Alto Piemonte op zondag: Lessona en een oude zeebodem

Ik kan het waarom niet exact plaatsen, maar om één of andere reden keek ik enorm uit om Lessona te ontdekken. Is het omdat ik de wijnen van Sperino wel kan pruimen of omdat ik al enige tijd probeer om de wijnen van Tenute Sella aan mijn portfolio toe te voegen? Feit is dat ik Lessona dus wel vrij hoog heb zitten.

Een bezoek aan het dorpje ginds was enigszins teleurstellend. Niet enkel omdat er een loopwedstrijd gaande was en de toegang daardoor bemoeilijkt werd. Neen, ook omdat het ontiegelijk klein is en er bijna niets te beleven viel. We waren bijna een koffiehuisje binnengesukkeld waarvan we eerst dachten: ‘Ah, kijk hier, een Enoteca.’ Viel dat even tegen!

Dan maar op zoek naar de 20 hectare aan wijngaarden die de appellatie rijk is. Deze liggen verspreid en vaak gewoon aanpalend aan de domeinen.

We mogen dus wel stellen dat het opmerkelijk is, en niet enkel bij mezelf, dat Lessona de laatste jaren meer en meer aan bekendheid wint. Want het is en het blijft toch een piepkleine appellatie die zelfs bij liefhebbers van Piemonte nog geregeld onder de radar blijft.

Dat heeft alvast niets met een gebrek aan geschiedenis te maken. Wijngaarden worden hier al in 1436 in documenten vermeld en in de negentiende eeuw genoot de wijn van Lessona een bijzonder stevige reputatie. Quintino Sella zou er zelfs mee hebben geklonken op de eenheid van Italië.

Een oude zeebodem als basis

Lessona ligt in de provincie Biella, helemaal aan de westelijke kant van het gebied dat we tot Alto Piemonte rekenen. De DOC omvat uitsluitend het grondgebied van de gemeente Lessona. De wijngaarden liggen op heuvels, vaak rond 300 tot 400 meter hoogte.

Hier domineren zeer zure zandbodems van mariene oorsprong uit het Plioceen. Ze zijn enkele miljoenen jaren oud en vormen als het ware een laag boven een veel oudere porfirische ondergrond. In het zand worden zelfs fossiele schelpen gevonden. IJzer, magnesium en kalium behoren tot de mineralen die in deze bodems aanwezig zijn. Plaatselijk komen ook leemachtige afzettingen voor. Die zandbodem is bijzonder arm en heeft een uitstekende drainage. Water en voedingsstoffen zijn er beperkt beschikbaar en de natuurlijke groeikracht van de wijnstok blijft daardoor eerder gering.

Lessona heeft daardoor binnen Alto Piemonte een zeer herkenbare eigen identiteit. De lichte, losse zandbodem draagt bij tot wijnen met minder gewicht, een verfijnd karakter en een opvallend aromatisch profiel.

Een van de historische plekken is San Sebastiano allo Zoppo. Op deze heuvel bezit Tenute Sella vandaag nog wijngaarden en er bestaan documenten waarin hier al in 1436 een wijngaard wordt vermeld. Zes eeuwen later groeit er nog altijd Nebbiolo. De San Sebastiano allo Zoppo van Tenute Sella proefden we ondertussen al verscheidene keren en telkens wist hij ons te verrassen. De laatste keer was in Trattoria dell’Orso in Orvieto, waar ik een flesje 2012 in het aanbod zag staan. De uitbater glunderde toen ik het bestelde. Even later wisten we waarom!

Uiteraard Spanna, bijna steeds alleen!

Lessona kreeg zijn DOC in 1976. Zoals we ondertussen gewend zijn in Alto Piemonte heet Nebbiolo hier Spanna en hij moet minstens 85 procent van de assemblage uitmaken. Net zoals in de meeste appellaties van Alto Piemonte mag een Lessona dus perfect uit 100 procent Nebbiolo bestaan.

Besluit men toch te blenden, dan mag de resterende 15 procent bestaan uit Vespolina en Uva Rara, afzonderlijk of samen. Croatina behoort niet tot de toegelaten druivenrassen voor de DOC Lessona.

Bij veel producenten ligt het aandeel Nebbiolo trouwens dicht tegen 100 procent aan. Proprietà Sperino bracht bijvoorbeeld al een Lessona uit die volledig uit Nebbiolo bestond, terwijl andere producenten kleine hoeveelheden Vespolina gebruiken om extra florale en kruidige nuances toe te voegen.

De klassieke Lessona moet minimaal 22 maanden rijpen, waarvan minstens 12 maanden op hout. Voor de Riserva zijn de regels sinds 2026 gewijzigd. De verplichte rijping bedraagt nu minimaal 42 maanden, waarvan 30 maanden op hout. Oudere publicaties kunnen nog wijzen op een verplichte rijping van 46 maanden. Dat was tot het voorjaar van 2026 dus correct.

Ook de regels rond de vermelding vigna werden aangepast. Die kan voortaan zowel bij Lessona als bij Lessona Riserva worden gebruikt wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan en de druiven volledig uit de vermelde wijngaard afkomstig zijn. Voor gewone Lessona bedraagt het maximale rendement 8 ton per hectare. Voor Riserva ligt dat op 7,2 ton.

Voor alle duidelijkheid: de benaming vigna verwijst dus naar een wijn waarvan de druiven afkomstig zijn uit één welbepaalde en officieel vermelde wijngaard. San Sebastiano allo Zoppo is daar een voorbeeld van.

Hoe smaakt Lessona?

Lessona behoort tot de meest verfijnde Spannawijnen in Alto Piemonte. De kleur is meestal vrij licht en evolueert met de jaren van robijn naar granaat.

Rode bessen, kersen, rozen en viooltjes vormen vaak de basis. Citrus duikt opvallend geregeld op, vooral sinaasappel en sinaasappelschil. Met flesrijping komen gedroogde bloemen, kruiden, tabak en aardse tonen naar voren.

In de mond valt vooral de combinatie van frisse zuren, fijne tannine en een vrij licht mondgevoel op. De wijn heeft voldoende complexiteit en lengte, zonder zwaar of massief te worden. In verschillende beschrijvingen van Lessona duiken ook zilte toetsen en zelfs associaties met jodium op. Het is verleidelijk om die indruk rechtstreeks aan de mariene zandbodem te koppelen, maar dat zou ik toch durven nuanceren.

Wat wel duidelijk is: Nebbiolo gedraagt zich op deze arme zandbodems anders dan op compactere bodems. Lessona combineert een hoge natuurlijke zuurgraad met een relatief lichte structuur en aromatische verfijning. De tannine kan in jonge wijnen behoorlijk aanwezig zijn, maar voelt door het beperkte gewicht van de wijn anders aan dan bij krachtigere Nebbiolo.

We hebben dus zelf perfect kunnen ervaren dat een goede Lessona ook bijzonder geschikt is voor flesrijping. De primaire rode vruchten verdwijnen langzaam naar de achtergrond en gedroogde bloemen, kruiden, tabak en aardse aroma’s nemen hun plaats in.

Twintig hectare gedeeld door negen

Lessona kan je echt geen mastodont noemen. Het is en blijft een minuscule wijnregio met weinig mogelijkheden tot echt grote expansie. De actuele oppervlakte wijngaarden wordt op ongeveer twintig hectare geschat. Het Consorzio vermeldt negen producenten die Lessona maken. Tel dus zelf maar uit wat de gemiddelde grootte is per producent.

Tenute Sella vormt zowat het historische ankerpunt. Comino Sella kocht er in 1671 wijngaarden en de familie bleef sindsdien actief in de wijnbouw. Het merendeel van hun wijngaarden ligt weliswaar in Bramaterra, maar afhankelijk van de diverse bronnen wordt hun aandeel in Lessona tussen de 5 en 7 hectare geschat. Een zwaargewicht tussen de producenten dus.

Een tweede cruciale naam die we absoluut moeten melden, is uiteraard Proprietà Sperino. Paolo De Marchi, bekend van Isole e Olena in Chianti Classico, keerde eind jaren negentig terug naar de familiale wortels in Lessona. Samen met zijn zoon Luca bouwde hij Proprietà Sperino uit tot een van de producenten die de appellatie internationaal opnieuw op de kaart zette. Alleen al de bekendheid van de naam De Marchi zorgde ervoor dat Lessona opnieuw veel meer aandacht kreeg buiten de regio.

Massimo Clerico vertegenwoordigt een veel kleiner bedrijf, eveneens met diepe lokale roots. Zijn familie bewerkt hier al sinds de achttiende eeuw wijngaarden en bezit vandaag slechts enkele hectare. Zijn Lessona behoort tot de wijnen die bijzonder goed tonen hoe licht van kleur en tegelijk uitgesproken een Nebbiolo van deze zandbodems kan zijn.

Daarnaast zijn onder andere Pietro Cassina, Colombera & Garella, La Prevostura, Noah, Villa Guelpa en La Badina actief binnen de appellatie.

Twintig hectare blijft natuurlijk twintig hectare. Maar misschien spreken we in de toekomst net iets anders over Lessona en staan er wel opnieuw voldoende sterke producenten klaar om van die paar zandige heuvels serieus werk te maken. Het wat slaperige dorpje zal er niet onmiddellijk door veranderen. De wijnen blijven me echter stuk voor stuk bekoren.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends
  5. Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG
  6. Alto Piemonte op zondag: Ghemme, Spanna op klei en keien

Bicerin, n poc ’d tut uit Turijn

Van de zomer tijdens ons verblijf in Piemonte is het er eindelijk van gekomen. Een bezoek aan Torino, Turijn dus. Tijdens onze talloze vorige bezoeken was het nooit ook maar voor een seconde bij me opgekomen om halt te houden in de hoofdstad van deze mooie regio. De blik was steeds gericht op de wijngaarden, weet je wel.

Dat daar verandering in is gekomen, stemt me wel gelukkig. Torino is voor de volle honderd procent meegevallen en we hebben enorm genoten van ons bezoek aan de stad. Vooraf had ik thuis drie zaken in het vet aangevinkt: vermouth, chocolade en bicerin.

Bicerin zal de meesten niet zo bekend in de oren klinken als vermouth en chocolade. Hopelijk kan ik daar met dit artikel verandering in brengen, want ik kan nu met recht en reden aangeven dat het nuttigen van een bicerin tijdens een bezoek aan Torino bijna een verplichting is. Zelfs in een warme zomer zoals we die dit jaar beleefden.

Een glaasje bicerin

Door deze titel denken jullie waarschijnlijk dat ik het alweer over ‘drank’ heb. Wel, dit vermoeden is juist, maar bij een bicerin komt er geen alcohol aan te pas. Het is een koffie! Of neen, het is hoegenaamd geen koffie. Het is een bicerin.

Maar wat is dat dan exact? In de eerste plaats is het een vloeibare lekkernij die ergens tussen koffie, warme chocolademelk en een dessert in zit. De samenstelling is op het eerste gezicht zeer eenvoudig. Koffie, chocolade en room. Meer heb je niet nodig om een bicerin te maken.

Daar hebben ze in Torino ondertussen al ruim twee eeuwen hun specialiteit van gemaakt. Je kan er op heel wat plaatsen van genieten, vaak in combinatie met de meest oogstrelende chocoladepralines en gebakjes.

Wie er eentje voor zich krijgt, heeft onmiddellijk zin om ervan te proeven. Onderaan donkere chocolade, daarboven koffie en helemaal bovenaan een witte laag room. Alles in een klein transparant glas, zodat je de verschillende lagen mooi kunt zien.

Je krijgt er een lepeltje bij, maar dat is enkel voor de onwetende toeristen. Je wordt niet verondersteld dit te gebruiken. Je drinkt een bicerin rechtstreeks uit het glas, zodat koude room, hete koffie en warme chocolade pas in je mond samenkomen. Verboden te roeren dus!

De naam bicerin komt trouwens uit het Piëmontese dialect en verwijst naar het kleine glas waarin de drank oorspronkelijk werd geschonken.

Het begon met de bavareisa

Voor het ontstaan van bicerin moeten we terug naar het Turijn van de achttiende eeuw. Koffiehuizen kregen een steeds belangrijkere plaats in het dagelijkse leven en chocolade was in Piemonte al lang geen onbekende meer.

In die tijd dronk men onder meer bavareisa. Dat was een warme drank met koffie, chocolade, melk en siroop, geserveerd in vrij grote glazen. Deze bavareisa zou uiteindelijk de basis vormen voor de latere bicerin.

Om dat te kaderen nemen we je even mee naar Piazza della Consolata. Daar opende in 1763 een klein koffiehuis dat vandaag nog steeds bestaat en ondertussen is uitgegroeid tot een van de bekendste historische koffiehuizen van Torino: Caffè Al Bicerin. Het ligt pal tegenover het Santuario della Consolata en ook wij hielden er uiteraard halt. Het was een van onze stops om de verschillende bicerin in Torino aan een smaaktest te onderwerpen.

Aanvankelijk werden de ingrediënten er nog op verschillende manieren gecombineerd. In de negentiende eeuw kon je in Caffè Al Bicerin drie versies bestellen.

Pur e fiur bestond uit koffie met melk of room en kunnen we enigszins beschouwen als een verre voorloper van de cappuccino.

En dan was er ’n poc ’d tut. Ofwel, een beetje van alles. Koffie, chocolade én room. Deze versie bleek veruit het populairst. De andere varianten verdwenen steeds meer naar de achtergrond en uiteindelijk bleef alleen ’n poc ’d tut over.

Alleen de naam veranderde. Het werd bicerin.

Drie soldi en je had er eentje

Vandaag klinkt koffie met chocolade en room behoorlijk luxueus. Voor twee bicerin bij Caffè Al Bicerin, inclusief koekjes, betaalden we 21,00 euro. In het negentiende eeuwse Turijn was bicerin echter een enorm populair drankje. Werkelijk iedereen dronk hem. Historische beschrijvingen hebben het over ministers, magistraten, professoren en winkeliers, maar evengoed over koeriers, straatverkopers, ambachtslieden en boeren.

Dat had natuurlijk ook met de prijs te maken. Vanaf het midden van de negentiende eeuw betaalde je drie soldi, goed voor 15 centesimi van een lire. Die prijs bleef bijzonder lang overeind. Pas op 5 december 1913 werd hij verhoogd naar 20 centesimi. Omgerekend naar vandaag en rekening houdend met de huidige koopkracht zou die 15 centesimi ongeveer 0,80 euro vertegenwoordigen.

Er passeerden uiteraard ook beroemde klanten. Camillo Benso di Cavour en Alexandre Dumas worden met de drank in verband gebracht. Andere verhalen noemen onder meer Puccini, Nietzsche en Picasso als vereerde tooghangers in dit historische caffè.

Op aanraden van onze host bij Relais Dal Cavaliere trokken we nog naar een ander adres. Angela had jarenlang in Torino gewoond en toen ze onze plannen vernam, raadde ze ons aan om zeker eens langs te gaan bij Pasticceria Stratta. Ze serveren er bicerin, maar je kan er ook de meest waanzinnig lekkere caramelle, gianduiotti, pralines en andere pasticcini bij bestellen. We namen haar raad ter harte en smikkelden erop los bij onze bicerin.

De eerlijkheid gebiedt ons wel te zeggen dat de bicerin die we er kregen in de verste verte niet kon tippen aan die van Caffè Al Bicerin.

Zelf aan de slag: onze bicerin

Wil je zelf een bicerin maken, dan vraagt vrijwel ieder modern recept dat je tegenkomt om een espresso. Logisch misschien, we zijn tenslotte in Italië. Historisch klopt dat uiteraard niet. Toen bicerin ontstond, bestond de moderne espressomachine nog niet. De koffie die men toen gebruikte, was dus anders dan de korte, geconcentreerde espresso die wij vandaag kennen.

Hoezeer ik ook een espressoadept ben, voor dit recept ben ik voor een aromatische koffie uit de moka gegaan.

Dit is wat je nodig hebt voor vier glazen:

200 ml koffie
200 g donkere chocolade
30 ml volle melk
30 g kristalsuiker
50 g verse vloeibare room
eventueel wat cacaopoeder of gemalen koffie voor de afwerking

Smelt de chocolade au bain marie samen met de melk. Voeg de suiker toe en meng goed. De chocolade moet behoorlijk dik en goed warm blijven. Dat helpt om straks de verschillende lagen mooi van elkaar gescheiden te houden.

Klop ondertussen de room volledig op en zet de koffie.

Verdeel de nog hete gesmolten chocolade over vier kleine glazen. Schenk vervolgens voorzichtig de koffie over de chocolade en werk af met de koude opgeklopte room.

Wie wil, kan er nog wat cacao of gemalen koffie over strooien.

Meteen serveren.

En dat lepeltje? Laat maar liggen.

Alto Piemonte op zondag: Ghemme, Spanna op klei en keien

Gattinara en Ghemme worden vaak in één adem genoemd. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komt dit omdat het de twee DOCG appellaties van Alto Piemonte zijn. Bovendien grenzen ze aan elkaar en worden ze enkel gescheiden door de Sesia. Hoewel de afstand tot Gattinara beperkt is, is de stijl van de wijn toch anders.

Beide plaatsen liggen amper 10 kilometer uit elkaar. In principe is dat niet echt verwonderlijk, want alle appellaties van Alto Piemonte liggen als het ware op een steenworp van elkaar. Toch belanden we hier in een andere wereld. Alleen al door de Sesia over te steken, komen we in een andere provincie terecht. Met Ghemme belanden we immers in Novara, terwijl Gattinara in Vercelli ligt. De DOC Ghemme werd erkend in 1969, twee jaar na Gattinara. In 1997 volgde de promotie naar DOCG.

Ghemme mag dan wel de tweede grote naam zijn, een bezoek aan het dorp is zo voorbij. Het heeft een klein centrum en buiten het bord dat aangeeft dat Ghemme deel uitmaakt van de wijngebieden van Alto Piemonte, doet weinig vermoeden dat je hier in een vooraanstaand wijngebied bent terechtgekomen.

Dat wil helemaal niet zeggen dat er geen grandeur te vinden is. Wij hielden halt bij Ioppa, een van de grotere producenten in Ghemme. Ze beschikken over een mooi uitgerust proeflokaal waar je terechtkunt en met de glimlach wordt verder geholpen.

Op een plateau van ijs en water

De productiezone van Ghemme omvat delen van de gemeenten Ghemme en Romagnano Sesia. De wijngaarden bevinden zich tussen 220 en 400 meter hoogte en liggen op de heuvels die zich boven de vlakte van de Sesia verheffen. Hun ontstaan is rechtstreeks verbonden met de gletsjers die tijdens het Pleistoceen vanuit het massief van Monte Rosa naar het zuiden kwamen.

De bodems van Ghemme worden vaak eenvoudigweg omschreven als morenegronden. Dat is eigenlijk wat te kort door de bocht. Hier vinden we een combinatie van glaciale en alluviale afzettingen. Bij het smelten en terugtrekken van de oude gletsjers werden enorme hoeveelheden gesteente en sediment achtergelaten en verplaatst. Ook waterlopen en de Sesia speelden vervolgens een rol in de verdere afzetting van fijner materiaal.

Onder de wijnstokken vinden we daardoor een behoorlijk bont mengsel van klei, leem, zand en keien, met daarin onder meer graniet, kwarts en ander verweerd gesteente. Vooral de hoeveelheid klei is kenmerkend voor Ghemme. De combinatie met het door de Sesia aangevoerde slib maakt de bodems bovendien vruchtbaarder en rijker aan voedingsstoffen en organisch materiaal dan in veel andere delen van Alto Piemonte.

Ook binnen Ghemme zijn de verschillen duidelijk. Op het plateau is de bodem dieper, compacter en rijker aan klei. Naar de westelijke hellingen toe wordt hij losser en steniger en neemt het aandeel zand en keien toe. Een vrij kleine appellatie blijkt daardoor behoorlijk wat variatie in zijn bodems te herbergen.

Binnen Ghemme genieten enkele afzonderlijke wijngaarden een bijzondere reputatie, zonder dat er een officiële cruclassificatie bestaat. Collis Breclemae behoort tot de bekendste. Daarnaast worden onder meer Collis Carellae en Signore di Bayard afzonderlijk gebotteld als belangrijke wijngaardselecties.

Spanna staat centraal

Nebbiolo, of Spanna zoals hij hier traditioneel wordt genoemd, moet minstens 85 procent van een Ghemme DOCG uitmaken. De resterende 15 procent mag bestaan uit Vespolina en Uva Rara, afzonderlijk of samen. Croatina is niet toegestaan. Een Ghemme mag uiteraard ook volledig uit Nebbiolo bestaan.

Een Ghemme DOCG moet minimaal 34 maanden rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moeten minstens 18 maanden op hout plaatsvinden. Voor een Riserva loopt de minimale rijping op tot 46 maanden, waarvan minstens 24 maanden op hout. De gewone Ghemme mag ten vroegste op 1 september van het derde jaar na de oogst op de markt komen, voor een Riserva wordt dat 1 september van het vierde jaar.

De maximale opbrengst bedraagt 8 ton druiven per hectare. De druiven moeten bij de oogst een minimaal natuurlijk alcoholpotentieel van 12% vol. bereiken. Voor een Riserva ligt dat op 12,5% vol.

Als een producent de naam van een specifieke wijngaard op het etiket wil vermelden, gelden strengere voorwaarden. De vermelding vigna wordt gevolgd door een toponiem of historische wijngaardnaam. De betreffende wijngaard moet minstens zeven jaar oud zijn, de maximale opbrengst daalt naar 7,2 ton druiven per hectare en het minimale natuurlijke alcoholpotentieel stijgt naar 12,5% vol. De wijn uit dat perceel moet bovendien afzonderlijk worden gevinifieerd en bewaard.

Hoe smaakt een Ghemme?

Ghemme is in zijn jeugd vaak een behoorlijk stevige wijn. De tannine kan nadrukkelijk aanwezig zijn en wordt gedragen door frisse zuren. Vooral in de meer geconcentreerde wijnen zorgt dat voor een strakke structuur die enige flesrijping goed kan gebruiken.

In het fruit keren kers en donkere kers regelmatig terug, aangevuld met rode en donkere bessen. Daarnaast behoren viooltjes, gedroogde bloemen, kruiden en peper tot het typische aromatische register. In sommige Ghemme duikt ook een toets van zoethout op.

De kleirijke bodems spelen mee in het karakter van de wijn. Ze leveren vaak Ghemme met meer gewicht en een stevigere tannine. Toch blijft de wijn doorgaans vrij verticaal en fris. Vooral die combinatie van spanning, uitgesproken zuren en een behoorlijke hoeveelheid tannine geeft Ghemme zijn herkenbare karakter.

Ghemme heeft bovendien tijd aan zijn kant. Met flesrijping wordt de tannine zachter en verschuift het fruit naar gedroogde kers en ander gedroogd rood fruit. Tabak, gedroogde bloemen, bosgrond en donkere specerijen komen dan sterker naar voren. Ook een aardse toets en wat leder kunnen zich ontwikkelen.

De betere wijnen uit Ghemme kunnen gemakkelijk vijftien tot twintig jaar ouderen. Bij de beste wijnen en sterke oogstjaren kan dat nog aanzienlijk langer zijn. Vooral de combinatie van zuren, tannine en voldoende fruitconcentratie maakt dat mogelijk. Met de afsluiter van onze masterclass zullen we zelf kunnen testen of dat ook in de praktijk klopt. We openen er namelijk een twintig jaar oude Ghemme.

69 hectare en een twintigtal producenten

Met ongeveer 69 hectare wijngaarden blijft Ghemme een bijzonder kleine DOCG. Toch zijn er een twintigtal producenten actief. De productie blijft eveneens bescheiden. De meest recente productiecijfers komen uit op 2.227 hl Ghemme, goed voor omgerekend bijna 300.000 flessen.

De appellatie is de voorbije jaren wel gegroeid. Nog geen tien jaar geleden werd in verschillende bronnen amper 25 tot 35 hectare aan Ghemme toegeschreven. Vandaag ligt het effectief aangegeven areaal dus ongeveer dubbel zo hoog. De heropleving van Alto Piemonte laat zich hier misschien zelfs meer dan elders voelen.

Antichi Vigneti di Cantalupo behoort tot de historische referenties van Ghemme. De familie Arlunno is al generaties verbonden met de plaatselijke wijnbouw en bezit een belangrijk aandeel van de wijngaarden. Het domein beschikt bovendien over enkele van de bekendste percelen van de appellatie.

Ook Ioppa behoort tot de gevestigde namen. Het domein werd opgericht in 1852 en bleef doorheen verschillende generaties met Ghemme verbonden. Rovellotti kan nog verder terugkijken. De familie heeft roots in Ghemme die minstens tot het einde van de vijftiende eeuw teruggaan en maakt zijn wijn nog altijd in de kelders van het middeleeuwse Ricetto.

Daarnaast moeten we zeker ook melding maken van producenten zoals Torraccia del Piantavigna, Francesco Brigatti, Tiziano Mazzoni en Ca’ Nova. De laatste jaren kwamen daar verschillende nieuwe, voornamelijk kleine producenten bij.

De evolutie in Ghemme is duidelijk nog niet ten einde en blijft dus bijzonder interessant om te volgen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends
  5. Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG

Oostenrijkse Pinot Noir onder de loep

Begin september ging bij wijnclub Het Negende Vat het nieuwe proefjaar van start, en dit voor de 26e keer. Nerveus ben je daar na al die jaren al lang niet meer voor, al waren er dit keer enkele nieuwe leden aanwezig. Wat wel steeds moeilijker wordt, is het invullen van de thema’s die we zullen proeven. Na zoveel tijd hebben we immers al heel wat druiven, regio’s, landen en thema’s aangekaart.

Ook Pinot Noir stond al meermaals op de agenda. Een degustatie volledig gewijd aan Oostenrijk hadden we echter nog niet gedaan. Het initiële idee was om ons uitsluitend op Thermenregion te richten, maar acht verschillende flessen verzamelen, met voldoende variatie in producenten en tegelijk binnen het budget blijven, bleek moeilijker dan gedacht. En dus werd het Pinot Noir uit Oostenrijk in plaats van Pinot Noir uit Thermenregion.

Waar we wel de nodige stress voor kenden, was het tijdig toekomen van de flessen. Ik had ze online besteld in Oostenrijk, maar het bleef lang stil vanuit die richting. Te lang. Kort voor de degustatiedatum kreeg ik bericht dat men niet naar België leverde en moest ik in allerijl voor vervanging zorgen.

Dat lukte wonderwel, al volgde er nog een laatste verrassing. Kollwentz Ried Dürr 2021 stond aanvankelijk op het programma, maar de fles arriveerde gebroken. Weingut Leth Pinot Noir Reserve 2022 uit Wagram nam zijn plaats in. Bij de selectie nam ik de punten van Falstaff mee als maatstaf.

Pinot Noir en Oostenrijk: enkele weetjes

  • Pinot Noir wordt in Oostenrijk ook Blauburgunder of Blauer Burgunder genoemd.
  • Pinot Noir is zo oud dat zijn exacte ouders niet met zekerheid bekend zijn. Genetisch onderzoek toont wel een directe verwantschap in de eerste graad met Savagnin, ook bekend als Traminer.
  • 602,74 hectare is het cijfer achter de totale Oostenrijkse aanplant. Dat is amper 1,4% van het wijngaardareaal. Het zwaartepunt ligt duidelijk in Niederösterreich en Burgenland, met respectievelijk 303,71 en 241,16 hectare. De rest staat niet eens op de finishfoto.
  • Binnen Niederösterreich is Thermenregion de belangrijkste regio voor Pinot Noir. In Burgenland ligt de grootste aanplant in Neusiedlersee.
  • In Oostenrijk wint Pinot Noir steeds meer aan belang. Austrian Wine benadrukt daarbij dat de druif middelmatig laat tot laat rijpt en goede, vroeg opwarmende wijngaarden nodig heeft. Warme bodems waarin de wortels diep kunnen doordringen en die tegelijk voldoende water beschikbaar houden, zijn een duidelijke troef. Pinot Noir blijft wel veeleisend en is bijzonder gevoelig voor Botrytis en chlorose.
  • Veel daarvan klinkt natuurlijk bekend voor iedereen die Pinot Noir ook buiten Oostenrijk volgt.
  • Qua aanplant is Pinot Noir de vierde blauwe druif van Oostenrijk, na Zweigelt, Blaufränkisch en de onvermijdelijke Merlot.
  • Kalk komt opvallend vaak terug op interessante Oostenrijkse Pinot Noirlocaties. Dat kan kalksteen zijn, kalkrijke löss, kalkschotter of kalkhoudende sedimenten.
  • Falstaff rangschikt in zijn Rotweinguide jaarlijks ook de beste Oostenrijkse Pinot Noirs. In de editie 2026 ging de eerste plaats naar Weingut Hartl Ried Kräutergarten Beere für Beere 2023. Ried Graf Weingartl 1ÖTW 2023 van hetzelfde domein en Familie Reinisch Gumpoldskirchen Alte Reben 2023 eindigden eveneens helemaal bovenaan. Thermenregion was dus bijzonder sterk vertegenwoordigd.
  • Beere für Beere viel buiten ons budget. De andere twee stonden wel op de proeftafel, zij het niet in hetzelfde jaartal.

Waarom Thermenregion en Pinot Noir?

Wie Oostenrijkse Pinot Noir wat verder uitspit, belandt vrij snel in Thermenregion. De regio heeft geen officieel kroontje op het hoofd en Pinot Noir is er zelfs lang niet de meest aangeplante druif. Zweigelt, Grüner Veltliner en ook St. Laurent staan er meer. Qua bekendheid moet Pinot Noir bovendien concurreren met Rotgipfler en Zierfandler, twee druiven die veel sterker met Thermenregion worden vereenzelvigd.

Toch geldt Thermenregion vandaag als dé referentie voor Oostenrijkse Pinot Noir. Met 113,28 hectare neemt de druif er 6,2 procent van het wijngaardareaal in. Dat lijkt weinig, maar voor Oostenrijk is het behoorlijk veel. Vooral in het zuidelijke deel, rond Tattendorf en Oberwaltersdorf, heeft Pinot Noir al lang een vaste plaats. Ook verder noordelijk, rond Gumpoldskirchen en de hellingen van de Anninger, vinden we interessante percelen.

Het klimaat is hier een duidelijke troef. Vanuit het oosten komt warme Pannonische lucht binnen, terwijl het Wienerwald voor verkoeling en frissere nachten zorgt. Zo krijgt Pinot Noir voldoende warmte om rijp te worden zonder dat de zuren te snel verloren gaan.

Daar komt de bodem bij. Kalk loopt als een rode draad door een groot deel van Thermenregion. Kalksteen, kalkrijke sedimenten, kalkschotter, grind en leem wisselen elkaar af. Rond Tattendorf en Oberwaltersdorf zijn de bodems vaak arm en goed drainerend. Richting Gumpoldskirchen verandert de geologie, maar ook daar speelt kalk opnieuw een belangrijke rol. Precies die combinatie van warmte, nachtelijke afkoeling en kalkrijke bodems geeft Pinot Noir hier bijzonder goede kaarten.

Alleen terroir maakt natuurlijk nog geen reputatie. Thermenregion heeft daarnaast een opvallende concentratie producenten die Pinot Noir al jaren ernstig nemen en verschillende wijngaarden afzonderlijk bottelen. Daardoor is er ondertussen ook een duidelijke kwaliteitsgeschiedenis opgebouwd. Dat zie je terug in proeverijen en competities.

Dat is misschien het doorslaggevende argument. Thermenregion heeft niet alleen geschikte omstandigheden voor Pinot Noir, er bestaat ook al eeuwen ervaring met Bourgondische druivenrassen. Daarbovenop bewijzen meerdere producenten jaar na jaar dat hier op hoog niveau Pinot Noir kan worden gemaakt.

De degustatie

Hieronder kan je mijn proefnotities vinden van de wijnen die op de proeftafel stonden.

1. Josef Pöckl Pinot Noir Classique 2022, Burgenland

100% Pinot Noir. Afkomstig uit Mönchhof in Burgenland, van kalkrijke en zandige bodems. Rijping gedurende 15 maanden in gebruikte vaten. Robijn tot kersenrood en tranend. Meteen een vrij open neus met kers en klein rood fruit, aangevuld met zoete kruiden zoals kaneel en een lichte toets van zoethout. Zeer geparfumeerd. Verder wat dierlijke toetsen en geuren van de houtlagering. In de mond sappig en vlot, met frisse zuren, soepele tannine en opnieuw dat kruidige karakter. Correcte lengte en een afdronk die wat peper en tabak brengt. Geen complexe wijn en ook niet onmiddellijk eentje die blijft boeien.

Punten: 75/100 – Prijs: 18,50 € – Punten Falstaff: 93
Te koop bij: Wine at the heart

2. Weingut Leth Pinot Noir Reserve 2022, Wagram

100% Pinot Noir uit Ried Brunnthal in Fels am Wagram. Zuidgerichte terrassen rond 300 meter op diepe lössbodems met een zeer hoog kalkgehalte. Rijping voor 18 maanden in barriques. De kleur is helder. Meer neigend naar granaatrood dan naar robijn. In de neus aardbei, framboos en kers, met daarnaast rozenbottel en florale toetsen van viooltjes. Daar komen peper, bosgrond, ceder en champignon bij, met een lichte geroosterde indruk van de houtlagering. In de mond fijne, smakelijke zuren en soepele tannine. Een wijn met een speels karakter en een behoorlijke lengte. Een vrij complete wijn die toegankelijk blijft.

Punten 87/100 – Prijs: 21,10 € – Punten Falstaff: 92
Te koop bij: Wijnkennis

3. Johanneshof Reinisch Pinot Noir Gumpoldskirchen Alte Reben 2022, Thermenregion

100% Pinot Noir. Afkomstig van oude stokken op de zuidoostgerichte hellingen van de Anninger bij Gumpoldskirchen, op kalksteen. Gedeeltelijke whole cluster fermentation, gevolgd door 16 maanden rijping in houten vaten van verschillende grootte. Zuivere kersenrode kleur met een paarse glans. Tranend. De neus is duidelijk complexer, met rood fruit, donkere bessen, viooltjes, peper en een lichte animale toets. Daar komen cacao, ceder en wat zoetkruidigheid bij. Vrij stevig mondprofiel met meer structuur en duidelijk aanwezige tannine. Framboos en donkerder fruit keren terug, gevolgd door een lange afdronk. Een ander type Pinot Noir, maar wel een heel lekkere!

Punten 88/100 – Prijs: 25,60 € – Punten Falstaff: 93
Te koop bij: Entrepot du Vin

4. Heinrich Hartl Pinot Noir Ried Kräutergarten 2022, Thermenregion

100% Pinot Noir uit Ried Kräutergarten in Oberwaltersdorf. Arme alluviale grindbodem met zeer hoog kalkgehalte. 65% ontsteeld en gekneusd, 25% volledige bessen en 10% volledige trossen. 18 maanden rijping in Franse barriques, waarvan 50% nieuw. Heldere en zuivere granaatrode kleur. In de neus veel klein rood fruit, een waaier van rozen, kruiden en munt, met daarnaast een lichte cederhouttoets. Wat een enorm verfijnd mondprofiel met stevige maar goed omringde zuurtjes. Het fruit blijft mooi aanwezig en de kruidigheid loopt door tot in de afdronk. Het karakter is speels, sappig, complex en supersmakelijk!

Punten 91/100 – Prijs: 27,80 € – Punten Falstaff: 93
Te koop bij Wijnkennis

5. Willi Bründlmayer Pinot Noir 2019, Kamptal

100% Pinot Noir uit Langenlois, voornamelijk afkomstig uit Dechant en Käferberg. Bodems met kalkrijke löss en leem, aangevuld met oud gesteente, grind, kleimergel en mariene afzettingen. 18 maanden rijping in gebruikte Oostenrijkse en Franse eiken vaten. Met 2019 als oudste wijn van de degustatie en hoewel de kleur met zijn zuivere kersenrode glans dat nog niet verraadt, merk je het vrij snel in de geurfase. De neus toont meer tertiaire aroma’s, naast een ware fruitmelange van verse vruchten, viooltjes en kruiden. Ook leder, potgrond, theebladeren en ceder komen naar voren. Het hout is mooi geïntegreerd. In de mond zijn de zuren nog mooi aanwezig en is de tannine verfijnd, maar nog stevig aanwezig. De extra flesrijping heeft de wijn duidelijk wat zachter en complexer gemaakt.

Punten 90/100 – Prijs: 29,90 € – Punten Falstaff: 92
Te koop bij: Niet te koop gevonden in België

6. Paul Achs Pinot Noir Reserve Selektion P 2022, Burgenland

100% Pinot Noir uit een selectie van percelen rond Gols. Kalkrijke bodems met leem, zand en kalksteen. Vergisting in inox en 17 maanden rijping in barriques en vaten van 300 liter, met 15% nieuw hout. Duidelijk tranend en kersenrood van kleur. De neus opent met aardbei en viooltjes, gevolgd door een animale toets, laurier, cacao en wat donkerder fruit. Het hout is hier subtiel aanwezig en zit mooi verweven in het bouquet. In de mond behoorlijk vol en rijk, met rijp fruit. De houtlagering manifesteert zich bij het proeven duidelijk sterker dan bij het ruiken. Het geheel blijft lang aanwezig, is zeer kruidig en behoorlijk sappig.

Punten 90/100 – Prijs: 42,50 € – Punten Falstaff: 94 tot 96
Te koop bij: Vitis Vin

7. Heinrich Hartl Pinot Noir Ried Graf Weingartl 1ÖTW 2021, Thermenregion

100% Pinot Noir uit Ried Graf Weingartl in Oberwaltersdorf. Ondiepe alluviale bodem met 30 tot 50 cm Schwarzerde boven zuiver kalkschotter. 55% ontsteeld en gekneusd, 30% volledige bessen en 15% volledige trossen. Spontane vergisting en 16 maanden rijping in Franse barriques, waarvan 50% nieuw. Tranend en een zuivere kersenrode kleur. Van bij de start ben je bedwelmd door een subliem zalig geurprofiel dat Pinot Noir ademt. Alles is tot in de perfectie geïntegreerd. Speels rood fruit, pepermunt, kaneel, sigarenkistje, bosgrond, paddenstoel, parfum en licht vlezig. Bij het walsen komt er telkens wel iets nieuws opzetten. Ook in de mond valt die perfecte balans op. Sappig, lang aanhoudend, met zuren en tannine die bijzonder mooi op hun plaats zitten. Alles klopt hier, zonder dat één element zich opdringt. Voor mij een van de meest complete wijnen van de avond.

Punten 94/100 – Prijs: 37,20 € – Punten Falstaff: 95
Te koop bij: Wijnkennis

8. Johanneshof Reinisch Pinot Noir Ried Holzspur 2020, Thermenregion

100% Pinot Noir uit Ried Holzspur in Tattendorf. Dunne bruine bodemlaag boven kalkrijke gletsjerafzettingen. Vergisting en maceratie in houten Stockinger kuipen, met 70% volledige bessen en 30% volledige trossen. Daarna 14 maanden rijping in barriques, waarvan 45% nieuw hout. De kleur is wat donkerder en ook de neus heeft meer diepte, met kers, myrtille en een puntje zwart fruit. Florale toetsen van viooltjes. Heel kruidig profiel en de houtopvoeding is duidelijk aanwezig maar mooi geïntegreerd. In de mond vol en sappig, met kracht, frisse zuren en een mooi opgebouwde tannine. De kruidigheid neemt toe richting finale en de wijn blijft lang doorgaan. Een krachtige en zeer smakelijke Pinot Noir.

Punten 93/100 – Prijs: 51,50 € – Punten Falstaff: 94
Te koop bij: Entrepot du Vin

Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG

We hebben de contouren van Alto Piemonte de voorbije drie zondagen voldoende geschetst. Laat ons eens wat meer in detail ontdekken welke appellaties er te vinden zijn en wat er zo specifiek aan is.

Ere wie ere toekomt en dus is de grootste aandacht weggelegd voor Gattinara DOCG. Gattinara ligt ten westen van de Sesia, in de provincie Vercelli. De DOCG beperkt zich volledig tot het grondgebied van de gemeente Gattinara. Met ongeveer 90 tot 100 hectare wijngaarden blijft het naar internationale normen piepklein, maar binnen Alto Piemonte behoort het tot de grotere en belangrijkste appellaties.

Als je Gattinara samen met de andere appellaties bezoekt, merk je ook dat dit het grootste en bedrijvigste dorpje is, want dat is het wel degelijk. Betekent dit ook dat Gattinara de uitstraling heeft van een wijndorpje? Verre van zelfs. Als je de Enoteca Regionale di Gattinara e dell’Alto Piemonte buiten beschouwing laat, zou je misschien zelfs verdwaald raken in je zoektocht naar wijn.

Moeilijk is dat niet, want vandaag wordt Gattinara DOCG door amper een veertiental producenten gemaakt. En ze hebben lang niet allemaal hun domein in Gattinara. Ironisch genoeg zijn in een omgeving als Alto Piemonte veertien producenten zelfs ‘veel’ te noemen. Bij de andere appellaties die we nog gaan bespreken, zal blijken hoe relatief dat begrip hier wel is.

Alles op één heuvel

De wijngaarden van Gattinara liggen opvallend geconcentreerd op één heuvel ten noorden en noordwesten van het dorp. Ze bevinden zich ruwweg tussen 300 en 480 meter hoogte. En met die heuvel komen we terecht bij wat we in het geografieartikel over Alto Piemonte al schreven. Dit is de vulkanische heuvel waarvan de oorsprong teruggaat tot de enorme vulkanische activiteit van ongeveer 280 miljoen jaar geleden.

De wijngaarden liggen er op zeer oude, zure en bijzonder arme bodems die zijn ontstaan uit de verwering van vulkanisch gesteente. Vooral porfier is kenmerkend. Het gesteente bevat veel ijzerhoudende mineralen, wat ook de roodachtige kleur van de bodem mee verklaart. Op verschillende plaatsen ligt het verweerde gesteente gewoon zichtbaar tussen de wijnstokken.

Die bodems bevatten nauwelijks kalk en weinig organisch materiaal. Ze zijn stenig en sterk drainerend, waardoor de wijnstok diep moet wortelen om voldoende water en voedingsstoffen te vinden.

Dat alle wijngaarden op één heuvel liggen, betekent echter niet dat Gattinara één homogeen terroir vormt. De heuvel kent verschillen in hoogte, expositie, hellingsgraad en de mate waarin het vulkanische gesteente is verweerd. Doorheen de geschiedenis kregen verschillende wijngaarden en zones dan ook een eigen naam. Osso San Grato, San Francesco, Molsino, Valferana en Lurghe behoren tot de bekendste.

Ze worden vaak de cru’s van Gattinara genoemd, al zijn het geen officieel afgebakende cru’s of MGA’s zoals we die in Barolo kennen. Verschillende van deze historische wijngaardnamen verschijnen vandaag wel op het etiket van afzonderlijke bottelingen.

Spanna steelt de show

Heel wat Gattinarawijnen die we tegenkomen, zijn monocépages van 100% Nebbiolo, of Spanna zoals hij hier traditioneel wordt genoemd. Nochtans hoeft dit niet zo te zijn, want Nebbiolo moet minstens 90 procent van een Gattinara DOCG uitmaken. Dat wil zeggen dat er een kleine ruimte is voor de andere toegelaten druivenrassen. Vespolina mag maximaal 4% van de assemblage uitmaken en Uva Rara maximaal 10%. Samen mogen ze nooit meer dan 10% vertegenwoordigen. Croatina is niet toegestaan voor een Gattinara DOCG.

Gattinara kreeg zijn DOC in 1967 en promoveerde in 1990 tot DOCG. Daarmee was het de eerste appellatie van Alto Piemonte die de hoogste Italiaanse herkomststatus kreeg.

Een Gattinara DOCG moet minimaal 35 maanden rijpen, waarvan minstens 24 maanden op hout. Voor een Riserva loopt de minimale rijping op tot 47 maanden, waarvan minstens 36 maanden op hout. De druiven voor een Gattinara moeten bij de oogst een minimaal natuurlijk alcoholpotentieel van 12% vol. bereiken. Voor een Riserva ligt dat op 12,5% vol.

Wat krijg je in het glas?

Gattinara behoort binnen Alto Piemonte tot de stevigere en rijpere wijnen. Verwacht daarbij geen donkere krachtpatser. De kleur is vrij transparant robijnrood en evolueert al vrij snel naar granaatrood.

In de neus staat rood fruit vaak centraal, met kers en framboos, aangevuld met rozen, viooltjes, kruiden en geregeld een aardse, rokerige of ijzerachtige toets. Vooral dat laatste wordt nogal eens met Gattinara geassocieerd. Met flesrijping verschuift het fruit meer naar de achtergrond en komen gedroogde bloemen, tabak, leer en aardse aroma’s nadrukkelijker naar voren.

De zuren zijn uitgesproken en de tannine is duidelijk aanwezig. In jonge wijnen kan die combinatie behoorlijk strak overkomen, al is de tannine vaak fijner dan het stevige profiel op het eerste gezicht doet vermoeden. Met enkele jaren flesrijping wordt die tannine zachter en komen fruit, zuren en kruidigheid meer bij elkaar.

De meeste Gattinarawijnen kunnen gemakkelijk enkele tientallen jaren verder ontwikkelen en oude flessen kunnen nog verrassend levendig zijn. Antoniolo heeft doorheen de jaren meermaals oude jaargangen uit de eigen kelders opnieuw op de markt gebracht en daarmee overtuigend aangetoond hoe goed Gattinara kan ouderen.

Zestig hectare in dezelfde handen

Met amper een veertiental producenten is het sowieso een kleine wereld, maar zelfs daarbinnen zijn de verhoudingen opmerkelijk. Travaglini bezit ongeveer 60 van de zowat 100 hectare wijngaard van Gattinara. Eén familie heeft dus meer dan de helft van de appellatie in handen.

Travaglini werd internationaal ook het herkenbaarste gezicht van Gattinara. Het domein kreeg vanaf 1958 onder Giancarlo Travaglini zijn huidige vorm. Uit datzelfde jaar dateert de beroemde asymmetrische fles. Die vreemde vorm is tot onze verbazing een bewuste praktische keuze. De gebogen schouder houdt bij het uitschenken het bezinksel tegen, zodat een oudere Gattinara in principe rechtstreeks uit de fles kan worden geschonken. Het ontwerp schopte het zelfs tot de permanente collectie van het Museum of Modern Art in New York.

De andere historische referentie is Antoniolo, opgericht in 1948. Het domein was een pionier in het afzonderlijk bottelen van wijngaarden binnen Gattinara. Namen als Osso San Grato, San Francesco en Castelle kregen daardoor een eigen plaats op het etiket en hielpen mee om de verschillen tussen individuele wijngaarden zichtbaar te maken.

En dan is er Nervi, dat in 2018 plots opnieuw nadrukkelijk in de internationale belangstelling kwam te staan. Roberto Conterno, van het beroemde Barolohuis Giacomo Conterno, verwierf toen 90% van het historische domein. Dat was een behoorlijk duidelijk signaal. Een van de meest gerespecteerde producenten uit de Langhe zag voldoende potentieel in Gattinara om er zelf zwaar in te investeren.

Samen met onder meer Paride Iaretti, Franchino en enkele andere kleine producenten vormen deze domeinen vandaag een appellatie die numeriek nauwelijks iets voorstelt. Een kleine honderd hectare en een veertiental producenten, meer is Gattinara eigenlijk niet. De reputatie is een stuk groter dan de appellatie zelf.

De toekomst zal uitwijzen of de hernieuwde belangstelling voor Gattinara groot genoeg is om ook nieuwe producenten aan te trekken. Het potentieel is er alleszins!

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Crisisdistillatie: wanneer wijn van de markt moet verdwijnen

Hadden jullie ooit al van het woord crisisdistillatie gehoord? Ik had het zelf in het verleden al wel eens horen waaien, maar er nooit echt aandacht aan geschonken. Het was zo’n begrip dat in mijn dagelijkse wijnwereld nauwelijks opdook.

Daar kwam de afgelopen weken behoorlijk wat verandering in. Het leek wel of crisisdistillatie plots de Italiaanse wijnwereld domineerde. In de dagelijkse berichtgeving dook het woord plots opvallend vaak op. Toonaangevende Italiaanse wijnmagazines schreven artikels over problemen met overschotten en speculeerden over hoe het verder moet.

Crisisdistillatie dus… Voor wie er nog nooit van heeft gehoord, leg ik het graag even uit!

De aanleiding

De Italiaanse druivenoogst 2026 is volop bezig, terwijl in heel wat kelders nog behoorlijk wat wijn van vorige oogsten ligt. Op 31 juli bevond zich volgens Cantina Italia 42,6 miljoen hectoliter wijn in de Italiaanse kelders, 6,9 procent meer dan een jaar eerder. Daar kwam nog eens ruim 3 miljoen hectoliter most bij.

Zo’n voorraadcijfer vraagt enige nuance. Dat er wijn in een kelder ligt, betekent uiteraard niet dat die wijn onverkoopbaar is. Een deel rijpt verder, wacht op botteling of is al bestemd voor toekomstige leveringen. Het probleem ontstaat wanneer de voorraden blijven toenemen terwijl de verkoop vertraagt. En precies die combinatie tekent zich momenteel af.

In de eerste vijf maanden van 2026 daalden de verkopen van wijn in de Italiaanse grootdistributie met ongeveer 2 procent. Ook de export verloor terrein. Tijdens het eerste kwartaal zakten de uitgevoerde volumes met ongeveer 4 procent en de waarde met ruim 8 procent. Er stroomt dus minder wijn uit de kelders, terwijl een nieuwe oogst alweer binnenkomt.

De signalen komen ondertussen uit verschillende Italiaanse wijnregio’s. In Piemonte werd gesproken over ongeveer 50.000 hectoliter overtollige wijn die voor distillatie in aanmerking zou kunnen komen. Vooral de markt voor rode wijn staat er onder druk. Bepaalde rode bulkwijnen die twee jaar geleden nog ongeveer 1,20 tot 1,30 euro per liter opbrachten, zouden inmiddels rond 0,70 euro liggen. Ook de prijzen voor druiven krijgen daardoor klappen.

In Puglia wordt eveneens nadrukkelijk om maatregelen gevraagd. Producenten en sectororganisaties pleiten voor crisisdistillatie, gecombineerd met tijdelijke opslag van wijn. Sicilië trok eerder al aan dezelfde bel. Bij de coöperatieve wijnbedrijven op het eiland lag ongeveer 2,7 miljoen hectoliter wijn opgeslagen, zo’n 20 procent meer dan een jaar voordien.

Piemonte, Puglia en Sicilië verschillen sterk van elkaar in druivenrassen, wijnstijlen en marktstructuur. Dat dezelfde discussie bijna gelijktijdig in deze regio’s opduikt, maakt duidelijk dat we niet meer naar een geïsoleerd lokaal probleem kijken.

Wat is crisisdistillatie?

Het principe is vrij eenvoudig. Wanneer er zoveel wijn op de markt aanwezig is dat de voorraden oplopen en de prijzen sterk onder druk komen te staan, kan een deel van die wijn uit de markt worden genomen en gedistilleerd.

De producent ontvangt daarvoor een vergoeding. De wijn verdwijnt uit het commerciële circuit en wordt omgezet in alcohol. Bij de huidige Europese maatregelen mag die alcohol uitsluitend worden gebruikt voor industriële toepassingen, bijvoorbeeld in de farmaceutische sector, voor desinfectie of voor energieproductie. De alcohol mag dus niet enkele maanden later opnieuw als drank op de markt verschijnen. Anders zou je het probleem alleen maar verplaatsen.

Het spook van de Europese wijnplas

Crisisdistillatie is allesbehalve nieuw. Wie de Europese wijnsector al wat langer volgt, herinnert zich ongetwijfeld de beruchte Europese wijnplas. Decennialang produceerde Europa structureel meer wijn dan het kon verkopen. Miljoenen hectoliter verdwenen via gesubsidieerde distillatie.

Het systeem kreeg steeds meer kritiek omdat een noodmaatregel stilaan een onderdeel van de normale marktwerking was geworden. Producenten konden blijven produceren terwijl Europa mee betaalde om een deel van die productie opnieuw te laten verdwijnen. Het systeem schermde producenten daarmee gedeeltelijk af van de realiteit van de markt: er was onvoldoende vraag naar wat ze produceerden.

Bij de grote hervormingen van de Europese wijnmarkt werd die structurele ondersteuning dan ook grotendeels afgebouwd. De sector moest sterker marktgericht worden en zijn productie beter afstemmen op de werkelijke vraag.

Helemaal verdwenen is crisisdistillatie nooit. In uitzonderlijke omstandigheden kan het instrument opnieuw worden bovengehaald. Dat gebeurde tijdens de coronacrisis en opnieuw in 2023, toen verschillende Europese wijnregio’s met oplopende voorraden en dalende consumptie werden geconfronteerd.

In 2026 staat crisisdistillatie opnieuw nadrukkelijk op de Europese agenda.

Frankrijk en Duitsland kregen al groen licht

Frankrijk kreeg dit voorjaar groen licht voor een uitzonderlijke crisisdistillatie van rode en roséwijnen. Europa stelde daarvoor 40 miljoen euro beschikbaar. De steun mag maximaal 33 euro per hectoliter bedragen.

Ook Duitsland kreeg eind juli toestemming. Daar gaat 14,16 miljoen euro naar de distillatie van rode en roséwijnen met beschermde oorsprongsbenaming uit Württemberg en Rheinhessen.

Dat vooral rode wijn hierbij terugkomt, is geen toeval. Precies dat segment heeft het op verschillende markten moeilijk. De Europese wijnconsumptie verandert en rode wijn krijgt een aanzienlijk deel van de klappen.

Tegen die achtergrond wordt het begrijpelijk dat ook vanuit Italië steeds nadrukkelijker naar crisisdistillatie wordt gekeken.

Hoeveel moet wijn voor crisisdistillatie dan waard zijn?

Dat klinkt misschien als een eenvoudige vraag, maar als je er wat over begint na te denken, merk je vlug dat daar meteen een van de grootste problemen ligt.

Logisch, want een producent zal zijn wijn alleen voor distillatie aanbieden wanneer de vergoeding voldoende interessant is. Wordt die vergoeding te laag vastgesteld, dan houdt hij de wijn liever in zijn kelder of zoekt hij een andere bestemming.

In Italië wordt momenteel gesproken over bedragen van ongeveer 25 tot 30 cent per liter. Vanuit de handel klinkt echter de kritiek dat dit zelfs lager ligt dan wat sommige wijnen kunnen opleveren wanneer ze voor de productie van azijn worden verkocht. Met zo’n vergoeding wordt crisisdistillatie nauwelijks aantrekkelijk.

En dan begint uiteraard opnieuw de politieke discussie. Een vergoeding moet hoog genoeg liggen om daadwerkelijk wijn uit de markt te halen. Ze mag tegelijk geen comfortabele garantie worden waarbij de overheid het commerciële risico van overproductie overneemt. Want zodra een wijnbouwer vooraf weet dat overtollige wijn tegen een interessante prijs kan worden gedistilleerd, ontstaat opnieuw het systeem waarvan Europa twintig jaar geleden probeerde weg te raken. Het was toen net de bedoeling om uit deze vicieuze cirkel weg te komen!

Is er dan ook effectief te veel wijn?

Het antwoord is hierop minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Laten we vertrekken naar de basis waarop ik dit artikel heb gebaseerd, de Italiaanse wijnmarkt.

De Italiaanse oogst van 2025 werd geraamd op ongeveer 47,4 miljoen hectoliter. Dat was 8 procent meer dan in 2024, maar lag ongeveer op het gemiddelde van de voorgaande jaren. De twee oogsten daarvoor waren bovendien vrij klein. Toch zijn de voorraden in 2026 verder toegenomen.

Wat we daaruit kunnen afleiden, is dat het probleem niet uitsluitend bij de productie ligt. De afzet groeit onvoldoende mee met de hoeveelheid wijn die jaarlijks wordt geproduceerd. Binnen bepaalde categorieën daalt de vraag zelfs serieus.

Dat maakt de huidige situatie fundamenteel anders dan de Europese wijnplas van enkele decennia geleden. Toen lag het probleem vooral bij een structureel hoge productie van goedkope wijn waarvoor nauwelijks een markt bestond. Europese steunmaatregelen hielden die productie bovendien gedeeltelijk in stand.

Vandaag ligt het probleem veel sterker aan de andere kant van de markt. De gemiddelde kwaliteit van Italiaanse wijn ligt ondertussen aanzienlijk hoger dan enkele decennia geleden, maar de vraag groeit niet langer mee. Er ligt dus opnieuw te veel wijn in de kelders, alleen is de oorzaak niet helemaal dezelfde.

Dat maakt deze crisis ingewikkelder dan een klassieke situatie waarbij één uitzonderlijk grote oogst toevallig voor volle kelders zorgt. Een kleine oogst een jaar later kan zo’n tijdelijk overschot vrij snel corrigeren. Een structurele verandering in consumptie vraagt iets anders.

Mensen drinken minder wijn. Op verschillende markten daalt vooral de consumptie van rode wijn. Jongere consumenten drinken anders en vaak minder alcohol. De concurrentie van bier, cocktails, alcoholvrije dranken en andere categorieën is groot. Tegelijk ondervindt de export hinder van een zwakke economie, geopolitieke onzekerheid en handelsproblemen.

Dat maakt een structurele oplossing niet gemakkelijk.

Minder produceren komt onvermijdelijk op tafel

Daarom wordt crisisdistillatie in Italië, en ook elders, steeds vaker genoemd samen met andere maatregelen.

Verschillende consorzi beperken ondertussen de rendementen. Uit goede bronnen vernemen we dat er meer dan heftig wordt gediscussieerd over ingrijpende maatregelen, zoals het tijdelijk stopzetten van nieuwe aanplantingen en, in de zwaarst getroffen gebieden, zelfs het rooien van wijngaarden. Verschillende grote Italiaanse wijnorganisaties vragen daarbij om een veel beter beheer van het totale productiepotentieel.

Een paar honderdduizend hectoliter wijn laten verdwijnen kan een acute marktverstoring verzachten. Het kan voorkomen dat prijzen verder instorten en producenten onder hun kostprijs moeten verkopen. Voor bedrijven die met volle tanks aan een nieuwe oogst beginnen, kan dat zelfs noodzakelijk zijn. Maar… de fundamentele verhouding tussen productie en consumptie verandert er niet door.

Een noodrem, geen jaarlijks instrument

Meer dan waarschijnlijk blijft dit probleem de komende jaren op tafel liggen. Crisisdistillatie hoeft daarom geen vies woord te zijn. Een markt kan tijdelijk zo sterk uit balans raken dat ingrijpen verantwoord is. Frankrijk doet het. Duitsland doet het. Het gebruik ervan moet wel gericht blijven op de regio’s, wijncategorieën en volumes waar aantoonbaar een ernstig onevenwicht bestaat.

Met crisisdistillatie koopt de wijnsector vooral tijd. Ze kan voorraden verminderen, prijsdruk verlichten en ruimte maken voor een nieuwe oogst. De oorzaken van het probleem verdwijnen er niet mee.

Het mag dan ook geen instrument worden waar blindelings naar wordt gegrepen.

Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Tijdens onze zoektocht doorheen Alto Piemonte maakten we bewust halt in de enoteca van Gattinara. We wisten immers dat je daar niet alleen een grote selectie aan wijnen kon proeven en kopen, maar ook dat je er geholpen kon worden door Dottore Massimo Sacco. Deze man wordt beschouwd als een lokale encyclopedie voor de wijnen uit Alto Piemonte. We namen er onze tijd en lieten de man zijn verhaal doen over Spanna en zijn vrienden.

Spanna is hier de plaatselijke naam voor Nebbiolo en is zonder discussie de belangrijkste blauwe druif van Alto Piemonte. Maar er is een geschiedenis en zoals dat vaak gaat, wordt geschiedenis na verloop van tijd traditie. Dottore Sacco legde ons geduldig uit dat Vespolina in Alto Piemonte minstens even belangrijk wordt geacht als Nebbiolo. De druif hoorde dan ook van oudsher thuis in hun wijnen. Ook Uva Rara en Croatina behoren tot het historische druivenbestand van de streek.

De aloude gewoonte om deze druiven samen te blenden is door de toenemende populariteit van Nebbiolo misschien wat minder vanzelfsprekend geworden, maar ze is zeker niet verdwenen. Daarvoor zijn Vespolina, Uva Rara en Croatina te sterk verbonden met de geschiedenis van het gebied. In verschillende appellaties mogen ze vandaag nog steeds samen met Nebbiolo in de assemblage worden opgenomen. In sommige appellaties kan het gebruik van andere druiven naast Nebbiolo zelfs verplicht zijn.

Spanna is de naam!

Waar de naam Spanna precies vandaan komt, is voer voor discussie. Een van de verklaringen zoekt de oorsprong bij het Italiaanse woord spanna, de afstand tussen de top van de duim en die van de pink wanneer de hand volledig wordt opengespreid. De naam zou verwijzen naar de manier waarop de druiventrossen vroeger werden gemeten of naar hun vorm en omvang. Er circuleren nog andere verklaringen, maar geen daarvan heeft ooit echt overtuigend kunnen aantonen waar de naam vandaan komt. We blijven dus in het ongewisse.

Het is niet omdat Nebbiolo hier door het leven gaat onder een andere naam, dat de druif plots totaal andere eigenschappen zou bezitten. Zeker niet. Wat wel een feit is, is dat we hier voornamelijk te maken krijgen met de Michet variant van Nebbiolo, terwijl we in de Langhe, en meer bepaald in Barolo, vaak een mix hebben van Michet, Lampia en Rosé. Die laatste werd lang beschouwd als een variant van Nebbiolo, terwijl Rosé, als puntje bij paaltje komt, vandaag als een andere druif dan Nebbiolo wordt gezien.

Nebbiolo behoudt hier dan ook een aantal van zijn vertrouwde kenmerken. De druif geeft relatief weinig kleur, bezit van nature een stevige zuurgraad en kan behoorlijk wat tannine ontwikkelen. Aromatisch vinden we vooral rood fruit, rozen, viooltjes en kruiden, met verdere flesrijping aangevuld met meer aardse en kruidige aroma’s. Het typische Barolo “tar and roses” hebben we hier minder. Vooral de ontwikkeling van dat uitgesproken teeraroma blijft wat achterwege.

De echte herkomst van Nebbiolo is nog steeds niet volledig blootgelegd. Dat de druif niet geboren is in de omgeving waar ze vandaag haar grootste uitstraling heeft, namelijk Barolo en Barbaresco, lijkt ondertussen wel duidelijk. Lange tijd werd vermoed dat we voor haar oorsprong bij de buren in Lombardije moesten zijn, meer bepaald in Valtellina. Hoewel ze er in Valtellina nog altijd van overtuigd zijn dat Nebbiolo daar geboren is, wordt er steeds harder gefluisterd dat haar roots in het noorden van Piemonte liggen.

Of dat exact Alto Piemonte is of nog noordelijker, in de Valle Ossola waar ze als Prünent door het leven gaat, moet verder ontrafeld worden. Dottore Sacco heeft alvast zijn verdict klaar: volgens hem is Gattinara de geboorteplaats van Nebbiolo.

Vespolina brengt peper mee

Het was zo grappig dat ik moeite had om niet in een lachbui uit te barsten toen Dottore Sacco me een foto liet zien van een druiventros waarop een wesp zat. Dat is Vespolina en de naam is afgeleid van de aanwezige wesp, vertelde hij met een dusdanige sérieux dat ik geen andere optie had dan bevestigend te knikken.

Nu, van de begeleidende druiven is Vespolina ongetwijfeld de interessantste om afzonderlijk te bekijken. Ze is genetisch verwant aan Nebbiolo en komt vandaag vooral voor in Noord Piemonte en in het nabijgelegen Oltrepò Pavese. In de provincies Novara en Vercelli werd ze ook Nespolino genoemd. Ughetta, een naam die je eveneens geregeld tegenkomt, hoort historisch vooral thuis in Oltrepò Pavese.

Vespolina kan voor extra fruit zorgen, maar haar meest herkenbare bijdrage zit in haar aroma’s. Naast florale tonen van roos en viooltjes heeft ze dikwijls een uitgesproken peperige kruidigheid. Vespolina bevat relatief veel rotundone, dezelfde aromatische verbinding die onder meer verantwoordelijk is voor het typische peperaroma van Syrah en Schioppettino.

Dat peperige karakter kan een assemblage met Nebbiolo behoorlijk interessant maken. Het geeft extra kruidigheid en aromatische complexiteit zonder het karakter van Nebbiolo volledig over te nemen. Bovendien zorgt Vespolina voor wat extra kleur, iets wat bij de van nature blekere Nebbiolo mooi meegenomen is.

Hoewel we haar vooral kennen als onderdeel van assemblages, wordt Vespolina tegenwoordig ook steeds vaker afzonderlijk gevinifieerd. Bij ons afscheid van de enoteca kregen we een fles Vespolina 2012 van Pietro Cassina cadeau en er werd ons op het hart gedrukt dat de wijn, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog volledig intact zou zijn. We zijn dus benieuwd!

Uva Rara als figurant

Om eerlijk te zijn heb ik liever dat Uva Rara bij haar oude naam Bonarda Novarese wordt genoemd. We hebben het echter niet voor het zeggen en dus nemen we de druif op zoals ze vandaag in Alto Piemonte voorkomt en officieel wordt genoteerd. Uva Rara dus!

Rara heeft niets te maken met het feit dat de druif een rariteit zou zijn. Neen, Rara verwijst vermoedelijk naar de losse structuur van de tros, waarbij de bessen verder uit elkaar staan. Uva Rara kwam vroeger behoorlijk verspreid voor in Noord Piemonte en Oltrepò Pavese, al is haar aanplant ondertussen sterk verminderd.

Uva Rara zelf heeft een vrij bescheiden kleurkracht en een gematigde zuurgraad. Haar bijdrage ligt eerder bij haar geurige karakter en de toegankelijkheid van de wijn. Florale aroma’s zijn typisch en in een assemblage kan ze de strengere kant van Nebbiolo wat verzachten.

De druif heeft nog steeds haar plaats en is opgenomen in verschillende disciplinari, maar haar belang in de assemblages is duidelijk naar de achtergrond verdwenen. We zien ze dan ook steeds minder opduiken als aanvulling bij Spanna en Vespolina.

Croatina als blendalternatief?

Een koppigaard, een druif met een hoekje af, vaak dronken omwille van de alcohol… ik kan nog wel een tijdje doorgaan met Croatina enkele koosnaampjes toe te dichten. An sich doe ik dat omdat ik de druif wel kan pruimen. Toevallig ook een van de fruitige aspecten van Croatina.

Wordt ze veel gebruikt? Neen, het is echt wel als aanvulling dat ze wordt gebruikt. En dan nog is dat vooral sporadisch. Soms heb je de indruk dat de druif wat wint aan populariteit, maar ik laat me vertellen dat het geen gemakkelijke is om mee samen te werken. Niet enkel in het glas bezit de druif koppige eigenschappen. Ook in het veld durft ze wel eens de lastigaard uit te hangen.

Veelal kennen we de druif als Bonarda uit Oltrepò Pavese. Hallo verwarring met Uva Rara! Maar historisch heeft ze wel degelijk haar plaats in Alto Piemonte.

Laten we de positieve eigenschappen eens benoemen. De druif heeft aanzienlijk meer kleur dan Nebbiolo en brengt donkerder fruit mee. Croatina kan behoorlijk wat tannine leveren en heeft soms een wat vegetaal karakter. Bij voldoende rijpheid kan dat vegetale juist voor een mooie fraîcheur in het aromatische profiel zorgen. In de juiste verhouding geeft ze een assemblage extra volume, kleur en stevigheid.

In Bramaterra wordt de druif nog vrij frequent gebruikt. Elders is haar aandeel vaak eerder symbolisch.

Van assemblage naar solo

Maar waarom kreeg Nebbiolo in Alto Piemonte historisch eigenlijk Vespolina, Uva Rara en Croatina naast zich? De blik in de ogen van Dottore Sacco verraadde duidelijk dat hij deze vraag meermaals had gekregen én dat hij het antwoord erop kon geven!

Allora, devi comprendere, nel tempo il clima era totalmente differente. Più freddo… het klimaat was vroeger dus heel anders dan nu. Veel kouder, waardoor Nebbiolo het moeilijk had om elk jaar tot een ideale rijpheid te komen. Vespolina en de andere rassen stonden vaak gemengd in de wijngaarden en konden in moeilijkere jaren aanvullen waar Nebbiolo tekortkwam.

Dat bleek uiteindelijk ook in de kelder goed te werken. De verschillende druiven vulden Nebbiolo mooi aan met extra kleur, fruit, kruidigheid en parfum. Wat in de wijngaard deels uit noodzaak was ontstaan, bleek dus ook in de fles een bijzonder sterke combinatie.

Vandaag verandert dat gegeven stilaan. We zien meer en meer dat de wijnen uit Alto Piemonte evolueren van blends naar monocépagewijnen van Nebbiolo. De wijngaarden worden anders beheerd, druivenrassen staan veel vaker afzonderlijk aangeplant en de wijnbouwer heeft veel meer mogelijkheden om Nebbiolo goed rijp te krijgen. Ook het warmere klimaat speelt daarbij in het voordeel van Nebbiolo. De noodzaak om Spanna gezelschap te geven, is daardoor een stuk kleiner geworden.

En dan is er natuurlijk nog een heel belangrijke tweede reden: Nebbiolo verkoopt.

In die mate zelfs dat de fiere wijnproducenten stilaan de benaming Spanna opgeven. Nebbiolo is duidelijk meer gangbaar geworden op de etiketten. En ergens kunnen we dat betreuren. Tegelijk is die keuze niet meer dan logisch. De internationale wijnliefhebber kent Nebbiolo dankzij Barolo en Barbaresco. Met Spanna ligt dat anders. Buiten Noord Piemonte doet die naam bij veel mensen nauwelijks een belletje rinkelen.

Het levert dan ook een merkwaardige evolutie op. Net nu Alto Piemonte opnieuw volop in de belangstelling staat, verdwijnt een stukje van wat de streek zo eigen maakte langzaam naar de achtergrond. De assemblages zijn er nog en Vespolina, Uva Rara en Croatina zijn zeker niet verdwenen. Maar Spanna krijgt steeds vaker het rijk voor zich alleen. Alleen noemen we hem dan plots weer Nebbiolo.

Piemonte in een korrel – het rijstland achter risotto

Als je door Piemonte trekt, dan verwacht je heuvels, bergen, wijngaarden, hazelaars en bergmeren. Maar zowel tijdens ons verblijf in Moncalvo, in de omgeving van Asti, als tijdens ons verblijf in La Morra viel het ons op hoe snel het landschap veranderde zodra we enkele kilometers richting Torino reden. Kilometers en kilometers aaneengesloten rijstvelden doken op. Hier verdwijnen de heuvels en opent zich een immense vlakte waarin water minstens even belangrijk is als aarde. Dit is het andere culinaire Piemonte: het Piemonte van de rijst. Rijst voor de vermaarde risotto.

In het voorjaar worden de rijstvelden onder water gezet en verandert de vlakte in wat de Piemontesi graag il mare a quadretti noemen, de zee in vierkantjes. Honderden rechthoekige percelen weerspiegelen de lucht en in de verte tekenen de Alpen zich af aan de horizon. Een paar maanden later is dat spiegelende landschap dichtgegroeid met rijstplanten. Vanaf september kleuren de velden goud en begint de oogst.

Piemonte is goed voor ongeveer de helft van het Italiaanse rijstareaal, met Vercelli en Novara als belangrijkste centra van de rijstteelt. Water uit de Alpen en een uitgebreid systeem van kanalen maakten het mogelijk om hier op grote schaal rijst te verbouwen. Water uit de Alpen en een uitgebreid systeem van kanalen maakten het mogelijk om hier op grote schaal rijst te verbouwen. Tijdens ons bezoek maakten we een stop om deze rijstvelden eens van dichtbij te bekijken. Op zich echt wel indrukwekkend.

Eén grote waarschuwing echter voor wie in onze voetsporen wil treden en halt wil houden in de rijstvelden. Neem je voorzorgen! Wij konden niet vlug genoeg terug in onze wagen zijn om ons in te smeren met muggenmelk. Het krioelt er van deze steekgrage beestjes.

Een waterlandschap

We waren er in de tweede helft van juli en ergens is dit wel spijtig, want er werd me ingefluisterd dat wie de rijstvelden alleen tijdens de zomer ziet, een belangrijk deel van hun schoonheid mist. De foto’s die we nadien opzochten, konden dat alleen maar bevestigen. In het voorjaar, wanneer de velden volledig onder water staan, krijg je dat typische spiegelende landschap. Naarmate de oogst in september dichterbij komt, kleuren diezelfde rijstvlakten steeds meer goud. Twee totaal verschillende gezichten dus.

Ze ondergaan dan ook een hele metamorfose in de periode van april tot september. En uiteraard speelt water daarin een hoofdrol. Het bevloeit de planten, remt de ontwikkeling van onkruid en helpt tegelijk de temperatuur rond de rijstplant te regelen.

Die natuurlijke temperatuurregulatie door het water is een cruciaal onderdeel van de rijstteelt. De rijstvelden liggen immers dicht bij de Alpen en, hoewel wij het ons deze zomer moeilijk konden voorstellen, blijven koude nachten zelfs in juli mogelijk. Water warmt langzaam op en koelt langzaam af. Daardoor worden grote temperatuurschommelingen afgevlakt. Tijdens gevoelige fases van de ontwikkeling kan het waterpeil zelfs worden verhoogd om de jonge pluim in de plant tegen koude te beschermen.

In juli verandert het uitzicht opnieuw. De rijstplanten hebben de ruimte tussen de rijen volledig ingenomen en, zoals we zelf hebben kunnen vaststellen, was er van het water nog nauwelijks iets te zien.

De ondergelopen rijstvelden hebben trouwens nog een bijkomend effect. Ze vormen tijdens lente en zomer een belangrijk leefgebied voor onder meer reigers, zwaluwen, libellen en kikkers. En zoals we zelf uitgebreid hebben mogen ondervinden: ook voor muggen!

Carnaroli, gemaakt voor risotto

Voor alle duidelijkheid: er bestaan meerdere rijstsoorten die uitstekend geschikt zijn voor risotto, zoals Arborio of Vialone Nano. Persoonlijk heeft Carnaroli altijd een ‘korreltje’ meer. Blijkbaar ben ik niet alleen, want tussen alle Italiaanse rijstsoorten heeft Carnaroli een bijzondere reputatie opgebouwd. Hij wordt geregeld de koning van de risottorijst genoemd en daar zijn goede technische redenen voor.

Carnaroli ontstond in 1945 in Paullo, bij Milaan, uit een kruising van Vialone en Lencino. De rijst heeft grote, langwerpige en parelachtige korrels en een hoog amylosegehalte. Dat laatste zorgt ervoor dat de korrel tijdens het koken stevig blijft en een grote kookvastheid heeft.

En dat is exact wat een goede risotto nodig heeft. Tijdens het garen komt voldoende zetmeel vrij om het kookvocht te binden en de risotto zijn typische romigheid te geven. Tegelijk blijft de kern van de korrel stevig en behoudt hij goed zijn vorm, ook wanneer de rijst tijdens de bereiding regelmatig wordt geroerd.

Net dat is het verschil met bijvoorbeeld Arborio. De korrel is iets langer en steviger en behoudt zijn beet langer tijdens het koken. Arborio kan sneller van beetgaar naar te zacht evolueren, terwijl Carnaroli een grotere kookvastheid heeft. Dat geeft je tijdens de bereiding iets meer speelruimte en maakt het gemakkelijker om dat belangrijke evenwicht te bereiken tussen een romige risotto en afzonderlijke korrels die nog duidelijk voelbaar zijn.

Het groeiproces van de Risone

Onwetendheid staat vaak synoniem voor onzekerheid. Zelf was ik toch al wel flink opgeschoten in mijn leven alvorens ik doorhad dat de rijstvelden niet enkel te vinden zijn in het Verre Oosten. Laat staan Italië. Het boeit me dan ook om te weten hoe dit groeiproces in elkaar steekt, want voor Carnaroli uiteindelijk als witte rijstkorrel in onze keuken belandt, heeft hij er een behoorlijk lang verblijf op het veld opzitten. Voor Carnaroli duurt dit proces ongeveer 165 dagen en het is daarmee een vrij laat rijpend ras. Wie in april zaait, komt voor de oogst dus al snel eind september uit.

Net zoals voor wijn start alles op het veld, in dit geval met de voorbereiding van de rijstvelden. Na de winter wordt de grond bewerkt en zorgvuldig geëgaliseerd. Belangrijk want het water moet later zo gelijkmatig mogelijk over het hele perceel verdeeld kunnen worden. De velden zijn daarom opgedeeld in zogenaamde camere, vlakke percelen die door lage dijken van elkaar worden gescheiden en waarin het waterpeil afzonderlijk kan worden geregeld. We zagen ter plekke dat er tussen deze camere grachten of irrigatiekanaaltjes waren aangelegd.

Het zaaien start vanaf de tweede helft van april en kan vandaag op verschillende manieren gebeuren. Bij de traditionele methode, de semina in acqua, wordt het rijstveld eerst onder een ondiepe laag water van ongeveer 3 tot 5 centimeter gezet. Vervolgens rijdt een tractor met een strooier over het perceel en wordt het rijstzaad breedwerpig en zo gelijkmatig mogelijk over het water verdeeld. De zaden zakken naar de bodem en beginnen daar te kiemen.

Daarnaast is ook de droge zaai sterk ingeburgerd. Daarbij wordt het zaad rechtstreeks in de droge bodem gezaaid, vaak in rijen. Pas later wordt het veld onder water gezet. Vanaf dan wordt het waterpeil voortdurend aangepast aan de ontwikkeling van de rijstplant.

Na de kieming verschijnen de jonge rijstplantjes en begint de zogenaamde uitstoeling. Vanuit de basis van één plant ontstaan meerdere stengels. Hoe goed die ontwikkeling verloopt, bepaalt mee hoeveel bloeistengels, de zogenaamde pluimen, de plant uiteindelijk vormt en dus ook hoeveel rijstkorrels ze kan produceren.

Naarmate de planten groeien, verdwijnt het water stilaan uit het zicht. Dat was precies het stadium waarin wij de rijstvelden in juli aantroffen. Wat vanop afstand één dicht groen tapijt lijkt, bestaat ondertussen uit planten die volop bezig zijn met de vorming van hun pluimen. Die pluim ontstaat aanvankelijk verscholen in de stengel en komt later boven de plant uit.

Daarna volgt de bloei. Aan iedere pluim zitten talrijke kleine bloempjes die na bevruchting uitgroeien tot rijstkorrels. Vanaf dat moment verschuift alle energie van de plant naar de ontwikkeling en rijping van die korrels. Tijdens de laatste weken verandert het landschap opnieuw. De planten verliezen hun felle groene kleur, de pluimen worden zwaarder en buigen door onder het gewicht van de rijst. Stilaan verschijnen de gele en goudkleurige tinten.

Voor de oogst worden de rijstvelden drooggelegd. De toevoer van irrigatiewater wordt afgesloten en via greppels, kanaaltjes en regelbare afvoerpunten laat men het water geleidelijk uit de percelen wegstromen. De zorgvuldig geëgaliseerde velden kunnen zo voldoende opdrogen zodat de bodem stevig genoeg wordt voor de oogstmachines. Vanaf september verschijnen de maaidorsers op het veld. Zij snijden de rijstplanten af en scheiden de rijstkorrels meteen van de halmen.

Wat dan wordt geoogst, lijkt echter nog helemaal niet op de witte Carnaroli die we in een verpakking kopen. Iedere korrel zit nog opgesloten in zijn harde buitenste kaf. In Italië spreekt men op dat moment van risone. Die ongepelde rijst moet eerst worden gedroogd en daarna verder worden verwerkt voor de eigenlijke witte rijstkorrel tevoorschijn komt.

Van risone naar witte rijstkorrel

Na de oogst begint de weg naar het eindproduct met het reinigen en drogen van de risone. Vers geoogste rijst bevat nog te veel vocht om veilig te kunnen bewaren. Stof, aarde, stukjes plant en andere onzuiverheden worden verwijderd en warme lucht brengt vervolgens het vochtgehalte van de korrels naar een niveau waarbij de rijst gedurende langere tijd kan worden opgeslagen zonder te gaan schimmelen of bederven.

Daarna begint de eigenlijke verwerking. De eerste stap heet in Italië sbramatura. De korrels worden tussen rollen geleid die het harde kaf, de lolla, losmaken zonder de rijstkorrel zelf te breken. Dat kaf vertegenwoordigt ongeveer een vijfde van het gewicht van de ongepelde rijst. Wat overblijft is riso integrale, zilvervliesrijst dus. De korrel heeft op dat moment zijn buitenste beschermlaag verloren, maar het vlies en de kiem zitten er nog rond en aan.

Om de witte rijst te krijgen die we voor risotto gebruiken, volgt de sbiancatura, het witten van de rijst. Daarbij worden de buitenste lagen van de korrel geleidelijk door wrijving en lichte abrasie verwijderd, een gecontroleerde schurende werking waarbij het vlies laag voor laag wordt afgesleten. Ook de kiem verdwijnt tijdens deze bewerking. Onder het bruine vlies verschijnt uiteindelijk de witte, parelachtige korrel die zo kenmerkend is voor Carnaroli.

Na het witten volgt ten slotte nog een selectie. Gebroken, onrijpe, verkleurde of afwijkende korrels worden verwijderd, tegenwoordig onder meer met optische sorteermachines die iedere rijstkorrel controleren. Pas daarna is de Carnaroli klaar om verpakt te worden.

Fan van Acquerello

De reden waarom ik Carnaroli de beste risottorijst vind, is simpelweg te herleiden tot Acquerello. Van alle merken risottorijst die ik tot op heden heb mogen proeven, is die van Acquerello mij altijd het meest bijgebleven. Toen we afgelopen zomer in Piemonte de rijstvelden bezochten, ging ik dan ook op zoek naar de reden waarom. Blijkt dat men bij Acquerello anders werkt dan we tot hier hebben beschreven. En dan vooral in het gedeelte tussen oogst en verwerking.

Na het drogen wordt de ongepelde Carnaroli opgeslagen in gekoelde silo’s bij een temperatuur onder 15 graden. Daar rijpt hij minstens één jaar voordat de verdere verwerking begint. Een klein gedeelte blijft aanzienlijk langer liggen en kan tot acht jaar rijpen.

Tijdens die rijping stabiliseert het zetmeel. Daardoor verspreidt het zich tijdens het koken minder snel in het kookvocht en kan de korrel meer vloeistof en smaak opnemen terwijl hij zijn beet goed behoudt.

Na de rijping volgt de verwerking tot witte rijst. Ook hier wijkt Acquerello af van de gebruikelijke werkwijze. Bij de klassieke sbiancatura worden de buitenste lagen van de rijst verwijderd met machines die werken op basis van abrasie en wrijving. Acquerello gebruikt daarvoor een oude helixmethode uit 1875. Die is specifiek ontwikkeld om de rijst veel zachter te witten, zodat de korrels tijdens het verwijderen van de buitenste lagen zo weinig mogelijk beschadigd raken of breken.

Het meest opvallende gebeurt daarna. Zoals we eerder schreven, verdwijnt tijdens de klassieke sbiancatura ook de kiem. Acquerello ontwikkelde een gepatenteerd procedé waarbij die kiem opnieuw met de witte rijstkorrel wordt samengebracht. Hoe dat technisch precies gebeurt, houdt men grotendeels voor zichzelf. Zo probeert men een deel van de voedingsstoffen uit de kiem te behouden zonder de eigenschappen van witte Carnaroli op te geven.

Ik ben geen rijstspecialist en het klinkt me allemaal misschien een beetje vreemd in de oren. Maar eens deze rijst in de pot zit, proef je wel degelijk waarom de koning van de risottorijst plots als de Rolls Royce van de rijst wordt omschreven. Voor mij stond het besluit dan ook vast: deze Carnaroli mocht mee in het assortiment.

Risotto al coniglio, zafferano e funghi porcini

Een van mijn favoriete risotto’s en meteen een gerecht waarin Carnaroli helemaal tot zijn recht komt. De aardse smaak van porcini, de kruidigheid van saffraan en het zachte konijn vormen samen een behoorlijk rijke risotto, zonder dat de rijst zelf naar de achtergrond verdwijnt.

Ingrediënten voor 6 personen

Voor de risotto

• 600 g Carnaroli rijst
• 1 sjalot, fijngesneden
• 1,5 dl droge witte wijn
• 40 g gedroogde porcini
• 1 potje saffraan
• 100 g Parmigiano Reggiano, fijn geraspt
• 2 el boter
• Peper en zout

Voor het konijn en de saus

• 3 konijnenruggen
• Een beetje boter om aan te bakken
• 1 dl olijfolie
• ½ dl citroensap
• 1 el fijngehakte oregano
• 2 teentjes knoflook
• 2 dl kippenbouillon
• Maïzena
• Peper en zout

Voor de bouillon

• 2 liter water
• 1 ui
• 1 wortel
• 1 stengel bleekselderij
• 1 kleine prei
• 2 takjes peterselie
• 1 laurierblad
• Enkele zwarte peperkorrels
• Zout
• Het zorgvuldig gezeefde weekwater van de porcini

De bereiding

De porcini

Week de gedroogde porcini ongeveer 30 minuten in warm water.

Giet ze af en vang het weekwater op. Zeef dit zeer grondig, liefst tweemaal of door een fijne doek, zodat er zeker geen zand meer achterblijft.

Snijd de geweekte porcini in grove stukken en zet ze apart.

De bouillon

Snijd de ui, wortel, bleekselderij en prei grof. Doe ze samen met de peterselie, het laurierblad en enkele peperkorrels in een kookpot en overgiet met ongeveer 2 liter koud water.

Breng langzaam aan de kook en laat ongeveer 45 minuten zacht trekken.

Zeef de bouillon en voeg het zorgvuldig gezeefde weekwater van de porcini toe. Breng licht op smaak met zout. De bouillon mag vrij neutraal blijven, want de porcini, saffraan, Parmigiano Reggiano en het konijn zorgen later voor voldoende smaak.

Neem een kleine hoeveelheid warme bouillon apart en laat hierin de saffraan enkele minuten trekken.
Houd de rest van de bouillon warm.

Het konijn en de saus

Verwarm de oven voor op 200 °C.

Kruid de konijnenruggen met peper en zout. Bak ze rondom aan in een beetje boter en leg ze vervolgens in een braadslede.

Pel de knoflook en pers hem fijn. Meng de olijfolie met het citroensap, de oregano en de knoflook. Giet dit mengsel over de konijnenruggen.

Plaats de braadslede in de oven en laat het konijn ongeveer 15 tot 20 minuten garen. Bestrijk het vlees tijdens het braden regelmatig met het braadvocht.

Haal de gare konijnenruggen uit de braadslede en houd ze warm.

Giet het braadvocht in een kleine pan, voeg de kippenbouillon toe en breng aan de kook. Meng een beetje maïzena met koud water en bind hiermee de saus lichtjes. Laat nog enkele minuten zacht koken en breng op smaak met peper en zout.

De risotto

Verhit 1 eetlepel boter in een ruime kookpot en fruit de fijngesneden sjalot zachtjes aan zonder ze te laten kleuren.

Voeg de Carnaroli toe en laat de rijst enkele minuten tostare. Roer regelmatig tot de korrels goed warm zijn.

Giet de witte wijn erbij en laat deze vrijwel volledig verdampen.

Voeg vervolgens de porcini en de apart gehouden bouillon met saffraan toe.

Roer regelmatig en voeg telkens opnieuw een pollepel warme bouillon toe zodra de rijst het vocht grotendeels heeft opgenomen. Zorg ervoor dat de rijst tijdens het garen steeds net onder de bouillon blijft staan en blijf regelmatig roeren.

Haal de kookpot ongeveer 14 minuten nadat de eerste bouillon werd toegevoegd van het vuur. De rijst moet op dat moment nog duidelijk beet hebben.

Voeg de resterende boter en de geraspte Parmigiano Reggiano toe en roer stevig door de risotto. Breng op smaak met peper en eventueel een beetje zout.

Plaats het deksel op de kookpot en laat de risotto ongeveer 2 minuten rusten.

Controleer daarna de structuur. De risotto moet romig en vloeiend zijn. Voeg indien nodig nog een kleine hoeveelheid warme bouillon toe zodat hij mooi all’onda wordt.

Afwerking

Snijd het vlees van de konijnenruggen. Je kunt het in kleinere stukken onder de risotto mengen of in grotere stukken boven op de risotto schikken. Mijn voorkeur gaat naar dat laatste, omdat zowel het konijn als de rijst dan beter herkenbaar blijven.

Verdeel de risotto over warme borden, schik het konijn erop en werk af met een beetje van de saus en enkele blaadjes oregano.

Wie het artikel tot hier gevolgd heeft, weet ondertussen welke Carnaroli bij mij hiervoor in de pot belandt: Acquerello.

Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug

Uiteraard had ik als voorbereiding op ons bezoek aan de wijngebieden van Alto Piemonte grondig mijn huiswerk gemaakt en het nodige opzoekwerk gedaan. Eens we ginds ter plekke waren, viel het pas echt op hoe klein en versnipperd die wijngaarden over Alto Piemonte verspreid liggen.

Soms merkte ik wel een grotere concentratie van wijngaarden, zoals in Boca, langs de Strada della Traversagna, de SP32 richting Grignasco, waar we verschillende wijngaarden gingen opzoeken. Maar niets, werkelijk niets, doet vermoeden dat hier ooit op grote schaal aan wijnbouw werd gedaan en dat Alto Piemonte zelfs tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde.

De glamour van de 19e eeuw

In de diverse vakliteratuur die ik ter voorbereiding doornam, ontdekte ik dat Alto Piemonte rond het einde van de negentiende eeuw ongeveer 40.000 hectare wijngaarden telde. Vandaag blijft daar met zowat 800 hectare nog maar een fractie van over. Het gebied behoorde destijds tot de belangrijkste wijngebieden van Noord Italië en was voor Nebbiolo een absolute referentie. Gattinara, Ghemme, Lessona, Boca, Bramaterra en Sizzano genoten een stevige reputatie. Hun wijnen werden verkocht in Turijn en Milaan en vonden ook buiten Piemonte afzet. De nabijheid van Lombardije en de handelsroutes richting Centraal Europa maakten Noord Piemonte commercieel interessant.

Dat de wijnen ook kwalitatief hoog werden ingeschat, blijkt uit een bekende brief uit 1845. Camillo Benso di Cavour kreeg toen enkele flessen Sizzano toegestuurd door Giacomo Giovanetti uit Novara. Cavour was onder de indruk. Hij vergeleek het bouquet van de wijn met dat van Bourgogne en schreef dat de heuvels rond Novara volgens hem met die van Bourgogne konden wedijveren.

Vandaag wordt Cavour vooral met Barolo in verband gebracht. Midden negentiende eeuw keek hij voor grote Piemontese wijn dus ook nadrukkelijk naar het noorden.

Van 40.000 hectare naar enkele honderden

Merkwaardig genoeg begonnen de eerste tekenen van achteruitgang in dezelfde periode waarin Alto Piemonte nog tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde. In 1846 verhoogde Oostenrijk de invoerrechten op Piemontese wijn naar het Lombardisch Venetiaanse Koninkrijk fors. Een belangrijke afzetmarkt werd daardoor moeilijker bereikbaar. Dat probleem trof uiteraard niet alleen Alto Piemonte, maar ook de andere Piemontese wijngebieden.

De tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brachten bovendien de bekende problemen waarmee zowat heel Europa af te rekenen kreeg. Oidium, peronospora en phylloxera troffen ook Alto Piemonte en verplichtten wijnbouwers tot zware investeringen en heraanplant. In 1905 kwam daar lokaal nog een verwoestende hagelstorm bovenop, waarna ook de beide wereldoorlogen hun tol eisten.

Dat alles versnelde de terugval, maar verklaart nog niet waarom Alto Piemonte uiteindelijk zoveel sterker kromp dan veel andere historische wijngebieden. De echte omslag kwam er door de industrialisering van de regio en de geleidelijke uittocht uit de landbouw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw industrialiseerde de textielnijverheid rond Biella in snel tempo en groeide de streek uit tot een belangrijk centrum voor wol en textiel. Na de Tweede Wereldoorlog nam die beweging nog sterk toe. De economische groei in Noord Italië creëerde steeds meer werk buiten de landbouw, zowel in de eigen regio als in grotere industriële centra zoals Turijn en Milaan. Een vaste baan en een verzekerd inkomen werden voor veel jongeren aantrekkelijker dan het onzekere bestaan in de wijngaard.

Daar kon een steile wijngaard moeilijk tegen concurreren. Snoeien, aanbinden, onderhouden en oogsten vergden veel handenarbeid en het inkomen bleef afhankelijk van het weer en de opbrengst. Voor veel gezinnen werd de keuze steeds eenvoudiger. De fabriek bood zekerheid, de wijngaard veel minder.

Wijngaarden werden verwaarloosd, heraanplantingen bleven achterwege en steeds meer percelen werden verlaten. Struiken en bomen namen de plaats van de wijnstokken in en complete hellingen veranderden opnieuw in bos. Door erfenissen raakte het grondbezit ondertussen steeds verder versnipperd. Kleine percelen kwamen terecht bij verschillende kinderen en kleinkinderen, van wie sommigen al lang niet meer in de streek woonden. Die versnippering zou later een bijkomende hindernis vormen voor wie oude wijngaarden opnieuw in productie wilde brengen.

De cijfers maken duidelijk hoe groot de terugval uiteindelijk was. Van ongeveer 40.000 hectare rond het einde van de negentiende eeuw bleven tegen de tweede helft van de twintigste eeuw nog slechts enkele honderden hectaren over. Boca zakte op een bepaald moment tot ongeveer tien hectare. Ook Lessona, Bramaterra, Ghemme en Gattinara hielden nog maar een fractie over van hun vroegere oppervlakte.

Gelukkig stopte niet iedereen. Een handvol historische producenten bleef ook tijdens de moeilijkste decennia wijn maken. Vallana verwierf in de jaren 1950 en 1960 zelfs internationale faam met zijn Spanna, terwijl onder meer Nervi, Travaglini en Antoniolo in Gattinara en Tenute Sella in Lessona actief bleven. Daardoor verdween de wijnbouw nooit volledig en bleef er enige continuïteit bestaan waarop een volgende generatie later kon voortbouwen.

Voorzichtig begint de weg terug

‘Everything dies, baby, that’s a fact, but maybe everything that dies someday comes back’ wist Bruce Springsteen ons al te vertellen. Zo lijkt het dus ook wel met Alto Piemonte! Dat voorzichtig timmeren aan de weg terug begon stilaan vorm te krijgen vanaf het einde van de jaren 1980 en vooral tijdens de jaren 1990. Plots was er interesse in oude vervallen wijngaarden die er op de verlaten hellingen stonden. Een kleine groep mensen begreep het potentieel en zag er een nieuwe toekomst in.

Een van hen was de Zwitser Christoph Künzli. Rond het begin van de jaren 1990 leerde hij Boca kennen en enkele jaren later begon hij er oude percelen samen te brengen voor Le Piane. Dat bleek allesbehalve eenvoudig door de versnipperde eigendomsstructuur en de toestand waarin veel voormalige wijngaarden verkeerden.

Ook Paolo De Marchi keerde in 1999 samen met zijn zoon Luca terug naar de familiale gronden in Lessona en begon er aan de heropbouw van Proprietà Sperino. Rond dezelfde periode en in de jaren daarna verscheen een nieuwe generatie lokale wijnmakers, met onder anderen Cristiano Garella als een van de belangrijke figuren.

Het herstel kwam zo vanuit verschillende richtingen. Historische families investeerden opnieuw, een jongere generatie wijnmakers zag opnieuw toekomst in de streek en mensen van buiten Alto Piemonte begonnen oude percelen op te kopen en te herstellen. Tegelijk veranderden ook de economische omstandigheden. De textielindustrie, die decennialang veel arbeidskrachten uit de landbouw had gehaald, verloor vanaf het einde van de twintigste eeuw een deel van haar dominante positie door toenemende internationale concurrentie.

Ook binnen de wijnwereld zelf begon er iets te verschuiven. De belangstelling voor historische appellaties, oude wijngaarden en Nebbiolo buiten Barolo en Barbaresco nam toe. Dat fenomeen zien we overigens wel vaker in Italië. Zodra een wijngebied momentum krijgt en duidelijk wordt dat er kwalitatief en commercieel iets te rapen valt, verschijnen ook de kapitaalkrachtige spelers op het toneel. Franciacorta kende zo een periode waarin gevestigde wijnhuizen en ondernemers massaal mee op de trein sprongen. Hetzelfde gebeurde in Bolgheri, waar vanaf de jaren 1990 steeds meer grote namen en investeerders opdoken die voordien weinig of niets met de streek te maken hadden. Ook rond Etna zagen we later een vergelijkbare beweging en in de Colli Tortonesi trok de herwaardering van Timorasso eveneens producenten van buiten het gebied aan.

En toen kwam Conterno

De heropleving was dus al jaren, weliswaar vrijwel anoniem, bezig tot Roberto Conterno in 2018 een belang van 90 procent in Nervi in Gattinara verwierf. Het was alsof er een bom ontplofte. Dit nieuws trok onmiddellijk de aandacht van de internationale wijnwereld. Uiteraard, want Giacomo Conterno behoort tot de grote namen van Barolo. Wanneer een producent met die reputatie investeert in Alto Piemonte, kijken sommeliers, importeurs, verzamelaars en andere producenten plots een stuk geïnteresseerder mee.

De streek kreeg daardoor in korte tijd veel meer zichtbaarheid. Producenten die al jarenlang bezig waren met het herstel van hun appellaties profiteerden mee van die toegenomen belangstelling. Tegelijk waren wijnliefhebbers steeds nadrukkelijker op zoek naar alternatieven voor de almaar duurder wordende Barolo en Barbaresco. Alto Piemonte bood Nebbiolo, historische appellaties en bovendien nog prijzen die een stuk toegankelijker lagen.

Die combinatie maakte de optelsom compleet. De diverse appellaties van Alto Piemonte begonnen opnieuw hip te worden.

Etna Bianco: witte wijn op zwarte bodem

September is klassiek de maand waarin de sociale activiteiten opnieuw van start gaan. Dat is bij onze wijnclub Het Negende Vat niet anders. We bestaan ondertussen al 25 jaar en starten aanstaande dinsdag aan ons 26e werkjaar. Met alweer een leuk en zeer gevarieerd programma!

We gaan van start met Pinot Noir uit Oostenrijk, spelen Sancerre uit tegen Pouilly Fumé en hebben een proefavond rond Timorasso. Voor Zuid Afrika bestaat de uitdaging erin om vier Cabernet Franc wijnen tegenover vier Cabernet Sauvignon wijnen te plaatsen. Verder bekijken we wat een Vino de Paraje precies is, duiken we nog een keer Piemonte in met een variatie op Nebbiolo en komt Duitsland aan bod met Silvaner uit Franken. Ook de nieuwe Rhône cru Laudun staat op het programma.

Het jaar sluiten we af met twee klassiekers. Tijdens onze superproeverij trekken we alle registers open en combineren we een reeks mooie Italiaanse wijnen met een zestal hapjes. In juni is er opnieuw onze BYO formule, waarbij iedereen deze keer een fles Pinot Bianco of Weissburgunder uit Alto Adige moet selecteren.

Een hele omweg om terug te keren naar het slot van het vorige seizoen. Toen bestond de BYO opdracht erin om een fles Etna Bianco mee te brengen en daar samen een degustatie rond op te bouwen.

Etna is natuurlijk niet nieuw voor mij en ik heb er al meermaals over geschreven. Toen ik in 2021 een artikel schreef over de wijnen van de Etna, waren het vooral de rode wijnen die internationaal de aandacht trokken. Nerello Mascalese was aan een stevige opmars bezig en vergelijkingen met Bourgogne en Barolo waren nooit ver weg. Over de witte wijnen schreef ik toen dat ze misschien nog een groter geheim vormden en volgens mij tot de beste witte wijnen van Italië konden behoren.

Vijf jaar later is dat geheim aardig uitgelekt. Etna Bianco is ondertussen een van de sterkst groeiende categorieën binnen de appellatie. In 2025 werden ongeveer 2,2 miljoen flessen gebotteld, waarmee wit opvallend dicht bij Etna Rosso kwam. Steeds meer nieuwe wijngaarden worden met Carricante aangeplant en verschillende producenten zien witte Etna als een van de belangrijkste groeimogelijkheden van het gebied.

Tijd dus om die witte kant van de vulkaan wat grondiger te bekijken.

Etna Bianco DOC, enkele weetjes

  • Etna DOC bestaat sinds 1968 en was de eerste DOC van Sicilië. Ondertussen is de procedure opgestart om Etna te promoveren tot DOCG. De ambitie is om die stap nog in 2026 te zetten, al is de promotie voorlopig nog niet officieel afgerond.
  • De productiezone omvat delen van het grondgebied van twintig gemeenten in de provincie Catania, verspreid over verschillende flanken van de Etna. Binnen de DOC zijn 133 contrade officieel erkend. Die geografische onderverdeling krijgt steeds meer betekenis, ook voor Etna Bianco.
  • Etna Bianco moet minimaal 60 procent Carricante bevatten. Catarratto Bianco Comune en Catarratto Bianco Lucido mogen samen maximaal 40 procent uitmaken. Daarnaast mogen andere niet aromatische witte druivenrassen die in Sicilië zijn toegelaten samen maximaal 15 procent bedragen. Daarbij horen onder meer Minnella Bianca, Inzolia, Grecanico Dorato en Grillo. Vooral Minnella Bianca en Inzolia behoren tot de witte druiven die historisch samen met Carricante in de wijngaarden van Etna voorkwamen. Veel producenten kiezen vandaag echter voor 100 procent Carricante.
  • Etna Bianco Superiore mag uitsluitend worden geproduceerd met druiven uit Milo, op de oostelijke flank van de vulkaan. Voor Etna Bianco Superiore is minimaal 80 procent Carricante verplicht.

Carricante, de witte druif van de Etna

Carricante is zonder twijfel de witte druif van Etna. De druif kwam vroeger ook elders op Sicilië voor, maar haar huidige reputatie is vrijwel volledig verbonden met de vulkaan.

Carricante rijpt laat, bezit van nature een hoge zuurgraad en kan behoorlijk productief zijn. De naam zou verwijzen naar het Italiaanse caricare, laden of beladen, een verwijzing naar de hoeveelheid druiven die een wijnstok kan dragen wanneer de opbrengst niet wordt beperkt.

Op de hogere flanken van de Etna vallen verschillende puzzelstukken mooi samen. De koelere temperaturen vertragen de rijping en de grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht helpen om de frisheid en aroma’s te behouden. De lange groeicyclus geeft Carricante voldoende tijd om volledig rijp te worden zonder zijn kenmerkende aciditeit te verliezen.

Jonge Carricante toont vaak citrus, groene appel, witte perzik, kruiden en oranjebloesem. Daar komen geregeld stenige, rokerige en zilte indrukken bij. De stevige zuurgraad geeft de wijn structuur en zorgt bij de betere voorbeelden voor een opmerkelijk bewaarpotentieel. Met flesrijping verschijnen rijper citrusfruit, gedroogde kruiden, honing, noten en soms een lichte petroleumtoets.

Vulkanische bodem, maar welke?

Het begrip wijn van vulkanische bodem wordt ondertussen kwistig gebruikt in Italië. Toegeven, er zijn er ook wel wat te vinden en op de Etna is het uiteraard moeilijk om rond de vulkaan heen te fietsen. De situatie is hier wel van een ander type dan in vele andere Italiaanse wijngebieden met een vulkanische oorsprong. Etna is nog steeds actief en laat bijna voortdurend van zich horen.

De bodems bestaan hoofdzakelijk uit basaltisch vulkanisch materiaal, afkomstig van opeenvolgende lavastromen en erupties. Afhankelijk van plaats en ouderdom vinden we er verweerde lava, vulkanische as, zand en lapilli. Jonge lavastromen zijn nog nauwelijks verweerd en leveren zeer stenige, arme bodems op. Oudere lavastromen zijn doorheen de eeuwen verder afgebroken en kunnen daardoor een diepere en fijner opgebouwde bodem vormen. Het ene perceel kan dus op relatief jonge lava liggen, terwijl enkele honderden meters verder wijnstokken groeien op een ondergrond die vele duizenden jaren ouder is.

Daar komt nog bij dat hoogte, expositie, neerslag en de invloed van de zee sterk verschillen naargelang de flank van de vulkaan. Het terroir rond Etna vertoont daardoor een uitzonderlijk grote verscheidenheid binnen een relatief beperkt gebied.

Die verschillen krijgen vandaag steeds meer aandacht via de contrade. Een contrada is een historisch en geografisch afgebakende zone en wordt geregeld met een cru vergeleken. Twee Carricantes die slechts enkele kilometers van elkaar groeien, kunnen daardoor toch behoorlijk verschillend uit de hoek komen.

Milo, het bijzondere stukje Etna

Niet de Venus maar de Carricante van Milo staat op Etna in de spotlights. De kleine gemeente ligt op de oostelijke flank van de vulkaan, kijkt richting Ionische Zee en is als enige gemeente gerechtigd om Etna Bianco Superiore DOC te produceren.

Het klimaat wijkt er behoorlijk af van dat op andere flanken van de Etna. Vochtige lucht vanaf de Ionische Zee botst tegen de vulkaan, waardoor Milo tot de koelste en vooral natste wijnbouwzones van Etna behoort. De wijngaarden liggen bovendien op aanzienlijke hoogte en profiteren van een goede luchtcirculatie. Carricante voelt zich hier dan ook als een vis in het water.

De druiven worden vaak pas in oktober geoogst. Dat lange rijpingsseizoen geeft ze tijd om voldoende smaakontwikkeling op te bouwen terwijl de natuurlijke zuurgraad behouden blijft. Goede Etna Bianco Superiore combineert daardoor structuur en spanning met citrus, kruiden, rijper wit fruit en vaak een uitgesproken zilte toets.

De productie blijft beperkt en geschikte wijngaarden zijn schaars. De groeiende reputatie van Etna Bianco heeft de belangstelling voor Milo sterk doen toenemen, met stevig stijgende grondprijzen als logisch gevolg.

Producenten zoals Benanti en Barone di Villagrande speelden een belangrijke rol in de reputatie van Milo. Vooral Pietra Marina van Benanti bewees al vroeg dat Carricante hier witte wijnen kan voortbrengen die vele jaren kunnen ontwikkelen.

Proeverij Etna Bianco

Voor onze Bring Your Own formule van wijnclub Het Negende Vat stond er als afsluiter van het vorige proefjaar dus Etna Bianco op het programma. Er zijn wel enkele voorwaarden verbonden aan deze formule! De wijnen moesten minimaal 18 euro kosten. Er is geen plafond, dus iedereen is vrij zijn prijs te bepalen en de wijn mag onder geen enkel beding uit een supermarkt komen. Opdat er geen ‘dubbele’ flessen zouden voorkomen, geeft iedereen zijn geselecteerde wijn door aan schrijver dezes, die de gekozen flessen dan doorgeeft aan de leden. Ik geef je graag nog mijn proefnotities van deze geslaagde afsluitende avond.

  1. Firriato – Gaudensius Blanc de Blancs Brut
    100% Carricante, Metodo Classico Brut. Zachte persing van de volledige trossen, vergisting in inox en tweede gisting op fles. Minimaal 36 maanden rijping op de gisten.
    Goudgele kleur met mooi aanwezige, fijne en aanhoudende belletjes. Zeer aanstekelijke en behoorlijk complexe neus met perzik, abrikoos, rijpe peer, agrum en gekonfijte ananas. Daarnaast komen peper, citroenschil, brioche, toast en gist naar voren, met wat honing en hazelnoot op de achtergrond. Zeer rijk in de mond met mooi citrus- en steenfruit, uitgesproken ziltigheid en mineraliteit. Ook amandelschaafsel komt naar voren. Ondanks die rijkdom blijft de wijn strak en verfijnd. Lang aanwezig met limoenzeste en een licht nootachtige toets van geroosterde pistache in de afdronk. Een rijkelijke en bijzonder smakelijke bubbel.
    Punten 88/100 – Richtprijs: 34 € (Te koop bij Wine-Art)
  2. Sibiliana Eughenès Nato Bene Etna Bianco DOC 2022
    Carricante. Vergisting bij gecontroleerde temperatuur, gevolgd door opvoeding op de fijne lies in inox.
    Heldere bleekgouden kleur. Zeer mooie, ziltige neus met florale accenten, breed fruit, mineraliteit en een frisse, groenkruidige toets. Daarnaast komen vanille en zelfs een verrassend spoor van kers naar voren. Ook in de mond zeer aangenaam, fris met toch een licht vettig kantje. Citrusfruit is van start tot finish aanwezig, met tussendoor sappige peer. Mooi, knap en evenwichtig, met een perfecte lengte.
    Punten 88/100 – Richtprijs: 25 € (Niet te koop gevonden in België)
  3. Cusumano Alta Mora Etna Bianco DOC 2022
    100% Carricante. Vergisting in inox, gevolgd door 4 maanden opvoeding op de fijne lies in inox.
    Diepe, heldere strogele kleur. De vuursteen valt meteen op, gevolgd door perzik, abrikoos, ananas en peer. Daarnaast lentebloesems, hooi, honing, kruisbes en duidelijke zilte indrukken. In de mond vol en rijk, met een uitgesproken minerale toets die doorheen de hele smaak aanwezig blijft. Tegelijk behoudt de wijn bijzonder veel frisheid. Lange en aanhoudende afdronk met citrus en pomelo.
    Punten 88/100 – Richtprijs: 22 € (Te koop bij Young Charly)
  4. Pietradolce Etna Bianco DOC 2024
    100% Carricante. Opvoeding van 4 tot 6 maanden in inox.
    Bleekgouden, heldere kleur. Wat gesloten in de aanzet. Na walsen komen wit boomfruit en geel steenfruit naar voren, met vooral abrikoos, aangevuld met florale accenten, agrum, vuursteen, munt, anijs en een sprankel honing. In de mond komt de anijs veel duidelijker terug. Zeer mineraal en breed van smaak, met een licht vettig middenstuk dat overgaat in een frisse, zesty toets van limoen. Die blijft aanwezig tot in de finale, waar ook een fijn bittertje van noot opduikt. Correcte Etna Carricante.
    Punten 85/100 – Richtprijs: 23 € (Te koop bij Wine-Art)
  5. Tenuta delle Terre Nere, Calderara Sottana Etna Bianco DOC 2024
    100% Carricante. Voor 2024 volledig gevinifieerd en 9 maanden opgevoed in inox, zonder malolactische omzetting. Normaal wordt voor deze cuvée ook hout gebruikt.
    Heldere, strogele kleur. Frisse en verfijnde neus met appel, peer, wit steenfruit en grapefruit, aangevuld met bloesems en een lichte kruidigheid. In de mond zeer mineraal en ziltig, met een duidelijke vuursteentoets, veel frisheid en een mooie aciditeit. De kruidigheid komt hier nadrukkelijker naar voren dan in de neus. Licht vettig in het middenstuk. Blijft lang aanwezig met citrus en agrum in de finale. Mooi in balans, verfijnd en vooral lekker.
    Punten 88/100 – Richtprijs: 44 € (Te koop bij Licata)
  6. Giovanni Rosso Etna Bianco DOC 2023
    Carricante. Zachte persing van de volledige trossen, vergisting gedurende 15 tot 20 dagen bij lage temperatuur in inox, gevolgd door 5 maanden opvoeding op de fijne lies in inox.
    Bleekgouden, heldere en tranende kleur. De vulkanische bodem laat zich hier echt wel ruiken! Daarnaast ontdekken we koninginnenbrij, rijpe peer, rijpere ananas, munt, peper en gedroogde bloemen. In de mond zeer rijk en vol, maar tegelijk verbluffend fris. Alleszins een pak frisser dan de geur deed vermoeden. De wijn blijft lang aanwezig en eindigt in een uitgesproken zesty finale van mandarijn. Tijdens het proeven vroegen we ons af of er houtlagering aan te pas was gekomen, maar de wijn wordt volledig in inox opgevoed. Een zeer smakelijke en complexe Carricante.
    Punten 91/100 – Richtprijs: 30 € (Niet te koop gevonden in België)
  7. Carranco Villa dei Baroni Etna Bianco DOC 2022
    100% Carricante. Vergisting in inox of cement bij 15 tot 16°C, gevolgd door 6 tot 7 maanden opvoeding op de fijne lies in cement.
    Zuivere goudgele kleur. Zeer uitgebreid geurenpalet met perzik, kweepeer, mandarijn, appel en peer, aangevuld met anijs, venkel, gember, citroengras en een duidelijke vuursteentoets. Ook de zeste van citrusfruit zorgt voor extra frisheid in de neus. In de mond vol en fris tegelijk met veel geel steenfruit, een uitgesproken vuursteenmineraliteit en opnieuw die frisse citrusschil. Zeer evenwichtig, sappig en lang aanwezig, met naar het einde toe een heerlijk pompelmoesbittertje dat de afdronk extra spanning geeft.
    Punten 89/100 – Richtprijs: 38 € (Te koop bij Wijnkennis)
  8. Tenuta Ferrata Veni Etna Bianco DOC 2022
    100% Carricante. Vergisting in Franse eiken tonneaux, gevolgd door 10 maanden opvoeding in tonneaux en verdere flesrijping.
    Zuivere goudgele kleur. Aanvankelijk wat gesloten, maar na walsen komt de wijn heerlijk open. Rijpe abrikoos, perzik en ananas worden aangevuld met honing, anijs, kweepeer, hooi, gember, bloedsinaasappel en frangipane. Bij het proeven komt vooral de mineraliteit nadrukkelijk naar voren. Ondanks de rijke en rijpere smaak blijft de wijn ontzettend fris van profiel. Knap evenwicht en een mooie lengte, met zeste van sinaasappel en honing in de afdronk. Voor de tweede keer deze avond stelden we ons de vraag of de wijn houtlagering had gekregen. In dit geval was dat gevoel terecht.
    Punten 89/100 – Richtprijs: 30 € (Te koop bij Vino Salentu)
  9. Alberelli di Giodo Carricante Terre Siciliane IGT 2022
    100% Carricante. Vergisting gedurende ongeveer 20 dagen in inox, gevolgd door 6 maanden opvoeding op de fijne lies in inox en verdere flesrijping. Eigenlijk hadden we deze wijn voor de degustatie moeten weigeren, want strikt genomen is dit geen Etna Bianco DOC. We hebben wijselijk besloten dat niet te doen.
    Zuivere bleekgouden kleur. Van bij de eerste geur vallen de ziltigheid en vuursteen op. Zeer floraal met lindebloesem, aangevuld met peer, witte perzik, munt, peper, een licht animale toets, varens en fijne citrus van roze pompelmoes. Een zeer mooie neus! In de mond fris met een blijvende aciditeit. Sappig van start tot diep in de finale, met een verfijnde mineraliteit. In de afdronk komt de roze pompelmoes terug, samen met licht geroosterde nootjes. De wijn proeft alleszins nog zeer jong en is gewoonweg compleet te noemen.
    Punten 94/100 – Richtprijs: 60 € (Kopen is mogelijk via Wijnkennis)