Mijn gedachten dwalen af terwijl ik bedenk waarover ik zou schrijven. Tegelijk loop ik in mijn hoofd al vooruit op onze komende kooksessie met kookclub De Kemphanen. Ik kijk daar eerlijk gezegd echt naar uit, want het wordt een Italiaanse avond waarop we met onze kookclub voor het eerst zelf grissini gaan maken. Wie van jullie heeft deze Italiaanse broodstengels trouwens al eens zelf gemaakt?
Iedereen kent ze natuurlijk. Grissini zijn vandaag bijna een vast onderdeel van de Italiaanse tafel. Je krijgt ze bij het aperitief, naast charcuterie of kaas, soms gewoon al op tafel nog voor je goed en wel in de kaart hebt gekeken. Voor mij wordt het vermoedelijk de derde keer dat ik ze zelf maak. Moeilijk is het op zich niet. Verfijnd werk wel, en dus vraagt het wat geduld. En zo was het onderwerp voor deze nieuwe blog meteen geboren: grissini.
Vandaag vind je ze overal: in ambachtelijke bakkerijen, op restauranttafels, in supermarkten en in talloze varianten. Klassiek, volkoren, met zaden, met kruiden of in een iets modernere uitvoering. Maar hoe breed dat aanbod intussen ook geworden is, de ziel van de grissino ligt nog altijd in Turijn.
Een vondst uit de Savoiaanse hoofdstad
Als je er even bij stilstaat, merk je dat Piemonte opvallend vaak de bakermat is van Italiaanse klassiekers. Dat is bij grissini niet anders. Hun oorsprong ligt onmiskenbaar in Turijn. Zelfs de naam verwijst naar de Piemontese traditie en zou afgeleid zijn van ghërsa, de benaming voor een langwerpig brood uit de streek. Over het precieze ontstaan van de grissino bestaan wel verschillende verhalen.
Volgens sommigen gaat de oorsprong al terug tot de veertiende eeuw in Turijn. Om de inflatie het hoofd te bieden, zouden bakkers het lokale brood kleiner en dunner zijn gaan maken. Zo zou stilaan een eerste vorm van de grissino zijn ontstaan.
Bekender is het verhaal van de jonge Vittorio Amedeo II, dat ons naar het einde van de zeventiende eeuw brengt. Als kind was hij zwak en had hij moeite om gewoon brood te verteren. Op vraag van de hofarts werkte bakker Antonio Brunero daarom een broodvorm uit zonder zachte kruim. Het resultaat was een droger, dunner en beter houdbaar brood dat lichter verteerbaar was. En zo kwam de grissino op de kaart te staan.
Of elk detail van dat verhaal historisch volledig sluitend is, valt moeilijk te zeggen. Wat wel overeind blijft, is de nauwe band tussen grissini en Turijn. Van daaruit groeiden ze uit tot een geliefd product aan het hof en later ook ver daarbuiten. Zelfs Napoleon was tuk op ‘les petits bâtons de Turin’, zoals hij ze liefkozend noemde. Naar het schijnt gebruikte hij ze ook om maagzweren te verlichten. De eerste grissini zagen er trouwens nog anders uit dan vandaag: langer, breder en minder fijn dan de broodstengels die we nu kennen. Sommige hadden zelfs een spiraalvorm.
Van lokale specialiteit tot nationaal succes
Al snel reikte het succes van grissini veel verder dan Piemonte en raakten ze in heel Italië ingeburgerd. Dat is ergens ook logisch. Ze waren lichter verteerbaar dan gewoon brood en bleven bovendien veel langer goed. Twee eigenschappen die in die tijd natuurlijk erg handig waren.
Ze doken zowat op elk moment van de dag op. Bij het ontbijt werden ze soms in melk gedoopt. Tijdens de lunch gingen ze mee in de bouillon. Tussendoor werden ze gewoon gegeten als snack. Er waren zelfs zoete bereidingen op basis van geplette grissini, melk en eieren, maar daar hoor je vandaag nog zelden iets over.
Ondertussen zijn grissini natuurlijk al lang niet meer alleen iets van Turijn of Piemonte. Je vindt ze vandaag in heel Italië, zowel ambachtelijk gemaakt als industrieel geproduceerd. En dat heeft het aanbod natuurlijk flink verbreed, iets waar wij alleen maar blij om kunnen zijn. Je kan ze gedachteloos wegknabbelen bij een glas wijn, maar evengoed bewust op tafel zetten bij charcuterie, kaas of andere hapjes.
Eenvoudig deeg, gespecialiseerd vakwerk
Eenvoud siert in de Italiaanse keuken, en dat is bij grissini niet anders. In essentie stelt het allemaal niet zo veel voor. Een eenvoudig deeg, wat basisproducten en klaar. Zo lijkt het toch, maar dat is net iets te kort door de bocht. Er schuilt best wel wat meer achter een echt lekkere grissini.
Historisch steunt de Piemontese baktraditie op een heel eenvoudige basis: tarwebloem, water, gist en zout. In sommige versies werden ook boter, reuzel of een combinatie van olie en reuzel gebruikt. Meer moet dat eigenlijk niet zijn. Doorheen de jaren is de familie van de grissini natuurlijk wel flink uitgebreid. Volkoren grissini, versies met sesam, venkelzaad, peperoncino, olijven, noten of andere granen zijn al lang geen curiositeit meer. Vandaag zien veel consumenten liever olijfolie op het etiket, maar ook die oudere werkwijze maakt gewoon deel uit van de culinaire geschiedenis van het product.
Vroeger was de bereiding trouwens allesbehalve een klus voor één persoon. In de klassieke werkwijze waren er liefst vier gespecialiseerde rollen. De stiror trok het deeg uit. De tajor sneed het daarna in stukken van ongeveer drie centimeter. De coureur legde telkens twee stengels op een lange, smalle schep en schoof die in een Piemontese houtoven, meestal verwarmd met populierenhout. Daarna was het aan de gavor om de gebakken staven uit de oven te halen en in twee te breken.
Je waant je misschien wel in een wielerpeloton, maar het toont vooral hoe elk detail minutieus werd behandeld. De juiste droogte, de juiste broosheid en de juiste lengte ontstaan nu eenmaal niet toevallig. Wie ooit echt goede grissini heeft gegeten, weet hoe belangrijk die textuur is. Ze moeten mooi breken, licht aanvoelen en tegelijk genoeg smaak hebben. Te droog en ze worden saai. Te vet en ze verliezen hun luchtigheid. Te dik en dan ben je eigenlijk een stuk van de finesse kwijt.
Robatà en stirato: twee gezichten van een klassieker
Voor de meesten onder ons vormen grissini gewoon één grote familie. In het vakwereldje wordt dat toch wat anders bekeken. Daar gaat het vooral over twee duidelijke vormen: de robatà en de stirato.
De oudste en meest traditionele vorm is de robatà, uitgesproken als rubatà. Die naam verwijst naar het rollen van het deeg. Het gaat om lange grissini van veertig tot tachtig centimeter, herkenbaar aan hun onregelmatige, knoestige vorm. Die oneffen vorm is gewoon het rechtstreekse gevolg van het handwerk. Ze ogen wat rustieker, wat robuuster en hebben iets heel ambachtelijks.
De grissino stirato is van recentere datum, maar groeide uiteindelijk uit tot de bekendste vorm. Stirato betekent uitgetrokken, en precies daar zit het verschil. Het deeg wordt hier niet opgerold, maar aan de uiteinden uitgetrokken, ongeveer over de lengte van de armen van de bakker. Dat zorgt voor een dunnere, lichtere en brozere structuur.
Het is ook precies die grotere broosheid die de stirato zo populair heeft gemaakt. Bovendien maakte deze manier van werken het al vanaf de achttiende eeuw makkelijker om de productie te mechaniseren. Daardoor kon de grissino zich sneller over Italië en later ook internationaal verspreiden.
Die verspreiding heeft er ook voor gezorgd dat grissini in verschillende regio’s hun eigen invulling kregen. Zo ontstonden doorheen de tijd ook andere vormen en varianten, al blijven robatà en stirato binnen de Piemontese traditie de twee grote referenties.
Meer dan een tafelknabbeltje
Grissini zijn makkelijk te gebruiken en ze vullen de tafel al direct prachtig mee op, maar je kan ze natuurlijk veel breder inzetten dan iets wat er zomaar wat bij ligt op tafel. Ze brengen beet, zorgen voor wat extra textuur en doen het bijzonder goed naast alles wat zachter, vetter of romiger is. Ideaal bij een dip, maar evenzeer dankbaar bij charcuterie en kaas. Ook bij een kom soep of bouillon kan je een beroep doen op grissini.
Wil je goede grissini kopen, dan loont het om even verder te kijken dan de standaardverpakking uit de supermarkt. Ga dus liefst even langs bij een goede Italiaanse delicatessenzaak. Het is vooral de gebruikte vetstof die een verschil zal maken, net zoals het zoutgehalte. Let bijkomend zeker op de lengte van de ingrediëntenlijst: hoe eenvoudiger en duidelijker, hoe beter.
Ambachtelijke grissini hebben vaak wat meer karakter en een mooier, wat onregelmatig uitzicht. Industriële versies zijn dan weer constanter en meestal langer houdbaar. Ze ogen ook lichter dan ze in werkelijkheid zijn. Door hun droge en luchtige structuur eet je ze bijzonder makkelijk weg, en voor je het weet heb je er al een heel pak van op. Ook dat hou je dus best een beetje in het achterhoofd.
Zelf grissini maken: drie smaakvolle versies
Zelf grissini maken is absoluut haalbaar. Moeilijk is het niet, maar je moet er wel wat geduld voor hebben. We kiezen hier voor drie varianten: met rozemarijn, met tomaat en met olijven. Drie mediterrane smaken die perfect werken bij een aperitief, maar evengoed gewoon tussendoor.
Ingrediënten voor het deeg
500 g bloem
300 ml lauw water
7 g droge gist
10 g zout
40 ml extra vergine olijfolie
Voor de afwerking
Voor de versie met rozemarijn
extra vergine olijfolie
fijngehakte rozemarijn
Voor de versie met tomaat
zongedroogde tomaten, fijngehakt
een beetje tomatenconcentraat
extra vergine olijfolie
een snuifje chili of wat fijngehakte verse peper
Voor de versie met olijven
zwarte olijventapenade of een zelfgemaakte puree van zwarte olijven
Bereiding
- Meng de bloem met de droge gist.
- Voeg het lauwe water en de olijfolie toe en begin te kneden.
- Voeg daarna het zout toe en kneed verder tot je een soepel en elastisch deeg hebt.
- Dek het af en laat het ongeveer een uur rijzen, tot het mooi in volume is toegenomen.
- Rol het deeg daarna uit tot een rechthoek. Verdeel het in drie gelijke delen, zodat je voor elke smaak een aparte basis hebt.
- Besmeer het eerste deel gewoon met wat extra vergine olijfolie en strooi er fijngehakte rozemarijn over.
- Op het tweede deel smeer je een mengeling van fijngehakte zongedroogde tomaten, wat tomatenconcentraat, olijfolie en een klein beetje chili.
- Het derde deel bestrijk je met olijventapenade of met fijngepureerde zwarte olijven.
- Snij het deeg daarna in repen.
- Draai elke reep een paar keer op zodat je die mooie, licht gedraaide vorm krijgt en de vulling mooi mee in het deeg zit.
- Leg ze op een met bakpapier beklede bakplaat.
- Bak de grissini in een voorverwarmde oven op 190 à 200 graden tot ze goudbruin en krokant zijn.
- Reken op ongeveer 20 tot 25 minuten, afhankelijk van hoe dik je ze hebt gemaakt.
- Laat ze daarna volledig afkoelen op een rooster. Pas dan krijgen ze echt die droge, krokante beet waar het allemaal om draait.
Van de drie is de rozemarijnversie wellicht de meest toegankelijke. Die met tomaat heeft net wat meer karakter en een licht pittige toets, terwijl de versie met olijven vooral in de smaak zal vallen bij wie graag wat meer mediterrane diepgang op tafel zet. Zet hier een glas TrentoDoc, Franciacorta of Classese naast, en je aperitief is helemaal vertrokken.

Filed under: Cibo Italiano | Tagged: Cibo Italiano, foodblog, foodblogger, grissini, Italian wine ambassador, piemonte, torino, wijn, wijnkennis | Leave a comment »











