Bonus: Masterclass Lambrusco

Na artikelen over herkomst, druivenrassen, stijlen, productie en gastronomie bleef er nog één logische slotstap over: Lambrusco opnieuw in het glas brengen. Want hoe volledig een reeks op papier ook kan zijn, uiteindelijk toont deze wijn zijn ware gezicht pas wanneer je hem proeft. Het opzet van deze masterclass was dan ook om Lambrusco in al zijn diversiteit te laten proeven, vertrekkend vanuit zijn meest voorkomende verschijningsvorm: de zoete amabile. Dat is immers nog altijd het beeld dat veel proevers van deze wijn hebben.

Van daaruit bouwde ik verder, met telkens minder restsuiker, om uiteindelijk te eindigen bij beendroge Lambrusco. Zo kregen onze proevers een helder beeld van de richting die Lambrusco vandaag uitgaat en van wat wij graag omschrijven als de moderne Lambrusco.

Tien flessen werden geopend: van amabile tot secco, van frizzante tot spumante, en van metodo Martinotti over metodo ancestrale tot metodo classico, zelfs tot brut nature. Ze stonden allemaal klaar voor een avond die moest aantonen wat we in deze reeks meermaals hebben benadrukt: Lambrusco mag je nooit vereenzelvigen met een eenheidsworst. Dat zeggen is één ding, het ook bewijzen is iets anders.

Voor een bescheiden bijdrage gingen we op zoek naar proevers. Met succes, want wat aanvankelijk als één enkele masterclass was voorzien, groeide al snel uit tot een tweede, eveneens volgeboekte avond. Zelfs dan moesten we nog verschillende geïnteresseerden teleurstellen.

Bij de aanvang stelde ik de deelnemers één eenvoudige vraag: wie lust er graag Lambrusco? Slechts één hand ging de lucht in. Na afloop volgde een tweede vraag: is uw mening over Lambrusco door deze masterclass gewijzigd? Toen gingen alle handen omhoog. Mission accomplished.

De proefnotities:

  1. Cleto Chiarli Centenario – Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    100% Lambrusco Grasparossa, vino frizzante amabile, gemaakt volgens de metodo Martinotti en met een restsuikergehalte van om en bij de 50 g/l. Het alcoholpercentage bedraagt 8%.
    De wijn oogt intens karmijnrood, met een levendige mousse die aanvankelijk royaal aanwezig is maar vrij snel terugvalt. In de neus staat het fruit duidelijk centraal, met rijpe rode bessen, kersen en een lichte toets van rood snoepgoed. Het is een wijn die zich meteen herkenbaar en gul toont.
    In de mond zet die stijl zich door met een duidelijk zoet, wat snoeperig karakter. De aanwezige restsuiker geeft de wijn een zachte, ronde aanzet en duwt hem nadrukkelijk in de richting van toegankelijk, eenvoudig drinkplezier. Ook hier domineert het fruit, met vooral rijpe kers, wat braam en een subtiele florale zweem. De zeer minieme pareling houdt de wijn nog enigszins in beweging, al mist hij vooral diepte en lengte. Het geheel blijft vooral trouw aan het profiel van een amabile Lambrusco zoals veel proevers die historisch hebben leren kennen: fruitig, mild en onmiskenbaar zacht van stijl.
  2. Cleto Chiarli Vigneto Cialdini 2024 – Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    Vigneto Cialdini is een referentiewijn als het op niet te zoete, oldschool Lambrusco aankomt. Het is een 100% Lambrusco Grasparossa, vino frizzante secco, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn klokt af op 11% alcohol en bevat 12,5 g/l restsuiker.
    Diep donkerrood van kleur, met duidelijke paarse tot violetkleurige reflecties. De mousse is fijner en overtuigender dan bij de eerdere amabile, met meer présence en een beter aansluitend frizzante karakter. In de neus is de wijn rijp van karakter, met aroma’s van braam, zwarte kers en ander donkerrood fruit, aangevuld met een florale toets en een lichte kruidigheid. Het geheel ruikt voller, compacter en duidelijk minder snoeperig.
    In de mond bevestigt hij dat profiel. Hoewel technisch als secco gepositioneerd, blijft er voldoende ronding aanwezig om de wijn zacht te houden, met alsnog een lichtzoete indruk. De aanwezigheid van tannine is duidelijk merkbaar, al kan je die bezwaarlijk stevig noemen. Het fruit staat centraal, met braam en rijpe kers op kop. De wijn bezit een correct evenwicht en heeft voldoende body en lengte, zonder zijn spontane drinkbaarheid te verliezen.
  3. Cantine Lombardini Il Signor Campanone – Lambrusco Reggiano DOC
    Il Signor Campanone is een vino spumante brut op basis van 80% Lambrusco Salamino en 20% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn behaalt 11% alcohol en bevat om en bij de 9 g/l restsuiker.
    Diep robijnrood, met violette schakeringen en een verzorgde mousse. De neus is expressief en vrij verfijnd, met donkere kersen, rijpe pruimen en een kruidige toets die doet denken aan vers gekraakte zwarte peper. Daar doorheen loopt ook iets licht floraals en een subtiele groenige frisheid.
    In de mond combineert hij sappig donker fruit met een licht drogere en ietwat strakkere lijn. De aanzet is vlot en soepel. De zuren houden het geheel levendig en geven de wijn vaart, terwijl een zachte toets van tannine voor wat grip zorgt. In de afdronk duikt nog een licht umami karakter op, wat de wijn net wat interessanter maakt. De spumante stijl geeft de wijn, in vergelijking met frizzante, meer presence en meer profiel. Dat zorgt voor extra karakter en voldoende spanning om te blijven boeien.
  4. Cantina Zucchi Marascone 2024 – Lambrusco di Modena DOC
    Marascone is een vino spumante rosso brut van 100% Lambrusco Salamino, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat 8 g/l restsuiker. Diep robijnrood, met heldere en levendige schakeringen. De mousse oogt verzorgd. De neus is rijk en behoorlijk complex, met donker bosfruit, braambes en aalbes, aangevuld met zure kers en een frisgroene toets die doet denken aan varens en een vleugje bosgrond. In de mond toont hij zich droog, kernachtig en mooi in balans. Donker bessenfruit en zure kers vormen de kern, met daaronder een frisse zurenstructuur die het geheel draagt. De textuur blijft rond genoeg om de wijn toegankelijk te houden, maar de fijne tannine en het subtiel pittige accent geven hem net wat meer reliëf. De afdronk is opvallend strak en verfrissend, wat mooi contrasteert met de vrij stevige body van de wijn. Dit is een Lambrusco met uitgesproken karakter.
  5. Cantina della Volta Rimosso 2023 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Rimosso is een vino frizzante secco van 100% Lambrusco Sorbara. Het is de eerste wijn die we proeven die gemaakt is volgens de metodo ancestrale. De wijn heeft 11,5% alcohol en bevat 11,5 g/l restsuiker. Door het ontbreken van filtratie blijft een lichte gistroebelheid aanwezig in de fles. Kersenrood, met beperkte violette reflecties. Niet helder door het bezinksel van de gisten. De neus is opvallend expressief en direct, met wilde aardbei, rode bes en een zeer frisse, haast uitbundige fruittoets. Daaronder zit ook, bijna onvermijdelijk, een lichte gisttoets, maar zonder dat dit het fruit wegdrukt. In de mond is hij energiek en een beetje nerveus, met veel framboos en een toets rabarber. Ondanks het iets hogere restsuikergehalte blijven de zuren nadrukkelijk aanwezig. Het geheel is speels, maar bezit tegelijk voldoende karakter om overeind te blijven. Dit is een Sorbara met veel fraîcheur, veel profiel en een levendig karakter. Meteen ook een compleet andere stijl dan de voorgaande wijnen.
  6. Silvia Zucchi In Purezza 2024 – Lambrusco di Sorbara DOC
    In Purezza is een vino spumante brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat 5,5 g/l restsuiker. Vanaf hier gaan we nadrukkelijk de drogere kant van Lambrusco op.
    Helder licht robijnrood, met levendige reflecties en een fijne, aanhoudende mousse. De neus is strak en zuiver, met rode kers, aardbei, framboos en een florale toets die aan viooltjes doet denken.
    In de mond is hij droog, fris en dynamisch, met een mooie spanning tussen het rode fruit en de levendige zuren. Kers, aardbei en framboos keren terug, ondersteund door subtiele tannine die de wijn net voldoende houvast geeft. De bubbel is duidelijk aanwezig, sluit goed aan bij het rankere profiel van de wijn en versterkt zijn fruitige karakter. De afdronk is hartig, pittig en voldoende lang. Dit is een zuivere en geslaagde interpretatie van Sorbara.
  7. Silvia Zucchi Infondo 2021 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Met Infondo gaan we helemaal de alternatieve weg op. Het is een vino spumante extra brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo ancestrale. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat amper 0,5 g/l restsuiker. Bescheiden robijnrood, met paarse schakeringen en een troebele aanblik door het aanwezige depot. De neus is fijn maar uitgesproken, met florale tonen, wilde aardbei, framboos en een lichte gisttoets die doet denken aan broodkorst en brioche. In de mond is hij strak, droog en zeer energiek. Het rode fruit blijft aanwezig, maar krijgt hier duidelijk gezelschap van frisse zuren, gistnuances en een aangename hartige ondertoon. De bubbel is levendig zonder grof te worden en past mooi bij het ranke, ietwat nerveuze profiel van de wijn. Body en zuren houden elkaar knap in evenwicht, terwijl de afdronk lang en harmonieus doorloopt. Dit is een Lambrusco voor liefhebbers van col fondo wijnen, spannend, fris en heerlijk ongepolijst.
  8. Umberto Cavicchioli Rosé del Cristo 2020 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Dit is een verhaal met een hoofdletter. Cavicchioli zette al bij de oogst van 1987 een primeur neer door het cru concept toe te passen. Ze lanceerden toen met de iconische Vigna del Cristo de eerste Lambrusco di Sorbara DOC, een wijn die de wereld liet zien wat dit druivenras waard is. Even later volgde ook deze Rosé del Cristo: een vino spumante brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12% alcohol en bevat 7 g/l restsuiker.
    Hiermee zitten we intussen in een nieuwe categorie van Lambrusco wijnen, namelijk de wijnen met een tweede gisting op fles en dus een lange periode van kelderrust: 24 tot 30 maanden voor deze Lambrusco.
    Helder, met opvallend genoeg een zo goed als witte kleur. Het is goed zoeken naar de lichtroze schakering. Fijne, verzorgde mousse. De neus is delicaat maar heel uitnodigend, met rozenbottel, oranjebloesem, aardbei, framboos en citruszeste. In de mond is hij fris, met een zeer mooie structuur. Het rode fruit blijft aanwezig, maar wordt hier meer gedragen door finesse en een duidelijke minerale ondertoon. De bubbel is fijn geïntegreerd en sluit perfect aan bij het ranke, zuivere profiel. De afdronk is lang, zuiver en licht ziltig. Dit is een Lambrusco van grote klasse, compleet afwijkend van het klassieke beeld, en een wijn die je waarschijnlijk zelden spontaan als Lambrusco zou herkennen.
  9. Paltrinieri Grosso 2021 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Met de Grosso van Paltrinieri gaan we helemaal de droge kant uit. Het is een vino spumante dosaggio zero van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12% alcohol en bevat 0,5 g/l restsuiker. Hij rijpt 24 maanden op de lies, gevolgd door nog eens 6 maanden flesrijping.
    Heel bleek van kleur, met een lichte oranje (je bestempelt dit nooit als een rosso) schijn en een fijne, aanhoudende mousse. De neus is verleidelijk en verfijnd, met perziksorbet, citrusolie, nectarine en wilde aardbei, aangevuld met een stenige, licht rokerige mineraliteit. Alles ruikt rank en zeer zuiver, met een aanstekelijk bouquet.
    In de mond glijdt hij opvallend soepel binnen, maar meteen volgen de zuren en de strakheid. Rijp boomgaardfruit, rode bes en een duidelijke ziltige mineraliteit vormen de kern, terwijl in de achtergrond ook iets van groene appel en een lichte amandeltoets opduikt. De wijn is strak, verticaal en bijzonder zuiver, met een frisse citrus finale die lang blijft nazinderen. Dit is een Sorbara van grote klasse: verfijnd, energiek en messcherp in zijn stijl.
  10. Cantina della Volta Rosé 2018 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Ondanks het iets hogere restsuikergehalte van 5,5 g/l dan bij de vorige wijn, kreeg deze Lambrusco bewust de slotpositie. Het is een vino spumante brut van 100% Lambrusco Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12,5% alcohol. Met het oogstjaar 2018 wilde ik ook aantonen dat Lambrusco wel degelijk rijpingspotentieel kan hebben. De rijpingsperiode sur lattes bedraagt hier zelfs 60 maanden.
    Zacht lichtroze van kleur, met een fijne mousse en een aanhoudende, ragfijne pareling. De neus is rijk en verfijnd, met framboos, bosaardbei, witte aardbei, roos, wilde bloemen en een toets granaatappel, aangevuld met wat citrus en een lichte kruidigheid. Alles ruikt bijzonder aangenaam, complex zelfs, maar vooral heel uitnodigend.
    In de mond komt hij verfijnd en ziltig over, met een mooie spanning tussen rijp rood fruit, frisse zuren en een subtiel bittertje. Framboos, wilde aardbei, granaatappel en wat roze pompelmoes keren terug, terwijl ook iets van blanke amandel voor extra diepte zorgt. De bubbel is zijdezacht geïntegreerd en ondersteunt een wijn die tegelijk rank en intens overkomt. De afdronk is lang, droog, verfijnd en bijzonder watertandend. Dit is een uitzonderlijke Lambrusco, een gerijpte Sorbara die toont hoe serieus en veelzijdig deze wijnstijl kan zijn. Een meer dan waardige afsluiter van een uiterst boeiende degustatie.

Lambrusco: de wereld stopt niet bij de grote drie

We zijn al een eind gevorderd in onze Lambrusco reeks. In dit negende artikel laten we de drie grote namen, Sorbara, Grasparossa di Castelvetro en Salamino di Santa Croce, even achter ons. We richten de blik op de andere DOC gebieden waar Lambrusco al lang stevig verankerd zit. Dat zijn wijnen die minder mediageniek zijn, je ziet ze simpelweg minder op wijnkaarten, in wijnbars en op etiketten.

Ik merk dat ik in proeverijen toch vaak naar de vaste bakens grijp. Waarom, vraag ik me dan af. Het ongemakkelijke antwoord is simpel: ik heb lang gedacht dat die minder bekende herkomsten per definitie minderwaardig zouden zijn. Dat klopt natuurlijk niet. De ervaring leert dat je overal het kaf van het koren moet scheiden, ook in de beroemde appellaties. En ja, dat zegt meteen iets over mijn eigen wijnsnobisme, blijkbaar zit dat dieper dan ik soms wil toegeven.

Modena DOC, de kameleon rond de stad

We moeten niet ver zoeken om de minder gekende DOC gebieden te ontdekken. We blijven, bij wijze van spreken, rond de kerktorens van Modena en Reggio Emilia cirkelen. Logisch ook, want dit is nu eenmaal Lambrusco land.

Laten we Modena als vertrekbasis nemen. Het klinkt bijna vreemd, maar de overkoepelende Modena DOC is met zijn 564 hectare wijngaarden het kleinste Lambrusco DOC gebied in de provincie. Toch is het meteen ook de enige “andere” benaming die, naast Sorbara, Grasparossa di Castelvetro en Salamino di Santa Croce, in de praktijk voldoende gewicht heeft om regelmatig op te duiken.

We zeggen bijna steeds Lambrusco di Modena maar officieel heet het Modena DOC, omdat er ook witte wijnen bestaan binnen de appellatie, met Grechetto Gentile, Montù en Trebbiano als basis. In ons Lambrusco verhaal is vooral het rosato en rosso luik relevant. Daar ligt de kern duidelijk bij Lambrusco, met een minimum van 85 procent, en met een indrukwekkende waaier aan toegelaten varianten. Denk aan Sorbara, Grasparossa, Maestri, Marani, Salamino en Viadanese, maar ook een reeks minder bekende namen die in de assemblage kunnen opduiken. De resterende marge wordt vooral gebruikt om bij te sturen met rassen zoals Ancellotta, Fortana of Malbo Gentile, afhankelijk van de stijl die men nastreeft.

Geografisch voelt Modena DOC soms als een grote paraplu, maar in de praktijk is het gebied verrassend afgebakend binnen de provincie. Het strekt zich uit van de vlakte tot aan de eerste heuvels, en net dat verklaart de stijlbreedte. Vanuit warmere, vruchtbaardere sites krijg je vaak rondere, fruitgedreven wijnen. Vanuit koelere, beter geventileerde zones kan het strakker en preciezer worden, met meer spanning in het mondgevoel. Het is een relatief jonge DOC. Pas in 2009 maakte Modena de overstap van IGT naar DOC.

Reggiano DOC, de brede schouders van Reggio Emilia

Als we de provincie Modena verlaten en westwaarts Reggio Emilia binnenrijden, komen we in een Lambrusco wereld die minder leunt op één druif of één duidelijke signatuur, en net op breedte en flexibiliteit. Reggiano DOC bestaat sinds 1971 en is met 1.626 hectare een stevige speler, ook in volume. Dat past bij het landschap: je voelt hier letterlijk de overgang van vlakke, vruchtbare gronden naar de eerste heuvels. Daardoor kan Reggiano zich in het glas op twee manieren tonen. Enerzijds als een vlot, fruitig aperitiefprofiel dat je zonder nadenken uitschenkt, anderzijds als een wijn met meer grip en bite wanneer de druiven van koelere, beter geventileerde wijngaarden komen en wanneer de opbrengsten strenger beperkt worden.

Binnen dezelfde DOC vind je rosato en rood, zowel frizzante als spumante, en zelfs novello. Lambrusco blijft de ruggengraat, met meerdere toegelaten varianten zoals Sorbara, Grasparossa, Maestri, Marani, Salamino en Viadanese. Daarnaast spelen ook Ancellotta, Fogarina en Malbo Gentile een duidelijke rol, vooral om te sturen op kleur, mondgevoel en profiel.

Binnen dat kader zijn er een paar vaste pijlers. Voor veel rosato en rode Lambrusco types geldt een minimum van 85 procent Lambrusco, met een beperkte marge voor andere toegelaten rassen om de assemblage bij te regelen. Hetzelfde principe geldt voor Lambrusco Salamino binnen Reggiano, waarbij Salamino het fundament is en kleine aanvullingen toegelaten blijven.

Tot slot is er nog een extra geografische vermelding: Gualtieri mag expliciet op het etiket worden vermeld.

Colli di Scandiano e di Canossa DOC, heuvels als ruggengraat

Binnen de provincie Reggio Emilia treffen we nog een tweede gebied, al is het in oppervlakte eerder bescheiden. Colli di Scandiano e di Canossa telt amper 228 hectare. We zitten hier zuidelijker in de provincie, in een zone met duidelijk meer reliëf dan de vlakte rond Reggio. Dat kleinschalige karakter past bij wat je in het landschap ziet: heuvelruggen, luchtstromen, koelere nachten en wijngaarden die minder op volume mikken.

Colli di Scandiano e di Canossa gaat ruimer dan Lambrusco alleen, maar voor ons is Lambrusco uiteraard de kern. Binnen de DOC werkt men met drie duidelijk onderscheiden Lambrusco types. Eerst is er de basisbenaming Lambrusco, waarbij minstens 85 procent moet komen uit Barghi, Maestri, Marani en Salamino. De resterende marge mag gebruikt worden om bij te sturen, bijvoorbeeld met Ancellotta en een beperkte set lokale rassen.
Daarnaast bestaat er een afzonderlijke Lambrusco Grasparossa, waar Grasparossa zelf de dragende druif is, opnieuw met die 85 procent logica, en met een kleine marge voor aanvullingen. En tot slot is er Lambrusco Montericco, een type dat je buiten dit gebied zelden ziet en dat hier een eigen plaats krijgt, zowel in rood als in rosato, met Montericco als kern van de assemblage.

Lambrusco Mantovano DOC, Lambrusco aan de Po

Voor de laatste, vaker vermelde Lambrusco herkomst verlaten we Emilia Romagna en steken we de grens over naar Lombardia. Rond Mantova ligt Lambrusco Mantovano DOC, een appellatie die sinds 1987 bestaat en met 262 hectare qua schaal in dezelfde orde zit als Colli di Scandiano e di Canossa. Het decor verandert meteen. Hier domineren de rivierlandschappen van de Po, met vlakke gronden, veel alluviale invloed en een stijltraditie die sterk naar frizzante en de historisch bekende frisdrankachtige Lambrusco neigt.

Binnen Mantovano draait het in essentie om rosato en rosso, telkens met dezelfde duidelijke ruggengraat. Minstens 85 procent moet komen uit Lambrusco Maestri, Marani, Salamino en Viadanese. Maestri en Viadanese zijn voor veel lezers minder vertrouwd, al hoor je ze lokaal ook wel als Grappello Maestri en Grappello Ruberti. De resterende marge, maximaal 15 procent, laat toe om bij te sturen met rassen zoals Ancellotta of Fortana, en zelfs met een kleine toevoeging van Lambrusco di Sorbara of Lambrusco Grasparossa.

Oltre Po Mantovano en Viadanese Sabbionetano worden als subzones genoemd en krijgen ook een iets strengere minimum alcohol eis.

Een ruimere oppervlakte

De aanplant van Lambrusco beperken tot enkel de hierboven beschreven DOC gebieden zou de realiteit tekortdoen. De familie staat aangeplant op een veel ruimer canvas. In totaal spreken we over een goede 10.000 hectare, verspreid over meerdere herkomsten. In verschillende andere DOC gebieden duikt Lambrusco op, meestal niet als hoofdrolspeler maar als bijrol in blends. En daarnaast is er nog het brede IGT verhaal, waar de volumes pas echt de hoogte in schieten.

Die schaal zie je meteen wanneer je naar de productie kijkt. Samen zijn de Lambrusco DOC gebieden goed voor ongeveer 40 miljoen flessen per jaar. De IGT zones doen daar met gemak nog eens ruim 100 miljoen flessen bovenop. Het is dus duidelijk dat een groot deel van de markt draait op brede herkomstbenamingen en op volume.

Lambrusco is in cijfers net géén puur lokale wijn. Ongeveer 60 procent van de flessen wordt uitgevoerd, dat maakt hem duidelijk internationaler dan nationaal. En toch is er een merkwaardige paradox. Binnen Italië blijft Lambrusco opvallend sterk aan zijn thuisbasis geklonken. In Emilia Romagna is hij alomtegenwoordig en hoort hij bij het dagelijkse tafelritme. Buiten die kernzone, zelfs wanneer je enkel binnen de landsgrenzen blijft, kom je hem veel minder spontaan tegen dan je op basis van zijn bekendheid zou verwachten. Italië is nu eenmaal een mozaïek van regionale wijngewoontes.

Als we inzoomen op de export van Lambrusco, dan zien we dat België geen kernmarkt is. Lambrusco exporteert veel, maar die export stroomt vooral naar een paar grote, vaste afzetlanden waar frizzante al jaren deel uitmaakt van het dagelijkse koopgedrag. In België is het publiek kleiner, en tijdens de masterclass die we in het spoor van deze reeks organiseerden, werd iets anders ook opvallend duidelijk. Bij veel mensen domineert nog altijd het beeld van “die” Lambrusco: zoet, snoeperig, laag in alcohol en paars schuimend. De vernieuwing is nog niet breed doorgedrongen. Daardoor blijft de vraag hier vaker beperkt tot de liefhebber, en zie je België zelden in de volumes die nodig zijn om in exportstatistieken echt mee te tellen.

De exporttop drie was trouwens een verrassing voor mezelf. Ik had de Verenigde Staten als gedoodverfde nummer één verwacht, maar Duitsland staat bovenaan. De VS volgen op plaats twee. En Zwitserland vervolledigt het podium met een sterke derde plaats.

Sluipen richting het einde

En zo sluipen we stilaan richting het einde van deze reeks. Volgende week verschijnt een artikel over de veelgeprezen gastronomische capaciteiten van Lambrusco en zoomen we daarbij uiteraard wat dieper in de regionale specialiteiten die als compagnon de table gebruikt worden.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco
  8. Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco
  9. Lambrusco Grasparossa: donker, krachtig en tanninerijk

Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco

In onze Lambrusco-reeks zijn we aanbeland bij de voorstelling van de drie belangrijkste Lambrusco variëteiten en de omgeving waar hun wijngaarden liggen. Na Sorbara is Salamino de meest logische volgende stap. Misschien vraag je je af waar die logica dan exact zit. Wel, dat is eenvoudig. Als je het voorgaande artikel over Lambrusco di Sorbara hebt gelezen dan weet je dat Lambrusco Salamino vaak als bestuiver voor Sorbara wordt gebruikt.

En dat is exact ook wat me triggert aan Lambrusco Salamino. Waarom wordt deze Lambrusco variëteit net gekozen om die bestuivende rol van Sorbara op zich te nemen? Het antwoord blijkt even simpel als logisch te zijn. In de praktijk is bestuiving vooral een kwestie van timing, betrouwbaarheid en rendement. Sorbara is autosteriel en zet zonder passend stuifmeel onregelmatig vrucht, met risico op coulure en trossen die slecht gevormd zijn. Salamino blijkt in de vlakte rond Modena een bijzonder praktische partner. Zijn bloei valt doorgaans voldoende samen met die van Sorbara, waardoor het stuifmeel beschikbaar is op het moment dat Sorbara het nodig heeft. Daarnaast gedraagt Salamino zich in de wijngaard vitaal en voorspelbaar, met een productie die jaar na jaar relatief constant blijft. Dat maakt hem niet alleen een betrouwbare pollenleverancier, maar ook een variëteit die vlot mee te beheren is binnen hetzelfde wijngaardregime, zonder dat je voor enkele rijen een compleet andere aanpak moet hanteren. En er is nog een praktische reden. De rijen die je aan een bestuiver toewijst, nemen ruimte in. Dan is het logisch dat je kiest voor een druif die niet enkel functioneel is voor Sorbara, maar die je ook in de kelder kan benutten, als basis voor een eigen wijn of als bouwsteen in assemblages.

Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC, wijngaarden en karakter van het gebied

Salamino is historisch sterk verbonden met de omgeving rond Santa Croce, een deelgemeente bij Carpi in de provincie Modena. Net zoals bij Sorbara verwijst ook Salamino in deze DOC naar een heel concrete lokale verankering. Geografisch blijven we in Emilia Romagna, in dezelfde brede vlakte rond Modena, maar met een andere focus. Waar Sorbara vaak geassocieerd wordt met de strook tussen de rivieren Secchia en Panaro, ligt de historische zwaartekracht van Salamino eerder rond Carpi en het noordelijke deel van de provincie.

Het landschap is opnieuw vlak tot licht golvend en landbouwgericht. Dit is een gebied dat zijn identiteit haalt uit bodem, waterhuishouding en klimaat. De provincie Modena draagt in grote lijnen de kenmerken van de Povlakte, al zijn er binnen de provincie duidelijke verschillen door de overgang naar de Apennijnen. Die ligging aan de voet van het gebergte stuurt het weerbeeld richting een uitgesproken continentaal regime, met warme zomers en koude winters. De nabijheid van de Apennijnen speelt mee in de zuidelijke, vochtige winden. Die bereiken de modenese vlakte vaak al droger, waardoor de totale neerslag relatief laag blijft, vaak lager dan in delen van centraal Italië. Bovendien is de neerslag slecht verdeeld over het jaar. Er zijn twee piekperiodes, lente en herfst, met risico op hydrologische overlast, en twee tekortperiodes, winter en zomer. In de zomer is dat effect het scherpst. De natuurlijke neerslag dekt gemiddeld niet eens de helft van de waterbehoefte van landbouwgewassen. Dat verklaart waarom waterbeheer in deze vlakte een structurele factor is.

Bodemkundig komt daar nog een tweede uitdaging bij. Grote delen van de modenese vlakte bestaan uit kleirijke, compacte bodems. Dat heeft de landbouw historisch nooit gemakkelijk gemaakt, en ook vandaag blijft die bodemsamenstelling een van de moeilijkere aspecten van het gebied. De wijnbouw staat hier dus niet los van ingrepen in het landschap. In een vlakte waar klei domineert en neerslag grillig verdeeld is, wordt de druivenkwaliteit mee bepaald door hoe goed de bodem kan ademen en hoe gecontroleerd water zijn weg vindt.

Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC, regels, speelruimte en stijlkeuzes

De DOC Lambrusco Salamino di Santa Croce behoort tot de klassieke Lambrusco DOC’s die in 1970 formeel werden vastgelegd. Vandaag is dit een duidelijk afgebakend kader in Emilia Romagna, met een wijngaardareaal van ongeveer 1.641 hectare en een gemiddelde productie rond 39.600 hectoliter. Het is dus geen microappellatie, maar ook geen onoverzichtelijke mastodont, eerder een stevig regionaal volume met een herkenbare identiteit.

Die identiteit wordt in de eerste plaats bewaakt via de druivensamenstelling. Zowel rosato als rosso moeten minimaal voor 85% uit Lambrusco Salamino bestaan. De resterende 15% mag ingevuld worden met Ancellotta en Fortana, lokaal vaak Uva d’Oro genoemd, en eventueel andere Lambrusco subvariëteiten. Dat bevestigt mooi wat je in de streek in de praktijk ziet, Salamino staat centraal, maar het disciplinare laat voldoende ruimte om nuance en consistentie te sturen via kleine aanvullingen.

Binnen Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC draait stijl niet om één vast sjabloon, maar om een reeks duidelijke keuzes. Je kan in rosato of in rosso werken, en vervolgens bepaal je of je de wijn als frizzante houdt of doorwerkt tot spumante. Het scharnierpunt is de tweede gisting. Die kan op fles gebeuren, met een meer ambachtelijke signatuur en vaak een directer textuurgevoel, of in autoclave, waar de wijn doorgaans strakker gestuurd wordt en het fruit vaker op de voorgrond blijft. Het resultaat is een appellatie waar producenten met methode en stijlkeuzes duidelijk richting kunnen geven, zonder dat één profiel verplicht wordt.

De regels worden hier vooral bewaakt via ondergrenzen. Voor de frizzante versies moet het alcoholgehalte minstens 10,5% bedragen, voor spumante ligt de lat op 11,0%. Dat zet meteen een minimum aan rijpheid en basisgewicht. Tegelijk laat het disciplinare opvallend veel ruimte in afwerking. Bij spumante is elke zoetheidsgraad toegestaan, van helemaal droog zonder dosage tot uitgesproken dolce, en er zijn geen verplichte minimumtermijnen voor rijping. Het gevolg is dat de producent zijn stijl vooral moet “maken” via oogstmoment, basiswijn en kelderwerk, eerder dan via wettelijke verplichtingen.

Ampelografie, hoe ziet Salamino eruit in de wijngaard

Lambrusco Salamino is doorgaans makkelijk te onderscheiden van de andere Lambrusco variëteiten, en dat begint al bij de naam. Salamino verwijst naar de trosvorm, cilindrisch en strak gebouwd, met het silhouet van een kleine salami. In de wijngaard zie je dat meteen bevestigd. De tros is meestal eerder klein, typisch een tiental centimeter lang, cilindrisch tot licht kegelvormig. Geregeld hangt er aan de zijkant nog een klein extra trosje, alsof er een vleugeltje aan vastzit. De steel is kort en groen, soms met een lichte roze schijn aan één kant.

In de wijngaard duikt in oudere beschrijvingen vaak het idee op van twee “types” Salamino. Sommige stokken tonen rond de oogst opvallend roder blad, andere blijven groener. Dat klinkt alsof je met aparte klonen te maken hebt, maar het blijkt niet stabiel jaar na jaar. Het blad is middelgroot en meestal drie lobbig, al komt vijf lobbig ook voor. Het bladweefsel is vrij stevig. De bovenkant oogt donkergroen en mat, de onderzijde grijsgroen met een fijne, spinragachtige beharing. In de herfst valt Salamino extra op, het blad kleurt rood, en precies die roodverkleuring is in de praktijk vaak een van de snelste visuele herkenningspunten.

Wie de plant van dichtbij bekijkt, ziet een jonge scheut met een zacht, wat donzig topje. Dat topje oogt groen tot witgroen en kan soms een lichte roze schijn hebben. Als de scheut verder doorgroeit, verschijnen de ranken vrij regelmatig en vaak gesplitst in twee. Rond de bloei zijn de bloeiwijzen eerder klein en vrij geconcentreerd.

De bessen zijn doorgaans middelgroot, met een typisch detail dat je geregeld ziet, binnen dezelfde tros zijn ze niet altijd exact even groot. Ze hebben een blauwzwarte kleur met een duidelijke matte waas. De schil is wat dikker en voelt stevig aan. Het vruchtvlees is sappig en zacht, met een eenvoudige, licht frisse toets. In de meeste bessen vind je twee tot drie pitten.

Als wijnstok is Salamino dankbaar. Hij heeft een goede groeikracht en staat bekend als overvloedig en constant productief, met meestal één tot twee bloeiwijzen per scheut. De rijping valt typisch in de eerste helft van oktober, wat hem fenologisch in de middenmoot zet, maar met een duidelijk late oogst in het werkritme van de streek. Die trosbouw en die betrouwbare productie bepalen ook het wijngaardwerk. Je wil lucht en licht rond het fruit, en je houdt de opbrengst graag onder controle als je meer precisie nastreeft. Precies daar wordt Salamino meer dan alleen een makkelijke producent.

Van druif naar glas, zo proef en herken je Salamino

Tijdens een blindproef laat Salamino zich meestal minder snel raden op kleur dan Sorbara. In het glas toont hij vaker een dieper robijnrood, bijna altijd met paarse reflecties. Bij de mousserende stijlen is de pareling duidelijk aanwezig, zelden extreem fijn, maar wel levendig genoeg om het fruit op te tillen en het geheel fris te houden zonder dat de belletjes gaan domineren.

In de neus zit Salamino op rijper rood fruit en hij laat weinig aan de verbeelding over. Kers is vaak het startpunt, gevolgd door braam en soms een pruimtoets. Je kan florale accenten tegenkomen, maar doorgaans minder uitgesproken dan bij Sorbara. Wat je wél geregeld merkt is een zachte kruidige ondertoon die het profiel net wat meer richting geeft. Het aromaprofiel blijft direct en helder, met één duidelijke focus: fruit en drinkflow.

In de mond herken je Salamino aan zijn balans. Hij voelt ronder aan dan de meest nerveuze Lambrusco stijlen, maar hij wordt zelden log. Je krijgt sappigheid, frisse zuren en een milde tannine die net genoeg grip geeft om het geheel strak te houden. Die tannine is belangrijk omdat ze de wijn bij hartige gerechten houdt. Vet en zout kan hij uitstekend aan, hij verfrist en snijdt door zonder de maaltijd te breken.

Waarom Salamino vandaag nog relevanter is

Lambrusco Salamino staat in de wijngaard vaak letterlijk naast Sorbara, eerst als bestuiver, maar in de praktijk ook als vaste schakel in het landschap rond Modena. Dat is meteen een mooie samenvatting van zijn karakter. Salamino is geen druif die je enkel begrijpt vanuit één stijl of één appellatie. Hij behoort tot de meest wijd verspreide namen binnen de Lambrusco familie, en dat is niet toevallig. Hij combineert groeikracht met regelmaat, en hij levert wijnen die verschillende richtingen aankunnen, van secco tot amabile en dolce, zonder dat het profiel uit elkaar valt.

Net omdat Salamino zo sterk aanwezig is in de modenese vlakte, komt hij ook sneller in aanraking met de uitdagingen van vandaag. Warmer groeiweer, piekbuien in lente en herfst, langere droge periodes in de zomer, het zijn geen abstracte begrippen in dit deel van Emilia Romagna. In een omgeving waar klei domineert en water niet gelijkmatig verdeeld is, wordt wijngaardbeheer steeds meer een kwestie van timing en keuzes. Dat hoeft Salamino niet af te remmen. Het dwingt producenten vooral om preciezer te werken, met aandacht voor canopy, waterhuishouding en de juiste balans tussen opbrengst en rijpheid.

Wie Salamino dan toch nog te vaak als “makkelijke” Lambrusco wegzet, mist het punt. Makkelijk drinkbaar, ja. Makkelijk gemaakt, niet per se. Juist omdat hij zo’n bruikbare middenstijl kan opleveren, zie je in de beste interpretaties hoe scherp de hand van de producent meetelt.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco

Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco

In onze Lambrusco-reeks zijn we aanbeland bij de voorstelling van de drie belangrijkste Lambrusco-variëteiten en de omgeving waar hun wijngaarden liggen. Dat ik van start ga met Sorbara is geen verrassing. Sorbara is wat mij betreft de meest markante, verrassende en fascinerende Lambrusco-variëteit.

De moderne Sorbara-stijl binnen de Lambrusco di Sorbara DOC bevalt me steeds meer. De inhoud van de fles speelt dus zeer zeker een rol, maar het is vooral het verhaal achter de druif dat me niet loslaat. De meest wilde Lambrusco, of moeten we zeggen: de minst getemde? Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen. Zeg nu zelf: dat trekt toch gewoon de aandacht.

Lambrusco di Sorbara DOC: wijngaarden en karakter van het gebied

Sorbara is historisch verbonden met de omgeving rond Sorbara, in de gemeente Bomporto (provincie Modena). In oudere contexten duikt de benaming Lambrusco sorbarese op, wat mooi illustreert hoe sterk de druif lokaal verankerd is. Sorbara is daarbij meer dan een druivennaam: ze verwijst letterlijk naar een plek.

Geografisch zitten we in Noord-Italië, in Emilia-Romagna. Lambrusco di Sorbara DOC bevindt zich ten noorden en noordoosten van de stad Modena, in het open land tussen Modena en de Po-vlakte. Het kerngebied ligt in een relatief afgebakende strook op uitgesproken alluviale gronden, gevormd door water en tijd: je bevindt je tussen de rivieren Secchia en Panaro, in een landschap van oude rivierbeddingen en afzettingen. Dit is geen decor van heuvelruggen, maar een uitgestrekte laagvlakte waar landbouw al eeuwen centraal staat.

Administratief is de zone strak afgebakend binnen de provincie Modena: de DOC omvat volledig het grondgebied van Bastiglia, Bomporto, Nonantola, Ravarino en San Prospero, en strekt zich daarnaast uit over delen van Campogalliano, Camposanto, Carpi, Castelfranco Emilia, Modena, Soliera en San Cesario sul Panaro.

Het gebied kent een uitgesproken continentaal klimaat met warme zomers en strenge winters. De ligging van de vlakte aan de voet van de Apennijnen speelt daarin mee. Vochtige zuidelijke winden komen hier vaak al droger aan, waardoor de neerslag relatief beperkt blijft en bovendien onregelmatig verdeeld is: het jaar “clustert” regen in bepaalde fases en laat andere periodes opvallend droog aanvoelen.

Een aanzienlijk deel van de modenese vlakte is van nature kleiig en compact, wat landbouw historisch niet vanzelfsprekend maakte. Dat het gebied vandaag zo productief is, heeft veel te maken met menselijke ingrepen: ontwatering, kanalisering, bescherming tegen wateroverschotten en een landbouwtraditie die zware gronden leerde beheren. In de middenvlakte waar de wijngaarden zich concentreren, spelen vooral de alluviale bodems van de twee nabij gelegen rivieren een hoofdrol, met in de kernzone een duidelijke aanwezigheid van de typische Sant’Omobono-bodems, een leem-kleiige textuur die in de streek als typisch voor het gebied geldt.

Lambrusco di Sorbara DOC: het appellatiekader in een notendop

Hoewel Lambrusco al eeuwenoud is, werd de benaming Lambrusco di Sorbara pas als DOC vastgelegd in 1970. Sindsdien vormt ze het officiële speelveld waarbinnen producenten hun Sorbara kunnen vinifiëren en op de markt brengen. Het areaal is relatief compact: het huidige beschikbare cijfermateriaal spreekt van 946 hectare, goed voor een gemiddelde productie van ongeveer 38.100 hectoliter per jaar. Met andere woorden: dit is geen mega-appellatie.

Vandaag zie je steeds vaker een trend naar monocépage en dus 100% Lambrusco di Sorbara, maar het disciplinare laat bewust ruimte voor andere Lambrusco-variëteiten. Officieel moet de wijn minstens uit 60% Lambrusco di Sorbara bestaan. Aanvullen kan met maximaal 40% Lambrusco Salamino, en daarnaast nog maximaal 15% andere Lambrusco-subvariëteiten.

Wie Lambrusco automatisch gelijkstelt aan rood en bruisend, kijkt binnen Lambrusco di Sorbara DOC net iets te smal. Je vindt hier rosato en rosso, als frizzante of als spumante. Er bestaat zelfs bianco spumante, waarbij men dezelfde basisdruiven in wit vinifieert. Het verschil zit dus vooral in hoe de wijn is gemaakt: tankgisting (autoclave), hergisting op fles, of een meer ancestrale aanpak waarbij de wijn zijn gisting op fles afwerkt en daardoor extra levendig kan overkomen. Wie daar graag dieper induikt, kan doorklikken naar mijn eerdere artikel over hoe vinificatie de stijl van Lambrusco bepaalt.

Om de kwaliteit en herkomst te bewaken, legt het disciplinare bovendien vast dat vinificatie en verdere uitwerking, maar ook botteling en conditionering, in principe binnen de provincie Modena moeten plaatsvinden, met enkele historische uitzonderingen net buiten het productiegebied.

Ook op technisch vlak zijn de krijtlijnen helder. De maximale opbrengst is vastgelegd op 18 ton druiven per hectare. Daarnaast vraagt het disciplinare een minimale natuurlijke alcoholgraad van 9,5%, wat je kan zien als het potentiële alcoholgehalte van de most op basis van druivensuikers. Voor de afgewerkte wijnen gelden minimum alcoholgehaltes van 10,5% voor frizzante en 11,0% voor spumante.

Wat restsuiker betreft is de ruimte breed: spumante mag in eender welke dosage worden gemaakt, van zero dosage tot dolce. Op rijping legt de appellatie geen minimale verplichtingen op, maar ze bewaakt wel streng de identiteit: de maximale opbrengst aan wijn uit druiven is beperkt tot 70%.

De druif ampelografisch: waarom Sorbara zo’n lastige klant is

Sorbara is een enorm boeiende druif en het sleutelbegrip is het bloemtype. Sorbara heeft functioneel vrouwelijke bloemen en is autosteriel, ze kan zichzelf dus niet netjes bestuiven. Concreet betekent het dat ze een bestuiver nodig heeft. Zonder stuifmeel van een andere, compatibele Lambrusco-variëteit wordt de vruchtzetting onzeker en krijg je trossen die slecht of onvolledig gevormd zijn. Dat is precies wat ik in de intro bedoelde met: “Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen.”. In de praktijk wordt dat opgelost door Sorbara bewust samen aan te planten met andere Lambrusco-variëteiten die de bestuiving op gang helpen.

Als we het puur over de ampelografische kenmerken van de druif hebben dan zien we dat Sorbara doorgaans middelgrote trossen heeft, langwerpig tot piramidaal, vaak met een schouder, en opvallend los van structuur. De bessen zijn middelgroot, bijna rond tot licht ovaal, en vaak bedekt met een duidelijke waslaag die ze dat matte, blauwgrijze uitzicht geeft. De schil is dik en stevig, met een sappige pulp. De groeikracht is bovendien uitbundig, wat wijngaardwerk extra belangrijk maakt. Qua weerbaarheid is het beeld genuanceerd: Sorbara kan behoorlijk goed omgaan met kou en heeft een degelijke weerstand tegen rot, maar net rond bloei en vruchtzetting blijft ze gevoelig en onvoorspelbaar.

Het proefprofiel: zo ontleed en herken je Sorbara

Sorbara herken je vaak al vóór je het glas naar je neus brengt. De kleur is meestal verrassend licht voor een rode sprankelende wijn: eerder helder, licht robijn tot rosato cerasuolo, vaak met fijne, levendige mousse. Dat delicate kleurbeeld is meteen een eerste hint dat je hier niet met de meest “donkere” Lambrusco-stijl te maken hebt.

Qua proefprofiel loont het om Sorbara in twee stromingen te bekijken. De oldschool interpretatie was doorgaans frizzante en vaak ook zachter in stijl, met restsuiker die het geheel een “frisdrank”-vibe kon geven. De bubbels zijn speels en licht, het fruit komt meteen naar voren en de florale toets is direct herkenbaar. Denk aan viooltjes en roos, met framboos, aardbei en rode bes. Dat kleine zoetje rondt de hoge zuren af, waardoor het glas soepel en makkelijk drinkt.

De moderne stijl toont Sorbara in zijn meest verfijnde vorm. Vaker droog, strakker opgebouwd en in de betere versies ook als spumante uitgewerkt, soms met fleshergisting of een ancestrale aanpak. In dat geval zijn de bubbels een dragend element dat de wijn structuur geeft en de geuren sterker laat uitkomen. In de neus blijft Sorbara uitgesproken floraal, met kleine rode vruchten zoals framboos en rode bes, maar met meer scherpte en detail, vaak aangevuld door een frisse citrustoets of een subtiel kruidig, licht aards randje. In de mond voelt dit type Sorbara slank en levendig aan: hoge zuren zorgen voor energie, het geheel blijft licht op de tong, en de afdronk is helder en strak, soms met een discreet ziltig accent. Dat maakt hem bijzonder geschikt aan tafel: hij verfrist, snijdt door vet en zout, en blijft tegelijk moeiteloos drinkbaar.

Als je blind proeft, is Sorbara meestal de Lambrusco die het meest “verticaal” aanvoelt. Licht van kleur, geurend naar bloemen en kleine rode vruchten, en altijd gedreven door frisheid. Het enige wat je nog moet bepalen is welke bril je opzet: de charmante, zachtere frizzante versie of de moderne, droge en verfijnde spumante benadering.

Mijn favoriet

Ik mag het misschien niet luidop uitspreken, maar je hebt het aan de toon van dit artikel waarschijnlijk al gemerkt: Lambrusco di Sorbara is mijn favoriete Lambrusco. Niet omdat het verhaal eromheen zo spectaculair is, maar omdat deze druif in het glas een opvallend verfijnde diversiteit kan tonen. Bovendien belichaamt ze de nieuwe richting die Lambrusco is ingeslagen, bij de beste interpretaties kan je zelfs bijna vanzelf doorstappen naar een complexe metodo classico.

Wil je namen? Proef de wijnen van Cantina della Volta. Hun Trentasei is een millesimato met, hoe kan het ook anders, 36 maanden rijping op de lies en een dosage van 5 g/l. Zet dat naast een klassieke oldschool Sorbara en je begrijpt meteen wat ik bedoel.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen

Lambrusco en zijn twaalf apostelen

We zijn ondertussen al een heel eind gevorderd in onze verkenning van Lambrusco. We kennen de boeiende geschiedenis van deze ‘wilde’ druivenstok, we weten waar de wijngaarden liggen en hoe de wijn gemaakt wordt. Maar tot op heden hebben we Lambrusco bijna uitsluitend onder één noemer besproken. Technisch gezien is dat natuurlijk onjuist, want wie “Lambrusco” zegt, bedoelt zelden één druif. In wezen gaat het om een familie van autochtone variëteiten uit Emilia-Romagna (met een uitloper richting Mantova), die, afhankelijk van herkomstbenaming en producent, solo of in assemblage worden gebruikt.

In deze aflevering focussen we op de Lambrusco-familie als geheel. Je krijgt een leesbare stamboom en een overzicht van de belangrijkste variëteiten. De drie “A-spelers”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, noemen we uiteraard, maar we laten ze hier bewust grotendeels liggen: die verdienen hun eigen artikels.

De Lambruschi-familie

Historisch was “Lambrusco” een verzamelnaam voor lokale, vaak wat wild ogende druiven die uitstekend gedijden op de vruchtbare vlaktes rond Modena en Reggio Emilia. Pas met modern ampelografisch en genetisch onderzoek werd duidelijk dat het niet om één druif gaat, maar om een cluster van nauw verwante variëteiten. Sommige zijn duidelijk als ouder en kind te koppelen; andere zijn eerder “neven en nichten”, zonder dat we vandaag een sluitend ouderpaar kunnen aanwijzen.

Wanneer we het over Lambrusco hebben als druif (en niet als wijnstijl), verwijst de naam dus niet naar één ras. In de praktijk circuleren er zelfs meer dan zestig Lambrusco-benamingen of -types. Niet al die namen zijn echter even relevant in de wijngaard of in de kelder. Voor het kwaliteitsverhaal kunnen we het veld herleiden tot een twaalftal sleutelvariëteiten: Sorbara, Salamino, Grasparossa, Foglia Frastagliata, Barghi, Maestri, Marani, Montericco, Oliva, Viadanese, Benetti en Pellegrino.

Lambrusco is doorheen de tijd uitgegroeid tot een echte druivenfamilie, met herkenbare genetische banden tussen een belangrijk deel van deze sleutelvariëteiten. Precies daarom spreken we correcter van Lambruschi. Een familie betekent dat de variëteiten dezelfde naam dragen én genetisch aan elkaar verwant zijn. “Lambruschi” dus. Een andere veel voorkomende naam in Italië, Trebbiano bijvoorbeeld, is géén familie maar een groep. Dat betekent: de variëteiten dragen dezelfde naam, maar ze zijn genetisch niet (of niet noodzakelijk) verwant. Trebbiano di Toscana, Trebbiano di Soave en Trebbiano Spoletino delen vooral een stuk van hun naam, niet hun DNA.

Een vaak voorkomend misverstand is dat Lambrusco verwant zou zijn aan de Amerikaanse soort Vitis labrusca. Dat is niet het geval: Lambrusco behoort tot de Europese wijnstoktraditie (Vitis vinifera) en staat los van Vitis labrusca.

Een poging tot stamboom

Een volledige stamboom van Lambrusco bestaat niet. Eeuwen van lokale selectie, spontane kruisingen en een flinke dosis naamverwarring hebben nu eenmaal sporen nagelaten. Toch laat modern DNA-onderzoek toe om enkele duidelijke lijnen te trekken, waardoor het geheel minder mistig wordt. Je ziet daarbij geen één allesverklarende stamvader, maar wel een paar sturende knooppunten die telkens opnieuw opduiken in de verwantschap tussen verschillende Lambruschi. Denk dus eerder aan een verwantschapskaart dan aan een klassiek genealogisch schema.

Belangrijk om mee te nemen: zo’n genetische kaart vertelt iets over verwantschap, niet automatisch over belang. De “grote drie”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, blijven de hoofdrolspelers, maar ze laten zich niet allemaal even netjes langs éénzelfde DNA-corridor in een pijlenschema tekenen. Salamino duikt bijvoorbeeld wél in een duidelijke verwantschapslijn op; Sorbara en Grasparossa markeer je eerder als centrale referentiepunten binnen de familie, ook wanneer de genetische lijnen in de literatuur minder eenduidig of minder compact worden voorgesteld.

Eén van de knooppunten die wél herhaaldelijk terugkomt in genetische studies is Besgano nero. Die oudere variëteit fungeert als een soort familie-anker: niet als fundament van de hele Lambrusco-wereld, maar wel als cruciale schakel achter meerdere leden van de genetische kern. Vanuit Besgano nero vertrekken duidelijke lijnen naar Benetti, Barghi en Marani, en er zijn ook genetische verbanden met Salamino en Oliva. Precies dat verklaart waarom Lambrusco ondanks familiebanden nooit één smaakprofiel wordt: verwantschap creëert herkenbare trekken, maar geen uniformiteit.

Naast deze Besgano-nero lijn zie je binnen de genetische kern ook variëteiten die een eigen traject volgen. Maestri verschijnt bijvoorbeeld als een duidelijke aparte lijn en is net daarom zo relevant: hij brengt vaak een heel ander gewicht in het glas en kan een blend letterlijk “optillen” in kleur en structuur. Dat soort zijpaden tonen mooi aan dat zelfs binnen één familie de karakters uiteen kunnen lopen.

Daarnaast blijven er binnen de klassieke sleutelset namen die in de praktijk sterk met Lambrusco verbonden zijn, maar die je beter niet te hard in hetzelfde ouder-kind schema duwt. Montericco en Pellegrino passen voor veel auteurs in dat vakje: ze horen thuis in het Lambrusco-verhaal en worden vaak als sleutelvariëteiten vermeld, maar hun exacte positie in de genetische puzzel laat zich minder vlot in één duidelijke pijl gieten.

Tot slot zijn er variëteiten die in stijl en historiek zeer herkenbaar zijn, maar waarbij een te strak schema vooral nuance kapotmaakt. Foglia Frastagliata is zo’n geval: een uitgesproken identiteit, maar niet handig te reduceren tot één simpele afstammingslijn. Hetzelfde geldt voor Viadanese, dat regionaal sterk verankerd is richting Lombardije en Mantova en binnen het Lambrusco-spectrum een eigen traject en accent bewaart.

Zo krijg je een stamboom die niet pretendeert elk draadje perfect te ontwarren. Tegelijk toont ze ook waar de puzzel nog open ligt: van twee hoofdrolspelers, Sorbara en Grasparossa, is het ouderschap in de beschikbare studies niet op dezelfde manier strak in één ouder-kindlijn vast te zetten als bij sommige andere Lambruschi. Sorbara blijft in dat opzicht een kernlid met een nog niet sluitend ingevuld ouderpaar, terwijl Grasparossa wel duidelijk binnen de Lambrusco-verwantschap valt maar een andere genetische route volgt dan de Besgano-nero corridor. Over één punt bestaat wél brede overeenstemming: zowel Sorbara als Grasparossa tonen genetische verwantschap met de Lambrusco-cluster en worden als volwaardige leden van de familie beschouwd.

De negen bijrolspelers!

1. Lambrusco Marani

Lambrusco Marani is in de wijngaard herkenbaar als een groeikrachtige variëteit met een middelhoge tot hoge productie. Doordat de basale knoppen doorgaans goed vruchtbaar zijn, verdraagt hij ook een korte snoei. Hij voelt zich het best in vruchtbare omstandigheden met diepe, goed drainerende bodems en voldoende warmte. Dat verklaart waarom Marani vandaag vooral voorkomt in het noordoosten van de provincie Reggio Emilia en, in mindere mate, in vergelijkbare zones van Modena, maar ook nog terug te vinden is rond Parma en richting Mantova. Het uitlopen gebeurt gemiddeld, de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Qua gevoeligheden toont hij een normale weerbaarheid tegen de klassieke wijnbouwproblemen, met in sommige situaties zelfs een opvallend goede tolerantie voor botrytis. Dat Marani al sinds de 19de eeuw rond Reggio Emilia wordt vermeld, onderstreept vooral hoe stevig hij historisch in die zone verankerd is.

Qua kleur toont Marani zich meestal levendig robijnrood, eerder helder dan diep. Die relatief lichte kleur maakt hem niet alleen geschikt voor rode Lambrusco’s, maar ook voor witte vinificatie (Lambrusco bianco) en voor mousserend. Zijn aciditeit ligt vaak vrij hoog: ze geeft extra glans aan de kleur en brengt een licht ziltige toets naar voren. Tegelijk blijft de tannine doorgaans bescheiden. In vergelijking met Lambrusco Maestri is Marani meestal minder tanninerijk en minder “vlezig”, waardoor het mondgevoel lichter kan uitvallen en in sommige jaren een vegetale toets kan opduiken. In de neus blijft het profiel fijn en delicaat, met fruittonen van marasca, ribes en zwarte bes en een florale lijn waarin viooltjes centraal staan, aangevuld met nuances van iris en pioenroos. Wanneer hij goed gemaakt is, kan Marani opvallend verfijnd, helder en sappig zijn, met een mooie kern van zwarte bes en rode kers.

Binnen Reggiano DOC Lambrusco geldt hij als een belangrijke pijler, vooral in assemblage met andere Lambruschi. Net door zijn frisse zuurstructuur en milde tannine werkt hij in blends als een betrouwbare “middenmotor”: hij brengt balans, rondt af en geeft het geheel een stabiel smaakcentrum. Tegelijk zijn de aanplantingen teruggelopen omdat moderne producenten vaker herplanten met de rijkere en fruitigere Lambrusco Maestri.

2. Lambrusco Maestri

Lambrusco Maestri wordt traditioneel gelinkt aan de provincie Parma, met als historische verwijzing het gebied rond Villa Maestri bij San Pancrazio. Vandaag ligt zijn zwaartepunt echter in Reggio Emilia, met een uitgesproken aanwezigheid in het westen van de provincie, onder meer rond Montecchio, Boretto en Gualtieri. Tegelijk is Maestri opvallend aanpasbaar: je vindt hem dan ook buiten Emilia, zelfs tot in Puglia. Hij kan zowel op minder vruchtbare hellingen als op rijkere vlaktegronden gedijen, al presteert hij vaak het best wanneer de bodem niet té weelderig is. In de wijngaard toont hij een goede weerstand tegen de belangrijkste problemen zoals peronospora en oïdium, terwijl hij voor botrytis vaak gevoeliger blijkt. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is eerder laat en valt meestal eind september tot begin oktober.

Maestri combineert een hoge groeikracht met een hoge productiviteit en heeft meestal een goede vruchtbaarheid van de basale knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is (al blijkt die aanpak niet altijd de beste keuze om kwaliteit te sturen). In het glas is het profiel meteen duidelijk: Maestri is vaak de meest intens gekleurde Lambrusco, met een donker robijnrode tot paarsgetinte kleur en uitgesproken paarse reflecties. Hij levert wijnen met meer body en een stevigere tanninestructuur, maar kan tegelijk opvallend fruitig, rond en onmiddellijk aantrekkelijk overkomen. Aromatisch kan het spectrum breed zijn: donkere pruim en rijpe zwarte kers vormen vaak de kern, geregeld aangevuld met een romige toets die aan melkchocolade doet denken, een florale lijn van viooltjes en, bij bepaalde stijlen, een speels snoepjesachtig accent dat aan kauwgom of druivensnoep doet denken. Wanneer hij goed gemaakt is en de opbrengsten worden getemperd, worden de aroma’s zuiverder en duidelijker afgelijnd, met heldere tonen van kers en wilde bosbessen naast de viooltjesgeur.

In assemblage is Maestri een echte bouwsteen. Door zijn kleur en fruit wordt hij vaak ingezet om blends meer diepte en aantrekkingskracht te geven. Hij werkt mooi samen met Lambrusco Salamino en kan ook gebruikt worden om Lambrusco di Sorbara meer kleur te bezorgen. Opvallend is dat Maestri in verschillende wijngaardzones terrein heeft gewonnen ten opzichte van Marani: zijn aanpasbaarheid en zijn rijkere fruitprofiel maken hem voor moderne producenten een logische keuze bij heraanplant.

3. Lambrusco Oliva

Lambrusco Oliva is vandaag eerder zeldzaam, al genoot hij in het verleden een zekere bekendheid. Hij werd lange tijd geassocieerd met Lambrusco Oliva Grosso, in de volksmond ook wel Lambruscone genoemd, een wijn die vooral op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw naam maakte. Die “Lambruscone” wordt in oorsprong soms gelinkt aan Lambrusco di Fiorano, wat mee verklaart waarom de naam Oliva vandaag af en toe tot verwarring leidt. Oliva dankt zijn naam aan de elliptische, olijfachtige vorm van de bes. Je komt hem vandaag nog sporadisch tegen in oude aanplantingen.

In de wijngaard is Oliva een uitgesproken rustieke en breed inzetbare variëteit. Hij kan zich aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden, zelfs op erg vruchtbare bodems, op voorwaarde dat je zijn natuurlijke groeikracht actief onder controle houdt. Hij draagt al goed aan de eerste knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is. In de praktijk vraagt hij echter nuance, want de productie is niet altijd constant en de scheuten kunnen vrij fragiel zijn. De rijping valt meestal in de tweede helft van september. Oliva heeft bovendien een hekel aan overdreven natte lentes en toont gevoeligheid voor zowel oïdium als peronospora.

In het glas kan Oliva daarentegen bijzonder aantrekkelijk uitpakken. Hij geeft een rijk gekleurd robijnrood met een goede intensiteit en paarse reflecties. De neus wordt vaak omschreven als intens, fijn en complex, met duidelijke tonen van rood bessig fruit, kers en kruidigheid. In de mond blijven aciditeit en astringentie relatief beperkt, terwijl de structuur goed aanwezig is. De tannine is licht, het geheel blijft evenwichtig, en volgens sommigen vertoont het smaakprofiel raakvlakken met Lambrusco Salamino.

Oliva duikt geregeld op in het overzicht van Lambrusco-variëteiten, maar je ziet hem minder vaak als monocepage op het etiket. Net in assemblage kan hij daarom nuttig zijn: zijn fruitige, milde karakter en zachte tannine helpen strengere componenten afronden.

4. Lambrusco Montericco

Lambrusco Montericco wijkt, qua uiterlijke kenmerken, duidelijk af van de andere Lambruschi. Oorspronkelijk stond hij bekend als Selvatica di Montericco en men gaat ervan uit dat hij afkomstig is uit de omgeving van Montericco di Albinea, in de provincie Reggio Emilia. Er zijn aanwijzingen dat hij er al sinds de 19de eeuw wordt aangeplant, met een historische band tussen Broletto en Montericco. Vandaag duikt hij ook elders in de provincie Reggio Emilia op, al blijft zijn natuurlijke biotoop vooral het heuvelachtige reggiano, bij voorkeur in minder vruchtbare omstandigheden.

Zijn verspreiding en reputatie worden mee bepaald door een uitgesproken neiging tot millerandage: trossen met zeer kleine, vaak verder uit elkaar staande bessen. Daarbij blijft de kleurvorming soms achter, omdat de bessen niet altijd volledig “op kleur” komen. Het gevolg is dat de wijnen minder kleurintensiteit halen dan je van Lambrusco verwacht en vaker naar lichtere, blekere roodtinten neigen. Het uitlopen is gemiddeld, maar de rijping is laat: vaak tussen 5 en 15 oktober. Montericco is bovendien geen uitgesproken groeikrachtige plant: hij groeit minder krachtig dan veel andere Lambruschi en heeft een vrij rechtopgaande groeiwijze. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen start pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder vanzelfsprekend is voor extreem korte snoei.

In het glas zie je de gevolgen van die millerandage en de late, soms onvolledige kleurontwikkeling: de wijn blijft robijnrood maar niet erg intens en kan soms richting kersachtig lichtrood (bijna rosé) neigen. De structuur is gemiddeld, met een levendige zuurgraad en een lage tanninestructuur, wat de wijnen bijzonder doordrinkbaar maakt en meteen verklaart waarom Montericco ook interessant kan zijn voor mousserende stijlen. Aromatisch blijft het profiel delicaat, met fruittonen van braam en bosvruchten, aangevuld met florale accenten die aan rozenbottel en viooltjes doen denken.

5. Lambrusco Viadanese

Lambrusco Viadanese staat ook bekend onder het synoniem Groppello Ruberti. De naam verwijst naar de gemeente Viadana in Mantova, waar de variëteit vandaag het sterkst aanwezig is, naast aanplantingen in de lagere vlaktes van Reggio Emilia. Het synoniem Groppello Ruberti wordt vaak verklaard als een eerbetoon aan de agronoom Ugo Rubelli, die de druif op het einde van de 19de eeuw zou hebben geïdentificeerd, geselecteerd en mee verspreid. Daarmee is Viadanese meteen het geografische buitenbeentje binnen de Lambruschi: sterker verankerd rond Viadana en Mantova dan rond de klassieke Modena/Reggio-kern.

In de wijngaard toont Viadanese een goede groeikracht en een betrouwbare productiviteit. De eerste echt vruchtbare scheuten verschijnen meestal pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder geschikt is voor heel korte snoei en beter functioneert met jaarlijks te vernieuwen hout, zoals bij Guyot. Daarbij is enige voorzichtigheid nodig, want de scheuten kunnen breekbaar zijn en bij overbelasting kan de opbrengst terugvallen. Viadanese doet het vaak goed op bodems met een gemiddelde vruchtbaarheid, bij voorkeur met een kleiige inslag, zelfs wanneer die gronden zwaarder aanvoelen. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Zijn rustieke karakter geeft hem bovendien een zekere tolerantie tegenover de belangrijkste schimmelziekten.

In het glas levert Viadanese een diep robijnrood met veel glans. Het profiel is stevig, met een goede zuurgraad en een merkbare tanninestructuur, maar tegelijk meestal afgerond en harmonieus van bouw. Aromatisch is hij mooi intens, met typische accenten van kers, amarena en braam, aangevuld met florale toetsen die vaak aan viooltjes doen denken. Stilistisch kan hij een iets andere toon zetten, met geregeld meer nadruk op rijper fruit en een rondere textuur, afhankelijk van opbrengst en vinificatie. Daardoor past hij goed in Lambrusco’s die een soepel, gul profiel nastreven.

6. Lambrusco Foglia Frastagliata

Lambrusco Foglia Frastagliata is binnen de Lambruschi een opvallende buitenstaander qua herkomst. Zijn domesticatie zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden op de morenische gronden tussen de Adige rivier en het Gardameer. Dat verklaart meteen zijn zwaartepunt: hij komt vooral voor in Trentino en in het Veronese, terwijl hij in de twee klassieke Emiliaanse provincies slechts marginaal aanwezig is. De naam is zeer letterlijk en verwijst naar de sterk ingesneden, breed uitgewaaierde bladeren met uitgesproken “sinussen”.

Foglia Frastagliata toont vaak een minder uitbundige groeikracht dan veel Lambruschi uit de vruchtbare vlaktezones rond Modena en Reggio. Hij kan zich wel aanpassen aan vruchtbare bodems, maar verkiest lichtere, lossere gronden met een grotere zandcomponent. Het uitlopen gebeurt laat, wat hem vaak helpt om aan voorjaarsvorst te ontsnappen. Ook de rijping schuift laat op: meestal in de eerste tien dagen van oktober. In de wijngaard geldt hij als een rustieke variëteit met een goede ziekteweerstand. De vegetatie groeit half rechtop en de tweede knop is vruchtbaar, wat hem in de praktijk vrij flexibel maakt in snoei en leivorm.

In het glas geeft Foglia Frastagliata vaak een rood-violette kleur met paarse reflecties. De structuur is goed, met een frisse indruk, een licht hartige toets en weinig astringentie. Aromatisch blijft het profiel uitgesproken “rustiek”, met licht vegetale accenten van wilde bloemen en viooltjes, aangevuld door fruittonen van braam, kers en bosvruchten. In de beste rijpingsjaren kan daar zelfs een nuance van gedroogd fruit bij komen, zoals pruim. Dan toont hij ook een verrassend mooie, aanhoudende geur- en smaaklengte. In assemblage waarderen wijnmakers hem omdat hij frisheid en structuur kan brengen zonder dat de wijn mager wordt: hij maakt het geheel strakker, tekent de structuur en voegt aromatische nuance toe.

7. Lambrusco Benetti

Lambrusco Benetti geldt als een vitigno minore: een minder verspreide Lambrusco die vooral voorkomt in het Modenese, met een zwaartepunt rond Campogalliano en Carpi. De eerste beschrijvingen dateren uit 1945, wat Benetti tegelijk een relatief laat gedocumenteerd, maar wel duidelijk autochtoon karakter geeft binnen die lokale context.

In de wijngaard is Benetti een rustieke, groeikrachtige en productieve variëteit, met één duidelijke zwakke plek: hij verdraagt droogte minder goed. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen is goed, waardoor korte snoei mogelijk is. Hij start vroeg in het seizoen, maar de rijping verloopt traag en lang: theoretisch is hij begin oktober rijp, al loont het vaak om nog wat langer te wachten met oogsten. Die extra tijd aan de stok is net functioneel: Benetti heeft relatief weinig kleurstoffen in de schil, en een langere rijping helpt om meer kleur en een rijpere expressie te ontwikkelen. Praktisch is er nog een voordeel: net omdat Benetti later kan worden geplukt, kan hij helpen om de oogstplanning in de kelder te spreiden.

De trossen zijn gemiddeld los, wat hem toleranter maakt tegenover rot en hem in sommige contexten interessant maakt voor biologische teelt. In het glas levert Benetti een helder robijnrood met paarse reflecties. De neus is intens en aangenaam, met een duidelijke florale component. In de mond toont hij een evenwichtige, middelmatige structuur, gedragen door een opvallend hoge zuurgraad. Het smaakprofiel kan een licht bittertje hebben, wat hem een strakker einde geeft. Door het voorkomen van onregelmatig rijpende bessen binnen de tros kan Benetti bovendien ook richting rosé-stijlen werken, waar minder extract en kleurintensiteit net een voordeel kunnen zijn.

Benetti is zo’n klein puzzelstukje dat je zelden als hoofdrolspeler ziet, maar dat in assemblage wél betekenis krijgt. Hij ondersteunt blends met frisheid en structuur, kan het geheel strakker aflijnen en blijft tegelijk een handig instrument door het vaak iets latere plukvenster. In de kelder is hij dus meer de stille kracht: nuance, samenhang en bovendien inzetbaarheid voor rosato.

8. Lambrusco Barghi

Lambrusco Barghi heeft in Reggio Emilia een duidelijke historische voetafdruk. De variëteit werd geïntroduceerd op het domein van graaf Corbelli (Rivalta en Castelnuovo di Sotto) en was in de Reggiaanse zone al goed verspreid sinds de 19de eeuw, al wordt zijn oorsprong door sommige auteurs eerder buiten Emilia gezocht, mogelijk in Toscane of in de streek rond Piacenza. Vandaag ligt zijn kern vooral rond Montecchio en Sant’Ilario d’Enza, in de provincie Reggio Emilia. Dat hij daar standhoudt, wijst erop dat Barghi in het verleden als druif met interessante oenologische mogelijkheden werd gezien.

Toch is Barghi altijd een druif met een “maar” gebleven. Het grootste struikelblok is de lage mostopbrengst, rechtstreeks gelinkt aan de opvallend dikke schil. Die schil belooft extract en kleur, maar maakt vinificatie minder efficiënt: je krijgt relatief weinig sap, en het evenwicht tussen schil en most kan het maceratiebeheer delicaat maken. Net daarom is het interessant dat moderne vinificatietechnieken het potentieel van Barghi opnieuw in een ander licht kunnen zetten. In de wijngaard werkt die dikke schil overigens ook in zijn voordeel: samen met een gemiddeld losse tros geeft ze Barghi een goede weerstand tegen botrytis. De groeikracht is stevig, in lijn met veel Lambruschi, en de rijping valt meestal eind september.

In het glas kleurt Barghi intens robijnrood. De aromatische intensiteit is vaak middelmatig, maar het profiel kan mooi verfijnd zijn, met bramen, framboos en kers als kern. Bij langere maceraties schuift het fruitprofiel op naar gedroogde pruim, en kunnen er ook toetsen opduiken van zoethout of koffie. De zuurgraad en de hartige toets liggen meestal rond het midden. Opvallend is dat de tanninestructuur vaak bescheiden blijft, niet omdat de schil dun is, maar omdat een correcte, evenwichtige maceratie net door die verhouding schil/most moeilijker te sturen is. De finale blijft doorgaans correct, met een discrete maar aangename lengte.

Barghi is één van die namen die je minder vaak op etiketten ziet, maar die inhoudelijk boeiend blijft: historisch lokaal aanwezig, vandaag vooral interessant omdat hij kleur en extractpotentieel koppelt aan een verfijnd, klassiek aromaprofiel. In assemblage kan hij als karakterdruif extra ruggengraat en lokale identiteit geven, al vraagt hij in de kelder een zorgvuldige aanpak door zijn lage sapopbrengst en de delicate maceratiebalans. Precies daar ligt ook zijn herontdekkingswaarde: met moderne vinificatietechniek kan Barghi meer laten zien dan hij vroeger vaak mocht tonen.

9. Lambrusco del Pellegrino

Lambrusco del Pellegrino staat zelden in de spotlights, maar is inhoudelijk boeiend. De druif duikt in historische contexten ook op onder benamingen zoals Lambruscone en Lambrusco di Fiorano. Vandaag situeert zijn kern zich vooral in en rond Modena (onder meer Nonantola, Fiorano, Modena en Formigine), met daarnaast ook aanwezigheid in de heuvelzone van Reggio Emilia.

In de wijngaard is dit geen “brute kracht”-Lambrusco. De groeikracht blijft eerder beperkt en de opbrengst is doorgaans niet overdreven hoog, al is de vruchtbaarheid op de eerste knoppen opvallend goed. Hij start rond het midden van het seizoen, maar veraison en rijping schuiven laat op. Praktisch is hij interessant omdat hij een sterke tolerantie kan tonen voor botrytis, terwijl de gevoeligheid voor meeldauw en valse meeldauw eerder gemiddeld blijft.

In het glas is Pellegrino geen lichtgewicht. De druif kan behoorlijk rijp worden en dus vulling en body meebrengen, terwijl de zuurgraad voldoende levendigheid bewaart en de structuur correct overeind blijft. Het profiel is minder geparfumeerd maar biedt meer ruggengraat, zonder noodzakelijk zwaar te worden.

Als bijrolspeler is Lambrusco del Pellegrino vooral nuttig in assemblage wanneer je structuur en stabiliteit zoekt zonder hardheid. Hij kan body en vulling leveren, een blend helpen “zetten” en blijft tegelijk een handige component in uitdagende jaren.

Een mooi vooruitzicht

Wie een kwalitatieve Lambrusco drinkt, zal meestal niet rechtstreeks met deze minder bekende variëteiten geconfronteerd worden. Van de twaalf sleutelnamen focusten we hier op de negen bijrolspelers; de grote drie krijgen een eigen vervolg. Dat maakt hun rol niet kleiner, integendeel: elk van deze druiven draagt op zijn manier bij, als nuancegever, bouwsteen of stille versterker in assemblage. De komende weken zetten we Sorbara, Salamino en Grasparossa centraal, en geven we tegelijk meer aandacht aan de herkomstzones waar ze het best tot hun recht komen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco was vroeger misschien een wijn die je eenvoudig kon definiëren, maar vandaag is dat helemaal niet meer zo. De veelheid aan vinificatiemogelijkheden heeft Lambrusco intussen ook bereikt en legt daardoor telkens andere accenten in het glas. Het is een wijn met vele gezichten geworden, en voor de consument is het dus opletten geblazen bij de aankoop. Het etiket vertelt je veel, op voorwaarde dat je het wijnjargon kan vertalen naar mensentaal. In dit vierde artikel van onze zondagse Lambrusco-reeks proberen we die diversiteit te ontrafelen en helder te maken welke stijlen vandaag mogelijk zijn. Van fizzy naar sparkling en van secco naar amabile: de vinificatie stuurt het eindresultaat.

Twee types Lambrusco: frizzante en spumante

Los van de vinificatiemethodes kan je Lambrusco in twee categorieën plaatsen op basis van het type bubbel dat je in het glas krijgt. Enerzijds is er Lambrusco frizzante, de “fizzy” stijl: licht bruisend, speels en direct, gemaakt om frisheid en onmiddellijke drinkbaarheid te leveren. Anderzijds is er Lambrusco spumante, de “sparkling” stijl: volwaardig schuimend, met hogere druk, een duidelijker schuimkraag bij het inschenken en doorgaans ook meer ambitie qua structuur en verfijning. Voor de consument is dit meteen een eerste sleutel om een etiket te lezen, want frizzante en spumante zeggen in de eerste plaats iets over hoe de wijn zich zal gedragen in het glas.

Frizzante en spumante verschillen immers vooral in intensiteit. Frizzante parelt zachter en voelt in de mond lichter en losser aan. Spumante zit hoger in druk en geeft vooral een fijnere en nadrukkelijkere pareling in het glas. Dat is niet alleen een verschil in bubbels, maar ook in stijl: frizzante draagt vaak het sappige, fruitgedreven en dorstlessende karakter van Lambrusco, terwijl spumante sneller richting finesse en gastronomische inzetbaarheid schuift.

Vanaf hier wordt het interessant, want het type bubbel en de vinificatiemethode zijn niet exact hetzelfde, al hangen ze wel nauw samen. Laat me dat zo eenvoudig mogelijk kaderen. Metodo ancestrale levert in de praktijk bijna altijd frizzante op, omdat de hergisting in de fles gebeurt op basis van natuurlijke restsuikers en actieve gisten. De drukopbouw blijft daardoor doorgaans gematigder, de pareling subtieler en het resultaat kan licht troebel zijn door de aanwezige gistresten. Dat is precies waarom ancestrale Lambrusco zo herkenbaar is: levend, direct en ambachtelijk, met een beperkte pareling.

Metodo classico is het andere uiterste en resulteert bij Lambrusco vrijwel altijd in spumante. Hier wordt de tweede gisting in de fles doelbewust en gecontroleerd opgestart en volgt er een traject waarbij druk, pareling en rijping centraal staan. De belletjes zijn doorgaans fijner, talrijker en langduriger aanwezig. De rijping op de lies bouwt extra structuur en complexiteit op, waardoor de wijn minder op onmiddellijk fruit speelt en meer op draagkracht aan tafel.

Metodo Martinotti, oftewel Charmat, zit ertussenin en is daarom de flexibele schakel. Deze methode kan zowel frizzante als spumante opleveren, omdat de tweede gisting in een drukbestendige tank plaatsvindt en de producent daar de drukopbouw technisch kan sturen. In deze autoclave kan men bewust op lagere druk mikken om een frizzante stijl te maken, of verder laten opbouwen tot een hogere druk voor een volwaardige spumante. Ook keuzes rond duur, temperatuur en botteling onder druk bepalen hoe intens de pareling aanvoelt. Dat verklaart meteen waarom Martinotti in Lambrusco zo’n dominante rol speelt: het is de methode die, vertrekkend van hetzelfde fruitgedreven DNA, zowel een lichtvoetige frizzante als een voller spumante profiel mogelijk maakt.

Terug zoals het ooit was: Metodo ancestrale of col fondo

Wie Lambrusco in zijn meest “oorspronkelijke” gedaante wil proeven, komt al snel uit bij metodo ancestrale. Niet omdat dit per se een romantische terugblik op vroeger is, maar omdat het perfect aansluit bij wat Lambrusco kan zijn: licht, levendig, dorstwekkend en vooral erg direct. In plaats van bubbels technisch op te bouwen tot een strak, uniform schuimwijnprofiel, laat men de wijn in deze stijl op een natuurlijke manier verder vergisten in de fles. Dat resulteert vrijwel altijd in een frizzante beleving: beperktere pareling, minder druk, en een wijn die meer “wijn” blijft dan “schuimwijn”.

Concreet betekent ancestrale bij Lambrusco dat men bottelt terwijl er nog een beetje vergisting in de wijn zit. De resterende suikers en de aanwezige gisten doen in de fles het werk verder, waardoor koolzuur ontstaat dat in de wijn wordt vastgehouden. Omdat men doorgaans niet dégorgeert, blijven gistresten aanwezig. Dat is meteen de reden waarom je deze flessen vaak licht troebel ziet en waarom het mondgevoel anders aanvoelt dan bij een helder gefilterde Martinotti-versie. De zuren komen vaak puurder en strakker door, met een levendige spanning en soms een licht gistige, korrelige toets. Aromatisch kleuren die gisten het profiel mee: naast het fruit verschijnen vaker brooddeegachtige, gistige en soms licht kruidige of reductieve accenten. Dit zijn bovendien flessen die je vaak met een kroonkurk afgesloten ziet.

Een benaming die je de laatste jaren steeds vaker op het etiket tegenkomt, is col fondo, letterlijk “met bezinksel”. In Lambrusco-context duidt dat op wijnen waarbij het depot bewust in de fles blijft. Het is verwant aan wat je internationaal soms als pét-nat-stijl ziet, al blijft de lokale terminologie hier belangrijker dan het modewoord. Sommige producenten raden aan om de fles voorzichtig rechtop te bewaren en helder uit te schenken, zodat het laatste glas troebeler en gistrijker blijft. Anderen vragen net om de fles vóór het serveren even voorzichtig te schudden, zodat het depot weer mee loskomt en je het volledige, meer “rustieke” profiel ervaart. Beide serveerstijlen bestaan naast elkaar, en ze geven effectief een andere ervaring: helder uitgeschonken is de wijn strakker en fruitiger, volledig gemengd wordt hij ronder, gistrijker en vaak iets complexer.

In het glas herken je ancestrale/col fondo Lambrusco vooral aan zijn ongedwongen karakter. De pareling is beperkter dan bij metodo classico, maar het drinkt vaak gevaarlijk vlot. Fruit blijft een kerncomponent, met kers en aardbei op kop, soms aangevuld met een florale toets die aan viooltjes doet denken, maar de omlijsting wordt aardser en puurder door die gisten. Dat kan prachtig werken bij de lokale keuken, omdat het niet alleen verfrist maar ook textuur en hartigheid kan oppikken. Het vraagt wel precisie van de producent: als de basiswijn niet zuiver is, valt dat sneller op in deze minimalistische stijl.

De standaardaanpak: Metodo Martinotti (Charmat)

Hoe populair de andere methodes de laatste jaren ook worden, Metodo Martinotti blijft de meest gebruikte en herkenbare manier om Lambrusco te maken. Dat is in principe volkomen logisch: dit is de techniek die het fruit, de florale toetsen en het jeugdige temperament van Lambrusco het best intact houdt. Je krijgt Lambrusco zoals veel locals hem het liefst drinken: toegankelijk, aromatisch en gemaakt om meteen aan tafel te zetten.

Bij Martinotti ontstaan de bubbels niet in de fles maar in een drukbestendige tank. Daardoor kan de wijnmaker veel preciezer sturen op het eindresultaat. Het grote voordeel is niet alleen controle, maar ook zuivere aromatiek: primaire aroma’s blijven helder en herkenbaar, zonder dat ze overschaduwd worden door uitgesproken gist- of rijpingstonen. Denk aan kers, aardbei en braam, soms met een florale toets van viooltjes, aangevuld met dat typische kruidige randje dat je bij Lambrusco vaak tegenkomt. De wijn blijft geurig en fris, met een mondgevoel dat vooral op sappigheid en vaart speelt.

Martinotti kan, afhankelijk van de gekozen druk, zowel frizzante als spumante opleveren. In het glas blijft de stijl echter herkenbaar: een sappige aanzet, zuren die het geheel verfrissen en een pareling die de mond zuivert. Het is geen methode die bedoeld is om jaren rijpingscomplexiteit op te bouwen; de charme zit in directe expressie en onmiddellijke drinkbaarheid.

Tegelijk moeten we eerlijk blijven over het marktbeeld. Hoezeer Lambrusco de laatste jaren een kwaliteitsboost kent en hoe boeiend de nieuwe, drogere stijlen ook zijn, het merendeel van de flessen die je vandaag nog tegenkomt blijft eenvoudig van stijl. En vooral: vaak (te) zoet. Dat is precies de stijl die bij veel consumenten nog altijd het “frisdrank-idee” oproept. Je kan zoetheid bij verschillende methodes terugvinden, maar in de praktijk zal je die associatie het vaakst tegenkomen bij Martinotti, omdat dit nu eenmaal de methode is waarmee het grootste volume wordt gemaakt en waarmee producenten heel consistent kunnen mikken op een zacht, toegankelijk profiel. Voor de lezer is dit het belangrijkste waarschuwingslampje: een Lambrusco met bubbels is niet automatisch droog of gastronomisch; het etiket moet het je vertellen.

Metodo Classico: met uitgesproken ambitie

“The sky is the limit” is misschien wel het verwachtingspatroon dat vandaag rond Lambrusco ontstaat, zeker als je kijkt naar de opvallende toename van metodo classico-versies. Deze vinificatie zag je vroeger slechts sporadisch bij Lambrusco, en wie het toch probeerde, kreeg er niet zelden hoongelach bovenop. Dat is vandaag niet langer het geval. Er is een nieuwe Lambrusco-wereld opengegaan waarin steeds meer kwaliteitsproducenten óf al minstens één metodo classico in hun gamma hebben, óf er zichtbaar mee experimenteren.

Bij metodo classico gebeurt de tweede gisting in de fles en rijpt de wijn op zijn gistcellen, zoals bij Champagne. Dat verandert het spel, vooral in de manier waarop de bubbels zich gedragen. De pareling wordt doorgaans fijner, talrijker en langduriger, en het mondgevoel krijgt meer draagkracht. Lambrusco behoudt daarbij zijn kernsmaak, maar de rijping op de lies schuift het aromatische spectrum subtiel op. Naast fruit duiken sneller nuances op die aan brooddeeg of broodkorst kunnen doen denken, soms met een nootachtige of licht geroosterde rand, afhankelijk van de rijpingsduur.

Dat deze stijl zo sterk in de lift zit, vind ik persoonlijk volkomen terecht. Tenzij men bewust anders kiest, zetten veel producenten hier een stap naar een drogere stijl. Weg van het zeemzoete, frisdrankachtige segment en richting verfijning, zonder het Lambrusco-eigen karakter te ontkennen. Classico is het visitekaartje van ambitie: meer tijd, meer werk en meer keuzes in de kelder, maar ook een Lambrusco die minder op eenvoud mikt en het imago van de regio mee optilt. Voor de consument is dit vaak een nieuwe ontdekking van een drogere, serieuzere Lambrusco. En bovendien eentje die ook echt aan tafel hoort.

De afwerking: kleur, zoetheid, druk en keuze

Los van de vinificatiemethode sturen producenten de uiteindelijke Lambrusco-stijl met drie praktische knoppen: kleur, zoetheid en druk. Dat is niets uitzonderlijks: dit is simpelweg de laatste afstelling die bij elke schuimwijn bepaalt hoe hij in het glas overkomt.

De meeste consumenten herkennen Lambrusco makkelijk omdat hij beroemd is om zijn roodpaarse gloed. Maar hij is niet altijd rood. Je vindt evengoed lichtere versies met een transparantere, frissere uitstraling. Bovendien kent het rosato-segment een groeiende interesse, en Lambrusco surft mee op die golf. Zelfs witte Lambrusco’s, waarbij men zeer beperkt of geen schilcontact gebruikt, duiken op de markt op. Onthoud dus: kleur zegt vooral iets over extractie, niet automatisch over zoetheid of kwaliteit.

De tweede knop is de zoetheid, en die herken je meestal aan termen op het etiket. Bij Lambrusco kom je vaak aanduidingen tegen zoals extra brut, brut, secco, (extra) dry, amabile en dolce. Extra brut en brut staan doorgaans voor de droogste interpretaties; je ziet die termen vandaag ook vaker opduiken bij de meer ambitieuze stijlen. Klassiek ging men in Lambrusco echter vaak voor secco: rosso secco of frizzante secco lees je geregeld op het etiket. Hoewel het letterlijk “droog” betekent, kan secco in de praktijk wat ronder aanvoelen dan brut, maar het blijft bedoeld als niet-zoete stijl. Daarna kom je bij de zachtere categorieën: (extra) dry zit meestal tussen droog en duidelijk zoet in, terwijl amabile echt op charme speelt, met meer restsuiker die fruit benadrukt en bittertjes of grip kan verzachten. Dolce is uitgesproken zoet en wordt meestal gekozen voor een duidelijk zachtere, fruitige stijl of voor een bewust contrast met zoute of pittige gerechten.

De derde knop hebben we al uitgebreid besproken: de druk bepaalt de intensiteit van de pareling. Frizzante voelt lichter en losser, spumante nadrukkelijker en voller.

De Lambrusco die je uiteindelijk in het glas wil, kan je zo perfect afstemmen op je eigen smaakprofiel. Persoonlijk ga ik resoluut voor de droge stijlen, zoals col fondo, of nog liever metodo classico extra brut. Veel consumenten die die richting ontdekken, blijven er verrassend snel aan hangen. Kies je voor de meer gekende en herkenbare zoetere Lambrusco, dan is daar niets mis mee: geniet met volle teugen van je amabile.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Hoe kronkelig de geschiedenis van Lambrusco ook is, geografisch is zijn echte habitat opvallend afgebakend. Je vindt hem in Noord-Italië, aan de voet van de Apennijnen en in de invloedssfeer van de Povlakte, meer bepaald in Emilia-Romagna en Lombardije. En zelfs daar blijft het, binnen die grote wijnregio’s, vaak bij een relatief klein kerngebied waar Lambrusco echt thuis is.

Je zou Trentino nog kunnen noemen. Ook daar staat Lambrusco aangeplant, meestal onder de naam Enantio. Die wijn is niet te vergelijken met de Lambrusco zoals we die kennen. Het is een wijn met een eigen karakter en context. We houden het bij deze eervolle vermelding en parkeren Trentino voor een andere gelegenheid.

Tijdens mijn laatste bezoek aan Emilia-Romagna maakte ik bovendien een grote vergissing. Ik focuste vooral op Romagna, waar Sangiovese en Albana de toon zetten. Het Emilia-gedeelte ging grotendeels op aan een andere zoektocht, naar Aceto Balsamico di Modena, Prosciutto di Parma en Parmigiano Reggiano. Ik gaf Lambrusco toen niet de aandacht die hij verdiende (ik was op dat moment nog een non-believer). Vandaag zou ik het helemaal anders aanpakken. Niet getreurd, de reden voor een volgend bezoek ligt hiermee alvast op tafel.

Een wijn van de Povlakte

De Povlakte is het brede, laaggelegen hart van Noord-Italië. Ze strekt zich uit van de Alpenrand in het westen tot aan de Adriatische Zee in het oosten, met de rivier de Po als centrale slagader. Op de kaart oogt ze als een rustige, vlakke massa, maar wie erdoor reist merkt snel dat dit landschap voortdurend door water is gevormd: door de Po zelf, door haar zijrivieren en door oude rivierarmen die zich als littekens door de bodem tekenen.

Het kerngebied van Lambrusco ligt precies daar waar de Povlakte de voet van de Apennijnen raakt. Op de plek waar het vlakke land langzaam begint te golven, waar beken en riviertjes uit de heuvels komen en hun afzettingen uitwaaieren. Geen heroïsche bergterrassen, maar vruchtbare gronden die eeuwenlang als landbouwmotor hebben gefunctioneerd, en waar wijn altijd deel is geweest van het dagelijkse ritme. Daar is Lambrusco thuis.

Emilia-Romagna: waar Lambrusco een ziel krijgt

Het is in Emilia-Romagna waar Lambrusco zijn identiteit heeft gevormd, maar het zwaartepunt ligt niet verspreid over de hele regio. Het ligt in Emilia, en binnen Emilia vooral rond Modena. Deze stad, bekend om haar balsamico en als geboorteplaats van Pavarotti, fungeert als het geografische en culturele knooppunt waar Lambrusco het duidelijkst geconcentreerd is. Ook de meest geciteerde referentiezones groeperen zich hier als een krans rond de stad.

Wie dit geografisch wil plaatsen, neemt best de Via Emilia als leidraad. Die oude route loopt door het Emilia-gedeelte en verbindt de steden die als bakens werken. In het middensegment van die as ligt Modena bijna centraal, tussen Parma en Bologna, en precies daar merk je hoe Lambrusco zich in het landschap begint af te tekenen.

Binnen dat brede, licht golvende Emilia-landschap kun je drie kernzones benoemen die vaak als referentiepunten terugkeren en die alle drie in de Modenese invloedssfeer liggen. Sorbara ligt net ten noorden van Modena, in de vlakkere zone richting Carpi. Castelvetro ligt ten zuiden van Modena, waar het terrein zichtbaar begint te golven en je de overgang naar het heuvelland voelt. Santa Croce (bij Carpi) situeer je opnieuw ten noorden van Modena, als een vaste kapstok in het noordelijke deel van de provincie.

Binnen enkele weken zoomen we in op deze kernzones met meer detail, en pas dan maken we ook het onderscheid dat de herkomstbenamingen en lokale namen echt scherp stelt.

Mantova: de oostelijke spiegel

Net over de regionale grens met Emilia-Romagna, in de provincie Mantova in Lombardije, krijg je een verwant maar net iets anders smakend Lambrusco-verhaal. Geografisch zit Mantova in het zuidoosten van Lombardije, als een soort scharnierpunt tussen drie referentiesteden: Verona ligt net oostwaarts, Modena westwaarts, en Bologna zuidelijker. De provincie leunt tegen de grote Po-as aan, en dat verklaart meteen het landschap: laag, vlak en waterrijk.

Als je Mantova op de kaart zoekt, kijk dan naar het gebied waar de rivier de Mincio (die uit het Gardameer komt) in de Po-vlakte uitwaaiert en richting de Po stroomt. De stad Mantova zelf ligt als historisch eiland in dat waterlandschap, omringd door meren en kanalen. Voor Lambrusco is vooral het zuidwestelijke deel van de provincie relevant: het brede vlakke land tussen de stad Mantova en de Po, richting de grens met Emilia-Romagna.

In het glas proef je doorgaans ook een nuanceverschil met Emilia. Lambrusco uit Emilia-Romagna, zeker rond Modena en Reggio Emilia, toont geregeld net wat meer contour en spanning. Mantova is wat eenvoudiger van smaak zonder aan identiteit in te boeten. Beide zijn lokaal heel vanzelfsprekend aan tafel.

Het landschap in één zin

De Povlakte staat bekend om haar vruchtbaarheid, en Emilia-Romagna in het bijzonder geldt niet voor niets als de “buik van Italië”, omwille van haar grote culinaire waarde. Lambrusco maakt daar integraal deel van uit en is historisch met die tafelcultuur verbonden. De aperitivo waar Italië zo beroemd om is, bereikt hier misschien wel zijn hoogtepunt.

De volgende keer dat ik de regio bezoek, zal ik dat ook zo aanpakken. Wanneer mijn wagen vanuit Langhirano, waar de beste prosciutto ligt te rijpen, verder rijdt langs de rijpingskelders van Parmigiano Reggiano richting Modena, naar Il Borgo del Balsamico, zet ik heel bewust mijn richtingaanwijzer aan. Niet om door te steken naar de volgende culinaire halte, maar om even af te slaan: langs de Lambrusco-wijngaarden, met een stop bij een van die kleine, kwalitatieve producenten, zoals Silvia Zucchi of Cantina della Volta. Een terugkeer naar deze uiterst aangename regio staat met hamer en beitel in steen gebeiteld.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago

🍷 Inleiding – Lambrusco: van verguisd naar verfijnd

Wat is dat toch met Lambrusco de laatste tijd?
Plots hoor je overal nieuwe geluiden over deze ooit zo verguisde wijn. De naam duikt weer op in wijnbars, op kaarten van Italiaanse trattoria’s en zelfs in gesprekken tussen sommeliers. En dat terwijl ik Lambrusco zelf jarenlang heb afgedaan als “pompbakwijn”, de “Coca-Cola onder de Italiaanse bubbels”. Een zoete, roodschuimende wijn die vooral de Amerikaanse fastfoodcultuur bediende. Tot voor kort had ik er geen goed woord voor over.

Tot die ene dag.
Tijdens mijn opleiding tot Italian Wine Ambassador verzorgde Master of Wine Gabriele Gorelli de allereerste masterclass van de cursus. Onderwerp: Lambrusco. Mijn verwachtingsniveau? Lager dan laag.
Maar nog voor Gorelli aan zijn tweede zin toe was, voelde ik mijn houding kantelen. Zijn bevlogenheid, zijn kennis, maar vooral het verhaal achter deze wijn trokken me recht uit mijn scepsis. Lambrusco bleek geen grap, geen relikwie uit de jaren ’80, maar een levende, complexe wijnfamilie met diepe wortels in de Italiaanse geschiedenis.

Wist je dat Lambrusco waarschijnlijk één van de oudste druivenrassen van Italië is, met een oorsprong als wilde wijnstok? En dat er niet één Lambrusco bestaat, maar twaalf verschillende variëteiten. Elk met hun eigen karakter, terroir en stijl? Tijdens de proeverij die volgde, proefde ik geen zoet plakkerig drankje, maar frisse, droge, verfijnde wijnen. Apart en niet alledaags, zeker, maar het contrast met mijn vooroordelen kon niet groter zijn.

Dat moment werkte als een vonk.
Sindsdien werd ik genoeg getriggerd om mezelf ertoe te zetten me te verdiepen in de wijn die ik nooit wist te appreciëren, en eindelijk te begrijpen waarom hij het verdient om herontdekt te worden.

Daarom deze nieuwe zondagse reeks ‘Lambrusco op zondag – tien weken lang schaven aan het imago’: een ontdekkingsreis langs de geschiedenis, druiven, regio’s en smaken van Lambrusco.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Wat is Lambrusco?
    We trappen af met de comeback van een vergeten icoon. Hoe een wijn die ooit synoniem stond voor zoetigheid en eenvoud vandaag opnieuw respect afdwingt.
  2. Van wilde wijnstok tot klassieker
    De geschiedenis van Lambrusco: van Romeinse tijden tot hedendaagse heropleving. Hoe een wilde druif evolueerde tot één van Italië’s oudste wijnfamilies.
  3. Waar groeit Lambrusco?
    We trekken naar Emilia-Romagna en Mantova, waar de wijn zijn ziel vindt in vruchtbare bodems, zachte heuvels en een uitgesproken eet- en wijncultuur.
  4. Hoe wordt Lambrusco gemaakt?
    Van Charmat tot Classico en Ancestrale: de verschillende vinificatiemethoden die de stijl, structuur en verfijning van Lambrusco bepalen.
  5. De Lambrusco-familie
    Een fascinerende stamboom van twaalf belangrijke variëteiten — met een hoofdrol voor Sorbara, Salamino en Grasparossa.
  6. Sorbara & Lambrusco di Sorbara DOC
    De elegante, florale expressie van Lambrusco. Licht, levendig en verrassend verfijnd.
  7. Salamino & Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC
    De fruitige, evenwichtige middenstijl: soepel, charmant en veelzijdig aan tafel.
  8. Grasparossa & Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    De krachtigste van het trio: donker, intens en vol karakter.
  9. Meer dan de grote drie
    We ontdekken de overige appellaties, van Reggiano tot Modena, die het brede smaakpalet van Lambrusco vervolledigen.
  10. Lambrusco aan tafel
    Waarom Lambrusco zo’n uitzonderlijke gastronomische begeleider is — en hoe hij gerechten tot leven brengt.
  11. Bonus: Masterclass Lambrusco
    Een afsluitende proefsessie met 8 tot 10 wijnen, waarin we alles samenbrengen wat we onderweg hebben geleerd.

Deze reeks is er voor nieuwsgierige wijnliefhebbers, ontdekkers en fijnproevers die hun blik willen verruimen. Elke zondag schenken we je een nieuw hoofdstuk over Lambrusco: boeiend, verdiepend en vooral verfrissend anders.
Tijd om deze sprankelende Italiaan opnieuw op het schavot te plaatsen, en hem te proeven zoals hij echt bedoeld is.

De smaak van Romagna – proef Fattoria Zerbina

📅 Datum: Zondag 23 november 2025
📍 Locatie: Zaal De Vrede, Lichtaartseweg 131, Olen

Ontdek tijdens onze Wijnkennis Openflessendag de wijnen van Fattoria Zerbina, het iconische domein uit het hart van Emilia-Romagna. Henri-David is persoonlijk aanwezig en neemt je graag mee door hun expressieve selectie Sangiovese-wijnen en meer.

Fattoria Zerbina behoort al jaren tot de top van de regio en werkt met druiven die hier van oudsher thuishoren. Hun witte wijnen zijn gemaakt van de authentieke Albana-druif, een ras dat enkel in Romagna echt tot zijn recht komt. De rode wijnen zijn gebaseerd op Sangiovese, de nobele druif die hier al eeuwen zijn thuisbasis heeft en zorgt voor diepgang, structuur en karakter.

Te proeven wijnen:
🍈 Bianco di Ceparano – Albana Secco met fris wit steenfruit en een levendige minerale toets.
🌸 Rosa di Ceparano – Frisse rosé van Sangiovese en Syrah, met puur fruit, florale accenten en een vleugje kruidigheid.
🍇 Ceregio Rosso – Fruitige, authentieke Sangiovese met aroma’s van kers en granaatappel, heerlijk soepel.
🍇 Poggio Vicchio – Puur Sangiovese-karakter zonder hout, met levendig fruit en een verfijnde structuur.
🍇 Torre di Ceparano – Sangiovese met kruidige en florale accenten dankzij de rijping op eiken vaten.
🍇 Pietramorra – De kroon op het werk: een Sangiovese Riserva met diepgang, kracht en een lange, verfijnde afdronk.

Door het zware noodweer en de schade aan de wijngaarden in 2023 werd besloten dat jaar geen rosé te maken. De Rosa di Ceparano keert dus pas terug met de gebottelde oogst van 2024 – reden te meer om ze tijdens onze Openflessendag te (her)ontdekken!

Elk jaar springt Henri-David in zijn wagen om helemaal vanuit Faenza, in het hart van Emilia-Romagna, naar Olen af te zakken. Met een koffer vol karaktervolle wijnen weet hij telkens weer de proevers te overtuigen van de klasse van Fattoria Zerbina – authentiek, gepassioneerd en onvervalst Italiaans.

Meer informatie vind je op wijnkennis.be.

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ‘overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italië af. Dáár wordt ze echt au sérieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatië tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiële documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italië doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieën. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatië. Van daaruit zou ze via Slovenië haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italië, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiële status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oïdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel én geografisch breed verankerd in Noord-Italië. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardinië.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiëren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op Sardinië. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variëteiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oïdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocépage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiële erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciële aandacht die andere rassen wél genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst