Maccheroncini di Campofilone IGP, pasta met opvallend veel ei

Tijdens het schrijven over onze Marche reeks speelde opnieuw de gedachte die al sinds ons bezoek ginds door mijn hoofd maalde. Ik moet iets doen met die pasta, de Maccheroncini di Campofilone. Het is zo’n uniek product dat het zonde zou zijn om het links te laten liggen. Je kan in België uiteraard een ruime keuze vinden aan pasta’s. Toch zou het een verrijking zijn mocht ik een plekje vinden voor deze fijne eierpasta uit Campofilone en ze ook kunnen aanbieden.

Ondertussen heb ik de daad bij het woord gevoegd en heb ik de pastaproducent aangesproken om te bekijken of er een mogelijkheid tot samenwerking bestaat. Ik ben alvast benieuwd naar hun reactie. Wie weet kan je binnen afzienbare tijd deze pasta ook effectief verkrijgen bij Wijnkennis.

Voor we ze ooit in onze rekken leggen, wil ik eerst goed begrijpen wat Maccheroncini di Campofilone nu precies zijn. Waar komt hun kwaliteit vandaan, waarom smaken ze anders dan gewone eierpasta en hoe kan zo’n fijne pastadraad in de keuken toch zo stevig overeind blijven?

Welke pasta is dit nu exact?

Maccheroncini di Campofilone zijn een gedroogde eierpasta uit Campofilone, een kleine gemeente in het zuiden van Marche, in de provincie Fermo. Ze horen tot de familie van de lange, fijne pasta’s, maar ze hebben toch een heel eigen karakter. De draad is dun, licht en lang, met een uitgesproken gele kleur en een duidelijke geur van ei en tarwe.

De basis is eenvoudig: tarwe en eieren. Het opvallende zit vooral in de hoeveelheid ei. Per kilo semola worden zeven tot tien verse eieren gebruikt. Water komt er niet aan te pas. Dat verklaart meteen de gele kleur, de vollere geur en de rijkere smaak.

Die band met Campofilone is zo’n typisch Italiaans verhaal dat doorheen de jaren een eigen leven is gaan leiden en dat vooral thuishoort in de oude lokale huishoudelijke keuken. Een sluitende verklaring waarom net dit dorp zo sterk met deze pasta verbonden raakte, heb ik na een lange zoektocht niet echt gevonden. Wat wel steeds terugkomt, is dat dit voor de vrouwen die het huishouden en dus ook het koken op zich namen, een logische bereiding was. Dat deze kennis daarna van generatie op generatie werd doorgegeven, van nonna naar kleindochter, is een patroon dat je wel vaker tegenkomt wanneer je in de Italiaanse keuken begint te graven.

En toch vinden we een beetje historische achtergrond. Er zijn aanwijzingen dat er in de vijftiende eeuw al naar deze fijne pasta werd verwezen, telkens in verband met Campofilone. Later duikt ze ook op in documenten rond het Concilie van Trente, waar sprake is van uiterst fijne pastadraden uit Campofilone, gemaakt met bloem en eieren. Helemaal in het begin van de twintigste eeuw werd de pasta dan stilaan meer dan een huishoudelijk product. Vrouwen uit Campofilone begonnen ze ook aan gasten voor te zetten, waardoor de bekendheid buiten het dorp verder groeide.

Vandaag zijn er dus pastabedrijven die zich speciaal op deze pasta toeleggen, zoals La Campofilone. Meer zelfs, de Maccheroncini di Campofilone hebben een unieke erkenning gekregen. Sinds 2013 mogen ze het IGP keurmerk dragen en daarmee zijn ze de enige Europese eierpasta met deze erkenning.

Tarwe en eieren, meer is het niet

Eieren en tarwe zijn de twee grondstoffen waarmee je Maccheroncini di Campofilone maakt. Als je zo weinig ingrediënten gebruikt, spreekt het voor zich dat die dan ook van de hoogste kwaliteit moeten zijn. De tarwe vormt de basis voor de semola, het griesmeel van harde tarwe, en moet voldoende structuur geven. De eieren zorgen voor kleur, geur, smaak en rijkdom.

Tijdens ons contact met La Campofilone werd al snel duidelijk dat dit met de nodige sérieux wordt aangepakt. Ze beschikken over eigen velden waar de tarwe wordt geteeld in de heuvels van Marche. Voor mij was het compleet nieuw te vernemen dat die heuvelachtige akkers betere resultaten kunnen geven dan vlakkere velden. Ze zijn doorgaans beter verlucht en houden minder makkelijk stilstaand regenwater vast. Daardoor ligt de druk van schimmels en andere ongewenste micro-organismen lager. Ook rotatie en rust van de bodems spelen daarin mee.

Ook de bewaring van de tarwe is belangrijker dan je op het eerste zicht zou denken. De tarwe ondergaat eerst nog een rijpingsproces van zes tot acht maanden in gekoelde silo’s, bij maximaal 18 graden. Die rijpingsperiode moet helpen om de zetmeelstructuur gunstiger te maken. Zo blijft de kwaliteit van de semola beter bewaard en kan de tarwe proper blijven zonder zware ingrepen achteraf. Ten slotte wordt de harde tarwe omgezet naar semola. Dit doen ze door de tarwe te reinigen, te malen en te zeven, tot je het gele griesmeel overhoudt dat voor pastadeeg wordt gebruikt.

Dan zijn er de eieren. Ze zeggen nogal resoluut dat ze enkel hun eigen eieren vertrouwen. Eigen eieren, en dus eigen kippen toch? Dat blijkt dus zo en de kippen hebben vrije loop in een luchtige omgeving bij Monsampietro Morico, aan de rand van een bos en tussen notenbomen. Hun voeder bestaat uit plantaardige ingrediënten, met granen en peulvruchten die niet genetisch gemodificeerd zijn. Er worden geen kleurstoffen, bewaarmiddelen, dierlijke eiwitten of dierlijke vetten gebruikt. Lijnzaad en soja moeten de eieren rijker maken.

De kunst van de dunne sfoglia

De sfoglia, ofwel het uitgerolde pastavel, wordt vaak omschreven als het grote geheim van Maccheroncini di Campofilone. Niets speciaals, zou je kunnen denken, want elke pasta vertrekt toch van een sfoglia? Dat klopt, alleen wordt die van de Maccheroncini uitzonderlijk dun gemaakt, vaak rond een halve millimeter.

Daar zit meteen een groot deel van de kunde. Het deeg moet zo dun worden uitgerold dat het later in fijne draadjes kan worden gesneden, zonder dat het scheurt, kleeft of zijn stevigheid verliest. Wie ooit zelf pasta heeft gemaakt, weet dat dit het moment is waarop er wel eens flink gevloekt kan worden en je het deeg opnieuw moet samenbrengen om te herbeginnen. Het is ook niet zo makkelijk als het lijkt om de dikte overal gelijkmatig te krijgen, anders krijg je pasta die op de ene plaats te snel gaart en op de andere plaats te stevig blijft.

Daarna wordt de dunne sfoglia in fijne draadjes gesneden. Binnen het voorgeschreven IGP kader zijn de slierten meestal 35 tot 60 cm lang, 0,8 tot 1,2 mm breed en 0,3 tot 0,7 mm dik. Na het snijden worden de Maccheroncini op kleine vellen carta alimentare gelegd, wit papier dat geschikt is voor contact met voedsel. Op die velletjes kunnen de fijne draadjes drogen zonder samen te klitten of hun vorm te verliezen. Het drogen zelf gebeurt langzaam en op lage temperatuur, zodat de pasta haar delicate structuur behoudt.

Door die fijne structuur is er niet veel tijd nodig om de pasta te koken. Je moet erbij blijven, want dit gaat echt wel razendsnel. Eén tot twee minuten is al voldoende voor een echte Italiaanse al dente beet. Voor een wat meer Belgische beet mag je er een minuutje aan toevoegen. Veel tijd om tussendoor de tafel te dekken is er dus niet.

Pastapairing

Eens je de pasta hebt, kan je naar hartenlust gaan combineren. We dopen dit meteen om tot een nieuw woord: pastapairing. De meest klassieke en voor de hand liggende combinatie is met een ragù marchigiano. Dat mag een stevige vleessaus zijn, rijk en langzaam gegaard, met voldoende diepte om de eierpasta aan te kunnen. Wat Pecorino erbij en je zit meteen met een zeer herkenbaar bord pasta.

Toch zou het jammer zijn om deze pasta alleen aan vleessaus te koppelen. Door de nabijheid van de Adriatische kust wordt ze ook vaak gecombineerd met vis. Denk aan een ragù van witte vis, eventueel met wat tomaat, een zachte olie, peterselie en een puntje peperoncino. Net genoeg pit om het geheel wakker te houden. Of denk aan een rijkere bereiding met vongole, aangevuld met nog wat andere frutti di mare.

Je kan er uiteraard ook een perfect veggiebordje van maken. Tenminste, als je de eieren als ingrediënt dan toelaat. Combineer de pasta dan met courgette, artisjok, asperge of erwtjes. Dat kan perfect en levert een smakelijke primo op die niet te zwaar hoeft te worden. In dit geval zou ik het kaasgebruik ook zoveel mogelijk beperken.

We hebben ze echter ter plekke mogen proeven als een eenvoudige cacio e pepe, aan tafel bereid. Ik zeg het misschien net iets te oneerbiedig door het een eenvoudig gerecht te noemen. Zij die het al eens klaargemaakt hebben, weten dat het helemaal geen eenvoudige bereiding is en dat alles zeer punctueel en minutieus gevolgd moet worden om tot het gewenste resultaat te komen. Lukt dat, dan is het effectief duimen en vingers aflikken.

Het recept: Maccheroncini con gamberi sfumati al cognac e vongole

Het was wat wikken en wegen welk recept we erbij zouden plaatsen en uiteindelijk ben ik afgestapt van de klassiekers en gegaan voor een rijkelijke pasta waar je eigenlijk al honger van krijgt nog voor je vork in het bord zit. Maccheroncini met gamba’s, geblust met cognac, en afgewerkt met vongole.

Ingrediënten voor 4 personen

  • 250 g Maccheroncini di Campofilone
  • 250 g gepelde gamberi
  • 500 g vongole veraci
  • 20 kerstomaatjes
  • 1 sjalot
  • 1 teentje look
  • 20 ml cognac
  • 1 klein glas droge witte wijn
  • Olijfolie
  • Peperoncino
  • Verse peterselie
  • Zout

Bereidingswijze

  • Laat de vongole eerst spoelen in koud gezouten water, zodat eventueel zand kan verdwijnen. Reken hiervoor minstens een half uur. Spoel ze daarna nog even na onder koud stromend water.
  • Verhit een scheut olijfolie in een ruime pan. Voeg een licht geplet teentje look toe en een klein beetje fijngesneden peperoncino. Laat kort aanzetten, zonder de look te laten kleuren. Voeg de vongole toe en blus met de witte wijn. Zet een deksel op de pan en laat de schelpjes openen.
  • Haal de vongole uit de pan zodra ze open zijn. Gesloten schelpen gooi je weg. Een deel van de vongole haal je uit de schelp, een deel hou je in de schelp voor de afwerking van het bord. Zeef het kookvocht en hou dit apart.
  • Snipper de sjalot fijn. Verhit opnieuw wat olijfolie in een brede pan en laat de sjalot zachtjes glazig worden. Voeg de gepelde gamberi toe, eventueel met het staartje er nog aan, samen met een klein beetje fijngesneden peperoncino. Laat kort bakken en blus met de cognac. Laat de alcohol even verdampen.
  • Haal de gamberi uit de pan voor ze te ver garen. Voeg de gehalveerde kerstomaatjes toe aan dezelfde pan en laat ze rustig zacht worden. Voeg daarna een beetje van het gezeefde vongolevocht toe, zodat je een lichte saus krijgt met voldoende zilte diepte.
  • Kook de Maccheroncini di Campofilone in ruim gezouten water. Dit gaat bijzonder snel. Reken één tot twee minuten voor een echte Italiaanse beet. Voor een iets zachtere beet kan je er een minuutje aan toevoegen, maar blijf erbij.
  • Doe de gamberi opnieuw bij de tomaatjes en voeg ook de vongole zonder schelp toe. Warm alles kort door, zonder de gamberi te ver te laten garen. Hou de vongole in de schelp nog even apart voor de afwerking.
  • Schep de pasta meteen bij de saus en meng alles voorzichtig door elkaar. Voeg indien nodig nog een beetje kookvocht van de pasta of wat extra vongolevocht toe. De Maccheroncini nemen snel vocht op, dus laat ze niet staan treuzelen in de pan.
  • Werk af met de vongole in de schelp, fijngesneden peterselie en een kleine straal olijfolie. Geen kaas bij deze bereiding.

Giro d’Italia 2026, rit 21: Roma DOC

We zijn aan het einde van de Giro d’Italia 2026 gekomen. Rit 21 voelt eerder aan als een criterium, met rondjes in en om Roma en een parcours dat opvallend dicht bij Vaticaanstad flirt. De nonnetjes zullen even opkijken wanneer er geen paus in een wit gewaad passeert, wel een peloton vol renners die nog één keer de benen opensmijten.

De sprinters die deze zware editie hebben overleefd, mogen nog een laatste keer hun hart ophalen en mikken op de bloemen in de hoofdstad. Daarmee komt ook een einde aan ons verhaal rond de minder bekende DOC’s. Ik vond het zelf enorm boeiend om dit te brengen: zoeken, lezen, twijfelen, de disciplinari uitpluizen en telkens opnieuw ontdekken hoeveel wijngebieden in Italië nog altijd te weinig in ons glas verschijnen.

Afsluiten doen we op het lokale circuit, met Roma DOC. Een appellatie met een naam die iedereen kent, terwijl de wijn zelf voor velen nog verrassend onbekend blijft.

Roma DOC

Je zou verwachten dat een wijngebied in en rond Rome al veel langer met een DOC bezegeld zou zijn. Voor Roma DOC is dat zeker niet het geval, want de appellatie werd pas in 2011 erkend. De productiezone ligt in het centrale deel van Lazio, in de provincie Roma. Het afgebakende gebied gaat wel wat verder dan simpelweg de stad en haar directe omgeving. Het totale gebied omvat maar liefst 330.000 hectare, met kustzones, de Sabina romana, de Colli Albani, de Colli Prenestini en een deel van de Campagna romana. De effectieve wijngaardoppervlakte kunnen we wel flink reduceren en terugbrengen tot ongeveer 305 hectare.

De afbakening omvat een lange reeks gemeenten in de provincie Roma, met daarnaast ook delen van Fiumicino en Roma zelf. Bij Fiumicino is Isola Sacra uitgesloten. Bij Roma valt het gebied binnen de Grande Raccordo Anulare buiten de DOC, net als een specifiek deel richting Tevere, Via del Mare en de Tyrreense kust.

De vermelding classico mag gebruikt worden voor de oudste herkomstzone, maar niet voor spumante. In het disciplinare wordt die classico zone beperkt tot het aangeduide deel van de gemeente Roma zelf.

Bodem en klimaat

Als we over zo’n groot gebied spreken, kan er uiteraard geen uniformiteit bestaan in de samenstelling van de bodem. We gaan dan ook uit van het globale beeld dat we kunnen schetsen. De wijngaarden liggen van zeeniveau tot ongeveer 600 meter hoogte. De hellingen zijn meestal gericht naar het westen, zuidwesten en zuiden.

Geologisch steunt Roma DOC op twee grote pijlers: sedimentaire formaties en vulkanische formaties. In de vlakke zones van de valleien van de Tiber en de Aniene vinden we vooral alluviale en mariene afzettingen, met kalksteenachtige formaties (travertijn), zand, grind, leem en kleiige stukken. Richting kust komen daar ook zandige, kleiige en kustgebonden afzettingen bij.

Daarnaast is er de vulkanische invloed van het Sabatino complex en de oude Vulcano Laziale. Daar komen tufsteen, as, lapilli, pozzolane en lavaresten in beeld. Pozzolane vormen zandige, diepe en goed doorlatende bodems. Andere tufsteenbodems zijn harder en minder doorlaatbaar, waardoor diepere bodembewerking nodig kan zijn.

Het klimaat is mediterraan. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 14,2 graden. De jaarlijkse neerslag is vrij ruim, maar in de zomer wordt het duidelijk droger. Juli en augustus zijn de droogste maanden, en in de lagere zones kan de droogte al vanaf mei of juni voelbaar zijn. In september en oktober is er doorgaans nog voldoende warmte en zon, terwijl de temperatuurverschillen tussen dag en nacht toenemen.

Rode wijnen

Ook al is Roma DOC een blend waarin verschillende druiven gebruikt mogen worden, toch is de hoofdrol in de rosso weggelegd voor Montepulciano. De druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag de assemblage aanvullen.

Montepulciano zorgt voor kleur, rijp donker fruit en structuur. Cesanese brengt de link met Lazio sterker naar voren, met kruidigheid, rood fruit en een eigenzinnige toets. Sangiovese kan frisheid en spanning geven. Cabernet en Syrah kunnen zorgen voor extra diepte, donkerder fruit en meer schouderbreedte.

Daarnaast kan Roma DOC rosso ook verschijnen als classico, rosso riserva en classico rosso riserva. Voor de gewone rosso en de classico rosso is geen verplichte opvoeding voorzien. De riserva vraagt minstens 24 maanden rijping vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 9 maanden in houten vaten van minimaal 499 liter. Ik vind het toch wel een beetje opmerkelijk dat men over minimaal 499 liter spreekt.

Dit getal komt niet frequent, of zeg maar nooit, voor als inhoudsmaat van eiken vaten. Ik vond het zo merkwaardig dat ik verder op zoek ging naar enige duiding hieromtrent. Blijkt dat dit pas met de laatste wijziging van het disciplinare in 2025 is opgenomen. Naar het waarom bleef het zoeken. Ik heb er dan maar mijn eigen logica op losgelaten en vermoed dat dit getal vooral praktisch bedoeld is. Ik veronderstel dat men het gebruik van barriques, kleinere eiken vaten dus, wenst uit te sluiten en dat men vooral richting tonneaux, vaten van ongeveer 500 liter, wil sturen. Hierdoor is de houtopvoeding minder nadrukkelijk aanwezig dan bij een klassieke rijping op barrique.

Witte wijnen

Bij Roma DOC bianco staat Malvasia del Lazio centraal, ook bekend als Malvasia Puntinata. Die druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Roma DOC bianco heeft een strogele kleur. In de geur toont de wijn zich eerder fijn dan uitbundig, met florale toetsen, wit fruit en rijper geel fruit. In de mond blijft hij fris en evenwichtig, met voldoende body om niet vlak of neutraal over te komen. Afhankelijk van de ligging van de wijngaarden kan er ook een subtiele ziltige toets aanwezig zijn.

Voor Bellone en Malvasia Puntinata, die apart vermeld mogen worden, moet minstens 85 procent van de genoemde druif aanwezig zijn. Bellone heeft meer body, rijper geel fruit en soms een licht kruidige ondertoon. Malvasia Puntinata gaat eerder richting florale aroma’s, rijper fruit en een zachtere mondstructuur.

De witte wijnen kunnen ook verschijnen als classico. Dat geldt voor Roma DOC bianco, Bellone en Malvasia Puntinata. Sinds de wijziging van het disciplinare in 2025 bestaat ook Roma DOC bianco riserva, eveneens met de mogelijkheid om classico te vermelden. Voor de gewone bianco, classico bianco, Bellone, classico Bellone, Malvasia Puntinata en classico Malvasia Puntinata is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC bianco riserva en Roma DOC bianco classico riserva moeten minstens 12 maanden rijpen vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 4 maanden op fles.

Zoals gebruikelijk in dit soort brede wijngebieden wordt het er niet eenvoudiger op wanneer druivenrassen ook afzonderlijk op het etiket mogen verschijnen en die wijnen bovendien nog eens uit de classico zone kunnen komen. Gelukkig blijft een superiore hier achterwege.

Rosato

Roma DOC rosato vertrekt uit dezelfde druivenbasis als de rode wijn. Montepulciano moet minstens 50 procent uitmaken van de samenstelling. Minstens 35 procent moet bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Ook Roma DOC rosato kan als classico verschijnen, wanneer de druiven uit de afgebakende classico zone komen. Voor rosato is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC rosato heeft een rosékleur die best wat intensiteit mag tonen, zeker wanneer Montepulciano nadrukkelijk aanwezig is. In de geur zit vooral rood fruit, met aardbei, framboos, rode bes en soms een florale toets. In de mond blijft de wijn fris en fruitgedreven, met voldoende vulling. De betere versies hebben naast het fruit ook wat kruidigheid en een licht ziltige toets.

Spumanti

Voor spumante geldt dezelfde druivenbasis als voor bianco: minstens 50 procent Malvasia del Lazio, minstens 35 procent Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio.

Voor spumante rosato geldt dezelfde druivenbasis als voor rosato en rosso: minstens 50 procent Montepulciano, minstens 35 procent Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio.

De spumanti mogen worden gemaakt via de Martinotti methode, ook bekend als Charmat, maar ook via metodo classico.
Een aparte minimumrijping wordt vreemd genoeg niet opgelegd. Dat had je toch verwacht bij metodo classico. De stijlen mogen gaan van dosaggio zero tot extradry.

Historisch kwamen mousserende wijnen uit deze omgeving op de markt met de vermelding Romanella spumante op het etiket. Romanella is de oude Romeinse naam voor een licht sprankelende wijn, vooral verbonden met lokaal en direct drinkplezier. Die vermelding mag volgens het disciplinare nog steeds op het etiket verschijnen, waardoor deze oudere Romeinse wijnnaam ook binnen de huidige DOC behouden blijft.

Marche, masterclass Verdicchio: Jesi versus Matelica

We zijn aan het einde gekomen van onze zondagse reeks rond Marche. Het was voor mij een terugblik met veel genoegen en het voelde alsof ik onze Marche reis helemaal opnieuw aan het beleven was. Dat deze mooie regio aan de Adriatische kust een blijvende herinnering heeft nagelaten, zal jullie intussen wel duidelijk geworden zijn. Wij hopen alleszins dat we toch enkelen onder jullie warm hebben kunnen maken om Marche ooit eens als vakantiebestemming in te plannen.

Afsluiten doen we deze reeks met een tasting van wijnen van Verdicchio die we speciaal hiervoor hebben opgezet. Eerder hadden we bij een van onze wijnclubs, Het Negende Vat, een battle op het proefprogramma staan: Jesi versus Matelica. Het leek me de perfecte afsluiter om die tasting nog wat verder te perfectioneren en als thema op te nemen voor deze masterclass. Voor meer specifieke informatie over deze regio’s verwijs ik graag naar Verdicchio in tweevoud: Jesi versus Matelica.

Voor de masterclass behield ik dezelfde opzet. We plaatsen telkens een wijn uit Jesi naast een wijn uit Matelica. De proevers weten niet welke wijn er in het glas verschijnt en moeten zelf op zoek gaan naar het wijngebied van herkomst. Geen simpele opdracht, zo zal al vlug blijken. Het wordt zoeken naar kleine nuanceverschillen, zoals zilte accenten bij Jesi en de aanwezigheid van vuursteen bij Matelica. Zo kwamen er vijf koppeltjes op tafel voor deze boeiende tasting.

Het raadsel omtrent Verdicchio

We denken met z’n allen dat Verdicchio eigen is aan Marche, en in se is dat ook absoluut het geval. De druif hoort hier thuis, heeft hier naam en faam opgebouwd en als we Verdicchio zeggen, dan denken de meeste mensen spontaan aan deze witte wijn die meestal in en rond Jesi, in de provincie Ancona, wordt gekaderd. De andere zijde van Verdicchio, die uit de provincie Macerata, met Verdicchio di Matelica DOC als exponent, blijkt vooral in het kennersmilieu gekend te zijn en wordt daar met veel egards ontvangen.

Verdicchio is zo eigen aan Marche dat we er meestal ook vanuit gaan dat we deze druif nergens anders tegenkomen in Italië. Dat moeten we onmiddellijk tegenspreken, want hoewel ze elders niet zo uitdrukkelijk aanwezig is, vinden we de druif ook terug in Umbria, Toscana en bijzonder genoeg zelfs in Puglia. Wat minder bekend is, is dat de druif zeer frequent voorkomt in Veneto.

Dat de wetenschap fantastische dingen kan doen, weten we allemaal. Via DNA onderzoek kunnen vele zaken plots een duidelijker beeld krijgen. Dat is niet enkel het geval voor ons mensen, maar ook in de plantenwereld en vooral in het onderzoek naar de afkomst en geschiedenis van druivenrassen. Zo heeft DNA onderzoek naar Verdicchio tot merkwaardige conclusies geleid. Verdicchio leek immers, genetisch gezien, als twee druppels water op Trebbiano di Soave. Ook Turbiana, de naam waarmee men in Lugana aan het Gardameer werkt, hoort in datzelfde verhaal thuis.

De wijnen smaken daarom uiteraard niet identiek. Wat overeenkomt, zijn vooral de kenmerken van de druivelaar zelf. Een druif leeft niet in een glazen stolp. Ze past zich aan aan de plaats waar ze staat, en na verloop van tijd ontstaan er lokale verschillen in geur, smaak en karakter.

Toch heeft het resultaat van dit onderzoek heel wat in beweging gebracht. Hoe komt het dat een druif die we bestempelen als inheems in Marche, ook zo duidelijk aanwezig is in Veneto, weliswaar onder een andere benaming? Dat laatste valt in Italië wel vaker voor, dus daar kijken we niet meer van op. Om dit uit te klaren, is men in de geschiedenisboeken gedoken. Daar komt een verklaring naar boven die vandaag nog altijd een dubbele bodem heeft.

Ik schets het kort, zonder in overdreven veel details te vervallen en zonder er een geschiedenisboek van te maken. Ik neem jullie mee naar de Middeleeuwen, meer bepaald naar de 14e en 15e eeuw, toen de pest danig aanwezig was. Deze vreselijke ziekte hield ook lelijk huis in Marche. Er volgde een sterke ontvolking van de regio, met logischerwijze ook een zware ontwrichting van de landbouw. Later, toen de ziekte verdwenen was, kwam Marche opnieuw op adem. Er volgde een herbevolking en ook de landbouw werd weer opgebouwd. Historische geschriften wijzen erop dat vooral landbouwers uit de omgeving van Verona zich in Marche kwamen vestigen.

Of dit de oorspronkelijke bewoners waren die Marche waren ontvlucht, is in de geschiedenisboeken niet duidelijk. Op basis van die vaststelling ontstond een logische hypothese rond Verdicchio. Hadden landbouwers de druif meegenomen naar Veneto, meer bepaald naar de omgeving van Verona, toen ze de pest ontvluchtten? Of kwam Trebbiano di Soave net mee tijdens de herbevolking van Marche, waarna de druif daar werd aangeplant en uiteindelijk de naam kreeg die we vandaag allemaal kennen: Verdicchio?

Ik ga vandaag geen statement maken over welke zijde van het verhaal de juiste is. Ik stel enkel vast dat Verdicchio een fantastische druif is om wijn van te maken. Een witte wijn die nog altijd te vaak en te veel wordt onderschat.

Masterclass Verdicchio: Jesi versus Matelica

  1. Marchetti Tenuta del Cavaliere 2024 – Verdicchio dei Castelli di Jesi Classico Superiore DOC
    Dit is een zeer fijne Verdicchio waarvan de druiven afkomstig zijn van één enkele wijngaard. Ze worden iets later geoogst, waarna de wijn na de vergisting 5 maanden rust in inox kuipen. In het glas toont hij zich groengeel tot strogeel. De neus is rijp en expressief, met abrikoos, witte perzik, mirabel, anijs en een florale toets. In de mond komt de wijn rond en gul over, met sappig geel fruit, zachte kruidigheid en een milde citrusfrisheid. Hij heeft niet de strakste lijn van de avond, maar wel een zeer aangename openheid. In de afdronk blijft vooral rijp fruit hangen, aangevuld met een subtiele amandeltoets. Een toegankelijke, verzorgde Verdicchio die meteen zin geeft om verder te proeven.

    Prijs: € 14,20. Te koop bij Wijnkennis.
  2. Colpaola 2024 – Verdicchio di Matelica DOC
    De druiven zijn afkomstig van biologisch bewerkte wijngaarden op klei en kalksteen. Na de handmatige oogst volgt een zachte persing en een koude statische bezinking van de most. De vergisting gebeurt in inox bij gecontroleerde temperatuur. De wijn heeft een frisse, strogele kleur. In de neus komt hij fijner en strakker over, met citrus, groene appel, witte bloemen en een lichte kruidigheid. In de mond toont hij zich eerder slank en rechtlijnig, met levendige zuren, helder fruit en een duidelijke kalkachtige toets. Alles voelt fris en precies aan, zonder overbodige franjes. De afdronk blijft mineraal en droog, met een fijne amandelbitterheid. Dit is een mooie eerste stap richting Matelica, waarbij de strengere, meer verticale stijl al voorzichtig om de hoek komt kijken.

    Prijs: € 14,90. Te koop bij Entrepot du Vin.
  3. Andrea Felici 2024 – Verdicchio dei Castelli di Jesi Classico Superiore DOC
    De druiven zijn afkomstig van een assemblage van jonge en oudere wijngaarden op zand en klei. Na de manuele oogst krijgt de wijn enkele dagen schilcontact. De vergisting gebeurt in inox, gevolgd door 3 maanden rijping op de fijne lies en nog 2 maanden flesrijping voor de commercialisatie. De kleur is zeer licht bleekgeel. De neus is zuiver met citroenzeste, groene appel, witte bloemen, steenfruit en een lichte anijstoets. In de mond komt de wijn energiek en strak over, met veel citrusfruit, duidelijke zuren en een fijne, bijna krijtachtige textuur. Hij heeft iets meer spanning dan volume, maar blijft mooi in balans. De afdronk is voldoende fijn, met citrusschil, amandel en een zilte toets. Een Jesi die zijn frisheid mooi uitspeelt.

    Prijs: € 18,30. Te koop bij Wijnkennis.
  4. Bisci Vigneto Fogliano 2022 – Verdicchio di Matelica DOC
    Deze Verdicchio is afkomstig van 40 jaar oude stokken op kalk en kleibodems, gelegen op 320 tot 370 meter hoogte. De wijn werd vergist in betonnen cuves en bleef daarna nog 18 maanden rijpen in beton. De kleur is zuiver strogeel, met duidelijke traanvorming in het glas. De neus opent intens en mooi. Rijpe appel en wit fruit vormen de basis, gevolgd door citrus, kamperfoeliebloesem, meloen, perzik, ananas en een fijne toets honing. Daarna komen amandel, anijs, peper, groene kruidigheid en een duidelijke toets vuursteen naar boven. In de mond is de wijn vol en gestructureerd, met rijp fruit, frisse zuren en een fijne textuur. Het licht vettige middenpalet geeft extra volume, terwijl de minerale kern alles droog en spannend houdt. De afdronk is lang, met amandel, citruszeste en een heerlijk bittertje.

    Prijs: € 24,80. Te koop bij De Fijne Wijnshop.
  5. Umani Ronchi Plenio 2022 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG
    Deze Plenio is afkomstig van stokken ouder dan 30 jaar, aangeplant op leem en klei, tussen 250 en 350 meter hoogte. De wijn werd voor 60 procent gevinifieerd in inox en voor 40 procent in botti van 5.000 liter, waarna hij nog 24 maanden rijpte in datzelfde materiaal. In het glas toont hij zich zuiver strogeel, met duidelijke traanvorming. De neus is rijp, open en verraadt meteen dat we met een ander type Verdicchio te maken hebben. Vanille, toast en geroosterde noten zijn aanwezig, maar blijven mooi gedoseerd. Verder volgen gele appel, rijpe pruim, perzik, abrikoos, honing, amandel en anijs. In de mond is de wijn voller en ronder, met rijp geel fruit, zachte textuur en duidelijke vulling. De rijping in groot hout geeft breedte, terwijl frisheid, mineraliteit en ziltigheid de wijn mooi recht houden. De afdronk is lang, met amandel, anijs en een fijne kruidige echo.

    Prijs: € 23,60. Te koop bij Huis Hardies.
  6. La Monacesca Mirum 2021 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG
    De druiven zijn afkomstig van wijngaarden op ongeveer 400 meter hoogte, aangeplant op kleibodems. De wijn werd vergist in betonnen cuves en kreeg vervolgens een rijping van 18 maanden in datzelfde beton. In het glas bezit hij een blinkende geelgouden kleur. De neus is rijk en open, met gele appel, kweepeer, meloen, citrus en perzik. Daarbovenop komen honing, geroosterde amandel, anijs, munt, sinaaszeste, gedroogde kruiden en een toets vuursteen. In de mond valt vanaf de eerste aanzet meteen die duidelijke en erg mooie anijstoets op. De wijn komt krachtig en breed over, met rijp fruit, stevige materie en een rijker profiel, maar de zuren blijven knap op de voorgrond. De afdronk is lang en dragend, met honing, amandel, citruszeste, een licht rokerige toets en opnieuw die fijne minerale ondertoon. Dit is een subliem knappe wijn, complex, krachtig en tegelijk fris genoeg om geen moment zwaar aan te voelen.

    Prijs: € 24,20. Niet meer te koop gevonden in België.
  7. Andrea Felici Vigna il cantico della figura 2018 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG
    De druiven komen van de San Francesco wijngaard, met wijnstokken van 50 jaar oud op kalk en klei. De manuele oogst gebeurt begin oktober. De vergisting verloopt met twee weken schilcontact. Daarna rijpt de wijn in cement, waarvan 12 maanden op de fijne lies, gevolgd door nog 6 maanden flesrijping. De neus is geconcentreerd en zuiver, met rijpe citrus, gele appel, witte bloemen, anijs, amandel en fijne kruiden. In de mond is de wijn compact met rijp fruit, levendige zuren en een fijne bitterheid. Je zou veronderstellen dat twee weken schilcontact zich duidelijk laat voelen in de smaak, maar dat is hier helemaal niet het geval. Alles blijft strak, zuiver en bijzonder goed drinkbaar. De afdronk is lang en droog, met citrusschil, amandel en ziltige accenten. Dit is een fantastisch mooie Jesi Verdicchio.

    Prijs: € 41,40. Te koop bij Wijnkennis.
  8. Borgo Paglianetto Jera 2020 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG
    Deze Jera komt van zuidelijk georiënteerde wijngaarden met 35 jaar oude stokken. De bodem is rijk aan klei en kalk. De druiven worden midden oktober geoogst. De vergisting gebeurt in inox bij gecontroleerde temperatuur, waarna de wijn 36 maanden rijpt in inox en nog 8 maanden op fles. De neus is complex en mooi opgebouwd. Het is zo’n typische neus waar je aan blijft ruiken en op zoek blijft gaan naar nieuwe aroma’s die komen opzetten. Het bouquet is dan ook rijkelijk gevuld met rijpe gele appel, abrikoos, gedroogde bloemen, amandel, vuursteen en een lichte honingtoets. In de mond komt hij gestructureerd en rustig opgebouwd over, met rijp fruit, frisse zuren en veel draagkracht. De afdronk is lang, met amandel, zeste van limoen en een duidelijke minerale toets. Jera toont opnieuw hoe mooi Matelica zich kan tonen in het glas.

    Prijs: € 36,70. Te koop bij Call me Wine.
  9. Tenuta di Tavignano Misco 2019 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG
    Deze Misco is afkomstig van 35 jaar oude stokken op kalk en klei, gelegen tussen 200 en 400 meter hoogte. De wijn werd gevinifieerd in inox cuves en rijpte vervolgens nog 18 maanden in inox, zonder bâtonnage. In het glas toont hij zich helder en zuiver goudgeel. De neus is onmiddellijk open, met rijpe citrus, peer, ananas, perzik en rijpere appel. Daarbij komen acaciabloesem, amandel, anijs, munt, peper en salie. Ook hazelnoot, een vleug buxus, wat vuursteen, een zekere aardsheid en een aangename ziltigheid zitten mooi in het geheel verweven. In de mond maakt deze Verdicchio indruk door zijn evenwicht. De zuren zijn levendig tot pittig en geven structuur en drive, terwijl de wijn tegelijk zacht en voldoende rond blijft. Rijp geel fruit, citrus en die duidelijke anijstoets komen mooi terug. De afdronk is lang, met citruszeste, amandel, kruiden en een mooie minerale ondertoon.

    Voor de duidelijkheid melden we dat dit de beschrijving is van de correcte fles die we proefden tijdens de tweede sessie van onze masterclass. De eerste fles had een zeer duidelijke oxidatieve toets in de smaak. Het woord sherry viel zelfs.

    Prijs: € 37,60. Te koop bij Vinesse.
  10. Bisci Senex 2019 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG
    Deze Riserva is afkomstig van ongeveer 50 jaar oude stokken op kalk en kleibodems, gelegen tussen 320 en 370 meter hoogte. De wijn werd vergist in betonnen cuves en kreeg daarna een rijping van 48 maanden in beton. In het glas toont hij zich helder en zuiver strogeel. Het bouquet is breed, rijk en bijzonder overtuigend, met rijpe appel, mandarijn, ananas en rijper geel fruit, aangevuld met florale accenten. Daarna volgen anijs, zoethout, varens, pijnboompit, amandel, honing en een duidelijk puntje vuursteen. In de mond is dit simpelweg indrukwekkend. Dit is zo’n wijn waarbij je bijna vanzelf even achteroverleunt. Hij komt krachtig binnen, met rijp fruit, stevige structuur en veel materie, maar blijft tegelijk strak, mineraal en precies. De wijn lijkt overgoten met sappig fruit, waardoor spanning en gulheid mooi samengaan. De afdronk is lang en aanhoudend, met citruszeste, amandel, anijs en een duidelijke minerale ondertoon. Een van de meest complete en indrukwekkende flessen van de line up.

    Prijs: € 55,90. Niet te koop gevonden in België.

Na deze geslaagde masterclass over Verdicchio trakteerde ik de deelnemers nog op een lekkere, huisgemaakte vincisgrassi en liet ik me de complimenten over het gerecht wel bevallen. Daarbij opende ik nog een magnum Verdicchio di Matelica 2024 van Colpaola. De L’Orante wordt enkel in magnum gemaakt, in een zeer beperkte oplage van amper 650 flessen. Uiteraard kon deze niet opboksen tegen de complexiteit die de Riserva’s te bieden hadden. We lieten het niet aan ons hart komen want het was een gepaste afsluiter van de avond.

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
  5. Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland
  6. Marche op zondag: Hidden gems, deel 2
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi
  8. De rode veelzijdigheid van Marche

Giro d’Italia 2026, rit 20: Ramandolo DOCG, van Gemona del Friuli naar Piancavallo

Het is de allerlaatste keer dat de masseurs de klimmersbenen van de renners in optimale conditie moeten krijgen. Vermoedelijk zullen er in rit 20, van Gemona del Friuli naar Piancavallo, geen grote verschuivingen meer gebeuren in het klassement, al leent het parcours zich daar wel degelijk toe. In de laatste 50 kilometer krijgen de renners nog twee stevige beklimmingen voorgeschoteld, waarvan de laatste meteen ook het eindpunt van de rit is. De aanvallers zouden hier wel eens vrij spel kunnen krijgen, zeker als de spanning voor het eindklassement al wat verdwenen is.

De keuze welk wijngebied we zouden bespreken, lag op zich vrij voor de hand. We hadden zelfs de keuze tussen Friuli Colli Orientali DOC en Friuli Grave DOC. Naar mijn mening zijn die echter voldoende bekend bij de meeste wijnliefhebbers, en bovendien zijn het ook grotere DOC gebieden. Omdat de renners door Nimis komen, lijkt het me aangewezen om deze keer een zoete wijn in de schijnwerpers te plaatsen. Een DOCG weliswaar, maar waarschijnlijk toch eentje die niet iedereen onmiddellijk zal weten te kaderen: Ramandolo DOCG.

Ramandolo DOCG

Ramandolo DOCG is een klein wijngebied in Friuli Venezia Giulia. Het productiegebied ligt rond Nimis en Tarcento, ten noorden van Udine. Ramandolo zelf is een frazione van Nimis, een kleine deelkern binnen de gemeente. De oppervlakte aan Ramandolo wijngaarden bedraagt amper 34 hectare. Dat is goed voor ongeveer 760 hectoliter wijn per jaar. De appellatie werd in 2001 als aparte DOCG erkend, nadat Ramandolo voordien als subzone binnen Colli Orientali del Friuli bestond.

De eerste bekende vermelding van Ramandolo gaat terug tot juli 1273, toen het dorp werd vermeld als Villa de Ramandul. Later duikt ook de vorm Romandolo op. Over de oorsprong van die naam bestaat discussie. Volgens één verklaring verwijst hij naar een Romeinse oorsprong, volgens een andere naar het Friulische, neolatijnse karakter van de plek. Dat past bij de ligging van Ramandolo op een oude taalgrens, met hogerop Slavische en Sloveense invloeden en lager op de heuvels de Friulische wereld.

De wijngeschiedenis van Ramandolo begint op de moeilijke te bewerken hellingen. De percelen zijn klein, steil en vaak lastig bereikbaar. Wijnbouw was hier eeuwenlang geen comfortabele landbouw, wel een manier om uit de heuvels iets leefbaars te halen. Families werkten kleine stukken grond, met lage opbrengsten, veel manuele arbeid en kennis die van generatie op generatie werd doorgegeven.

Centraal staat de druif Verduzzo Friulano, lokaal Verduzzo Giallo genoemd. Die druif heeft een stevige schil, kan goed suiker opbouwen en brengt voor een witte druif opvallend veel tannine mee.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen aan de voet van Monte Bernadia. Die berg is belangrijk, want hij beschermt de wijngaarden tegen koude noordenwind. De percelen liggen op zuidelijk georiënteerde hellingen, vaak tussen ongeveer 250 en 400 meter hoogte.

De bodems bestaan vooral uit mergel uit het Eoceen, de typische ponca die ook elders in Friuli belangrijk is. In Ramandolo krijgt die ondergrond extra nuance door de nabijheid van de kalkrijke massa van Monte Bernadia.

De hellingen kunnen erg steil zijn, soms meer dan 30 procent. De terrassen zijn op sommige plaatsen bijzonder smal. Mechanisatie is daardoor beperkt en veel werk gebeurt met de hand. Snoeien, canopy management, selectie en oogst vragen hier meer tijd dan in de vlakke delen van Friuli.

Ramandolo behoort tot de koelere wijnzones van Friuli Venezia Giulia. De regenval is hoog en het aantal regendagen ligt ruim boven wat men in veel andere Italiaanse wijngebieden gewoon is. Bovendien is het risico op hagel groot. Daarom hangen in veel wijngaarden hagelnetten, wat het werk nog omslachtiger maakt.

Passito

Ramandolo is een zoete witte passito op basis van Verduzzo Friulano. Deze druif moet het volledige gewicht van de wijn dragen en is dus voor de volle honderd procent aanwezig. De druiven worden laat geoogst en kunnen gedeeltelijk aan de plant indrogen. Daarna kan het appassimento verdergaan in geschikte lokalen, met natuurlijke verluchting, temperatuurcontrole of geforceerde ventilatie. Ook droogrekken en kistjes worden gebruikt.

Tijdens het indrogen verliezen de druiven water. Suiker, zuren, aroma’s en extract worden daardoor geconcentreerd. Dat geeft Ramandolo zijn volle textuur, zijn intens goudgele kleur en zijn aromatisch profiel van gedroogd fruit, honing, noten en kruiden. In gunstige jaren kan ook edele rotting een rol spelen, wat extra complexiteit toevoegt.

Verduzzo Friulano is bijzonder geschikt voor deze werkwijze. De dikke schil beschermt de druif tijdens het indrogen en maakt een langere concentratie mogelijk. Diezelfde schil brengt ook tannine mee, uitzonderlijk voor een witte druif. Bij Ramandolo is dat een dankbaar element, omdat de zoetheid daardoor beter in evenwicht blijft en de wijn minder snel een kleverig karakter krijgt.

De appellatie kent twee types: Ramandolo en Ramandolo Riserva. De gewone Ramandolo mag pas vanaf november van het jaar na de oogst op de markt komen. Voor Ramandolo Riserva is de rijping langer en volgt de vrijgave pas vanaf 1 december van het derde jaar na de oogst. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Het gebruik van de Riserva was lange tijd niet mogelijk. Het is pas sinds de aanpassing van het disciplinare in 2024 dat Ramandolo Riserva ook als aparte vermelding op het etiket mag verschijnen.

De vinificatie verschilt van producent tot producent. Sommige kiezen voor een korte schilmaceratie, waardoor de wijn meer structuur en een duidelijkere bittertoets krijgt. Andere werken meer in de richting van een klassieke witte vinificatie, met een zachtere en toegankelijkere stijl als resultaat. Houtopvoeding kan de wijn ronder maken en extra toetsen van specerijen, vanille en gedroogd fruit toevoegen. Als een rode draad doorheen het hele wijnprofiel is er steeds de amandel. Deze is zowel in geur als in smaak heel duidelijk aanwezig.

Giro d’Italia 2026, rit 19: Vigneti della Serenissima DOC, van Feltre naar Alleghe

Wil er nog een klassementsman de Giro op zijn kop zetten, dan is de rit van vandaag daar uitermate geschikt voor. Je moet van geen kleintje vervaard zijn, want in rit 19 van Feltre naar Alleghe, Piani di Pezzè, trekken we over de grens van 2000 meter. Dit is de koninginnenrit. Ben je geen geboren klimmer, dan wordt dit vooral overleven. Met amper 150 kilometer op de teller wordt het voor sommigen wellicht rekenen, afzien en hopen dat ze netjes binnen de tijd aankomen.

Serenissima DOC komt voor deze rit mooi uit de bus. We rijden door de provincie Belluno, waar we deze, en dat zeg ik met volle overtuiging, vergeten metodo classico schuimwijn kunnen ontdekken. Ik moet eerlijk bekennen dat het ook voor mij alweer een eeuwigheid geleden is dat ik deze wijn in het glas heb gehad. In september zijn we niet al te ver uit de buurt, dus misschien is dit de ideale gelegenheid om hem opnieuw op te zoeken en nog eens af te vinken.

Vigneti della Serenissima DOC

Vigneti della Serenissima o Serenissima DOC bestaat sinds 2011. De wijngaarden liggen verspreid over delen van Belluno, Treviso, Padova, Vicenza en Verona. Het gaat om heuvelachtige en bergachtige zones, met wijngaarden die maximaal tot 700 meter hoogte mogen liggen. De DOC is volledig gericht op spumante met hergisting op fles, metodo classico dus. En daarmee biedt ze een alternatief in het land van Prosecco.

Met amper 81 hectare aan wijngaarden kan deze appellatie het niet onmiddellijk groots aanpakken. De gemiddelde productie van 130 hectoliter maakt dat beeld nog wat extremer. Dat is bijna niets. En eigenlijk is dat opmerkelijk als je de echt wel brede productiezone bekijkt, die verspreid ligt over maar liefst vijf provincies. Dit betekent dat slechts een beperkt aantal percelen effectief voor Serenissima DOC wordt ingezet. Waarom? Veel producenten kiezen in Veneto sneller voor bekendere denominaties of voor IGT, terwijl metodo classico meer tijd, investering en commerciële overtuiging vraagt. Mocht je je afvragen waarom we nog niet echt van Serenissima DOC hebben gehoord, dan heb je hier de reden.

De naam Serenissima verwijst naar de Serenissima Republiek Venetië, die van de achtste eeuw tot 1797 een groot deel van Veneto en het noordoosten van Italië bestuurde. De wijnbouw op de Venetiaanse heuvels bestond al veel langer, maar kreeg onder Venetiaanse aristocraten en rijke handelaars een duidelijke kwaliteitsimpuls. Zij lieten villa’s en landgoederen bouwen in de heuvelzones van Veneto, waar naast voedsel ook wijn werd geproduceerd voor eigen gebruik, ontvangst en prestige.

Vanaf de jaren vijftig kreeg die historische basis een modern vervolg. In de regio werd intensief gewerkt rond druivenselectie, klonale keuzes, aangepaste teelttechnieken en betere keldertechnieken. Het doel was steeds duidelijker: druiven produceren die geschikt waren voor frisse witte wijnen, frizzante en spumante.

Voor Serenissima DOC is vooral die laatste evolutie belangrijk. De verfijning van de hergisting op fles gaf de regio een technische basis voor metodo classico.

Bodem en klimaat

De productiezone laat zich niet in één landschap vatten. Ze loopt van de noordelijke zones bij Belluno, dicht bij de uitlopers van de Alpen, tot de heuvelgebieden van Treviso, Padova, Vicenza en Verona. Daardoor krijg je geen uniform bodemverhaal. Het is dus geen makkelijke opdracht om deze DOC bodemkundig heel precies te typeren.

De bodems kunnen zowel vulkanisch als sedimentair van oorsprong zijn. Het gaat om bodems die eerder mineraalrijk zijn, arm aan organische stof en voldoende stenen of grover materiaal bevatten. Dat zorgt voor natuurlijke drainage. In heuvelachtige en bergachtige zones is dat belangrijk, want regenwater moet kunnen wegtrekken zonder dat de bodem meteen kurkdroog wordt. Lage, vlakke percelen onderaan de hellingen zijn uitgesloten.

Het klimaat is koeler en meer geventileerd dan in de lagere delen van Veneto. De hoogteverschillen, de nabijheid van de bergen en de ligging op hellingen zorgen voor meer luchtbeweging en frissere nachten.

Spumante

Makkelijk en herkenbaar. Net als Franciacorta, Trento of Alta Langa moet Serenissima DOC een schuimwijn zijn. Je kan hem vinden als klassieke witte spumante, rosé spumante, millesimato of riserva. Hij moet verplicht volgens de metodo classico gemaakt worden, zoals in Champagne dus.

De minimale rijping op de gisten verschilt per type. De witte spumante en rosé moeten minstens 12 maanden rijpen. Voor millesimato is dat minstens 24 maanden. Voor riserva wordt dat minstens 36 maanden. Die langere rijping zorgt natuurlijk voor meer complexiteit.

De toegelaten dosages zijn niet dezelfde voor elk type bubbel. De gewone spumante en rosé kunnen van brut nature tot sec gaan. Millesimato kan van brut nature tot dry. Riserva blijft beperkt van brut nature tot brut.

De druiven die gebruikt kunnen worden zijn Chardonnay, Pinot Bianco en Pinot Nero. Een vaste verhouding is er niet. Ook voor de rosé wordt geen minimumpercentage Pinot Nero opgelegd, al ligt het natuurlijk voor de hand dat deze druif daar een belangrijke rol speelt voor kleur en fruit. Een Serenissima DOC kan dus uit één druif bestaan, of uit een assemblage van twee of drie druiven.

Giro d’Italia 2026, rit 18: Colli di Conegliano DOCG, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo

Voor rit 18 maak ik een uitzondering op mijn vooropgestelde doel om telkens een onbekende DOC te bespreken. De reden is heel eenvoudig: Refrontolo. De renners passeren er en dat is werkelijk te mooi om te laten liggen.

Heel erg is die afwijking nu ook weer niet. We schuiven inderdaad door naar een DOCG, maar ik vermoed dat Colli di Conegliano DOCG voor heel wat lezers even onbekend zal zijn als de meeste kleine DOC’s die we tot nu toe hebben besproken. Zeker Refrontolo zal bij velen niet meteen herkenning oproepen. Deze streek wordt immers bijna automatisch verbonden met de bekende Prosecco uit Conegliano Valdobbiadene.

De renners trekken van Trentino naar Veneto, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo, door opnieuw een bijzonder mooi decor. Het parcours laat bovendien nog veel open. Op papier lijkt dit een etappe waarin snelle mannen kunnen dromen, want echte bergen moeten er niet meer over. Toch zit de angel in de finale. Na zoveel koersdagen is het maar de vraag of er nog voldoende sprintersploegen overblijven om alles te controleren, zeker met Refrontolo, de Muro di Ca’ del Poggio en de heuvels rond Pieve di Soligo in het slot.

De winnaar zal alvast getrakteerd worden op een magnumfles Cartizze.

Colli di Conegliano DOCG

Colli di Conegliano DOCG ligt in de provincie Treviso, in de heuvelzone rond Conegliano, Susegana, Pieve di Soligo, Farra di Soligo, Refrontolo, San Pietro di Feletto, Miane, Follina, Cison di Valmarino, Revine Lago, Tarzo, Vittorio Veneto, Fregona en een aantal omliggende gemeenten.

De erkenning als DOC kwam er in 1993. In 2011 volgde de promotie naar DOCG. Opvallend is vooral hoe klein de appellatie vandaag blijft. De appellatie telt amper achtentwintig hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer zeshonderdveertig hectoliter. Dat is bijzonder weinig. We komen de wijnen dan ook amper tegen buiten hun eigen kerktoren en het is dus geen wonder dat dit zo goed als onbekend terrein is.

Toch is er ook hier een rijke geschiedenis. Er was naar het schijnt al wijnbouw van in de ijzertijd, met de Paleoveneti als vroege gebruikers van de gedomesticeerde wijnstok. De Romeinen brachten meer orde in de aanplantingen. Later speelden de benedictijnen een belangrijke rol rond de versterkte centra van Ceneda, Serravalle, Conegliano en Susegana.

De band met witte wijn is al gedocumenteerd in de Statuti Coneglianesi van 1282. Onder de Republiek Venetië groeide de faam van de wijnen uit deze heuvels verder. In de vijftiende eeuw doken verwijzingen op naar de waardering voor de wijn van Feletto aan het hof van de doges. Ook de doortocht van keizer Karel V in 1532 wordt in de historische context aangehaald, met verwijzingen naar de wijnen van Feletti en Collalbrigo.

Refrontolo neemt binnen de denominatie een bijzondere plaats in. De productiezone is veel kleiner en beperkt zich tot delen van Refrontolo, Pieve di Soligo en San Pietro di Feletto. De wijn wordt vandaag gemaakt op basis van Marzemino, een druif die in deze streek al vroeg opduikt. Al in de vroege vijftiende eeuw zijn er verwijzingen van Venetiaanse edelen naar kostbare Marzeminowijnen uit deze heuvels. Giacomo Agostinetti noemt de Marzemini in 1679, en ook in de achttiende eeuw wordt de band tussen dit ras en de heuvels van Conegliano verder bevestigd.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen op zachte heuvels in het oosten van Veneto. Ten noorden van de zone liggen de Dolomiti Bellunesi, zuidelijker laat de Adriatische Zee haar invloed voelen. De heuvelruggen lopen van oost naar west door het noorden van de provincie Treviso en vormen een gebied dat geschikt is voor zowel witte als rode druiven.

De Alpen en Vooralpen schermen de zone deels af tegen koude luchtstromen uit het noorden. De nabijheid van de zee tempert het klimaat. Daardoor krijg je een gematigd klimaat met voldoende warmte, maar ook met duidelijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht.

De bodems gaan terug op een oude mariene ondergrond, later verder gevormd door erosie en glaciale afzettingen. In de praktijk betekent dit dat we vaak te maken hebben met bodems van alluviale en morenische oorsprong, met grind, stenen en voldoende kalk.

Dat stenige karakter helpt bij de drainage, zeker op hellingen waar overtollig water snel moet kunnen wegtrekken. Tegelijk kunnen de diepere bodems voldoende vocht vasthouden om de wijnstok door warme zomers te helpen. Die combinatie van drainage en waterreserve is belangrijk in een streek waar behoorlijk wat neerslag kan vallen.

Ventilatie speelt eveneens een grote rol. Vooral in het noordelijke deel van de Colli di Conegliano zorgen luchtstromen voor afkoeling en voor het drogen van druiven en bladeren. Dat helpt tegen schimmeldruk. Voor de passito’s is het nog belangrijker. Refrontolo en Fregona staan bekend als plaatsen waar frisse, droge luchtstromen natuurlijke indroging mogelijk maken.

Rode wijnen

De rode Colli di Conegliano DOCG wordt gemaakt van Cabernet Franc, Cabernet Sauvignon, Marzemino en Merlot. Elk van deze druiven moet minstens tien procent aanwezig zijn. Merlot mag maximaal veertig procent van de blend uitmaken. Daarnaast mogen Manzoni Nero 2.15 en Refosco dal Peduncolo Rosso samen maximaal twintig procent toevoegen.

De gewone rosso moet minstens vierentwintig maanden rijpen, gerekend vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moet minstens zes maanden in hout en minstens drie maanden op fles gebeuren. Voor de riserva loopt de totale rijping op tot minstens zesendertig maanden, waarvan minstens twaalf maanden in hout.

In het glas mag je rijp rood en zwart fruit verwachten, met kruidigheid, voldoende body en een duidelijke maar beheerste tannine. Cabernet Franc en Cabernet Sauvignon geven ruggengraat en soms een meer groene of kruidige toets. Merlot brengt ronding. Marzemino kan voor een meer florale en fruitige inslag zorgen. Refosco en Manzoni Nero kunnen, wanneer ze gebruikt worden, extra kleur, spanning en karakter toevoegen.

Een amusant weetje is dat Colli di Conegliano rosso de eerste rode wijn met denominatie van de Sinistra Piave was, de linkeroever van de Piave. Het was bij wijze van spreken een inbreker in een gebied waar wit en mousserend, laat ons eerlijk zijn, nog altijd grotendeels de lakens uitdelen.

Refrontolo is de meest eigenzinnige rode wijn van de DOCG. Hij wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet-aromatische rode druiven uit de provincie Treviso mag worden toegevoegd. De druiven moeten eerst indrogen tot ze een minimaal potentieel alcoholvolume van 14,5 procent bereiken. Misschien is de vergelijking niet helemaal correct, maar je mag Refrontolo bekijken als een soort mini Amarone met Marzemino in de hoofdrol, tenminste wanneer hij droog wordt gevinifieerd. Er bestaat immers ook een passitoversie.

De wijn moet minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens twaalf maanden in hout en drie maanden op fles. In de officiële smaakomschrijving komt Refrontolo naar voren als een robijnrode tot granaatrode wijn, warm, vol, harmonieus en met een fluwelige indruk. In het glas geeft Marzemino hier vaak rijpe kers, pruim, viooltjes, klein donker fruit en zachte specerijen.

Witte wijnen

Ook Colli di Conegliano bianco kan een blend zijn van heel wat druiven. De belangrijkste is echter Manzoni Bianco, die voor minstens dertig procent aanwezig moet zijn. Daarnaast moet minstens dertig procent bestaan uit Pinot Bianco, Chardonnay of een combinatie van beide. Sauvignon Blanc en Riesling Renano mogen samen maximaal tien procent van de blend innemen.

Manzoni Bianco verdient wat meer uitleg, want het is een streekgebonden druif zonder dat ze spontaan in de wijngaard is ontstaan. Ze werd gecreëerd door Luigi Manzoni, die jarenlang verbonden was aan de wijnbouwschool van Conegliano. Het is een kruising van Riesling Renano en Pinot Bianco, en ze past bijzonder goed bij de heuvelachtige en morenische ondergrond van deze zone. De druif voelt zich immers goed op stenige, droge en arme bodems.

De witte wijn moet minstens vier maanden rijpen en kan vanaf maart van het jaar na de oogst op de markt komen. In het glas vind je dan een wijn met een strogele kleur, aroma’s van rijp wit fruit, citrusfruit, veldbloemen en een licht kruidige toets. In de mond geeft dit een goed evenwicht tussen zuren en sappig fruit. De wijn bezit een rond mondgevoel met voldoende frisheid.

Passito

Colli di Conegliano heeft naast rood en wit nog twee heel speciale wijnen in het zoete segment: Refrontolo passito en Torchiato di Fregona. Ze verschillen sterk van elkaar en je kan ze eigenlijk in niets met elkaar vergelijken. De ene is rood, de andere wit. Het enige gemeenschappelijke punt is dat beide wijnen gemaakt worden via appassimento, het indrogen van de druiven.

Refrontolo passito wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet aromatische rode druiven is toegestaan. De druiven moeten indrogen tot minstens zestien procent potentieel alcoholvolume. Het maximale rendement van druif naar wijn ligt laag, met hoogstens vijfenveertig procent. De druiven worden ingedroogd op rekken tot de week voor Kerstmis.

De passito moet minstens vier maanden rijpen, waarvan minstens drie maanden op fles. Dat levert een rode passito op met de typische geuren van ingedroogde Marzemino. Denk aan rijpe kers, bosfruit, pruim, viooltjes, gedroogd fruit, specerijen en soms een licht amandelachtige toets. Als we bij de droge versie de vergelijking maakten met Amarone, dan kunnen we deze passito ergens richting Recioto plaatsen, al blijft Marzemino natuurlijk een heel andere druif.

Die andere zoete wijn, de Torchiato di Fregona, is de witte passito van de appellatie. Hij wordt gemaakt van druiven die niet vreemd klinken in deze Prosecco streek: minstens dertig procent Glera, minstens twintig procent Verdiso en minstens vijfentwintig procent Boschera. Daarnaast mag maximaal vijftien procent andere niet aromatische witte druiven worden gebruikt.

De productiezone is beperkt tot Fregona, Sarmede en Cappella Maggiore. De druiven moeten minstens honderdvijftig dagen indrogen na de oogst. Ze mogen niet vóór 1 februari van het jaar na de oogst worden geperst. De wijn moet vervolgens minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens vijf maanden op fles. De maximale opbrengst van druif naar wijn bedraagt slechts vijfentwintig procent.

Torchiato di Fregona heeft meestal een diepe goudgele kleur. In de geur zitten honing, gedroogde abrikoos, gekonfijte citrus, rijpe appel, kruiden en noten. Verdiso helpt om frisheid te bewaren. Boschera geeft structuur en is bijzonder geschikt voor lange indroging. Glera zorgt, net zoals in Prosecco, voor primair fruit.

Giro d’Italia 2026, rit 17: Valcalepio DOC, van Cassano d’Adda naar Andalo

Na twee dagen stilte is de Giro zijn laatste week ingegaan. Maandag was er de traditionele rustdag en dinsdag bleef rit 16 volledig op Zwitsers grondgebied, waardoor we er geen Italiaanse appellatie aan konden koppelen. En dus richten we ons opnieuw op Italië, met de verraderlijke rit van Cassano d’Adda naar Andalo.

Rit 17 gaat bijna voortdurend in stijgende lijn, zonder dat er meteen een echte monsterklim op het menu staat. Dat maakt ze lastig te controleren. De punchers zouden hier wel eens vrij spel kunnen krijgen, zeker als de vlucht van de dag voldoende marge krijgt voor de finale richting Andalo.

Voor onze bespreking zag ik twee mogelijkheden die bij het ritprofiel passen. Omdat de rit eindigt in Trentino en door de Piana Rotaliana komt, zou Teroldego Rotaliano DOC zeker aangewezen zijn. Ik kies echter voor een DOC die dichter bij het eerste deel van de rit ligt, rond Bergamo: Valcalepio DOC. Minder bekend, en net daarom boeiender voor onze reeks.

Valcalepio DOC

Valcalepio DOC ligt in de provincie Bergamo, in Lombardije. De denominatie werd erkend in 1976 en omvat een heuvelzone tussen de uitlopers van de Orobie, Lago d’Iseo en Monte Canto.

Het wijngebied telt ongeveer 113 hectare wijngaardoppervlakte en een gemiddelde productie van ongeveer 5.940 hectoliter. Daarmee blijft de appellatie vrij beperkt in omvang.

De productiezone wordt nauwkeurig afgebakend. Ze vertrekt in het oosten bij de monding van de Torrente Rino in Lago d’Iseo, in de gemeente Predore, en volgt daarna een lange lijn van beken, valleien, heuvelruggen, gemeentegrenzen en oude wegen. Sarnico, Viadanica, Foresto Sparso, Berzo San Fermo, Trescore Balneario, Cenate Sopra, Scanzorosciate, Nembro, Alzano Lombardo, Ponteranica, Sorisole, Villa d’Almè, Almenno San Salvatore, Almenno San Bartolomeo, Palazzago, Pontida, Sotto il Monte Giovanni XXIII en Carvico geven een goed beeld van de brede heuvelgordel van de provincie Bergamo waarin de DOC zich uitstrekt. De grens keert uiteindelijk terug richting Sarnico en de oever van Lago d’Iseo aan de zijde van Bergamo.

Hoewel de DOC pas in 1976 werd erkend, is er al in de middeleeuwen bewijs dat Bergamo sterk was verbonden met wijnbouw. Tot het einde van de elfde eeuw zouden bijna vier vijfde van de bewerkte landbouwgronden wijngaarden zijn geweest. Ook net buiten de stad lag opvallend veel wijngaard, meer dan in veel andere landbouwgebieden rond stedelijke centra. In oude documenten worden wijngaarden bovendien hoger gewaardeerd dan akkers. Niets nieuws onder de zon dus, zou je denken. Alleen woog wijnbouw in die tijd economisch anders door dan vandaag.

Latere bronnen blijven de wijnbouw rond Bergamo vermelden. In de zestiende eeuw wordt gesproken over de vruchtbaarheid van het gebied en over uitstekende wijnen. De valleien van de Brembo en de Serio hadden een reputatie voor zowel rode als witte wijnen.

Bodem en klimaat

Het gebied is heuvelachtig en ligt tussen de Povlakte en de eerste uitlopers van de Alpen in het noorden van de provincie Bergamo. De wijngaarden liggen doorgaans op goed geëxposeerde hellingen en heuvelflanken. Voor druiven bestemd voor rode wijn werd de maximale hoogte bepaald op 600 meter. Voor Chardonnay, Pinot Bianco en Pinot Grigio gaat dat tot 700 meter.

Leuk detail, voor mezelf dan toch, is dat je heel wat detailinformatie over de bodem kan vinden met de lokale benamingen. Dat maakt het wel ingewikkeld, zeker wanneer die bodemsamenstelling zo gevarieerd is.

In de heuvelzone komen onder meer Selcifero Lombardo (kalksteen met silex), Maiolica di Bruntino (fijnkorrelige kalksteen met silex), Sass de Luna (kalksteen en mergel), flyschformaties (afwisselende lagen van zandsteen, mergel en klei), Arenaria di Sarnico (zandsteen), Pietra di Credaro (kalkrijke zandsteen) en alluviale gronden (rivierafzettingen van zand, leem, klei en grind) voor.

In het noordwestelijke deel rond Bergamo overheersen meer schistachtige en kleiige bodems. Richting Lago d’Iseo komen vaker klei en kalksteen naar voren.

Het klimaat wordt meestal omschreven als gematigd continentaal, met invloed van de heuvels en van Lago d’Iseo. Binnen de DOC worden verschillende klimaatzones onderscheiden: de westelijke heuvels, de oostelijke heuvels en de zone rond Trescore Balneario. De oostelijke zone krijgt doorgaans wat meer warmte. Hogere en beter geventileerde percelen bewaren meer frisheid.

Rode wijnen

Valcalepio rosso wordt in hoofdzaak gemaakt van Merlot en Cabernet Sauvignon. Merlot mag tussen 40 en 90 procent van de assemblage uitmaken. Cabernet Sauvignon zit tussen 10 en 60 procent. Daarnaast mag maximaal 15 procent bestaan uit Franconia, Incrocio Terzi n.1, Merera, Rebo en Petit Verdot.

Opmerkelijk is dat de verhouding tussen Merlot en Cabernet Sauvignon in 2025 nog werd aangepast. Voordien moest Cabernet Sauvignon minstens 25 procent van de assemblage uitmaken en mocht Merlot maximaal 75 procent bedragen. Daarmee krijgt Merlot duidelijk meer ruimte binnen Valcalepio rosso.

De reden voor die wijziging ligt mee in de wijngaard. Cabernet Sauvignon blijkt in deze streek gevoeliger voor aantastingen van het houtweefsel, met esca als bekendste voorbeeld. Daardoor kunnen stokken geleidelijk onproductief worden en ontstaan er meer open plekken in de wijngaard.

De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moeten minstens drie maanden in houten vaten gebeuren. In het glas verwacht je een robijnrode wijn, met een vrij intens aroma en een droge, volle smaak. Donker fruit, pruim, zwarte kers, cassis, kruiden en een lichte vegetale toets van Cabernet Sauvignon.

Voor Valcalepio rosso riserva mogen enkel Merlot en Cabernet Sauvignon worden gebruikt, in dezelfde verhouding als bij de gewone rosso. De rijping is strenger. Valcalepio rosso riserva moet minstens drie jaar rijpen, waarvan minstens één jaar in eikenhout. De wijn mag pas vanaf 1 november van het derde jaar na de oogst op de markt komen.

De kleur kan richting granaat gaan. In de geur krijg je naast donker fruit ook tabak, ceder, leder, specerijen en soms een wat etherische toets. De mond is voller, steviger en meer gestructureerd.

Witte wijnen

Ook bij de witte wijnen staan internationale druivenrassen centraal. Valcalepio bianco wordt gemaakt van Chardonnay en of Pinot Bianco, samen goed voor 55 tot 80 procent. Pinot Grigio vult aan met 20 tot 45 procent. Voor de witte wijn wordt geen verplichte rijpingsperiode opgelegd.

Pinot Bianco zorgt meestal voor frisheid, ingetogen fruit en een rustige structuur. Chardonnay kan wat meer volume, rijper fruit en breedte geven. Pinot Grigio brengt toegankelijkheid, sappigheid en soms een licht kruidige toets.

In het glas mag je een strogele kleur verwachten, met aroma’s van appel, peer, citrus, witte bloemen en soms wat amandel. De mond is droog, harmonieus en vrij herkenbaar.

Passito

Naast de rode en witte wijnen wordt er ook een zoete passitowijn gemaakt. Valcalepio Moscato passito vertrekt van minstens 85 procent Moscato di Scanzo. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere druiven die in Lombardije zijn toegelaten.

Ook dit is een recente wijziging in het disciplinare. Vroeger moest de wijn volledig uit Moscato bestaan. Door de verlaging naar 85 procent krijgen producenten iets meer ruimte om het aromatische profiel van de wijn bij te sturen.

De wijn mag pas vanaf 1 april van het tweede jaar na de oogst op de markt komen. Het totaal alcoholgehalte moet minstens 17 procent bedragen. De wijn moet minimaal 30 gram restsuiker per liter bevatten.

De kleur is robijnrood, soms richting cerasuolo met granaatrode reflecties. In de geur verwacht je rijp rood fruit, kersenconfituur, rozen, gedroogde bloemen, kruiden, specerijen en soms wat honing. In de mond is Valcalepio Moscato passito zoet, geconcentreerd en aromatisch.

Giro d’Italia 2026, rit 15: Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, van Voghera naar Milano

We rijden verder, van Voghera naar Milano. Ik trakteer met een flesje Classese als dit geen sprintersetappe wordt. Veel renners zullen opgelucht zijn met het profiel van deze 15e rit. Na de bergrit van de vorige dag kunnen ze opnieuw wat op adem komen, met de zware laatste week al nadrukkelijk in het achterhoofd.

De keuze voor de DOC was misschien wel een van de makkelijkste van deze Giro. Starten in Voghera, daarna richting Casteggio. Tja, dan zit je meteen in Oltrepò Pavese. Ik kies dan ook voor het specialleke van deze appellatie: Buttafuoco. Het is altijd al een wijn geweest die me triggert, ook al kan de kwaliteit behoorlijk schommelen. Ik heb recht van spreken, want ik heb er in mijn wijnleven toch al wel wat geproefd.

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, of gewoon Buttafuoco, is sinds 2010 een zelfstandige DOC. Daarvoor bestond hij al als type binnen de ruimere Oltrepò Pavese DOC, waar hij sinds 1970 mee onder viel. Die aparte erkenning kwam er om deze historische rode wijn uit een veel kleinere heuvelzone dan de overkoepelende DOC een eigen identiteit te geven. Die beweging kreeg in 1996 vorm, toen enkele wijnbouwers zich verenigden om Buttafuoco opnieuw scherper te positioneren.

De historische kern ligt op de heuvelrug tussen de valleien van de Versa en de Scuropasso. Dat is de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese, rond Stradella, een zone die bekendstaat als het Sperone di Stradella. De productiezone ligt in de provincie Pavia, in het oostelijke deel van Oltrepò Pavese, binnen de gemeenten Stradella, Broni, Canneto Pavese, Montescano, Castana, Cigognola en Pietra de’ Giorgi.

De streek heeft al eeuwen een duidelijke wijnbouwroeping. Dat heeft veel te maken met haar ligging als doorgangsgebied voor legeraanvoerders, pelgrims en handelaars. Die passage zorgde voor afzet en bracht tegelijk nieuwe contacten mee. In documenten uit de achttiende eeuw wordt op het Sperone di Stradella al verwezen naar krachtige rode wijnen, geschikt voor de tafels van adel, kloosters en stedelijke elites in Pavia en Milano.

De naam Buttafuoco wordt verbonden met het Milanese dialect, waarin de vorm Butafeug opduikt. Die werd gebruikt voor een wijn uit de heuvels van Stradella, met veel body en alcohol, een wijn die bijna de mond brandde.

Er doet ook een verhaal uit 1859 de ronde, tijdens de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog. Oostenrijkse mariniers zouden op weg naar de strijd in de heuvels rond Stradella verdwenen zijn en pas de dag nadien zijn teruggevonden in een kelder, stevig onder invloed van de plaatselijke Buttafuoco. Later werd het verhaal verbonden met een marineschip dat dezelfde naam kreeg. Vandaar ook het schip als logo van de wijnbouwers die Buttafuoco opnieuw wilden opwaarderen.

Vandaag blijft Buttafuoco een relatief kleine DOC. Het wijngaardareaal bedraagt slechts 47 hectare en de productie blijft beperkt. De DOC voorziet twee types: een stille rode wijn en een rode frizzante. Barbera en Croatina vormen de basis, aangevuld met Uva Rara en Ughetta.

Bodem en klimaat

Oltrepò Pavese ligt in het zuiden van Lombardije, onder de Po, waar de vlakte overgaat in heuvels en uiteindelijk richting Apennijnen kijkt. Het gebied vormt een kruispunt tussen Lombardije, Piemonte, Ligurië en Emilia Romagna. Wie even in de geschiedenisboeken kijkt, ziet dat dit deel vroeger zelfs bij Piemonte hoorde.

De zone van Buttafuoco behoort tot de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese. De wijngaarden liggen niet in de vlakte en ook niet in de koele dalbodems. De percelen bevinden zich op vaak bijzonder mooie, glooiende hellingen, met voldoende zon en een duidelijk reliëf.

De hoogte ligt vooral tussen 150 en 350 meter. De hellingen kunnen behoorlijk stevig zijn, plaatselijk richting 35 procent. Het landschap bestaat uit heuvelruggen, kleine valleien en wijngaarden die zich in dat reliëf nestelen.

Geologisch zit je hier in een complex gebied. Kalkrijke mergel, zandsteen, silt, klei en conglomeraten komen er naast elkaar voor. Er is veel variatie, met kalk, klei en een goede drainage als duidelijke rode draad. De bodems zijn vaak alkalisch, matig diep en voldoende doorlatend.

Het klimaat is continentaal en eigenlijk verrassend warm. In de lagere en middelhoge heuvelzone ligt de gemiddelde jaartemperatuur rond 12 graden. Januari is fris, met gemiddelde waarden rond 1 graad, terwijl juli en augustus doorgaans rond 22 tot 24 graden uitkomen. De zomerse maxima zitten vaak rond 28 tot 30 graden. De neerslag ligt meestal tussen 800 en 900 millimeter per jaar. Wind speelt hier ook een rol, waaronder föhnachtige bewegingen die de luchtvochtigheid kunnen verlagen en de verdamping versterken. Eens ter plaatse merk je dat zeer goed.

Rode wijnen

Buttafuoco is altijd rood en bestaat in twee versies: een stille rode wijn en een frizzante. In beide gevallen gaat het verplicht om een blend. Barbera moet tussen 25 en 65 procent van de samenstelling uitmaken. Croatina moet eveneens tussen 25 en 65 procent liggen. Uva rara en Ughetta, beter bekend als Vespolina, mogen samen of afzonderlijk tot maximaal 45 procent aanvullen.

Barbera brengt vooral zuren en sappigheid. Croatina geeft kleur, donkerder fruit, volume en tannine. Uva rara maakt het fruit wat zachter. Vespolina brengt kruidigheid, soms met een licht peperige toets.

De wijn mag pas vanaf 30 april van het jaar na de oogst op de markt komen. Dat betekent in de praktijk een korte minimale opvoeding, maar geen lange verplichte rijping. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Een aparte riserva of superiore bestaat binnen deze DOC niet.

Qua kleur zit Buttafuoco meestal in het levendige robijnrood, vaak behoorlijk intens. In de neus mag je rijp rood fruit, donkerder fruit, viooltjes, pruim en soms een kruidige toets verwachten. De smaak is doorgaans droog, vol en stevig gebouwd. De tannine komt vooral van Croatina. Je proeft een wijn met rijp fruit, kruidigheid, voldoende zuren en een correct evenwicht. Wel moet je opletten dat Buttafuoco niet te zwaar wordt. Bij te veel rijpheid en alcohol schuift het fruit vrij snel richting compote en warmte.

De frizzante versie is eveneens rood en droog. De lichte pareling bezorgt de wijn een totaal ander geur- en smaakprofiel. Het geheel voelt fruitiger aan, terwijl de tannine minder nadrukkelijk aanvoelt.

De rode veelzijdigheid van Marche

Nu onze verkenningsronde in de Marche er bijna op zit, is het hoog tijd om opnieuw de wijngaarden in te duiken. Deze keer richten we onze blik op de rode zijde van de regio, voorbij het klassieke witte wijnbeeld waarmee Marche zo vaak wordt geassocieerd. In de voorbije artikels hebben we al gesproken over Conero en Offida, waar rode wijnen een prominente rol spelen. Maar er is meer. Veel meer zelfs. Marche is zodanig veelzijdig, ook op wijngebied, dat zowat elke wijnliefhebber er zijn gading kan vinden.

Vandaag wil ik het dan ook wat uitgebreider hebben over die rode veelzijdigheid. Ik realiseer me ten volle dat ik niet alles gedetailleerd zal kunnen weergeven en dat ik keuzes moet maken. Die keuzes heb ik doelbewust gemaakt en ik deel ze graag met jullie.

Rosso Piceno, de ruggengraat

Logischerwijze starten we met Rosso Piceno. Waarom ik zeg dat dit logisch is, heeft alles te maken met de bekendheid van deze wijn. Dit is de wijn die veel mensen het snelst met Marche associëren wanneer we vragen welke rode wijn ze uit de regio kennen. Je zal dat ook meteen begrijpen als je zelf door de Marche reist. Deze rode wijn wordt zowat overal aangeboden en je ziet hem in overvloed op de lokale wijnkaarten staan. Officieel spreken we over Rosso Piceno of Piceno DOC.

De wijngaarden liggen verspreid over een groot deel van Marche, van de provincie Ancona over Macerata en Fermo tot Ascoli Piceno. Alleen moeten we er meteen bij zeggen dat dit geen klein afgebakend hoekje is waar alles op één hoopje kan worden gegooid. Ik raad iedereen aan om de strada del vino Rosso Piceno Superiore te volgen, die via Ripatransone over Offida naar Acquaviva Picena loopt. Dan pas merk je echt de omvang van het gebied en de diversiteit ervan. Vergeet onderweg vooral niet enkele haltes te maken om kennis te maken met de wijn.

Je begrijpt dan ook dat het bodemverhaal niet eenvoudig te verklaren is. Je vindt wijngaarden op klei, kalkrijke bodems, zandiger percelen en bodems met meer steenachtig materiaal. Vooral in het zuiden, richting Offida, Ripatransone, Acquaviva Picena en Ascoli Piceno, kom je vaak uit bij heuvels waar klei en kalk een belangrijke rol spelen. Dat geeft wijnen die voldoende kleur, fruit en meer body hebben.

Rosso Piceno zal steeds gemaakt worden van Montepulciano en Sangiovese. De samenstelling van deze blend kan wel schommelen, maar vaak zal er meer Montepulciano aanwezig zijn dan Sangiovese. Wil je de exacte verplichte samenstelling kennen waaraan de producenten zich dienen te houden, dan is dit tussen 35 en 85 procent Montepulciano en tussen 15 en 50 procent Sangiovese. Theoretisch gezien mogen de producenten nog 15 procent andere rode druivenrassen, eigen aan Marche, toevoegen, maar in de praktijk zal je dit zelden zien.

Die basis geldt ook voor de Novello en de Superiore. De Novello is de jonge wijn die vooral vlug soldaat moet worden gemaakt en niet bedoeld is om te bewaren. Die kan perfect licht gekoeld worden geschonken bij een plankje lokale charcuterie of een bord pasta.

Daarnaast zijn er de serieuzere en complexere wijnen die op de markt komen als Rosso Piceno Superiore. Die Superiore komt uit een beperktere zone in het zuiden van Marche, rond Ascoli Piceno, en moet minstens een jaar rijpen, al dan niet in eiken vaten, voor hij gecommercialiseerd mag worden.

Het wordt een ander verhaal als je een wijn koopt waarop de benaming Rosso Piceno Sangiovese DOC staat. Dan staat deze druif centraal en moet Sangiovese voor minstens 85 procent aanwezig zijn in de wijn. Ook hier leert de praktijk ons dat het veelal om monocépage Sangiovese wijnen zal gaan.

Wie deze wijnen ter plaatse wil proeven, zou ik vooral richting Offida sturen. Daar bevindt zich de Enoteca Regionale delle Marche, in het voormalige klooster van San Francesco. Dat is interessant omdat je er een hele reeks Rosso Piceno wijnen kunt ontdekken en meteen ook een ruimer beeld krijgt van de wijnen uit het zuiden van Marche. Bovendien zit ook het Consorzio Vini Piceni in Offida.

Lacrima di Morro d’Alba, de geurige eigenzinnigheid

Morro d’Alba is een klein maar boeiend plaatsje in het midden van Marche en is bovendien een van de 22 Castelli die deel uitmaken van het Castelli di Jesi wijngebied. Er is echter iets bijzonders aan de hand ginds. Er wordt in en om het dorpje historisch gezien ook een rode wijn gemaakt, de Lacrima di Morro d’Alba. Deze wijn bleef lange tijd volledig onder de radar en er werd amper melding van gemaakt. Daar is de laatste jaren echter een serieuze kentering in gekomen. We kunnen deze wijnen ondertussen niet enkel, zoals vroeger vaak het geval was, ter plaatse consumeren. Neen, we zien de wijn steeds meer opduiken bij ons in de wijnhandel.

In principe juich ik dit volledig toe, want Lacrima di Morro d’Alba is volgens mij een van de meest fascinerende rode wijnen van Marche. Dat heeft natuurlijk te maken met zijn geur. Wie voor de eerste keer een goed glas Lacrima onder de neus krijgt, begrijpt dat meteen. Rozen, viooltjes, rood fruit, soms wat zwarte kers, soms iets kruidigs. Dit kan je natuurlijk van heel wat rode wijnen zeggen, maar bij een Lacrima di Morro d’Alba is dit al snel overduidelijk merkbaar.

Het gebied is bijzonder klein. We bevinden ons in de provincie Ancona, in en rond Morro d’Alba, met ook wijngaarden in Monte San Vito, San Marcello, Belvedere Ostrense, Ostra en een deel van Senigallia. Ondanks dat kleine productiegebied zijn er toch ongeveer 182 hectare aan wijngaarden beplant met deze druif. Of dit cijfer de laatste jaren mee de hoogte is ingegaan door de betere bekendheid, heb ik niet onmiddellijk kunnen achterhalen. We zitten vooral op heuvelgronden met klei en kalk, aangevuld met onderlagen die eerder kleiachtig en kalkzanderig van aard zijn. Het zijn bodems die voldoende voeding en water kunnen vasthouden.

De wijn moet voor minstens 85 procent uit Lacrima bestaan. Maar ook hier leert de praktijk ons dat het meestal gewoon monocépagewijnen zijn. Ergens is dat ook de normaalste zaak van de wereld, want de identiteit van deze wijn hangt zo sterk samen met de druif zelf dat je deze kwaliteiten beter ten volle benut.

We komen deze druif bij wijze van spreken, met uitzondering van wat IGT wijnen uit Puglia, nergens anders tegen. De vraag stelt zich dus waarom deze druif precies in dit kleine gebied is blijven hangen. Het antwoord valt historisch niet volledig te achterhalen. We weten wel dat Lacrima in de tweede helft van de negentiende eeuw al beschreven werd als een waardevolle lokale druif. Daarna is de aanplant sterk teruggelopen, zoals met zoveel oude druivenrassen gebeurde, om later opnieuw opgepikt te worden door producenten die begrepen dat ze iets waardevols in handen hadden.

Makkelijk is het voor de producenten nochtans niet met de Lacrima druif. Het is immers een zeer kwetsbare druif. Ze loopt vroeg uit, waardoor voorjaarsvorst een reëel risico kan vormen. Daarbovenop heeft ze een dunne, gevoelige schil die bij volle rijpheid kan openbarsten. Vandaar ook de naam Lacrima, de traan. Wanneer de bes begint te barsten, kan het sap als een druppel naar buiten komen. Mooi beeld, maar voor de wijnbouwer is dat vooral een teken dat hij niet alert genoeg is geweest.

Er worden drie types Lacrima wijn gemaakt. De gewone Lacrima di Morro d’Alba is de meest directe en meest herkenbare versie. Die komt meestal vrij jong op de markt en speelt volop op fruit en bloemen. Dat is het type wijn dat je gerust licht gekoeld kunt schenken. De tannine is doorgaans aanwezig, maar zelden hard. Het aromatische karakter blijft de hoofdrol spelen.

Daarnaast bestaat er ook Lacrima di Morro d’Alba Superiore. Die komt later op de markt en bezit wat meer concentratie en body. Aangezien het parfum en het fruit als essentieel worden beschouwd voor deze wijn, is er geen overdreven lange rijpingsperiode voorzien. Bij een Superiore is die uiteraard iets langer dan bij de gewone Rosso. Tien tot elf maanden in plaats van twee maanden.

Ten slotte is er ook een zoete wijn. Voor de Passito worden de druiven ingedroogd en schuiven we richting rijkere wijnen met een ander profiel. Vaak met donker fruit, bloemen, specerijen en een zachte, bijna fluwelige mondstructuur.

Morro d’Alba hadden we al aangehaald bij de hidden gems en is dus zeker het bezoeken waard. Bovendien is de Enoteca Comunale daar een bijzonder interessante halte. Ze werd speciaal ingericht door de producenten om de Lacrima wijn zichtbaar te maken en toegankelijker te maken voor consumenten die deze kunnen proeven en uiteraard ook kopen.

We geven nog mee dat er in Morro d’Alba jaarlijks, in oktober, het Lacrima Wine and Truffle Festival plaatsvindt. The best of both worlds, verenigd in één groot dorpsfeest. Ik zet het alvast in mijn agenda!

Vernaccia di Serrapetrona, een curiositeit

We sluiten het rode drieluik af met misschien wel de meest bijzondere wijn van het hele gezelschap: Vernaccia di Serrapetrona DOCG. Om meteen met de deur in huis te vallen: we spreken hier over een rode spumante, droog of zoet, gemaakt van de Vernaccia Nera druif.

Vooraleer ik verder ga met de beschrijving van het wijngebied en de wijn zelf, wil ik toch eerst even kaderen waarom ik dit als de meest bijzondere wijn bestempel. Hoeveel wijnen kennen jullie die drie vergistingen ondergaan? Wel, vanaf nu al minstens eentje, want de manier waarop deze wijn wordt gemaakt, is echt wel fascinerend te noemen. We proberen het voldoende helder te schetsen.

Na de oogst ondergaat een deel van de druiven een onmiddellijke vinificatie. Dat is de eerste vergisting. Het resterende deel, minstens 40 procent van de druiven, wordt ingedroogd en ondergaat het appassimento proces. Die druiven verliezen water, waardoor suiker, aroma en smaak zich concentreren. Nadien worden ook deze ingedroogde druiven geperst en vergist. Dat is de tweede vergisting.

Daarna volgt de assemblage. De wijn van de eerste vergisting en de wijn van de tweede vergisting worden samengevoegd. Vervolgens brengt men nog een derde vergisting op gang in een drukvat, de autoclaaf, om de belletjes te vormen. Zeg maar dat men hier ook nog eens de metodo Martinotti op loslaat.

Nu dit duidelijk is, kunnen we verder met de DOCG, want dat is Vernaccia di Serrapetrona sinds 2004. Met slechts een handvol producenten en amper 9 hectare aan wijngaarden is dit echt wel een nicheproduct. Maar wel eentje dat ik je kan aanraden als je, ik zeg maar wat, een moelleux zou maken of een krachtige gorgonzola zou nuttigen. De wijngaarden voor Vernaccia di Serrapetrona liggen in de provincie Macerata, rond Serrapetrona zelf en delen van Belforte del Chienti en San Severino Marche.

Serrapetrona ligt landinwaarts, richting de hogere heuvels en met de Monti Sibillini niet zo gek veraf. De wijngaarden liggen vaak op een behoorlijke hoogte, ergens tussen 400 en 700 meter. De bodems zijn overwegend mergelachtig en kalkrijk, met in sommige zones ook dunnere, stenige bodems en elders meer zandige en kleiachtige elementen.

De wijn wordt gemaakt van minstens 85 procent Vernaccia Nera. De overige 15 procent mag bestaan uit andere blauwe druivenrassen die in Marche zijn toegestaan. In de praktijk draait alles natuurlijk rond Vernaccia Nera zelf. Officieel gaat het bij Vernaccia di Serrapetrona DOCG om een rode spumante, in twee types: secco en dolce.

De droge wijn kan behoorlijk gastronomisch zijn, met rood fruit, kruidigheid, frisse zuren en een lichte tannine in combinatie met de pareling. De zoete versie zit meer in de richting van rijper fruit, confituur, bloemen, specerijen en een zachtere smaakimpressie. De wijn komt pas ongeveer 9 maanden na de oogst op de markt.

Wie deze wijn ter plaatse wil ontdekken, plant zijn bezoek best in november. Dan zijn er de Appassimenti Aperti feesten. De producenten openen hun deuren en de droogruimtes staan centraal, waar de druiven hangen of in kistjes liggen te drogen. Het ideale moment om deze wijn te leren kennen.

Plus superest

Vrij vertaald: en er is nog meer. Uiteraard is er nog meer, want het Marche IGT aanbod biedt hier de nodige ruimte voor. Internationale druivenrassen zoals Cabernet, Merlot of Syrah kan je binnen dat aanbod vinden en geloof me vrij, ze zijn vaak een pak beter dan hun Franse voorbeelden.

Ik kan soms amper begrijpen hoe het mogelijk is dat een druif zoals Pinot Noir hier zulke fantastische resultaten kan neerzetten. Geloof je me niet? Als je met je wagen Marche binnenrijdt vanuit Emilia Romagna, hou dan een eerste halte in Pesaro. Je weet wel, een van de kustplaatsjes die we eerder al op onze route hadden gezet. Geef Fattoria Mancini in op je gps en proef hun Pinot Noir wijnen. Vergeet zeker hun Spumante niet.

En de rest? Dat moet je zelf maar ter plekke ontdekken.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
  5. Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland
  6. Marche op zondag: Hidden gems, deel 2
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi

Giro d’Italia 2026, rit 14: Valle d’Aosta Nus DOC, van Aosta naar Pila

Tot nu toe hebben we het hooggebergte, misschien met uitzondering van de rit naar Blockhaus, nog niet echt aangedaan. Zodra we in Valle d’Aosta terechtkomen, verandert dat. Het profiel van rit 14, van Aosta naar Pila, laat weinig twijfel bestaan: dit wordt een dag van klimmen, dalen, opnieuw klimmen en nog eens dalen, met een aankomst bergop in Pila. Vlakke meters zullen de renners hier niet zoeken.

Om trouw te blijven aan mijn opzet om bij elke rit een passende DOC te bespreken, zijn zulke bergetappes een kleine nachtmerrie. Hoe hoger je het gebergte intrekt, hoe minder vanzelfsprekend wijnbouw wordt — en het moet dan ook nog eens een minder bekende naam zijn. Gelukkig telt de enige DOC van Valle d’Aosta zeven subdenominaties. Het ritprofiel brengt ons het dichtst in de buurt van Nus, en dus vind je hieronder de specificaties van Valle d’Aosta Nus.

Valle d’Aosta DOC Nus

Valle d’Aosta is de kleinste wijnregio van Italië, en dat merk je aan de indeling van de herkomstbenamingen. De regio heeft geen DOCG en geen IGT, maar één DOC: Valle d’Aosta of Vallée d’Aoste DOC, erkend in 1971 en nadien meermaals aangepast. Namen als Donnas, Chambave, Torrette, Enfer d’Arvier, Blanc de Morgex et de La Salle en Nus kregen daardoor toch een eigen gezicht binnen die ene brede DOC.

De schaal van Nus is uiteraard nog kleiner dan die van Valle d’Aosta als geheel. Voor Nus gaat het om amper 3,65 hectare ingeschreven wijngaard, voor Nus Malvoisie om 2,62 hectare. Samen kom je dus aan 6,27 hectare. Piepklein dus, en de kans dat je deze wijnen zomaar even bij je lokale wijnhandel zal treffen, is dan ook uiterst gering.

De productiezone van Nus ligt aan beide zijden van de Dora Baltea. Aan de kant van Fénis mag wijnbouw tot 650 meter hoogte. Aan de kant van Nus, Quart, Saint Christophe en Aosta loopt de toegelaten zone hoger, tot 850 meter. Dat verschil heeft vooral met zon te maken. De hellingen aan de kant van Nus kijken grotendeels naar het zuiden en krijgen daardoor meer warmte en licht. In Valle d’Aosta noemt men die zonnige zijde de adret. Aan de overkant, bij Fénis, kijken de hellingen vaker naar het noorden. Dat is de koelere envers. Daar wordt het sneller te fris om druiven betrouwbaar rijp te krijgen, waardoor de hoogtegrens lager ligt.

Bodem en klimaat

Nus ligt in het centrale deel van Valle d’Aosta, in een droge alpiene vallei waar wijnbouw vooral mogelijk is op plaatsen waar helling, zon en beschutting voldoende aanwezig zijn. Percelen met natte gronden of te weinig zon komen niet in aanmerking.

De bodems volgen het reliëf van de vallei. Dicht bij de Dora Baltea en op plaatsen waar water en erosie materiaal uit de hoger gelegen hellingen hebben afgezet, vind je vooral colluviale en alluviale gronden. Die kunnen wat dieper zijn, maar blijven vaak stenig en goed drainerend. Op de steilere hellingen worden de bodems dunner en armer, met meer stenen en grof puin. Waterhuishouding speelt daardoor een grote rol. De bodem moet genoeg reserve bieden om de wijnstok door droge periodes te helpen, maar mag nooit zwaar of drassig worden.

Het klimaat is continentaal en droog, met duidelijke invloed van de Alpen. Het centrale deel van de vallei behoort tot de drogere zones van Valle d’Aosta. De neerslag blijft beperkt, terwijl het aantal zonuren hoog is. Vooral aan het einde van het groeiseizoen worden de verschillen tussen dag en nacht belangrijk. Overdag kunnen de druiven verder rijpen, terwijl de koele nachten helpen om zuren en aromatische precisie te behouden.

Rode wijn

Valle d’Aosta Nus is een droge rode wijn op basis van Vien de Nus en Petit Rouge, samen goed voor minstens 70 procent van de assemblage. Binnen dat aandeel moet Vien de Nus minstens 40 procent vertegenwoordigen. Andere toegelaten blauwe druiven uit Valle d’Aosta mogen tot maximaal 30 procent worden toegevoegd. Beide druiven zijn sterk verbonden met Valle d’Aosta en spelen buiten de regio nauwelijks een rol. Petit Rouge is daarbij de bekendere en ruimer verspreide van de twee, terwijl Vien de Nus veel specifieker aan deze zone gelinkt blijft.

Nus heeft doorgaans een intense rode kleur met granaatreflecties. In de geur zitten voornamelijk aroma’s van sappig rood fruit, wilde bessen en een lichte florale toets, vaak aangevuld met kruidigheid, aardse toetsen en soms een licht vegetaal accent. De mond is eerder soepel dan krachtig, met fijne tannine, frisse zuren en een kruidige ondertoon.

De verplichte rijping bedraagt vijf maanden vanaf 1 december van het oogstjaar. Voor de vermelding superiore loopt dat op tot minstens acht maanden. Houtlagering is daarbij niet verplicht. Producenten kunnen dus zelf bepalen hoe ze die rijping invullen, zolang het karakter van de wijn bewaard blijft.

Witte wijn

De witte wijn uit Nus kan voor verwarring zorgen. Hij komt immers op de markt als Nus Malvoisie. De link met Malvasia wordt dan bijna automatisch gelegd, maar het gaat wel degelijk om Pinot Grigio, met de verplichting om deze druif voor de volle 100 procent te gebruiken.

Verwacht hier een wijn met een goudgele kleur. De geur is intens, met rijpere peer, gele appel, bloemen, zachte kruidigheid en soms een lichte amandeltoets. De smaak is dankzij het bergkarakter frisser dan je doorgaans van Pinot Grigio verwacht.

Naast de droge versie bestaat er ook een passito. Lokaal wordt deze stijl ook wel flétri genoemd. De druiven drogen na de oogst verder in een goed geventileerde ruimte, tot ze minstens 26 procent suiker bereiken. Mostconcentraat mag daarbij niet worden toegevoegd. De passito mag pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.

Dit geeft een intens kopergele wijn, met een krachtige geur en een zoete, warme smaak. Die warmte komt niet alleen van de alcohol, maar ook van de concentratie door het indrogen van de druiven. De minimale vereiste ligt op 16,5 procent totaal alcoholvolume, waarvan minstens 14 procent effectief vergist alcohol.