Giro d’Italia 2026, rit 18: Colli di Conegliano DOCG, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo

Voor rit 18 maak ik een uitzondering op mijn vooropgestelde doel om telkens een onbekende DOC te bespreken. De reden is heel eenvoudig: Refrontolo. De renners passeren er en dat is werkelijk te mooi om te laten liggen.

Heel erg is die afwijking nu ook weer niet. We schuiven inderdaad door naar een DOCG, maar ik vermoed dat Colli di Conegliano DOCG voor heel wat lezers even onbekend zal zijn als de meeste kleine DOC’s die we tot nu toe hebben besproken. Zeker Refrontolo zal bij velen niet meteen herkenning oproepen. Deze streek wordt immers bijna automatisch verbonden met de bekende Prosecco uit Conegliano Valdobbiadene.

De renners trekken van Trentino naar Veneto, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo, door opnieuw een bijzonder mooi decor. Het parcours laat bovendien nog veel open. Op papier lijkt dit een etappe waarin snelle mannen kunnen dromen, want echte bergen moeten er niet meer over. Toch zit de angel in de finale. Na zoveel koersdagen is het maar de vraag of er nog voldoende sprintersploegen overblijven om alles te controleren, zeker met Refrontolo, de Muro di Ca’ del Poggio en de heuvels rond Pieve di Soligo in het slot.

De winnaar zal alvast getrakteerd worden op een magnumfles Cartizze.

Colli di Conegliano DOCG

Colli di Conegliano DOCG ligt in de provincie Treviso, in de heuvelzone rond Conegliano, Susegana, Pieve di Soligo, Farra di Soligo, Refrontolo, San Pietro di Feletto, Miane, Follina, Cison di Valmarino, Revine Lago, Tarzo, Vittorio Veneto, Fregona en een aantal omliggende gemeenten.

De erkenning als DOC kwam er in 1993. In 2011 volgde de promotie naar DOCG. Opvallend is vooral hoe klein de appellatie vandaag blijft. De appellatie telt amper achtentwintig hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer zeshonderdveertig hectoliter. Dat is bijzonder weinig. We komen de wijnen dan ook amper tegen buiten hun eigen kerktoren en het is dus geen wonder dat dit zo goed als onbekend terrein is.

Toch is er ook hier een rijke geschiedenis. Er was naar het schijnt al wijnbouw van in de ijzertijd, met de Paleoveneti als vroege gebruikers van de gedomesticeerde wijnstok. De Romeinen brachten meer orde in de aanplantingen. Later speelden de benedictijnen een belangrijke rol rond de versterkte centra van Ceneda, Serravalle, Conegliano en Susegana.

De band met witte wijn is al gedocumenteerd in de Statuti Coneglianesi van 1282. Onder de Republiek Venetië groeide de faam van de wijnen uit deze heuvels verder. In de vijftiende eeuw doken verwijzingen op naar de waardering voor de wijn van Feletto aan het hof van de doges. Ook de doortocht van keizer Karel V in 1532 wordt in de historische context aangehaald, met verwijzingen naar de wijnen van Feletti en Collalbrigo.

Refrontolo neemt binnen de denominatie een bijzondere plaats in. De productiezone is veel kleiner en beperkt zich tot delen van Refrontolo, Pieve di Soligo en San Pietro di Feletto. De wijn wordt vandaag gemaakt op basis van Marzemino, een druif die in deze streek al vroeg opduikt. Al in de vroege vijftiende eeuw zijn er verwijzingen van Venetiaanse edelen naar kostbare Marzeminowijnen uit deze heuvels. Giacomo Agostinetti noemt de Marzemini in 1679, en ook in de achttiende eeuw wordt de band tussen dit ras en de heuvels van Conegliano verder bevestigd.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen op zachte heuvels in het oosten van Veneto. Ten noorden van de zone liggen de Dolomiti Bellunesi, zuidelijker laat de Adriatische Zee haar invloed voelen. De heuvelruggen lopen van oost naar west door het noorden van de provincie Treviso en vormen een gebied dat geschikt is voor zowel witte als rode druiven.

De Alpen en Vooralpen schermen de zone deels af tegen koude luchtstromen uit het noorden. De nabijheid van de zee tempert het klimaat. Daardoor krijg je een gematigd klimaat met voldoende warmte, maar ook met duidelijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht.

De bodems gaan terug op een oude mariene ondergrond, later verder gevormd door erosie en glaciale afzettingen. In de praktijk betekent dit dat we vaak te maken hebben met bodems van alluviale en morenische oorsprong, met grind, stenen en voldoende kalk.

Dat stenige karakter helpt bij de drainage, zeker op hellingen waar overtollig water snel moet kunnen wegtrekken. Tegelijk kunnen de diepere bodems voldoende vocht vasthouden om de wijnstok door warme zomers te helpen. Die combinatie van drainage en waterreserve is belangrijk in een streek waar behoorlijk wat neerslag kan vallen.

Ventilatie speelt eveneens een grote rol. Vooral in het noordelijke deel van de Colli di Conegliano zorgen luchtstromen voor afkoeling en voor het drogen van druiven en bladeren. Dat helpt tegen schimmeldruk. Voor de passito’s is het nog belangrijker. Refrontolo en Fregona staan bekend als plaatsen waar frisse, droge luchtstromen natuurlijke indroging mogelijk maken.

Rode wijnen

De rode Colli di Conegliano DOCG wordt gemaakt van Cabernet Franc, Cabernet Sauvignon, Marzemino en Merlot. Elk van deze druiven moet minstens tien procent aanwezig zijn. Merlot mag maximaal veertig procent van de blend uitmaken. Daarnaast mogen Manzoni Nero 2.15 en Refosco dal Peduncolo Rosso samen maximaal twintig procent toevoegen.

De gewone rosso moet minstens vierentwintig maanden rijpen, gerekend vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moet minstens zes maanden in hout en minstens drie maanden op fles gebeuren. Voor de riserva loopt de totale rijping op tot minstens zesendertig maanden, waarvan minstens twaalf maanden in hout.

In het glas mag je rijp rood en zwart fruit verwachten, met kruidigheid, voldoende body en een duidelijke maar beheerste tannine. Cabernet Franc en Cabernet Sauvignon geven ruggengraat en soms een meer groene of kruidige toets. Merlot brengt ronding. Marzemino kan voor een meer florale en fruitige inslag zorgen. Refosco en Manzoni Nero kunnen, wanneer ze gebruikt worden, extra kleur, spanning en karakter toevoegen.

Een amusant weetje is dat Colli di Conegliano rosso de eerste rode wijn met denominatie van de Sinistra Piave was, de linkeroever van de Piave. Het was bij wijze van spreken een inbreker in een gebied waar wit en mousserend, laat ons eerlijk zijn, nog altijd grotendeels de lakens uitdelen.

Refrontolo is de meest eigenzinnige rode wijn van de DOCG. Hij wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet-aromatische rode druiven uit de provincie Treviso mag worden toegevoegd. De druiven moeten eerst indrogen tot ze een minimaal potentieel alcoholvolume van 14,5 procent bereiken. Misschien is de vergelijking niet helemaal correct, maar je mag Refrontolo bekijken als een soort mini Amarone met Marzemino in de hoofdrol, tenminste wanneer hij droog wordt gevinifieerd. Er bestaat immers ook een passitoversie.

De wijn moet minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens twaalf maanden in hout en drie maanden op fles. In de officiële smaakomschrijving komt Refrontolo naar voren als een robijnrode tot granaatrode wijn, warm, vol, harmonieus en met een fluwelige indruk. In het glas geeft Marzemino hier vaak rijpe kers, pruim, viooltjes, klein donker fruit en zachte specerijen.

Witte wijnen

Ook Colli di Conegliano bianco kan een blend zijn van heel wat druiven. De belangrijkste is echter Manzoni Bianco, die voor minstens dertig procent aanwezig moet zijn. Daarnaast moet minstens dertig procent bestaan uit Pinot Bianco, Chardonnay of een combinatie van beide. Sauvignon Blanc en Riesling Renano mogen samen maximaal tien procent van de blend innemen.

Manzoni Bianco verdient wat meer uitleg, want het is een streekgebonden druif zonder dat ze spontaan in de wijngaard is ontstaan. Ze werd gecreëerd door Luigi Manzoni, die jarenlang verbonden was aan de wijnbouwschool van Conegliano. Het is een kruising van Riesling Renano en Pinot Bianco, en ze past bijzonder goed bij de heuvelachtige en morenische ondergrond van deze zone. De druif voelt zich immers goed op stenige, droge en arme bodems.

De witte wijn moet minstens vier maanden rijpen en kan vanaf maart van het jaar na de oogst op de markt komen. In het glas vind je dan een wijn met een strogele kleur, aroma’s van rijp wit fruit, citrusfruit, veldbloemen en een licht kruidige toets. In de mond geeft dit een goed evenwicht tussen zuren en sappig fruit. De wijn bezit een rond mondgevoel met voldoende frisheid.

Passito

Colli di Conegliano heeft naast rood en wit nog twee heel speciale wijnen in het zoete segment: Refrontolo passito en Torchiato di Fregona. Ze verschillen sterk van elkaar en je kan ze eigenlijk in niets met elkaar vergelijken. De ene is rood, de andere wit. Het enige gemeenschappelijke punt is dat beide wijnen gemaakt worden via appassimento, het indrogen van de druiven.

Refrontolo passito wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet aromatische rode druiven is toegestaan. De druiven moeten indrogen tot minstens zestien procent potentieel alcoholvolume. Het maximale rendement van druif naar wijn ligt laag, met hoogstens vijfenveertig procent. De druiven worden ingedroogd op rekken tot de week voor Kerstmis.

De passito moet minstens vier maanden rijpen, waarvan minstens drie maanden op fles. Dat levert een rode passito op met de typische geuren van ingedroogde Marzemino. Denk aan rijpe kers, bosfruit, pruim, viooltjes, gedroogd fruit, specerijen en soms een licht amandelachtige toets. Als we bij de droge versie de vergelijking maakten met Amarone, dan kunnen we deze passito ergens richting Recioto plaatsen, al blijft Marzemino natuurlijk een heel andere druif.

Die andere zoete wijn, de Torchiato di Fregona, is de witte passito van de appellatie. Hij wordt gemaakt van druiven die niet vreemd klinken in deze Prosecco streek: minstens dertig procent Glera, minstens twintig procent Verdiso en minstens vijfentwintig procent Boschera. Daarnaast mag maximaal vijftien procent andere niet aromatische witte druiven worden gebruikt.

De productiezone is beperkt tot Fregona, Sarmede en Cappella Maggiore. De druiven moeten minstens honderdvijftig dagen indrogen na de oogst. Ze mogen niet vóór 1 februari van het jaar na de oogst worden geperst. De wijn moet vervolgens minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens vijf maanden op fles. De maximale opbrengst van druif naar wijn bedraagt slechts vijfentwintig procent.

Torchiato di Fregona heeft meestal een diepe goudgele kleur. In de geur zitten honing, gedroogde abrikoos, gekonfijte citrus, rijpe appel, kruiden en noten. Verdiso helpt om frisheid te bewaren. Boschera geeft structuur en is bijzonder geschikt voor lange indroging. Glera zorgt, net zoals in Prosecco, voor primair fruit.

Giro d’Italia 2026, rit 17: Valcalepio DOC, van Cassano d’Adda naar Andalo

Na twee dagen stilte is de Giro zijn laatste week ingegaan. Maandag was er de traditionele rustdag en dinsdag bleef rit 16 volledig op Zwitsers grondgebied, waardoor we er geen Italiaanse appellatie aan konden koppelen. En dus richten we ons opnieuw op Italië, met de verraderlijke rit van Cassano d’Adda naar Andalo.

Rit 17 gaat bijna voortdurend in stijgende lijn, zonder dat er meteen een echte monsterklim op het menu staat. Dat maakt ze lastig te controleren. De punchers zouden hier wel eens vrij spel kunnen krijgen, zeker als de vlucht van de dag voldoende marge krijgt voor de finale richting Andalo.

Voor onze bespreking zag ik twee mogelijkheden die bij het ritprofiel passen. Omdat de rit eindigt in Trentino en door de Piana Rotaliana komt, zou Teroldego Rotaliano DOC zeker aangewezen zijn. Ik kies echter voor een DOC die dichter bij het eerste deel van de rit ligt, rond Bergamo: Valcalepio DOC. Minder bekend, en net daarom boeiender voor onze reeks.

Valcalepio DOC

Valcalepio DOC ligt in de provincie Bergamo, in Lombardije. De denominatie werd erkend in 1976 en omvat een heuvelzone tussen de uitlopers van de Orobie, Lago d’Iseo en Monte Canto.

Het wijngebied telt ongeveer 113 hectare wijngaardoppervlakte en een gemiddelde productie van ongeveer 5.940 hectoliter. Daarmee blijft de appellatie vrij beperkt in omvang.

De productiezone wordt nauwkeurig afgebakend. Ze vertrekt in het oosten bij de monding van de Torrente Rino in Lago d’Iseo, in de gemeente Predore, en volgt daarna een lange lijn van beken, valleien, heuvelruggen, gemeentegrenzen en oude wegen. Sarnico, Viadanica, Foresto Sparso, Berzo San Fermo, Trescore Balneario, Cenate Sopra, Scanzorosciate, Nembro, Alzano Lombardo, Ponteranica, Sorisole, Villa d’Almè, Almenno San Salvatore, Almenno San Bartolomeo, Palazzago, Pontida, Sotto il Monte Giovanni XXIII en Carvico geven een goed beeld van de brede heuvelgordel van de provincie Bergamo waarin de DOC zich uitstrekt. De grens keert uiteindelijk terug richting Sarnico en de oever van Lago d’Iseo aan de zijde van Bergamo.

Hoewel de DOC pas in 1976 werd erkend, is er al in de middeleeuwen bewijs dat Bergamo sterk was verbonden met wijnbouw. Tot het einde van de elfde eeuw zouden bijna vier vijfde van de bewerkte landbouwgronden wijngaarden zijn geweest. Ook net buiten de stad lag opvallend veel wijngaard, meer dan in veel andere landbouwgebieden rond stedelijke centra. In oude documenten worden wijngaarden bovendien hoger gewaardeerd dan akkers. Niets nieuws onder de zon dus, zou je denken. Alleen woog wijnbouw in die tijd economisch anders door dan vandaag.

Latere bronnen blijven de wijnbouw rond Bergamo vermelden. In de zestiende eeuw wordt gesproken over de vruchtbaarheid van het gebied en over uitstekende wijnen. De valleien van de Brembo en de Serio hadden een reputatie voor zowel rode als witte wijnen.

Bodem en klimaat

Het gebied is heuvelachtig en ligt tussen de Povlakte en de eerste uitlopers van de Alpen in het noorden van de provincie Bergamo. De wijngaarden liggen doorgaans op goed geëxposeerde hellingen en heuvelflanken. Voor druiven bestemd voor rode wijn werd de maximale hoogte bepaald op 600 meter. Voor Chardonnay, Pinot Bianco en Pinot Grigio gaat dat tot 700 meter.

Leuk detail, voor mezelf dan toch, is dat je heel wat detailinformatie over de bodem kan vinden met de lokale benamingen. Dat maakt het wel ingewikkeld, zeker wanneer die bodemsamenstelling zo gevarieerd is.

In de heuvelzone komen onder meer Selcifero Lombardo (kalksteen met silex), Maiolica di Bruntino (fijnkorrelige kalksteen met silex), Sass de Luna (kalksteen en mergel), flyschformaties (afwisselende lagen van zandsteen, mergel en klei), Arenaria di Sarnico (zandsteen), Pietra di Credaro (kalkrijke zandsteen) en alluviale gronden (rivierafzettingen van zand, leem, klei en grind) voor.

In het noordwestelijke deel rond Bergamo overheersen meer schistachtige en kleiige bodems. Richting Lago d’Iseo komen vaker klei en kalksteen naar voren.

Het klimaat wordt meestal omschreven als gematigd continentaal, met invloed van de heuvels en van Lago d’Iseo. Binnen de DOC worden verschillende klimaatzones onderscheiden: de westelijke heuvels, de oostelijke heuvels en de zone rond Trescore Balneario. De oostelijke zone krijgt doorgaans wat meer warmte. Hogere en beter geventileerde percelen bewaren meer frisheid.

Rode wijnen

Valcalepio rosso wordt in hoofdzaak gemaakt van Merlot en Cabernet Sauvignon. Merlot mag tussen 40 en 90 procent van de assemblage uitmaken. Cabernet Sauvignon zit tussen 10 en 60 procent. Daarnaast mag maximaal 15 procent bestaan uit Franconia, Incrocio Terzi n.1, Merera, Rebo en Petit Verdot.

Opmerkelijk is dat de verhouding tussen Merlot en Cabernet Sauvignon in 2025 nog werd aangepast. Voordien moest Cabernet Sauvignon minstens 25 procent van de assemblage uitmaken en mocht Merlot maximaal 75 procent bedragen. Daarmee krijgt Merlot duidelijk meer ruimte binnen Valcalepio rosso.

De reden voor die wijziging ligt mee in de wijngaard. Cabernet Sauvignon blijkt in deze streek gevoeliger voor aantastingen van het houtweefsel, met esca als bekendste voorbeeld. Daardoor kunnen stokken geleidelijk onproductief worden en ontstaan er meer open plekken in de wijngaard.

De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moeten minstens drie maanden in houten vaten gebeuren. In het glas verwacht je een robijnrode wijn, met een vrij intens aroma en een droge, volle smaak. Donker fruit, pruim, zwarte kers, cassis, kruiden en een lichte vegetale toets van Cabernet Sauvignon.

Voor Valcalepio rosso riserva mogen enkel Merlot en Cabernet Sauvignon worden gebruikt, in dezelfde verhouding als bij de gewone rosso. De rijping is strenger. Valcalepio rosso riserva moet minstens drie jaar rijpen, waarvan minstens één jaar in eikenhout. De wijn mag pas vanaf 1 november van het derde jaar na de oogst op de markt komen.

De kleur kan richting granaat gaan. In de geur krijg je naast donker fruit ook tabak, ceder, leder, specerijen en soms een wat etherische toets. De mond is voller, steviger en meer gestructureerd.

Witte wijnen

Ook bij de witte wijnen staan internationale druivenrassen centraal. Valcalepio bianco wordt gemaakt van Chardonnay en of Pinot Bianco, samen goed voor 55 tot 80 procent. Pinot Grigio vult aan met 20 tot 45 procent. Voor de witte wijn wordt geen verplichte rijpingsperiode opgelegd.

Pinot Bianco zorgt meestal voor frisheid, ingetogen fruit en een rustige structuur. Chardonnay kan wat meer volume, rijper fruit en breedte geven. Pinot Grigio brengt toegankelijkheid, sappigheid en soms een licht kruidige toets.

In het glas mag je een strogele kleur verwachten, met aroma’s van appel, peer, citrus, witte bloemen en soms wat amandel. De mond is droog, harmonieus en vrij herkenbaar.

Passito

Naast de rode en witte wijnen wordt er ook een zoete passitowijn gemaakt. Valcalepio Moscato passito vertrekt van minstens 85 procent Moscato di Scanzo. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere druiven die in Lombardije zijn toegelaten.

Ook dit is een recente wijziging in het disciplinare. Vroeger moest de wijn volledig uit Moscato bestaan. Door de verlaging naar 85 procent krijgen producenten iets meer ruimte om het aromatische profiel van de wijn bij te sturen.

De wijn mag pas vanaf 1 april van het tweede jaar na de oogst op de markt komen. Het totaal alcoholgehalte moet minstens 17 procent bedragen. De wijn moet minimaal 30 gram restsuiker per liter bevatten.

De kleur is robijnrood, soms richting cerasuolo met granaatrode reflecties. In de geur verwacht je rijp rood fruit, kersenconfituur, rozen, gedroogde bloemen, kruiden, specerijen en soms wat honing. In de mond is Valcalepio Moscato passito zoet, geconcentreerd en aromatisch.

Giro d’Italia 2026, rit 15: Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, van Voghera naar Milano

We rijden verder, van Voghera naar Milano. Ik trakteer met een flesje Classese als dit geen sprintersetappe wordt. Veel renners zullen opgelucht zijn met het profiel van deze 15e rit. Na de bergrit van de vorige dag kunnen ze opnieuw wat op adem komen, met de zware laatste week al nadrukkelijk in het achterhoofd.

De keuze voor de DOC was misschien wel een van de makkelijkste van deze Giro. Starten in Voghera, daarna richting Casteggio. Tja, dan zit je meteen in Oltrepò Pavese. Ik kies dan ook voor het specialleke van deze appellatie: Buttafuoco. Het is altijd al een wijn geweest die me triggert, ook al kan de kwaliteit behoorlijk schommelen. Ik heb recht van spreken, want ik heb er in mijn wijnleven toch al wel wat geproefd.

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, of gewoon Buttafuoco, is sinds 2010 een zelfstandige DOC. Daarvoor bestond hij al als type binnen de ruimere Oltrepò Pavese DOC, waar hij sinds 1970 mee onder viel. Die aparte erkenning kwam er om deze historische rode wijn uit een veel kleinere heuvelzone dan de overkoepelende DOC een eigen identiteit te geven. Die beweging kreeg in 1996 vorm, toen enkele wijnbouwers zich verenigden om Buttafuoco opnieuw scherper te positioneren.

De historische kern ligt op de heuvelrug tussen de valleien van de Versa en de Scuropasso. Dat is de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese, rond Stradella, een zone die bekendstaat als het Sperone di Stradella. De productiezone ligt in de provincie Pavia, in het oostelijke deel van Oltrepò Pavese, binnen de gemeenten Stradella, Broni, Canneto Pavese, Montescano, Castana, Cigognola en Pietra de’ Giorgi.

De streek heeft al eeuwen een duidelijke wijnbouwroeping. Dat heeft veel te maken met haar ligging als doorgangsgebied voor legeraanvoerders, pelgrims en handelaars. Die passage zorgde voor afzet en bracht tegelijk nieuwe contacten mee. In documenten uit de achttiende eeuw wordt op het Sperone di Stradella al verwezen naar krachtige rode wijnen, geschikt voor de tafels van adel, kloosters en stedelijke elites in Pavia en Milano.

De naam Buttafuoco wordt verbonden met het Milanese dialect, waarin de vorm Butafeug opduikt. Die werd gebruikt voor een wijn uit de heuvels van Stradella, met veel body en alcohol, een wijn die bijna de mond brandde.

Er doet ook een verhaal uit 1859 de ronde, tijdens de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog. Oostenrijkse mariniers zouden op weg naar de strijd in de heuvels rond Stradella verdwenen zijn en pas de dag nadien zijn teruggevonden in een kelder, stevig onder invloed van de plaatselijke Buttafuoco. Later werd het verhaal verbonden met een marineschip dat dezelfde naam kreeg. Vandaar ook het schip als logo van de wijnbouwers die Buttafuoco opnieuw wilden opwaarderen.

Vandaag blijft Buttafuoco een relatief kleine DOC. Het wijngaardareaal bedraagt slechts 47 hectare en de productie blijft beperkt. De DOC voorziet twee types: een stille rode wijn en een rode frizzante. Barbera en Croatina vormen de basis, aangevuld met Uva Rara en Ughetta.

Bodem en klimaat

Oltrepò Pavese ligt in het zuiden van Lombardije, onder de Po, waar de vlakte overgaat in heuvels en uiteindelijk richting Apennijnen kijkt. Het gebied vormt een kruispunt tussen Lombardije, Piemonte, Ligurië en Emilia Romagna. Wie even in de geschiedenisboeken kijkt, ziet dat dit deel vroeger zelfs bij Piemonte hoorde.

De zone van Buttafuoco behoort tot de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese. De wijngaarden liggen niet in de vlakte en ook niet in de koele dalbodems. De percelen bevinden zich op vaak bijzonder mooie, glooiende hellingen, met voldoende zon en een duidelijk reliëf.

De hoogte ligt vooral tussen 150 en 350 meter. De hellingen kunnen behoorlijk stevig zijn, plaatselijk richting 35 procent. Het landschap bestaat uit heuvelruggen, kleine valleien en wijngaarden die zich in dat reliëf nestelen.

Geologisch zit je hier in een complex gebied. Kalkrijke mergel, zandsteen, silt, klei en conglomeraten komen er naast elkaar voor. Er is veel variatie, met kalk, klei en een goede drainage als duidelijke rode draad. De bodems zijn vaak alkalisch, matig diep en voldoende doorlatend.

Het klimaat is continentaal en eigenlijk verrassend warm. In de lagere en middelhoge heuvelzone ligt de gemiddelde jaartemperatuur rond 12 graden. Januari is fris, met gemiddelde waarden rond 1 graad, terwijl juli en augustus doorgaans rond 22 tot 24 graden uitkomen. De zomerse maxima zitten vaak rond 28 tot 30 graden. De neerslag ligt meestal tussen 800 en 900 millimeter per jaar. Wind speelt hier ook een rol, waaronder föhnachtige bewegingen die de luchtvochtigheid kunnen verlagen en de verdamping versterken. Eens ter plaatse merk je dat zeer goed.

Rode wijnen

Buttafuoco is altijd rood en bestaat in twee versies: een stille rode wijn en een frizzante. In beide gevallen gaat het verplicht om een blend. Barbera moet tussen 25 en 65 procent van de samenstelling uitmaken. Croatina moet eveneens tussen 25 en 65 procent liggen. Uva rara en Ughetta, beter bekend als Vespolina, mogen samen of afzonderlijk tot maximaal 45 procent aanvullen.

Barbera brengt vooral zuren en sappigheid. Croatina geeft kleur, donkerder fruit, volume en tannine. Uva rara maakt het fruit wat zachter. Vespolina brengt kruidigheid, soms met een licht peperige toets.

De wijn mag pas vanaf 30 april van het jaar na de oogst op de markt komen. Dat betekent in de praktijk een korte minimale opvoeding, maar geen lange verplichte rijping. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Een aparte riserva of superiore bestaat binnen deze DOC niet.

Qua kleur zit Buttafuoco meestal in het levendige robijnrood, vaak behoorlijk intens. In de neus mag je rijp rood fruit, donkerder fruit, viooltjes, pruim en soms een kruidige toets verwachten. De smaak is doorgaans droog, vol en stevig gebouwd. De tannine komt vooral van Croatina. Je proeft een wijn met rijp fruit, kruidigheid, voldoende zuren en een correct evenwicht. Wel moet je opletten dat Buttafuoco niet te zwaar wordt. Bij te veel rijpheid en alcohol schuift het fruit vrij snel richting compote en warmte.

De frizzante versie is eveneens rood en droog. De lichte pareling bezorgt de wijn een totaal ander geur- en smaakprofiel. Het geheel voelt fruitiger aan, terwijl de tannine minder nadrukkelijk aanvoelt.

De rode veelzijdigheid van Marche

Nu onze verkenningsronde in de Marche er bijna op zit, is het hoog tijd om opnieuw de wijngaarden in te duiken. Deze keer richten we onze blik op de rode zijde van de regio, voorbij het klassieke witte wijnbeeld waarmee Marche zo vaak wordt geassocieerd. In de voorbije artikels hebben we al gesproken over Conero en Offida, waar rode wijnen een prominente rol spelen. Maar er is meer. Veel meer zelfs. Marche is zodanig veelzijdig, ook op wijngebied, dat zowat elke wijnliefhebber er zijn gading kan vinden.

Vandaag wil ik het dan ook wat uitgebreider hebben over die rode veelzijdigheid. Ik realiseer me ten volle dat ik niet alles gedetailleerd zal kunnen weergeven en dat ik keuzes moet maken. Die keuzes heb ik doelbewust gemaakt en ik deel ze graag met jullie.

Rosso Piceno, de ruggengraat

Logischerwijze starten we met Rosso Piceno. Waarom ik zeg dat dit logisch is, heeft alles te maken met de bekendheid van deze wijn. Dit is de wijn die veel mensen het snelst met Marche associëren wanneer we vragen welke rode wijn ze uit de regio kennen. Je zal dat ook meteen begrijpen als je zelf door de Marche reist. Deze rode wijn wordt zowat overal aangeboden en je ziet hem in overvloed op de lokale wijnkaarten staan. Officieel spreken we over Rosso Piceno of Piceno DOC.

De wijngaarden liggen verspreid over een groot deel van Marche, van de provincie Ancona over Macerata en Fermo tot Ascoli Piceno. Alleen moeten we er meteen bij zeggen dat dit geen klein afgebakend hoekje is waar alles op één hoopje kan worden gegooid. Ik raad iedereen aan om de strada del vino Rosso Piceno Superiore te volgen, die via Ripatransone over Offida naar Acquaviva Picena loopt. Dan pas merk je echt de omvang van het gebied en de diversiteit ervan. Vergeet onderweg vooral niet enkele haltes te maken om kennis te maken met de wijn.

Je begrijpt dan ook dat het bodemverhaal niet eenvoudig te verklaren is. Je vindt wijngaarden op klei, kalkrijke bodems, zandiger percelen en bodems met meer steenachtig materiaal. Vooral in het zuiden, richting Offida, Ripatransone, Acquaviva Picena en Ascoli Piceno, kom je vaak uit bij heuvels waar klei en kalk een belangrijke rol spelen. Dat geeft wijnen die voldoende kleur, fruit en meer body hebben.

Rosso Piceno zal steeds gemaakt worden van Montepulciano en Sangiovese. De samenstelling van deze blend kan wel schommelen, maar vaak zal er meer Montepulciano aanwezig zijn dan Sangiovese. Wil je de exacte verplichte samenstelling kennen waaraan de producenten zich dienen te houden, dan is dit tussen 35 en 85 procent Montepulciano en tussen 15 en 50 procent Sangiovese. Theoretisch gezien mogen de producenten nog 15 procent andere rode druivenrassen, eigen aan Marche, toevoegen, maar in de praktijk zal je dit zelden zien.

Die basis geldt ook voor de Novello en de Superiore. De Novello is de jonge wijn die vooral vlug soldaat moet worden gemaakt en niet bedoeld is om te bewaren. Die kan perfect licht gekoeld worden geschonken bij een plankje lokale charcuterie of een bord pasta.

Daarnaast zijn er de serieuzere en complexere wijnen die op de markt komen als Rosso Piceno Superiore. Die Superiore komt uit een beperktere zone in het zuiden van Marche, rond Ascoli Piceno, en moet minstens een jaar rijpen, al dan niet in eiken vaten, voor hij gecommercialiseerd mag worden.

Het wordt een ander verhaal als je een wijn koopt waarop de benaming Rosso Piceno Sangiovese DOC staat. Dan staat deze druif centraal en moet Sangiovese voor minstens 85 procent aanwezig zijn in de wijn. Ook hier leert de praktijk ons dat het veelal om monocépage Sangiovese wijnen zal gaan.

Wie deze wijnen ter plaatse wil proeven, zou ik vooral richting Offida sturen. Daar bevindt zich de Enoteca Regionale delle Marche, in het voormalige klooster van San Francesco. Dat is interessant omdat je er een hele reeks Rosso Piceno wijnen kunt ontdekken en meteen ook een ruimer beeld krijgt van de wijnen uit het zuiden van Marche. Bovendien zit ook het Consorzio Vini Piceni in Offida.

Lacrima di Morro d’Alba, de geurige eigenzinnigheid

Morro d’Alba is een klein maar boeiend plaatsje in het midden van Marche en is bovendien een van de 22 Castelli die deel uitmaken van het Castelli di Jesi wijngebied. Er is echter iets bijzonders aan de hand ginds. Er wordt in en om het dorpje historisch gezien ook een rode wijn gemaakt, de Lacrima di Morro d’Alba. Deze wijn bleef lange tijd volledig onder de radar en er werd amper melding van gemaakt. Daar is de laatste jaren echter een serieuze kentering in gekomen. We kunnen deze wijnen ondertussen niet enkel, zoals vroeger vaak het geval was, ter plaatse consumeren. Neen, we zien de wijn steeds meer opduiken bij ons in de wijnhandel.

In principe juich ik dit volledig toe, want Lacrima di Morro d’Alba is volgens mij een van de meest fascinerende rode wijnen van Marche. Dat heeft natuurlijk te maken met zijn geur. Wie voor de eerste keer een goed glas Lacrima onder de neus krijgt, begrijpt dat meteen. Rozen, viooltjes, rood fruit, soms wat zwarte kers, soms iets kruidigs. Dit kan je natuurlijk van heel wat rode wijnen zeggen, maar bij een Lacrima di Morro d’Alba is dit al snel overduidelijk merkbaar.

Het gebied is bijzonder klein. We bevinden ons in de provincie Ancona, in en rond Morro d’Alba, met ook wijngaarden in Monte San Vito, San Marcello, Belvedere Ostrense, Ostra en een deel van Senigallia. Ondanks dat kleine productiegebied zijn er toch ongeveer 182 hectare aan wijngaarden beplant met deze druif. Of dit cijfer de laatste jaren mee de hoogte is ingegaan door de betere bekendheid, heb ik niet onmiddellijk kunnen achterhalen. We zitten vooral op heuvelgronden met klei en kalk, aangevuld met onderlagen die eerder kleiachtig en kalkzanderig van aard zijn. Het zijn bodems die voldoende voeding en water kunnen vasthouden.

De wijn moet voor minstens 85 procent uit Lacrima bestaan. Maar ook hier leert de praktijk ons dat het meestal gewoon monocépagewijnen zijn. Ergens is dat ook de normaalste zaak van de wereld, want de identiteit van deze wijn hangt zo sterk samen met de druif zelf dat je deze kwaliteiten beter ten volle benut.

We komen deze druif bij wijze van spreken, met uitzondering van wat IGT wijnen uit Puglia, nergens anders tegen. De vraag stelt zich dus waarom deze druif precies in dit kleine gebied is blijven hangen. Het antwoord valt historisch niet volledig te achterhalen. We weten wel dat Lacrima in de tweede helft van de negentiende eeuw al beschreven werd als een waardevolle lokale druif. Daarna is de aanplant sterk teruggelopen, zoals met zoveel oude druivenrassen gebeurde, om later opnieuw opgepikt te worden door producenten die begrepen dat ze iets waardevols in handen hadden.

Makkelijk is het voor de producenten nochtans niet met de Lacrima druif. Het is immers een zeer kwetsbare druif. Ze loopt vroeg uit, waardoor voorjaarsvorst een reëel risico kan vormen. Daarbovenop heeft ze een dunne, gevoelige schil die bij volle rijpheid kan openbarsten. Vandaar ook de naam Lacrima, de traan. Wanneer de bes begint te barsten, kan het sap als een druppel naar buiten komen. Mooi beeld, maar voor de wijnbouwer is dat vooral een teken dat hij niet alert genoeg is geweest.

Er worden drie types Lacrima wijn gemaakt. De gewone Lacrima di Morro d’Alba is de meest directe en meest herkenbare versie. Die komt meestal vrij jong op de markt en speelt volop op fruit en bloemen. Dat is het type wijn dat je gerust licht gekoeld kunt schenken. De tannine is doorgaans aanwezig, maar zelden hard. Het aromatische karakter blijft de hoofdrol spelen.

Daarnaast bestaat er ook Lacrima di Morro d’Alba Superiore. Die komt later op de markt en bezit wat meer concentratie en body. Aangezien het parfum en het fruit als essentieel worden beschouwd voor deze wijn, is er geen overdreven lange rijpingsperiode voorzien. Bij een Superiore is die uiteraard iets langer dan bij de gewone Rosso. Tien tot elf maanden in plaats van twee maanden.

Ten slotte is er ook een zoete wijn. Voor de Passito worden de druiven ingedroogd en schuiven we richting rijkere wijnen met een ander profiel. Vaak met donker fruit, bloemen, specerijen en een zachte, bijna fluwelige mondstructuur.

Morro d’Alba hadden we al aangehaald bij de hidden gems en is dus zeker het bezoeken waard. Bovendien is de Enoteca Comunale daar een bijzonder interessante halte. Ze werd speciaal ingericht door de producenten om de Lacrima wijn zichtbaar te maken en toegankelijker te maken voor consumenten die deze kunnen proeven en uiteraard ook kopen.

We geven nog mee dat er in Morro d’Alba jaarlijks, in oktober, het Lacrima Wine and Truffle Festival plaatsvindt. The best of both worlds, verenigd in één groot dorpsfeest. Ik zet het alvast in mijn agenda!

Vernaccia di Serrapetrona, een curiositeit

We sluiten het rode drieluik af met misschien wel de meest bijzondere wijn van het hele gezelschap: Vernaccia di Serrapetrona DOCG. Om meteen met de deur in huis te vallen: we spreken hier over een rode spumante, droog of zoet, gemaakt van de Vernaccia Nera druif.

Vooraleer ik verder ga met de beschrijving van het wijngebied en de wijn zelf, wil ik toch eerst even kaderen waarom ik dit als de meest bijzondere wijn bestempel. Hoeveel wijnen kennen jullie die drie vergistingen ondergaan? Wel, vanaf nu al minstens eentje, want de manier waarop deze wijn wordt gemaakt, is echt wel fascinerend te noemen. We proberen het voldoende helder te schetsen.

Na de oogst ondergaat een deel van de druiven een onmiddellijke vinificatie. Dat is de eerste vergisting. Het resterende deel, minstens 40 procent van de druiven, wordt ingedroogd en ondergaat het appassimento proces. Die druiven verliezen water, waardoor suiker, aroma en smaak zich concentreren. Nadien worden ook deze ingedroogde druiven geperst en vergist. Dat is de tweede vergisting.

Daarna volgt de assemblage. De wijn van de eerste vergisting en de wijn van de tweede vergisting worden samengevoegd. Vervolgens brengt men nog een derde vergisting op gang in een drukvat, de autoclaaf, om de belletjes te vormen. Zeg maar dat men hier ook nog eens de metodo Martinotti op loslaat.

Nu dit duidelijk is, kunnen we verder met de DOCG, want dat is Vernaccia di Serrapetrona sinds 2004. Met slechts een handvol producenten en amper 9 hectare aan wijngaarden is dit echt wel een nicheproduct. Maar wel eentje dat ik je kan aanraden als je, ik zeg maar wat, een moelleux zou maken of een krachtige gorgonzola zou nuttigen. De wijngaarden voor Vernaccia di Serrapetrona liggen in de provincie Macerata, rond Serrapetrona zelf en delen van Belforte del Chienti en San Severino Marche.

Serrapetrona ligt landinwaarts, richting de hogere heuvels en met de Monti Sibillini niet zo gek veraf. De wijngaarden liggen vaak op een behoorlijke hoogte, ergens tussen 400 en 700 meter. De bodems zijn overwegend mergelachtig en kalkrijk, met in sommige zones ook dunnere, stenige bodems en elders meer zandige en kleiachtige elementen.

De wijn wordt gemaakt van minstens 85 procent Vernaccia Nera. De overige 15 procent mag bestaan uit andere blauwe druivenrassen die in Marche zijn toegestaan. In de praktijk draait alles natuurlijk rond Vernaccia Nera zelf. Officieel gaat het bij Vernaccia di Serrapetrona DOCG om een rode spumante, in twee types: secco en dolce.

De droge wijn kan behoorlijk gastronomisch zijn, met rood fruit, kruidigheid, frisse zuren en een lichte tannine in combinatie met de pareling. De zoete versie zit meer in de richting van rijper fruit, confituur, bloemen, specerijen en een zachtere smaakimpressie. De wijn komt pas ongeveer 9 maanden na de oogst op de markt.

Wie deze wijn ter plaatse wil ontdekken, plant zijn bezoek best in november. Dan zijn er de Appassimenti Aperti feesten. De producenten openen hun deuren en de droogruimtes staan centraal, waar de druiven hangen of in kistjes liggen te drogen. Het ideale moment om deze wijn te leren kennen.

Plus superest

Vrij vertaald: en er is nog meer. Uiteraard is er nog meer, want het Marche IGT aanbod biedt hier de nodige ruimte voor. Internationale druivenrassen zoals Cabernet, Merlot of Syrah kan je binnen dat aanbod vinden en geloof me vrij, ze zijn vaak een pak beter dan hun Franse voorbeelden.

Ik kan soms amper begrijpen hoe het mogelijk is dat een druif zoals Pinot Noir hier zulke fantastische resultaten kan neerzetten. Geloof je me niet? Als je met je wagen Marche binnenrijdt vanuit Emilia Romagna, hou dan een eerste halte in Pesaro. Je weet wel, een van de kustplaatsjes die we eerder al op onze route hadden gezet. Geef Fattoria Mancini in op je gps en proef hun Pinot Noir wijnen. Vergeet zeker hun Spumante niet.

En de rest? Dat moet je zelf maar ter plekke ontdekken.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
  5. Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland
  6. Marche op zondag: Hidden gems, deel 2
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi

Giro d’Italia 2026, rit 14: Valle d’Aosta Nus DOC, van Aosta naar Pila

Tot nu toe hebben we het hooggebergte, misschien met uitzondering van de rit naar Blockhaus, nog niet echt aangedaan. Zodra we in Valle d’Aosta terechtkomen, verandert dat. Het profiel van rit 14, van Aosta naar Pila, laat weinig twijfel bestaan: dit wordt een dag van klimmen, dalen, opnieuw klimmen en nog eens dalen, met een aankomst bergop in Pila. Vlakke meters zullen de renners hier niet zoeken.

Om trouw te blijven aan mijn opzet om bij elke rit een passende DOC te bespreken, zijn zulke bergetappes een kleine nachtmerrie. Hoe hoger je het gebergte intrekt, hoe minder vanzelfsprekend wijnbouw wordt — en het moet dan ook nog eens een minder bekende naam zijn. Gelukkig telt de enige DOC van Valle d’Aosta zeven subdenominaties. Het ritprofiel brengt ons het dichtst in de buurt van Nus, en dus vind je hieronder de specificaties van Valle d’Aosta Nus.

Valle d’Aosta DOC Nus

Valle d’Aosta is de kleinste wijnregio van Italië, en dat merk je aan de indeling van de herkomstbenamingen. De regio heeft geen DOCG en geen IGT, maar één DOC: Valle d’Aosta of Vallée d’Aoste DOC, erkend in 1971 en nadien meermaals aangepast. Namen als Donnas, Chambave, Torrette, Enfer d’Arvier, Blanc de Morgex et de La Salle en Nus kregen daardoor toch een eigen gezicht binnen die ene brede DOC.

De schaal van Nus is uiteraard nog kleiner dan die van Valle d’Aosta als geheel. Voor Nus gaat het om amper 3,65 hectare ingeschreven wijngaard, voor Nus Malvoisie om 2,62 hectare. Samen kom je dus aan 6,27 hectare. Piepklein dus, en de kans dat je deze wijnen zomaar even bij je lokale wijnhandel zal treffen, is dan ook uiterst gering.

De productiezone van Nus ligt aan beide zijden van de Dora Baltea. Aan de kant van Fénis mag wijnbouw tot 650 meter hoogte. Aan de kant van Nus, Quart, Saint Christophe en Aosta loopt de toegelaten zone hoger, tot 850 meter. Dat verschil heeft vooral met zon te maken. De hellingen aan de kant van Nus kijken grotendeels naar het zuiden en krijgen daardoor meer warmte en licht. In Valle d’Aosta noemt men die zonnige zijde de adret. Aan de overkant, bij Fénis, kijken de hellingen vaker naar het noorden. Dat is de koelere envers. Daar wordt het sneller te fris om druiven betrouwbaar rijp te krijgen, waardoor de hoogtegrens lager ligt.

Bodem en klimaat

Nus ligt in het centrale deel van Valle d’Aosta, in een droge alpiene vallei waar wijnbouw vooral mogelijk is op plaatsen waar helling, zon en beschutting voldoende aanwezig zijn. Percelen met natte gronden of te weinig zon komen niet in aanmerking.

De bodems volgen het reliëf van de vallei. Dicht bij de Dora Baltea en op plaatsen waar water en erosie materiaal uit de hoger gelegen hellingen hebben afgezet, vind je vooral colluviale en alluviale gronden. Die kunnen wat dieper zijn, maar blijven vaak stenig en goed drainerend. Op de steilere hellingen worden de bodems dunner en armer, met meer stenen en grof puin. Waterhuishouding speelt daardoor een grote rol. De bodem moet genoeg reserve bieden om de wijnstok door droge periodes te helpen, maar mag nooit zwaar of drassig worden.

Het klimaat is continentaal en droog, met duidelijke invloed van de Alpen. Het centrale deel van de vallei behoort tot de drogere zones van Valle d’Aosta. De neerslag blijft beperkt, terwijl het aantal zonuren hoog is. Vooral aan het einde van het groeiseizoen worden de verschillen tussen dag en nacht belangrijk. Overdag kunnen de druiven verder rijpen, terwijl de koele nachten helpen om zuren en aromatische precisie te behouden.

Rode wijn

Valle d’Aosta Nus is een droge rode wijn op basis van Vien de Nus en Petit Rouge, samen goed voor minstens 70 procent van de assemblage. Binnen dat aandeel moet Vien de Nus minstens 40 procent vertegenwoordigen. Andere toegelaten blauwe druiven uit Valle d’Aosta mogen tot maximaal 30 procent worden toegevoegd. Beide druiven zijn sterk verbonden met Valle d’Aosta en spelen buiten de regio nauwelijks een rol. Petit Rouge is daarbij de bekendere en ruimer verspreide van de twee, terwijl Vien de Nus veel specifieker aan deze zone gelinkt blijft.

Nus heeft doorgaans een intense rode kleur met granaatreflecties. In de geur zitten voornamelijk aroma’s van sappig rood fruit, wilde bessen en een lichte florale toets, vaak aangevuld met kruidigheid, aardse toetsen en soms een licht vegetaal accent. De mond is eerder soepel dan krachtig, met fijne tannine, frisse zuren en een kruidige ondertoon.

De verplichte rijping bedraagt vijf maanden vanaf 1 december van het oogstjaar. Voor de vermelding superiore loopt dat op tot minstens acht maanden. Houtlagering is daarbij niet verplicht. Producenten kunnen dus zelf bepalen hoe ze die rijping invullen, zolang het karakter van de wijn bewaard blijft.

Witte wijn

De witte wijn uit Nus kan voor verwarring zorgen. Hij komt immers op de markt als Nus Malvoisie. De link met Malvasia wordt dan bijna automatisch gelegd, maar het gaat wel degelijk om Pinot Grigio, met de verplichting om deze druif voor de volle 100 procent te gebruiken.

Verwacht hier een wijn met een goudgele kleur. De geur is intens, met rijpere peer, gele appel, bloemen, zachte kruidigheid en soms een lichte amandeltoets. De smaak is dankzij het bergkarakter frisser dan je doorgaans van Pinot Grigio verwacht.

Naast de droge versie bestaat er ook een passito. Lokaal wordt deze stijl ook wel flétri genoemd. De druiven drogen na de oogst verder in een goed geventileerde ruimte, tot ze minstens 26 procent suiker bereiken. Mostconcentraat mag daarbij niet worden toegevoegd. De passito mag pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.

Dit geeft een intens kopergele wijn, met een krachtige geur en een zoete, warme smaak. Die warmte komt niet alleen van de alcohol, maar ook van de concentratie door het indrogen van de druiven. De minimale vereiste ligt op 16,5 procent totaal alcoholvolume, waarvan minstens 14 procent effectief vergist alcohol.

Giro d’Italia 2026, rit 13: Colline Novaresi DOC, van Alessandria naar Verbania

Ik zou voor de rit van Alessandria naar Verbania, ondertussen al rit nummer 13, alweer op het puntje van mijn stoel gaan zitten. Niet omwille van het ritprofiel, want daarvoor lijkt deze rit op papier iets te vriendelijk, maar wel om de omgeving te aanschouwen. De Giro trekt opnieuw door een zeer mooi stuk Italië, anders weliswaar dan tijdens de voorgaande ritten, maar daarom niet minder aantrekkelijk. Dit keer eindigen we in Verbania, mondain en statig gelegen aan het Lago Maggiore.

Veel kans trouwens dat de rit op een sprint zal eindigen, tenzij het knobbeltje van derde categorie in de finale daar anders over denkt. Daarna gaat het razendsnel in dalende lijn richting aankomst.

Leuk wat mij betreft dat we dit deel van Piemonte aandoen. We blijven de volledige 189 kilometer binnen dezelfde regio cruisen en trekken bovendien door Alto Piemonte. Hier zijn immers heel wat verborgen pareltjes van wijngebieden te vinden. De keuze voor vandaag viel dan ook, na wat wikken en wegen, op Colline Novaresi DOC.

Colline Novaresi DOC

Met Colline Novaresi DOC schuiven we richting het noorden van Piëmonte, naar de provincie Novara, waar de wijngaarden verspreid liggen tussen de Sesia en de Ticino. Op de achtergrond houdt Monte Rosa een oogje in het zeil.

Dit is een boeiend overgangsgebied. Ten zuiden liggen de vlaktes rond Novara, met hun rijstvelden en brede open landschap. Meer naar het noorden nemen de heuvels het over en komt Alto Piemonte nadrukkelijker in beeld. Dat maakt de streek meteen anders dan het Piëmonte van Langhe, Roero of Monferrato.

De DOC werd in 1994 erkend en telt ongeveer 246 hectare wijngaarden. De gemiddelde productie wordt op 8.000 hectoliter geschat. Dat zijn geen cijfers waarmee je de wereldmarkt overspoelt, en dat hoeft voor Colline Novaresi waarschijnlijk ook niet.

Toch heeft dit deel van Piëmonte een veel langere wijngeschiedenis dan de bescheiden omvang vandaag doet vermoeden. Alto Piemonte was ooit een belangrijk wijngebied, met Nebbiolo als een van de grote hoofdrolspelers. Druifluis, oorlogen, industrialisatie en de trek naar de steden deden het areaal fors krimpen. Heel wat wijngaarden zijn later bijna vanaf nul opnieuw opgebouwd. Oude, verwaarloosde percelen die opnieuw tot leven kwamen.

De productiezone omvat een reeks gemeenten in de provincie Novara, waaronder Boca, Bogogno, Borgomanero, Briona, Cavaglio d’Agogna, Fara Novarese, Fontaneto d’Agogna, Ghemme, Maggiora, Sizzano en Suno. Kenners zien hier meteen bekendere namen tussen staan. Boca, Fara en Sizzano hebben hun eigen DOC. Ghemme gaat nog een stap verder en heeft een DOCG.

Nebbiolo speelt hier een belangrijke rol, al komen we in Alto Piemonte vaak de lokale naam Spanna tegen. Daarnaast zijn er Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera. Voor de witte wijnen is er Erbaluce. Daarmee krijg je automatisch veel diversiteit in je flessen.

Een mooie bijkomende troef van het gebied is de Cammino delle Colline Novaresi, een wandelroute die wijngaarden, dorpen, natuur en lokale geschiedenis met elkaar verbindt. Wie in de omgeving is, krijgt daarmee een mooie manier om deze streek ook buiten het glas te leren kennen.

Bodem en klimaat

Het landschap van Colline Novaresi DOC is zo’n beetje vis noch vlees. Het zit tussen vlakte, heuvel en berginvloed in. Zuidelijk liggen de vlaktes rond Novara en Vercelli, met hun rijstvelden en brede open ruimte. Naar het noorden toe loopt het landschap geleidelijk op en komen de Alpen steeds nadrukkelijker in beeld.

De wijngaarden moeten op heuvelachtige liggingen staan, tussen 180 en 550 meter hoogte. Vochtige gronden in de valleibodem zijn uitgesloten. We zitten dus niet in de natte, vlakke stukken onderaan, maar op hellingen waar water weg kan en de druiven voldoende zon krijgen.

Het wijngebied ligt tussen de rivieren Sesia en Ticino. De Sesia komt uit de richting van Monte Rosa, de Ticino heeft zijn oorsprong in de Alpen. Die rivieren tekenen het gebied af en geven het landschap structuur.

Algemeen vinden we hier kleiige, lemige en zandige bodems, vaak met een morenisch en alluviaal karakter. Lager op de heuvels bevatten de bodems doorgaans wat meer leem en klei. Hogerop kunnen ze iets losser en beter drainerend worden.

Het klimaat helpt om frisheid en aromatische spanning te bewaren. De zomers kunnen warm zijn, de winters behoorlijk koud, en de verschillen tussen dag en nacht spelen een belangrijke rol.

Rode wijnen

Rode wijn domineert hier en je vindt er voldoende diversiteit. De Colline Novaresi DOC rosso zou je de instap kunnen noemen, al klinkt dat misschien wat te oneerbiedig voor een wijn die minstens voor de helft uit Nebbiolo of Spanna moet bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven zoals Barbera, Croatina, Vespolina of Uva rara.

Je krijgt dan meestal een wijn met een robijnrode kleur, een duidelijke aanwezigheid van rood fruit, soms wat viooltjes, kruiden en een aardse toets. Vergeet niet dat Nebbiolo hier minstens de helft van de wijn uitmaakt en de tannine dus vroeg of laat de kop zal opsteken.

De Colline Novaresi DOC Nebbiolo, of Spanna, staat een stap hoger op de kwaliteitsladder. Hier moet Nebbiolo minstens 85 procent van de wijn uitmaken. Wie Barolo of Barbaresco in het achterhoofd houdt, zal wel even moeten schakelen. De wijnen hier zijn, ondanks hun tannine, niet de krachtpatsers van de hoogste rang. Spanna zit vaak in een lichter kleurenspectrum, met aroma’s van rood fruit, roos, kruiden, soms wat thee, aarde en een subtiele toets van teer naarmate de wijn ouder wordt. De zuren spelen een grote rol en geven de wijn zijn lengte.

En dan gaan we naar het festival van andere druiven die ook op het etiket mogen worden vermeld, mits ze voldoen aan de nodige voorwaarden. Voor Colline Novaresi DOC Barbera moet de wijn minstens 85 procent Barbera bevatten. Dat levert doorgaans een sappiger, toegankelijker rood op, met kersenfruit, frisse zuren en een droge finale.

Croatina mag eveneens als aparte wijn verschijnen, opnieuw met minstens 85 procent van de druif. Dit is de wijn waar je wat meer kleur, ronding en stevigheid mag verwachten. Croatina kan een donkerder fruitprofiel geven, met braam, pruim, kruiden en een mildere mondindruk. In de DOC kan ze zowel droog als amabile voorkomen.

Vespolina is een druif die in deze omgeving wel vaker opduikt en er historisch aangeplant staat. Logisch dus dat er een Colline Novaresi Vespolina bestaat. Ook hier geldt minstens 85 procent. Vespolina heeft vaak iets peperigs en kruidigs, soms met een florale toets en rood fruit. Ze wordt vaak in assemblage gebruikt, maar solo kan ze verrassend origineel zijn.

Uva rara, ook Bonarda Novarese genoemd, vervolledigt het rijtje. De naam is wat misleidend, want rara betekent zeldzaam. In dit deel van Piemonte gaan rara en zeldzaam echter niet helemaal hand in hand. Het zou pas raar zijn mocht je hier niets over deze druif horen. Ook hier geldt de grens van minstens 85 procent. De stijl is doorgaans iets zachter, fruitiger en minder streng dan Nebbiolo. Denk aan rood fruit, frisse sappigheid en een wijn die zich makkelijker laat drinken.

Omdat je in de praktijk geregeld houtlagering tegenkomt, komt het mij wat vreemd over dat er geen verplichte rijpingsperiode wordt voorgeschreven. De producenten krijgen dus de volledige vrijheid wat rijping betreft.

Witte wijnen

Driewerf hoera, want hier treffen we een van de meest onderschatte witte druiven uit Italië: Erbaluce. Nog meer goed nieuws: Colline Novaresi DOC bianco moet verplicht als monocépage op de markt komen, dus 100 procent Erbaluce. Tussen de regels door kan je lezen dat ik mijn enthousiasme amper kan temperen. Dat enthousiasme is trouwens niet gespeeld, want je kan hier heerlijke witte wijnen vinden.

Deze wijn heeft doorgaans een strogele kleur, een eerder delicaat en fris aroma en een smaak waarin frisheid gecombineerd wordt met een zekere ziltigheid. Denk aan citrus, groene appel, witte bloemen, soms een vleugje amandel en een lichte minerale indruk. Erbaluce kan wat streng zijn wanneer ze te jong of te koel gemaakt wordt, maar in de juiste handen heeft ze veel charme.

Rosato

Ook de roséwijnen uit dit wijngebied kan ik liefhebbers aanraden. Fris, voldoende pittig en niet te lichtvoetig, met dus ook voldoende body. Colline Novaresi DOC rosato wordt gemaakt met minstens 50 procent Nebbiolo of Spanna. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven uit Piemonte. In de praktijk kom je dan opnieuw uit bij druiven zoals Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera.

De kleur wordt meestal omschreven als rosa cerasuolo, dus eerder kersenroze. De geur gaat meestal richting rode bes, framboos, bloedsinaasappel, een florale toets en mogelijk wat fijne kruidigheid. In de mond verwacht je vooral frisheid, maar dus niet zonder karakter. Dat is net wat deze rosato boeiend maakt.

Giro d’Italia 2026, rit 12: Dolcetto di Ovada DOC, van Imperia naar Novi Ligure

Voor rit 12 blijven we lange tijd in Liguria, maar uiteindelijk steken we toch de grens met Piemonte over. Je zou dit een overgangsetappe kunnen noemen, al klinkt dat meteen een stuk rustiger dan wat het profiel laat zien. Vlak is deze rit voor geen meter. Het gaat de hele dag op en neer, eerst langs en boven de Ligurische kust, later door het binnenland richting Novi Ligure.

We trekken dus van Imperia het binnenland in naar Novi Ligure. Eerst blijven we nog dicht bij de Ligurische kust, maar na Stella, Colle Giovo en Bric Berton schuift de rit duidelijk richting Piemonte. Het was dit keer geen evidentie om een werkelijk onbekende DOC te selecteren. Ormeasco di Pornassio zou een logische keuze geweest zijn, maar daar kan je reeds een blog over vinden hier op Bottle Case. Willen we het ritprofiel zo strikt mogelijk volgen, dan komen we terecht bij Dolcetto di Ovada DOC en zwijgen we als vermoord over de bekendere Superiore DOCG.

Dolcetto di Ovada DOC

Dolcetto di Ovada DOC werd erkend in 1972. Het is een Piemontese DOC uit de provincie Alessandria, met Ovada als logisch middelpunt. Het was de eerste DOC voor Dolcetto in heel Piemonte. De appellatie omvat 22 gemeenten: Ovada, Belforte Monferrato, Bosio, Capriata d’Orba, Carpeneto, Casaleggio Boiro, Cassinelle, Castelletto d’Orba, Cremolino, Lerma, Molare, Montaldeo, Montaldo Bormida, Mornese, Morsasco, Parodi Ligure, Prasco, Rocca Grimalda, San Cristoforo, Silvano d’Orba, Tagliolo Monferrato en Trisobbio.

We zitten hier in het Ovadese, een gebied op de grens tussen Piemonte en Liguria. Ovada ligt tussen de heuvels van Gavi en Acqui Terme, op de samenvloeiing van de Stura en de Orba. De stad was historisch een doorgangsplaats, wat zelfs in de naam verscholen zit. Ovada wordt in verband gebracht met het Latijnse vadum, een doorwaadbare plaats.

Ovada wordt ook expliciet als Città del Vino beschouwd en het hele Ovadese geldt binnen de provincie als een gebied met een uitgesproken wijnbouwprofiel. De streek blijft daarbij ver verwijderd van grootschalige, intensieve wijnbouw. Kleine en middelgrote bedrijven bepalen hier veel sterker het beeld.

Het totale wijngaardareaal beslaat ongeveer 243 hectare. De gemiddelde productie ligt rond 10.925 hectoliter, goed voor ongeveer 121.000 kisten. Dat maakt van Dolcetto di Ovada helemaal geen kleine speler. En net daarom is het des te opmerkelijker dat de combinatie Dolcetto en Ovada bij veel wijnliefhebbers niet onmiddellijk een belletje doet rinkelen. De meesten zullen deze druif sneller linken aan Dogliani, dat een veel grotere bekendheid geniet.

Nochtans gaat de band tussen Dolcetto en het Ovadese bijzonder ver terug. De teelt van Dolcetto wordt in deze streek al vermeld in notariële akten van het einde van de dertiende eeuw. Later raakte de druif bekend onder de naam Uva di Ovada.

Ook in de negentiende eeuw stond Ovada bekend als een van de beste gebieden voor Dolcetto. Giorgio Gallesio, de grote naam achter Pomona Italiana, wees Ovada en omgeving aan als een plek waar de druif bijzonder goed tot rijpheid kwam. Volgens hem vond Dolcetto hier een klimaat waarin de druif haar volledige kwaliteit kon bereiken. Dat maakt de huidige relatieve onbekendheid van Dolcetto di Ovada alleen maar merkwaardiger.

Bodem en klimaat

Het gebied rond Ovada behoort tot het Ovadese, in het zuiden van Piemonte, dicht tegen de grens met Liguria. We zitten hier in de provincie Alessandria, in een zone waar de heuvels van Zuid Piemonte, de uitlopers richting Langhe en het Alto Monferrato elkaar raken. Het landschap is uitgesproken heuvelachtig en volgt in grote mate de omgeving rond de Orba. De wijngaarden moeten verplicht op heuvelhellingen liggen. Laaggelegen valleigronden, vochtige gronden, vlakke percelen en onvoldoende zonnige plaatsen zijn uitgesloten.

Er is altijd wat discussie over de precieze plaats van Ovada binnen het grotere wijnlandschap van Piemonte. Hoort het bij het Monferrato, of moeten we het toch eerder richting Langhe schuiven? Zeker is dat het gebied tegen beide aanleunt. Omdat Federdoc Dolcetto di Ovada onder de Langhe indeelt, volgen we die indeling hier ook.

De bodems worden omschreven als kleiig, tufsteenachtig en kalkrijk, vaak ook met combinaties van die elementen en bodems van middelmatige textuur. In het bredere landschapsbeeld gaat het om arme, droge gronden die voortkomen uit de afbraak van kalkrijke tufsteenformaties uit het Tertiair.

Belangrijk is dat Dolcetto in het Ovadese historisch vaak de beste hellingen kreeg, met een gunstige zuidelijke oriëntatie. Dat is niet overal in Piemonte vanzelfsprekend. In gebieden waar Nebbiolo of Barbera de hoofdrol spelen, belandt Dolcetto sneller op minder ideale percelen. Rond Ovada lag dat anders. Hier was Dolcetto de druif waarvoor men de juiste helling, zon en bodem reserveerde. Dat verklaart voor een deel waarom de druif hier zo overtuigend kan rijpen.

De toegelaten hoogte loopt tot 600 meter boven zeeniveau. Nieuwe aanplant of heraanplant moet minstens 3.300 stokken per hectare tellen. In de beschrijving van het gebied wordt vaak verwezen naar dichtheden vanaf 3.500 stokken per hectare. De wijnbouw blijft klassiek in opbouw, met tegenleivorm en Guyot snoei. Praktijken die de groei kunstmatig forceren, zijn verboden.

Het klimaat is typisch voor de regio, met warme zomers en frisse winters, maar de ligging richting Ligurische Apennijnen zorgt ook voor invloed van de Ligurische zee. Ventilatie, helling, oriëntatie en hoogte spelen een duidelijke rol. Dolcetto rijpt relatief vroeg, maar vraagt wel evenwicht. Bij te veel warmte wordt het fruit snel zwaar en verliest de wijn aan spanning. Bij onvoldoende rijpheid kan de tannine dan weer hard en stroef overkomen.

Rode wijnen

Qua wijn is het vrij simpel in Ovada. De wijn moet rood van kleur zijn en gemaakt worden van de Dolcetto druif. Dolcetto di Ovada DOC is dus voorbehouden aan een rode, stille en droge wijn. In het disciplinare staat Dolcetto voor 100 procent vermeld, al mag er in de wijngaard tot maximaal 3 procent andere niet aromatische druiven aanwezig zijn die in Piemonte zijn toegelaten.

Er is geen verplichte rijpingsperiode vastgelegd. De wijn hoeft niet eerst jarenlang in kelder of vat te verdwijnen voor hij op de markt mag komen. Hij mag jong en fruitig worden vrijgegeven, en is dan ook meestal bedoeld om in zijn jonge jaren gedronken te worden. Het oogstjaar moet wel verplicht op het etiket vermeld staan.

De maximale opbrengst in de wijngaard bedraagt 8 ton druiven per hectare. Bij de vinificatie mag de omzetting van druif naar wijn niet hoger liggen dan 70 procent. Omgerekend komt dat neer op maximaal 56 hectoliter wijn per hectare. Gaat men daarboven, dan mag de wijn niet onder de naam Dolcetto di Ovada DOC op de markt komen.

Dolcetto di Ovada DOC is meestal robijnrood van kleur, vaak met paarse reflecties. De geur is duidelijk fruitgedreven met florale toetsen, zonder een overdreven parfum. Denk aan kers, pruim, braam en soms blauwe bes. Daarnaast kunnen amandel, zoethout, peper en wat aardse toetsen opduiken.

In de mond is de wijn droog en meestal vrij zacht in de aanzet, fruitig en met een typisch amandelaccent. Dolcetto heeft van nature geen bijzonder hoge zuren, maar wel kleur, fruit en tannine. Daardoor krijgt Dolcetto di Ovada DOC vaak een vrij directe, sappige stijl, met voldoende beet om aan tafel overeind te blijven.

Giro d’Italia 2026, rit 11: Golfo del Tigullio Portofino DOC, van Porcari naar Chiavari

Vandaag arriveren de renners in een van de meest idyllische omgevingen van Italië. Iedereen die Portofino al een keer bezocht, zal nu bevestigend het hoofd knikken. Niet dat de renners in Portofino zullen aankomen, want ik vermoed niet dat dit organisatorisch bijzonder praktisch zou zijn. Neen, zij die overleven, sprinten een goede twintig kilometer verderop in Chiavari, aan de Ligurische kust, voor de zege. Het startschot van etappe 11 wordt gegeven in Porcari, Toscana.

Waarom ik dan toch melding maak van Portofino, heeft alles te maken met de DOC die we aan deze rit koppelen: de Golfo del Tigullio Portofino DOC, ook wel kortweg Portofino DOC genoemd. De aankomstplaats Chiavari ligt te midden van dit wijngebied en vooral in het hart van de sottozona Costa dei Fieschi.

Golfo del Tigullio Portofino DOC

De Golfo del Tigullio Portofino DOC werd officieel erkend in 1997 en ligt in Liguria, in de provincie Genova. Het productiegebied volgt de Riviera di Levante en loopt van de omgeving van Portofino, Rapallo en Santa Margherita Ligure richting Chiavari, Lavagna en Sestri Levante.

Het is een kleine DOC. We spreken over ongeveer 37 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van minder dan 2.000 hectoliter. Portofino roept meteen beelden op van pastelgekleurde huizen, blinkende boten en mensen die hun zonnebril waarschijnlijk duurder kochten dan mijn eerste auto. De wijn zelf blijft veel discreter aanwezig.

De appellatie heeft één subzone: Costa dei Fieschi. Die naam verwijst naar de machtige familie Fieschi, die in de middeleeuwen een belangrijke rol speelde in dit deel van Liguria. Hun invloed was sterk verbonden met Lavagna en Chiavari, maar de exacte reden waarom de subzone naar deze familie is genoemd, heb ik spijtig genoeg niet kunnen achterhalen.

Bodem en klimaat

De Golfo del Tigullio Portofino DOC ligt in een klassiek Ligurisch landschap. De kuststrook is smal, het reliëf loopt snel op en de wijngaarden liggen vaak op steile hellingen of terrassen.

De bodems zijn wisselend. Aan de kust vinden we vaak stenige, kalkrijke en zandige bodems met veel verweerd gesteente. Meer landinwaarts komen ook klei en mergel voor. Door de hellingen is drainage zelden een probleem. Water blijft niet lang hangen, terwijl de wijnstok toch voldoende reserve kan vinden op de diepere bodems.

Het klimaat is uitgesproken mediterraan, maar niet eendimensionaal warm. De zee tempert de temperaturen en zorgt voor ventilatie. Tegelijk brengt het achterland koelere luchtstromen mee.

Rode wijnen

Leuk detail is dat de rode wijnen hier vooral draaien rond druiven die bij hun buren uit Toscana en Piemonte meestal op de achtergrond blijven, namelijk Ciliegiolo en Dolcetto. Bovendien ligt een blend van deze twee druiven, gezien hun historische afkomst, niet onmiddellijk voor de hand. Hier in Portofino maken ze dit wel mogelijk, want de basis rosso moet minstens 60 procent Ciliegiolo en of Dolcetto bevatten. Daarnaast mag een wijn de benaming Ciliegiolo op het frontetiket vermelden wanneer de druif voor minstens 85 procent gebruikt wordt.

De blend van Ciliegiolo en Dolcetto levert doorgaans geen zware rode wijn op. Ciliegiolo brengt het sappige rode fruit, met kers, aardbei en soms een licht kruidige toets. Dolcetto geeft wat meer kleur, donkerder fruit en een licht bittertje in de finale. Samen kom je uit bij een vlotte, middellichte rode wijn met frisse zuren en zachte tannine. De Ciliegiolo versie is meestal nog wat directer in zijn fruitexpressie. Daar ligt de nadruk vooral op rode kers, klein rood fruit en soepele drinkbaarheid.

Daarnaast bestaat er eveneens een rosso frizzante en rosso novello.

Witte wijnen

De witte wijnen zullen we het vaakst tegenkomen in de winkelrekken. De basis bianco vertrekt van minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. Daarnaast mogen Bianchetta Genovese, Vermentino en Scimiscià ook als aparte druivennaam op het etiket verschijnen, op voorwaarde dat ze minstens 85 procent van de wijn uitmaken.

Vermentino is de bekendste druif van het gezelschap. Hij geeft hier droge witte wijnen met citrus, wit fruit, mediterrane kruiden en vaak een licht ziltige finale. De beste voorbeelden blijven fris en strak.

Bianchetta Genovese geniet veel minder bekendheid en komen we ook veel minder vaak tegen. Ze geeft lichtere witte wijnen met fijne zuren, florale toetsen en een slank profiel.

Scimiscià, ook Cimixà genoemd, is een echte curiositeit. Het is een zeldzame lokale witte druif die in deze appellatie officieel erkend wordt. Heb je de kans om ze te proeven, zoals wij tijdens ons bezoek aan Portofino, dan zou ik dat absoluut doen. Je zal er misschien niet van achterover vallen, maar het zijn wel wijnen met persoonlijkheid en karakter.

Volledigheidshalve melden we dat er ook een Moscato wordt gemaakt. Dat is een aromatische monocépage van 100 procent Moscato Bianco.

Rosato

De stijl van de rosato ligt in het verlengde van de rode wijnen, want ook deze wordt gemaakt op basis van minstens 60 procent Ciliegiolo en of Dolcetto. Verwacht lichte, frisse en sappige rosato met veel rood fruit. Eerder vlot en aangenaam dan krachtig. Denk aan rode bes, kers, een vleugje citrus en een droge afdronk. Er bestaat ook een licht parelende rosato frizzante.

Schuimwijnen

De DOC laat witte spumante toe op basis van minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. De tweede gisting mag zowel op fles als in autoclave gebeuren. De stijl kan variëren van extra brut tot dry. Hoewel de producenten wat speelruimte hebben, zullen het hier toch voornamelijk frisse, lichte schuimwijnen met een directe drinkprofiel zijn.

Dessertwijn

En ten slotte belanden we bij het zoete luik. Want ook daar kan je je gading vinden in de Golfo del Tigullio Portofino DOC. Voor de gewone passito gebruikt men minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. Voor Moscato passito is Moscato Bianco verplicht voor 100 procent.

Voor beide types moeten de druiven indrogen, op of naast de wijnstok, tot ze een hoog suikergehalte bereiken. De wijnen mogen pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.

Giro d’Italia 2026, rit 10: Candia dei Colli Apuani DOC, van Viareggio naar Massa

Al zigzaggend als een dronkaard slalommen we door het Italiaanse landschap. Voor rit 10 belanden we in Toscana, langs de Tyrreense kust. De renners volgen als het ware de kustboulevard van Viareggio, iets ten noorden van Pisa, tot aan Massa, bijna op de grens met Liguria. Individueel en om ter snelst, een tijdrit dus van net geen marathon lang. Een rustdag voor de helpers, maar super belangrijk oor wie van het roze droomt.

Qua wijn is onze keuze dus vlug gemaakt. De DOC Candia dei Colli Apuani is de logische, maar ook enige keuze die we hebben. De wijngaarden liggen immers in en rond Massa. Bovendien betwijfel ik of er al velen onder jullie van deze appellatie, die je nu zelfs even terug moet opzoeken, gehoord zullen hebben.

Candia dei Colli Apuani DOC

Candia dei Colli Apuani DOC werd officieel erkend in 1981. De appellatie ligt in Toscana, in de provincie Massa Carrara, en omvat heuvelzones binnen de gemeenten Carrara, Massa en Montignoso. Het is een kleine appellatie, met ongeveer 27 hectare wijngaard en amper 21 wijndomeinen die wijn maken onder deze benaming.

De naam verwijst naar de Colli Apuani, de heuvels aan de voet van de Alpi Apuane. Die bergen behoren geografisch tot de noordelijke Apennijnen. We zitten hier in het noordwesten van Toscana, waar zee, marmer, bergen en kuststeden dicht op elkaar liggen.

Als je de website van het consorzio raadpleegt, dan wordt de wijnbouw er omschreven als viticoltura eroica. Dat blijkt ook zo te zijn, want de wijngaarden liggen op steile hellingen en terrassen waar mechanische bewerking moeilijk blijft.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen op de lagere hellingen van de Apuane, met de zee vlakbij en de bergen direct achter de kuststrook. Massa mag dan wel een badplaats zijn, maar wie enkele kilometers landinwaarts kijkt, daar waar de wijngaarden liggen, ziet meteen hoe snel het landschap de hoogte in gaat.

De productiezone geldt voor de geschikte delen van de Colli Apuani binnen Carrara, Massa en Montignoso. Het detail van die geschikte delen is uiteraard rekbaar, maar wil in principe zeggen: daar waar kleine percelen en wijngaarden tegen het reliëf van het heuvellandschap kunnen opboksen.

Het klimaat wordt sterk beïnvloed door die ligging tussen zee en bergen. De zee tempert de warmte, terwijl de hellingen bescherming bieden en voor luchtcirculatie zorgen. Daardoor krijgen de wijngaarden een zonnig klimaat. De druiven kunnen goed rijpen, terwijl de nabijheid van zee en reliëf voor voldoende frisheid zorgt.

De bodems zijn overwegend van eocene oorsprong. Je vindt er vooral compacte zandsteen, schisteuze en zandsteenachtige leisteen, compacte kalksteen, mergel en, lager op de hellingen, ook oudere kwartaire afzettingen met klei, keien en zand. Dat levert arme, stenige en goed drainerende gronden op.

Rode wijnen

De gewone Candia dei Colli Apuani DOC rosso wordt gemaakt op basis van Sangiovese. Die moet tussen 60 en 80 procent van de assemblage uitmaken. Merlot mag tot maximaal 20 procent worden gebruikt. Andere toegelaten rode druiven mogen samen ook tot maximaal 20 procent aanvullen. Dit is de meer herkenbare rode versie, met druiven die we in Toscana vaker tegenkomen.

Interessanter wordt het wanneer de DOC inzet op Massaretta. Dat is de lokale naam voor Barsaglina. Voor Candia dei Colli Apuani DOC Barsaglina of Massaretta moet minstens 85 procent Barsaglina worden gebruikt. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten rode druiven. Barsaglina is een lokaal en weinig voorkomend druivenras en geeft doorgaans kleur, kruidigheid, donker fruit en stevige tannine.

Naast Barsaglina wordt er ook met Vermentino Nero gewerkt. Deze streekeigen druif krijgt eveneens een eigen plaats binnen de DOC. De wijn moet voor minstens 85 procent uit Vermentino Nero bestaan. In de neus verwacht je rood fruit, florale toetsen en wat kruidigheid. In de mond bezit Vermentino Nero voldoende karakter.

Voor deze rode wijnen wordt geen verplichte minimale rijping of houtlagering voorgeschreven.

Witte wijnen

Hoewel de rode wijnen met de wat minder bekende druivenrassen aanlokkelijk kunnen zijn, zijn het toch de witte wijnen die het meest gemaakt en dus ook het meest gedronken worden. Vermentino speelt hierin de hoofdrol. In de basisversie Candia dei Colli Apuani DOC bianco moet deze al minstens voor 70 procent aanwezig zijn. De rest mag bestaan uit andere toegelaten witte druiven. Die basiswijn kan droog of amabile zijn, en er is ook een frizzante versie mogelijk.

De droge bianco is meestal strogeel van kleur, met een vrij delicate neus en een droge, zachte smaak. De smaak is doorgaans niet gedreven op aciditeit, eerder mediterraan en rond, maar wel met voldoende frisheid. Denk aan citrus, gele appel, rijper wit fruit, mediterrane kruiden en soms een lichte ziltige toets.

Daarnaast bestaat er Candia dei Colli Apuani DOC Vermentino bianco. Daar moet minstens 85 procent Vermentino in de wijn zitten. Vaak worden deze wijnen echter als monocépage Vermentino op de markt gebracht, waardoor de wijn herkenbaarder wordt en nog meer een zilt karakter kan vertonen.

Rosato

Voor de basisrosato wordt dezelfde druivensamenstelling als bij de rode wijn genomen. Sangiovese moet tussen 60 en 80 procent uitmaken, Merlot mag tot maximaal 20 procent gaan en andere toegelaten rode druiven mogen samen ook tot maximaal 20 procent worden gebruikt. De kleur gaat richting kersenroze. In de neus verwacht je rood fruit, wat florale toetsen en lichte kruidigheid. De smaak hoort droog en fris te blijven.

Ook op basis van Vermentino Nero wordt er een rosato gemaakt. Die druif moet dan voor minstens 85 procent aanwezig zijn. Deze rosato blijft eveneens kersenroze van kleur, maar kan iets kruidiger en karaktervoller overkomen dan de basisrosato. Naast rood fruit en florale toetsen mag je hier wat meer spanning, een licht vegetale toets en een drogere finale verwachten.

Vin Santo en Vendemmia tardiva

Candia dei Colli Apuani DOC heeft ook een wat zoetere kant. De bianco vendemmia tardiva, gemaakt met minstens 70 procent Vermentino, kan variëren van droog tot amabile. Het gaat vooral om concentratie door latere oogst en rijpere druiven. Het minimum alcoholpercentage voor de vendemmia tardiva ligt op 14,5 procent. De kleur kan evolueren van strogeel naar goudgeel. Aromatisch kom je dan terecht bij rijp geel fruit, gedroogde abrikoos, honing, kruiden en soms een lichte toets van gekonfijte citrus. In de mond draait het om rijpheid, zachtheid en complexiteit.

Daarnaast is er Candia dei Colli Apuani DOC Vin Santo. Ook hier moet minstens 70 procent Vermentino worden gebruikt. De druiven worden zorgvuldig geselecteerd en natuurlijk gedroogd in geschikte ruimtes. Persen mag pas vanaf 1 december van het oogstjaar en ten laatste op 31 maart van het jaar nadien. Daarna volgt de rijping in houten caratelli. De Vin Santo moet minstens 16,5 procent totaal alcohol halen, waarvan minstens 14 procent effectief gevormde alcohol. Hij kan droog, abboccato of amabile zijn.

Bij Vin Santo schuift het profiel meer richting amberkleur, gedroogde vruchten, noten, honing, specerijen en een meer etherische toets. Door de droging van de druiven en de rijping in caratelli krijgt de wijn een ander karakter dan de vendemmia tardiva. In de mond is de wijn geconcentreerd, zacht en krachtiger van structuur.

Giro d’Italia 2026, rit 9: Colli Bolognesi DOC, van Cervia naar Corno alle Scale

In de Giro d’Italia bevinden we ons ondertussen in de buik van Italië, Emilia Romagna. We klimmen gestaag naar een idyllische plek die, hoe vreemd het ook mag klinken, ook een skioord is. Wie had dat in deze regio verwacht? Corno alle Scale is de bestemming die de renners bereiken na een lange rit vanuit Cervia.

De aanloop oogt op papier niet meteen spectaculair. Als renner kan je je onderweg dus nog even tegoed doen aan al het moois dat Emilia Romagna te bieden heeft. Veel tijd om rond te kijken zal er op het einde niet meer zijn, want de apotheose is een klim van meer dan tien kilometer naar de aankomst.

Misschien heb je lange tijd het gevoel dat dit wel eens jouw dag kan worden. Tot die laatste kuitenbijter opdoemt en je alsnog om je moeder roept, omdat de weg net iets gemener omhoogloopt dan je had gehoopt.

Onderweg passeren we door de Colli Bolognesi DOC. Voor wie Emilia Romagna goed kent, is dat misschien niet de meest onbekende appellatie. Voor veel wijnliefhebbers blijft ze toch een vraagteken. Eén ding is alvast duidelijk: we zitten hier rond Bologna, op het punt waar de vlakte langzaam plaatsmaakt voor de heuvels.

Colli Bolognesi DOC

Colli Bolognesi DOC werd officieel erkend in 1975. De appellatie ligt in Emilia Romagna, ten zuiden en zuidwesten van Bologna, waar de vlakte langzaam overgaat in de eerste heuvels richting Apennijnen. De DOC bezit ongeveer 78 hectare aan wijngaarden.

De naam verraadt al dat we ons in de heuvels van Bologna bevinden, met toch ook een klein stukje in de provincie Modena. De DOC omvat onder meer de heuvelachtige zones rond Monteveglio, Castello di Serravalle, Monte San Pietro, Sasso Marconi, Savigno, Marzabotto en Pianoro. Ook delen van Bazzano, Crespellano, Casalecchio di Reno, Bologna, San Lazzaro di Savena, Zola Predosa, Monterenzio en Savignano sul Panaro horen erbij.

Een belangrijk punt blijft de plaats van Pignoletto in dit verhaal. Want wie Colli Bolognesi zegt, denkt vaak meteen aan die druif. Historisch is dat logisch, want de heuvels rond Bologna zijn sterk met Pignoletto verbonden. Juridisch ligt het vandaag anders. Colli Bolognesi Classico Pignoletto werd in 2010 een aparte DOCG. Daarna kregen de Grechetto gentile wijnen die als Pignoletto bekend stonden een eigen appellatie, de Pignoletto DOC.

En dus kreeg Colli Bolognesi DOC een heel ander profiel. Vandaag draait de appellatie vooral rond andere druiven. Voor wit gaat het om Chardonnay, Pinot Bianco, Sauvignon Blanc en Riesling Italico. Voor rood zijn Barbera, Cabernet Sauvignon en Merlot de belangrijkste namen. Daarnaast bestaat er de sottozona Bologna, met Bologna Rosso, Bologna Bianco en Bologna Spumante.

Bodem en klimaat

Het landschap van de Colli Bolognesi vormt een overgangsgebied tussen de brede vlakte rond Bologna en de eerste uitlopers van de Apennijnen. Daardoor krijg je een afwisseling van valleien, ruggen, zachtere hellingen en steilere zones.

De productiezone ligt tussen de Panaro in het westen en de Idice in het oosten. Daartussen spelen ook de Reno, Samoggia en Lavino een duidelijke rol. Die waterlopen lopen vanuit de Apennijnen richting vlakte en snijden het landschap open. Voor de wijnbouw betekent dat variatie in helling, oriëntatie, drainage en temperatuur.

Geologisch is het gebied behoorlijk divers. Je vindt er zones met zandsteen, mergel en conglomeraten, maar ook kleiige heuvels met calanchi, uitgesleten erosiegeulen die het landschap een ruwer karakter geven. Dichter bij de vlakte worden de hellingen zachter, terwijl de rivierafzettingen van de Apennijnse waterlopen op andere plaatsen opnieuw een ander bodembeeld geven.

De bodems variëren van fijne, kleiige structuren met wisselende kalkgehaltes tot meer lemige en kalkrijke bodems. Vooral op de lagere heuvels en op de zachtere hellingen vinden we percelen die goed geschikt zijn voor wijnbouw. De wijngaarden liggen vaak onder de 300 meter, al loopt de zone in bredere zin op tot ongeveer 550 meter.

Het klimaat is droog, zonnig en geventileerd. De gemiddelde neerslag loopt op van ongeveer 800 millimeter aan de hoger gelegen rand van de vlakte tot ongeveer 1.200 millimeter in de hogere heuvelzones. De gemiddelde temperatuur beweegt ruwweg tussen 14 graden in de lagere zones en 12 graden in de hogere delen.

Rode wijnen

Er wordt heel wat rode wijn geproduceerd, met Barbera, Cabernet Sauvignon en Merlot als belangrijkste druivenrassen. Zodra de naam van de druif op het etiket staat, moet de wijn minstens 85 procent van die druif bevatten. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten rode druivenrassen uit Emilia Romagna die niet aromatisch zijn.

Barbera voelt hier het meest vanzelfsprekend aan. De druif past goed bij heuvels, warmte en de keuken van de streek. Een goede Colli Bolognesi Barbera geeft rood fruit, kers, pruim, soms een florale toets en een sappige mond. De zuren zijn duidelijk aanwezig en zorgen voor vaart. De tannine blijft meestal beheerst, wat de wijn bijzonder bruikbaar maakt aan tafel.

Van de wijnen met druifvermelding op het etiket bestaat er enkel voor Barbera een riserva. Die moet minstens 36 maanden rijpen, waarvan minstens vijf maanden op fles, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Voor de gewone Barbera geldt er geen rijpingsverplichting.

Er bestaat ook een Barbera Frizzante. Dat is een wijn met een duidelijk ander profiel, waarin de lichte pareling uitstekend past bij de lokale charcuterie.

Merlot geeft doorgaans rondere en soepelere wijnen. Denk aan pruim, rood en zwart fruit, zachte kruidigheid en een mondgevoel dat minder uitgesproken door zuren wordt gedragen. Cabernet Sauvignon is steviger. Daar kom je sneller bij donker fruit, kruidigheid, wat groenere toetsen en meer tannine.

Binnen de sottozona Bologna bestaat ook Bologna Rosso. Die wijn moet minstens 50 procent Cabernet Sauvignon bevatten. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten rode druiven uit Emilia Romagna. Er is ook een Bologna Rosso Riserva, waarvoor dezelfde minimale rijping van 36 maanden geldt, met minstens vijf maanden flesrijping.

Witte wijnen

Chardonnay, Pinot Bianco, Sauvignon Blanc en Riesling Italico zorgen voor de belangrijkste witte wijnen binnen de DOC. Ook hier geldt dat minstens 85 procent van de vermelde druif aanwezig moet zijn. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druiven uit Emilia Romagna die niet aromatisch zijn.

Chardonnay levert doorgaans de meest ronde witte wijn van de appellatie. Verwacht appel, peer, geel fruit en soms een iets voller mondgevoel. In eenvoudige versies blijft hij vooral correct en toegankelijk.

Pinot Bianco is discreter. Hij geeft meestal wit fruit, appel, peer en soms een lichte florale toets. Sauvignon Blanc is aromatischer. Hij kan citrus, groene kruiden, kruisbes, gras en soms wat vlierbloesem tonen. Verwacht hier doorgaans geen messcherpe Sauvignon zoals in koelere gebieden. In de Colli Bolognesi wordt hij vaak iets rijper en zachter.

Riesling Italico is de meest bescheiden witte druif in dit rijtje. Daaruit komen meestal droge, frisse en eenvoudige witte wijnen met citrus, appel en zachte florale toetsen.

Binnen de sottozona Bologna bestaat ook Bologna Bianco. Die wijn moet minstens 50 procent Sauvignon Blanc bevatten. Trebbiano mag slechts beperkt worden gebruikt, tot maximaal 15 procent. De rest kan worden aangevuld met andere toegelaten witte druiven.

Spumanti

Afronden doen we in de sottozona Bologna, waar een Spumante wordt gemaakt op basis van minstens 40 procent Chardonnay en of Pinot Bianco. De rest kan bestaan uit Sauvignon Blanc, Riesling Italico, Pinot Nero en Grechetto gentile. Het disciplinare schrijft geen verplichte productiemethode voor, waardoor dit zowel via metodo Martinotti als via metodo classico kan gebeuren, afhankelijk van de keuze van de producent. Deze kiezen meestal voor de metodo Martinotti waar ze op zoek gaan naar het primaire fruit en dus een witte schuimwijn op de markt brengen die fris en toegankelijk is. Je kan deze vinden als extra brut, brut of extra dry.