Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug

Uiteraard had ik als voorbereiding op ons bezoek aan de wijngebieden van Alto Piemonte grondig mijn huiswerk gemaakt en het nodige opzoekwerk gedaan. Eens we ginds ter plekke waren, viel het pas echt op hoe klein en versnipperd die wijngaarden over Alto Piemonte verspreid liggen.

Soms merkte ik wel een grotere concentratie van wijngaarden, zoals in Boca, langs de Strada della Traversagna, de SP32 richting Grignasco, waar we verschillende wijngaarden gingen opzoeken. Maar niets, werkelijk niets, doet vermoeden dat hier ooit op grote schaal aan wijnbouw werd gedaan en dat Alto Piemonte zelfs tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde.

De glamour van de 19e eeuw

In de diverse vakliteratuur die ik ter voorbereiding doornam, ontdekte ik dat Alto Piemonte rond het einde van de negentiende eeuw ongeveer 40.000 hectare wijngaarden telde. Vandaag blijft daar met zowat 800 hectare nog maar een fractie van over. Het gebied behoorde destijds tot de belangrijkste wijngebieden van Noord Italië en was voor Nebbiolo een absolute referentie. Gattinara, Ghemme, Lessona, Boca, Bramaterra en Sizzano genoten een stevige reputatie. Hun wijnen werden verkocht in Turijn en Milaan en vonden ook buiten Piemonte afzet. De nabijheid van Lombardije en de handelsroutes richting Centraal Europa maakten Noord Piemonte commercieel interessant.

Dat de wijnen ook kwalitatief hoog werden ingeschat, blijkt uit een bekende brief uit 1845. Camillo Benso di Cavour kreeg toen enkele flessen Sizzano toegestuurd door Giacomo Giovanetti uit Novara. Cavour was onder de indruk. Hij vergeleek het bouquet van de wijn met dat van Bourgogne en schreef dat de heuvels rond Novara volgens hem met die van Bourgogne konden wedijveren.

Vandaag wordt Cavour vooral met Barolo in verband gebracht. Midden negentiende eeuw keek hij voor grote Piemontese wijn dus ook nadrukkelijk naar het noorden.

Van 40.000 hectare naar enkele honderden

Merkwaardig genoeg begonnen de eerste tekenen van achteruitgang in dezelfde periode waarin Alto Piemonte nog tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde. In 1846 verhoogde Oostenrijk de invoerrechten op Piemontese wijn naar het Lombardisch Venetiaanse Koninkrijk fors. Een belangrijke afzetmarkt werd daardoor moeilijker bereikbaar. Dat probleem trof uiteraard niet alleen Alto Piemonte, maar ook de andere Piemontese wijngebieden.

De tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brachten bovendien de bekende problemen waarmee zowat heel Europa af te rekenen kreeg. Oidium, peronospora en phylloxera troffen ook Alto Piemonte en verplichtten wijnbouwers tot zware investeringen en heraanplant. In 1905 kwam daar lokaal nog een verwoestende hagelstorm bovenop, waarna ook de beide wereldoorlogen hun tol eisten.

Dat alles versnelde de terugval, maar verklaart nog niet waarom Alto Piemonte uiteindelijk zoveel sterker kromp dan veel andere historische wijngebieden. De echte omslag kwam er door de industrialisering van de regio en de geleidelijke uittocht uit de landbouw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw industrialiseerde de textielnijverheid rond Biella in snel tempo en groeide de streek uit tot een belangrijk centrum voor wol en textiel. Na de Tweede Wereldoorlog nam die beweging nog sterk toe. De economische groei in Noord Italië creëerde steeds meer werk buiten de landbouw, zowel in de eigen regio als in grotere industriële centra zoals Turijn en Milaan. Een vaste baan en een verzekerd inkomen werden voor veel jongeren aantrekkelijker dan het onzekere bestaan in de wijngaard.

Daar kon een steile wijngaard moeilijk tegen concurreren. Snoeien, aanbinden, onderhouden en oogsten vergden veel handenarbeid en het inkomen bleef afhankelijk van het weer en de opbrengst. Voor veel gezinnen werd de keuze steeds eenvoudiger. De fabriek bood zekerheid, de wijngaard veel minder.

Wijngaarden werden verwaarloosd, heraanplantingen bleven achterwege en steeds meer percelen werden verlaten. Struiken en bomen namen de plaats van de wijnstokken in en complete hellingen veranderden opnieuw in bos. Door erfenissen raakte het grondbezit ondertussen steeds verder versnipperd. Kleine percelen kwamen terecht bij verschillende kinderen en kleinkinderen, van wie sommigen al lang niet meer in de streek woonden. Die versnippering zou later een bijkomende hindernis vormen voor wie oude wijngaarden opnieuw in productie wilde brengen.

De cijfers maken duidelijk hoe groot de terugval uiteindelijk was. Van ongeveer 40.000 hectare rond het einde van de negentiende eeuw bleven tegen de tweede helft van de twintigste eeuw nog slechts enkele honderden hectaren over. Boca zakte op een bepaald moment tot ongeveer tien hectare. Ook Lessona, Bramaterra, Ghemme en Gattinara hielden nog maar een fractie over van hun vroegere oppervlakte.

Gelukkig stopte niet iedereen. Een handvol historische producenten bleef ook tijdens de moeilijkste decennia wijn maken. Vallana verwierf in de jaren 1950 en 1960 zelfs internationale faam met zijn Spanna, terwijl onder meer Nervi, Travaglini en Antoniolo in Gattinara en Tenute Sella in Lessona actief bleven. Daardoor verdween de wijnbouw nooit volledig en bleef er enige continuïteit bestaan waarop een volgende generatie later kon voortbouwen.

Voorzichtig begint de weg terug

‘Everything dies, baby, that’s a fact, but maybe everything that dies someday comes back’ wist Bruce Springsteen ons al te vertellen. Zo lijkt het dus ook wel met Alto Piemonte! Dat voorzichtig timmeren aan de weg terug begon stilaan vorm te krijgen vanaf het einde van de jaren 1980 en vooral tijdens de jaren 1990. Plots was er interesse in oude vervallen wijngaarden die er op de verlaten hellingen stonden. Een kleine groep mensen begreep het potentieel en zag er een nieuwe toekomst in.

Een van hen was de Zwitser Christoph Künzli. Rond het begin van de jaren 1990 leerde hij Boca kennen en enkele jaren later begon hij er oude percelen samen te brengen voor Le Piane. Dat bleek allesbehalve eenvoudig door de versnipperde eigendomsstructuur en de toestand waarin veel voormalige wijngaarden verkeerden.

Ook Paolo De Marchi keerde in 1999 samen met zijn zoon Luca terug naar de familiale gronden in Lessona en begon er aan de heropbouw van Proprietà Sperino. Rond dezelfde periode en in de jaren daarna verscheen een nieuwe generatie lokale wijnmakers, met onder anderen Cristiano Garella als een van de belangrijke figuren.

Het herstel kwam zo vanuit verschillende richtingen. Historische families investeerden opnieuw, een jongere generatie wijnmakers zag opnieuw toekomst in de streek en mensen van buiten Alto Piemonte begonnen oude percelen op te kopen en te herstellen. Tegelijk veranderden ook de economische omstandigheden. De textielindustrie, die decennialang veel arbeidskrachten uit de landbouw had gehaald, verloor vanaf het einde van de twintigste eeuw een deel van haar dominante positie door toenemende internationale concurrentie.

Ook binnen de wijnwereld zelf begon er iets te verschuiven. De belangstelling voor historische appellaties, oude wijngaarden en Nebbiolo buiten Barolo en Barbaresco nam toe. Dat fenomeen zien we overigens wel vaker in Italië. Zodra een wijngebied momentum krijgt en duidelijk wordt dat er kwalitatief en commercieel iets te rapen valt, verschijnen ook de kapitaalkrachtige spelers op het toneel. Franciacorta kende zo een periode waarin gevestigde wijnhuizen en ondernemers massaal mee op de trein sprongen. Hetzelfde gebeurde in Bolgheri, waar vanaf de jaren 1990 steeds meer grote namen en investeerders opdoken die voordien weinig of niets met de streek te maken hadden. Ook rond Etna zagen we later een vergelijkbare beweging en in de Colli Tortonesi trok de herwaardering van Timorasso eveneens producenten van buiten het gebied aan.

En toen kwam Conterno

De heropleving was dus al jaren, weliswaar vrijwel anoniem, bezig tot Roberto Conterno in 2018 een belang van 90 procent in Nervi in Gattinara verwierf. Het was alsof er een bom ontplofte. Dit nieuws trok onmiddellijk de aandacht van de internationale wijnwereld. Uiteraard, want Giacomo Conterno behoort tot de grote namen van Barolo. Wanneer een producent met die reputatie investeert in Alto Piemonte, kijken sommeliers, importeurs, verzamelaars en andere producenten plots een stuk geïnteresseerder mee.

De streek kreeg daardoor in korte tijd veel meer zichtbaarheid. Producenten die al jarenlang bezig waren met het herstel van hun appellaties profiteerden mee van die toegenomen belangstelling. Tegelijk waren wijnliefhebbers steeds nadrukkelijker op zoek naar alternatieven voor de almaar duurder wordende Barolo en Barbaresco. Alto Piemonte bood Nebbiolo, historische appellaties en bovendien nog prijzen die een stuk toegankelijker lagen.

Die combinatie maakte de optelsom compleet. De diverse appellaties van Alto Piemonte begonnen opnieuw hip te worden.

Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht

We hebben de voorbije zomervakantie doorgebracht in Piemonte. Daar hebben we specifiek de nodige tijd genomen om op ontdekking te gaan door Alto Piemonte. Het is een wijngebied waar we al langer een zwak voor hebben en waarvan ik tot mijn scha en schande moest vaststellen dat ik er, hoewel ik al vele malen Piemonte heb bezocht, nog niet was geraakt. Tot nu dus!

Met deze reeks surf ik wel mee op de huidige hype rond Alto Piemonte. Het lijkt wel dat deze regio zijn tweede adem heeft gevonden. De redenen moeten we niet ver gaan zoeken, hoor. Barolo, de naam is gevallen na amper zeven zinnen, is de belangrijkste wijn uit Piemonte. Daar gaat voorlopig niets of niemand verandering in kunnen brengen, ook al proberen de buren uit Barbaresco het wel en merk je hoe druk bezocht Barbaresco zelf ook is. Maar omdat de prijzen van Barolo de laatste jaren echt wel de pan beginnen uit te swingen, gaan de mensen dus op zoek naar alternatieven. We zien Langhe Nebbiolo en Nebbiolo d’Alba vlotjes terrein winnen. Hetzelfde kan gezegd worden van Alto Piemonte.

Al wil ik bij dat laatste onmiddellijk een kanttekening maken en een waarschuwend vingertje uitsteken. Ik ben wel degelijk geschrokken van de prijzen die er lokaal worden gevraagd voor deze wijnen. Dan bedoel ik uiteraard wel de ondergrens van de flesprijs. Naar boven toe is het ook wel pittig, maar de exorbitante Baroloprijzen blijven wel achterwege.

En dus nemen we je de komende weken mee naar de heuvels aan de uitlopers van de Alpen, waar de Monte Rosa aan de horizon opduikt en Nebbiolo een heel andere omgeving krijgt om zich in uit te drukken. We maken ook een kleine omweg, want hoewel Carema niet thuishoort bij Alto Piemonte, zou het zonde zijn dit prachtige wijngebied niet mee op te nemen in deze reeks.

🍇 Wat mag je verwachten?

1. Alto Piemonte: vulkanen, Alpen en oude bodems

We beginnen met het gebied zelf. Waar ligt Alto Piemonte precies, hoe ziet het landschap eruit, hoe zit de geologie in elkaar en waarom verschilt deze noordelijke wijnwereld zo sterk van de Langhe?

2. Van groot wijngebied naar bijna verdwenen wijngaarden

Vandaag oogt Alto Piemonte klein en versnipperd. Historisch lag dat helemaal anders. We bekijken hoe belangrijk de wijnbouw hier ooit was, waarom zoveel wijngaarden verdwenen en hoe het herstel van de voorbije decennia op gang kwam.

3. Nebbiolo wordt Spanna, en hij komt niet alleen

Nebbiolo vormt de rode draad doorheen Alto Piemonte, al wordt hij hier vaak Spanna genoemd. Vespolina, Uva Rara en Croatina spelen eveneens hun rol. We bekijken wat deze druiven bijdragen en waarom assemblages in het noorden van Piemonte zo vanzelfsprekend zijn.

4. Gattinara

Gattinara is wellicht de bekendste naam van Alto Piemonte en voor veel wijnliefhebbers de eerste kennismaking met de streek. De vulkanische ondergrond, de ligging en de dominantie van Nebbiolo geven Gattinara een heel eigen profiel.

5. Ghemme

Vervolgens trekken we naar Ghemme, de tweede DOCG van Alto Piemonte. De afstand tot Gattinara is beperkt, maar de bodems en de stijl van de wijnen zijn duidelijk anders.

6. Lessona

Lessona wint de laatste jaren meer en meer aan bekendheid. Reden genoeg om deze kleine appellatie een eigen zondag in de spotlights te geven. We bekijken wat Lessona zo bijzonder maakt en hoe de zandige bodems het karakter van de wijnen mee bepalen.

7. Boca en Bramaterra

Boca en Bramaterra zijn beide kleine appellaties, maar inhoudelijk bijzonder interessant. Het zijn twee gebieden die de heropleving van Alto Piemonte mooi illustreren. Kleine productie, veel oude wijngaarden en een ondergrond duidelijk mee het karakter bepaalt.

8. Fara, Sizzano en de andere denominaties

Niet elke appellatie geniet dezelfde bekendheid. Fara, Sizzano, Coste della Sesia en Colline Novaresi komen hier aan bod en maken het plaatje van Alto Piemonte een stuk completer.

9. Carema: de logische buitenstaander

Voor Carema maken we bewust een uitstap buiten wat doorgaans onder Alto Piemonte wordt verstaan. De appellatie ligt nog steeds in Piemonte, helemaal in het noorden van Canavese en tegen de grens met Valle d’Aosta. De terraswijngaarden, pergola’s en lokale interpretatie van Nebbiolo sluiten zo mooi aan bij onze reis door het noorden dat we Carema onmogelijk konden overslaan.

10. Masterclass Alto Piemonte

We sluiten de reeks af zoals een wijnreeks eigenlijk hoort te eindigen: met de flessen op tafel. Voor deze gelegenheid organiseren we een Masterclass Alto Piemonte waarin we verschillende appellaties proeven. Uiteraard krijgt ook Carema een plaats aan de proeftafel.

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ‘overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italië af. Dáár wordt ze echt au sérieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatië tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiële documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italië doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieën. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatië. Van daaruit zou ze via Slovenië haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italië, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiële status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oïdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel én geografisch breed verankerd in Noord-Italië. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardinië.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiëren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op Sardinië. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variëteiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oïdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocépage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiële erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciële aandacht die andere rassen wél genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst