Uiteraard had ik als voorbereiding op ons bezoek aan de wijngebieden van Alto Piemonte grondig mijn huiswerk gemaakt en het nodige opzoekwerk gedaan. Eens we ginds ter plekke waren, viel het pas echt op hoe klein en versnipperd die wijngaarden over Alto Piemonte verspreid liggen.
Soms merkte ik wel een grotere concentratie van wijngaarden, zoals in Boca, langs de Strada della Traversagna, de SP32 richting Grignasco, waar we verschillende wijngaarden gingen opzoeken. Maar niets, werkelijk niets, doet vermoeden dat hier ooit op grote schaal aan wijnbouw werd gedaan en dat Alto Piemonte zelfs tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde.
De glamour van de 19e eeuw
In de diverse vakliteratuur die ik ter voorbereiding doornam, ontdekte ik dat Alto Piemonte rond het einde van de negentiende eeuw ongeveer 40.000 hectare wijngaarden telde. Vandaag blijft daar met zowat 800 hectare nog maar een fractie van over. Het gebied behoorde destijds tot de belangrijkste wijngebieden van Noord Italië en was voor Nebbiolo een absolute referentie. Gattinara, Ghemme, Lessona, Boca, Bramaterra en Sizzano genoten een stevige reputatie. Hun wijnen werden verkocht in Turijn en Milaan en vonden ook buiten Piemonte afzet. De nabijheid van Lombardije en de handelsroutes richting Centraal Europa maakten Noord Piemonte commercieel interessant.
Dat de wijnen ook kwalitatief hoog werden ingeschat, blijkt uit een bekende brief uit 1845. Camillo Benso di Cavour kreeg toen enkele flessen Sizzano toegestuurd door Giacomo Giovanetti uit Novara. Cavour was onder de indruk. Hij vergeleek het bouquet van de wijn met dat van Bourgogne en schreef dat de heuvels rond Novara volgens hem met die van Bourgogne konden wedijveren.
Vandaag wordt Cavour vooral met Barolo in verband gebracht. Midden negentiende eeuw keek hij voor grote Piemontese wijn dus ook nadrukkelijk naar het noorden.
Van 40.000 hectare naar enkele honderden
Merkwaardig genoeg begonnen de eerste tekenen van achteruitgang in dezelfde periode waarin Alto Piemonte nog tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde. In 1846 verhoogde Oostenrijk de invoerrechten op Piemontese wijn naar het Lombardisch Venetiaanse Koninkrijk fors. Een belangrijke afzetmarkt werd daardoor moeilijker bereikbaar. Dat probleem trof uiteraard niet alleen Alto Piemonte, maar ook de andere Piemontese wijngebieden.
De tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brachten bovendien de bekende problemen waarmee zowat heel Europa af te rekenen kreeg. Oidium, peronospora en phylloxera troffen ook Alto Piemonte en verplichtten wijnbouwers tot zware investeringen en heraanplant. In 1905 kwam daar lokaal nog een verwoestende hagelstorm bovenop, waarna ook de beide wereldoorlogen hun tol eisten.
Dat alles versnelde de terugval, maar verklaart nog niet waarom Alto Piemonte uiteindelijk zoveel sterker kromp dan veel andere historische wijngebieden. De echte omslag kwam er door de industrialisering van de regio en de geleidelijke uittocht uit de landbouw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw industrialiseerde de textielnijverheid rond Biella in snel tempo en groeide de streek uit tot een belangrijk centrum voor wol en textiel. Na de Tweede Wereldoorlog nam die beweging nog sterk toe. De economische groei in Noord Italië creëerde steeds meer werk buiten de landbouw, zowel in de eigen regio als in grotere industriële centra zoals Turijn en Milaan. Een vaste baan en een verzekerd inkomen werden voor veel jongeren aantrekkelijker dan het onzekere bestaan in de wijngaard.
Daar kon een steile wijngaard moeilijk tegen concurreren. Snoeien, aanbinden, onderhouden en oogsten vergden veel handenarbeid en het inkomen bleef afhankelijk van het weer en de opbrengst. Voor veel gezinnen werd de keuze steeds eenvoudiger. De fabriek bood zekerheid, de wijngaard veel minder.
Wijngaarden werden verwaarloosd, heraanplantingen bleven achterwege en steeds meer percelen werden verlaten. Struiken en bomen namen de plaats van de wijnstokken in en complete hellingen veranderden opnieuw in bos. Door erfenissen raakte het grondbezit ondertussen steeds verder versnipperd. Kleine percelen kwamen terecht bij verschillende kinderen en kleinkinderen, van wie sommigen al lang niet meer in de streek woonden. Die versnippering zou later een bijkomende hindernis vormen voor wie oude wijngaarden opnieuw in productie wilde brengen.
De cijfers maken duidelijk hoe groot de terugval uiteindelijk was. Van ongeveer 40.000 hectare rond het einde van de negentiende eeuw bleven tegen de tweede helft van de twintigste eeuw nog slechts enkele honderden hectaren over. Boca zakte op een bepaald moment tot ongeveer tien hectare. Ook Lessona, Bramaterra, Ghemme en Gattinara hielden nog maar een fractie over van hun vroegere oppervlakte.
Gelukkig stopte niet iedereen. Een handvol historische producenten bleef ook tijdens de moeilijkste decennia wijn maken. Vallana verwierf in de jaren 1950 en 1960 zelfs internationale faam met zijn Spanna, terwijl onder meer Nervi, Travaglini en Antoniolo in Gattinara en Tenute Sella in Lessona actief bleven. Daardoor verdween de wijnbouw nooit volledig en bleef er enige continuïteit bestaan waarop een volgende generatie later kon voortbouwen.
Voorzichtig begint de weg terug
‘Everything dies, baby, that’s a fact, but maybe everything that dies someday comes back’ wist Bruce Springsteen ons al te vertellen. Zo lijkt het dus ook wel met Alto Piemonte! Dat voorzichtig timmeren aan de weg terug begon stilaan vorm te krijgen vanaf het einde van de jaren 1980 en vooral tijdens de jaren 1990. Plots was er interesse in oude vervallen wijngaarden die er op de verlaten hellingen stonden. Een kleine groep mensen begreep het potentieel en zag er een nieuwe toekomst in.
Een van hen was de Zwitser Christoph Künzli. Rond het begin van de jaren 1990 leerde hij Boca kennen en enkele jaren later begon hij er oude percelen samen te brengen voor Le Piane. Dat bleek allesbehalve eenvoudig door de versnipperde eigendomsstructuur en de toestand waarin veel voormalige wijngaarden verkeerden.
Ook Paolo De Marchi keerde in 1999 samen met zijn zoon Luca terug naar de familiale gronden in Lessona en begon er aan de heropbouw van Proprietà Sperino. Rond dezelfde periode en in de jaren daarna verscheen een nieuwe generatie lokale wijnmakers, met onder anderen Cristiano Garella als een van de belangrijke figuren.
Het herstel kwam zo vanuit verschillende richtingen. Historische families investeerden opnieuw, een jongere generatie wijnmakers zag opnieuw toekomst in de streek en mensen van buiten Alto Piemonte begonnen oude percelen op te kopen en te herstellen. Tegelijk veranderden ook de economische omstandigheden. De textielindustrie, die decennialang veel arbeidskrachten uit de landbouw had gehaald, verloor vanaf het einde van de twintigste eeuw een deel van haar dominante positie door toenemende internationale concurrentie.
Ook binnen de wijnwereld zelf begon er iets te verschuiven. De belangstelling voor historische appellaties, oude wijngaarden en Nebbiolo buiten Barolo en Barbaresco nam toe. Dat fenomeen zien we overigens wel vaker in Italië. Zodra een wijngebied momentum krijgt en duidelijk wordt dat er kwalitatief en commercieel iets te rapen valt, verschijnen ook de kapitaalkrachtige spelers op het toneel. Franciacorta kende zo een periode waarin gevestigde wijnhuizen en ondernemers massaal mee op de trein sprongen. Hetzelfde gebeurde in Bolgheri, waar vanaf de jaren 1990 steeds meer grote namen en investeerders opdoken die voordien weinig of niets met de streek te maken hadden. Ook rond Etna zagen we later een vergelijkbare beweging en in de Colli Tortonesi trok de herwaardering van Timorasso eveneens producenten van buiten het gebied aan.
En toen kwam Conterno
De heropleving was dus al jaren, weliswaar vrijwel anoniem, bezig tot Roberto Conterno in 2018 een belang van 90 procent in Nervi in Gattinara verwierf. Het was alsof er een bom ontplofte. Dit nieuws trok onmiddellijk de aandacht van de internationale wijnwereld. Uiteraard, want Giacomo Conterno behoort tot de grote namen van Barolo. Wanneer een producent met die reputatie investeert in Alto Piemonte, kijken sommeliers, importeurs, verzamelaars en andere producenten plots een stuk geïnteresseerder mee.
De streek kreeg daardoor in korte tijd veel meer zichtbaarheid. Producenten die al jarenlang bezig waren met het herstel van hun appellaties profiteerden mee van die toegenomen belangstelling. Tegelijk waren wijnliefhebbers steeds nadrukkelijker op zoek naar alternatieven voor de almaar duurder wordende Barolo en Barbaresco. Alto Piemonte bood Nebbiolo, historische appellaties en bovendien nog prijzen die een stuk toegankelijker lagen.
Die combinatie maakte de optelsom compleet. De diverse appellaties van Alto Piemonte begonnen opnieuw hip te worden.

Filed under: Vini Italiani | Tagged: alto piemonte, boca, bramaterra, conterno, fara, gattinara, ghemme, Italian wine ambassador, le piane, lessona, nebbiolo, piemonte, sizzano, wijn, wijnblog, wijnkennis, wineblog, wineblogger | Leave a comment »










