Rit 7 brengt ons naar de Apennijnen. Van Formia gaat het richting Blockhaus, en dus mag er een ander soort renner zijn benen beginnen insmeren. De sprinters hebben hier weinig te zoeken. De klim naar Blockhaus gaat hun petje immers te boven en het zullen de klimmersgeiten uit het peloton zijn die de macht naar zich toe gaan trekken.
We rijden van Lazio, door Molise naar Abruzzo. Vooral dat kleine Molise verdient vandaag onze aandacht. Het is de jongste regio van Italië, pas in de jaren zestig losgekomen van Abruzzi e Molise, en nog altijd zo onbekend dat je bijna zou vergeten dat er wijn wordt gemaakt. Bijna, want de renners komen door Venafro en Colli a Volturno, en precies daar zitten we in het gebied van de Pentro di Isernia DOC.
Vanaf dat punt verandert ook de koers. De vlakke aanloop is voorbij, de Apennijnen komen dichterbij en de eerste serieuze beklimmingen dienen zich aan. De kijkers mogen wat naar voren schuiven in de zetel. De Giro krijgt hier voor het eerst echt berglucht in de longen.
Pentro di Isernia DOC
Pentro di Isernia DOC Pentro di Isernia DOC werd in 1983 erkend en behoort tot de kleinste appellaties van Molise. Het wijngaardareaal wordt op ongeveer 74 hectare geschat, maar slechts een fractie daarvan verschijnt ook effectief als Pentro di Isernia DOC in de productiecijfers. Een deel van de druiven zal vermoedelijk onder andere herkomstbenamingen terechtkomen. Zeker Tintilia del Molise DOC ligt daarbij voor de hand, omdat Tintilia vandaag de meest herkenbare blauwe druif van Molise is en commercieel meer uitstraling heeft dan de veel minder bekende Pentro di Isernia DOC.
Officieel mag de wijn ook kortweg Pentro heten, maar Pentro di Isernia maakt geografisch meteen duidelijker waar we zitten.
De productiezone ligt volledig in de provincie Isernia. Ze omvat Agnone, Belmonte del Sannio, Castelverrino, Colli a Volturno, Fornelli, Isernia, Longano, Macchia d’Isernia, Miranda, Montaquila, Monteroduni, Pesche, Pietrabbondante, Poggio Sannita, Pozzilli, Sant’Agapito en Venafro.
De naam Pentro verwijst naar de Pentri, een Samnitische stam die in dit deel van het zuiden van Italië leefde. De wijnbouwgeschiedenis van de streek gaat veel verder terug dan de DOC zelf. In de oudheid werd hier al wijn gemaakt, en ook bij Plinius duiken verwijzingen op naar wijnen uit de omgeving van Isernia.
Bodem en klimaat
Het gebied rond Isernia is uitgesproken heuvelachtig. Molise bestaat grotendeels uit bergen en heuvels, en ook deze appellatie wordt bepaald door langgerekte ruggen, valleien en hellingen. Aan de voet van de omliggende hoogtes vinden we afzettingen die door waterlopen naar beneden zijn gebracht.
De wijngaarden voor Pentro di Isernia liggen op heuvelachtige percelen met een goede oriëntatie. Ze bevinden zich tussen 200 en 600 meter boven zeeniveau. Daardoor spreken we over een wijnzone waar hoogte en reliëf een duidelijke rol spelen.
De bodems zijn vrij divers. Op de heuvels vinden we vooral diepe, goed drainerende bodems met fijne textuur, kalk en stenen. Lager op de hellingen en in de zones aan de voet van de heuvels komen meer afzettingen voor van waterlopen uit de omliggende hoogtes. Geologisch zit er veel kalk, mergel, zandsteen, klei en alluviaal materiaal in de bodem.
Pentro di Isernia ligt niet in een direct kustklimaat. De gemiddelde jaartemperatuur blijft relatief gematigd en de neerslag is niet verwaarloosbaar, met het zwaartepunt in herfst en winter. De zomers kunnen warm zijn, maar hoogte, ventilatie en nachtelijke afkoeling helpen om de rijping voldoende frisheid te geven.
Witte wijnen
Pentro di Isernia Bianco is gebaseerd op Falanghina. Die moet minstens 80 procent van de blend uitmaken. Trebbiano Toscano vult aan met 15 tot 20 procent. Andere toegelaten witte druiven uit Molise mogen maximaal 5 procent worden gebruikt.
Daarmee is er in 2014 een stevige wijziging geweest. Voorheen was de witte Pentro nog gebaseerd op Trebbiano Toscano, aangevuld met Bombino Bianco, en was er van Falanghina zo goed als geen sprake. Naar mijn gevoel heeft die ommezwaai vooral een gunstig effect gehad op de kwaliteit van de wijnen. Falanghina geeft de witte Pentro meer eigenheid, meer aromatische definitie en een duidelijker zuiders profiel.
Voor Pentro di Isernia Bianco is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. In het glas gaat het om een licht strogele wijn, vaak met een groenige schijn. De geur zit eerder bij appel, peer, witte perzik, citroen en witte bloemen. Falanghina kan wat kamille, fijne kruidigheid en een licht amandelachtige toets meebrengen. Trebbiano Toscano trekt het geheel wat strakker en houdt de wijn fris en direct. In de mond blijft de wijn droog, vrij sappig en eerder slank tot middelvol, met een frisse lijn.
Rode wijnen
Pentro di Isernia Rosso is het meest representatieve type van de DOC. De wijn moet voor 75 tot 80 procent uit Montepulciano bestaan. Tintilia vult aan met 20 tot 25 procent. Andere toegelaten, niet aromatische blauwe druiven mogen maximaal 5 procent van de blend uitmaken. Montepulciano zorgt voor kleur, rijp fruit, volume en een zekere aardse kracht. Tintilia brengt lokale identiteit, kruidigheid en extra spanning.
De wijn moet minstens één jaar rijpen, waarvan minimaal zes maanden in eiken vaten. Die vaten mogen om het even welke capaciteit hebben. Het gaat dus niet noodzakelijk om barriques, maar evengoed om grotere vaten zoals Slavonische botti. De verplichte houtopvoeding wijst vooral op rijping en afronding, niet automatisch op een nadrukkelijke houtstijl.
In het glas mag je een robijnrode wijn verwachten, met kers, pruim, donker bosfruit, gedroogde kruiden, soms wat zoethout en een aardse toets. Montepulciano geeft de wijn vulling en rijp fruit, terwijl Tintilia voor wat kruidigheid en extra beet kan zorgen. De smaak is droog, harmonieus en soepel, met voldoende tannine en een eerder warme, zuiderse indruk.
Er bestaat ook een Riserva, met een langere verplichte rijping. De wijn moet minstens vier jaar rijpen, waarvan minimaal twee jaar in eiken vaten. Daarna volgt nog minstens zes maanden flesrijping. Verwacht bij de Riserva meer concentratie, rijper fruit, meer kruidigheid en een steviger mondgevoel.
Rosato
Pentro di Isernia Rosato vertrekt van dezelfde blauwe druiven als de Rosso. Ook hier bestaat de blend uit 75 tot 80 procent Montepulciano en 20 tot 25 procent Tintilia. Andere toegelaten, niet aromatische blauwe druiven mogen maximaal 5 procent worden gebruikt.
Er is geen verplichte rijpingsperiode. De wijn is dus vooral gericht op fruit, frisheid en directe drinkbaarheid. Het aroma blijft doorgaans speels, met aardbei, framboos, rode bes, florale toetsen en zachte kruidigheid. De smaak is droog, fris en sappig, met een licht fruitige indruk.
In de Giro maken de renners de oversteek van de heuvels van Basilicata naar de kust van Campania. Rit 6 gaat van Paestum naar Napoli, de hoofdstad van Campania. De rit volgt eerst de mooie kustlijn tot aan Salerno en trekt daarna het binnenland in, om uiteindelijk langs de haven richting Piazza del Plebiscito te eindigen. Met slechts 500 hoogtemeters voor de boeg zouden de sprinters wel eens aan zet kunnen zijn, al lopen de laatste 5 kilometer nog stevig op. In Napoli krijg je bovendien zelden iets cadeau, dus enkel de sterkste beren zullen hier helemaal vooraan overleven.
Onze keuze voor de minder bekende DOC valt vandaag dan ook logisch op Cilento DOC. Paestum ligt in Capaccio Paestum, een gemeente die deel uitmaakt van de productiezone van deze appellatie. De rit doorkruist niet het volledige wijngebied van Cilento, maar het is wel een mooie aanleiding om Cilento DOC eindelijk eens wat meer te belichten. Zeker omdat Cilento zelf, net ten zuiden van de Amalfikust, een prachtige maar vaak ondergewaardeerde kustregio is. Rustiger, ruwer en minder drukbezocht dan zijn beroemde buur.
Cilento DOC
Met een goede 82 hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer 2.000 hectoliter is Cilento DOC toch iets meer uit de kluiten gewassen dan de vorige appellaties die we bespraken. Het blijft wel een relatief jonge appellatie, die pas in 1989 officieel erkend werd als DOC.
De productiezone ligt in Campania, in de provincie Salerno, en is opvallend ruim. Ze omvat 58 gemeenten, van Agropoli tot Sapri en van de Tyrreense kust tot het meer heuvelachtige binnenland richting Basilicata. De wijngaarden mogen binnen die zone niet zomaar overal aangeplant worden. Stranden, zandige kuststroken en vlakke valleibodems zijn uitgesloten. De maximale hoogte bedraagt 450 meter boven zeeniveau. Alleen in Moio della Civitella mag men tot 550 meter gaan.
Ook historisch past Paestum mooi in dit verhaal. De wijnbouwgeschiedenis gaat in deze streek tot diep in de oudheid terug. Het waren immers de Griekse kolonisten die hier wijnstokken introduceerden, onder meer in Elea en Paestum. Dat zet de verbondenheid met de startplaats van de rit extra in de verf.
Bodem en klimaat
Het landschap van Cilento is zeer divers. Je vindt er ruige heuvels, bergkammen en steile flanken, maar ook zachtere hellingen die het landschap wat minder streng maken. Daartussen snijden waterlopen diep in het reliëf. Kleine kustvlaktes en het Vallo di Diano, een oude meerbodem, zorgen voor extra afwisseling in het landschap.
Geologisch maakt Cilento deel uit van de zuidelijke Apennijnen. De ondergrond werd gevormd door tektonische bewegingen uit het Mioceen en Plioceen, waarbij gesteentelagen geplooid, verschoven en over elkaar geschoven werden. Later kwamen daar jongere afzettingen bovenop. Het resultaat is een landschap dat niet meteen makkelijk wijnbouwgebied lijkt, maar net daarin zit een deel van zijn karakter.
Ook de bodems zijn niet overal identiek, maar ze hebben wel een duidelijk gemeenschappelijk karakter. Ze zijn over het algemeen arm aan organisch materiaal en hebben vaak een basis van klei, met mergel en schist in de ondergrond. Dat zijn geen makkelijke bodems, maar net daardoor blijven de wijnstokken beter in toom.
Voor wijnbouw zijn vooral de heuvelachtige percelen met een goede ligging interessant. Daar vinden we vaker kiezelhoudende en kalkrijke gronden, die voor meer drainage, spanning en structuur kunnen zorgen. Klei geeft dan weer wat meer vulling en draagkracht. Zo krijg je een bodemprofiel dat de wijnen niet alleen rijpheid geeft, maar ook voldoende grip en frisheid.
Het klimaat is duidelijk zuiders, maar door de combinatie van zee, heuvels en binnenland is het minder eenduidig dan je op het eerste gezicht zou denken. De Tyrreense Zee zorgt voor mediterrane invloed, terwijl hoogte, hellingen en ventilatie helpen om de warmte te temperen.
Witte wijnen
Cilento DOC kent twee witte types: Cilento Bianco en Cilento Fiano. Fiano speelt daarin de hoofdrol. Bij Cilento Bianco moet Fiano 60 tot 65 procent van de blend uitmaken. Trebbiano Toscano vult aan met 20 tot 30 procent, terwijl Greco Bianco en of Malvasia Bianca samen 10 tot 15 procent mogen leveren. Andere toegelaten witte druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.
Cilento Fiano moet voor minstens 85 procent uit Fiano bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten, niet aromatische witte druiven uit de provincie Salerno.
Voor de witte wijnen is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. De focus ligt dus vooral op druivensamenstelling, herkomst en minimum alcoholgehalte. Voor Cilento Bianco ligt dat minimum op 11 procent. Voor Cilento Fiano is dat 12 procent.
Cilento Bianco mogen we vooral zien als de frisse, toegankelijke witte blend van de appellatie. Strogeel van kleur, met een delicaat aroma en een frisse, harmonieuze smaak. Cilento Fiano kan iets meer intensiteit en herkenbaarheid van Fiano tonen. Ook hier blijft de kleur strogeel, maar de wijn zal droog, voller en meer uitgesproken aanvoelen.
Rode wijnen
Bij de rode wijnen draait het vooral rond Aglianico. Cilento Rosso moet voor 60 tot 75 procent uit Aglianico bestaan. Piedirosso en of Primitivo vullen aan met 15 tot 20 procent. Andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno mogen maximaal 25 procent van de blend uitmaken.
Cilento Aglianico moet voor minstens 85 procent uit Aglianico bestaan. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno.
Voor Cilento Rosso is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11,5 procent. In het glas gaat het om een robijnrode wijn, met een herkenbaar profiel van rood fruit, rijpe kers, lichte kruidigheid en een aardse toets. De smaak is droog, eerder delicaat en minder uitgesproken dan bij Cilento Aglianico.
toont wat meer kracht. Ook hier gaat het om een robijnrode wijn, maar het profiel is duidelijk steviger dan bij de gewone Rosso. Verwacht meer donker fruit, rijpe kers, pruim, kruidigheid en een hartige toets. De smaak is droog, vol en voldoende sappig. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 12 procent. De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Voor de Riserva geldt een langere rijpingsperiode van minimaal drie jaar, waarvan twee jaar in houten vaten, vanaf 1 januari na de oogst.
Rosato
De basis voor Cilento Rosato is Sangiovese. Die moet 70 tot 80 procent van de blend uitmaken. Aglianico is goed voor 10 tot 15 procent en Primitivo en of Piedirosso vullen eveneens aan met 10 tot 15 procent. Andere toegelaten druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.
Voor Cilento Rosato is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11 procent. De wijn krijgt zijn roze kleur door een korte schilweking van de gekneusde druiven. Zodra de most voldoende kleur heeft opgenomen, wordt hij afgetapt en verder als rosato gevinifieerd.
In het glas kan Cilento Rosato variëren van licht tot iets intenser roze. De blend geeft hem op papier best wat inhoud. Sangiovese zorgt voor frisheid en rood fruit, Aglianico brengt wat meer structuur, terwijl Primitivo en Piedirosso extra rijpheid en een zuiders accent kunnen toevoegen. Uiteraard is de uiteindelijke samenstelling van de blend bepalend voor het karakter van de wijn.
Rit 5 van de Giro trekt van Praia a Mare naar Potenza. Op papier start de dag nog heerlijk aan zee, maar wie naar het profiel kijkt, ziet al snel dat dit geen rustig kustverhaal wordt. De renners rijden Basilicata binnen, zoeken het binnenland op en krijgen onderweg een typisch Italiaans heuvelachtig parcours voorgeschoteld.
Een diepere blik op de route leert ons dat de renners in de buurt van Viggiano, Grumento Nova en de Val d’Agri passeren, om vervolgens in Potenza uit te maken wie met de ritzege aan de haal gaat. Aangezien de productiezone van Terre dell’Alta Val d’Agri DOC precies in dit deel van Basilicata ligt, is dit de meest logische appellatie om aan deze rit te koppelen.
Terre dell’Alta Val d’Agri DOC
Terre dell’Alta Val d’Agri DOC werd officieel erkend in 2003. Het is helemaal geen grote appellatie, met ongeveer 16 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van amper 100 hectoliter. Zoals de naam aangeeft, vinden we de wijngaarden voor deze DOC in de bovenloop van de Val d’Agri. Dat is een vruchtbare vallei die zich ontvouwt tussen heuvels en calanchi, de typische uitgesleten kleiheuvels die het landschap op sommige plaatsen bijna maanachtig maken.
De productiezone ligt volledig in Basilicata, in de provincie Potenza, en omvat de gemeenten Viggiano, Grumento Nova en Moliterno. Het is een binnenlands, hooggelegen gebied waar wijnbouw veel sterker door hoogte, expositie en temperatuurverschillen wordt bepaald dan door nabijheid van de zee. Dat maakt deze DOC meteen anders dan veel zuidelijke appellaties die vooral op warmte en mediterrane invloed steunen.
De wijngaarden mogen volgens het disciplinare aangeplant zijn tot 800 meter hoogte. Ze zijn aangeplant met blauwe druivenrassen, grotendeels van Bordeaux origine, want de DOC geldt enkel voor rode en roséwijnen.
Bodem en klimaat
De wijnbouw profiteert hier van een omgeving die natuurlijk en relatief ongerept aanvoelt. De bodems zijn alluviaal van oorsprong en bevatten veel zand en klei, met weinig leem. Die samenstelling is belangrijk voor de stijl van de wijnen. Zand kan de structuur wat toegankelijker maken, terwijl klei bijdraagt aan volume, kleur en mondgevoel. Het resultaat zijn wijnen die niet alleen op fruit drijven, maar ook voldoende vulling en draagkracht krijgen.
Het klimaat heeft een uitgesproken bergkarakter. Dat compenseert de zuidelijke warmte van Basilicata. De druiven rijpen in een omgeving die zonnig genoeg is om volledige rijpheid te bereiken, maar tegelijk fris genoeg blijft om zuren en aroma’s te bewaren. Dat is precies de balans die Merlot en Cabernet Sauvignon hier nodig hebben.
Een belangrijk element zijn de grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Vanaf augustus tot aan de oogst, die meestal in de tweede helft van oktober valt, begeleiden die thermische schommelingen de rijping van de druiven. Overdag krijgen ze zon en warmte, ’s nachts koelt het sterk af. Daardoor kunnen de druiven rijpen zonder hun frisheid te verliezen.
Rode wijnen
Terre dell’Alta Val d’Agri DOC is in de eerste plaats een rode wijnappellatie. De basis is een bordeauxblend, met een hoofdrol voor Merlot. Voor de Rosso en de Rosso Riserva moet minstens 50 procent Merlot worden gebruikt. Cabernet Sauvignon moet minstens 30 procent van de blend uitmaken. Andere toegelaten blauwe en witte, niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.
De maximale opbrengst bedraagt 12 ton druiven per hectare. De druiven voor de Rosso en Rosso Riserva moeten minstens 12 procent natuurlijk alcoholpotentieel halen. Voor de Rosso is een rijping van minstens 12 maanden voorzien, gerekend vanaf 1 december na de oogst. Daarna volgt nog een verplichte flesrijping van 3 maanden voor de wijn op de markt mag komen. De Riserva gaat duidelijk verder. Die moet minstens 24 maanden rijpen, waarvan minstens 6 maanden in hout, gevolgd door een verplichte flesrijping van 4 maanden.
In het glas kleurt de Rosso robijnrood. De wijn is aangenaam, fruitig en voldoende dragend. Denk aan rijp rood en donker fruit, pruim, kers, cassis, kruidigheid en een zekere aardse toets. Bij de Riserva komen daar sneller hout, specerijen, tabak en een steviger mondgevoel bij.
Rosato
Ook voor de roséwijn vormt Merlot de basis, met minstens 50 procent. Cabernet Sauvignon moet minstens 20 procent uitmaken en Malvasia Nera di Basilicata minstens 10 procent. Andere toegelaten blauwe en witte niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.
Merlot zorgt voor sappig fruit en ronding, Cabernet Sauvignon geeft wat meer structuur en kruidigheid. Malvasia Nera di Basilicata brengt het lokale accent in de blend en kan zorgen voor extra aromatische nuance, florale toetsen, rood fruit en een licht kruidige ondertoon. Daardoor krijgt de wijn meer persoonlijkheid.
Hij verschijnt op de markt vanaf 1 maart van het jaar na de oogst. Het is een wijn met een karakteristieke en aangename geur. Verwacht een diversiteit aan rood fruit, een lichte kruidigheid en een subtiel floraal accent. In de mond blijft hij droog, fris en voldoende smaakvol, met net wat meer beet dan een eenvoudige zomerrosé.
Enkele dagen geleden is de 109de Giro d’Italia van start gegaan in Bulgarije. We volgen deze koers steeds met de nodige aandacht en breien er dit jaar een blogreeks aan vast. We doen dat vanaf het moment waarop de Giro Bulgarije achter zich laat en Italië binnenkomt. Per rit proberen we een minder bekende appellatie uit de omgeving in de kijker te zetten.
Wij pikken in bij rit 4, op dinsdag 12 mei. De etappe brengt ons van Catanzaro naar Cosenza. We zitten dus in Calabria, helemaal in de teen van de laars. De rit gaat vanuit Catanzaro richting Lamezia Terme en volgt daarna een flink stuk de Tyrreense kust. Daarmee komen we vanzelf uit bij een appellatie die perfect in deze reeks past: Lamezia DOC.
Lamezia DOC
Lamezia DOC werd officieel erkend in 1978. Het is een kleine appellatie van amper 10 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van ongeveer 700 hectoliter. Omgerekend gaat het om ongeveer 93.000 flessen.
De appellatie ligt in een bijzonder smal deel van Calabria. Aan de westkant ligt de Tyrreense Zee, terwijl de Ionische Zee aan de andere kant van de regio relatief dichtbij blijft. Zee, wind en heuvels zitten hier dus dicht op elkaar.
De DOC ligt in de provincie Catanzaro en omvat delen van negen gemeenten: Curinga, Falerna, Feroleto Antico, Gizzeria, Francavilla Angitola, Maida, Pianopoli, Lamezia Terme en San Pietro a Maida. De naam verwijst naar Lamezia Terme, de stad die pas in 1968 ontstond door de samenvoeging van Sambiase, Nicastro en Sant’Eufemia.
Het productiegebied strekt zich uit rond de Piana di Sant’Eufemia, aan de zuidelijke voet van het Massiccio del Reventino. Een deel van de wijngaarden ligt in de vlakkere kustzone en op de alluviale gronden langs de waterlopen. Andere wijngaarden liggen hoger, op de heuvels rond Lamezia Terme, Falerna, Gizzeria, Maida en Curinga. De hoogteligging loopt daardoor van bijna zeeniveau in de vlakte tot enkele honderden meters in de heuvels. Binnen de afbakening van de DOC worden zelfs punten boven 600 meter vermeld.
Bodem en klimaat
Geologisch gaat het vooral om sedimentaire bodems. In grote lijnen kan je twee omgevingen onderscheiden. Enerzijds zijn er de jonge afzettingen van de kustvlakte en de alluviale bodems langs de waterlopen. Anderzijds zijn er de hoger gelegen, terrasvormige afzettingen rond de vlakte. Die hoger gelegen percelen zijn vaak beter gedraineerd en kunnen voor kwaliteitswijnbouw interessanter zijn.
Het klimaat is mediterraan, met duidelijke invloed van zee en wind. De regen valt vooral in de winter, met december als natste periode. Juli is doorgaans de droogste maand. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 16 graden. In de zomer kan de warmte stevig zijn, maar de nabijheid van de Tyrreense Zee, de luchtstromen door de smalle doorgang tussen zee en reliëf en de hoger gelegen wijngaarden helpen om de druiven gezond te houden en voldoende frisheid te bewaren.
Rode wijnen
De rode wijnen vormen in de praktijk het zwaartepunt van Lamezia DOC. De gewone Lamezia rosso vertrekt vooral van Gaglioppo, Magliocco, Greco Nero en Marsigliana. Voor Lamezia rosso moeten Gaglioppo en Magliocco, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend uitmaken. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk goed zijn voor 25 tot 45 procent. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.
Daarnaast bestaan er ook twee rode wijnen met druifvermelding: Lamezia Gaglioppo en Lamezia Greco Nero. In beide gevallen moet minstens 85 procent van het vermelde druivenras worden gebruikt. Gaglioppo brengt vaak rood fruit, kruidigheid, structuur en duidelijke tannine. Greco Nero kan de wijn wat donkerder, voller en kruidiger maken. Marsigliana is minder bekend, maar geeft de blend een uitgesproken lokaal accent.
De rosso riserva moet minstens 18 maanden rijpen. Daarvan gebeuren minstens 12 maanden in houten vaten, gevolgd door 6 maanden flesrijping. De rijping wordt gerekend vanaf 1 december van het oogstjaar. Dit type wijn zoekt meer structuur, rijpheid en bewaarpotentieel op dan de gewone rosso.
Witte wijnen
De witte wijnen van Lamezia DOC zijn minder bekend. De basis ligt vooral bij Greco Bianco en Montonico Bianco, lokaal Mantonico genoemd. Voor Lamezia bianco moet Greco Bianco minstens 50 procent van de blend vormen. Voor Lamezia Greco loopt dat op tot minstens 85 procent Greco Bianco.
Greco Bianco kan wijnen geven met geel fruit, mediterrane kruiden, soms wat amandel en een zekere hartigheid. De naam zorgt soms voor verwarring, want dit is niet dezelfde Greco als de druif die we kennen van Greco di Tufo in Campania. In Lamezia gaat het om Greco Bianco, een druif die in Calabria een eigen plaats inneemt en hier de basis vormt voor verschillende witte wijnen. De wijnen zijn doorgaans droog en combineren rijpheid met frisheid en een smaakvolle afdronk. Lamezia Greco, met minstens 85 procent Greco Bianco, zet die druif nog duidelijker centraal.
Voor Lamezia Mantonico moet minstens 85 procent van dit druivenras worden gebruikt. Het kan wijnen opleveren met body, kruidigheid, een hartige toets en soms een licht bittertje in de afdronk.
Rosato, novello, passito en spumante
Rosato wordt binnen Lamezia DOC gemaakt op basis van dezelfde druivenstructuur als de rode wijnen. Gaglioppo en Magliocco vormen, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk 25 tot 45 procent uitmaken. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.
De DOC voorziet ook een novello. Dat is de jonge, fruitige rode variant binnen de appellatie. Hij wordt gemaakt volgens de regels voor vino novello en mikt vooral op frisheid, sappig fruit en snel drinkplezier.
Aan de andere kant van het spectrum staat passito, op basis van witte druiven. Daarvoor schrijft de DOC minstens 50 procent Greco Bianco en minstens 35 procent Mantonico voor. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druivenrassen. Dit is de zoete, geconcentreerde kant van Lamezia DOC.
Daarnaast zijn ook spumante en spumante rosato toegelaten. De witte spumante wordt gemaakt op basis van minstens 85 procent Greco Bianco, Mantonico of een combinatie van beide. Voor spumante rosato bestaat de basis uit minstens 85 procent Gaglioppo, Greco Bianco, Mantonico of een combinatie daarvan. Belangrijk detail: deze mousserende wijnen moeten via tweede gisting op fles worden gemaakt, dus volgens de metodo classico. Ze rijpen minstens negen maanden op de gisten en kunnen gaan van extra brut tot dry.
We zetten onze ontdekkingstocht door Marche verder en stellen opnieuw enkele haltes voor die je makkelijk kan opnemen tijdens een bezoek aan de regio. Vorige keer trokken we onder meer richting Frasassi, Serra San Quirico, de dorpen rond Verdicchio en Corinaldo. Deze keer beginnen we aan zee, maar blijven we weg van het strand. Daarna trekken we naar Urbino, Urbania, Acqualagna, Furlo en Cagli, om vervolgens af te zakken richting Montelupone, Montecassiano en Recanati. Helemaal afsluiten doen we in de Monti Sibillini.
Dat we Urbino opnemen als logische, zeg maar verplichte stop, vraagt wel wat nuance. Verborgen is Urbino natuurlijk niet. Wie een beetje van Italië houdt, kent de naam. Toch hoort de stad hier thuis. Veel reizigers laten Urbino verrassend genoeg nog altijd links liggen wanneer ze Marche bezoeken. Bovendien past de schoonheid van deze stad gewoon perfect in dit verhaal.
Ongetwijfeld zijn er nog heel wat plekken die we niet hebben aangehaald. Geef ze ons gerust mee. Dan hebben we meteen een goede reden om bij een volgend bezoek opnieuw van de hoofdweg af te wijken.
Rocca Roveresca: Senigallia zonder strandstoel
Senigallia kwam in onze kustaflevering al voorbij. Logisch ook, want de stad is vooral bekend om haar strand, de Rotonda a Mare en die aangename sfeer van een Adriatische badplaats die haar eigen ritme heeft gevonden. Toch loont het om hier even van het zand weg te stappen en richting Rocca Roveresca te wandelen.
Deze burcht staat daar stevig, bijna onverstoorbaar, en brengt je meteen in een ander Senigallia. Weg strandgevoel, welkom stadsgeschiedenis, macht en verdediging. Rocca Roveresca werd gebouwd tussen 1480 en 1492 in opdracht van Giovanni Della Rovere, heer van Senigallia. Dikke muren, stevige bastions, ronde hoektorens, een slotgracht en loopgangen moesten weerstand bieden aan de vuurwapens van die tijd.
Veel tijd zal je niet nodig hebben voor dit bezoek. Net daarom is het een ideale korte stop wanneer je vanuit Senigallia opnieuw richting de Adriatische snelweg rijdt.
Urbino: Renaissance, studenten en sjakossen
Neem je tijd voor een bezoek aan Urbino. Je zal die nodig hebben om deze stad, die sinds 1998 opgenomen is als UNESCO werelderfgoed, te bezoeken. Je zal er ook een beetje inspanning voor nodig hebben. Urbino ligt immers hoog, de straatjes stijgen stevig en op sommige momenten voel je dat ook in de kuiten. Gelukkig krijg je er veel voor terug. Smalle steegjes, kleine pleinen, verweerde stenen gevels, doorkijkjes naar de heuvels en een historische kern die nog altijd opvallend gaaf aanvoelt.
Het Palazzo Ducale blijft uiteraard het grote herkenningspunt. Je hoeft er zelfs niet noodzakelijk binnen te gaan om het indrukwekkend te vinden. Vanaf verschillende punten in de stad duikt het telkens opnieuw op. Van dichtbij zie je de loggia’s en de torens, maar eigenlijk wordt het paleis nog mooier wanneer je er wat afstand van neemt. Dan zie je pas goed hoe het gebouw boven de stad uitsteekt en hoe sterk het beeld van Urbino hierdoor wordt bepaald.
Een van de beste plekken om dat te zien is het hoger gelegen Fort Albornoz. De wandeling ernaartoe vraagt opnieuw de nodige inspanning, maar boven krijg je misschien wel het mooiste zicht op Urbino. Daar zitten vaak studenten, wat perfect past bij het universiteitskarakter van de stad.
Ga zeker even buiten de muren richting Strada Panoramica. Van daaruit zie je hoe compact Urbino in het landschap ligt. De stad lijkt bijna op de heuvel gezet, met het Palazzo Ducale als duidelijk middelpunt. Dat beeld maakt je meteen ook duidelijk waarom Urbino zo vaak als renaissancestad wordt omschreven.
Bezoek zeker ook Bottega d’Arte di Nevio Sorini. Hier wordt de Stella Ducale, een handgemaakte glazen sterrenlamp die eeuwenlang adellijke huizen in Urbino verlichtte, nog op traditionele wijze gemaakt.
Ook voor een korte culinaire pauze of pranzo zit je in Urbino goed. Denk bijvoorbeeld aan La Trattoria del Leone, een klein restaurant in het centrum waar lokale gerechten en passatelli duidelijk een rol spelen. Mag het iets verfijnder, dan is Portanova een naam om te onthouden. Zelf vind ik ook Atabulus mooi passen bij Urbino: een enoteca met keuken en boeken, waar je terecht kan voor een aperitivo, iets kleins om te eten of gewoon een glas in een bijzondere sfeer.
Voor ons vertrek naar Marche had ik mijn vrouw beloofd dat ze van mij een handtas cadeau kreeg van een heel bijzondere plek. Bij ons bezoek aan Urbino kon ik deze belofte dan ook eindelijk inlossen. Ik troonde haar mee tot iets buiten de stad, naar Schieti di Urbino. Hier vind je de factory store van het bekende handtassenmerk Piero Guidi. Ik had ook simpelweg in Urbino kunnen blijven en de handtas kunnen kopen in de plaatselijke winkel in de Via Veneto, maar dit was net iets charmanter. Ons bezoek aan Urbino kreeg daardoor een ander cachet. Eerst Renaissance, daarna sjakossen. En daarmee had ik weer vele goede punten gescoord en kon ik deze reis niets meer misdoen.
Urbania: mummies, majolica en visciola
Urbania ligt niet zo ver van Urbino en kan je dus perfect combineren. Urbania voelt trouwens helemaal anders aan. Minder groots, minder bekend en vooral minder druk. Urbania heette vroeger Casteldurante en die oude naam kom je nog geregeld tegen, zeker wanneer het over keramiek gaat. Vanaf de vijftiende eeuw groeide Casteldurante uit tot een belangrijk centrum voor majolica, beschilderd aardewerk dat zijn weg vond naar klanten ver buiten de regio.
Het stadje zelf is aangenaam om door te wandelen. Zeker wanneer er markt is, komt Urbania helemaal tot leven. Dan slingeren de kraampjes door de straten en vind je er brood, kazen, olijven, fruit, keramiek en allerlei lokale producten. Rond Piazza San Cristoforo vind je bars, bakkerijen, restaurants en het Teatro Bramante. Dat theater is vernoemd naar Bramante, de grote renaissancearchitect die in de omgeving werd geboren. Geniet van een koffie bij Caffè del Teatro en je bent alweer paraat om het volgende straatje te verkennen.
Een van de meest eigenzinnige plekken van Urbania is de Chiesa dei Morti, bekend om haar mummies. Ik ben geen kerkganger en neem dit soort bezoeken ook bewust niet op in de blogs, maar hier maak ik wel een uitzondering. Je bezoekt deze chiesa omdat het iets vertelt over de manier waarop een kleine gemeenschap met dood, zorg en herinnering omging. Het Broederschap van de Dood bekommerde zich ooit om de uitvaarten van armen en hulpbehoevenden. De geconserveerde lichamen die later werden opgegraven, kregen hier een opvallende plaats. Je moet er zin in hebben, maar vergeten doe je dit bezoek niet snel.
Je kan in Urbania niet om de keramiek heen. Je merkt het bijna overal in de stad en het hoort dan ook tot de stadsidentiteit. Je vindt er nog enkele ateliers waar het oude ambacht wordt voortgezet, al zijn het er veel minder dan vroeger. In juli wordt die keramiektraditie extra in de kijker gezet tijdens het jaarlijkse keramiekfestival.
Voor een aperitivo kunnen we zeker Enoteca Vin Italy aan Piazza del Duomo aanraden. En als je ergens visciola tegenkomt, een lokale drank op basis van wijn en zure kersen, proef die dan zeker. Net zoals wij deden. We waren er eerlijk gezegd niet wild van, maar we kunnen het nu wel beter plaatsen wanneer erover gesproken wordt. Want in Marche zal je visciola vaak op de lokale drankenkaarten zien staan.
Acqualagna: truffel staat hier centraal
Ben je een truffelliefhebber, dan is een bezoek aan Acqualagna niet te missen. Want wie truffel zegt in Marche, zegt Acqualagna. Het is dan ook de truffelhoofdstad van de regio en dat merk je snel genoeg. In de winkels, op de menukaarten, in de straten. Alles geurt en kleurt er naar deze lekkernij.
In het najaar worden er speciale truffelzoektochten georganiseerd en wie de kans krijgt om met een truffeljager mee op pad te gaan, moet dat zeker doen. Vaak gebeurt dat met een Lagotto Romagnolo, een hondenras dat perfect geschikt is om truffels op te sporen. Zo’n tocht maakt meteen duidelijk hoeveel vakkennis erbij komt kijken. De hond zoekt, de truffeljager kijkt, luistert en grijpt pas in wanneer het nodig is. De truffel moet immers voorzichtig uit de grond gehaald worden. In de omgeving van Acqualagna liggen uiteraard ook de tartufaie, stukken grond waar truffels groeien en die zorgvuldig worden beheerd.
Bij een bezoek aan dit dorpje kan je niet anders dan je ook tegoed doen aan een gerecht op basis van truffel. Een crostino met truffel, een crescia sfogliata met ei en truffel, een eenvoudige pasta met vers geschaafde truffel: je kan het er allemaal vinden in lokale restaurantjes die zich duidelijk op truffel richten. Ristorante Lampino is daar een voorbeeld van, net als Il Tartufo centraal in het dorp.
Centraal in het dorp vind je de winkel van Acqualagna Tartufi. Dit is uiteraard een interessante stop wanneer je producten op basis van truffel wil ontdekken of meenemen.
Furlo: tussen kalksteen, water en Romeinse wegen
Heb je na al dat lekkers in Acqualagna behoefte om de opgenomen calorieën te verbranden, dan kan je iets verder doorrijden naar Furlo. Je zit er midden in de natuur, met heel wat wandelmogelijkheden tussen kalksteen, water, rotswanden en een weg die zich door de Gola del Furlo wringt.
De kloof van Furlo maakt deel uit van het Riserva Naturale Statale della Gola del Furlo. De rivier Candigliano heeft zich hier een weg gebaand door de kalkstenen rotsen, tussen Monte Pietralata en Monte Paganuccio. Dat levert een indrukwekkend zicht op. Het wordt niet voor niets een van de mooiste natuurgebieden van dit deel van Marche genoemd.
In de Gola del Furlo zelf loopt de oude Via Flaminia, de Romeinse weg die Rome met Rimini verbond. Ter hoogte van Furlo kom je voorbij de Romeinse tunnel die in opdracht van keizer Vespasianus in 76 na Christus door de rots werd uitgehakt. Bijna tweeduizend jaar later passeert er nog altijd verkeer door dat kleine gat in de rots. Furlo komt trouwens van het Latijnse forulum, wat klein gat betekent.
Je kan de kloof eenvoudig beleven vanop de weg langs het water, maar wie wat meer tijd heeft, kan ook wandelen. Langs de Candigliano zijn er rustige stukken waar je de rotsen, het water en de dammen van dichtbij ziet.
Ook van bovenaf kan je de kloof bekijken, al vraagt dat wel een stevige inspanning richting de Terrazza del Furlo. Zeker als je de weg omhoog neemt richting de rifugio en daarna het laatste stuk te voet doet. Boven kijk je neer op de kloof en zie je pas goed hoe de rivier zich tussen de bergen heeft ingesneden.
Wie vanuit Fossombrone komt of daarna nog wat extra natuur wil meepikken, kan ook langs de Marmitte dei Giganti bij San Lazzaro. Daar heeft het water in de loop van miljoenen jaren diepe kommen en grillige vormen uitgesleten in de kalksteen van de Metauro. Vanaf de Ponte dei Saltelli heb je er al een mooi zicht op. Wie dichter bij het water wil komen, moet wat klauteren. Dat kan prachtig zijn bij droog weer, maar bij regen zou ik mijn enthousiasme toch even in de wagen laten liggen. Natte stenen en zelfvertrouwen zijn niet altijd de beste combinatie.
Cagli: een stadje dat meer in huis heeft dan je verwacht
Eerlijk gezegd hadden we onze twijfels of we Cagli zouden opzoeken. Ik had Gradara bijvoorbeeld hoger op het verlanglijstje staan, maar die plaats zou ons te ver hebben afgeleid van onze daguitstap en dus werd het alsnog Cagli. Hoewel we niet echt hoge verwachtingen hadden, werd het toch een mooie meevaller. Alleen al het onderweg zijn en de route langs de oude Via Flaminia maken het de moeite. Je wordt omringd door bergen als Monte Petrano, Monte Nerone, Monte Catria en Monte Paganuccio. Je voelt hier als het ware de berglucht.
Eens aangekomen in Cagli kan je de wagen rustig parkeren en aangenaam rondwandelen in het centrum. Zoals op zoveel plaatsen is het hoofdplein nog altijd de plek waar het dagelijkse leven passeert en waar je de stramme benen van de autorit even kan laten bekomen met een espresso doppio.
Een van de opvallendste monumenten van Cagli is de Torrione, een versterkte toren die ooit deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de stad. De toren was verbonden met de hoger gelegen rocca via een overdekte geheime doorgang met honderden treden. Alleen al dat idee maakt het verhaal van Cagli meteen wat spannender. Je ziet de stad niet alleen als rustig historisch centrum, maar ook als plek die ooit verdedigd moest worden.
Ook de Romeinse brug, de Ponte Mallio, is de moeite om op te zoeken. Ze ligt langs het oude traject van de Via Flaminia en is ondanks de eeuwen en aardbevingen nog altijd grotendeels bewaard gebleven. Je kan er in één adem een bezoek aan het Teatro Comunale aan koppelen. Dat is een mooi theater, gebouwd in de negentiende eeuw. Vooral de binnenkant is de moeite. Rode zaal, loges, hoefijzervorm, dat soort werk.
Wie liever de natuur intrekt, zit rond Cagli goed. Monte Petrano is populair voor wandelingen, picknicks en buitensporten. Monte Catria en Monte Nerone bieden nog meer mogelijkheden voor wie graag wat hoger gaat. Wandelen, fietsen of mountainbiken, keuze genoeg.
De eigenlijke reden waarom ik Cagli op onze lijst met te bezoeken plekken had geplaatst, kwam echter uit een totaal andere interesse. Hoewel we er niet waren op het moment van dat evenement en er dus ook geen deel van konden uitmaken, hoopte ik alsnog een lekker stukje vlees te vinden. De verwachtingen waren hoog, want die bouwen ze natuurlijk zelf op als ze er een heus evenement aan besteden. In juni is er immers de Grigliata in Piazza, waarbij gegrild vlees centraal staat. Een pranzo met een tagliata mocht dus niet ontbreken. Daarvoor kwamen we uit bij Il Poggio, net buiten het centrum, waar carne alla griglia en tagliata duidelijk mee op de kaart staan.
Montelupone: smullen van artisjokken
Ook in de omgeving van Macerata kan je kleine, leuke plaatsjes ontdekken. Montelupone is er zo eentje. Het is opgenomen in de lijst van I Borghi più Belli d’Italia. Het is een compacte borgo die haar verleden opvallend goed heeft bewaard. De robuuste ommuring en de vier oude toegangspoorten geven het stadje nog altijd de nodige allure. Vroeger gingen die poorten bij zonsondergang dicht en pas na zonsopkomst opnieuw open. Dit zal ongetwijfeld goed gewerkt hebben tegen ongewenste bezoekers.
Het centrale piazza vormt ook hier het hart van het stadje. Daar staat het Palazzetto del Podestà met de Torre Civica, waarop je het oudste wapenschild van Montelupone terugvindt. Daarnaast heeft het stadje enkele andere leuke verrassingen in huis, zoals het Palazzo Comunale. Hier vind je het Teatro Storico Nicola degli Angeli, een klein historisch theater dat de nodige indruk maakt. In de ondergrondse ruimtes van het Palazzo Comunale is het Museo d’Arti e Mestieri Antichi ondergebracht, waar oude werktuigen en voorwerpen tonen hoe men hier vroeger leefde en werkte.
Dat is allemaal leuk en benadrukt vooral het historisch belang van Montelupone, maar ik genoot meer door gewoon door de straatjes te wandelen. Je passeert mooie palazzi, stille hoekjes en verborgen pleintjes. Het stadje voelt verzorgd aan, zonder dat het zijn landelijke karakter verliest. Ik keek vooral of die band met het platteland ook zichtbaar werd op de lokale menukaarten. De scarciofeno is immers de trots van de stad. Het is de plaatselijke artisjok, de carciofo di Montelupone, kleiner dan veel gewone artisjokken, violetgroen van kleur, zonder stekels en zonder harige binnenkant. Hij is mals, zacht van smaak en wordt hier terecht als lokale specialiteit gekoesterd. Zie je hem ergens op de kaart staan, dan zou ik niet te lang twijfelen om hiermee kennis te maken.
Montecassiano: de charme van de ronde beweging
Vergelijkbaar met Montelupone, en eveneens in de omgeving van Macerata, ligt Montecassiano. Je zou het zomaar voorbijrijden en er geen aandacht aan besteden. Dat zou jammer zijn, want Montecassiano heeft precies dat aangename ritme waardoor het er leuk toeven is. Het historische centrum lijkt zich als een kleine kring rond zijn centrale plein te plooien. Je wandelt omhoog, draait een straatje in, daalt weer wat af en komt uiteindelijk toch opnieuw uit bij het hart van het stadje. Alle wegen mogen dan naar Rome leiden, in deze borgo van I Borghi più Belli d’Italia brengen ze je vooral terug naar die centrale plek.
Dat centrale plein wordt bepaald door het Palazzo dei Priori en de trap die omhoog voert richting Santa Maria Assunta. Struin verder door de mooie klimmende en dalende straatjes. Zoek af en toe een terrasje om wat uit te blazen en rond je bezoek af met een wandeling naar het Parco del Cerreto, net buiten de stadsmuren. Daar krijg je een mooi zicht over de omgeving. Doe vooraf wat inkopen, zoals een flesje wijn, wat salumi en een crescia sfogliata. Zoek een plekje waar je rustig kan zitten en geniet van de wijdse schoonheid.
En ook hier is er een lokale gastronomische specialiteit. Bij een bezoek moet je eigenlijk sughitti proberen, een lokale dolce die wat doet denken aan zoete polenta. Ze wordt gemaakt met maïsmeel, druivenmost, suiker en walnoten. In oktober staat sughitti centraal tijdens een dorpsfeest. Dan wordt deze zoete specialiteit volop gemaakt en geproefd. Wie er dan passeert, heeft geluk.
Recanati: de stad van de oneindigheid
We ronden onze aanraders in de omgeving van Macerata af met een bezoek aan Recanati. Het is alweer zo’n typisch stadje dat je al van ver bovenaan de heuvel ziet liggen. In Italië hebben ze het dan over een città balcone, waar je onderweg telkens beloond wordt met mooie uitzichten over het omliggende landschap. Bij helder weer kijk je van de Monti Sibillini tot richting Adriatische Zee.
Wanneer je door Recanati wandelt, kom je onvermijdelijk op Piazza Giacomo Leopardi terecht. Het standbeeld van de man naar wie het plein is genoemd staat er centraal, vlak bij de Torre del Borgo. Giacomo Leopardi is een van de grote Italiaanse dichters, schrijvers en filosofen. Hij werd hier in 1798 geboren en zijn aanwezigheid hangt nog altijd over de stad.
De heuvels rond Recanati worden ook wel de Colli dell’Infinito genoemd. Die naam verwijst uiteraard naar L’infinito, het bekendste gedicht van Leopardi. Hij liet zich inspireren door Monte Tabor en door het landschap dat zich rond Recanati uitstrekt. De eerste regel van het gedicht prijkt trots op een van de muren van Recanati. Wie wil, mag zich gerust zelf even aan een vertaling wagen.
Sempre caro mi fu quest’ermo colle, e questa siepe, che da tanta parte dell’ultimo orizzonte il guardo esclude. Ma sedendo e mirando, interminati spazi di là da quella, e sovrumani silenzi, e profondissima quiete io nel pensier mi fingo; ove per poco il cor non si spaura. E come il vento odo stormir tra queste piante, io quello infinito silenzio a questa voce vo comparando: e mi sovvien l’eterno, e le morte stagioni, e la presente e viva, e il suon di lei. Così tra questa immensità s’annega il pensier mio: e il naufragar m’è dolce in questo mare.
Een wandeling richting Colle dell’Infinito is dan ook sterk aangeraden. Daar kijk je uit over de heuvels die Leopardi mee inspireerden. Je hoeft daarom geen kenner van Italiaanse poëzie te zijn. Gewoon even blijven staan en kijken volstaat. De schoonheid van Marche zal je alweer verbazen.
En wie na al dat mijmeren opnieuw met beide voeten op de grond wil staan, zoekt een terras of een eenvoudige aperitivo. Dat mag ook. Zelfs in de stad van de oneindigheid moet een mens af en toe iets drinken.
Lago di Fiastra en Lame Rosse: eindigen tussen water en rode rotsen
Als we het over oneindigheid en Marche hebben, kunnen we niet anders dan ook de Monti Sibillini te melden. We sluiten deze tweede reeks hidden gems dan ook af in deze onwaarschijnlijk mooie omgeving. Het Nationaal Park Monti Sibillini is ongeveer 70.000 hectare groot en ligt deels in Marche en deels in Umbria. Aan de kant van Marche kiezen we voor Lago di Fiastra en Lame Rosse in het noordelijke deel van het nationaal park. Hier zijn het water, bos, rotsen en wandelschoenen de hoofdingrediënten. Een goede conditie is er een grote troefkaart.
Lago di Fiastra is een helder bergmeer dat ontstond door de bouw van een dam op de rivier Fiastrone. Het water kan er bijna onwerkelijk blauw kleuren, afhankelijk van het licht. Turkoois, donkerblauw, groenblauw, soms zelfs een beetje smaragd. Dat klinkt bizar, maar wie er ooit was, weet dat het meer effectief voortdurend van kleur lijkt te veranderen.
Je kan hier gewoon langs het water wandelen, zeker vanaf San Lorenzo al Lago richting de dam. Het pad is niet te moeilijk en geeft je onderweg mooie zichten over het meer. Wandelen minder je ding? Dan kan je er ook zwemmen, suppen, kanoën of gewoon ergens aan de oever gaan zitten en doen alsof je een zeer actieve vakantiedag hebt gepland.
Voor wie iets meer inspanning wil, is de wandeling naar Lame Rosse de echte reden om hierheen te rijden. De tocht vertrekt aan de dam van Lago di Fiastra. Je wandelt over de dam, gaat door een tunnel en klimt daarna verder door bos en langs de kloof. De route heen en terug is ongeveer zeven kilometer lang, met een hoogteverschil van ongeveer tweehonderdvijftig meter. Dat is haalbaar voor de meeste wandelaars, maar goede schoenen en voldoende water zijn geen overbodige luxe. Zeker in de zomer vertrek je beter vroeg.
Na het bos kom je in een drogere bedding terecht en dan verschijnen plots de rode rotsformaties. Lame Rosse wordt weleens de canyon van Marche genoemd. De rotsen bestaan uit grind, klei en slib en zijn door erosie uitgesleten tot spitsen, torens en grillige wanden. Rood, oker, droog en scherp afgetekend tegen de lucht.
Maak er gerust een volle dag van. Eerst vroeg wandelen naar Lame Rosse, daarna iets eten in de buurt van San Lorenzo al Lago of langs het meer. Osteria del Lago is een klassieke optie voor wie stevig wil lunchen. Wie het eenvoudiger wil houden, kan kijken of Il Solengo open is, een foodtruck aan het meer waar je broodjes en craft beer vindt. Daarna nog even het water in of gewoon met zicht op Lago di Fiastra blijven zitten.
Daar kan je nog wat turen in de verte, misschien ook een beetje denkend aan Gradara, de stop die we uiteindelijk niet opnamen omdat ze ons te ver van deze route zou brengen. Het verhaal van Paolo en Francesca, een verboden liefde die je gerust een voorloper van Romeo en Julia zou kunnen noemen, wordt traditioneel met Gradara verbonden en kreeg een onsterfelijke plaats in Dantes Inferno, Canto V.
Galeotto fu ’l libro e chi lo scrisse: quel giorno più non vi leggemmo avante.
We hebben lang geworsteld om dit artikel af te ronden. Altitude, ofwel de hoogteligging van wijngaarden, is in de hedendaagse wijnbouw steeds belangrijker geworden. Het is, laat dat duidelijk zijn, geen kwaliteitsstempel. Het is een klimaatknop waarmee wijnbouwers rijping kunnen vertragen en balans kunnen bewaren.
Meer en meer zie je de woorden “high altitude” opduiken op een etiket, met een verkooppraatje erbij, bijvoorbeeld “heroic winemaking”. Vaak is dat om een hoog prijskaartje goed te praten. Soms is het gewoon een correcte technische samenvatting van wat er in de wijngaard gebeurt.
In dit artikel willen we vooral tonen wat hoogteligging concreet doet met temperatuur, licht, rijping en uiteindelijk met de stijl van de wijn in je glas.
Wat is “hoog” eigenlijk?
Er bestaat geen wereldwijde definitie die overal logisch werkt. Een grens van 500 meter boven zeeniveau duikt vaak op, maar die zegt alleen iets binnen een regio. In Europa klinkt 500 meter al stevig, terwijl dat in Mendoza eerder normaal is. In die Argentijnse regio liggen veel wijngaarden tussen ongeveer 600 en 1.100 meter. “Hoog” blijft dus relatief, en je moet het altijd lezen in functie van breedtegraad, expositie en de invloed van zee of vallei.
Hoogteligging werkt pas echt wanneer je het samen leest met hellingsgraad, afstand tot water, vochtigheid, wind en de manier waarop het landschap wolken en neerslag stuurt. Een hoger perceel kan door een warme expositie toch warmer uitvallen dan een lager perceel. Daarom is het correcter om te spreken over hoogteligging binnen een specifiek microklimaat.
Voor de wijn betekent dit dat hoogteligging pas iets zegt wanneer je weet hoe het perceel ligt, hoe het afkoelt en hoeveel zon en wind het werkelijk krijgt.
Waarom het onderwerp nu overal opduikt
De praktische reden is klimaat. In veel gebieden schuiven nieuwe aanplantingen op naar hogere zones om opwarming te temperen en frisheid te behouden. Opwarming kan het groeiseizoen versnellen. Studies tonen oogstmomenten die opschuiven naar vroeger, met voorbeelden van 4 tot 11 dagen oogstvervroeging in warmere groeiseizoenen. Hoogte kan die versnelling afremmen.
Dat geeft vaak minder alcoholische druk en meer frisheid in de zuurstructuur, op voorwaarde dat de druiven volledig kunnen rijpen.
Temperatuur & dag en nacht contrast: de basislaag
Het meest directe effect van hoogteligging is koelte, en vooral het verschil tussen dag en nacht. Hoger betekent gemiddeld lagere temperaturen, en zodra de zon zakt koelt de lucht sneller af. Overdag kan er nog altijd genoeg warmte en zon zijn om rijping vooruit te duwen. ’s Nachts krijg je net de rem, waardoor druiven trager evolueren en hun zuren beter vasthouden. Biochemisch is dat simpel: in koelere omstandigheden wordt appelzuur trager afgebroken, waardoor de zuurstructuur makkelijker overeind blijft.
Een vuistregel maakt het concreet. In veel klassieke wijnstreken wordt het gemiddeld ongeveer 0,6°C koeler per 80 à 85 meter stijging. Over 300 meter is dat dus al ruim 2°C verschil. Op zich lijken die verschillen miniem, maar in een groeiseizoen is het vaak precies het verschil tussen snel rijp worden en rustig tot een optimale rijpheid komen.
Bergen sturen ook het weer: regen, mist en regenschaduw
Als we het over hoogteligging hebben, denken we meteen aan wijngaarden in berggebied. Dat is niet altijd zo, denk aan Ribera del Duero dat vooral op een hoogteplateau ligt. Maar als er bergketens in de buurt zijn, kunnen die wél zeer bepalend zijn. Bergen zorgen immers voor meer dan koeling. Ze werken als een soort verkeersleider voor luchtmassa’s. Lucht die tegen een bergwand botst, wordt omhoog geduwd. Tijdens die stijging koelt ze af, waterdamp condenseert en je krijgt neerslag aan de windzijde. Dat verklaart waarom sommige hellingen opvallend natter en groener zijn dan de vallei ernaast, en waarom wijnbouw soms aan de ene flank vanzelfsprekender is dan aan de andere.
Aan de andere kant van de berg krijg je vaak net het omgekeerde. De lucht is haar vocht al kwijt en daalt opnieuw, warmer en droger. Dat is de regenschaduw. In zo’n zone kan wijnbouw perfect mogelijk zijn, maar water wordt plots een sleutelthema. Irrigatie kan nodig worden, of je moet zoeken naar bodems die water beter vasthouden, of je past je onderstam en canopy management daarop aan. Het is ook waarom twee wijngaarden op vergelijkbare hoogte, maar aan een andere kant van dezelfde keten, een totaal ander groeiseizoen kunnen hebben.
Bergketens kunnen ook koelte aanvoeren. Door valleien en doorgangen kan mist en koele lucht het binnenland in worden gezogen, soms elke ochtend opnieuw. Dat drukt de temperatuur in de eerste helft van de dag en verlaagt de effectieve zoninstraling. Het resultaat is koeling die niet alleen van hoogte komt, maar ook van luchtcirculatie.
Je merkt al onmiddellijk dat hoogteligging niet allesbepalend is. Het wordt pas interessant als je ook snapt wat de bergen met wind, regen en mist doen.
Licht en UV: meer straling, andere schil, andere concentratie
Tijdens het opzoeken rond dit onderwerp botste ik ook op lichtintensiteit en UV straling. Dat komt simpel gezegd hierop neer. Hoe hoger je gaat, hoe minder het zonlicht onderweg wordt gefilterd. Minder filter, dus het licht komt feller binnen. Niet per se warmer, wel intenser, met ook wat meer UV. Er wordt vaak gewerkt met een vuistregel van grofweg 1 tot 1,3 procent meer UV per 100 meter stijging.
De druivenstok reageert daarop zoals elke plant. Hij probeert zich te beschermen, en bij druiven gebeurt dat vooral via de schil, het enige deel van de bes dat zon en straling rechtstreeks opvangt. Bij fellere zon gaat de plant daar extra beschermende stoffen opbouwen, onder andere meer anthocyanen. Daardoor wordt de schil vaak steviger en dikker. Tegelijk kunnen bessen kleiner blijven, waardoor je automatisch meer schil krijgt in verhouding tot sap.
Bij rode rassen betekent dat potentieel meer kleur en meer tannine. Bij witte rassen kan het effect subtieler zijn, maar je ziet vaak wel een intensere aromatische expressie, tenminste als het seizoen lang genoeg is om mooi te rijpen en niet te koel wordt op het einde.
Er zit ook een keerzijde aan vast. Fellere zon en meer straling kunnen de plant wat voorzichtiger maken. Minder bladontwikkeling en kleinere bessen betekenen dan ook potentieel minder kilo’s.
Meer schil en meer kleurstoffen betekenen niet alleen meer concentratie. In rode wijn geeft het ook meer structuur, want tannine zit vooral in de schil. Maar daar zit meteen ook de valkuil. Als het seizoen te kort is of de herfst te bruusk binnenvalt, kan die tannine onrijp blijven, met een strengere indruk als gevolg.
Hoogte vertraagt de kalender
Naarmate een wijngaard hoger ligt, schuift het groeiseizoen meestal op. De knoppen lopen later uit, de bessen kleuren later, en ook de oogst valt later. Vaak krijgt de wijngaard daardoor meer tijd om tot een volledige rijpheid te komen. Die extra tijd geeft de bessen meer kans om aroma’s en schilcomponenten op te bouwen, zonder dat het suikergehalte al te snel stijgt.
Dat komt niet alleen door lagere temperaturen. Op hoogte reageert de wijnstok ook anders op zijn omgeving. Door fellere zon, meer wind en vaak drogere lucht gaat hij zuiniger om met water en energie. Dat beïnvloedt mee hoe gelijkmatig de rijping verloopt en hoe suiker, aroma en schilrijpheid zich opbouwen.
Een Italiaanse studie maakte die vertraging heel concreet. De oogst lag gemiddeld 6,27 tot 7,16 dagen later per 100 meter stijging, en het uitlopen van de knoppen 0,85 tot 2,88 dagen later per 100 meter.
Die verlenging is tegelijk het risico. Jonge scheuten staan langer bloot aan vorst en hagel, zeker in het voorjaar wanneer de plant het meest kwetsbaar is. Bovendien gaat hoogte vaak samen met grotere temperatuurschommelingen tussen dag en nacht. Daardoor krijgen extremen meer kans, van abnormaal warme winterdagen tot vrieskou in late winter of vroege lente.
Wind: vriend én vijand op hoogte
Bij wijnbouw op hoogte kwamen al heel wat factoren aan bod, en dan hebben we het nog niet over de invloed van de wind gehad. Het is eigenlijk vrij logisch: hoogte gaat vaak samen met een opener landschap en dus met meer wind. En wind werkt dubbel. Het meest gunstige effect is dat trossen na regen of dauw sneller opdrogen, waardoor schimmeldruk vaak lager ligt en ziektes beperkter blijven.
Maar tegelijk kan diezelfde wind de verdamping opdrijven. Bessen blijven kleiner, de schilfractie stijgt, en dat kan concentratie versterken. Alleen, als wind en droogte te hard beginnen te wegen, slaat dat om in stress. Te veel wind en te weinig water remmen de rijping af, en dan wordt altitude plots geen voordeel maar een extra uitdaging om alles mooi en gelijkmatig te laten rijpen.
Hoogte beïnvloedt dus niet alleen temperatuur en licht. Ze bepaalt ook hoe droog en hoe winderig de wijngaard rond de tros aanvoelt, en dat weegt mee op het verloop van het seizoen.
De prijs, meestal mee omhoog
Als ik spreek met wijnproducenten met hooggelegen wijngaarden, moet ik soms glimlachen. Onlangs bezochten we nog verschillende producenten in Valtellina, en het was opvallend hoe vaak dezelfde uitleg terugkwam: hoog gelegen wijngaarden, steile hellingen, alles manueel, dus hogere kosten. Op zich is daar niets mis mee, het klopt ook. Alleen merk je dat het verhaal soms wel erg nadrukkelijk wordt ingezet om een hoger prijskaartje meteen te kaderen.
En inderdaad, hoogteligging gaat vaak samen met steile hellingen, en die zijn moeilijk te mechaniseren. Meer handwerk betekent automatisch hogere kosten. Daarbovenop komen risico’s zoals vorst, hagel, zware regen, harde wind en soms erosie. Binnen één helling kan rijping verschillen tussen voet en top, wat selectie en timing lastiger maakt. Opbrengst ligt vaak lager, deels door stress, deels door strengere selectie. Soms is water beschikbaar via smeltwater in droge maanden, maar ook dat is geen gratis voordeel. In sommige kwaliteitsgebieden is irrigatie beperkt of verboden.
Vandaar ook dat de melding van “high altitude” zo graag mee op het etiket wordt geplaatst. Die twee korte woordjes zijn vaak een handige samenvatting van hogere kosten en meer risico, en dus ook van een prijskaartje dat meestal mee omhoog klimt.
We hebben nu een duidelijk beeld geschetst van het belang van hoogteligging. Wat we nog niet gezegd hebben, en wat toch belangrijk is om mee te geven: hoogte heeft grenzen. Je kan niet eindeloos omhoog blijven schuiven en verwachten dat wijnbouw zomaar blijft werken. Op een bepaald punt wordt het groeiseizoen te kort, is de kans op vorstschade te groot, en krijg je onvoldoende warmte om tot volledige rijpheid te komen. Ook de bloei en vruchtzetting worden kwetsbaarder, net als de oogstperiode. Daarom blijven extreme hoogtes uitzonderingen.
Waar die grens ligt, verschilt sterk per regio. In veel Europese contexten wordt het ergens tussen 700 en 900 meter een stuk moeilijker om elk jaar betrouwbaar tot volledige rijpheid te komen, terwijl uitzonderingen zoals Valle d’Aosta of Etna tonen dat je met de juiste ligging en omstandigheden ook boven 1.000 meter nog kan werken. Mondiaal zijn er uiteraard nog andere regio’s die dat verhaal bevestigen.
Dus ja, “high altitude” kan een mooi excuus zijn voor een prijskaartje. Maar de klimaatomstandigheden duwen de wijnbouw ook gewoon die richting uit, en we gaan die verschuiving naar hoger gelegen percelen steeds vaker zien. Ga er zelf maar eens aanstaan. In die contexten mag “heroïsche wijnbouw” van mij gerust gebruikt worden. Maar goed, daar zetten we later nog wel eens een ander boompje over op.
Via de vorige artikels zal je al wel gemerkt hebben dat mijn goesting om Marche te verkennen enorm was. Thuis had ik mijn huiswerk dan ook zeer grondig gedaan en een, toegegeven, veel te lang lijstje opgemaakt van wat er allemaal bezocht moest worden.
Marche kent immers heel wat verborgen plekjes die je onverwacht raken door hun schoonheid, hun ligging of gewoon door de sfeer die er hangt. Hidden gems dus. En omdat het er zoveel zijn, splits ik ze op in twee artikels. In dit eerste deel blijven we vooral in en rond de Vallesina, het land van Verdicchio, grotten, middeleeuwse dorpen, muren en prachtige uitzichten.
Met onderweg uiteraard ruimte voor een goed glas wijn.
Genga: kalksteen, grotten en stilte
Wandelen stond uiteraard op onze lijst, al hielden we daarvoor de weersvoorspellingen nauwgezet in het oog. De temperatuur mocht niet te hoog oplopen, want een zomerse klim in Marche kan behoorlijk stevig aanvoelen. Voor onze eerste wandeltocht trokken we naar Genga, en wie Genga zegt, komt bijna vanzelf bij de Gola di Frasassi terecht.
Het dorp ligt in een landschap van kalksteen, rotswanden en nauwe doorgangen, met de rivier de Sentino die zich door de Gola di Frasassi heeft gewerkt. Die kloof werd vroeger de Gola del Sentino genoemd en is ongeveer drie kilometer lang. Aan de ene kant rijst Monte Frasassi op, aan de andere kant Monte Valmontagnana.
De grotten van Frasassi zijn natuurlijk de grote trekpleister. Terecht ook. Vooral de Abisso Ancona, de enorme eerste zaal, zet je meteen op scherp. Plots sta je in een ondergrondse ruimte waar je gevoel voor hoogte, afstand en verhouding even overhoop wordt gehaald. Stalactieten, stalagmieten en grillige kalkformaties maken het beeld compleet, maar het is vooral die combinatie van stilte, omvang en ligging in de Gola di Frasassi die indruk maakt.
Tijdens onze wandeling namen we ook het pad omhoog naar de Tempio del Valadier. Dat is geen lange afstand, maar onderschat ze niet en neem toch maar een flesje water mee. Zeker in de warmte voel je die klim wel in de benen. Je volgt het pad tussen de rotsen, met onderweg steeds mooiere zichten op de kloof en de omgeving.
Boven wordt de inspanning beloond. In de grot liggen twee heiligdommen op korte afstand van elkaar. Santa Maria infra Saxa is de oudste van de twee en ligt letterlijk onder de rotsen. De plek gaat terug op een vroegere religieuze aanwezigheid in de bergwand. Enkele meters verder staat het eigenlijke eindpunt van de wandeling: de Tempio del Valadier, gebouwd in opdracht van Annibale della Genga, de latere paus Leo XII, die zelf uit Genga afkomstig was.
De tempel ligt indrukwekkend tegen de rotswand, bijna verscholen in de grot. Je hoeft er geen uitgebreid kunsthistorisch verhaal bij te vertellen om te voelen dat dit een bijzondere plek is.
Serra San Quirico: onder de copertelle
Serra San Quirico kan je perfect combineren met een bezoek aan Genga. Het dorp ligt op een kleine 15 kilometer daarvandaan. Als je het nadert, lijkt het stevig tegen de heuvelrug genesteld. Eenmaal aangekomen merk je onmiddellijk het gesloten, middeleeuwse karakter. De naam serra verwijst trouwens naar een omsloten of moeilijk bereikbaar gebied. Het dorp is compact, overzichtelijk en bijzonder aangenaam om gewoon in rond te dwalen.
Het mooiste aan Serra San Quirico zijn zonder twijfel de copertelle. Dat zijn overdekte doorgangen in de oude stadsmuren, die vroeger gebruikt werden als verdediging en als schuilplaats. Vandaag vormen ze vooral een heerlijke wandelplek. Je loopt beschut door de muren, met telkens weer een ander uitzicht door de openingen. Het ene moment kijk je naar daken en stenen gevels, even later naar de heuvels en de vallei rondom het dorp. Het leuke is dat sommige doorgangen op verschillende niveaus liggen. Daardoor krijg je niet zomaar één rondgang, maar een klein netwerk van gangen, trappen en doorkijkjes.
Vanaf Piazza della Libertà krijg je bovendien een mooi zicht op de Valle dell’Esino, de vallei die onlosmakelijk verbonden is met Verdicchio. Je hoeft geen uren uit te trekken voor Serra San Quirico. Het is vooral een plek die mooi in een dagtrip past: even rondwandelen, de copertelle meepikken, naar de vallei kijken en daarna weer verder.
Cupramontana en Poggio Cupro: midden in Verdicchioland
Het mooie zicht op de Valle dell’Esino ruilen we in voor een plek midden in het hart van Verdicchio dei Castelli di Jesi. Als wijnliefhebber zijn er hier een paar stops die je niet mag missen. Cupramontana is er daar alvast eentje van. Het wordt gezien als de hoofdstad van Verdicchio en dat merk je al vlug. Het dorp, de heuvels, de kronkelende wegen en de rijen wijnstokken lopen mooi in elkaar over.
Parkeren doe je makkelijk langs Viale Vittoria. Van daaruit krijg je meteen een mooi uitzicht richting de Apennijnen en, bij helder weer, zelfs richting zee. Dat is typisch voor dit stuk Marche. Je staat in een wijndorp, kijkt naar de bergen en merkt tegelijk dat de Adriatische kust nooit echt ver weg is.
Je zoektocht naar een goed glas kan je best aanvatten vanuit het centrale plein. Als je goed oplet, zie je er op de grond nog de lijnen die aangeven waar vroeger huizen en steegjes stonden. Tot in de vorige eeuw was dit plein immers nog volgebouwd. Vandaag is het een open plek waar feesten, ontmoetingen en het dagelijkse dorpsleven samenkomen. Ook het rode bankje op het plein valt op. Het werd geplaatst op 8 maart, tijdens La Festa della Donna, als duidelijk signaal tegen geweld op vrouwen.
In Cupramontana moet je natuurlijk ook iets met Verdicchio doen. Daarvoor is EnoCupra de meest logische plek. In deze enoteca komen de wijnen van lokale producenten samen en kan je gericht proeven hoe Verdicchio uit Cupramontana smaakt. Als aperitivo is dit ideaal.
Wil je er lunchen, dan zou ik eerder richting Da Fiorina kijken. Deze trattoria ligt net buiten Cupramontana en maakt deel uit van het wijndomein Sparapani Frati Bianchi. Trattoria Anita is een goed alternatief voor wie gewoon zin heeft in een eenvoudige, lokale maaltijd in het dorp.
Vlak bij Cupramontana ligt Poggio Cupro, eigenlijk het kleine zusje van het dorp. Je betreedt het via een oude stadspoort en komt meteen terecht in een compacte wirwar van steegjes, muren en stille hoekjes. Poggio Cupro was ooit een versterkte kern en dat voel je nog altijd. Een bezoek neemt hooguit een kwartiertje van je tijd in, maar is wel een echte aanrader.
Staffolo: het balkon van de Vallesina
Het is logisch dat je na Cupramontana ook halt houdt in Staffolo en nadien nog Jesi zelf. Staffolo zou ik vooral aanraden als wijn je interessepunt is. Het is één van de castelli waarnaar het wijngebied is genoemd. Het dorp ligt op ongeveer 400 meter hoogte boven de Esino vallei en wordt niet toevallig het balkon van de Vallesina genoemd. Hoewel de ligging prachtig is, met dat typische heuvelachtige en golvende landschap, overgoten met wijngaarden, is de enoteca van het dorp voor mij de enige echte reden om hier halt te houden.
Vineritage, zoals de enoteca heet, is tegelijk ook een wijnmuseum. Je vindt er oude wijnwerktuigen, persen en allerlei andere vintage spullen die eigen zijn aan zo’n plek. Je ruikt er de geschiedenis van Verdicchio voor je ze nadien ook effectief in het glas krijgt. Want uiteraard kan je er ook proeven van de diversiteit van de wijnen uit de omgeving van Jesi.
Nice to know en een extra troef als je er in de juiste periode bent: in augustus wordt hier ook de Festa del Verdicchio georganiseerd, met proeverijen, muziek en ontmoetingen rond de wijn die Staffolo mee op de kaart heeft gezet. Wij waren er in juli en hebben dit dus niet kunnen meepikken. Anders stonden we daar zeker op de eerste rij. Met een glas in de hand, dat spreekt voor zich.
Jesi: de stad achter de Verdicchio
Jesi een hidden gem noemen is waarschijnlijk wat overdreven, maar als we op verkenning zijn in Verdicchioland, dan mag een bezoek aan deze stad absoluut niet ontbreken. Wel opmerkelijk is dat Jesi zelf niet één van de castelli is waarnaar het gebied is genoemd. Nu, eerlijk is eerlijk, Marche doorkruisen en Jesi links laten liggen is zonde, want de stad heeft heel wat te bieden en het is er eenvoudigweg aangenaam vertoeven.
De stad ligt op de linkeroever van de Esino en is bijzonder handig gelegen. Je zit hier tussen binnenland en kust, tussen de heuvels van Verdicchio en de richting Ancona, Senigallia of Fabriano. Je hoeft hier geen halve dag in musea te verdwijnen om de stad te waarderen. Gewoon te voet het historische centrum in, dat zal je zonder enige twijfel waarderen.
Jesi heeft nog een groot deel van haar middeleeuwse stadsmuren bewaard en dat geeft de stad meteen karakter. Binnen die muren krijg je een compact centrum met pleinen, palazzi, poorten en straatjes. Op zich heb je zelfs geen plan nodig om op ontdekking te gaan. Piazza Federico II is misschien het ideale vertrekpunt. Volgens de overlevering werd keizer Federico II hier in 1194 geboren. Gezien het belang van deze man geeft dat Jesi toch wat extra uitstraling.
Ook Piazza della Repubblica mag je niet overslaan. Het is de ideale plek om je op een terrasje te nestelen en de mensen die passeren gade te slaan. Aan te raden is om dit na 16 uur te doen, wanneer de zon wat naar de achtergrond verdwijnt en de lokale bevolking als mieren uit de grond tevoorschijn komt.
Voor wie graag wat meer wandelt, zijn de oude muren en de toegangspoorten misschien het fijnste deel van de stad. Je krijgt onderweg mooie doorkijkjes en voelt hoe Jesi vroeger als versterkte kern boven de vallei lag. Porta Valle en de omgeving rond de muren geven de stad dat beetje extra stevigheid.
Morro d’Alba: klein dorp, grote geur
Vanuit Jesi kan je perfect verder richting Morro d’Alba. Het dorp ligt op een heuvel, op korte afstand van de Adriatische kust, en is nog altijd mooi omsloten door zijn oude muren. Dit is een behapbare stop, maar wel eentje met karakter, met smalle straatjes, bakstenen gevels en kleine pleinen.
Het leukste aan Morro d’Alba is de wandeling over en langs de oude omwalling. De zogenaamde Scarpa is een overdekte rondgang die het dorp een heel eigen gezicht geeft. Je loopt er beschut rond de oude kern, met aan de ene kant het dorp en aan de andere kant het landschap. In een kwartier ben je in principe al rond.
Toch is Morro d’Alba vooral bekend door zijn wijn. Lacrima di Morro d’Alba is een van die wijnen die je blind bijna meteen herkent. De geur is uitbundig, met rozen, viooltjes, rood fruit, kruiden en soms iets dat bijna aan druivensap doet denken, maar dan met meer sérieux. Ik ga hier nog niet te veel palaveren over deze wijn, want in een later artikel zullen we er uitgebreider op terugkomen. Toch nog even dit: ook al is Morro d’Alba bekend om zijn rode Lacrima, het is tegelijk ook één van de Castelli di Jesi. Verdicchio zal je hier dus ook nog vinden.
Naast gewone wijn kom je hier ook vino di visciola tegen, een zoete wijnachtige drank op basis van rode wijn en zure kersen. Ideaal voor wie na de maaltijd nog iets kleins in het glas wil.
Wij hebben Morro d’Alba enkele keren bezocht tijdens ons verblijf omdat het, al is dat relatief in Marche, niet zo ver van ons logeeradres lag en we er een zeer aangenaam restaurantje hadden ontdekt. Osteria DeGustibus kunnen we iedereen zonder probleem aanraden. Dit restaurant ligt in het dorp zelf, in Via Roma, en past mooi bij wat de lokale keuken te bieden heeft. Er wordt mooi gewerkt met seizoensproducten en reserveren is zeer aan te raden.
Corinaldo: muren, trappen en een put vol verhalen
Voor een bezoek aan Corinaldo maakten we graag de nodige tijd. Ik had gelezen dat een bezoek aan dit dorp de moeite zou zijn, en dus was het koste wat kost dit dorp zou bezocht worden. Geen seconde heb ik het me beklaagd! Het ligt strategisch tussen Urbino en Ancona en is vooral bekend om zijn bijna volledig bewaarde middeleeuwse muren, waarover je een volledige wandeling kan maken. Goed voor 912 meter rond het dorp. Een bonus: bij helder weer kijk je zelfs tot aan Monte Conero.
Binnen die stevige muren krijg je een bijzonder charmant dorp. Het kloppend hart is La Piaggia, een brede trappartij van honderd treden, met rode bakstenen huizen die er mooi tegenaan liggen. Als je ervoor staat denk je bij jezelf: mmm, ga ik die trappen wel oplopen? Doen is mijn enige advies.
Halverwege La Piaggia hou je eigenlijk verplicht halt bij Il Pozzo della Polenta, de waterput waaraan een hele legende vasthangt. Volgens die legende kwam een man met een zware zak graan het dorp binnen. Bij de put zette hij de zak even neer om op adem te komen, maar die tuimelde naar beneden. Toen hij probeerde het graan te redden, belandde hij zelf ook in de put. Niet veel later ging het verhaal rond dat hij daar beneden rustig polenta zat te eten, gemaakt van het gevallen graan en het water uit de put. Vandaar dus Il Pozzo della Polenta.
Dit verhaal is vandaag nog steeds springlevend tijdens La Contesa del Pozzo della Polenta, een historisch feest dat op de derde zondag van juli wordt gevierd. Dan komt het verhaal opnieuw tot leven met kostuums, optochten en natuurlijk polenta.
Verder dwaal je door het rustige dorpje. Links en rechts is er altijd wel een terrasje waar je even kan neerploffen of waar je bijna een dutje kan doen, dromend van het moment dat je zelf in de waterput tuimelt met een zak graan.
Tot slot een culinaire ‘hidden gem’
Het was pas op het einde van onze reis dat we deze culinaire parel ontdekten. Ik heb even gefoeterd dat dit niet vroeger was gebeurd, want Taverna degli Archi in Belvedere Ostrense is exact wat ik zoek telkens ik in Italië ben. Een kleine osteria waar de sfeer heerlijk ongedwongen is en waar het duimen en vingers aflikken is.
Om mijn schade in te halen zijn we er liefst drie dagen op rij gaan eten. Ik kan jullie maar één ding meegeven: je bent een grote stommeling als je deze plek links laat liggen. Verwacht geen chique bedoening. Het zoontje fietst er met zijn speelgoedfietsje tussen de tafels, dat zal hij vandaag wel ontgroeid zijn, en je wordt er met een brede glimlach ontvangen.
Antonio Ciotola en Manola Mariani staan er aan het roer en hier wordt gewoonweg uitstekend gekookt. Met verve de beste carbonara ever gegeten, een tagliata di manzo tot in de perfectie en de grootste wijnen, zoals bijvoorbeeld Gaja of Tignanello, staan er, zoals wel vaker in Italië, net iets te warm in houten kistjes tegen de muur. De zever drupt uit mijn mond als ik eraan terugdenk.
Met spijt in het hart moeten we vaststellen dat ons Amici seizoen er alweer opzit. Als we terugblikken, dan kunnen we alleen maar tevreden zijn. Er kwamen opnieuw bijzonder sterke degustaties voorbij en ook onze afsluiter was een knaller. Het thema was dan ook niet min: Barbaresco’s uit 2019. Top, misschien staat Gaja Sorì San Lorenzo wel op de proeftafel zodat ik die eindelijk kan afvinken van mijn Italian wines to taste before I die lijstje.
Er komt wel vaker Nebbiolo op de Amici proeftafel. Dat zou iets te maken kunnen hebben met de voorliefde van onze wijnmeester voor deze druif. En daar kunnen we hem alleen maar in bijtreden. Ook Barbaresco kwam dus al wel eens eerder aan bod. De details over deze DOCG hebben we eerder beschreven in onze blog Barbaresco: De verfijning van Nebbiolo in een glas. Je kan dit nalezen als je er zin in hebt.
Op de proeftafel stonden dit keer bijna uitsluitend wijnen met een MGA vermelding. Basarin, Rabajà, Martinenga, Montestefano en Asili passeerden allemaal de revue, met Vanotu als enige uitzondering op de MGA regel. Naast Rabajà en Martinenga behoort Asili tot de topterroirs van Barbaresco, hoorden we wijnmeester Peter orakelen. Hij duidde ook heel precies aan op de kaart waar we deze MGA’s binnen de appellatie kunnen vinden. We hadden bovendien het geluk dat er zelfs twee flessen uit Asili te proeven waren. Hoe zalig was dat.
Nu hoor ik velen onder jullie al denken: Asili, dat ken ik helemaal niet. Assisi ja, maar dat ligt in Umbria en heeft niets met Barbaresco te maken. We kaderen deze topcru dan ook graag even voor jullie.
Barbaresco MGA Asili
De appellatie Barbaresco loopt over een heuvelrug die van Neive in het noorden richting Barbaresco, San Rocco Seno d’Elvio en Treiso gaat. Binnen die appellatie is de gemeente Barbaresco historisch de belangrijkste. Ze is niet de grootste in oppervlakte, maar ze heeft wel een uitzonderlijk aandeel wijngaarden die geschikt zijn voor Barbaresco.
Asili ligt in die gemeente Barbaresco, in het westelijke deel van de appellatie. Dat is de zone waar meerdere van de meest gereputeerde MGA’s liggen. De buren zeggen al veel: Pora, Faset, Cars, Muncagota, Martinenga en Rabajà. Wie dat al eens in het proefglas heeft gekregen, weet dat de kwaliteit er verzekerd is.
Asili draait rond de gelijknamige bricco, de heuveltop. De wijngaarden liggen ongeveer tussen 210 en 290 meter hoogte en kijken niet allemaal dezelfde richting uit. De meest gewaardeerde delen liggen net boven Martinenga, met zuidelijke en zuidwestelijke expositie. Daar krijgt Nebbiolo de warmte die hij nodig heeft om volledig te rijpen. Ook de westelijk gerichte stukken richting Pora en Faset zijn interessant. Ze zijn iets frisser, wat met de warmere jaargangen steeds belangrijker wordt. De noordelijke hellingen vallen buiten het klassieke speelveld van Barbaresco. De disciplinare sluit noordelijk gerichte wijngaarden immers uit voor de productie van Barbaresco DOCG.
Een specifiek terroir
Asili telt ongeveer veertien hectare en behoort daarmee niet tot de grote MGA’s van Barbaresco. De wijngaarden liggen iets meer beschut dan sommige omliggende cru’s en de invloed van de Tanaro is minder rechtstreeks voelbaar. Daardoor is er een warmer microklimaat en speelt de wind er minder fel. Toch mogen we Asili niet zomaar beschouwen als een warme cru, want de beste wijnen hebben naast rijpheid ook voldoende spanning en frisheid.
De bodem van Asili is van tortonische oorsprong. Technisch gezien moeten we hiervoor teruggaan naar een fase in het Mioceen waarin dit deel van Piemonte nog onder invloed stond van oude mariene afzettingen. Vandaag vinden we in Asili vooral kalkrijke mergel, klei en een duidelijke zandcomponent. Die combinatie verklaart mee het karakter van de wijnen. De kalk en klei zorgen voor structuur, diepte en bewaarkracht. Het zand helpt om de tannine een beetje toegankelijker te maken.
Opvallend gegeven is ook dat de bodem van Asili een hoger aandeel koper en zink zou bevatten dan die van enkele andere cru’s. Interessant als detail, maar daar moeten we nu ook geen mirakelverklaring van maken. De echte waarde van Asili zit in de combinatie van beschutting, rijpheid, frisheid, kalkrijke mergel, klei en zand. Net daardoor kunnen de wijnen kracht hebben zonder zwaar te worden, en vroeg charme tonen zonder hun bewaarpotentieel te verliezen.
Producenten achter de reputatie
De reputatie van een terroir kan soms mee bepaald worden door een producent die er een wijn van uitzonderlijke kwaliteit produceert. Of door het spel van vraag en aanbod, waardoor de prijs van een bepaald terroir hoger komt te liggen dan die van een ander. Ook de boekskes, de aandacht in de media en de puntengoochelaars van dienst kunnen een reputatie maken of kraken.
Asili is daar, gelukkig maar, niet van afhankelijk. We vonden een onderzoek waaruit blijkt dat meer dan zeventig procent van de bevraagde producenten in Barbaresco Asili tot de vijf beste crus van de appellatie rekent. Dus ook producenten die zelf geen wijngaard bezitten in Asili. Dat zegt veel. De reputatie komt niet alleen van buitenaf, ze wordt ook gedragen door de mensen die Barbaresco het beste kennen.
Uiteraard gebeurt dat op basis van wat de praktijk voortbrengt. Produttori del Barbaresco begon al in 1967 met het bottelen van een afzonderlijke Asili. Bruno Giacosa deed vanaf datzelfde jaar hetzelfde. In 1969 kochten de broers Ceretto percelen in Asili. Zo kreeg Asili al vroeg enkele stevige referentiepunten, waarop latere producenten konden voortbouwen.
De proefcommentaren:
Angelo Negro Basarin – Barbaresco DOCG 2019 Basarin is een MGA in Neive. De wijngaard ligt op ongeveer 350 meter hoogte, met zuidelijke expositie. De bodem is kalkrijk, mergelachtig en zanderig. Manuele oogst. Na de vinificatie rijpt de wijn in totaal 26 maanden, deels op Slavonische eik en deels op fles. Klassieke granaatrode kleur. Het aroma is zeer floraal, met rozen die iets nadrukkelijker aanwezig zijn dan viooltjes. Daarnaast ruiken we bosaardbei, kers, framboos, peper, zoethout, koffie, thee en humus. De neus heeft naast een mooie kruidige structuur ook een licht aardse ondertoon. In de mond is de wijn correct en aangenaam fruitig, vooral gedragen door rood fruit. De fraîcheur is duidelijk aanwezig en de kruidigheid komt mooi terug. De zuren manifesteren zich stevig en staan wat meer op de voorgrond dan de tannine, die eerder verborgen zit, maar wel voldoende kracht bezit. Dit is niet onmiddellijk de meest grootse Barbaresco, maar wel een zeer aangenaam exemplaar. Score: 85/100 – Richtprijs: 28,90 € (niet te koop in België gevonden).
Cascina Luisin Asili – Barbaresco DOCG 2019 Met Luisin proeven we onze eerste Asili van de avond. De wijngaarden liggen op ongeveer 300 meter hoogte, met zuidwestelijke expositie. De stokken hebben een gemiddelde leeftijd van 65 jaar. Vinificatie in cementen cuves. Tijdens de eerste 8 dagen wordt er vaak overgepompt om voldoende extractie te bekomen. Rijping in grote Slavonische eiken botti van 30 hl. Lichte evolutie in de kleur, met een granaatrode tint. Zeer mooie, bijna complexe neus waaraan je blijft snuffelen. Licht snoeperig profiel van aardbei en framboos, aangevuld met anijs, munt, kaneel en de geur van wilde venkel die we ons herinneren van ons verblijf tussen de wijngaarden van Valpolicella enkele weken geleden. Rokerig en vlezig, met ceder, koffie en thee. Aards en etherisch. In de mond start de wijn sappig, maar die aanzet gaat vrij snel over in zuivere, niet te krachtpatserige tannine. De zuren zijn prominent aanwezig en de afdronk is lang. Een bijna speelse Barbaresco, voldoende gebalanceerd en verfijnd, schurkend tegen de complexiteit aan. Score: 89/100 – Richtprijs: 42 € (te koop bij Wine Art).
Sottimano Basarin – Barbaresco DOCG 2019 De technische fiche van de producent geeft niet te veel prijs over de rijping van de wijn. Alleen de flesrijping van meer dan een jaar wordt prijsgegeven. De raadpleging bij een betrouwbare bron online vertelt me dat de wijn 18 tot 22 maanden rijpt op barrique. Vermits ik onmiddellijk het gevoel had van een rijping op eiken vaten, ga ik hier ook van uit. Helder kersenrood van kleur. Het bouquet is weelderig, al wordt het fruit in eerste instantie wat weggedrukt door het houtgebruik, naar ons vermoeden barriques. Daarna komt het fruit toch opzetten, met een festival aan gekleurde bessen. Tijm, kaneel en de onvermijdelijke peper volgen mooi mee. De viooltjes geuren fris. Tabak, ceder en leder zorgen voor de branderige aroma’s. Etherische, vegetale en aardse toetsen ronden af. In de mond speelt zich hetzelfde scenario af. Ook hier doet het aanwezige fruit veel moeite om zich te manifesteren. Wanneer het daarin slaagt, zakt het even later toch opnieuw naar de achtergrond. Dit is een wijn met een heel ander profiel. Minder verfijnd, wel krachtig en vooral kruidig. Tegelijk is dit ook een wijn met een duidelijke boodschap: dit komt helemaal goed. Score: 91/100 – Richtprijs: 83,60 € (Te koop bij Young Charly)
Giuseppe Cortese Rabajà – Barbaresco DOCG 2019 Rabajà is een MGA in de gemeente Barbaresco en behoort tot de grote referenties van de appellatie. Giuseppe Cortese bezit ongeveer 4 hectare in Rabajà, met een zuidelijke tot zuidwestelijke expositie. De wijngaarden liggen tussen 235 en 315 meter hoogte. De bodem is kalkrijk, kleiachtig en rijk aan mineralen. De stokken zijn ongeveer 50 jaar oud. Manuele oogst. De vinificatie duurt ongeveer 30 dagen en gebeurt in inox en oude cementen cuves. Daarna rijpt de wijn 20 tot 22 maanden in Slavonische eiken vaten van 17 tot 25 hl. Volle kersenrode kleur. In de geur is dit van bij de start een open boek waarbij vele klassieke vakjes worden afgevinkt. Toch is er een lichte cederdominantie. Bosaardbei, kers en aalbes zorgen voor het fruit. Rozen en viooltjes fleuren het bouquet op. Munt, peper en kaneel zorgen voor de spicy kant. Een rokerig accent, cederhout, tabak, koffie en thee verraden de houtlagering. Een aangename aanwezigheid van champignon en de typische etherische toets maken het bouquet compleet. Ook in de smaak worden alle verwachte vakjes al vlug afgevinkt, al loopt dit wel ietwat stroever. Je moet er je best voor doen en er wat harder voor werken. De tannine en de aciditeit zijn wel degelijk zeer mooi, maar toch dominant aanwezig. Het fruit zit wat verscholen. Deze Barbaresco toont alweer een totaal ander profiel, maar uiteindelijk is de vraag naar verdere kelderrust en geduld de eindconclusie van deze mooie wijn. Score: 91/100 Richtprijs: 64,50 € (Te koop bij Grapeness)
Pelissero Vanotu – Barbaresco DOCG 2019 Vanotu is de enige wijn van de avond zonder MGA vermelding, maar het is wel de prestigewijn van het domein. De wijngaarden liggen op ongeveer 350 meter hoogte, met zuidelijke expositie. De stokken zijn meer dan 60 jaar oud. De wijn rijpt 20 tot 22 maanden in barriques, waarvan ongeveer 80% nieuw is. Heldere kers tot granaatrode kleur met een lichte evolutie. Vluchtig ruiken brengt al heel wat naar boven. Bij stevig walsen kunnen de geuren zich helemaal niet meer verbergen. Het moet gezegd: de geur komt niet volledig overeen met de gekende profielen van de reeds geproefde wijnen. Meer duidelijke houtaccenten, zelfs vanille, en ook wat meer snoeperigheid met een beetje gedroogd donker fruit in het bouquet. De smaak bevestigt wat we al in de geur vermoedden. Dit is een wat modernere stijl van Barbaresco, met een duidelijke aanwezigheid van barrique, een rijper fruitprofiel en stevige tannine. De verfijning is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor wat machogedrag. Ongetwijfeld een wijn die succes zal hebben op de markt en daarom zijn plaats in deze degustatie verdient. Toch iets minder mijn beste vriend. Score: 87/100 – Richtprijs: 87 € (Te koop bij Wijnhandel De Kok)
Ca’ del Baio Asili – Barbaresco DOCG 2019 Dit is onze tweede Asili van de avond en eentje die veelbelovend klinkt. Ca’ del Baio heeft namelijk op korte tijd een zekere internationale reputatie opgebouwd met deze wijn. Deze Barbaresco wordt gemaakt van 100% Nebbiolo, afkomstig van stokken die tussen 1957 en 1999 werden aangeplant. De bodem bestaat uit blauwachtige kalkrijke kleimergel en de wijngaard heeft een zuidwestelijke expositie. Vergisting in inox cuves. Daarna rijpt de wijn 24 maanden op hout, deels in grote eiken vaten en deels in kleine Franse vaten. Volle kersenrode kleur en mooi tranend. Mochten we een Oscar kunnen uitreiken enkel en alleen op basis van de geur, we’ve got a winner. Laten we het voor wijn misschien op 3 bicchieri houden. Alle gekheid op een stokje, deze geur maakt je simpelweg al gelukkig. Je blijft eraan ruiken tot je op een gegeven moment beseft dat je ook nog moet proeven. Het is in ieder geval een typische Nebbiolo geur met framboos, bosaardbei, rode bes, anijs, munt, peper, thee, koffie, een rokerige toets, een puntje truffel en jawel, teer. Je proeft van de wijn en vergeet ogenblikkelijk één van de basisregels van de proever. Je vergeet namelijk te spuwen. Deze wijn is zeer gebalanceerd, sappig, dragend en wat een lengte. Voor mij is dit het perfecte bewijs dat 2019 nu reeds een prachtige combinatie kan bieden tussen tannine, zuren, houtlagering, alcohol en fruit. We zijn duidelijk een trapje hoger gegaan in deze proeverij. Score: 94/100. Richtprijs: 36 € (Te koop bij Cavatappi, weliswaar niet meer de 2019. Maar ik zou zeggen, koop de voorraad daar leeg, want voor deze prijs is dit een koopje).
Tenuta Cisa Asinari dei Marchesi di Gresy Martinenga – Barbaresco 2019 Martinenga is een MGA in de gemeente Barbaresco en is de historische monopole van Marchesi di Grésy. De wijngaard ligt tussen ongeveer 220 en 290 meter hoogte, met zuidelijke tot zuidwestelijke expositie. De bodem bestaat uit kalksteen en blauwe mergel. De wijn rijpt 12 maanden in Franse barriques, gevolgd door 12 tot 18 maanden in Slavonische eiken vaten. Naar het granaatrood neigende kleur en mooi tranend. In de geur blijven we hangen in dat sublieme en typische Nebbiolo geurenpalet, weliswaar met wat meer fruitvariatie. Naast bosaardbei, framboos, kers en aalbes hebben we ook bloedsinaas. Verder vormen de koppeltjes zich opnieuw: rozen en viooltjes, peper en munt, koffie en thee, ceder en tabak. Teer is aanwezig, het rokerige accent is aanwezig en ook de schimmels laten zich opmerken. In de smaak zijn alle linkse vakjes aangekruist op het proefformulier en dat is een goed teken. Deze wijn is krachtiger, robuuster, maar minstens zo interessant, met ook nu die sublieme verwevenheid van alle bepalende elementen. Voor het eerst proeven we een duidelijk mineraal en ziltig accent. Het geheel blijft aangenaam en vooral zeer lang aanwezig. Gelukkig wisten we niet op voorhand wat er in het glas kwam, want zo kon deze notitie volledig neutraal ontstaan. Martinenga behoort immers tot mijn favoriete Barbaresco’s en geloof me: de Camp Gros Riserva is nog beter. Score: 95/100. Richtprijs: 75 € (Verrassend genoeg niet te koop in België gevonden).
Produttori del Barbaresco Montestefano – Barbaresco Riserva 2019 Ook Montestefano is een MGA in de gemeente Barbaresco. De wijngaard is 3,9 hectare groot, met zuidelijke tot zuidoostelijke expositie. De bodem bestaat uit voornamelijk kalksteen. De wijn rijpt 30 maanden in grote eiken vaten. Zuiver kersenrood en tranend. Opnieuw het geurenpalet dat ons in vervoering brengt, wat een mooie geurencompositie. De bloedsinaas komt terug en het is duidelijk geen spel van enkel rood fruit. We hebben wel degelijk een puntje zwarte bes. Meer framboos dan aardbei ook. Verder zijn er de kenmerkende geuren zoals rozen, viooltjes, jeneverbes, pepermunt, koffie, tabak, ceder, rokerige toetsen, thee, truffel, champignon, teer en drop of zoethout. In de mond krijgen we een nog rijkere stijl, met zeer sappig fruit ter ondersteuning van die krachtige maar smakelijke tannine. Vermoedelijk ook de wijn met de langste afdronk van de avond, want het geheel blijft zeer, zeer, zeer lang aanwezig. De bloedsinaas komt terug, samen met een zeer mooi ziltig en mineraal accent. Uiterst verweven en een pracht van een afsluiter. Score: 95/100. Richtprijs: 60 € (Te koop bij Convento).
Soms kom je in een technische wijnfiche iets tegen dat je meteen doet glimlachen. Dat er foodpairingsuggesties worden gegeven, is niets nieuws. Maar wanneer die plots “banqueting companions” heten, kijk je toch even op. Zeker als je de aanbevelingen wat aandachtiger begint te lezen. Starten doen ze met enkele opvallende gastronomische aanraders: krokant spek met chips, daarna ziti alla pugliese, gevolgd door meatballs alla barese. Wil je daar ook nog een boek bij, dan wordt Gastronomic Tales, Racconti Gastronomici, van Laura Grandi en Stefano Tettamanti aangeraden. Meer zin in een film? Dan zou A Touch of Spice van Tassos Boulmetis een goede keuze zijn. Of hou je het liever bij wat muziek vanuit de zetel, dan kom je uit bij Roberto Cacciapaglia met Nuvole di Luce. Het is bijna alsof iemand niet zomaar een wijn wil voorstellen, maar meteen een hele avond voor je wil invullen.
Veel suggesties dus, maar tussen al die namen bleef ik vooral hangen bij één gerecht: ziti alla pugliese. Ik kende het tot nu toe niet en dus was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Tijd om uit te pluizen wat ziti alla pugliese precies is. Dat de bereiding richting Puglia wees, maakte de naam alvast duidelijk.
De oorsprong van ziti ligt in Campania
Toch ligt de oorsprong niet in Puglia. Ziti komen uit Campania, meer bepaald uit de streek rond Napels. Het zijn lange, gedroogde en holle pastabuizen, een beetje te vergelijken met grote bucatini. Ze worden traditioneel gemaakt in staven van ongeveer 25 centimeter. Oorspronkelijk waren ze dus te lang om zomaar als korte pasta in de kookpot te verdwijnen. Daarom brak men ze thuis met de hand in stukken, meestal in vier delen, net voor ze werden gekookt.
In Napels was ziti een echte feestpasta. Op zondag, op feestdagen en bij familiegelegenheden kwam deze pasta op tafel. Er wordt zelfs verteld dat je op zondagmorgen in de steegjes van Napels het geluid kon horen van vrouwen die de ziti met de hand in stukken braken.
Over de naam bestaat geen volledige zekerheid. Vaak wordt die in verband gebracht met zita of zito, woorden uit het Zuid Italiaanse taalgebruik die met huwelijk, verloofden of jonggehuwden verbonden waren. Van daaruit zou ook de koppeling met feest en huwelijksmaaltijden zijn ontstaan. Helemaal sluitend is die etymologie niet, maar de link met de huwelijkssfeer keert wel geregeld terug.
Puglia vs Campania
Hoe kom je dan aan de benaming ziti alla pugliese? Het antwoord is eigenlijk vrij eenvoudig. Ziti hebben hun oorsprong in Campania, maar de pastavorm is ook in andere zuidelijke regio’s terechtgekomen, zoals Puglia en Basilicata. En zoals dat in Italië wel vaker gaat, geeft elke streek daar vervolgens haar eigen versie aan. De grote lijn blijft herkenbaar, want in beide gevallen kom je uit bij ziti al forno, een ovenschotel dus. Het verschil zit vooral in de vulling en in de accenten die elke keuken legt.
In Puglia gaat het meestal om een heel rijke versie. De ziti worden gecombineerd met een stevige vleessaus, vaak op basis van varkensvlees, salsiccia en rundvlees. Daar komen dan nog hardgekookte eieren, kleine gehaktballetjes, mozzarella of provola en soms ook salami bij. Het resultaat is een volle, hartige en behoorlijk machtige schotel.
In Campania kom je eerder uit bij ziti al forno, met de Napolitaanse ragù als basis. Ook daar kunnen gehaktballetjes bij komen, maar ricotta en mozzarella spelen vaak een belangrijkere rol. Daardoor krijgt de schotel een romiger karakter. De nadruk ligt meer op tomaat, ragù, ricotta en gesmolten kaas.
Die Campaanse versie kreeg later nog een opvallend tweede leven dankzij The Sopranos. In de serie stond baked ziti geregeld op tafel en eten speelde er sowieso een belangrijke rol. Het gerecht kreeg daardoor bijna een cultstatus, zeker in de Amerikaans Italiaanse keuken. Er verscheen uiteindelijk zelfs een Sopranos kookboek waarin ziti al forno een plaats kreeg.
De combinatie met meatballs alla barese, zoals vermeld in de technische wijnfiche, wordt na die ontleding meteen duidelijker. Die gehaktballetjes staan daar niet toevallig bij. Ze sluiten perfect aan bij de Pugliese versie van deze ovenschotel, waarin polpettine gewoon mee deel uitmaken van het gerecht.
Waarin verschillen ziti van penne en rigatoni?
Als je het nuchter bekijkt, lijken ziti sterk op bekendere pastavormen zoals penne en rigatoni. Het zijn alle drie holle pastavormen, gemaakt van harde tarwe, met voldoende ruimte om saus vast te houden. Toch zijn er wel degelijk verschillen tussen deze drie.
Penne herken je aan de schuin afgesneden uiteinden. Die snede doet denken aan een oude schrijfpen, vandaar ook de naam. Penne bestaan in een gladde versie en in een geribbelde versie. Vooral penne rigate houdt saus goed vast aan de buitenkant. Door die vorm werkt penne bijzonder goed met romige sauzen, tomatensauzen en bereidingen waarbij de saus mooi rond de pasta moet blijven hangen.
Rigatoni zijn korter en breder dan penne en ziti. Ze hebben rechte uiteinden en duidelijke ribbels aan de buitenkant. Die ribbels hebben een functie. Saus blijft er makkelijk aan kleven en door de brede opening kunnen ook rijkere sauzen met vlees of groenten goed in de pasta kruipen. Rigatoni zijn stevig en kunnen veel hebben. Daarom doen ze het zo goed in krachtige sauzen en in ovengerechten.
Ziti zitten daar wat tussenin, maar hebben toch hun eigen karakter. Ze zijn gladder, werden oorspronkelijk langer gemaakt en worden traditioneel met de hand in stukken gebroken. Daardoor krijg je geen perfect gelijkmatige pastavorm, en net dat geeft ziti hun charme. Ze zijn minder hoekig dan penne en minder robuust dan rigatoni, maar ze hebben wel die lange, holle structuur die ze bijzonder geschikt maakt voor rijke sauzen en ovenschotels.
Ziti alla pugliese in de praktijk (voor 6 personen)
Afsluiten doen we uiteraard door het gerecht echt vorm te geven. Dan merk je ook waarom ziti alla pugliese een rijk en stevig gerecht wordt genoemd. De pasta zelf vormt de basis, maar de ovenschotel krijgt vorm door de combinatie van ragù, salsiccia, polpettine, hardgekookt ei, mozzarella of provola en pecorino.
Ingrediënten
300 gram ziti
700 gram tomatenpulp
200 gram varkenssalsiccia
200 gram rundsgehakt of gemengd gehakt
2 verse eieren
2 hardgekookte eieren
30 gram paneermeel
100 gram pecorino om te raspen
250 gram mozzarella of provola
half glas witte wijn
1 teentje look
basilicum
peterselie
oregano
olijfolie
peper
zout
Bereiding
Verwarm wat olijfolie in een ruime pan en laat daarin de look licht kleuren.
Haal de look uit de pan zodra hij goudgeel is.
Voeg de verkruimelde salsiccia toe en bak ze kort aan.
Blus met de witte wijn en laat die gedeeltelijk verdampen.
Voeg de tomatenpulp toe, samen met een snufje oregano, peper en zout.
Laat de saus ongeveer 30 minuten zachtjes pruttelen met het deksel op de pan. Wie meer tijd heeft, mag ze gerust langer laten staan. Zoals zo vaak bij dit soort gerechten wordt de saus daar alleen maar beter van.
Maak intussen de polpettine. Meng het gehakt met de verse eieren, het paneermeel, ongeveer 50 gram geraspte pecorino, fijngehakte peterselie, peper en zout.
Rol hiervan kleine gehaktballetjes, ongeveer ter grootte van een hazelnoot.
Bak de polpettine in olijfolie tot ze mooi kleuren.
Laat ze daarna even uitlekken op keukenpapier.
Breek de ziti met de hand in stukken.
Kook ze in gezouten water, maar laat ze iets steviger dan beetgaar. Ze garen straks nog verder in de oven.
Giet de pasta af.
Neem een ovenschaal en bedek de bodem met wat saus.
Leg daarop een laag ziti.
Verdeel er een deel van de polpettine over, enkele stukjes hardgekookt ei, plakjes mozzarella of provola, wat geraspte pecorino en opnieuw saus.
Herhaal dit tot alle ingrediënten opgebruikt zijn.
Eindig met saus en kaas.
Schuif de schaal ongeveer 20 minuten in een voorverwarmde oven van 200 graden Celsius, tot de bovenkant mooi kleurt en de kaas gesmolten is.
Werk eventueel af met enkele blaadjes basilicum.
Laat de ziti al forno enkele minuten rusten voor je ze serveert.
Dat maakt het uitscheppen makkelijker en voorkomt dat de eerste hap meteen heter is dan je enthousiasme aankan.
Als je op ontdekking bent in Marche, dan kan je niet zomaar aan de kustplaatsjes voorbij. Nochtans ben ik zelf niet meteen het type dat een hele reeks badplaatsen wil afvinken. Eén gezien, allemaal gezien, denk ik dan al snel. In Marche maakte ik toch een uitzondering. Ik had vooraf in de boekskes immers gelezen dat je de kuststeden van Marche zeker moest bezoeken, dat er wel degelijk verschil tussen zit en dat je er al helemaal geen toestanden à la Rimini zou tegenkomen. Al blijft een Italiaan een Italiaan. Als die een strand ziet, gaat die er graag uitgebreid liggen showen. In sommige gevallen is ook dat een leuke attractie.
En dus stond er een dag kustlijn volgen op onze planning. Dat bleek achteraf wat ambitieus. Alles in één dag doen is ons niet gelukt, waardoor we later nog enkele inhaalbewegingen hebben moeten maken. We gingen van noord naar zuid en reden dus eerst helemaal terug richting San Marino, om bij Pesaro de afrit te nemen, de wagen strategisch te parkeren en daarna langzaam verder te zakken richting Abruzzo.
Pesaro, een zachte start aan zee
Pesaro is een logische halte wanneer je vanuit het noorden Marche binnenrijdt. De stad ligt mooi ingeklemd tussen de Monte San Bartolo en de Colle Ardizio. Daartussen ligt een brede kuststrook met meer dan zeven kilometer zandstrand.
Van in de verte zagen we al iets blinken aan de boulevard. We werden er naartoe gezogen. Het bleek de grote bronzen bol van Arnaldo Pomodoro te zijn, door de locals simpelweg la palla genoemd. De bal dus. De aantrekkingskracht van deze bal was terecht, want je blijft er toch langer naar kijken dan je vooraf had gedacht. Voor een verdere verkenning van de stad is Piazza del Popolo een aangenaam vertrekpunt.
Pesaro heeft twee bijnamen: città della bicicletta en città della musica. Dat laatste dankt ze vooral aan Gioachino Rossini, die hier in 1792 werd geboren. Rossini kom je in Pesaro vanzelf tegen en zijn naam duikt overal op. Zelfs wie geen operakenner is, kent wellicht Il barbiere di Siviglia, of heeft minstens het galopperende slot uit Willem Tell al eens gehoord, al was het maar in een film of tekenfilm. Rossini verliet Pesaro op jonge leeftijd, maar bleef duidelijk met de stad verbonden. Bij zijn overlijden liet hij zijn fortuin na aan de gemeente. Dat verklaart meteen waarom Pesaro hem nog altijd stevig omarmt. Zelfs op het bord, want Pizza Rossini is hier een lokale specialiteit met tomaat, mozzarella, hardgekookt ei en mayonaise.
Die bijnaam als fietsstad komt ook niet uit de lucht vallen. De stad heeft met haar Bicipolitana een uitgebreid netwerk van fietsroutes, een soort metrolijnen voor fietsers. Je beweegt er vlot mee door de stad, langs de promenade en zelfs richting Fano, als je er een heuse fietstocht van wenst te maken.
Aan tafel zit je hier goed voor verse vis, zeevruchten en een eenvoudige kustkeuken. In het glas kan je kiezen voor de lokale Colli Pesaresi, al is een frisse Bianchello del Metauro misschien nog een betere keuze bij al dat lekkers uit de Adriatische Zee. Cozza Amara is een mooie tip voor wie dicht bij de haven vis wil eten, terwijl Lo Scudiero meer geschikt is voor wie de lokale keuken wat verzorgder op het bord wil krijgen.
Fano, vissersziel en brodetto
Na Pesaro reden we verder naar Fano, la città della fortuna. De stad draagt haar geluk niet toevallig in de bijnaam. De Romeinen noemden haar Fanum Fortunae, en op Piazza XX Settembre staat de Fontana della Fortuna nog altijd mooi te wezen alsof ze daar persoonlijk toezicht op houdt.
Fano heeft een aangenaam centrum waar je door kan flaneren, een terrasje op een zonovergoten pleintje kan meepikken en de lokale specialiteit Moretta kan proeven. Deze koffiedrank met rum, brandy, anijs en citroenschil hoort bij Fano en is bijna een verplichting bij een bezoek aan de stad. Ooit bedoeld als opkikker voor vissers die wel wat warmte konden gebruiken, vandaag vooral een goede reden om even aan de toog te blijven hangen. Dat doe je het best in Caffè del Porto, ook bekend als Il Ritrovo dei Lupi di Mare. Loop daarna zeker ook even door naar de vissershaven. Die ligt vlakbij en het zou zonde zijn om ze te missen.
Naast Moretta is Fano culinair vooral bekend om zijn brodetto. Deze lokale vissoep is een stevig kustgerecht waarin de vangst van de dag de hoofdrol speelt. Bij Il Bello e la Bestia, vlak bij de vismarkt, kan je die eens gaan proeven. Ook Osteria Al 26 is een fijne naam voor wie de lokale keuken in een warme, ongedwongen sfeer wil ontdekken.
Fano is ook bekend om zijn carnaval. Het Carnevale di Fano geldt als één van de oudste carnavals van Italië en vindt plaats in de weken vóór Vastenavond, met de grote optochten meestal op drie opeenvolgende zondagen. Tijdens die optochten vliegt er niet alleen confetti door de lucht, maar ook snoep en chocolade.
Senigallia, strand met stijl
Senigallia is een beetje het Oostende van Marche, de koningin der badsteden en dus een verplichte halte langs deze kustlijn. De stad dankt haar reputatie vooral aan la spiaggia di velluto, het fluwelen strand. Dat strand ligt er breed, zacht en uitnodigend bij. Je merkt ook meteen dat het drukker bezocht is dan elders, al is er ruimte genoeg. Dertien kilometer zand, een zee waar je eindeloos ver in kan stappen en een boulevard waar je vanzelf wat trager gaat wandelen. Al komt dat laatste niet alleen door de zee. Je wordt er ook vlot afgeleid door de pronkende macho’s die voorbij paraderen. En voor alle duidelijkheid: daar bedoel ik zowel mannen als vrouwen mee.
Het bekendste beeld van Senigallia is de Rotonda a Mare. Dat ronde gebouw op het water heeft iets nostalgisch. Je ziet het vaak op foto’s over Senigallia opduiken en je merkt ook meteen waarom. Het hoort gewoon bij de stad. Vroeger was het een plek voor ontspanning en vertier, vandaag blijft het vooral een herkenningspunt aan zee.
Senigallia heeft ook een aangenaam centrum. Het Foro Annonario, de oude marktplaats met zijn zuilengalerij, is een mooie plek om even binnen te lopen. Overdag is er markt, in de zomer komt er nog meer leven bij. De rivier Misa, de bruggetjes, de terrasjes en de promenade zorgen ervoor dat de stad meer is dan strand alleen.
Aan tafel zit je hier bijzonder goed. Senigallia heeft naam gemaakt als culinaire kuststad en dat merk je. Vis, pasta met vongole, passatelli, gegrilde zeevruchten, het past allemaal bij die Adriatische sfeer. L’Angolino sul Mare, vlak bij de Rotonda, is een mooie tip voor wie met zicht op zee wil eten. Ook Trattoria Vino e Cibo en Ristorante Pagaia zijn adressen voor wie van vis houdt. Wie eerst nog wat wijninspiratie wil opdoen, loopt binnen bij Galli Enoteca, onder de Portici Ercolani. Een betere plek om tussen Verdicchio en ander lekkers uit Marche te neuzen, ga je in Senigallia niet snel vinden. In het glas ligt Verdicchio hier voor de hand.
Interessant om weten voor de echte gastronomen: Marche heeft slechts één driesterrenrestaurant en dat ligt hier gewoon aan zee, tussen haven en strand. Wie stevig wil uitpakken, kan een tafeltje reserveren bij Uliassi. Je zal er wat dieper voor in de buidel moeten tasten, maar je zal het je wellicht niet beklagen. Reken voor een menu zonder dranken op minstens 260 euro. Wil je dit combineren met een aangepaste wijnselectie met enkel Italiaanse wijnen, dan komt daar nog 160 euro bovenop.
En dan is er nog het ijs. Ik weet wel dat je in principe overal in Italië wel een speciale gelateria kan vermelden, maar Paolo Brunelli is in Senigallia een naam om te onthouden. Je kan veel uitleg geven over chocolade, pistache of gekarameliseerde hazelnoot, maar soms volstaat één goed ijsje meer dan duizend woorden.
Kort na ons bezoek kreeg Senigallia een heel andere kant te zien. De stad werd, samen met verschillende plaatsen in het hinterland, getroffen door zware overstromingen. De Misa trad buiten haar oevers en de beelden van modder en water stonden in scherp contrast met de zonnige indruk die wij er net hadden opgedaan. Gelukkig leeft Senigallia vandaag opnieuw duidelijk als kuststad.
Porto Sant’Elpidio en Porto San Giorgio, de kust van Fermo
We schuiven meer en meer op richting het zuiden. Aan de Riviera del Conero hebben we een eigen artikel gewijd en Civitanova hebben we links laten liggen. We zijn meteen doorgereden naar de kustlijn in de provincie Fermo, waar we twee stops deden in Porto Sant’Elpidio en Porto San Giorgio.
Ze liggen niet ver van elkaar en waren dus perfect te combineren. Toch voelen deze plaatsen helemaal niet hetzelfde aan. Porto Sant’Elpidio is vooral een lange, ontspannen kuststrook. Brede stranden, een promenade, veel fietsers en wandelaars, strandbars en dat zomerse kustleven dat nergens veel uitleg nodig heeft. Dit is een plaats om even uit de wagen te stappen, de benen te strekken, naar zee te kijken en te beseffen dat reizen soms ook gewoon ontspanning is.
Porto San Giorgio heeft meer uitstraling. De stad ontstond als haven van Fermo, dat vijf kilometer landinwaarts op de heuvel ligt. Dit is een badplaats met palmbomen, mooie villa’s, rechte straten, een jachthaven en een zekere mondaine sfeer. Het massatoerisme heeft hier nooit echt de plak gezwaaid en dat is maar goed ook. Daardoor blijft Porto San Giorgio aangenaam om door te wandelen, langs de haven, door de winkelstraatjes of richting zee. Bovendien zijn er genoeg restaurants waar je je tegoed kan doen aan de lokale vis en zeevruchtenfestijnen.
Cupra Marittima, kleiner en rustiger
Verder naar het zuiden zakken we af richting de Riviera delle Palme en worden de plaatsjes wat kleiner en rustiger. Cupra Marittima hoort daar helemaal bij. Palmen langs de kust, een lang strand, een fietspad richting Porto d’Ascoli en een zee die hier rustig en geleidelijk dieper wordt. Dat maakt Cupra populair bij families en tegelijk ook een aangename halte onderweg.
Cupra heeft eigenlijk twee gezichten. Beneden ligt de kustplaats, ontstaan toen de vissers het op en af wandelen naar de heuvel beu waren en dichter bij zee gingen wonen. Boven ligt Marano, de oude kern op de heuvel, met smalle straatjes en een mooi uitzicht over de Adriatische Zee. Dat doet wat denken aan Grottammare, dat we al in het artikel over Offida hebben aangehaald.
Langs zee draait alles rond wandelen, fietsen en rustig kijken naar dat lange lint van palmen. Je kan je er eenvoudigweg lekker ontspannen, de tijd nemen om een aangenaam tafeltje uit te kiezen op een mooi terras en in een boek duiken terwijl je een fles Offida Pecorino soldaat maakt. Cupra Marittima past mooi in de route als je wat meer rust opzoekt. De palmbomen, het strand en Marano krijg je er gratis bovenop als extraatje.
San Benedetto del Tronto, de zuidelijke finale
Afsluiten met de kustplaatsjes doen we helemaal in het zuiden van Marche, in San Benedetto del Tronto. Hier zit je volop aan de Riviera delle Palme. Palmen langs de boulevard, een breed zandstrand, veel beweging, strandtenten en Abruzzo dat om de hoek ligt.
San Benedetto is duidelijk groter en levendiger dan Cupra Marittima. Dit is geen kleine rustige halte meer, wel een echte badstad waar het kustleven stevig draait. In de zomer is het hier druk, maar op een heel Italiaanse manier. Families huren hun vaste parasol, kinderen krijgen hun dagelijks ijsje, nonni houden alles in het oog en de vaders schuiven aan wanneer het werk het toelaat. Il mare fa bene alla salute, zeggen ze dan. En wie ben ik om daar tegenin te gaan.
De boulevard is een attractie op zich. Vier kilometer lang kan je hier wandelen tussen de duizenden palmen die de kust een bijna exotisch gevoel geven. Voor je de boulevard opgaat, merk je het kleurrijke beeld op met de tekst Lavorare, lavorare, lavorare, preferisco il rumore del mare. Werken, werken, werken, ik verkies het geluid van de zee.
De Molo Sud mag je zeker niet overslaan. De pier is ongeveer een kilometer lang en vormt tegelijk een openluchtmuseum. Grote blokken travertijn werden er door kunstenaars omgevormd tot beelden en muurschilderingen. Je wandelt dus letterlijk tussen kunst en zee, met aan het einde het rode lichtbaken en zicht op de open Adriatische Zee. Dat is een mooie plek om even te blijven staan, zeker als je onderweg al wat te veel strandstoelen en parasols hebt gezien.
San Benedetto heeft ook een echte vissershaven met zowel grote vissersboten als kleine kleurrijke bootjes. Op de kade is er bedrijvigheid genoeg en ’s nachts wordt de haven een echte vissersverzamelplaats, waar de vangst wordt verhandeld. Dat kan je de volgende dag gewoon proeven op je bord.
Frittura di paranza, gemarineerde ansjovis, pasta met zeevruchten en natuurlijk brodetto alla sambenedettese. Dat is de lokale versie van brodetto, met verschillende soorten vis, schelpdieren en schaaldieren. Paprika en azijn geven de versie van San Benedetto haar eigen karakter. Bestel je die in een restaurant, dan meld je dat best al bij de reservatie. Anders zou je wel eens achter het net kunnen vissen met je verlangen naar deze lekkernij.
We laten de kust nu achter ons en richten ons in de volgende artikels op de parels in het binnenland.