich vooral in januari verder ontwikkelt.

Eind januari worden de druiven geperst. Na een maceratie van ongeveer 20 dagen start de alcoholische gisting met inheemse gisten. Die gisting duurt ongeveer 45 dagen. Daarna verhuist de wijn naar grote Slavonische eiken vaten, waar hij zeven jaar rijpt.

Quintarelli heeft Amarone mee naar een niveau gebracht waarop de wijn niet langer alleen over kracht of concentratie gaat. Tijd is hierbij cruciaal. Vooral de wijn de nodige tijd gunnen om zich helemaal te ontplooien.

Om dit te kunnen proeven zal je net iets meer dan 700 € moeten betalen. Begin juni zijn we in Valpolicella en gaan we op bezoek bij Quintarelli. Ik moet je niet vertellen dat de hoop leeft om deze daar van het lijstje te kunnen afvinken.

Barbaresco DOCG: Gaja Sorì San Lorenzo

Neem ik Gaja mee op in de lijst of niet? Ik heb toch even geworsteld met die vraag, maar uiteindelijk volmondig ja geantwoord. Over een iconische naam in de Italiaanse wijnwereld gesproken. Ik vergeef het mezelf nog steeds niet dat ik ooit de kans had om deze wijn te proeven, maar de gelegenheid aan mij voorbij heb laten gaan. Met een air van: ik proef dit later wel een keer op mijn gemak in plaats van dit nu overhaast te doen. What a mistake to make!

De Nebbiolo wijngaard Sorì San Lorenzo ligt in Barbaresco en behoort tot de absolute referenties van het domein. De naam verwijst naar de ligging waar de zon mooi op de helling valt. Angelo Gaja bracht deze wijn voor het eerst apart op de markt in de jaren zestig en zette daarmee mee de toon voor een andere manier van denken in Piemonte. Niet alleen de appellatie was belangrijk, ook de specifieke wijngaard kreeg een gezicht.

De prijzen voor deze wijn die je online ziet circuleren variëren stevig. Ik ga ervan uit dat voor een goed jaar al vlug rond de 800 € betaald zal moeten worden.

Barolo Riserva DOCG: Giacomo Conterno Monfortino

Een Barolo mag uiteraard niet ontbreken, maar welke ga ik er nu opzetten. Ik kan moeilijk een lijst maken met enkel maar Barolo, al zou het zo maar kunnen. De uiteindelijke keuze valt op Monfortino van Giacomo Conterno. Hoewel ik al veel heb mogen proeven van deze producent, is de Monfortino tot op heden steeds door de mazen van het net geslipt. Nochtans heb ik er een meer dan gezonde interesse naar.

Monfortino is geen gewone Barolo Riserva. Dit is een wijn die enkel in de beste jaren wordt gemaakt. De Nebbiolo bessen komen uit de Cascina Francia wijngaard in Serralunga d’Alba. Nog voor de oogst wordt beslist welke druiven eventueel voor Monfortino in aanmerking komen. Dit doen ze door voortdurend de bessen te proeven in de wijngaard. Het spreekt voor zich dat alleen de beste druiven in aanmerking komen.

De wijn rijpt voor minstens zeven jaar op grote Slavonische eiken vaten. Pas na jaren rijping en verschillende proefsessies beslist men of er effectief een Monfortino komt. Voldoet het vat niet aan de verwachtingen, dan verdwijnt hij in de Barolo Cascina Francia. Zoals gezegd: geen gewone Barolo dus! In een normaal jaar worden er ongeveer 7.000 flessen gemaakt.

De prijzen volgen de mythe zonder verpinken. Voor een recente jaargang zit je al snel boven de 1.000 €. Dat zijn veel centen voor een fles wijn, maar hij hoort absoluut thuis op deze lijst. Misschien moeten we hier ooit een split cost doen en de wijn delen met enkele gelijkgestemden.

Bolgheri DOC: Ornellaia Bianco

Een witte wijn uit Bolgheri op deze lijst zetten lijkt misschien een vreemde keuze. Bij Bolgheri denken we spontaan aan rood, aan Ornellaia, Sassicaia, Masseto en al die andere flessen waarbij je kredietkaart al preventief begint te zweten. Ik wou niet enkel een lijst opbouwen met enkel maar rode wijnen, wat misschien wat meer voor de hand ligt. De keuze welke witte wijn te nemen was niet eenvoudig en ik geef toe dat het lopen op een slappe koord is met de keuze voor Ornellaia Bianco. Ik wou echter per se eentje nemen die ik nog niet heb geproefd. Vraag me binnen enkele maanden het lijstje te herbekijken en deze zal er misschien niet langer nog opstaan.

Ornellaia Bianco werd voor het eerst gemaakt met jaargang 2013. Sauvignon Blanc vormt de basis, aangevuld met Viognier. De Sauvignon Blanc komt van drie kleine wijngaarden binnen het domein, percelen die volgens Ornellaia bijzonder geschikt zijn om het terroir over te brengen in de wijn.

De druiven worden met de hand geoogst. Nadien worden ze onmiddellijk gekoeld om het aromatische potentieel te bewaren. Na selectie volgt een zachte persing van volledige trossen. De gisting gebeurt in barriques, waarvan 30 procent nieuw en 70 procent gebruikt. Malolactische gisting wordt niet uitgevoerd. Daarna rijpt de wijn 10 maanden op de fijne lies met bâtonnage, gevolgd door nog 2 maanden in inox en 6 maanden flesrijping voor hij op de markt komt.

De prijs zit al snel rond 250 tot 300 €.

Brunello di Montalcino Riserva DOCG: Case Basse di Gianfranco Soldera

Soldera opnemen in deze lijst voelt bijna verplicht, al weet je tegelijk dat je jezelf daarmee in woelig water begeeft en dat je haast moet maken om deze nog effectief onder de Brunello noemer te kunnen proeven. En dat is exact wat ik eigenlijk wens. Misschien slaag ik er niet in en behoud ik de wijn toch in de lijst, maar dan in zijn huidige vorm als IGT.

Gianfranco Soldera bouwde Case Basse uit tot een van de meest legendarische domeinen van Montalcino. Alles vertrok vanuit een bijna obsessieve visie op Sangiovese Grosso. De wijngaarden werden extreem zorgvuldig beheerd, rendementen bleven laag en in de kelder werd vooral niets overhaast. Lange rijping op grote Slavonische eiken vaten, geen toegevingen aan snelle drinkbaarheid en vooral een geloof dat grote Sangiovese tijd nodig heeft.

Het verhaal van wat er in het verleden is gebeurd en wat geleid heeft tot zijn breuk met Brunello is nice to know, maar doet niets af aan de kwaliteit van de wijn. Mocht er iemand zijn die nog een flesje 2006 in zijn bezit heeft en dit met me zou willen delen: ik hoor het graag.

Colli Orientali del Friuli DOC: Miani Calvari Refosco dal Peduncolo Rosso

Ik ben grote fan van de witte wijnen van Miani en heb deze reeds meermaals kunnen proeven. Nooit kwam de gedachte in me op om ook hun Refosco te proeven. Tot ik een inside tip kreeg dat ik absoluut Calvari Refosco dal Peduncolo Rosso moest proeven. Deze tip werd me zo smakelijk en waarheidsgetrouw gebracht dat ik hem prompt nomineerde voor deze lijst.

Enzo Pontoni is de man achter Miani en in Friuli heeft hij intussen een bijna mythische status opgebouwd. Hij werkt in de Colli Orientali del Friuli met oude stokken, lage rendementen en een zorg voor detail waar je bijna zenuwachtig van wordt. Calvari is een van zijn grote referentiepercelen en Refosco dal Peduncolo Rosso bereikt hier zijn hoogste piek.

De druiven komen van de heuvels van de Colli Orientali, waar kalkrijke bodems en een geschikt microklimaat Refosco bijzonder goed liggen. De oogst gebeurt met de hand, de selectie is streng en de gisting verloopt met inheemse gisten. Daarna rijpt de wijn op eikenhouten vaten. Alles aan deze wijn toont dat grootheid in Italië niet altijd uit de meest voor de hand liggende appellaties moet komen.

Als je ervan uitgaat dat Refosco een onbekende druif is, dan zit je juist. Link je daar om die reden misschien ook een lager prijskaartje aan? Think again: drie bruine en één blauw briefje zal je moeten bovenhalen.

Süd Tirol – Alto Adige DOC: Elena Walch Aton Pinot Nero Riserva

Pinot Nero en Südtirol – Alto Adige is wat mij betreft een zeer geslaagd huwelijk. Er zijn daar heel wat Pinot Nero wijnen te vinden die je perfect op het hoogste schavotje kan plaatsen. Aton van Elena Walch hoort daar zonder twijfel bij.

De wijngaarden liggen in Glen, bij Montagna, en in Barleith, een cru uit Caldaro. Beide zijn opgenomen in de lijst van de 86 UGA’s van Alto Adige. De stokken, die meer dan 60 jaar oud zijn, staan aangeplant op een hoogte van 400 tot 600 meter. Met amper 3.395 flessen die ervan gemaakt worden, creëren ze schaarste terwijl de vraag hoog is. Ik heb deze wijn ondertussen al enkele keren in het glas gehad en kan hem dus afvinken van het lijstje. Dat hij er nog steeds op staat, bewijst zijn waarde.

Voor deze fles zal je ongeveer 175 € betalen.

Trebbiano d’Abruzzo DOC: Valentini

Deze wijn is al lang afgevinkt, maar toch was het een no brainer om hem op te nemen in de lijst. Ik ben me bewust dat er wat wenkbrauwgefrons aan te pas zal komen bij het opnemen van een Trebbiano. Maar een verticale degustatie van deze wijn, met toch wel oudere jaargangen, verantwoordt deze keuze volledig.

Valentini werkt in Abruzzo met oude stokken van Trebbiano Abruzzese. De aanpak is eigenzinnig en allesbehalve gericht op volume. De druiven komen uit de heuvels rond Loreto Aprutino, waar de combinatie van hoogte, bodem en klimaat Trebbiano een heel ander gezicht geeft dan wat veel mensen verwachten.

In de kelder wordt er weinig geforceerd. Na het persen start de gisting spontaan in grote houten vaten, enkel met inheemse gisten. Daarna rijpt de wijn ongeveer één jaar in grote eiken vaten van 50 tot 70 hectoliter. Er wordt niet geklaard en niet gefilterd.

De prijzen zijn de voorbije jaren stevig gestegen. Voor een fles zit je al snel richting 150 € of meer. Dat maakt het geen evidente aankoop. Maar dit is zo’n wijn die je moet geproefd hebben om te begrijpen waarom sommige liefhebbers er zo eerbiedig over spreken.

Trento DOC: Fratelli Lunelli Giulio Ferrari Riserva del Fondatore Collezione Metodo Classico Extra Brut

We hadden oorspronkelijk geen bubbel opgenomen, maar Italië is ondertussen zo bubbelgek geworden dat ik alsnog overstag ben gegaan. Ik ga dan wel voor het serieuze werk en laat de Prosecco’s over aan zij die het graag drinken. Hoewel ik niet direct een fan ben van de basis spumante van Ferrari, is de Riserva del Fondatore toch wel een ander kaliber. Krijg ik de kans om een glas te nippen, dan zal ik nooit neen zeggen. Bij deze weet je dus al dat hij doorstreept is.

Giulio Ferrari was de man die begin vorige eeuw in Trentino het potentieel zag voor metodo classico. De familie Lunelli heeft dat werk verdergezet en uitgebouwd tot wat vandaag zonder discussie een van de referenties is voor mousserende wijn in Italië. De Riserva del Fondatore is daar het absolute uithangbord van. De tweede gisting gebeurt op fles en de wijn rijpt vervolgens maar liefst 120 maanden op de lie. Dat is tien jaar geduld, en dat voel je in alles.

Deze cuvée wordt enkel gemaakt in de beste jaren en de productie blijft beperkt. De prijs zit rond de 180 €, wat in deze lijst bijna bescheiden aanvoelt.

Vernaccia di Oristano Riserva DOC 1968: Silvio Carta

Deze wijn is wellicht de meest eigenzinnige keuze uit de hele lijst. Bovendien is hij ook de aanleiding geweest om deze lijst effectief op te maken. Met wat bevriende wijnliefhebbers rond de tafel, snuffelend en proevend van enkele mooie Italiaanse wijnen, bracht iemand deze wijn ter sprake. This one you really must have drunk before you die’, was zijn commentaar. En dus wilde ik hem er absoluut bij.

Het gaat hier niet om Vernaccia zoals we die elders in Italië kennen. De naam verwijst vooral naar een lokale druif, en op Sardinië krijgt die een heel aparte invulling. Na de gisting rijpt de wijn in vaten die niet volledig gevuld worden. Daardoor komt er zuurstof bij en kan er flor ontstaan, een laag gistcellen die de wijn beschermt en tegelijk zijn unieke karakter geeft. Dat plaatst Vernaccia di Oristano in het kleine clubje van oxidatieve wijnen met biologische rijping.

De productiezone ligt in de benedenvallei van de Tirso, rond Oristano, met onder meer San Vero Milis, Solarussa en Simaxis als belangrijke namen. De wijnen zijn volledig droog en hebben niets te maken met het zoete of logge beeld dat sommige mensen bij oude, krachtige wijnen voor ogen hebben. Zelf weigert men dan ook te spreken over een dessertwijn.

De Riserva 1968 van Silvio Carta is natuurlijk nog een ander verhaal. We spreken hier over een fles met meer dan een halve eeuw geschiedenis, die maar liefst gedurende 50 jaar op vat heeft liggen wachten om gebotteld te worden en uiteindelijk in ons glas te belanden. Jawel, dit was absoluut de afsluiter van onze Italiaanse wijnavonden en de wijn waarmee ik de cursisten verraste. De prijs van deze fles schommelt rond de 260 €.

Burato Wines in Verona: een vernieuwde kijk op Valpolicella

In de aanloop naar Vinitaly 2026 kreeg ik een mail binnen met de vraag of ik wou deelnemen aan een winemaker’s diner van Burato Wines. Normaal gezien klasseer ik deze uitnodigingen nogal vlug en ga ik er zelden op in. Deze keer trok ze wel degelijk mijn aandacht want de uitnodiging kwam van Mercuri Wine Club, het project van Master of Wine Cristina Mercuri. Dan weet je dat er kwaliteit achter schuilt en dus aanvaardde ik deze uitnodiging met veel plezier.

De setting was Ristorante Antica Torretta in Verona. Bij aankomst kreeg je een glas Champagne Tarlant Zero Brut Nature geserveerd. Eigenlijk weet je dan al dat je de goede keuze hebt gemaakt. Aanwezig, naast Cristina Mercuri MW, waren eigenaar Andrea Burato en oenoloog Damiano Peroni. Samen begeleidden ze de avond en vertelden ze over de duidelijke lijn die ze volgden. Terroir, geduld en visie waren daarbij de sleutelelementen. Ik voeg daar graag nog passie en gedrevenheid aan toe.

Een jong project met een duidelijke koers

Burato Wines werd tien jaar geleden opgericht met de betrokkenheid van de oenologen Flavio en Damiano Peroni, professionals met een diepgaande kennis van het Valpolicellagebied. Vanaf het begin werd het project gekenmerkt door een duidelijke aanpak: wijnen produceren van hoge kwaliteit die een directe en duidelijke uitdrukking zijn van hun plaats van herkomst.

Het domein bevindt zich in Valpolicella, meer bepaald in het historische hart van Marcellise, en werkt uitsluitend met inheemse druivenrassen. De basis van het project is een strenge selectie van de beste percelen, beoordeeld op bodem, ligging en aangeplante variëteiten. Het doel is duidelijk: elk perceel apart benaderen en het potentieel ervan maximaal tot uiting laten komen, alsof het om een eigen cru gaat.

Bewust kleinschalig werken

Het domein omvat ongeveer twintig hectare maar het wijnproject is bewust gericht op een veel kleiner deel: ongeveer twee hectare, geselecteerd uit de meest geschikte zones. Een bewuste keuze, zo stelt Andrea want enkel de beste percelen van het domein zijn geschikt om wijnen te leveren van de hoogste kwaliteit. Een benijdenswaardige visie, waarbij meteen duidelijk wordt dat kwantiteit hier niet het uitgangspunt is.

De wijngaard vertrekt vanuit de uiteindelijke wijn

Tijdens de avond werd ook uitgelegd waarom Burato met twee verschillende geleidingssystemen werkt: Guyot en Pergola. Dat gebeurt vanuit een agronomische redenering. De wijngaarden worden namelijk van bij de start ingericht in functie van het type wijn dat men wil maken.

Een deel van het fruit is bedoeld voor een frisse vinificatie voor Valpolicella Superiore. Een ander deel is bestemd voor indroging en dus voor Amarone. Daardoor verschilt ook de aanpak in de wijngaard in elke fase, van snoei tot uitdunning, van trosbelichting tot oogstmoment. Het doel is om de wijngaard van meet af aan te organiseren in functie van de uiteindelijke wijn.

Binnen dat geheel speelt Damiano Peroni een centrale rol. In de kelder wordt zo weinig mogelijk geforceerd. Geen overmatige sturing, geen zoektocht naar opgeblazen concentratie, geen drang om alles breder, rijper en zwaarder te maken dan nodig. Damiano benadrukt het herhaaldelijk: tijd is hier cruciaal. De wijnen moeten de nodige tijd krijgen zich te ontwikkelen.

Dat leidt tot een stijl die opvallend ver afstaat van het klassieke beeld van Amarone als rijke krachtpatser. Bij Burato draait het eerder om frisheid, spanning en precisie. Deze filosofie staat mijlenver van de doorsnee Amarone die we te drinken krijgen, deze waarbij je na één glas wijn het reeds voor bekeken houdt omwille van het te rijke, vermoeiende karakter.

Hun ambitie is ook expliciet. Burato wil zich meten met topspelers uit de regio. Dat bleek meer dan eens aan tafel. Ze willen zich profileren in het spoor van Giuseppe Quintarelli of Del Forno.

De wijnen en het menu van de avond

Tijdens het diner werden vier jaargangen voorgesteld, twee Valpolicella Superiore en twee Amarone della Valpolicella Riserva:

Valpolicella Superiore DOC 2019
Valpolicella Superiore DOC 2018
Amarone della Valpolicella DOCG Riserva 2017
Amarone della Valpolicella DOCG Riserva 2016

Het menu van de avond bestond uit:

Battuta di Black Angus, salsa al sottobosco, porcini, nocciole tostate e cialda di riso integrale
Foie gras d’anatra al miele e polline, Bruscandoli, Tête de Moine e pan brioche al pepe nero
Gnocchi di ricotta al tartufo nero e burro noisette
Carré d’agnello in crosta alle mandorle, cavolo nero, topinambur e chimichurri

Valpolicella Superiore DOC 2019

Deze wijn komt van een cru van 1,5 hectare op kalkrijke bodems, aangeplant in Guyot met een densiteit van 5.000 stokken per hectare en biologisch beheerd. De blend bestaat uit 50 procent Corvina, 45 procent Corvinone en 5 procent Rondinella. De oogst gebeurt manueel in de tweede helft van september, met een aparte pluk per druivenras. Daarna volgt vinificatie in eikenhouten, afgeknotte conische kuipen, met koude premaceratie en een lange schilweking. De wijn rijpt vervolgens 36 maanden op hout en nog eens 12 maanden op fles. Productie ligt rond 3.100 flessen, de prijs bedraagt 55 €.

Licht, helder robijnrood met mooie glans. Het aromatische profiel opent met fris zwart fruit, braambes, zwarte bes en pruim, verweven met kruidige tonen, rook en een hint van teer. De houtrijping zorgt voor goed geïntegreerde nuances en voegt balsamische toetsen en donkere specerijen toe zonder de fruitkern te overschaduwen.

In de mond is de textuur compact maar toch verheven: de aciditeit is hoog, levendig en lineair. De tannine is fijn, zijdezacht en gematigd in intensiteit. Het middenpalet is breed en geconcentreerd, gedragen door indringende frisheid en een ziltige lijn die doorloopt tot in de afdronk.

De kwaliteit is hoog, met mooi evenwicht en een aanzienlijke lengte. De algemene indruk is coherent en verfijnd, met een middellang tot lang bewaarpotentieel van 7 tot 10 jaar. Een stijl die densiteit verbindt met verticaliteit, diepgang met souplesse, in een Valpolicella Superiore die houtrijping perfect weet te integreren. Voor mij is dit een wijn die hun ambitie alvast eer aandoet.

Valpolicella Superiore DOC 2018

De 2018 komt van hetzelfde perceel en werd volgens dezelfde filosofie gemaakt. Toch liet deze jaargang zich duidelijk anders proeven. Meer ontwikkeld, iets kruidiger, iets vleziger ook, en met een steviger omkadering.

De neus ging eerder richting kruiden, balsamico en gekonfijte sinaaszeste, met zelfs een licht oxidatieve toets die de wijn extra karakter gaf. Alles bleef netjes binnen de lijnen. Ook hier was het hout goed geïntegreerd.

In de mond kwam 2018 wat gespierder over dan 2019, met een steviger middenstuk en een iets nadrukkelijkere structuur. Toch bleef ook hier de frisheid de wijn dragen. De zuren waren knapperig en bepalend. De tannine was zijdeachtig en mooi ingewerkt. De finale hield lang aan, met duidelijke spanning. Dit is een serieuzere, iets bredere interpretatie, maar nog steeds met voldoende precisie om overeind te blijven.

Amarone della Valpolicella DOCG Riserva 2017

Voor de Amarone 2017 gaat het om twee percelen samen, goed voor 1,4 hectare, geleid in Pergola. De blend bestaat uit 47,5 procent Corvina, 47,5 procent Corvinone en 5 procent Rondinella. De druiven worden ongeveer negentig dagen natuurlijk gedroogd in de fruttaio. Daarna volgt een lange maceratie en een opvoeding van 48 maanden op hout, gevolgd door nog eens 12 maanden flesrijping. De productie bedraagt ongeveer 2.650 flessen. Voor een fles betaal je 120 €.

Dit was een Amarone die meteen breed opende. Rijp zwart fruit, gedroogde pruim, zwarte bes, gedroogde kruiden, balsamische accenten en subtiele specerijen. De aromatische intensiteit was groot, maar mooi beheerst.

In de mond zat er uiteraard kracht in, dat kan ook moeilijk anders met 16,5 procent alcohol, maar de wijn bleef uitstekend in balans. Wat mij aansprak, was dat de wijn nooit zwaar werd. De zuren houden alles recht. De tannine is rijp en fluwelig. De restsuiker van 7 gram per liter vertaalt zich niet in zoetheid, wel in extra volume en ronding. De finale bleef droog en had zelfs iets krijtachtig en ziltig. Dit is een Amarone met inhoud en breedte, maar tegelijk met voldoende grip en fraîcheur om boeiend te blijven.

Amarone della Valpolicella DOCG Riserva 2016

De 2016 werd volgens dezelfde aanpak gemaakt, maar toonde zich nog een trapje serieuzer. Dieper, compacter, minder direct in zijn expressie, maar daardoor ook interessanter. Dit was duidelijk een wijn die zijn kaarten niet meteen volledig op tafel legt.

De neus begon vrij ingehouden, met tonen van geroosterde koffie, rijp zwart fruit, balsamico en specerijen. Alles was meer ingetogen. De aromatische intensiteit was er wel, maar verpakt in een donkerder, compactere stijl.

In de mond kreeg je dan een brede en rijke aanzet, met veel materie, maar opnieuw zonder enige vermoeidheid. De zuren zijn ook hier cruciaal. Ze zijn dragend en geven richting, spanning en lengte. De tannine is fluwelig en rijp. De alcohol is mooi opgenomen in het geheel. De finale was lang, met kruidige en ziltige accenten die voor extra fraîcheur zorgden.

Van de vier wijnen was dit voor mij wellicht de meest complete. Complexer en volwassener dan 2017, met nog meer diepgang.

Mijn indruk van de avond

Wat deze tasting vooral duidelijk maakte, is dat Burato Wines een heel eigen richting uit wil met Valpolicella. Men zoekt hier niet naar meer gewicht, meer extractie of meer monumentale kracht. Men creëert duidelijk een eigen identiteit.

De Valpolicella Superiore 2019 vond ik bijzonder knap omwille van zijn helderheid en energie. De 2018 had meer body en meer kruidige diepte. Bij de Amarone’s sprak de 2016 mij het meest aan, terwijl de 2017 misschien net iets sneller het grote publiek zal verleiden.

Een meer dan geslaagde avond en een bijzonder aangename kennismaking met Burato Wines. Dank aan Cristina Mercuri MW voor de introductie, de uitnodiging en de uitstekende begeleiding van de avond.

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, Ligurië of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passé, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ‘pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ‘boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiëntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiënt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiënter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers én consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif én druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden én arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

Heroïsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals Ligurië en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In Ligurië spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroïsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieën die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, één gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galicië bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor Albariño. In Argentinië is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ‘grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentinië en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geïrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ‘modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Het afsluitende artikel in onze reeks over de Valpolicella-wijnen is zonder twijfel het stuk waarvoor het meeste opzoekwerk nodig was. Er zijn namelijk talloze druivenrassen toegestaan in de wijnen van deze appellatie. De hoofdrolspelers hebben we al besproken, net als de meest voorkomende figuranten. Wat resteert zijn piepkleine bijrollen voor soms obscure, bijna vergeten namen, maar ook voor rassen die wereldwijd bekendstaan om hun klassewijnen. Denk aan Sangiovese en Nebbiolo, maar ook aan enkele grote Franse namen. Op het etiket zal je ze zelden afzonderlijk vermeld zien, vaak verdwijnen ze onder de noemer ‘overige toegelaten druiven – 10%’. In dit artikel proberen we daar wat licht op te werpen.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Om een beter beeld te krijgen van welke druivenrassen een plek mogen krijgen in een Valpolicella-wijn, is het zinvol eerst naar de wetgeving te kijken. Artikel 2 van het disciplinare voor Valpolicella DOC zegt in essentie het volgende:

De Valpolicella wijnen moeten worden gemaakt van druiven die afkomstig zijn van wijngaarden met deze samenstelling:

  • Corvina Veronese (ook Cruina of Corvina genoemd): tussen 45% en 95%. Binnen dat percentage mag maximaal 50% Corvina vervangen worden door Corvinone.
  • Rondinella: tussen 5% en 30%.
  • Daarnaast mogen er tot maximaal 25% andere druiven gebruikt worden, mits ze voldoen aan deze voorwaarden:
    • Niet-aromatische rode druiven die toegelaten zijn voor de provincie Verona (zoals vastgelegd in het nationale register), tot maximaal 15% totaal, met per afzonderlijk druivenras een limiet van 10%.
    • Italiaanse autochtone rode druiven (volgens wet 82/06) die zijn toegelaten in de provincie Verona, tot het resterende maximum van 10%.

Wie het nationale register van Italiaanse druivenrassen bekijkt voor de IGT Veronese, vindt een lijst van ongeveer vijfenveertig toegelaten rode variëteiten. Filter je daaruit de niet-aromatische rassen, dan blijft nog altijd een indrukwekkend aantal over. Namen als Ancelotta, Barbera, Cabernet Sauvignon, Carmenère, Casetta, Corvina, Corvinone, Croatina, Dindarella, Forsellina, Gamay, Lagrein, Marselan, Marzemino, Merlot, Molinara, Negrara, Oseleta, Petit Verdot, Pinot Nero, Raboso Veronese, Rebo, Regent, Rondinella, Rossignola, Sangiovese, Schiava, Syrah en Teroldego passeren de revue. Het is echter geen sluitende lijst. In de praktijk blijkt dat ook druivenrassen als Cabernet Franc en Nebbiolo hun weg naar Valpolicella vinden, zoals bij de meesterlijke wijnen van Giuseppe Quintarelli. Spigamonti, gebruikt door Tedeschi, is eveneens een voorbeeld van een variëteit die niet in de standaardoverzichten voorkomt, maar wel degelijk een rol speelt. Elders zoals bij Tenuta Santa Maria zie je dan weer namen als Enantio en Turchetta.

Het is duidelijk dat een volledig overzicht van toegelaten en daadwerkelijk gebruikte druiven vrijwel onhaalbaar is. De keuzemogelijkheden zijn simpelweg te groot. Daarom beperken we ons in het vervolg tot een handvol oude inheemse rassen. Ze worden zelden gebruikt, maar dragen bij aan het rijke verhaal van Valpolicella en geven een glimp van de diversiteit die schuilgaat achter de bekende namen op het etiket.

Dindarella

Dindarella is een oud inheems ras uit het Veneto dat ooit veel wijngaarden sierde, maar in de loop van de twintigste eeuw bijna volledig verdween. De naam zou volgens sommige bronnen komen van het dialectwoord ‘dindare’, dat ‘trillen’ of ‘wiegen’ betekent, mogelijk een verwijzing naar de losse trossen die gemakkelijk in de wind bewegen. Na de bloei zijn de trossen vaak open en de bessen gedeeltelijk bloot, wat de opbrengst beperkt. Juist die losse structuur, samen met de dikke, bedauwde schil, stevige structuur en het vermogen om goed te drogen, maakt Dindarella geschikt voor appassimento en dus inzetbaar in Amarone en vooral in aromatisch rijke Recioto.

De aanplant bevindt zich voornamelijk in Valpolicella, met kleinere percelen bij het Gardameer en in de Valdadige. De bessen zijn middelgroot, onregelmatig van vorm en blauw van kleur. De rijping vindt plaats in het midden van het seizoen, waarna de druif uitstekend indroogt zonder haar frisheid te verliezen.

Forsellina

Ook Forsellina is een oud inheems ras uit de provincie Verona dat vandaag nog maar op ongeveer vijftien hectare wordt aangeplant. De eerste vermelding dateert uit 1824 in de catalogus van Veronese druivenrassen van de botanicus Ciro Pollini. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd ze door verschillende auteurs beschreven, tot ze in 1971 officieel werd opgenomen in het nationale druivenregister.

De plant groeit rechtop en vertoont gelijkenissen met Molinara, maar de kwaliteit van de opbrengst wordt lager ingeschat. De middelgrote, compacte trossen zijn cilindrisch en soms licht gevleugeld. De bessen zijn onregelmatig ovaal, met een dunne, bedauwde schil en kleurloos sap met een neutrale smaak. Door de compacte trossen leent Forsellina zich niet goed voor droging, waardoor ze zelden wordt gebruikt in passito-wijnen zoals Amarone of Recioto.

Forsellina rijpt in het middenseizoen en past zich goed aan aan minder ideale omstandigheden. Ze wordt toegestaan in de DOC’s Valpolicella en Bardolino, evenals in de IGT’s Verona, Vallagarina en Trevenezie. In de blend geeft ze een heldere, lichte robijnrode kleur, florale en fruitige aroma’s en een evenwichtige smaak waarin zachtheid en frisheid mooi samenkomen.

Negrara

Negrara Veronese behoort tot de bredere familie van Negrare, waartoe ook de beter bekende Negrara Trentina behoort. Hoewel de namen vaak door elkaar worden gebruikt, hebben ze duidelijke verschillen in bladstructuur en bessen. De eerste vermelding van Negrara gaat terug tot 1824 in het werk van Ciro Pollini, waarin hij meerdere typen onderscheidde, waaronder de Negrara bastarda, die waarschijnlijk overeenkomt met de huidige Negrara Veronese. In het begin van de twintigste eeuw besloeg de Negrare-familie zo’n twintig procent van de aanplant in de provincie Verona. Sinds 1970 staat Negrara officieel in het nationale druivenregister.

De aanplant is vandaag beperkt en verspreid, met aanwezigheid in Valpolicella, Bardolino, Breganze Rosso en Valdadige, en in kleine percelen in Padova en Vicenza. De trossen zijn middelgroot tot groot, cilindrisch, vaak gevleugeld en matig compact. De bessen zijn vrij groot, blauwzwart en sterk bedauwd, met een dikke, leerachtige en licht wrange schil. De rijping valt laat in het seizoen, terwijl de knopontplooiing eveneens later plaatsvindt.

Negrara levert constant goede opbrengsten, maar is gevoelig voor valse meeldauw, echte meeldauw, mijten en trosschimmels. In de kelder geeft ze een robijnrode kleur met violette schakeringen, aroma’s van zure kers, een kruidige toets en soms een vleug groene peper die met rijping milder wordt. In de mond presenteert de wijn zich licht van body maar verfijnd, met een frisse, sappige aanzet en een goede balans tussen tannine en kleurstoffen. In blends voor Valpolicella, Amarone en Recioto mag ze tot tien procent worden gebruikt, waar ze kruidigheid, frisheid en een subtiel gespannen structuur toevoegt.

Spigamonti

Spigamonti is een zeldzaam en recent herontdekt druivenras dat in Valpolicella slechts op enkele plekken voorkomt, onder andere in Tedeschi’s wijngaard Maternigo. Opvallend aan de plant zijn de bladeren met een rood-koperkleurige gloed en de dieprode kleur van de bloemstelen. Het is een teinturier, wat betekent dat ook het vruchtvlees rood is. Daardoor levert Spigamonti extra kleurintensiteit en structuur in blends, zowel voor Valpolicella als voor Amarone.

Het ras is van oorsprong Frans en staat ook bekend onder de naam Aspiran Bouschet. Het werd in 1865 door Henri Bouschet gekweekt uit een kruising tussen Aspiran Noir en Bouschet Gros, familie van de bekende Alicante Bouschet. In Italië werd Spigamonti pas in 2013 officieel toegelaten. De ontdekking in Valpolicella gebeurde door een teler nabij Montecchio di Negrar, die de druif aanleverde aan Cantina Negrar.

De teelt is uiterst kleinschalig en beperkt tot enkele percelen. De trossen zijn compact en het vruchtvlees is rijk aan anthocyanen. In kleine hoeveelheden kan Spigamonti een blend spanning, kleurkracht en kruidigheid meegeven.

Op uitstap!

Met deze laatste etappe ronden we onze reis door de Valpolicella-wijngaarden af. Nu is het aftellen tot de echte reis kan beginnen, samen met Amici. Want niets is mooier dan theorie omzetten in praktijk. De voorbije twaalf etappes hebben de kiemen gelegd, en de tijd van de floraison is aangebroken. Op naar de proeftochten bij wijnboeren, om ons te laven aan de vele gezichten en smaken van de Valpolicella-wijnen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst
  12. Croatina: Het koppige buitenbeentje

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ‘overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italië af. Dáár wordt ze echt au sérieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatië tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiële documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italië doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieën. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatië. Van daaruit zou ze via Slovenië haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italië, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiële status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oïdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel én geografisch breed verankerd in Noord-Italië. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardinië.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiëren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op Sardinië. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variëteiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oïdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocépage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiële erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciële aandacht die andere rassen wél genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst

Oseleta: Een druif met toekomst

Ik weet niet exact waarom, maar ik heb een zwak voor Oseleta. Misschien omdat de eerste die ik ooit proefde – die van Zýmē – meteen raak was? Feit is: als ik de kans krijg om een wijn van 100% Oseleta te proeven, dan bestel ik die ook. Helaas komt dat niet vaak voor. Er zijn nog maar weinig wijnmakers die de druif solo bottelen, al verandert dat stilaan. Steeds meer producenten wagen zich eraan, en dat wekt nieuwsgierigheid en waardering op. Ik kijk er alvast naar uit om te zien waar deze druif nog allemaal toe in staat is.

Tijdens het schrijven van deze reeks over Valpolicella, zijn wijnen en de samenstelling van de blend vind ik het best grappig dat ook de naam Oseleta in verband wordt gebracht met onze gevederde vrienden. Het lijkt er wel op dat de inspiratie in Valpolicella om hun regio-eigen druiven een naam te geven in handen is gegeven van een ornitholoog.

Een naam met veren

Hoewel Oseleta voor velen onbekend zal klinken kan je de druif moeilijk een nieuwkomer noemen in Valpolicella. De druif heeft er een eerder bizarre levenscyclus op zitten. Lange tijd is ze onder de radar gebleven. Ze was op een gegeven moment zelfs amper nog te vinden en zo goed als uitgestorven. Terwijl ze nu stilaan opnieuw opduikt in de wijngaarden van wijnmakers met zin voor karakter en identiteit.

De naam Oseleta komt van osei, het Venetiaanse woord voor vogel. Die link is geen toeval. De druif dankt haar bijnaam aan haar aantrekkingskracht voor vogels, die dol waren op haar kleine, suikerrijke bessen. Nog vóór ze door wijnmakers werd gewaardeerd, was ze dus al geliefd in de lucht.

Maar de druif is dus niet nieuw. In ampelografische bronnen uit de 19e eeuw duikt ze op onder verschillende namen. In Verona en Treviso sprak men van Oselina, in Brescia van uva ozilina, en in Cremona zelfs van uva passerina (niet te verwarren met de witte Passerina uit Marche en Abruzzo). Het ging hier om verwante of verwilderde druiven die aan de rand van de wijngaard groeiden en vaak dienden als voedsel voor vogels.

Pas veel later, in de jaren 70, kreeg Oseleta een tweede kans. Het was het wijnhuis Masi dat haar potentieel opnieuw onder de aandacht bracht. In een oude wijngaard vonden ze nog enkele overlevende stokken. Men besloot de druif niet alleen te bewaren, maar haar opnieuw een volwaardige plaats te geven. Een gewaagde zet, maar wel eentje die loonde.

Beperkte maar groeiende verspreiding

Vandaag is Oseleta nog altijd relatief zeldzaam. Je vindt haar voornamelijk in de heuvels van de Valpolicella Classica. Buiten deze kernzone is haar aanwezigheid eerder beperkt, en buiten Veneto is ze quasi onbestaand. Dat maakt wijnen op basis van Oseleta meteen schaars én interessant voor wie op zoek is naar authenticiteit.

Hoewel ze zelden als monocépage wordt gebotteld, wint de druif aan terrein. Meestal verschijnt ze als ondersteunende component in wijnen onder Rosso del Veronese IGT of Valpolicella DOC.

Dat de belangstelling toeneemt, is geen toeval. Producenten zoals Masi, Tedeschi en Zýmē geloven in het potentieel van Oseleta en investeren bewust in deze druif. Dit doen ze niet uit nostalgie, maar omdat ze kwaliteit en onderscheid kan bieden. Jaar na jaar groeit ook het aantal stekken en jonge aanplanten, een teken dat Oseleta meer is dan een curiositeit.

De plant: klein, krachtig, geconcentreerd

Oseleta is compact opgebouwd: kleine vijf-lobbige bladeren, korte internodiën en een opgerichte groeiwijze met veel vrouwelijke scheuten. Ze geeft relatief weinig trossen per stok en de opbrengst is structureel laag. Wie haar aanplant, doet dat niet voor volume, maar voor intensiteit.

De trossen zijn kort, klein en opvallend compact, vaak met een klein zijvleugeltje. De bessen zijn blauwzwart, klein, met een dikke schil en hebben die kenmerkende, iets gezwollen vorm die niet perfect rond is, maar eerder als een omgekeerde druppel of een stompe kegel oogt. Hun dikke huid zit vol kleurstoffen en tannine, het vruchtvlees is neutraal van smaak maar sappig en stevig van structuur. Het sap is opvallend gekleurd, zelfs vóór vergisting. Oseleta is geen echte teinturier, maar ze komt er qua pigmentatie verrassend dicht bij in de buurt.

De rijping gebeurt gemiddeld laat, doorgaans rond eind september. Oseleta bouwt snel suiker op, wat betekent dat ze potentieel krachtige wijnen oplevert. Dankzij de robuuste schil en de compacte trosstructuur blijft ze lang gezond aan de plant. Dat maakt haar bijzonder geschikt voor appassimento of een late pluk.

In de wijngaard gedijt ze het best op droge, goed drainerende bodems met een hoog aandeel grind of zand. Ze heeft een degelijke weerstand tegen botrytis en andere rot, waardoor ze zich goed leent voor een minimale interventieaanpak.

De lage opbrengst, in combinatie met haar uitgesproken fenolische rijkdom, maakt van Oseleta een veeleisende maar dankbare druif. Niet eenvoudig te telen, maar een wijnmaker met kennis van zaken, beschikt over een ras met zeldzame concentratie en structuur.

De wijn: donker, diep en gespierd

Een pure Oseleta-wijn is een zeldzaam maar krachtig beestje. In het glas vinden we een wijn met een diepe robijnrode kleur, vaak met een paarse rand. Die kleurintensiteit is niet enkel optisch: ze weerspiegelt het krachtige karakter dat deze druif van nature bezit.

Het aromaprofiel is uitgesproken en gelaagd. In de neus domineren donker fruit en florale toetsen: zwarte bosbessen, viooltjes, pruimen, vaak aangevuld met kruidigheid, leder en een vleugje teer. Bij rijping treden aroma’s van specerijen zoals kruidnagel, kaneel en zelfs wat wilde kruiden naar voren. De geur is compact, nooit vluchtig, en ontwikkelt zich traag maar trefzeker in het glas.

De mondstructuur is fors, maar niet log. Oseleta levert een volle body met een medium aciditeit en opvallend stevige tannine. Die tannine is robuust, maar zelden ruw, en draagt bij aan de lengte en de bewaarkracht van de wijn. Jong kan de wijn wat gesloten of stroef ogen, met inktachtige trekken en een nadruk op structuur. Met flesrijping verzacht ze en opent ze zich naar een complex en evenwichtig geheel, met meer finesse en diepgang.

Wie een wijn zoekt met persoonlijkheid, bewaarkracht en een uitgesproken structuur, vindt in Oseleta een overtuigende partner.

Wat brengt Oseleta bij in de blend?

We zien Oseleta nog maar sporadisch optreden in Valpolicella wijnen, maar haar bijdrage aan de klassieke blend is intussen moeilijk te negeren. Ze wordt vooral toegevoegd in wijnen als Valpolicella Superiore, Ripasso en Amarone, waar haar specifieke eigenschappen het profiel van de blend verrijken en versterken.

In een assemblage met Corvina, Corvinone, Rondinella en eventueel Molinara levert Oseleta een duidelijke meerwaarde: ze voegt kleurintensiteit toe, verhoogt de structuur en verstevigt het tanninegehalte. Dat maakt de wijn niet per se zwaarder, maar wel stabieler, complexer en langer houdbaar.

Haar rol is ondersteunend maar fundamenteel. Denk aan de baslijn in een muziekstuk: je hoort haar niet altijd expliciet, maar als ze wegvalt, mist het lied de grip. Ze legt als het ware een fundament onder het luchtigere fruit van Corvina en de florale toets van Rondinella. Zeker in krachtige stijlen zoals Amarone, waar de wijn concentratie moet dragen zonder te verzanden in logheid, bewijst Oseleta haar nut.

Wat ook meespeelt: haar dikke schil en hoge fenolische intensiteit zorgen voor wijnen met meer extract en rijpingscapaciteit. Dat komt vooral van pas in warme jaren, waarin andere druiven aan frisheid inboeten. Oseleta houdt de structuur overeind, zonder dominant te worden.

Wijnmakers gebruiken haar dus met mate, vaak in percentages tussen 5 en 10 procent. Maar die kleine toevoeging maakt een merkbaar verschil. In een blend die vaak wordt geprezen om haar elegantie, voegt Oseleta precisie en diepte toe.

Waarom ze een toekomst heeft

Het is niet omdat ik fan ben van deze druif en van de wijnen die ze geeft dat Oseleta misschien een mooie toekomst te wachten staat. De herontdekking past in een bredere tendens: Oseleta past immers naadloos in de hedendaagse zoektocht van wijnmakers naar druiven met karakter, authenticiteit en klimaatresistentie. In een tijd waarin klassieke rassen onder druk staan door hitte, droogte en ziektedruk, biedt deze oude Veronese variëteit precies die eigenschappen waar de toekomst om vraagt.

Haar dikke schil beschermt tegen de brandende zon, uitdroging en rot. De compacte trossen rijpen traag maar krachtig, met een opmerkelijk behoud van fenolische rijkdom. De lage en onvoorspelbare opbrengst maakt haar misschien minder aantrekkelijk voor volumeproducenten, maar net dat dwingt tot een meer selectieve, kwaliteitsgerichte aanpak. In de handen van wijnmakers met visie wordt dat geen beperking, maar een troef.

Oseleta is lokaal verankerd en draagt bij aan de identiteit van Valpolicella. Ze vult de blend aan met structuur, kleur en bewaarpotentieel. Maar ze heeft ook het potentieel om zelfstandig te schitteren, zij het in kleine oplages.

Bovendien spreekt Oseleta een publiek aan dat verder kijkt dan het voorspelbare. Haar uitgesproken stijl trekt liefhebbers aan die zoeken naar spanning, concentratie en raszuivere identiteit in hun glas. Geen allemansvriend, maar wel een druif die indruk maakt en beklijft. Het is dan ook waarschijnlijk dat meer producenten het voorbeeld van Masi, Tedeschi en Zýmē zullen volgen.

Oseleta komt van ver, maar ze is er nog. En alles wijst erop dat ze niet terug zal verdwijnen. Integendeel: in de juiste handen groeit ze uit tot een van de meest markante stemmen in het koor van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje

Molinara: In het verdomhoekje

Alvorens we van start gaan met de ontleding van de minder bekende druivenrassen in de Valpolicella-blend, blijven we eerst nog even stilstaan bij het raadsel dat Molinara heet. Wat is er precies aan de hand met deze druif die ooit verplicht deel uitmaakte van de assemblage, maar vandaag volledig optioneel is? Dat ze hierdoor aan populariteit heeft verloren, is als een open deur intrappen. De druif wordt door heel wat wijnbouwers in de regio bewust gemeden. Vraag je hen waarom, dan halen ze smalend de schouders op.

Toch zijn er ook andere geluiden. Sommige traditionele wijnmakers blijven Molinara trouw, niet uit nostalgie, maar misschien omdat ze iets zien wat anderen over het hoofd lijken te zien. De toekomst zal uitwijzen of Molinara haar plaats terugvindt, of verder wegglijdt in de schaduw van haar krachtigere collega’s.

Een naam met meel aan de handen

Molinara is een blauwe druif uit de provincie Verona. Haar naam verwijst naar het meest kenmerkende visuele detail: een dikke laag pruina op de schil, een witachtig waasje dat doet denken aan bloem. Alsof de druifbes net uit een molen is gerold. Die vergelijking ligt aan de basis van de naam Molinara, afgeleid van het Italiaanse molino, of molen. Ze kreeg ooit ook de bijnaam Uva del Mulino, de molendruif, als eerbetoon aan dat bloemige waasje dat haar eigen maakt.

In het lokale dialect werd ze ook aangeduid als Mulinara, terwijl ze in verschillende regio’s andere namen kreeg die telkens verwijzen naar dezelfde eigenschap. Zo sprak men in de morenische gebieden rond het Gardameer van Rossanella, en langs de oevers van het meer van Rossara (niet te verwarren met de gelijknamige Trentino-variant, dat een totaal ander ras is). In de valleien van Illasi en Tramigna klonk dan weer de naam Brepon molinaro, een oud synoniem dat door botanicus Acerbi in 1825 werd gekoppeld aan de Molinara. Hij maakte een eind aan de verwarring en toonde aan dat het om één en hetzelfde ras ging.

De afkomst van Molinara is een blinde vlek in de druivenstamboom. Maar hoewel haar precieze oorsprong niet met zekerheid te bepalen is, staat vast dat Molinara al eeuwen een vaste waarde is in de wijnbouw van Verona. We gaan er dan ook vanuit dat haar geboorte daar ergens ten velde heeft plaats gevonden.

Een wortel in de Veronese geschiedenis

Dat de geschiedenis van Molinara stevig verankerd is met de wijnbouwtraditie van Verona is voldoende bewezen in geschiedkundige geschriften. De eerste gedocumenteerde vermeldingen dateren uit het begin van de 19e eeuw. In zijn catalogus van druivenrassen uit de provincie Verona (1818–1823) onderscheidde Ciro Pollini Molinara en Brepon molinara nog als afzonderlijke variëteiten. Enkele jaren later, in 1825, bracht botanist Acerbi duidelijkheid: het ging om één en hetzelfde ras. Hij prees haar vruchtbaarheid en haar geschiktheid voor zware gronden. De wijn die ze opleverde was volgens hem “niet erg zwart, maar wel duurzaam”.

In de loop van de 19e eeuw bevestigde de druif haar aanwezigheid in meerdere gezaghebbende bronnen. Ze werd opgenomen in het Catalogo delle varietà di viti del Regno Veneto van graaf Pietro di Maniago (1823) en later door Zantedeschi (1862). Volgens een verslag van G.P. Perez uit 1900 was Molinara verspreid over vrijwel alle wijnbouwzones van Verona. In 1901 noteerde Zava zelfs aanplant in de provincie Padua.

Tijdens de wederopbouw van de wijngaarden na de vernietigende druifluisepidemie in de late 19e eeuw werd Molinara door vooraanstaande onderzoekers zoals Dalmasso, Cosmo en Dall’Olio erkend als een van de lokale rassen waarop opnieuw ingezet moest worden. Haar betrouwbaarheid, opbrengst en regionale verankering speelden daarin een cruciale rol.

In de jaren 1950 werd haar belang opnieuw bevestigd door Montanari en Ceccarelli, die haar als essentieel beschouwden voor de productie in Bardolino, Custoza, Valpolicella en de omliggende valleien. Volgens hun analyse leverde Molinara, samen met Corvina, tot wel 90% van de druiven in deze zones.

Deze historische documenten schetsen een duidelijk beeld: Molinara was geen randfiguur, maar een spil in de ontwikkeling van de wijnbouw rond Verona. Ze was jarenlang een vanzelfsprekend onderdeel van de streek, zichtbaar in de rijen wijngaarden maar zelden benoemd in de fles.

Aanwezig maar op de achtergrond

Hoewel Molinara vandaag een bescheiden rol speelt in de wijngaarden van de Veneto, is ze nog altijd aanwezig. Binnen de DOC Valpolicella neemt ze ongeveer 5 tot 7 procent van de aanplant voor haar rekening. In blends voor de diverse Valpolicella wijnen mag ze tot 25% van de assemblage uitmaken. In Bardolino, inclusief Chiaretto en spumante-versies, varieert haar toegelaten aandeel doorgaans tussen 10% en 20%.

Buiten de klassieke zones van Valpolicella duikt ze nog op in het zuidelijker gelegen Garda-gebied, meer bepaald in de Garda Orientale. In enkele delen van Trentino is ze ook terug te vinden. In de provincie Mantua werd ze tot voor kort zelfs verplicht opgenomen in de DOC Colli Morenici Mantovani del Garda – met een aandeel van 40 tot 80% in de rode en roséwijnen. Vandaag is haar gebruik daar echter sterk teruggelopen.

Ze maakt ook deel uit van diverse IGT-zones, zoals Veneto, Veronese en Alto Mincio.

In een handvol wijnkelders duikt Molinara vandaag opnieuw op in een glansrol, zij het in een andere vorm: als basis voor roséwijnen. Dankzij haar uitgesproken zuren en zilte mineraliteit leent ze zich uitstekend voor elegante, verfrissende wijnen met laag alcoholgehalte en subtiele fruitigheid. Het is een bescheiden comeback, maar een die aantoont dat de druif nog niet volledig is uitgeklonken.

Groei, vorm en gevoeligheid van de Molinara-rank

Molinara is een druif die krachtig groeit, maar die tegelijk ook om ruimte vraagt. De plant ontwikkelt lange, licht gebogen scheuten en voelt zich het best thuis in de pergola veronese, de traditionele opleidingsvorm van Verona die haar toelaat breed uit te waaieren. Het eerste vruchtbare oog bevindt zich pas vanaf de vierde of vijfde knoop, waardoor een langere snoei noodzakelijk is. Ze doet het goed op zwaardere bodems, die rijk zijn aan klei en leem, waar haar groeidrang zich gecontroleerd kan ontwikkelen.

De bladeren vertellen hun eigen verhaal. Jong blad toont een witgroene kleur met zacht rosé aan de randen, vaak fijn behaard met spinachtige draden. Naarmate het blad ouder wordt, ontwikkelt het een herkenbare trilobale vorm en een doffe, grijsgroene kleur. De onderzijde is licht behaard langs de nerven, terwijl de bovenzijde glad en mat blijft. De bladstructuur is vrij regelmatig, met stompe tanden en een uitgesproken V-vormige uitsparing aan de bladsteel.

De trossen zijn middelgroot tot groot, los van structuur en meestal piramidaal opgebouwd, met twee korte zijvleugels. Deze luchtige opbouw maakt haar minder gevoelig voor rot. De bessen zijn gemiddeld van grootte, vaak iets ovaal, met een opvallend blauwviolette kleur en een dikke laag pruina. De schil is stevig, de pulp kleurloos en zoet, zonder uitgesproken aroma’s. Elke bes bevat doorgaans twee pitten.

De fenologische cyclus van Molinara is uitgesproken laat. De bloei valt meestal begin juni, de verkleuring van de bessen volgt in de tweede helft van augustus en de rijping is pas volledig tussen 10 en 30 oktober. Dat maakt haar gevoelig voor het grillige herfstweer. Toch is ze opvallend resistent tegen rot, een eigenschap die uitstekend van pas komt bij het nadrogen van druiven voor Amarone of Recioto.

De productie is overvloedig en doorgaans stabiel, maar Molinara is niet zonder eigenaardigheden. Ze is gevoelig voor vruchtval en onregelmatige vruchtzetting, wat bij stressvolle jaren kan leiden tot ongelijke rijping of opbrengstverlies. Tegen ziekten zoals echte en valse meeldauw is ze redelijk bestand. Ze trekt bovendien minder druivenmotten aan dan veel andere Veronese rassen.

Wat brengt ze in het glas?

Molinara is zelden een solist, maar wie haar als enige druif vinifieert, krijgt een opvallend resultaat. 100% Molinara toont een heldere, robijnrode kleur met schakeringen van rode kers. De neus is fris en delicaat, met aroma’s van framboos, wilde aardbei en een lichte toets van bosbes. Soms duiken er subtiele kruidige nuances op, zoals rozemarijn of laurier. In de mond valt vooral het frisse, speelse karakter op. De wijn is licht van body, laag in alcohol en heeft een uitgesproken zuurgraad. Wat ze mist aan structuur, compenseert ze met een ziltige mineraliteit die lang blijft hangen.

Net omwille van dat profiel wordt Molinara door enkele producenten herontdekt als basis voor rosé. Wijnmakers zoals de Fratelli Vogadori kiezen ervoor om de schillen slechts kort te laten weken, net genoeg om kleur en aroma’s op te vangen zonder bitterstoffen te extraheren. Het resultaat is een rosé met spanning, elegantie en een uitgesproken droge finale.

Toch ligt haar belangrijkste rol niet in solo-optredens, maar in de harmonie van blends. In de klassieke Valpolicella-samenstelling voegt Molinara iets toe wat haar partners vaak missen: levendigheid en spanning. Corvina brengt de ruggengraat en het fruit, Rondinella vult aan met zachte rondingen, maar het is Molinara die zuur, frisheid en structuur binnenbrengt. Die eigenschappen zijn cruciaal, zeker bij wijnen die bedoeld zijn om te rijpen.

In krachtige stijlen zoals Amarone della Valpolicella en Recioto speelt Molinara een verfrissende bijrol. Ze brengt zuur en finesse tegenover de intensiteit van Corvina en de neutraliteit van Rondinella. Die balans zorgt ervoor dat Amarone niet log wordt, maar elegant blijft, zelfs na jaren kelderrust. In Recioto ondersteunt ze het zoete profiel met een backbone van aciditeit, waardoor de wijn levendig en verteerbaar blijft.

Tot 2003 was Molinara verplicht in deze blends. Nadien werd haar rol facultatief, en haar aanplant daalde snel. Veel producenten kozen voor andere druiven met meer kleur en extractie. Toch blijft haar bijdrage in sommige wijnen van onschatbare waarde omdat ze alles samenbrengt zonder op de voorgrond te treden.

Van sleutelras tot schaduwbestaan

Molinara werd decennialang beschouwd als een vaste waarde binnen de Valpolicella-blends. Ze bleef weliswaar steeds op de achtergrond, maar haar rol in de samenstelling van Valpolicella, Ripasso, Amarone en Recioto stond buiten kijf. Tot 2003 was haar aanwezigheid zelfs verplicht. Met de wijziging van de regelgeving werd haar aandeel facultatief. En dat bracht een grote wijzing in het gebruik en toekomst van de druif.

De reden ligt in haar profiel. Molinara is lichtvoetig, zuurhoudend en bescheiden van aroma. In een tijd waarin de wijnmarkt hunkerde naar concentratie, kleur en alcohol, werd dat geen voordeel maar een minpunt. Haar zachte structuur, haar bleke kleur in vergelijking met Corvina, en haar delicate karakter pasten niet bij de stijlen die internationaal succes oogstten. Wijnmakers kozen steeds vaker voor rassen die krachtiger presteerden in de kelder én in de marketing.

Daar kwam bij dat Molinara makkelijk hoge opbrengsten geeft, wat bij gebrek aan zorgvuldige vinificatie tot vlakke, weinig gelaagde wijnen kan leiden. Haar ster doofde geleidelijk. In de wijngaarden werd ze vervangen, blendpercentages werden aangepast, en haar aanwezigheid in de fles raakte op de achtergrond.

En vandaag?

De dominantie van geconcentreerde, alcoholrijke wijnen vertoont barsten. Producenten en wijnliefhebbers keren zich steeds vaker af van overdaad, op zoek naar elegantie, spanning en verteerbaarheid. Molinara past onverwacht goed in dat veranderende landschap.

Haar kwaliteiten zijn precies de elementen waar moderne blends vaak naar verlangen. In roséwijnen speelt ze zelfs een hoofdrol: lichtvoetig, dorstlessend, met karakter. In Valpolicella-blends, waar ze nog altijd is toegestaan, durven sommige wijnbouwers haar opnieuw inschakelen om evenwicht te brengen tussen rijp fruit en structuur.

Molinara is misschien geen druif die een wijn vanzelf naar grote hoogten tilt. Maar om haar dan in het verdomhoekje te zetten? Dat is een brug te ver. Haar bescheiden comeback zegt veel over de evolutie van smaak, én over het belang van druiven die niet zijn ontworpen voor impact, maar voor samenhang. Haar terugkeer is geen nostalgisch gebaar, maar een bewuste keuze voor balans, souplesse en terroir.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 

Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella wijnen hebben we eerder al de hoofdrolspelers Corvina en Corvinone belicht. Terecht, want zij dragen de stijl, het karakter en het fundament van de blend. Ze staan op het hoogste schavotje, met reden.

Maar wat dan met Rondinella, de druif die zelden het woord krijgt, maar wél verplicht aanwezig is in de assemblage? Vaak wordt ze nog net mee opgesomd, en dan begint de motor te sputteren. We weten dat ze erbij hoort, maar wat ze precies bijdraagt of waarin ze uitblinkt, blijft vaag. Ze is een naam die bekend klinkt, maar zelden tot leven komt. Known by name, not by character.

Over de oorsprong van haar naam bestaan twee theorieën. De eerste verwijst naar de zwarte, glanzende schil van de druif, die doet denken aan het verenkleed van de zwaluw, of ‘rondine’. De tweede legt het verband met diezelfde vogels, die zich graag tegoed doen aan de rijpe bessen. In beide gevallen is de link met de fauna van de Veneto poëtisch.

Een geschiedenis tussen gemak en veerkracht

De precieze oorsprong van Rondinella is onbekend, maar haar eerste vermeldingen in officiële bronnen dateren uit het einde van de 19e eeuw. In 1882 dook haar naam op in landbouwverslagen uit Verona, en sindsdien is haar aanwezigheid in de streek onafgebroken gebleven. Rondinella werd op 25 mei 1970 officieel erkend als toegelaten druivenras in Italië en staat sindsdien geregistreerd als ‘Rondinella N. (Nera)’.

Genetisch onderzoek wijst uit dat Rondinella een nakomeling is van Corvina, de centrale druif van de Valpolicella. Die verwantschap verklaart deels haar affiniteit met de regio, maar haar populariteit dankt ze vooral aan haar praktische kwaliteiten in de wijngaard.

Na de verwoestende doortocht van phylloxera, die het Europese wijngaardlandschap aan het einde van de 19e eeuw zwaar trof, gingen wijnbouwers op zoek naar robuuste variëteiten die zich snel konden aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Rondinella bleek een schot in de roos. Ze liet zich vlot enten op Amerikaanse onderstammen, toonde zich bestand tegen kou, droogte en ziektes, en leverde stabiele opbrengsten.

Die combinatie van veerkracht en betrouwbaarheid maakte haar tot een geliefde keuze in de heropbouw van de wijngaarden in de Veneto. Bovendien bleek ze bijzonder geschikt voor het drogen van druiven: haar bessen hebben een dikke schil, behouden hun vorm tijdens het indrogen en slaan makkelijk suikers op. Dat maakt haar tot een ideale partner in de productie van wijnen volgens de appassimento-techniek, zoals Amarone en Recioto della Valpolicella.

Het is belangrijk om Rondinella Nera niet te verwarren met Rondinella Rosa RS. Deze laatste is een kleurmutatie van Rondinella Nera. De druif onderscheidt zich door haar rozige schil, lichtere expressie en wijnen met een bleke kleur en subtiel florale aroma’s. Hoewel genetisch verwant, wordt ze apart beheerd en blijft haar aanplant voorlopig beperkt tot enkele proefvelden in de provincie Verona. Ze werd ontdekt in een wijngaard van het wijnhuis Zymè in Illasi, waar enkele stokken opvallend lichtere bessen vertoonden.

Verspreiding: een vertrouwd gezicht in de Veneto

Rondinella is sterk verankerd in de provincie Verona en is haast onlosmakelijk verbonden met de Valpolicella-regio. Hoewel ze zelden buiten Veneto voorkomt, is haar rol binnen deze zone niet te onderschatten. De druif speelde lange tijd een dominante rol in de wijngaarden van Valpolicella, met een aandeel dat ooit de helft van de aanplant benaderde. Hoewel haar aandeel sindsdien is teruggelopen, blijft ze een vaste waarde dankzij haar betrouwbaarheid, weerstand tegen ziektes en voorspelbare opbrengst. Haar rol mag dan minder prominent zijn geworden, ze blijft essentieel in het evenwicht van de Valpolicella-blend.

In de praktijk vinden we Rondinella terug in vrijwel alle belangrijke appellaties van de streek: Valpolicella DOC, Valpolicella Superiore Ripasso DOC, Amarone della Valpolicella DOCG en Recioto della Valpolicella DOCG. Haar aandeel in de blends varieert doorgaans tussen 5 en 30 procent, waarbij ze een ondersteunende rol speelt naast Corvina en Corvinone.

Ook in de Bardolino DOC en Bardolino Superiore DOCG is Rondinella prominent aanwezig, met een aandeel dat kan oplopen tot 40 procent. In deze appellatie wordt ze soms ook ingezet voor het maken van rosato, al blijft ze, net als elders, zelden als monocepage gevinifieerd.

Buiten Verona is Rondinella erkend in Lombardia, en toegelaten in diverse IGT’s zoals Trevenezie, Veneto, en Provincia di Verona. Toch blijft haar verspreiding buiten de Veneto zeer beperkt, wat haar regionale identiteit des te sterker maakt. Ze is dus niet de druif die verre horizonten opzoekt, maar wel een vaste waarde in haar thuisgebied.

De wijnstok: betrouwbaar en efficiënt

Rondinella is een druivenras dat wijnbouwers vertrouwen inboezemt. Ze is voorspelbaar, bezit veerkracht en belangrijk, een constante kwaliteit. Wat ze mist aan expressieve flair in de wijngaard, maakt ze ruimschoots goed door haar praktische kwaliteiten.

De plant vertoont een stevige groeikracht en voelt zich thuis op uiteenlopende bodems. Ze verdraagt zowel droogte als kou en toont een hoge natuurlijke weerstand tegen ziektes, schimmels en rot. Dit maakt haar uitermate geschikt voor duurzame teelt, zonder overmatige afhankelijkheid van chemische tussenkomst.

Rondinella heeft gemiddeld twee tot drie bloemtrossen per scheut, soms zelfs vier, wat bijdraagt aan haar stabiele productie. De trossen zelf zijn middelgroot, piramidaal van vorm en vaak voorzien van een of twee kleine zijarmen. Ze zijn eerder compact en hangen aan korte, stevige steeltjes.

De bessen zijn rond, gemiddeld van grootte, met een dikke, donkerblauw tot zwart-violette schil die bedekt is met een fijne waslaag. Deze schil beschermt niet alleen tegen rot, maar maakt de druif ook bijzonder geschikt voor het drogen, wat essentieel is voor appassimento-wijnen.

De pulp is sappig, met een zoete, neutrale smaak, wat ze ideaal maakt als ondersteunende component in blends. De rijping verloopt vrij regelmatig en vindt doorgaans plaats in de tweede helft van september, wat haar tot een laatrijpende variëteit maakt.

Rondinella vraagt doorgaans om een langere snoei en gedijt goed in ruime, open geleidingssystemen. Ze is dus geen lastige druif om te telen, maar ze vraagt wel wat ruimte om haar potentieel volledig te benutten. Kortom, Rondinella is de metronoom van de wijngaard: discreet, precies en betrouwbaar. Ze groeit regelmatig, geeft stabiele opbrengsten en vraagt zelden om extra aandacht. In die zin sluit haar gedrag mooi aan bij de vermoedelijke oorsprong van haar naam: de zwaluw (rondine), een vogel die beweeglijk en standvastig is, maar zelden op de voorgrond treedt.

De wijn: steunpilaar in de blend

Hoewel we zelden tot nooit een monocépage wijn van Rondinella zullen tegenkomen kenmerkt de wijn op basis van deze druif zich door een heldere tot diepe robijnrode kleur. In de neus duiken vooral tonen op van rode kersen, viooltjes en subtiele kruidigheid. Het aroma is niet uitgesproken complex, maar wel zuiver.

In de mond toont Rondinella zich evenwichtig: medium van body, met frisse zuren, lage tannine en een zachte, toegankelijke structuur. Die combinatie maakt haar wijnen licht verteerbaar, levendig en bijzonder stabiel.

Rondinella is dus zelden de ster van het podium. Haar kracht ligt in de blend, waar ze zelden meer dan een ondersteunende rol speelt. In de Valpolicella-blends staat ze naast Corvina, Corvinone en soms Molinara, waarbij ze kleur, zuren en een zekere frisheid toevoegt, zonder de expressie van de hoofdvariëteiten te overschaduwen.

Diezelfde eigenschappen maken haar ook geschikt voor appassimento-wijnen zoals Recioto della Valpolicella, waar haar vermogen om suiker op te slaan van cruciaal belang is. In deze stijl draagt ze bij aan de balans tussen zoetheid, zuren en structuur.

Rondinella is zelden opvallend aanwezig in het glas, maar wel essentieel voor het evenwicht. Ze biedt precies wat een blend nodig heeft: stabiliteit, frisheid en draagkracht, zonder de ambitie om zelf te domineren.

Waarom geen monocépage wijnen?

Het is een vraag die zich bijna opdringt: waarom wordt van de ene druif wel een monocépage gemaakt en van de andere niet? Rondinella, bijvoorbeeld, kom je zelden of nooit solo tegen in het schap. En eerlijk gezegd, een sluitend antwoord is moeilijk te geven.

Misschien is het omdat ze op zichzelf te weinig expressie heeft, of omdat haar profiel te lineair wordt zonder de steun van Corvina of Corvinone. Misschien ook omdat ze juist zó goed werkt in een blend, dat niemand ooit echt behoefte gevoeld heeft om haar alleen in de schijnwerper te plaatsen. Je proeft haar meestal enkel op vat of uit de tank, in het overgangsmoment tussen druif en assemblage. Dat maakt het moeilijk om haar als individu volledig te doorgronden.

Is ze te neutraal? Te correct? Of net te dienstbaar? Dat is voer voor discussie. Er zal ongetwijfeld een goede reden achter zitten, en misschien is het niet eens één reden, maar een optelsom van technische keuzes, historische gewoontes en marktlogica.

Met de Amici-reis naar Valpolicella in het vooruitzicht lijkt dit het uitgelezen moment om daar eindelijk eens een goed gesprek over te voeren. Op de plek zelf, met de mensen die er dagelijks mee werken. Want als er één plek is waar Rondinella wél volwaardig aan tafel zit, dan is het daar.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Dat er behoorlijk wat druiven zijn toegelaten in de blend van Valpolicella wijnen, is nog zacht uitgedrukt. Naast de gebruikelijke verdachten duiken ook minder bekende namen op. Zo was tot voor kort ook Corvinone een nobele onbekende. Maar wat moeten we eigenlijk denken van deze Corvinone? Lange tijd werd ze gezien als een variant van Corvina, en waren het vooral blends met Corvina, Rondinella en Molinara die de dienst uitmaakten. Vandaag is Corvinone niet alleen een erkende variëteit, maar ook een vanzelfsprekend onderdeel van het team. Het is maar weinige druiven gegeven om zo snel en overtuigend binnen te dringen in wat jarenlang gold als een perfect uitgebalanceerde ploeg.

Van naam tot identiteit

De naam Corvinone laat weinig aan de verbeelding over. Het achtervoegsel -one betekent in het Italiaans ‘groot’ of ‘groter’, waardoor de term letterlijk vertaald kan worden als ‘grote Corvina’. Die benaming heeft geleid tot een hardnekkige veronderstelling: dat Corvinone een grotere variant of mutatie van Corvina zou zijn. En toegegeven, die aanname lag voor de hand.

Beide druiven worden vaak samen aangeplant, delen gelijkaardige aroma’s van kersen en kruiden, en vertonen op het eerste gezicht fysieke gelijkenissen in trosstructuur en kleur. Bovendien was het gebruik van Corvinone in blends lange tijd ondergeschikt aan Corvina, wat de indruk versterkte van een ondersteunende, eerder afgeleide rol.

Toch bleek die verwantschap slechts schijn. In de jaren 1980 werd in Italië genetisch onderzoek opgestart, onder andere door het Istituto Sperimentale per la Viticoltura di Conegliano en zijn afdeling in Verona. De conclusie liet weinig ruimte voor twijfel: Corvinone is géén mutatie of kloon van Corvina, maar een genetisch afzonderlijke druivensoort.

De officiële erkenning liet nog enkele jaren op zich wachten. Op 15 juli 1993 werd Corvinone opgenomen in het Italiaanse nationale druivenregister. Daarmee kreeg de druif een symbolische rehabilitatie als volwaardige variëteit. Vandaag is duidelijk dat Corvinone een eigen identiteit heeft, zowel in de wijngaard als in het glas. Haar naam mag dan nog verwijzen naar een vermeende familieband, de druif staat stevig op eigen benen.

De stille revolutie van Corvinone

Corvinone kende jarenlang een bescheiden bestaan in de schaduw van grotere namen binnen Valpolicella. Vandaag is dat beeld grondig bijgesteld. De plots toegenomen belangstelling voor deze druif is niet te verklaren door één enkele eigenschap, maar door een samenspel van kwaliteiten die net nu bijzonder relevant zijn.

Voor wijnbouwers biedt Corvinone zekerheid. De plant is relatief sterk en minder vatbaar voor ziekten, wat belangrijk is in een regio waar de herfstmaanden het verschil maken tussen een degelijk en een groot wijnjaar. De trossen zijn stevig en compact, maar tegelijk luchtig genoeg om gecontroleerd te kunnen indrogen, wat cruciaal is voor appassimento. Die geschiktheid voor droging heeft ertoe geleid dat Corvinone snel terrein won in de productie van Amarone en Recioto, twee wijnen die internationaal aanzien genieten en waar de druk op kwaliteit bijzonder hoog ligt.

Ook in termen van smaakprofiel biedt Corvinone precies wat veel wijnmakers zoeken. De druif levert niet alleen volume, maar ook frisheid en een herkenbare kruidigheid die voor spanning zorgt in het smaakprofiel. Wie Amarone maakt, weet dat structuur belangrijk is, maar dat overextractie het risico met zich meebrengt van vermoeiende wijnen. Corvinone weet daarin het midden te vinden: kracht met behoud van finesse.

De keuze voor Corvinone is dus zelden louter technisch. Ze is een manier geworden om Valpolicella opnieuw te definiëren, met wijnen die expressief en gastronomisch inzetbaar zijn, maar die tegelijk trouw blijven aan hun oorsprong. De druif past in een evolutie die gericht is op zuiverheid, balans en regionale identiteit. Precies dat maakt haar op vandaag zo gegeerd, niet enkel bij producenten die mikken op volume, maar net zo goed bij wie inzet op finesse.

De snelle verspreiding van Corvinone is niet het resultaat van toeval of trends. Ze is het logische gevolg van een zoektocht naar druiven die zowel wijngaard als kelder aankunnen, die technische kwaliteit koppelen aan stijl, en die kunnen meegroeien met een publiek dat geen genoegen meer neemt met generiek of voorspelbaar. In dat verhaal speelt Corvinone geen bijrol meer. Ze is uitgegroeid tot een discreet maar doorslaggevend hoofdpersonage.

Een grillige groeier met potentieel

Wie Corvinone in de wijngaard observeert, merkt al snel dat het geen alledaagse druif is, maar wel een die duidelijk potentieel toont De wijnstok combineert een uitgesproken morfologie met eigenschappen die haar zowel uitdagend als aantrekkelijk maken voor wijnbouwers met oog voor detail.

De bladeren zijn groot, vijflobbig en hebben een uitgesproken V-vormige bladsteelinsnijding. De onderzijde is kaal en licht bobbelig, wat typisch is voor deze variëteit. De jonge scheuten zijn groen, met een licht behaard topje. Ook fenologisch is Corvinone wat vertraagd: de knopbreuk is laat, de bloei valt gemiddeld, en de rijping gebeurt pas in de tweede helft van oktober.

De trossen zijn robuust, groot en piramidaal, vaak met één of twee zijvleugels. Ondanks hun volume zijn ze compact gebouwd, wat een dubbel effect heeft. Enerzijds is er voldoende bescherming van de bessen, anderzijds zorgt de dichte structuur voor een ongelijke rijping. Die asynchroniciteit dwingt de wijnbouwer tot zorgvuldige selectie, vooral als de druiven bestemd zijn voor directe vinificatie in plaats van droging. Wie daar onvoldoende op anticipeert, riskeert ruwe tannine of groene tonen in het eindproduct.

De bessen zelf zijn ellipsvormig, middelgroot tot groot, met een dikke, blauwzwarte schil die rijk is aan pruïna. Dit maakt Corvinone minder gevoelig voor schimmels en bevordert haar geschiktheid voor appassimento. De robuuste schil vertraagt oxidatie en beschermt de druif tijdens het indrogingsproces, een troef die ze deelt met Corvina maar in grotere mate bezit.

Op agronomisch vlak is Corvinone betrouwbaar, maar veeleisend. Ze vraagt een geschikte bodemstructuur, voldoende ventilatie in de troszone en een oogst die niet uitsluitend op rendement is gericht. Wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, levert de plant druiven die rijpheid, aromatische diepte en technische stabiliteit combineren.

Wortels in Verona, vleugels in Valpolicella

De aanwezigheid van Corvinone is vandaag onlosmakelijk verbonden met de regio Veneto, en meer bepaald met de provincie Verona. Daar ligt haar oorsprong, daar ontwikkelde ze zich, en daar beleeft ze vandaag haar tweede jeugd. Met ongeveer 900 hectare aangeplante oppervlakte in 2023 is ze nog steeds bescheidener dan Corvina, maar de kloof wordt kleiner. Rond 1990 telde men nog amper 90 hectare, wat haar heropleving des te opvallender maakt.

Binnen Verona concentreert Corvinone zich vooral in de oostelijke delen van Valpolicella, waar de heuvels, de ventilatie en het verschil in dag- en nachttemperaturen haar eigenschappen ten volle tot uiting laten komen. Op de vlaktes doet ze het minder goed: de luchtcirculatie is er beperkter, de bodem vaak te rijk, en de druif verliest er haar focus.

In de DOC-gebieden van Valpolicella, Valpolicella Superiore, Valpolicella Ripasso en Bardolino is Corvinone vandaag een vast onderdeel van het toegestane druivenpakket. Ook in de prestigieuze DOCG’s zoals Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore is ze wettelijk erkend. Binnen deze appellaties mag Corvinone tot 50 procent van de blend uitmaken, naast onder andere Corvina, Rondinella en Molinara. Buiten de klassieke zones komt ze voor in enkele IGT-wijnen, zoals Veneto, Trevenezie en Verona, waar haar naam zelfs expliciet op het etiket vermeld mag worden.

Corvinone wordt vrijwel nooit als monocepage gevinifieerd, maar is een vaste waarde in blends. Ze wordt vaak samen met Corvina aangeplant, wat de timing van de oogst vereenvoudigt en het vinificatieproces stroomlijnt.

Karakter in de blend

Het potentieel van Corvinone is groot, maar komt pas echt tot uiting onder de juiste omstandigheden. Dat verklaart waarom ze zelden als monocepage op de markt verschijnt. Wie het toch probeert, stuit vaak op een complex profiel dat krachtig maar stroef kan uitvallen, zeker wanneer de bessen niet homogeen rijpen. Zonder strikte selectie in de wijngaard ontstaat het risico op te groene of hoekige toetsen die het fruit overschaduwen.

Binnen blends ligt haar ware kracht. In combinatie met Corvina brengt Corvinone een opvallende hoeveelheid structuur, zuur en kruidigheid in het glas. Ze biedt een tegengewicht voor de zachte rondingen van Corvina, zonder de balans te verstoren. De hogere zuurtegraad zorgt voor spanning en een langere, frissere afdronk. In een warm klimaat als dat van de Valpolicella is dat een absolute troef.

De kleur van een wijn met Corvinone is doorgaans diep robijnrood, een gevolg van de dikke, intens gekleurde schil. Het aromatische profiel draait rond zwarte kers, zwarte bes en specerijen, met vaak een herkenbare toets van zwarte peper. Die laatste is het resultaat van een verhoogde concentratie rotundone, een molecule die ook in Syrah druiven voorkomt. Het geeft de wijn een herkenbaar en gelaagd karakter.

De tannine van Corvinone is merkbaar hoger dan die van Corvina. In jeugdige wijnen kan dat voor wat stroefheid zorgen, maar met flesrijping ontwikkelt zich een fijne, dragende structuur. Vooral in Amarone en Ripasso vormt ze daardoor een cruciale schakel. Zonder haar zouden veel van deze wijnen aan grip verliezen.

Corvinone is dus geen solist, maar wel een onmisbare stem in het ensemble. Ze zorgt voor basiskracht, aromatische diepte en technische stabiliteit. Mits zorgvuldige vinificatie levert ze wijnen met een gelaagdheid die in de Valpolicella vandaag als een kwaliteitskenmerk geldt.

De vraag is niet óf Corvinone een belangrijkere rol zal spelen, maar hoe snel die evolutie zich voltrekt in de definitieve signatuur van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella

Corvina, het fundament van Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella-wijnen zijn we aan de ontleding van de blend toegekomen. De belangrijkste druiven die deel moeten of kunnen uitmaken van de Valpolicella-samenstelling, nemen we onder het vergrootglas. Uiteraard starten we met Corvina. Wie Valpolicella zegt, zegt Corvina. Deze blauwe druif is zonder twijfel de belangrijkste variëteit van de streek rond Verona. Ze vormt de ruggengraat van wijnen als Valpolicella Classico, Ripasso, Recioto en Amarone. Zonder Corvina geen Valpolicella, althans niet in zijn klassieke vorm.

De druif is wijdverspreid in het westen van Verona, van de heuvels rond het Gardameer tot diep in de Valpolicella. Haar rol gaat echter verder dan geografische aanwezigheid. Corvina geeft structuur, zuren, aromatische verfijning en de nodige spanning aan de wijnen van de regio. Ze bezit bovendien de zeldzame eigenschap om goed te gedijen in zowel frisse als warme omstandigheden, en leent zich uitstekend tot het indrogen van de druiven, een essentiële techniek voor de productie van Recioto en Amarone.

Toch blijft Corvina een druif met schakeringen. Doorheen de geschiedenis zijn verschillende biotypen en synoniemen opgetekend. Sommige zijn vrijwel verdwenen, andere leven voort in oude wijngaarden of zijn recent herontdekt. Wat ze allemaal gemeen hebben is hun bijdrage aan het unieke profiel van Valpolicella-wijnen: geurige finesse, zachte tannine en een haast moeiteloze elegantie, zelfs in de krachtigste expressies.

Ook de wijnwereld ontsnapt niet aan trends. Vernieuwing is al enige tijd aan de gang, en Corvina ontsnapt daar niet aan. Tijdens onze volgende wijnreis met Amici, komende lente, zullen we ongetwijfeld wijnbouwers ontmoeten die monocépage Corvina op de markt brengen. Enkele jaren geleden nog een uitzondering, vandaag een bon-ton keuze bij veel moderne producenten. Hetzelfde gebeurt met andere protagonisten uit de blend, zoals Oseleta of Croatina. Uiteraard vallen deze wijnen niet langer onder de Valpolicella-appellatie maar onder de bredere Veneto IGT. Een evolutie om met open blik te volgen, al blijft de klassieke blend voorlopig onaantastbaar in haar balans.

De schaduw van de raaf

Hoewel we vaak kortweg spreken over Corvina, is de officiële benaming van deze druif Corvina Veronese. In sommige documenten verschijnt ook de aanduiding Corvina N, waarbij de N staat voor nero, een verwijzing naar de blauwe kleur van de druif.

De herkomst van de naam Corvina wordt meestal verklaard vanuit het Italiaanse woord corvo, wat raaf betekent. Dat verwijst naar de intens blauwzwarte kleur van de rijpe bessen. Er bestaat echter ook een alternatieve verklaring die verwijst naar het lokale dialect uit Verona. Het woord cruina betekent daar ‘onrijp’ of ‘laat rijpend’, wat perfect aansluit bij het feit dat Corvina een laatrijpende druif is, doorgaans pas geoogst in de derde tot vierde rijpingsperiode van het seizoen.

In de loop der tijd dook Corvina onder allerlei verschillende namen op. Soms ging het echt om dezelfde druif, soms om iets anders. Namen zoals Cruina, Corbina en Cassabria kwamen geregeld voor. Daarnaast zijn er ook varianten met gelijkaardige namen zoals Corvina Gentile, Corvinella, Corvina Rizza en Corvinone. Lange tijd dacht men dat dit allemaal verschillende druiven waren, of hoogstens variaties op éénzelfde soort.

Pas recent, dankzij DNA-onderzoek en gedetailleerde druivenstudies, is er duidelijkheid gekomen. Corvina Veronese blijkt een op zichzelf staande druif te zijn, genetisch verschillend van bijvoorbeeld Corvinone. De andere namen verwijzen meestal naar kleine verschillen in uitzicht of groeiwijze van planten binnen dezelfde familie, en worden tegenwoordig beschouwd als variaties of natuurlijke afsplitsingen van het originele type.

Van bijrol naar hoofdrol

De geschiedenis van Corvina gaat niet zo heel ver terug. Slechts mondjesmaat is er geschiedkundige informatie over te vinden. De oudste bekende verwijzing komt uit de zeventiende eeuw, toen Zerveri de Gatto melding maakte van een druif die opvallend veel gelijkenissen vertoont met wat we vandaag herkennen als Corvina Veronese. Toch bleef de druif lange tijd in de schaduw van andere lokale rassen en werd ze zelden afzonderlijk benoemd. Ze maakte deel uit van een bredere familie van rode druiven die in de regio rond Verona samen werden aangeplant en verwerkt, vaak zonder strikte naamgeving of duidelijke variëteitsherkenning.

Pas in de achttiende en negentiende eeuw verschenen er meer gestructureerde ampelografische beschrijvingen. Landbouwkundigen en botanici begonnen de druivensoorten nauwkeuriger te onderscheiden, waarbij Corvina geleidelijk een herkenbaar profiel kreeg. Toch duurde het tot de twintigste eeuw vooraleer haar identiteit als afzonderlijke variëteit formeel werd vastgelegd. In 1970 werd Corvina Veronese officieel opgenomen in het Italiaanse druivenregister.

De ware doorbraak kwam er met de evolutie van de Valpolicella-regio zelf. In de loop van de twintigste eeuw groeide de vraag naar kwaliteitswijnen en daarmee de behoefte aan druiven met karakter, structuur en bewaarpotentieel. Corvina bleek perfect aan die verwachtingen te voldoen. Haar frisse zuren, zachte tannine, aromatische precisie en geschiktheid voor appassimento-technieken maakten haar tot de logische ruggengraat van wijnen als Amarone, Recioto en later ook Ripasso.

Wat aanvankelijk een druif was onder velen, groeide uit tot het fundament van een van Italië’s bekendste wijngebieden. Vandaag wordt Corvina erkend als een sleutelvariëteit die bovendien ook een verdere toekomst mogelijk maakt, zowel in blends als in pure vorm.

Veneto rules

Corvina wordt vrijwel uitsluitend geteeld in de regio Veneto, met een sterke concentratie in de provincie Verona. Binnen deze provincie is de druif vooral aanwezig in het westen, op de heuvels tussen het Gardameer en de klassieke zone van Valpolicella. Hier, in de Valpolicella Classica, bereikt ze haar hoogste expressie. Ook in de uitgebreidere zones van Valpolicella is Corvina aanwezig, zij het iets minder prominent.

In het Bardolino-gebied, aan de zuidoostelijke kant van het Gardameer, speelt Corvina eveneens een hoofdrol. Ze vormt daar de basis van zowel rode als roséwijnen, vaak in lichtere stijl dan in Valpolicella. Ook in andere kleine DOC’s rond Verona duikt Corvina geregeld op, meestal in blends.

De aanplant van Corvina is in de voorbije decennia sterk gegroeid. In 1970 werd nog minder dan 4.000 hectare geregistreerd. Vandaag staat de teller op meer dan 7.500 hectare, waarvan het overgrote deel zich situeert binnen de appellaties Valpolicella en Bardolino.

Binnen die appellaties gelden duidelijke regels. In Bardolino moet Corvina minimaal 35 procent van de blend uitmaken, en dat aandeel kan oplopen tot 95 procent. Voor Valpolicella gelden gelijkaardige cijfers: een minimum van 45 procent en een maximum van 95 procent Corvina in de assemblage. In praktijk is het aandeel vaak nog hoger, zeker bij kwaliteitsgerichte producenten.

Corvina is vandaag officieel toegelaten binnen meerdere herkomstbenamingen. Onder de DOCG’s zijn dat Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore. Binnen de DOC’s zijn Valpolicella, Valpolicella Ripasso, Bardolino en Garda de voornaamste gebieden. Buiten deze beschermde oorsprongsbenamingen is Corvina ook erkend in diverse IGT’s, zoals Veneto, Trevenezie en Veronese, waar ze vaak als monocépage op de markt wordt gebracht.

Daarnaast is Corvina in beperkte mate toegestaan in enkele IGT’s buiten de provincie Verona. Zo laat de IGT Vallagarina, gelegen op de grens tussen Veneto en Trentino, formeel de aanplant van Corvina toe. Ook in enkele IGT-zones van Lombardije, zoals Alpi Retiche in de provincie Sondrio, is Corvina wettelijk toegelaten, al wordt ze daar in de praktijk nauwelijks aangeplant. In deze gebieden blijft de aanwezigheid van Corvina vooral symbolisch en beperkt tot kleinschalige of experimentele projecten.

Karakter in de wijngaard

Corvina is een krachtige groeier met een uitgesproken profiel in de wijngaard. De wijnstok is stevig opgebouwd, met een robuuste houtstructuur, opvallend lange tussenstukken tussen de knopen en krachtige knoppen. Het blad is middelgroot, vijf-lobbig met scherpe tanden, donkergroen aan de bovenzijde en licht behaard aan de onderkant. In de herfst kleuren de bladeren opvallend rood, een visueel kenmerk dat haar onderscheidt van andere variëteiten.

De trossen zijn middelgroot, compact en lopen licht taps toe. Vaak dragen ze een extra vleugel, wat in de volksmond Corvina doppia wordt genoemd. De bessen zijn middelgroot, ovaal en blauw-violet van kleur. Hun schil is dik en bezit een natuurlijke waslaag die bescherming biedt tegen uitdroging. Deze stevige schil is essentieel voor appassimento: ze voorkomt rot tijdens het drogen en draagt bij aan het behoud van aroma’s en zuren.

De pulp is sappig, zachtzoet en bevat meestal twee tot drie pitten. In de schil bevinden zich hoge concentraties aan polyfenolen en antioxidanten zoals resveratrol. Die maken de druif niet alleen resistenter tegen schimmels, maar ook interessanter voor producenten die zoeken naar structuur en bewaarpotentieel in hun wijn.

Corvina rijpt laat, doorgaans pas eind september of begin oktober. Dat betekent dat ze gevoelig is voor weersomstandigheden in de laatste groeifase. Om dit op te vangen, maken veel producenten gebruik van het traditionele Veronese pergola-systeem. Deze teeltwijze biedt schaduw, betere ventilatie en extra ondersteuning voor de relatief zware trossen. Ze helpt de rijping te vertragen en verhoogt tegelijk het gehalte aan kleurstoffen en fenolische stoffen in de druif. Het systeem vraagt wel meer arbeid en dus hogere productiekosten, maar wordt om zijn effectiviteit nog altijd veel toegepast.

Kortom Corvina staat er als een stevig geheel: een robuuste wijnstok met laat rijpende trossen, dikke schillen en een natuurlijke balans tussen aromatische finesse en structurele kracht. In de wijngaard toont ze geduld, maar wie dat geduld opbrengt, wordt beloond met een druif die bestand is tegen droogte, geschikt is voor droging en garant staat voor complexe, evenwichtige wijnen.

Stijl en expressie

Corvina levert een opvallend breed scala aan wijnstijlen, van lichtvoetige rosato tot krachtige Amarone. Haar ware kracht ligt in haar veelzijdigheid: ze past zich aan de vinificatiestijl aan, zonder haar karakter te verliezen.

Als zuivere variëteit of in frisse blends geeft Corvina een wijn met een helder robijnrode kleur. In de neus komen florale en kruidige aroma’s naar voren, met viooltjes, rozemarijn en een toets van balsamico. Op het palet domineren rijpe en zure kersen, soms aangevuld met braambes, kaneel of zwarte peper. De wijn is doorgaans hoog in zuren, met zachte tot medium tannine, en daardoor bijzonder geschikt voor wijnen met een zekere elegantie en lengte.

In haar jeugd toont Corvina zich vooral fruitig en levendig. Met wat flesrijping komen meer aardse en kruidige nuances naar boven, soms zelfs minerale of tertiaire aroma’s. Goed gemaakte Corvina’s kunnen verrassend goed ouderen, zeker wanneer ze met concentratie en zorg gevinifieerd zijn. Dit geldt zowel voor blends als voor monocépagewijnen.

De appassimento-techniek, waarbij de druiven worden ingedroogd, opent een heel ander spectrum. Tijdens dit gecontroleerde proces stijgt het gehalte aan glycerine en gluconzuur in de druif, wat zorgt voor een fluwelige structuur en een bijna romige mondgevoel. “Withering is not a simple dehydration,” zoals de literatuur het kernachtig samenvatte. Het is een geleidelijke metamorfose die rijkdom, diepte en souplesse oplevert.

Uit ingedroogde Corvina ontstaan twee iconische stijlen: Recioto en Amarone. Recioto is intens geurig, zachtzoet en fluweelachtig, met aroma’s van gedroogde bloemen, krenten, kruiden en cacao. Amarone is de gespierde tegenhanger: droog, vol, krachtig en complex, maar dankzij Corvina’s frisse zuren en zachte textuur nooit log. Beide stijlen hebben een indrukwekkend verouderingspotentieel en behoren tot de absolute top van wat Italië in rood te bieden heeft.

Naast deze grote wijnen zijn er ook lichtere stijlen waarin Corvina haar finesse toont. In Bardolino bijvoorbeeld speelt ze een hoofdrol in frisse rosato’s met knapperig rood fruit en levendige zuren. Ook mousserende versies bestaan, al blijven die zeldzaam en eerder regionaal van belang.

Wat al deze stijlen bindt, is de rol van Corvina als bron van spanning, elegantie en aromatische verfijning. Of ze nu jong, droog, zoet, krachtig of luchtig gevinifieerd wordt, haar signatuur blijft herkenbaar: kers, zuren, zachte tannine en een zekere ingetogenheid die met tijd alleen maar aan diepgang wint.

Een stille verschuiving

Laat ons het glas heffen met een heerlijke La Poja van Allegrini en klinken op de toekomst van Corvina: een druif met een dubbele ziel, tegelijk delicaat en krachtig, stevig verankerd in de Valpolicella, maar open voor de toekomst.

Toch plaatsen we een kanttekening waarmee we de brug maken naar ons volgende artikel. Terwijl Corvina terecht wordt gevierd als ruggengraat van Valpolicella, zien we dat Corvinone steeds vaker opduikt als interessante aanvulling binnen de blend.

Is er een machtsverschuiving aan de gang in de wijngaarden rond Verona? Niet meteen. Maar wie goed oplet in de kelders en proeverijen van vandaag, merkt dat Corvinone in stilte aan invloed wint. Misschien geen paleisrevolutie, maar wel een stille herwaardering.

Volgende keer nemen we Corvinone onder de loep: de druif die ooit in de schaduw van Corvina leefde, en stilaan haar eigen stempel begint te drukken.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse