Tijdens het schrijven over onze Marche reeks speelde opnieuw de gedachte die al sinds ons bezoek ginds door mijn hoofd maalde. Ik moet iets doen met die pasta, de Maccheroncini di Campofilone. Het is zo’n uniek product dat het zonde zou zijn om het links te laten liggen. Je kan in België uiteraard een ruime keuze vinden aan pasta’s. Toch zou het een verrijking zijn mocht ik een plekje vinden voor deze fijne eierpasta uit Campofilone en ze ook kunnen aanbieden.
Ondertussen heb ik de daad bij het woord gevoegd en heb ik de pastaproducent aangesproken om te bekijken of er een mogelijkheid tot samenwerking bestaat. Ik ben alvast benieuwd naar hun reactie. Wie weet kan je binnen afzienbare tijd deze pasta ook effectief verkrijgen bij Wijnkennis.
Voor we ze ooit in onze rekken leggen, wil ik eerst goed begrijpen wat Maccheroncini di Campofilone nu precies zijn. Waar komt hun kwaliteit vandaan, waarom smaken ze anders dan gewone eierpasta en hoe kan zo’n fijne pastadraad in de keuken toch zo stevig overeind blijven?
Welke pasta is dit nu exact?
Maccheroncini di Campofilone zijn een gedroogde eierpasta uit Campofilone, een kleine gemeente in het zuiden van Marche, in de provincie Fermo. Ze horen tot de familie van de lange, fijne pasta’s, maar ze hebben toch een heel eigen karakter. De draad is dun, licht en lang, met een uitgesproken gele kleur en een duidelijke geur van ei en tarwe.
De basis is eenvoudig: tarwe en eieren. Het opvallende zit vooral in de hoeveelheid ei. Per kilo semola worden zeven tot tien verse eieren gebruikt. Water komt er niet aan te pas. Dat verklaart meteen de gele kleur, de vollere geur en de rijkere smaak.
Die band met Campofilone is zo’n typisch Italiaans verhaal dat doorheen de jaren een eigen leven is gaan leiden en dat vooral thuishoort in de oude lokale huishoudelijke keuken. Een sluitende verklaring waarom net dit dorp zo sterk met deze pasta verbonden raakte, heb ik na een lange zoektocht niet echt gevonden. Wat wel steeds terugkomt, is dat dit voor de vrouwen die het huishouden en dus ook het koken op zich namen, een logische bereiding was. Dat deze kennis daarna van generatie op generatie werd doorgegeven, van nonna naar kleindochter, is een patroon dat je wel vaker tegenkomt wanneer je in de Italiaanse keuken begint te graven.
En toch vinden we een beetje historische achtergrond. Er zijn aanwijzingen dat er in de vijftiende eeuw al naar deze fijne pasta werd verwezen, telkens in verband met Campofilone. Later duikt ze ook op in documenten rond het Concilie van Trente, waar sprake is van uiterst fijne pastadraden uit Campofilone, gemaakt met bloem en eieren. Helemaal in het begin van de twintigste eeuw werd de pasta dan stilaan meer dan een huishoudelijk product. Vrouwen uit Campofilone begonnen ze ook aan gasten voor te zetten, waardoor de bekendheid buiten het dorp verder groeide.
Vandaag zijn er dus pastabedrijven die zich speciaal op deze pasta toeleggen, zoals La Campofilone. Meer zelfs, de Maccheroncini di Campofilone hebben een unieke erkenning gekregen. Sinds 2013 mogen ze het IGP keurmerk dragen en daarmee zijn ze de enige Europese eierpasta met deze erkenning.
Tarwe en eieren, meer is het niet
Eieren en tarwe zijn de twee grondstoffen waarmee je Maccheroncini di Campofilone maakt. Als je zo weinig ingrediënten gebruikt, spreekt het voor zich dat die dan ook van de hoogste kwaliteit moeten zijn. De tarwe vormt de basis voor de semola, het griesmeel van harde tarwe, en moet voldoende structuur geven. De eieren zorgen voor kleur, geur, smaak en rijkdom.
Tijdens ons contact met La Campofilone werd al snel duidelijk dat dit met de nodige sérieux wordt aangepakt. Ze beschikken over eigen velden waar de tarwe wordt geteeld in de heuvels van Marche. Voor mij was het compleet nieuw te vernemen dat die heuvelachtige akkers betere resultaten kunnen geven dan vlakkere velden. Ze zijn doorgaans beter verlucht en houden minder makkelijk stilstaand regenwater vast. Daardoor ligt de druk van schimmels en andere ongewenste micro-organismen lager. Ook rotatie en rust van de bodems spelen daarin mee.
Ook de bewaring van de tarwe is belangrijker dan je op het eerste zicht zou denken. De tarwe ondergaat eerst nog een rijpingsproces van zes tot acht maanden in gekoelde silo’s, bij maximaal 18 graden. Die rijpingsperiode moet helpen om de zetmeelstructuur gunstiger te maken. Zo blijft de kwaliteit van de semola beter bewaard en kan de tarwe proper blijven zonder zware ingrepen achteraf. Ten slotte wordt de harde tarwe omgezet naar semola. Dit doen ze door de tarwe te reinigen, te malen en te zeven, tot je het gele griesmeel overhoudt dat voor pastadeeg wordt gebruikt.
Dan zijn er de eieren. Ze zeggen nogal resoluut dat ze enkel hun eigen eieren vertrouwen. Eigen eieren, en dus eigen kippen toch? Dat blijkt dus zo en de kippen hebben vrije loop in een luchtige omgeving bij Monsampietro Morico, aan de rand van een bos en tussen notenbomen. Hun voeder bestaat uit plantaardige ingrediënten, met granen en peulvruchten die niet genetisch gemodificeerd zijn. Er worden geen kleurstoffen, bewaarmiddelen, dierlijke eiwitten of dierlijke vetten gebruikt. Lijnzaad en soja moeten de eieren rijker maken.
De kunst van de dunne sfoglia
De sfoglia, ofwel het uitgerolde pastavel, wordt vaak omschreven als het grote geheim van Maccheroncini di Campofilone. Niets speciaals, zou je kunnen denken, want elke pasta vertrekt toch van een sfoglia? Dat klopt, alleen wordt die van de Maccheroncini uitzonderlijk dun gemaakt, vaak rond een halve millimeter.
Daar zit meteen een groot deel van de kunde. Het deeg moet zo dun worden uitgerold dat het later in fijne draadjes kan worden gesneden, zonder dat het scheurt, kleeft of zijn stevigheid verliest. Wie ooit zelf pasta heeft gemaakt, weet dat dit het moment is waarop er wel eens flink gevloekt kan worden en je het deeg opnieuw moet samenbrengen om te herbeginnen. Het is ook niet zo makkelijk als het lijkt om de dikte overal gelijkmatig te krijgen, anders krijg je pasta die op de ene plaats te snel gaart en op de andere plaats te stevig blijft.
Daarna wordt de dunne sfoglia in fijne draadjes gesneden. Binnen het voorgeschreven IGP kader zijn de slierten meestal 35 tot 60 cm lang, 0,8 tot 1,2 mm breed en 0,3 tot 0,7 mm dik. Na het snijden worden de Maccheroncini op kleine vellen carta alimentare gelegd, wit papier dat geschikt is voor contact met voedsel. Op die velletjes kunnen de fijne draadjes drogen zonder samen te klitten of hun vorm te verliezen. Het drogen zelf gebeurt langzaam en op lage temperatuur, zodat de pasta haar delicate structuur behoudt.
Door die fijne structuur is er niet veel tijd nodig om de pasta te koken. Je moet erbij blijven, want dit gaat echt wel razendsnel. Eén tot twee minuten is al voldoende voor een echte Italiaanse al dente beet. Voor een wat meer Belgische beet mag je er een minuutje aan toevoegen. Veel tijd om tussendoor de tafel te dekken is er dus niet.
Pastapairing
Eens je de pasta hebt, kan je naar hartenlust gaan combineren. We dopen dit meteen om tot een nieuw woord: pastapairing. De meest klassieke en voor de hand liggende combinatie is met een ragù marchigiano. Dat mag een stevige vleessaus zijn, rijk en langzaam gegaard, met voldoende diepte om de eierpasta aan te kunnen. Wat Pecorino erbij en je zit meteen met een zeer herkenbaar bord pasta.
Toch zou het jammer zijn om deze pasta alleen aan vleessaus te koppelen. Door de nabijheid van de Adriatische kust wordt ze ook vaak gecombineerd met vis. Denk aan een ragù van witte vis, eventueel met wat tomaat, een zachte olie, peterselie en een puntje peperoncino. Net genoeg pit om het geheel wakker te houden. Of denk aan een rijkere bereiding met vongole, aangevuld met nog wat andere frutti di mare.
Je kan er uiteraard ook een perfect veggiebordje van maken. Tenminste, als je de eieren als ingrediënt dan toelaat. Combineer de pasta dan met courgette, artisjok, asperge of erwtjes. Dat kan perfect en levert een smakelijke primo op die niet te zwaar hoeft te worden. In dit geval zou ik het kaasgebruik ook zoveel mogelijk beperken.
We hebben ze echter ter plekke mogen proeven als een eenvoudige cacio e pepe, aan tafel bereid. Ik zeg het misschien net iets te oneerbiedig door het een eenvoudig gerecht te noemen. Zij die het al eens klaargemaakt hebben, weten dat het helemaal geen eenvoudige bereiding is en dat alles zeer punctueel en minutieus gevolgd moet worden om tot het gewenste resultaat te komen. Lukt dat, dan is het effectief duimen en vingers aflikken.
Het recept: Maccheroncini con gamberi sfumati al cognac e vongole
Het was wat wikken en wegen welk recept we erbij zouden plaatsen en uiteindelijk ben ik afgestapt van de klassiekers en gegaan voor een rijkelijke pasta waar je eigenlijk al honger van krijgt nog voor je vork in het bord zit. Maccheroncini met gamba’s, geblust met cognac, en afgewerkt met vongole.
Ingrediënten voor 4 personen
250 g Maccheroncini di Campofilone
250 g gepelde gamberi
500 g vongole veraci
20 kerstomaatjes
1 sjalot
1 teentje look
20 ml cognac
1 klein glas droge witte wijn
Olijfolie
Peperoncino
Verse peterselie
Zout
Bereidingswijze
Laat de vongole eerst spoelen in koud gezouten water, zodat eventueel zand kan verdwijnen. Reken hiervoor minstens een half uur. Spoel ze daarna nog even na onder koud stromend water.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime pan. Voeg een licht geplet teentje look toe en een klein beetje fijngesneden peperoncino. Laat kort aanzetten, zonder de look te laten kleuren. Voeg de vongole toe en blus met de witte wijn. Zet een deksel op de pan en laat de schelpjes openen.
Haal de vongole uit de pan zodra ze open zijn. Gesloten schelpen gooi je weg. Een deel van de vongole haal je uit de schelp, een deel hou je in de schelp voor de afwerking van het bord. Zeef het kookvocht en hou dit apart.
Snipper de sjalot fijn. Verhit opnieuw wat olijfolie in een brede pan en laat de sjalot zachtjes glazig worden. Voeg de gepelde gamberi toe, eventueel met het staartje er nog aan, samen met een klein beetje fijngesneden peperoncino. Laat kort bakken en blus met de cognac. Laat de alcohol even verdampen.
Haal de gamberi uit de pan voor ze te ver garen. Voeg de gehalveerde kerstomaatjes toe aan dezelfde pan en laat ze rustig zacht worden. Voeg daarna een beetje van het gezeefde vongolevocht toe, zodat je een lichte saus krijgt met voldoende zilte diepte.
Kook de Maccheroncini di Campofilone in ruim gezouten water. Dit gaat bijzonder snel. Reken één tot twee minuten voor een echte Italiaanse beet. Voor een iets zachtere beet kan je er een minuutje aan toevoegen, maar blijf erbij.
Doe de gamberi opnieuw bij de tomaatjes en voeg ook de vongole zonder schelp toe. Warm alles kort door, zonder de gamberi te ver te laten garen. Hou de vongole in de schelp nog even apart voor de afwerking.
Schep de pasta meteen bij de saus en meng alles voorzichtig door elkaar. Voeg indien nodig nog een beetje kookvocht van de pasta of wat extra vongolevocht toe. De Maccheroncini nemen snel vocht op, dus laat ze niet staan treuzelen in de pan.
Werk af met de vongole in de schelp, fijngesneden peterselie en een kleine straal olijfolie. Geen kaas bij deze bereiding.
We zijn aan het einde gekomen van onze zondagse reeks rond Marche. Het was voor mij een terugblik met veel genoegen en het voelde alsof ik onze Marche reis helemaal opnieuw aan het beleven was. Dat deze mooie regio aan de Adriatische kust een blijvende herinnering heeft nagelaten, zal jullie intussen wel duidelijk geworden zijn. Wij hopen alleszins dat we toch enkelen onder jullie warm hebben kunnen maken om Marche ooit eens als vakantiebestemming in te plannen.
Afsluiten doen we deze reeks met een tasting van wijnen van Verdicchio die we speciaal hiervoor hebben opgezet. Eerder hadden we bij een van onze wijnclubs, Het Negende Vat, een battle op het proefprogramma staan: Jesi versus Matelica. Het leek me de perfecte afsluiter om die tasting nog wat verder te perfectioneren en als thema op te nemen voor deze masterclass. Voor meer specifieke informatie over deze regio’s verwijs ik graag naar Verdicchio in tweevoud: Jesi versus Matelica.
Voor de masterclass behield ik dezelfde opzet. We plaatsen telkens een wijn uit Jesi naast een wijn uit Matelica. De proevers weten niet welke wijn er in het glas verschijnt en moeten zelf op zoek gaan naar het wijngebied van herkomst. Geen simpele opdracht, zo zal al vlug blijken. Het wordt zoeken naar kleine nuanceverschillen, zoals zilte accenten bij Jesi en de aanwezigheid van vuursteen bij Matelica. Zo kwamen er vijf koppeltjes op tafel voor deze boeiende tasting.
Het raadsel omtrent Verdicchio
We denken met z’n allen dat Verdicchio eigen is aan Marche, en in se is dat ook absoluut het geval. De druif hoort hier thuis, heeft hier naam en faam opgebouwd en als we Verdicchio zeggen, dan denken de meeste mensen spontaan aan deze witte wijn die meestal in en rond Jesi, in de provincie Ancona, wordt gekaderd. De andere zijde van Verdicchio, die uit de provincie Macerata, met Verdicchio di Matelica DOC als exponent, blijkt vooral in het kennersmilieu gekend te zijn en wordt daar met veel egards ontvangen.
Verdicchio is zo eigen aan Marche dat we er meestal ook vanuit gaan dat we deze druif nergens anders tegenkomen in Italië. Dat moeten we onmiddellijk tegenspreken, want hoewel ze elders niet zo uitdrukkelijk aanwezig is, vinden we de druif ook terug in Umbria, Toscana en bijzonder genoeg zelfs in Puglia. Wat minder bekend is, is dat de druif zeer frequent voorkomt in Veneto.
Dat de wetenschap fantastische dingen kan doen, weten we allemaal. Via DNA onderzoek kunnen vele zaken plots een duidelijker beeld krijgen. Dat is niet enkel het geval voor ons mensen, maar ook in de plantenwereld en vooral in het onderzoek naar de afkomst en geschiedenis van druivenrassen. Zo heeft DNA onderzoek naar Verdicchio tot merkwaardige conclusies geleid. Verdicchio leek immers, genetisch gezien, als twee druppels water op Trebbiano di Soave. Ook Turbiana, de naam waarmee men in Lugana aan het Gardameer werkt, hoort in datzelfde verhaal thuis.
De wijnen smaken daarom uiteraard niet identiek. Wat overeenkomt, zijn vooral de kenmerken van de druivelaar zelf. Een druif leeft niet in een glazen stolp. Ze past zich aan aan de plaats waar ze staat, en na verloop van tijd ontstaan er lokale verschillen in geur, smaak en karakter.
Toch heeft het resultaat van dit onderzoek heel wat in beweging gebracht. Hoe komt het dat een druif die we bestempelen als inheems in Marche, ook zo duidelijk aanwezig is in Veneto, weliswaar onder een andere benaming? Dat laatste valt in Italië wel vaker voor, dus daar kijken we niet meer van op. Om dit uit te klaren, is men in de geschiedenisboeken gedoken. Daar komt een verklaring naar boven die vandaag nog altijd een dubbele bodem heeft.
Ik schets het kort, zonder in overdreven veel details te vervallen en zonder er een geschiedenisboek van te maken. Ik neem jullie mee naar de Middeleeuwen, meer bepaald naar de 14e en 15e eeuw, toen de pest danig aanwezig was. Deze vreselijke ziekte hield ook lelijk huis in Marche. Er volgde een sterke ontvolking van de regio, met logischerwijze ook een zware ontwrichting van de landbouw. Later, toen de ziekte verdwenen was, kwam Marche opnieuw op adem. Er volgde een herbevolking en ook de landbouw werd weer opgebouwd. Historische geschriften wijzen erop dat vooral landbouwers uit de omgeving van Verona zich in Marche kwamen vestigen.
Of dit de oorspronkelijke bewoners waren die Marche waren ontvlucht, is in de geschiedenisboeken niet duidelijk. Op basis van die vaststelling ontstond een logische hypothese rond Verdicchio. Hadden landbouwers de druif meegenomen naar Veneto, meer bepaald naar de omgeving van Verona, toen ze de pest ontvluchtten? Of kwam Trebbiano di Soave net mee tijdens de herbevolking van Marche, waarna de druif daar werd aangeplant en uiteindelijk de naam kreeg die we vandaag allemaal kennen: Verdicchio?
Ik ga vandaag geen statement maken over welke zijde van het verhaal de juiste is. Ik stel enkel vast dat Verdicchio een fantastische druif is om wijn van te maken. Een witte wijn die nog altijd te vaak en te veel wordt onderschat.
Masterclass Verdicchio: Jesi versus Matelica
Marchetti Tenuta del Cavaliere 2024 – Verdicchio dei Castelli di Jesi Classico Superiore DOC Dit is een zeer fijne Verdicchio waarvan de druiven afkomstig zijn van één enkele wijngaard. Ze worden iets later geoogst, waarna de wijn na de vergisting 5 maanden rust in inox kuipen. In het glas toont hij zich groengeel tot strogeel. De neus is rijp en expressief, met abrikoos, witte perzik, mirabel, anijs en een florale toets. In de mond komt de wijn rond en gul over, met sappig geel fruit, zachte kruidigheid en een milde citrusfrisheid. Hij heeft niet de strakste lijn van de avond, maar wel een zeer aangename openheid. In de afdronk blijft vooral rijp fruit hangen, aangevuld met een subtiele amandeltoets. Een toegankelijke, verzorgde Verdicchio die meteen zin geeft om verder te proeven.
Prijs: € 14,20. Te koop bij Wijnkennis.
Colpaola 2024 – Verdicchio di Matelica DOC De druiven zijn afkomstig van biologisch bewerkte wijngaarden op klei en kalksteen. Na de handmatige oogst volgt een zachte persing en een koude statische bezinking van de most. De vergisting gebeurt in inox bij gecontroleerde temperatuur. De wijn heeft een frisse, strogele kleur. In de neus komt hij fijner en strakker over, met citrus, groene appel, witte bloemen en een lichte kruidigheid. In de mond toont hij zich eerder slank en rechtlijnig, met levendige zuren, helder fruit en een duidelijke kalkachtige toets. Alles voelt fris en precies aan, zonder overbodige franjes. De afdronk blijft mineraal en droog, met een fijne amandelbitterheid. Dit is een mooie eerste stap richting Matelica, waarbij de strengere, meer verticale stijl al voorzichtig om de hoek komt kijken.
Prijs: € 14,90. Te koop bij Entrepot du Vin.
Andrea Felici 2024 – Verdicchio dei Castelli di Jesi Classico Superiore DOC De druiven zijn afkomstig van een assemblage van jonge en oudere wijngaarden op zand en klei. Na de manuele oogst krijgt de wijn enkele dagen schilcontact. De vergisting gebeurt in inox, gevolgd door 3 maanden rijping op de fijne lies en nog 2 maanden flesrijping voor de commercialisatie. De kleur is zeer licht bleekgeel. De neus is zuiver met citroenzeste, groene appel, witte bloemen, steenfruit en een lichte anijstoets. In de mond komt de wijn energiek en strak over, met veel citrusfruit, duidelijke zuren en een fijne, bijna krijtachtige textuur. Hij heeft iets meer spanning dan volume, maar blijft mooi in balans. De afdronk is voldoende fijn, met citrusschil, amandel en een zilte toets. Een Jesi die zijn frisheid mooi uitspeelt.
Prijs: € 18,30. Te koop bij Wijnkennis.
Bisci Vigneto Fogliano 2022 – Verdicchio di Matelica DOC Deze Verdicchio is afkomstig van 40 jaar oude stokken op kalk en kleibodems, gelegen op 320 tot 370 meter hoogte. De wijn werd vergist in betonnen cuves en bleef daarna nog 18 maanden rijpen in beton. De kleur is zuiver strogeel, met duidelijke traanvorming in het glas. De neus opent intens en mooi. Rijpe appel en wit fruit vormen de basis, gevolgd door citrus, kamperfoeliebloesem, meloen, perzik, ananas en een fijne toets honing. Daarna komen amandel, anijs, peper, groene kruidigheid en een duidelijke toets vuursteen naar boven. In de mond is de wijn vol en gestructureerd, met rijp fruit, frisse zuren en een fijne textuur. Het licht vettige middenpalet geeft extra volume, terwijl de minerale kern alles droog en spannend houdt. De afdronk is lang, met amandel, citruszeste en een heerlijk bittertje.
Prijs: € 24,80. Te koop bij De Fijne Wijnshop.
Umani Ronchi Plenio 2022 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG Deze Plenio is afkomstig van stokken ouder dan 30 jaar, aangeplant op leem en klei, tussen 250 en 350 meter hoogte. De wijn werd voor 60 procent gevinifieerd in inox en voor 40 procent in botti van 5.000 liter, waarna hij nog 24 maanden rijpte in datzelfde materiaal. In het glas toont hij zich zuiver strogeel, met duidelijke traanvorming. De neus is rijp, open en verraadt meteen dat we met een ander type Verdicchio te maken hebben. Vanille, toast en geroosterde noten zijn aanwezig, maar blijven mooi gedoseerd. Verder volgen gele appel, rijpe pruim, perzik, abrikoos, honing, amandel en anijs. In de mond is de wijn voller en ronder, met rijp geel fruit, zachte textuur en duidelijke vulling. De rijping in groot hout geeft breedte, terwijl frisheid, mineraliteit en ziltigheid de wijn mooi recht houden. De afdronk is lang, met amandel, anijs en een fijne kruidige echo.
Prijs: € 23,60. Te koop bij Huis Hardies.
La Monacesca Mirum 2021 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG De druiven zijn afkomstig van wijngaarden op ongeveer 400 meter hoogte, aangeplant op kleibodems. De wijn werd vergist in betonnen cuves en kreeg vervolgens een rijping van 18 maanden in datzelfde beton. In het glas bezit hij een blinkende geelgouden kleur. De neus is rijk en open, met gele appel, kweepeer, meloen, citrus en perzik. Daarbovenop komen honing, geroosterde amandel, anijs, munt, sinaaszeste, gedroogde kruiden en een toets vuursteen. In de mond valt vanaf de eerste aanzet meteen die duidelijke en erg mooie anijstoets op. De wijn komt krachtig en breed over, met rijp fruit, stevige materie en een rijker profiel, maar de zuren blijven knap op de voorgrond. De afdronk is lang en dragend, met honing, amandel, citruszeste, een licht rokerige toets en opnieuw die fijne minerale ondertoon. Dit is een subliem knappe wijn, complex, krachtig en tegelijk fris genoeg om geen moment zwaar aan te voelen.
Prijs: € 24,20. Niet meer te koop gevonden in België.
Andrea Felici Vigna il cantico della figura 2018 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG De druiven komen van de San Francesco wijngaard, met wijnstokken van 50 jaar oud op kalk en klei. De manuele oogst gebeurt begin oktober. De vergisting verloopt met twee weken schilcontact. Daarna rijpt de wijn in cement, waarvan 12 maanden op de fijne lies, gevolgd door nog 6 maanden flesrijping. De neus is geconcentreerd en zuiver, met rijpe citrus, gele appel, witte bloemen, anijs, amandel en fijne kruiden. In de mond is de wijn compact met rijp fruit, levendige zuren en een fijne bitterheid. Je zou veronderstellen dat twee weken schilcontact zich duidelijk laat voelen in de smaak, maar dat is hier helemaal niet het geval. Alles blijft strak, zuiver en bijzonder goed drinkbaar. De afdronk is lang en droog, met citrusschil, amandel en ziltige accenten. Dit is een fantastisch mooie Jesi Verdicchio.
Prijs: € 41,40. Te koop bij Wijnkennis.
Borgo Paglianetto Jera 2020 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG Deze Jera komt van zuidelijk georiënteerde wijngaarden met 35 jaar oude stokken. De bodem is rijk aan klei en kalk. De druiven worden midden oktober geoogst. De vergisting gebeurt in inox bij gecontroleerde temperatuur, waarna de wijn 36 maanden rijpt in inox en nog 8 maanden op fles. De neus is complex en mooi opgebouwd. Het is zo’n typische neus waar je aan blijft ruiken en op zoek blijft gaan naar nieuwe aroma’s die komen opzetten. Het bouquet is dan ook rijkelijk gevuld met rijpe gele appel, abrikoos, gedroogde bloemen, amandel, vuursteen en een lichte honingtoets. In de mond komt hij gestructureerd en rustig opgebouwd over, met rijp fruit, frisse zuren en veel draagkracht. De afdronk is lang, met amandel, zeste van limoen en een duidelijke minerale toets. Jera toont opnieuw hoe mooi Matelica zich kan tonen in het glas.
Prijs: € 36,70. Te koop bij Call me Wine.
Tenuta di Tavignano Misco 2019 – Castelli di Jesi Verdicchio Riserva DOCG Deze Misco is afkomstig van 35 jaar oude stokken op kalk en klei, gelegen tussen 200 en 400 meter hoogte. De wijn werd gevinifieerd in inox cuves en rijpte vervolgens nog 18 maanden in inox, zonder bâtonnage. In het glas toont hij zich helder en zuiver goudgeel. De neus is onmiddellijk open, met rijpe citrus, peer, ananas, perzik en rijpere appel. Daarbij komen acaciabloesem, amandel, anijs, munt, peper en salie. Ook hazelnoot, een vleug buxus, wat vuursteen, een zekere aardsheid en een aangename ziltigheid zitten mooi in het geheel verweven. In de mond maakt deze Verdicchio indruk door zijn evenwicht. De zuren zijn levendig tot pittig en geven structuur en drive, terwijl de wijn tegelijk zacht en voldoende rond blijft. Rijp geel fruit, citrus en die duidelijke anijstoets komen mooi terug. De afdronk is lang, met citruszeste, amandel, kruiden en een mooie minerale ondertoon.
Voor de duidelijkheid melden we dat dit de beschrijving is van de correcte fles die we proefden tijdens de tweede sessie van onze masterclass. De eerste fles had een zeer duidelijke oxidatieve toets in de smaak. Het woord sherry viel zelfs.
Prijs: € 37,60. Te koop bij Vinesse.
Bisci Senex 2019 – Verdicchio di Matelica Riserva DOCG Deze Riserva is afkomstig van ongeveer 50 jaar oude stokken op kalk en kleibodems, gelegen tussen 320 en 370 meter hoogte. De wijn werd vergist in betonnen cuves en kreeg daarna een rijping van 48 maanden in beton. In het glas toont hij zich helder en zuiver strogeel. Het bouquet is breed, rijk en bijzonder overtuigend, met rijpe appel, mandarijn, ananas en rijper geel fruit, aangevuld met florale accenten. Daarna volgen anijs, zoethout, varens, pijnboompit, amandel, honing en een duidelijk puntje vuursteen. In de mond is dit simpelweg indrukwekkend. Dit is zo’n wijn waarbij je bijna vanzelf even achteroverleunt. Hij komt krachtig binnen, met rijp fruit, stevige structuur en veel materie, maar blijft tegelijk strak, mineraal en precies. De wijn lijkt overgoten met sappig fruit, waardoor spanning en gulheid mooi samengaan. De afdronk is lang en aanhoudend, met citruszeste, amandel, anijs en een duidelijke minerale ondertoon. Een van de meest complete en indrukwekkende flessen van de line up.
Prijs: € 55,90. Niet te koop gevonden in België.
Na deze geslaagde masterclass over Verdicchio trakteerde ik de deelnemers nog op een lekkere, huisgemaakte vincisgrassi en liet ik me de complimenten over het gerecht wel bevallen. Daarbij opende ik nog een magnum Verdicchio di Matelica 2024 van Colpaola. De L’Orante wordt enkel in magnum gemaakt, in een zeer beperkte oplage van amper 650 flessen. Uiteraard kon deze niet opboksen tegen de complexiteit die de Riserva’s te bieden hadden. We lieten het niet aan ons hart komen want het was een gepaste afsluiter van de avond.
Nu onze verkenningsronde in de Marche er bijna op zit, is het hoog tijd om opnieuw de wijngaarden in te duiken. Deze keer richten we onze blik op de rode zijde van de regio, voorbij het klassieke witte wijnbeeld waarmee Marche zo vaak wordt geassocieerd. In de voorbije artikels hebben we al gesproken over Conero en Offida, waar rode wijnen een prominente rol spelen. Maar er is meer. Veel meer zelfs. Marche is zodanig veelzijdig, ook op wijngebied, dat zowat elke wijnliefhebber er zijn gading kan vinden.
Vandaag wil ik het dan ook wat uitgebreider hebben over die rode veelzijdigheid. Ik realiseer me ten volle dat ik niet alles gedetailleerd zal kunnen weergeven en dat ik keuzes moet maken. Die keuzes heb ik doelbewust gemaakt en ik deel ze graag met jullie.
Rosso Piceno, de ruggengraat
Logischerwijze starten we met Rosso Piceno. Waarom ik zeg dat dit logisch is, heeft alles te maken met de bekendheid van deze wijn. Dit is de wijn die veel mensen het snelst met Marche associëren wanneer we vragen welke rode wijn ze uit de regio kennen. Je zal dat ook meteen begrijpen als je zelf door de Marche reist. Deze rode wijn wordt zowat overal aangeboden en je ziet hem in overvloed op de lokale wijnkaarten staan. Officieel spreken we over Rosso Piceno of Piceno DOC.
De wijngaarden liggen verspreid over een groot deel van Marche, van de provincie Ancona over Macerata en Fermo tot Ascoli Piceno. Alleen moeten we er meteen bij zeggen dat dit geen klein afgebakend hoekje is waar alles op één hoopje kan worden gegooid. Ik raad iedereen aan om de strada del vino Rosso Piceno Superiore te volgen, die via Ripatransone over Offida naar Acquaviva Picena loopt. Dan pas merk je echt de omvang van het gebied en de diversiteit ervan. Vergeet onderweg vooral niet enkele haltes te maken om kennis te maken met de wijn.
Je begrijpt dan ook dat het bodemverhaal niet eenvoudig te verklaren is. Je vindt wijngaarden op klei, kalkrijke bodems, zandiger percelen en bodems met meer steenachtig materiaal. Vooral in het zuiden, richting Offida, Ripatransone, Acquaviva Picena en Ascoli Piceno, kom je vaak uit bij heuvels waar klei en kalk een belangrijke rol spelen. Dat geeft wijnen die voldoende kleur, fruit en meer body hebben.
Rosso Piceno zal steeds gemaakt worden van Montepulciano en Sangiovese. De samenstelling van deze blend kan wel schommelen, maar vaak zal er meer Montepulciano aanwezig zijn dan Sangiovese. Wil je de exacte verplichte samenstelling kennen waaraan de producenten zich dienen te houden, dan is dit tussen 35 en 85 procent Montepulciano en tussen 15 en 50 procent Sangiovese. Theoretisch gezien mogen de producenten nog 15 procent andere rode druivenrassen, eigen aan Marche, toevoegen, maar in de praktijk zal je dit zelden zien.
Die basis geldt ook voor de Novello en de Superiore. De Novello is de jonge wijn die vooral vlug soldaat moet worden gemaakt en niet bedoeld is om te bewaren. Die kan perfect licht gekoeld worden geschonken bij een plankje lokale charcuterie of een bord pasta.
Daarnaast zijn er de serieuzere en complexere wijnen die op de markt komen als Rosso Piceno Superiore. Die Superiore komt uit een beperktere zone in het zuiden van Marche, rond Ascoli Piceno, en moet minstens een jaar rijpen, al dan niet in eiken vaten, voor hij gecommercialiseerd mag worden.
Het wordt een ander verhaal als je een wijn koopt waarop de benaming Rosso Piceno Sangiovese DOC staat. Dan staat deze druif centraal en moet Sangiovese voor minstens 85 procent aanwezig zijn in de wijn. Ook hier leert de praktijk ons dat het veelal om monocépage Sangiovese wijnen zal gaan.
Wie deze wijnen ter plaatse wil proeven, zou ik vooral richting Offida sturen. Daar bevindt zich de Enoteca Regionale delle Marche, in het voormalige klooster van San Francesco. Dat is interessant omdat je er een hele reeks Rosso Piceno wijnen kunt ontdekken en meteen ook een ruimer beeld krijgt van de wijnen uit het zuiden van Marche. Bovendien zit ook het Consorzio Vini Piceni in Offida.
Lacrima di Morro d’Alba, de geurige eigenzinnigheid
Morro d’Alba is een klein maar boeiend plaatsje in het midden van Marche en is bovendien een van de 22 Castelli die deel uitmaken van het Castelli di Jesi wijngebied. Er is echter iets bijzonders aan de hand ginds. Er wordt in en om het dorpje historisch gezien ook een rode wijn gemaakt, de Lacrima di Morro d’Alba. Deze wijn bleef lange tijd volledig onder de radar en er werd amper melding van gemaakt. Daar is de laatste jaren echter een serieuze kentering in gekomen. We kunnen deze wijnen ondertussen niet enkel, zoals vroeger vaak het geval was, ter plaatse consumeren. Neen, we zien de wijn steeds meer opduiken bij ons in de wijnhandel.
In principe juich ik dit volledig toe, want Lacrima di Morro d’Alba is volgens mij een van de meest fascinerende rode wijnen van Marche. Dat heeft natuurlijk te maken met zijn geur. Wie voor de eerste keer een goed glas Lacrima onder de neus krijgt, begrijpt dat meteen. Rozen, viooltjes, rood fruit, soms wat zwarte kers, soms iets kruidigs. Dit kan je natuurlijk van heel wat rode wijnen zeggen, maar bij een Lacrima di Morro d’Alba is dit al snel overduidelijk merkbaar.
Het gebied is bijzonder klein. We bevinden ons in de provincie Ancona, in en rond Morro d’Alba, met ook wijngaarden in Monte San Vito, San Marcello, Belvedere Ostrense, Ostra en een deel van Senigallia. Ondanks dat kleine productiegebied zijn er toch ongeveer 182 hectare aan wijngaarden beplant met deze druif. Of dit cijfer de laatste jaren mee de hoogte is ingegaan door de betere bekendheid, heb ik niet onmiddellijk kunnen achterhalen. We zitten vooral op heuvelgronden met klei en kalk, aangevuld met onderlagen die eerder kleiachtig en kalkzanderig van aard zijn. Het zijn bodems die voldoende voeding en water kunnen vasthouden.
De wijn moet voor minstens 85 procent uit Lacrima bestaan. Maar ook hier leert de praktijk ons dat het meestal gewoon monocépagewijnen zijn. Ergens is dat ook de normaalste zaak van de wereld, want de identiteit van deze wijn hangt zo sterk samen met de druif zelf dat je deze kwaliteiten beter ten volle benut.
We komen deze druif bij wijze van spreken, met uitzondering van wat IGT wijnen uit Puglia, nergens anders tegen. De vraag stelt zich dus waarom deze druif precies in dit kleine gebied is blijven hangen. Het antwoord valt historisch niet volledig te achterhalen. We weten wel dat Lacrima in de tweede helft van de negentiende eeuw al beschreven werd als een waardevolle lokale druif. Daarna is de aanplant sterk teruggelopen, zoals met zoveel oude druivenrassen gebeurde, om later opnieuw opgepikt te worden door producenten die begrepen dat ze iets waardevols in handen hadden.
Makkelijk is het voor de producenten nochtans niet met de Lacrima druif. Het is immers een zeer kwetsbare druif. Ze loopt vroeg uit, waardoor voorjaarsvorst een reëel risico kan vormen. Daarbovenop heeft ze een dunne, gevoelige schil die bij volle rijpheid kan openbarsten. Vandaar ook de naam Lacrima, de traan. Wanneer de bes begint te barsten, kan het sap als een druppel naar buiten komen. Mooi beeld, maar voor de wijnbouwer is dat vooral een teken dat hij niet alert genoeg is geweest.
Er worden drie types Lacrima wijn gemaakt. De gewone Lacrima di Morro d’Alba is de meest directe en meest herkenbare versie. Die komt meestal vrij jong op de markt en speelt volop op fruit en bloemen. Dat is het type wijn dat je gerust licht gekoeld kunt schenken. De tannine is doorgaans aanwezig, maar zelden hard. Het aromatische karakter blijft de hoofdrol spelen.
Daarnaast bestaat er ook Lacrima di Morro d’Alba Superiore. Die komt later op de markt en bezit wat meer concentratie en body. Aangezien het parfum en het fruit als essentieel worden beschouwd voor deze wijn, is er geen overdreven lange rijpingsperiode voorzien. Bij een Superiore is die uiteraard iets langer dan bij de gewone Rosso. Tien tot elf maanden in plaats van twee maanden.
Ten slotte is er ook een zoete wijn. Voor de Passito worden de druiven ingedroogd en schuiven we richting rijkere wijnen met een ander profiel. Vaak met donker fruit, bloemen, specerijen en een zachte, bijna fluwelige mondstructuur.
Morro d’Alba hadden we al aangehaald bij de hidden gems en is dus zeker het bezoeken waard. Bovendien is de Enoteca Comunale daar een bijzonder interessante halte. Ze werd speciaal ingericht door de producenten om de Lacrima wijn zichtbaar te maken en toegankelijker te maken voor consumenten die deze kunnen proeven en uiteraard ook kopen.
We geven nog mee dat er in Morro d’Alba jaarlijks, in oktober, het Lacrima Wine and Truffle Festival plaatsvindt. The best of both worlds, verenigd in één groot dorpsfeest. Ik zet het alvast in mijn agenda!
Vernaccia di Serrapetrona, een curiositeit
We sluiten het rode drieluik af met misschien wel de meest bijzondere wijn van het hele gezelschap: Vernaccia di Serrapetrona DOCG. Om meteen met de deur in huis te vallen: we spreken hier over een rode spumante, droog of zoet, gemaakt van de Vernaccia Nera druif.
Vooraleer ik verder ga met de beschrijving van het wijngebied en de wijn zelf, wil ik toch eerst even kaderen waarom ik dit als de meest bijzondere wijn bestempel. Hoeveel wijnen kennen jullie die drie vergistingen ondergaan? Wel, vanaf nu al minstens eentje, want de manier waarop deze wijn wordt gemaakt, is echt wel fascinerend te noemen. We proberen het voldoende helder te schetsen.
Na de oogst ondergaat een deel van de druiven een onmiddellijke vinificatie. Dat is de eerste vergisting. Het resterende deel, minstens 40 procent van de druiven, wordt ingedroogd en ondergaat het appassimento proces. Die druiven verliezen water, waardoor suiker, aroma en smaak zich concentreren. Nadien worden ook deze ingedroogde druiven geperst en vergist. Dat is de tweede vergisting.
Daarna volgt de assemblage. De wijn van de eerste vergisting en de wijn van de tweede vergisting worden samengevoegd. Vervolgens brengt men nog een derde vergisting op gang in een drukvat, de autoclaaf, om de belletjes te vormen. Zeg maar dat men hier ook nog eens de metodo Martinotti op loslaat.
Nu dit duidelijk is, kunnen we verder met de DOCG, want dat is Vernaccia di Serrapetrona sinds 2004. Met slechts een handvol producenten en amper 9 hectare aan wijngaarden is dit echt wel een nicheproduct. Maar wel eentje dat ik je kan aanraden als je, ik zeg maar wat, een moelleux zou maken of een krachtige gorgonzola zou nuttigen. De wijngaarden voor Vernaccia di Serrapetrona liggen in de provincie Macerata, rond Serrapetrona zelf en delen van Belforte del Chienti en San Severino Marche.
Serrapetrona ligt landinwaarts, richting de hogere heuvels en met de Monti Sibillini niet zo gek veraf. De wijngaarden liggen vaak op een behoorlijke hoogte, ergens tussen 400 en 700 meter. De bodems zijn overwegend mergelachtig en kalkrijk, met in sommige zones ook dunnere, stenige bodems en elders meer zandige en kleiachtige elementen.
De wijn wordt gemaakt van minstens 85 procent Vernaccia Nera. De overige 15 procent mag bestaan uit andere blauwe druivenrassen die in Marche zijn toegestaan. In de praktijk draait alles natuurlijk rond Vernaccia Nera zelf. Officieel gaat het bij Vernaccia di Serrapetrona DOCG om een rode spumante, in twee types: secco en dolce.
De droge wijn kan behoorlijk gastronomisch zijn, met rood fruit, kruidigheid, frisse zuren en een lichte tannine in combinatie met de pareling. De zoete versie zit meer in de richting van rijper fruit, confituur, bloemen, specerijen en een zachtere smaakimpressie. De wijn komt pas ongeveer 9 maanden na de oogst op de markt.
Wie deze wijn ter plaatse wil ontdekken, plant zijn bezoek best in november. Dan zijn er de Appassimenti Aperti feesten. De producenten openen hun deuren en de droogruimtes staan centraal, waar de druiven hangen of in kistjes liggen te drogen. Het ideale moment om deze wijn te leren kennen.
Plus superest
Vrij vertaald: en er is nog meer. Uiteraard is er nog meer, want het Marche IGT aanbod biedt hier de nodige ruimte voor. Internationale druivenrassen zoals Cabernet, Merlot of Syrah kan je binnen dat aanbod vinden en geloof me vrij, ze zijn vaak een pak beter dan hun Franse voorbeelden.
Ik kan soms amper begrijpen hoe het mogelijk is dat een druif zoals Pinot Noir hier zulke fantastische resultaten kan neerzetten. Geloof je me niet? Als je met je wagen Marche binnenrijdt vanuit Emilia Romagna, hou dan een eerste halte in Pesaro. Je weet wel, een van de kustplaatsjes die we eerder al op onze route hadden gezet. Geef Fattoria Mancini in op je gps en proef hun Pinot Noir wijnen. Vergeet zeker hun Spumante niet.
En de rest? Dat moet je zelf maar ter plekke ontdekken.
Voor ons is het altijd vanzelfsprekend dat we ons, wanneer we een Italiaanse regio ontdekken, niet beperken tot de lokale wijnen. We willen ook de lokale keuken leren kennen. Dat is eigenlijk een heel natuurlijke reflex, want elke Italiaanse regio heeft haar eigen keukenidentiteit, haar eigen specialiteiten en haar eigen manier van koken. Het hoort zelfs bij het voorbereidende werk thuis om op te zoeken wat die specialiteiten precies zijn en waar we ze het best kunnen proeven.
Voor Marche is dat niet anders, al heeft de keuken van deze regio minder naam dan die van sommige andere Italiaanse regio’s. Minder uitstraling betekent daarom nog niet minder boeiend. Marche loopt nu eenmaal minder in de kijker. Net daarom geven we jullie graag mee wat je zeker moet proberen wanneer je in Marche bent.
Bij het aperitief
Er valt in Marche niet te ontsnappen aan olive all’ascolana. Dit is wellicht het bekendste en meest geserveerde hapje van de regio. Waar je ook plaatsneemt op een terrasje, vroeg of laat zal je ermee geconfronteerd worden. Het zijn grote groene olijven die worden ontpit en daarna gevuld met een mengsel van vlees, kaas en een toets nootmuskaat. Ten slotte worden ze gepaneerd en gefrituurd. Ze komen uit Ascoli Piceno, helemaal in het zuiden van de regio, vandaar ook de naam van deze aperitivo.
De olijf die hiervoor gebruikt wordt, is de Ascolana Tenera del Piceno. Die is zacht van structuur, vlezig en bezit een fijne bitterheid. Als ze goed bereid worden, zijn olive all’ascolana krokant aan de buitenkant en sappig vanbinnen. In Ascoli krijg je ze vaak als onderdeel van fritto misto all’ascolana. Dan komen er naast de gevulde olijven ook gefrituurde groenten, stukjes vlees en crema fritta op tafel. Die laatste zijn blokjes zoete room, gepaneerd en gefrituurd.
Uiteraard kan het aperitivo moment veel verder gaan dan enkel een olijf. Zoals overal in Italië vind je ook hier streekeigen salumi, prosciutto en formaggi.
Bij de salumi zal je vaak ciauscolo aangeboden krijgen. Dit is een smeerbare salame die vooral in het centrum en het zuiden van Marche te vinden is. Hij wordt gemaakt van varkensvlees en vet, fijn gemalen en op smaak gebracht met onder meer knoflook, peper, witte wijn en soms venkel. De textuur is zacht en smeuïg, de smaak hartig en kruidig.
Je kan de ciauscolo dan ook breed uitsmeren op een stukje crescia. Crescia is de lokale variant op focaccia. Het is een plat brood dat in verschillende vormen voorkomt. In en rond Urbino vind je crescia sfogliata, rijker en bladeriger van structuur, vaak gemaakt met reuzel.
Een andere salame uit Marche is de salame di Fabriano. Deze specialiteit uit het binnenland van Ancona wordt al zeer lang gemaakt. In een bedankbrief van 22 april 1881 schreef Giuseppe Garibaldi aan zijn vriend Benigno Bigonzetti over de kostbare salami uit Fabriano die hij had ontvangen. Salame di Fabriano wordt gemaakt van de betere delen van het varken, vooral bil en schouder. Die worden fijngehakt en gemengd met blokjes rugspek. De kruiding bestaat uit zout, gemalen peper en hele peperkorrels. Daarna wordt de salame in een natuurlijke darm gestopt en langzaam gerijpt in kelders of goed verluchte zolders. De productie gebeurt traditioneel van het einde van september tot het begin van mei.
Als je Pesaro, Urbino en omgeving bezoekt, laat het dan niet na om een bordje Prosciutto di Carpegna te bestellen. Deze prosciutto komt uit de streek Montefeltro, in de provincie Pesaro e Urbino. Het is een DOP ham met een eigen profiel. De hammen worden gezouten, gewassen, gedroogd en daarna langzaam gerijpt. Het deel zonder zwoerd wordt beschermd met een mengsel op basis van vet, bloem en natuurlijke aroma’s. Daardoor blijft de ham tijdens de rijping mooi beschermd en ontwikkelt hij zijn zachte, aromatische smaak.
Uiteraard zal je in Marche ook pecorino in overvloed vinden, maar wens je een eigen lokale kaas te proeven, dan koop je Casciotta d’Urbino. Deze kaas wordt doorgaans gemaakt met 70 tot 80 procent schapenmelk en aangevuld met koemelk. Hij heeft een zachte, ronde smaak en een licht brokkelige structuur.
I primi, pasta met een hoofdletter
Dat Italië het pastaland bij uitstek is, is een understatement. Marche kan hier natuurlijk niet achterblijven. Je kan er dan ook behoorlijk wat lekkere pastavarianten ontdekken. In Pesaro kom je cappelletti alla pesarese tegen, een pasta die duidelijk de signatuur draagt van de nabije buren uit Emilia Romagna. Ze zijn vergelijkbaar met tortellini, al blijven het wel degelijk cappelletti, kleine gevulde pastahoedjes van eierdeeg.
De vulling is op basis van vlees, vaak varken, soms aangevuld met kalf, kip of cappone, een kapoen. Daar komen kaas, ei en nootmuskaat bij. Meestal worden cappelletti alla pesarese geserveerd in brodo, een warme vleesbouillon die het gerecht meteen zijn eigen karakter geeft.
Van ons Pesaro verhaal onthouden we vooral dat er in deze stad veel naar Rossini wordt genoemd. De lokale variant van cannelloni kreeg dan ook de benaming alla Rossini mee. Dit zijn rijk gevulde pastarolletjes uit de oven. De vulling bestaat doorgaans uit kalfsvlees of kip, soms aangevuld met kippenlevertjes, paddenstoelen, parmezaan, nootmuskaat en een scheut Marsala. Daarna worden de cannelloni bedekt met béchamel en soms ook met tomatensaus of een toets truffel.
Maccheroncini di Campofilone moet je geproefd hebben, want ze behoren tot de meest verfijnde pastaspecialiteiten. Ze komen uit Campofilone, een klein dorp in de provincie Fermo, en hebben als enige eierpasta in Europa een IGP erkenning. Ze worden gemaakt met durumtarwegriesmeel en veel verse eieren, zonder toevoeging van water. De pasta wordt bijzonder dun uitgerold en daarna in lange, fijne sliertjes gesneden.
Die fijne structuur zorgt ervoor dat maccheroncini de saus bijzonder goed opnemen. Een goede ragù is dan ook de meest aangewezen combinatie. Rasp er wat truffel uit de omgeving van Acqualagna over en je voelt je de koning te rijk.
Vincisgrassi, de bekende ovenschotel
Vincisgrassi kunnen we perfect integreren in het pastahoofdstuk, maar het gerecht is zo belangrijk in Marche dat het een eigen plaats verdient. Het wordt vaak omschreven als de lasagne van Marche en daar zit wel wat waarheid in. Alleen zijn vincisgrassi rijker, voller en vaak kruidiger. Het gerecht komt uit de omgeving van Macerata, maar je zal er in heel Marche van kunnen smullen.
De naam duikt ook op als princisgras, de eigen Maceratese benaming. Het gerecht zou aan het einde van de achttiende eeuw zijn ontstaan en groeide uit tot een klassieker voor zondagse tafels, feestdagen en familiemomenten. Dit is keuken die van grootmoeder op dochter en kleindochter werd doorgegeven.
Op het eerste gezicht lijkt vincisgrassi dus op lasagne, maar er zijn toch enkele wezenlijke verschillen. Vincisgrassi worden vaak opgebouwd in zeven lagen. Het pastadeeg wordt gemaakt met veel eieren en zonder water, waardoor het steviger en rijker is dan gewone lasagnevellen. Het grote verschil zit echter vooral in de ragù.
Die wordt traditioneel niet gemaakt als een gewone vleessaus, maar met wat vroeger op het boerenerf voorhanden was. Denk aan kip, eend, gans, konijn, varken of kalf. Ook frattaglie, zoals levertjes en andere ingewanden van gevogelte, horen in de klassieke versies thuis.
Tussen de lagen komen ragù, besciamella en geraspte kaas. Die besciamella is in wezen de klassieke béchamelsaus, gemaakt met melk, boter, bloem, zout, peper en nootmuskaat. Ze dient vooral om de lagen te binden en smeuïg te houden. Bovenaan volgt nog een laatste laag saus, wat besciamella en royaal geraspte Parmigiano Reggiano of Grana Padano. De kaas zorgt tijdens het bakken voor de gratinkorst.
Pesce dell’Adriatico
In de kustplaatsen speelt vis uiteraard een belangrijke rol. Dat zal je ook overvloedig merken in de keuken van Marche. Vis, mosselen, vongole, inktvis, ansjovis en rijk gevulde vispannen komen er geregeld op tafel. Ben je een visliefhebber, dan ga je in Marche zeker je gading vinden.
Het bekendste gerecht is brodetto. Je kan het omschrijven als een variant op vissoep, maar eigenlijk is het meer een visstoofpot. Brodetto wordt gemaakt met wat de zee op dat moment geeft. Kleine vissen, schaaldieren, weekdieren, soms wat tomaat, soms azijn, soms saffraan. Alles hangt af van waar je bent en wie er aan het fornuis staat. Naar het schijnt is vooral de volgorde waarin de vis wordt toegevoegd van cruciaal belang. Dat geloof je meteen wanneer je een goede brodetto proeft. De vis moet gaar zijn, maar mag zijn eigen smaak niet verliezen.
Elke kustplaats heeft zowat haar eigen versie. San Benedetto del Tronto staat bekend om een frissere, licht zure brodetto, vaak met azijn en groene tomaat. Ancona heeft een zachtere en rondere stijl. Porto Recanati werkt dan weer met saffraan en zonder tomaat. Fano heeft eveneens een stevige reputatie. Je kan dus perfect een kleine brodetto tour maken langs de kust, alleen al om uit te zoeken welke versie het beste bij je past. Er bestaan slechtere opdrachten.
Een van de mooiste producten van de kust zijn de moscioli van Portonovo, de wilde mosselen van de Conero kust. Ze groeien aan de rotsen en hebben een krachtiger, zilter karakter dan veel klassieke gekweekte mosselen. Ze hebben weinig nodig. Olijfolie, knoflook, peterselie, eventueel wat citroen. Meer moet dat niet zijn, want de smaak van de mossel zelf moet centraal blijven staan.
Ancona heeft daarnaast nog stoccafisso all’anconetana. Stokvis wordt hier bereid met aardappelen, tomaat, olijven en olijfolie. Dit is een stevig gerecht met een uitgesproken zilt karakter.
Tot slot zal je ook geregeld seppie con i piselli tegenkomen. Dat zijn zeekatjes, vaak kleinere seppie, die gestoofd worden met erwtjes, witte wijn, knoflook, peterselie, olijfolie en meestal wat tomaat. Het is een specialiteit die niet voor iedereen zal zijn weggelegd. Zelf ben ik er niet onmiddellijk een liefhebber van, maar dat neemt niet weg dat het wel degelijk thuishoort in de kustkeuken van Marche.
Carne, de stevigere kant van Marche
Trek je de heuvels en bergen in, dan wordt de keuken vleziger. Varkensvlees, wild, gevogelte, lam, konijn en stevige ragù’s komen dan allemaal in beeld. Een van de klassieke vleesgerechten is coniglio in porchetta.
Dat is konijn bereid in de stijl van porchetta. Het vlees wordt gekruid met wilde venkel, knoflook, rozemarijn en andere aromaten. Dit konijn is een feestmaal en heeft een intens aroma van wilde venkel, die vroeg in de zomer wordt geoogst. Daarna wordt het gebraden en belandt het op je bord.
Daarnaast kom je geregeld pollo in potacchio tegen. Dit is kip die wordt gestoofd met witte wijn, knoflook, rozemarijn, olijfolie en meestal wat tomaat.
Verder mag ook porchetta zelf niet ontbreken. Grote stukken gebraden varkensvlees, stevig gekruid met venkel, knoflook en rozemarijn. Je vindt het op markten, feesten en in broodjes, maar ook gewoon als volwaardig vleesgerecht. Het maakt meteen duidelijk hoe belangrijk varkensvlees is in de landelijke keuken van Marche.
Wie rundvlees wil, kan uitkijken naar vlees van het Marchigiana rund. Dat witte runderras hoort bij Centraal Italië en komt ook in Marche voor. Het vlees wordt vaak eenvoudig gegrild of als bistecca geserveerd. Geen ingewikkelde bereiding dus, gewoon goed vlees, vuur, zout en een glas rood erbij.
Dolce o caffè?
De typische vraag waarmee je wordt geconfronteerd bij het afsluiten van de maaltijd.
Aan te raden is, als het tenminste op de menukaart staat, om een torta di mele rosa dei Monti Sibillini te nemen. Deze kleine appeltjes zijn aromatisch en knapperig, met zoetheid en een frisse toets. Ze worden vaak verwerkt in taarten en gebak. Bovendien zijn ze erkend als Slow Food Presidio en alleen dat al is meldenswaardig.
Wil je liever een koffie, dan kan je er een Anisetta Meletti of een mistrà bijvragen. Dat zijn bekende anijslikeuren die gemaakt worden op basis van anice verde di Castignano. Deze groene anijs uit Castignano, in de provincie Ascoli Piceno, heeft een uitgesproken geur en smaak. Je drinkt deze likeuren puur, met ijs of in de koffie.
In het zuiden van Marche kom je ook vino cotto tegen. Ingekookte most, donker, zoet, kruidig en intens. Een klein glas volstaat als afsluiter van de avond.
Van Abruzzo naar de Marche leidt rit 8 van de Giro d’Italia ons. Het belooft een rit vol sightseeing te worden, want alle mooie kustplaatsjes van de zuidelijke Marche worden aangedaan, om uiteindelijk te eindigen in Fermo. Een sprintersetappe zou je dan op het eerste zicht denken. Maar dat is het verre van. De eerste 100 kilometer zijn biljartvlak en dan begint het geaccidenteerde parcours, met naar het einde toe nog een muurtje waar enkel de punchers zullen overleven.
Die geaccidenteerde finale brengt ons ook midden in de Falerio DOC. Een vrij groot wijngebied in het zuiden van de Marche waar de witte wijnen hoogtij vieren. Kunnen deze niet onder de gereputeerde Offida DOCG gelabeld worden, dan is Falerio DOC vaak de logische uitwijkmogelijkheid. Mijn ervaring is dat je binnen deze DOC zeer vlot drinkende, lekkere wijnen kan vinden met een sterke prijs kwaliteitverhouding.
Falerio DOC
Met 383 hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer 23.000 hectoliter, goed voor iets meer dan 3 miljoen flessen, is Falerio DOC zeker geen kleine speler. Toch blijft de naam buiten de Marche vrij discreet aanwezig. Verdicchio, Rosso Piceno en Offida nemen veel sneller het podium in. Falerio blijft dan wat aan de zijkant staan. De DOC is vandaag volledig gericht op witte wijn.
De appellatie werd in 1975 officieel erkend als DOC. De productiezone ligt in het zuiden van de Marche, in een gebied waar de Adriatische kust en het heuvelachtige binnenland dicht bij elkaar lopen. Ze omvat de geschikte wijnbouwgronden binnen de provincies Fermo en Ascoli Piceno. De wijngaarden liggen tussen 50 en 700 meter hoogte. Te vochtige valleibodems zijn uitgesloten, net als percelen boven 700 meter. Het zwaartepunt ligt weliswaar niet in hooggelegen bergwijngaarden, maar in de lagere en middelhoge heuvelzones.
De naam Falerio verwijst naar de oude Romeinse stad Faleria, later Falerio Picenus en vandaag Falerone. Hier herinneren het theater, het amfitheater en de restanten van de Romeinse tempel nog aan die periode. Ook in de archieven van Fermo vinden we al verwijzingen naar wijn uit Faleria in de dertiende eeuw. Daarbij duikt ook de oude techniek van vin cotto op, die in deze streek op kleine schaal nog altijd bestaat.
Bodem en klimaat
In de wijngaarden van Falerio DOC vinden we vooral kleiige en kalkrijke bodems met een vrij fijne structuur. Vaak zijn het bodems met voldoende diepte en porositeit. Ze houden geen overtollig water vast, maar wel genoeg vocht om de wijnstok door de drogere zomermaanden te helpen. Dat is belangrijk, want juli is doorgaans de droogste maand en de meeste regen valt pas in oktober, november en december.
Het reliëf speelt daarbij een belangrijke rol. Op de hellingen kan overtollig water vrij snel weg, waardoor de bodems niet zwaar en nat blijven. De wijngaarden liggen bovendien vaak op hellingen met een oostelijke tot zuidoostelijke oriëntatie. Ze krijgen dus voldoende licht in de eerste helft van de dag, zonder dat de warmste namiddagzon altijd vol op de druiven staat.
Het klimaat is duidelijk mediterraan, maar de cijfers tonen ook dat het geen kurkdroog gebied is. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 14 graden. De zomers zijn warm, met juli en augustus gemiddeld rond 23 graden. De winters kunnen behoorlijk fris zijn, met gemiddelde temperaturen rond 5,5 tot 6,5 graden in december, januari en februari. De jaarlijkse neerslag ligt rond 700 tot 800 millimeter, maar die valt dus vooral buiten de zomerperiode.
Witte wijnen
Falerio DOC is er uitsluitend voor witte wijnen. De appellatie maakt een onderscheid tussen de algemene Falerio en de Falerio Pecorino.
Falerio is meestal een blend van drie druiven met Trebbiano Toscano als de belangrijkste. Deze moet 20 tot 50 procent moet uitmaken van de wijn. Passerina moet 10 tot 30 procent van de assemblage vormen, en dat is ook zo voor Pecorino. Andere toegelaten niet aromatische witte druiven uit de Marche mogen samen tot maximaal 20 procent worden gebruikt. Er is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. De maximale opbrengst bedraagt 13 ton druiven per hectare en het rendement van druif naar wijn mag maximaal 70 procent bedragen. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11,5 procent.
In het glas is Falerio meestal licht tot duidelijk strogeel van kleur. De geur is licht geparfumeerd, met florale toetsen en geel fruit. Denk aan witte bloemen, peer, gele appel, citrus en soms wat perzik. De smaak is droog, licht ziltig, harmonieus en fris.
Falerio Pecorino moet voor minstens 85 procent uit Pecorino bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten niet aromatische witte druiven uit de Marche. Ook hier is geen verplichte rijping voorzien. De maximale opbrengst ligt lager dan bij de gewone Falerio en bedraagt 11 ton druiven per hectare. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 12 procent.
Pecorino geeft van nature meer intensiteit dan Trebbiano en Passerina. In het glas levert dat meestal een wijn op met meer geur, meer structuur en meer uitgesproken karakter. De kleur is strogeel, vaak met licht groenige waas. In de geur kunnen witte bloemen, ananas, anijs en salie opduiken. De smaak is droog, fris, licht ziltig en duidelijk voller dan bij de gewone Falerio.
We zetten onze ontdekkingstocht door Marche verder en stellen opnieuw enkele haltes voor die je makkelijk kan opnemen tijdens een bezoek aan de regio. Vorige keer trokken we onder meer richting Frasassi, Serra San Quirico, de dorpen rond Verdicchio en Corinaldo. Deze keer beginnen we aan zee, maar blijven we weg van het strand. Daarna trekken we naar Urbino, Urbania, Acqualagna, Furlo en Cagli, om vervolgens af te zakken richting Montelupone, Montecassiano en Recanati. Helemaal afsluiten doen we in de Monti Sibillini.
Dat we Urbino opnemen als logische, zeg maar verplichte stop, vraagt wel wat nuance. Verborgen is Urbino natuurlijk niet. Wie een beetje van Italië houdt, kent de naam. Toch hoort de stad hier thuis. Veel reizigers laten Urbino verrassend genoeg nog altijd links liggen wanneer ze Marche bezoeken. Bovendien past de schoonheid van deze stad gewoon perfect in dit verhaal.
Ongetwijfeld zijn er nog heel wat plekken die we niet hebben aangehaald. Geef ze ons gerust mee. Dan hebben we meteen een goede reden om bij een volgend bezoek opnieuw van de hoofdweg af te wijken.
Rocca Roveresca: Senigallia zonder strandstoel
Senigallia kwam in onze kustaflevering al voorbij. Logisch ook, want de stad is vooral bekend om haar strand, de Rotonda a Mare en die aangename sfeer van een Adriatische badplaats die haar eigen ritme heeft gevonden. Toch loont het om hier even van het zand weg te stappen en richting Rocca Roveresca te wandelen.
Deze burcht staat daar stevig, bijna onverstoorbaar, en brengt je meteen in een ander Senigallia. Weg strandgevoel, welkom stadsgeschiedenis, macht en verdediging. Rocca Roveresca werd gebouwd tussen 1480 en 1492 in opdracht van Giovanni Della Rovere, heer van Senigallia. Dikke muren, stevige bastions, ronde hoektorens, een slotgracht en loopgangen moesten weerstand bieden aan de vuurwapens van die tijd.
Veel tijd zal je niet nodig hebben voor dit bezoek. Net daarom is het een ideale korte stop wanneer je vanuit Senigallia opnieuw richting de Adriatische snelweg rijdt.
Urbino: Renaissance, studenten en sjakossen
Neem je tijd voor een bezoek aan Urbino. Je zal die nodig hebben om deze stad, die sinds 1998 opgenomen is als UNESCO werelderfgoed, te bezoeken. Je zal er ook een beetje inspanning voor nodig hebben. Urbino ligt immers hoog, de straatjes stijgen stevig en op sommige momenten voel je dat ook in de kuiten. Gelukkig krijg je er veel voor terug. Smalle steegjes, kleine pleinen, verweerde stenen gevels, doorkijkjes naar de heuvels en een historische kern die nog altijd opvallend gaaf aanvoelt.
Het Palazzo Ducale blijft uiteraard het grote herkenningspunt. Je hoeft er zelfs niet noodzakelijk binnen te gaan om het indrukwekkend te vinden. Vanaf verschillende punten in de stad duikt het telkens opnieuw op. Van dichtbij zie je de loggia’s en de torens, maar eigenlijk wordt het paleis nog mooier wanneer je er wat afstand van neemt. Dan zie je pas goed hoe het gebouw boven de stad uitsteekt en hoe sterk het beeld van Urbino hierdoor wordt bepaald.
Een van de beste plekken om dat te zien is het hoger gelegen Fort Albornoz. De wandeling ernaartoe vraagt opnieuw de nodige inspanning, maar boven krijg je misschien wel het mooiste zicht op Urbino. Daar zitten vaak studenten, wat perfect past bij het universiteitskarakter van de stad.
Ga zeker even buiten de muren richting Strada Panoramica. Van daaruit zie je hoe compact Urbino in het landschap ligt. De stad lijkt bijna op de heuvel gezet, met het Palazzo Ducale als duidelijk middelpunt. Dat beeld maakt je meteen ook duidelijk waarom Urbino zo vaak als renaissancestad wordt omschreven.
Bezoek zeker ook Bottega d’Arte di Nevio Sorini. Hier wordt de Stella Ducale, een handgemaakte glazen sterrenlamp die eeuwenlang adellijke huizen in Urbino verlichtte, nog op traditionele wijze gemaakt.
Ook voor een korte culinaire pauze of pranzo zit je in Urbino goed. Denk bijvoorbeeld aan La Trattoria del Leone, een klein restaurant in het centrum waar lokale gerechten en passatelli duidelijk een rol spelen. Mag het iets verfijnder, dan is Portanova een naam om te onthouden. Zelf vind ik ook Atabulus mooi passen bij Urbino: een enoteca met keuken en boeken, waar je terecht kan voor een aperitivo, iets kleins om te eten of gewoon een glas in een bijzondere sfeer.
Voor ons vertrek naar Marche had ik mijn vrouw beloofd dat ze van mij een handtas cadeau kreeg van een heel bijzondere plek. Bij ons bezoek aan Urbino kon ik deze belofte dan ook eindelijk inlossen. Ik troonde haar mee tot iets buiten de stad, naar Schieti di Urbino. Hier vind je de factory store van het bekende handtassenmerk Piero Guidi. Ik had ook simpelweg in Urbino kunnen blijven en de handtas kunnen kopen in de plaatselijke winkel in de Via Veneto, maar dit was net iets charmanter. Ons bezoek aan Urbino kreeg daardoor een ander cachet. Eerst Renaissance, daarna sjakossen. En daarmee had ik weer vele goede punten gescoord en kon ik deze reis niets meer misdoen.
Urbania: mummies, majolica en visciola
Urbania ligt niet zo ver van Urbino en kan je dus perfect combineren. Urbania voelt trouwens helemaal anders aan. Minder groots, minder bekend en vooral minder druk. Urbania heette vroeger Casteldurante en die oude naam kom je nog geregeld tegen, zeker wanneer het over keramiek gaat. Vanaf de vijftiende eeuw groeide Casteldurante uit tot een belangrijk centrum voor majolica, beschilderd aardewerk dat zijn weg vond naar klanten ver buiten de regio.
Het stadje zelf is aangenaam om door te wandelen. Zeker wanneer er markt is, komt Urbania helemaal tot leven. Dan slingeren de kraampjes door de straten en vind je er brood, kazen, olijven, fruit, keramiek en allerlei lokale producten. Rond Piazza San Cristoforo vind je bars, bakkerijen, restaurants en het Teatro Bramante. Dat theater is vernoemd naar Bramante, de grote renaissancearchitect die in de omgeving werd geboren. Geniet van een koffie bij Caffè del Teatro en je bent alweer paraat om het volgende straatje te verkennen.
Een van de meest eigenzinnige plekken van Urbania is de Chiesa dei Morti, bekend om haar mummies. Ik ben geen kerkganger en neem dit soort bezoeken ook bewust niet op in de blogs, maar hier maak ik wel een uitzondering. Je bezoekt deze chiesa omdat het iets vertelt over de manier waarop een kleine gemeenschap met dood, zorg en herinnering omging. Het Broederschap van de Dood bekommerde zich ooit om de uitvaarten van armen en hulpbehoevenden. De geconserveerde lichamen die later werden opgegraven, kregen hier een opvallende plaats. Je moet er zin in hebben, maar vergeten doe je dit bezoek niet snel.
Je kan in Urbania niet om de keramiek heen. Je merkt het bijna overal in de stad en het hoort dan ook tot de stadsidentiteit. Je vindt er nog enkele ateliers waar het oude ambacht wordt voortgezet, al zijn het er veel minder dan vroeger. In juli wordt die keramiektraditie extra in de kijker gezet tijdens het jaarlijkse keramiekfestival.
Voor een aperitivo kunnen we zeker Enoteca Vin Italy aan Piazza del Duomo aanraden. En als je ergens visciola tegenkomt, een lokale drank op basis van wijn en zure kersen, proef die dan zeker. Net zoals wij deden. We waren er eerlijk gezegd niet wild van, maar we kunnen het nu wel beter plaatsen wanneer erover gesproken wordt. Want in Marche zal je visciola vaak op de lokale drankenkaarten zien staan.
Acqualagna: truffel staat hier centraal
Ben je een truffelliefhebber, dan is een bezoek aan Acqualagna niet te missen. Want wie truffel zegt in Marche, zegt Acqualagna. Het is dan ook de truffelhoofdstad van de regio en dat merk je snel genoeg. In de winkels, op de menukaarten, in de straten. Alles geurt en kleurt er naar deze lekkernij.
In het najaar worden er speciale truffelzoektochten georganiseerd en wie de kans krijgt om met een truffeljager mee op pad te gaan, moet dat zeker doen. Vaak gebeurt dat met een Lagotto Romagnolo, een hondenras dat perfect geschikt is om truffels op te sporen. Zo’n tocht maakt meteen duidelijk hoeveel vakkennis erbij komt kijken. De hond zoekt, de truffeljager kijkt, luistert en grijpt pas in wanneer het nodig is. De truffel moet immers voorzichtig uit de grond gehaald worden. In de omgeving van Acqualagna liggen uiteraard ook de tartufaie, stukken grond waar truffels groeien en die zorgvuldig worden beheerd.
Bij een bezoek aan dit dorpje kan je niet anders dan je ook tegoed doen aan een gerecht op basis van truffel. Een crostino met truffel, een crescia sfogliata met ei en truffel, een eenvoudige pasta met vers geschaafde truffel: je kan het er allemaal vinden in lokale restaurantjes die zich duidelijk op truffel richten. Ristorante Lampino is daar een voorbeeld van, net als Il Tartufo centraal in het dorp.
Centraal in het dorp vind je de winkel van Acqualagna Tartufi. Dit is uiteraard een interessante stop wanneer je producten op basis van truffel wil ontdekken of meenemen.
Furlo: tussen kalksteen, water en Romeinse wegen
Heb je na al dat lekkers in Acqualagna behoefte om de opgenomen calorieën te verbranden, dan kan je iets verder doorrijden naar Furlo. Je zit er midden in de natuur, met heel wat wandelmogelijkheden tussen kalksteen, water, rotswanden en een weg die zich door de Gola del Furlo wringt.
De kloof van Furlo maakt deel uit van het Riserva Naturale Statale della Gola del Furlo. De rivier Candigliano heeft zich hier een weg gebaand door de kalkstenen rotsen, tussen Monte Pietralata en Monte Paganuccio. Dat levert een indrukwekkend zicht op. Het wordt niet voor niets een van de mooiste natuurgebieden van dit deel van Marche genoemd.
In de Gola del Furlo zelf loopt de oude Via Flaminia, de Romeinse weg die Rome met Rimini verbond. Ter hoogte van Furlo kom je voorbij de Romeinse tunnel die in opdracht van keizer Vespasianus in 76 na Christus door de rots werd uitgehakt. Bijna tweeduizend jaar later passeert er nog altijd verkeer door dat kleine gat in de rots. Furlo komt trouwens van het Latijnse forulum, wat klein gat betekent.
Je kan de kloof eenvoudig beleven vanop de weg langs het water, maar wie wat meer tijd heeft, kan ook wandelen. Langs de Candigliano zijn er rustige stukken waar je de rotsen, het water en de dammen van dichtbij ziet.
Ook van bovenaf kan je de kloof bekijken, al vraagt dat wel een stevige inspanning richting de Terrazza del Furlo. Zeker als je de weg omhoog neemt richting de rifugio en daarna het laatste stuk te voet doet. Boven kijk je neer op de kloof en zie je pas goed hoe de rivier zich tussen de bergen heeft ingesneden.
Wie vanuit Fossombrone komt of daarna nog wat extra natuur wil meepikken, kan ook langs de Marmitte dei Giganti bij San Lazzaro. Daar heeft het water in de loop van miljoenen jaren diepe kommen en grillige vormen uitgesleten in de kalksteen van de Metauro. Vanaf de Ponte dei Saltelli heb je er al een mooi zicht op. Wie dichter bij het water wil komen, moet wat klauteren. Dat kan prachtig zijn bij droog weer, maar bij regen zou ik mijn enthousiasme toch even in de wagen laten liggen. Natte stenen en zelfvertrouwen zijn niet altijd de beste combinatie.
Cagli: een stadje dat meer in huis heeft dan je verwacht
Eerlijk gezegd hadden we onze twijfels of we Cagli zouden opzoeken. Ik had Gradara bijvoorbeeld hoger op het verlanglijstje staan, maar die plaats zou ons te ver hebben afgeleid van onze daguitstap en dus werd het alsnog Cagli. Hoewel we niet echt hoge verwachtingen hadden, werd het toch een mooie meevaller. Alleen al het onderweg zijn en de route langs de oude Via Flaminia maken het de moeite. Je wordt omringd door bergen als Monte Petrano, Monte Nerone, Monte Catria en Monte Paganuccio. Je voelt hier als het ware de berglucht.
Eens aangekomen in Cagli kan je de wagen rustig parkeren en aangenaam rondwandelen in het centrum. Zoals op zoveel plaatsen is het hoofdplein nog altijd de plek waar het dagelijkse leven passeert en waar je de stramme benen van de autorit even kan laten bekomen met een espresso doppio.
Een van de opvallendste monumenten van Cagli is de Torrione, een versterkte toren die ooit deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de stad. De toren was verbonden met de hoger gelegen rocca via een overdekte geheime doorgang met honderden treden. Alleen al dat idee maakt het verhaal van Cagli meteen wat spannender. Je ziet de stad niet alleen als rustig historisch centrum, maar ook als plek die ooit verdedigd moest worden.
Ook de Romeinse brug, de Ponte Mallio, is de moeite om op te zoeken. Ze ligt langs het oude traject van de Via Flaminia en is ondanks de eeuwen en aardbevingen nog altijd grotendeels bewaard gebleven. Je kan er in één adem een bezoek aan het Teatro Comunale aan koppelen. Dat is een mooi theater, gebouwd in de negentiende eeuw. Vooral de binnenkant is de moeite. Rode zaal, loges, hoefijzervorm, dat soort werk.
Wie liever de natuur intrekt, zit rond Cagli goed. Monte Petrano is populair voor wandelingen, picknicks en buitensporten. Monte Catria en Monte Nerone bieden nog meer mogelijkheden voor wie graag wat hoger gaat. Wandelen, fietsen of mountainbiken, keuze genoeg.
De eigenlijke reden waarom ik Cagli op onze lijst met te bezoeken plekken had geplaatst, kwam echter uit een totaal andere interesse. Hoewel we er niet waren op het moment van dat evenement en er dus ook geen deel van konden uitmaken, hoopte ik alsnog een lekker stukje vlees te vinden. De verwachtingen waren hoog, want die bouwen ze natuurlijk zelf op als ze er een heus evenement aan besteden. In juni is er immers de Grigliata in Piazza, waarbij gegrild vlees centraal staat. Een pranzo met een tagliata mocht dus niet ontbreken. Daarvoor kwamen we uit bij Il Poggio, net buiten het centrum, waar carne alla griglia en tagliata duidelijk mee op de kaart staan.
Montelupone: smullen van artisjokken
Ook in de omgeving van Macerata kan je kleine, leuke plaatsjes ontdekken. Montelupone is er zo eentje. Het is opgenomen in de lijst van I Borghi più Belli d’Italia. Het is een compacte borgo die haar verleden opvallend goed heeft bewaard. De robuuste ommuring en de vier oude toegangspoorten geven het stadje nog altijd de nodige allure. Vroeger gingen die poorten bij zonsondergang dicht en pas na zonsopkomst opnieuw open. Dit zal ongetwijfeld goed gewerkt hebben tegen ongewenste bezoekers.
Het centrale piazza vormt ook hier het hart van het stadje. Daar staat het Palazzetto del Podestà met de Torre Civica, waarop je het oudste wapenschild van Montelupone terugvindt. Daarnaast heeft het stadje enkele andere leuke verrassingen in huis, zoals het Palazzo Comunale. Hier vind je het Teatro Storico Nicola degli Angeli, een klein historisch theater dat de nodige indruk maakt. In de ondergrondse ruimtes van het Palazzo Comunale is het Museo d’Arti e Mestieri Antichi ondergebracht, waar oude werktuigen en voorwerpen tonen hoe men hier vroeger leefde en werkte.
Dat is allemaal leuk en benadrukt vooral het historisch belang van Montelupone, maar ik genoot meer door gewoon door de straatjes te wandelen. Je passeert mooie palazzi, stille hoekjes en verborgen pleintjes. Het stadje voelt verzorgd aan, zonder dat het zijn landelijke karakter verliest. Ik keek vooral of die band met het platteland ook zichtbaar werd op de lokale menukaarten. De scarciofeno is immers de trots van de stad. Het is de plaatselijke artisjok, de carciofo di Montelupone, kleiner dan veel gewone artisjokken, violetgroen van kleur, zonder stekels en zonder harige binnenkant. Hij is mals, zacht van smaak en wordt hier terecht als lokale specialiteit gekoesterd. Zie je hem ergens op de kaart staan, dan zou ik niet te lang twijfelen om hiermee kennis te maken.
Montecassiano: de charme van de ronde beweging
Vergelijkbaar met Montelupone, en eveneens in de omgeving van Macerata, ligt Montecassiano. Je zou het zomaar voorbijrijden en er geen aandacht aan besteden. Dat zou jammer zijn, want Montecassiano heeft precies dat aangename ritme waardoor het er leuk toeven is. Het historische centrum lijkt zich als een kleine kring rond zijn centrale plein te plooien. Je wandelt omhoog, draait een straatje in, daalt weer wat af en komt uiteindelijk toch opnieuw uit bij het hart van het stadje. Alle wegen mogen dan naar Rome leiden, in deze borgo van I Borghi più Belli d’Italia brengen ze je vooral terug naar die centrale plek.
Dat centrale plein wordt bepaald door het Palazzo dei Priori en de trap die omhoog voert richting Santa Maria Assunta. Struin verder door de mooie klimmende en dalende straatjes. Zoek af en toe een terrasje om wat uit te blazen en rond je bezoek af met een wandeling naar het Parco del Cerreto, net buiten de stadsmuren. Daar krijg je een mooi zicht over de omgeving. Doe vooraf wat inkopen, zoals een flesje wijn, wat salumi en een crescia sfogliata. Zoek een plekje waar je rustig kan zitten en geniet van de wijdse schoonheid.
En ook hier is er een lokale gastronomische specialiteit. Bij een bezoek moet je eigenlijk sughitti proberen, een lokale dolce die wat doet denken aan zoete polenta. Ze wordt gemaakt met maïsmeel, druivenmost, suiker en walnoten. In oktober staat sughitti centraal tijdens een dorpsfeest. Dan wordt deze zoete specialiteit volop gemaakt en geproefd. Wie er dan passeert, heeft geluk.
Recanati: de stad van de oneindigheid
We ronden onze aanraders in de omgeving van Macerata af met een bezoek aan Recanati. Het is alweer zo’n typisch stadje dat je al van ver bovenaan de heuvel ziet liggen. In Italië hebben ze het dan over een città balcone, waar je onderweg telkens beloond wordt met mooie uitzichten over het omliggende landschap. Bij helder weer kijk je van de Monti Sibillini tot richting Adriatische Zee.
Wanneer je door Recanati wandelt, kom je onvermijdelijk op Piazza Giacomo Leopardi terecht. Het standbeeld van de man naar wie het plein is genoemd staat er centraal, vlak bij de Torre del Borgo. Giacomo Leopardi is een van de grote Italiaanse dichters, schrijvers en filosofen. Hij werd hier in 1798 geboren en zijn aanwezigheid hangt nog altijd over de stad.
De heuvels rond Recanati worden ook wel de Colli dell’Infinito genoemd. Die naam verwijst uiteraard naar L’infinito, het bekendste gedicht van Leopardi. Hij liet zich inspireren door Monte Tabor en door het landschap dat zich rond Recanati uitstrekt. De eerste regel van het gedicht prijkt trots op een van de muren van Recanati. Wie wil, mag zich gerust zelf even aan een vertaling wagen.
Sempre caro mi fu quest’ermo colle, e questa siepe, che da tanta parte dell’ultimo orizzonte il guardo esclude. Ma sedendo e mirando, interminati spazi di là da quella, e sovrumani silenzi, e profondissima quiete io nel pensier mi fingo; ove per poco il cor non si spaura. E come il vento odo stormir tra queste piante, io quello infinito silenzio a questa voce vo comparando: e mi sovvien l’eterno, e le morte stagioni, e la presente e viva, e il suon di lei. Così tra questa immensità s’annega il pensier mio: e il naufragar m’è dolce in questo mare.
Een wandeling richting Colle dell’Infinito is dan ook sterk aangeraden. Daar kijk je uit over de heuvels die Leopardi mee inspireerden. Je hoeft daarom geen kenner van Italiaanse poëzie te zijn. Gewoon even blijven staan en kijken volstaat. De schoonheid van Marche zal je alweer verbazen.
En wie na al dat mijmeren opnieuw met beide voeten op de grond wil staan, zoekt een terras of een eenvoudige aperitivo. Dat mag ook. Zelfs in de stad van de oneindigheid moet een mens af en toe iets drinken.
Lago di Fiastra en Lame Rosse: eindigen tussen water en rode rotsen
Als we het over oneindigheid en Marche hebben, kunnen we niet anders dan ook de Monti Sibillini te melden. We sluiten deze tweede reeks hidden gems dan ook af in deze onwaarschijnlijk mooie omgeving. Het Nationaal Park Monti Sibillini is ongeveer 70.000 hectare groot en ligt deels in Marche en deels in Umbria. Aan de kant van Marche kiezen we voor Lago di Fiastra en Lame Rosse in het noordelijke deel van het nationaal park. Hier zijn het water, bos, rotsen en wandelschoenen de hoofdingrediënten. Een goede conditie is er een grote troefkaart.
Lago di Fiastra is een helder bergmeer dat ontstond door de bouw van een dam op de rivier Fiastrone. Het water kan er bijna onwerkelijk blauw kleuren, afhankelijk van het licht. Turkoois, donkerblauw, groenblauw, soms zelfs een beetje smaragd. Dat klinkt bizar, maar wie er ooit was, weet dat het meer effectief voortdurend van kleur lijkt te veranderen.
Je kan hier gewoon langs het water wandelen, zeker vanaf San Lorenzo al Lago richting de dam. Het pad is niet te moeilijk en geeft je onderweg mooie zichten over het meer. Wandelen minder je ding? Dan kan je er ook zwemmen, suppen, kanoën of gewoon ergens aan de oever gaan zitten en doen alsof je een zeer actieve vakantiedag hebt gepland.
Voor wie iets meer inspanning wil, is de wandeling naar Lame Rosse de echte reden om hierheen te rijden. De tocht vertrekt aan de dam van Lago di Fiastra. Je wandelt over de dam, gaat door een tunnel en klimt daarna verder door bos en langs de kloof. De route heen en terug is ongeveer zeven kilometer lang, met een hoogteverschil van ongeveer tweehonderdvijftig meter. Dat is haalbaar voor de meeste wandelaars, maar goede schoenen en voldoende water zijn geen overbodige luxe. Zeker in de zomer vertrek je beter vroeg.
Na het bos kom je in een drogere bedding terecht en dan verschijnen plots de rode rotsformaties. Lame Rosse wordt weleens de canyon van Marche genoemd. De rotsen bestaan uit grind, klei en slib en zijn door erosie uitgesleten tot spitsen, torens en grillige wanden. Rood, oker, droog en scherp afgetekend tegen de lucht.
Maak er gerust een volle dag van. Eerst vroeg wandelen naar Lame Rosse, daarna iets eten in de buurt van San Lorenzo al Lago of langs het meer. Osteria del Lago is een klassieke optie voor wie stevig wil lunchen. Wie het eenvoudiger wil houden, kan kijken of Il Solengo open is, een foodtruck aan het meer waar je broodjes en craft beer vindt. Daarna nog even het water in of gewoon met zicht op Lago di Fiastra blijven zitten.
Daar kan je nog wat turen in de verte, misschien ook een beetje denkend aan Gradara, de stop die we uiteindelijk niet opnamen omdat ze ons te ver van deze route zou brengen. Het verhaal van Paolo en Francesca, een verboden liefde die je gerust een voorloper van Romeo en Julia zou kunnen noemen, wordt traditioneel met Gradara verbonden en kreeg een onsterfelijke plaats in Dantes Inferno, Canto V.
Galeotto fu ’l libro e chi lo scrisse: quel giorno più non vi leggemmo avante.
Via de vorige artikels zal je al wel gemerkt hebben dat mijn goesting om Marche te verkennen enorm was. Thuis had ik mijn huiswerk dan ook zeer grondig gedaan en een, toegegeven, veel te lang lijstje opgemaakt van wat er allemaal bezocht moest worden.
Marche kent immers heel wat verborgen plekjes die je onverwacht raken door hun schoonheid, hun ligging of gewoon door de sfeer die er hangt. Hidden gems dus. En omdat het er zoveel zijn, splits ik ze op in twee artikels. In dit eerste deel blijven we vooral in en rond de Vallesina, het land van Verdicchio, grotten, middeleeuwse dorpen, muren en prachtige uitzichten.
Met onderweg uiteraard ruimte voor een goed glas wijn.
Genga: kalksteen, grotten en stilte
Wandelen stond uiteraard op onze lijst, al hielden we daarvoor de weersvoorspellingen nauwgezet in het oog. De temperatuur mocht niet te hoog oplopen, want een zomerse klim in Marche kan behoorlijk stevig aanvoelen. Voor onze eerste wandeltocht trokken we naar Genga, en wie Genga zegt, komt bijna vanzelf bij de Gola di Frasassi terecht.
Het dorp ligt in een landschap van kalksteen, rotswanden en nauwe doorgangen, met de rivier de Sentino die zich door de Gola di Frasassi heeft gewerkt. Die kloof werd vroeger de Gola del Sentino genoemd en is ongeveer drie kilometer lang. Aan de ene kant rijst Monte Frasassi op, aan de andere kant Monte Valmontagnana.
De grotten van Frasassi zijn natuurlijk de grote trekpleister. Terecht ook. Vooral de Abisso Ancona, de enorme eerste zaal, zet je meteen op scherp. Plots sta je in een ondergrondse ruimte waar je gevoel voor hoogte, afstand en verhouding even overhoop wordt gehaald. Stalactieten, stalagmieten en grillige kalkformaties maken het beeld compleet, maar het is vooral die combinatie van stilte, omvang en ligging in de Gola di Frasassi die indruk maakt.
Tijdens onze wandeling namen we ook het pad omhoog naar de Tempio del Valadier. Dat is geen lange afstand, maar onderschat ze niet en neem toch maar een flesje water mee. Zeker in de warmte voel je die klim wel in de benen. Je volgt het pad tussen de rotsen, met onderweg steeds mooiere zichten op de kloof en de omgeving.
Boven wordt de inspanning beloond. In de grot liggen twee heiligdommen op korte afstand van elkaar. Santa Maria infra Saxa is de oudste van de twee en ligt letterlijk onder de rotsen. De plek gaat terug op een vroegere religieuze aanwezigheid in de bergwand. Enkele meters verder staat het eigenlijke eindpunt van de wandeling: de Tempio del Valadier, gebouwd in opdracht van Annibale della Genga, de latere paus Leo XII, die zelf uit Genga afkomstig was.
De tempel ligt indrukwekkend tegen de rotswand, bijna verscholen in de grot. Je hoeft er geen uitgebreid kunsthistorisch verhaal bij te vertellen om te voelen dat dit een bijzondere plek is.
Serra San Quirico: onder de copertelle
Serra San Quirico kan je perfect combineren met een bezoek aan Genga. Het dorp ligt op een kleine 15 kilometer daarvandaan. Als je het nadert, lijkt het stevig tegen de heuvelrug genesteld. Eenmaal aangekomen merk je onmiddellijk het gesloten, middeleeuwse karakter. De naam serra verwijst trouwens naar een omsloten of moeilijk bereikbaar gebied. Het dorp is compact, overzichtelijk en bijzonder aangenaam om gewoon in rond te dwalen.
Het mooiste aan Serra San Quirico zijn zonder twijfel de copertelle. Dat zijn overdekte doorgangen in de oude stadsmuren, die vroeger gebruikt werden als verdediging en als schuilplaats. Vandaag vormen ze vooral een heerlijke wandelplek. Je loopt beschut door de muren, met telkens weer een ander uitzicht door de openingen. Het ene moment kijk je naar daken en stenen gevels, even later naar de heuvels en de vallei rondom het dorp. Het leuke is dat sommige doorgangen op verschillende niveaus liggen. Daardoor krijg je niet zomaar één rondgang, maar een klein netwerk van gangen, trappen en doorkijkjes.
Vanaf Piazza della Libertà krijg je bovendien een mooi zicht op de Valle dell’Esino, de vallei die onlosmakelijk verbonden is met Verdicchio. Je hoeft geen uren uit te trekken voor Serra San Quirico. Het is vooral een plek die mooi in een dagtrip past: even rondwandelen, de copertelle meepikken, naar de vallei kijken en daarna weer verder.
Cupramontana en Poggio Cupro: midden in Verdicchioland
Het mooie zicht op de Valle dell’Esino ruilen we in voor een plek midden in het hart van Verdicchio dei Castelli di Jesi. Als wijnliefhebber zijn er hier een paar stops die je niet mag missen. Cupramontana is er daar alvast eentje van. Het wordt gezien als de hoofdstad van Verdicchio en dat merk je al vlug. Het dorp, de heuvels, de kronkelende wegen en de rijen wijnstokken lopen mooi in elkaar over.
Parkeren doe je makkelijk langs Viale Vittoria. Van daaruit krijg je meteen een mooi uitzicht richting de Apennijnen en, bij helder weer, zelfs richting zee. Dat is typisch voor dit stuk Marche. Je staat in een wijndorp, kijkt naar de bergen en merkt tegelijk dat de Adriatische kust nooit echt ver weg is.
Je zoektocht naar een goed glas kan je best aanvatten vanuit het centrale plein. Als je goed oplet, zie je er op de grond nog de lijnen die aangeven waar vroeger huizen en steegjes stonden. Tot in de vorige eeuw was dit plein immers nog volgebouwd. Vandaag is het een open plek waar feesten, ontmoetingen en het dagelijkse dorpsleven samenkomen. Ook het rode bankje op het plein valt op. Het werd geplaatst op 8 maart, tijdens La Festa della Donna, als duidelijk signaal tegen geweld op vrouwen.
In Cupramontana moet je natuurlijk ook iets met Verdicchio doen. Daarvoor is EnoCupra de meest logische plek. In deze enoteca komen de wijnen van lokale producenten samen en kan je gericht proeven hoe Verdicchio uit Cupramontana smaakt. Als aperitivo is dit ideaal.
Wil je er lunchen, dan zou ik eerder richting Da Fiorina kijken. Deze trattoria ligt net buiten Cupramontana en maakt deel uit van het wijndomein Sparapani Frati Bianchi. Trattoria Anita is een goed alternatief voor wie gewoon zin heeft in een eenvoudige, lokale maaltijd in het dorp.
Vlak bij Cupramontana ligt Poggio Cupro, eigenlijk het kleine zusje van het dorp. Je betreedt het via een oude stadspoort en komt meteen terecht in een compacte wirwar van steegjes, muren en stille hoekjes. Poggio Cupro was ooit een versterkte kern en dat voel je nog altijd. Een bezoek neemt hooguit een kwartiertje van je tijd in, maar is wel een echte aanrader.
Staffolo: het balkon van de Vallesina
Het is logisch dat je na Cupramontana ook halt houdt in Staffolo en nadien nog Jesi zelf. Staffolo zou ik vooral aanraden als wijn je interessepunt is. Het is één van de castelli waarnaar het wijngebied is genoemd. Het dorp ligt op ongeveer 400 meter hoogte boven de Esino vallei en wordt niet toevallig het balkon van de Vallesina genoemd. Hoewel de ligging prachtig is, met dat typische heuvelachtige en golvende landschap, overgoten met wijngaarden, is de enoteca van het dorp voor mij de enige echte reden om hier halt te houden.
Vineritage, zoals de enoteca heet, is tegelijk ook een wijnmuseum. Je vindt er oude wijnwerktuigen, persen en allerlei andere vintage spullen die eigen zijn aan zo’n plek. Je ruikt er de geschiedenis van Verdicchio voor je ze nadien ook effectief in het glas krijgt. Want uiteraard kan je er ook proeven van de diversiteit van de wijnen uit de omgeving van Jesi.
Nice to know en een extra troef als je er in de juiste periode bent: in augustus wordt hier ook de Festa del Verdicchio georganiseerd, met proeverijen, muziek en ontmoetingen rond de wijn die Staffolo mee op de kaart heeft gezet. Wij waren er in juli en hebben dit dus niet kunnen meepikken. Anders stonden we daar zeker op de eerste rij. Met een glas in de hand, dat spreekt voor zich.
Jesi: de stad achter de Verdicchio
Jesi een hidden gem noemen is waarschijnlijk wat overdreven, maar als we op verkenning zijn in Verdicchioland, dan mag een bezoek aan deze stad absoluut niet ontbreken. Wel opmerkelijk is dat Jesi zelf niet één van de castelli is waarnaar het gebied is genoemd. Nu, eerlijk is eerlijk, Marche doorkruisen en Jesi links laten liggen is zonde, want de stad heeft heel wat te bieden en het is er eenvoudigweg aangenaam vertoeven.
De stad ligt op de linkeroever van de Esino en is bijzonder handig gelegen. Je zit hier tussen binnenland en kust, tussen de heuvels van Verdicchio en de richting Ancona, Senigallia of Fabriano. Je hoeft hier geen halve dag in musea te verdwijnen om de stad te waarderen. Gewoon te voet het historische centrum in, dat zal je zonder enige twijfel waarderen.
Jesi heeft nog een groot deel van haar middeleeuwse stadsmuren bewaard en dat geeft de stad meteen karakter. Binnen die muren krijg je een compact centrum met pleinen, palazzi, poorten en straatjes. Op zich heb je zelfs geen plan nodig om op ontdekking te gaan. Piazza Federico II is misschien het ideale vertrekpunt. Volgens de overlevering werd keizer Federico II hier in 1194 geboren. Gezien het belang van deze man geeft dat Jesi toch wat extra uitstraling.
Ook Piazza della Repubblica mag je niet overslaan. Het is de ideale plek om je op een terrasje te nestelen en de mensen die passeren gade te slaan. Aan te raden is om dit na 16 uur te doen, wanneer de zon wat naar de achtergrond verdwijnt en de lokale bevolking als mieren uit de grond tevoorschijn komt.
Voor wie graag wat meer wandelt, zijn de oude muren en de toegangspoorten misschien het fijnste deel van de stad. Je krijgt onderweg mooie doorkijkjes en voelt hoe Jesi vroeger als versterkte kern boven de vallei lag. Porta Valle en de omgeving rond de muren geven de stad dat beetje extra stevigheid.
Morro d’Alba: klein dorp, grote geur
Vanuit Jesi kan je perfect verder richting Morro d’Alba. Het dorp ligt op een heuvel, op korte afstand van de Adriatische kust, en is nog altijd mooi omsloten door zijn oude muren. Dit is een behapbare stop, maar wel eentje met karakter, met smalle straatjes, bakstenen gevels en kleine pleinen.
Het leukste aan Morro d’Alba is de wandeling over en langs de oude omwalling. De zogenaamde Scarpa is een overdekte rondgang die het dorp een heel eigen gezicht geeft. Je loopt er beschut rond de oude kern, met aan de ene kant het dorp en aan de andere kant het landschap. In een kwartier ben je in principe al rond.
Toch is Morro d’Alba vooral bekend door zijn wijn. Lacrima di Morro d’Alba is een van die wijnen die je blind bijna meteen herkent. De geur is uitbundig, met rozen, viooltjes, rood fruit, kruiden en soms iets dat bijna aan druivensap doet denken, maar dan met meer sérieux. Ik ga hier nog niet te veel palaveren over deze wijn, want in een later artikel zullen we er uitgebreider op terugkomen. Toch nog even dit: ook al is Morro d’Alba bekend om zijn rode Lacrima, het is tegelijk ook één van de Castelli di Jesi. Verdicchio zal je hier dus ook nog vinden.
Naast gewone wijn kom je hier ook vino di visciola tegen, een zoete wijnachtige drank op basis van rode wijn en zure kersen. Ideaal voor wie na de maaltijd nog iets kleins in het glas wil.
Wij hebben Morro d’Alba enkele keren bezocht tijdens ons verblijf omdat het, al is dat relatief in Marche, niet zo ver van ons logeeradres lag en we er een zeer aangenaam restaurantje hadden ontdekt. Osteria DeGustibus kunnen we iedereen zonder probleem aanraden. Dit restaurant ligt in het dorp zelf, in Via Roma, en past mooi bij wat de lokale keuken te bieden heeft. Er wordt mooi gewerkt met seizoensproducten en reserveren is zeer aan te raden.
Corinaldo: muren, trappen en een put vol verhalen
Voor een bezoek aan Corinaldo maakten we graag de nodige tijd. Ik had gelezen dat een bezoek aan dit dorp de moeite zou zijn, en dus was het koste wat kost dit dorp zou bezocht worden. Geen seconde heb ik het me beklaagd! Het ligt strategisch tussen Urbino en Ancona en is vooral bekend om zijn bijna volledig bewaarde middeleeuwse muren, waarover je een volledige wandeling kan maken. Goed voor 912 meter rond het dorp. Een bonus: bij helder weer kijk je zelfs tot aan Monte Conero.
Binnen die stevige muren krijg je een bijzonder charmant dorp. Het kloppend hart is La Piaggia, een brede trappartij van honderd treden, met rode bakstenen huizen die er mooi tegenaan liggen. Als je ervoor staat denk je bij jezelf: mmm, ga ik die trappen wel oplopen? Doen is mijn enige advies.
Halverwege La Piaggia hou je eigenlijk verplicht halt bij Il Pozzo della Polenta, de waterput waaraan een hele legende vasthangt. Volgens die legende kwam een man met een zware zak graan het dorp binnen. Bij de put zette hij de zak even neer om op adem te komen, maar die tuimelde naar beneden. Toen hij probeerde het graan te redden, belandde hij zelf ook in de put. Niet veel later ging het verhaal rond dat hij daar beneden rustig polenta zat te eten, gemaakt van het gevallen graan en het water uit de put. Vandaar dus Il Pozzo della Polenta.
Dit verhaal is vandaag nog steeds springlevend tijdens La Contesa del Pozzo della Polenta, een historisch feest dat op de derde zondag van juli wordt gevierd. Dan komt het verhaal opnieuw tot leven met kostuums, optochten en natuurlijk polenta.
Verder dwaal je door het rustige dorpje. Links en rechts is er altijd wel een terrasje waar je even kan neerploffen of waar je bijna een dutje kan doen, dromend van het moment dat je zelf in de waterput tuimelt met een zak graan.
Tot slot een culinaire ‘hidden gem’
Het was pas op het einde van onze reis dat we deze culinaire parel ontdekten. Ik heb even gefoeterd dat dit niet vroeger was gebeurd, want Taverna degli Archi in Belvedere Ostrense is exact wat ik zoek telkens ik in Italië ben. Een kleine osteria waar de sfeer heerlijk ongedwongen is en waar het duimen en vingers aflikken is.
Om mijn schade in te halen zijn we er liefst drie dagen op rij gaan eten. Ik kan jullie maar één ding meegeven: je bent een grote stommeling als je deze plek links laat liggen. Verwacht geen chique bedoening. Het zoontje fietst er met zijn speelgoedfietsje tussen de tafels, dat zal hij vandaag wel ontgroeid zijn, en je wordt er met een brede glimlach ontvangen.
Antonio Ciotola en Manola Mariani staan er aan het roer en hier wordt gewoonweg uitstekend gekookt. Met verve de beste carbonara ever gegeten, een tagliata di manzo tot in de perfectie en de grootste wijnen, zoals bijvoorbeeld Gaja of Tignanello, staan er, zoals wel vaker in Italië, net iets te warm in houten kistjes tegen de muur. De zever drupt uit mijn mond als ik eraan terugdenk.
Als je op ontdekking bent in Marche, dan kan je niet zomaar aan de kustplaatsjes voorbij. Nochtans ben ik zelf niet meteen het type dat een hele reeks badplaatsen wil afvinken. Eén gezien, allemaal gezien, denk ik dan al snel. In Marche maakte ik toch een uitzondering. Ik had vooraf in de boekskes immers gelezen dat je de kuststeden van Marche zeker moest bezoeken, dat er wel degelijk verschil tussen zit en dat je er al helemaal geen toestanden à la Rimini zou tegenkomen. Al blijft een Italiaan een Italiaan. Als die een strand ziet, gaat die er graag uitgebreid liggen showen. In sommige gevallen is ook dat een leuke attractie.
En dus stond er een dag kustlijn volgen op onze planning. Dat bleek achteraf wat ambitieus. Alles in één dag doen is ons niet gelukt, waardoor we later nog enkele inhaalbewegingen hebben moeten maken. We gingen van noord naar zuid en reden dus eerst helemaal terug richting San Marino, om bij Pesaro de afrit te nemen, de wagen strategisch te parkeren en daarna langzaam verder te zakken richting Abruzzo.
Pesaro, een zachte start aan zee
Pesaro is een logische halte wanneer je vanuit het noorden Marche binnenrijdt. De stad ligt mooi ingeklemd tussen de Monte San Bartolo en de Colle Ardizio. Daartussen ligt een brede kuststrook met meer dan zeven kilometer zandstrand.
Van in de verte zagen we al iets blinken aan de boulevard. We werden er naartoe gezogen. Het bleek de grote bronzen bol van Arnaldo Pomodoro te zijn, door de locals simpelweg la palla genoemd. De bal dus. De aantrekkingskracht van deze bal was terecht, want je blijft er toch langer naar kijken dan je vooraf had gedacht. Voor een verdere verkenning van de stad is Piazza del Popolo een aangenaam vertrekpunt.
Pesaro heeft twee bijnamen: città della bicicletta en città della musica. Dat laatste dankt ze vooral aan Gioachino Rossini, die hier in 1792 werd geboren. Rossini kom je in Pesaro vanzelf tegen en zijn naam duikt overal op. Zelfs wie geen operakenner is, kent wellicht Il barbiere di Siviglia, of heeft minstens het galopperende slot uit Willem Tell al eens gehoord, al was het maar in een film of tekenfilm. Rossini verliet Pesaro op jonge leeftijd, maar bleef duidelijk met de stad verbonden. Bij zijn overlijden liet hij zijn fortuin na aan de gemeente. Dat verklaart meteen waarom Pesaro hem nog altijd stevig omarmt. Zelfs op het bord, want Pizza Rossini is hier een lokale specialiteit met tomaat, mozzarella, hardgekookt ei en mayonaise.
Die bijnaam als fietsstad komt ook niet uit de lucht vallen. De stad heeft met haar Bicipolitana een uitgebreid netwerk van fietsroutes, een soort metrolijnen voor fietsers. Je beweegt er vlot mee door de stad, langs de promenade en zelfs richting Fano, als je er een heuse fietstocht van wenst te maken.
Aan tafel zit je hier goed voor verse vis, zeevruchten en een eenvoudige kustkeuken. In het glas kan je kiezen voor de lokale Colli Pesaresi, al is een frisse Bianchello del Metauro misschien nog een betere keuze bij al dat lekkers uit de Adriatische Zee. Cozza Amara is een mooie tip voor wie dicht bij de haven vis wil eten, terwijl Lo Scudiero meer geschikt is voor wie de lokale keuken wat verzorgder op het bord wil krijgen.
Fano, vissersziel en brodetto
Na Pesaro reden we verder naar Fano, la città della fortuna. De stad draagt haar geluk niet toevallig in de bijnaam. De Romeinen noemden haar Fanum Fortunae, en op Piazza XX Settembre staat de Fontana della Fortuna nog altijd mooi te wezen alsof ze daar persoonlijk toezicht op houdt.
Fano heeft een aangenaam centrum waar je door kan flaneren, een terrasje op een zonovergoten pleintje kan meepikken en de lokale specialiteit Moretta kan proeven. Deze koffiedrank met rum, brandy, anijs en citroenschil hoort bij Fano en is bijna een verplichting bij een bezoek aan de stad. Ooit bedoeld als opkikker voor vissers die wel wat warmte konden gebruiken, vandaag vooral een goede reden om even aan de toog te blijven hangen. Dat doe je het best in Caffè del Porto, ook bekend als Il Ritrovo dei Lupi di Mare. Loop daarna zeker ook even door naar de vissershaven. Die ligt vlakbij en het zou zonde zijn om ze te missen.
Naast Moretta is Fano culinair vooral bekend om zijn brodetto. Deze lokale vissoep is een stevig kustgerecht waarin de vangst van de dag de hoofdrol speelt. Bij Il Bello e la Bestia, vlak bij de vismarkt, kan je die eens gaan proeven. Ook Osteria Al 26 is een fijne naam voor wie de lokale keuken in een warme, ongedwongen sfeer wil ontdekken.
Fano is ook bekend om zijn carnaval. Het Carnevale di Fano geldt als één van de oudste carnavals van Italië en vindt plaats in de weken vóór Vastenavond, met de grote optochten meestal op drie opeenvolgende zondagen. Tijdens die optochten vliegt er niet alleen confetti door de lucht, maar ook snoep en chocolade.
Senigallia, strand met stijl
Senigallia is een beetje het Oostende van Marche, de koningin der badsteden en dus een verplichte halte langs deze kustlijn. De stad dankt haar reputatie vooral aan la spiaggia di velluto, het fluwelen strand. Dat strand ligt er breed, zacht en uitnodigend bij. Je merkt ook meteen dat het drukker bezocht is dan elders, al is er ruimte genoeg. Dertien kilometer zand, een zee waar je eindeloos ver in kan stappen en een boulevard waar je vanzelf wat trager gaat wandelen. Al komt dat laatste niet alleen door de zee. Je wordt er ook vlot afgeleid door de pronkende macho’s die voorbij paraderen. En voor alle duidelijkheid: daar bedoel ik zowel mannen als vrouwen mee.
Het bekendste beeld van Senigallia is de Rotonda a Mare. Dat ronde gebouw op het water heeft iets nostalgisch. Je ziet het vaak op foto’s over Senigallia opduiken en je merkt ook meteen waarom. Het hoort gewoon bij de stad. Vroeger was het een plek voor ontspanning en vertier, vandaag blijft het vooral een herkenningspunt aan zee.
Senigallia heeft ook een aangenaam centrum. Het Foro Annonario, de oude marktplaats met zijn zuilengalerij, is een mooie plek om even binnen te lopen. Overdag is er markt, in de zomer komt er nog meer leven bij. De rivier Misa, de bruggetjes, de terrasjes en de promenade zorgen ervoor dat de stad meer is dan strand alleen.
Aan tafel zit je hier bijzonder goed. Senigallia heeft naam gemaakt als culinaire kuststad en dat merk je. Vis, pasta met vongole, passatelli, gegrilde zeevruchten, het past allemaal bij die Adriatische sfeer. L’Angolino sul Mare, vlak bij de Rotonda, is een mooie tip voor wie met zicht op zee wil eten. Ook Trattoria Vino e Cibo en Ristorante Pagaia zijn adressen voor wie van vis houdt. Wie eerst nog wat wijninspiratie wil opdoen, loopt binnen bij Galli Enoteca, onder de Portici Ercolani. Een betere plek om tussen Verdicchio en ander lekkers uit Marche te neuzen, ga je in Senigallia niet snel vinden. In het glas ligt Verdicchio hier voor de hand.
Interessant om weten voor de echte gastronomen: Marche heeft slechts één driesterrenrestaurant en dat ligt hier gewoon aan zee, tussen haven en strand. Wie stevig wil uitpakken, kan een tafeltje reserveren bij Uliassi. Je zal er wat dieper voor in de buidel moeten tasten, maar je zal het je wellicht niet beklagen. Reken voor een menu zonder dranken op minstens 260 euro. Wil je dit combineren met een aangepaste wijnselectie met enkel Italiaanse wijnen, dan komt daar nog 160 euro bovenop.
En dan is er nog het ijs. Ik weet wel dat je in principe overal in Italië wel een speciale gelateria kan vermelden, maar Paolo Brunelli is in Senigallia een naam om te onthouden. Je kan veel uitleg geven over chocolade, pistache of gekarameliseerde hazelnoot, maar soms volstaat één goed ijsje meer dan duizend woorden.
Kort na ons bezoek kreeg Senigallia een heel andere kant te zien. De stad werd, samen met verschillende plaatsen in het hinterland, getroffen door zware overstromingen. De Misa trad buiten haar oevers en de beelden van modder en water stonden in scherp contrast met de zonnige indruk die wij er net hadden opgedaan. Gelukkig leeft Senigallia vandaag opnieuw duidelijk als kuststad.
Porto Sant’Elpidio en Porto San Giorgio, de kust van Fermo
We schuiven meer en meer op richting het zuiden. Aan de Riviera del Conero hebben we een eigen artikel gewijd en Civitanova hebben we links laten liggen. We zijn meteen doorgereden naar de kustlijn in de provincie Fermo, waar we twee stops deden in Porto Sant’Elpidio en Porto San Giorgio.
Ze liggen niet ver van elkaar en waren dus perfect te combineren. Toch voelen deze plaatsen helemaal niet hetzelfde aan. Porto Sant’Elpidio is vooral een lange, ontspannen kuststrook. Brede stranden, een promenade, veel fietsers en wandelaars, strandbars en dat zomerse kustleven dat nergens veel uitleg nodig heeft. Dit is een plaats om even uit de wagen te stappen, de benen te strekken, naar zee te kijken en te beseffen dat reizen soms ook gewoon ontspanning is.
Porto San Giorgio heeft meer uitstraling. De stad ontstond als haven van Fermo, dat vijf kilometer landinwaarts op de heuvel ligt. Dit is een badplaats met palmbomen, mooie villa’s, rechte straten, een jachthaven en een zekere mondaine sfeer. Het massatoerisme heeft hier nooit echt de plak gezwaaid en dat is maar goed ook. Daardoor blijft Porto San Giorgio aangenaam om door te wandelen, langs de haven, door de winkelstraatjes of richting zee. Bovendien zijn er genoeg restaurants waar je je tegoed kan doen aan de lokale vis en zeevruchtenfestijnen.
Cupra Marittima, kleiner en rustiger
Verder naar het zuiden zakken we af richting de Riviera delle Palme en worden de plaatsjes wat kleiner en rustiger. Cupra Marittima hoort daar helemaal bij. Palmen langs de kust, een lang strand, een fietspad richting Porto d’Ascoli en een zee die hier rustig en geleidelijk dieper wordt. Dat maakt Cupra populair bij families en tegelijk ook een aangename halte onderweg.
Cupra heeft eigenlijk twee gezichten. Beneden ligt de kustplaats, ontstaan toen de vissers het op en af wandelen naar de heuvel beu waren en dichter bij zee gingen wonen. Boven ligt Marano, de oude kern op de heuvel, met smalle straatjes en een mooi uitzicht over de Adriatische Zee. Dat doet wat denken aan Grottammare, dat we al in het artikel over Offida hebben aangehaald.
Langs zee draait alles rond wandelen, fietsen en rustig kijken naar dat lange lint van palmen. Je kan je er eenvoudigweg lekker ontspannen, de tijd nemen om een aangenaam tafeltje uit te kiezen op een mooi terras en in een boek duiken terwijl je een fles Offida Pecorino soldaat maakt. Cupra Marittima past mooi in de route als je wat meer rust opzoekt. De palmbomen, het strand en Marano krijg je er gratis bovenop als extraatje.
San Benedetto del Tronto, de zuidelijke finale
Afsluiten met de kustplaatsjes doen we helemaal in het zuiden van Marche, in San Benedetto del Tronto. Hier zit je volop aan de Riviera delle Palme. Palmen langs de boulevard, een breed zandstrand, veel beweging, strandtenten en Abruzzo dat om de hoek ligt.
San Benedetto is duidelijk groter en levendiger dan Cupra Marittima. Dit is geen kleine rustige halte meer, wel een echte badstad waar het kustleven stevig draait. In de zomer is het hier druk, maar op een heel Italiaanse manier. Families huren hun vaste parasol, kinderen krijgen hun dagelijks ijsje, nonni houden alles in het oog en de vaders schuiven aan wanneer het werk het toelaat. Il mare fa bene alla salute, zeggen ze dan. En wie ben ik om daar tegenin te gaan.
De boulevard is een attractie op zich. Vier kilometer lang kan je hier wandelen tussen de duizenden palmen die de kust een bijna exotisch gevoel geven. Voor je de boulevard opgaat, merk je het kleurrijke beeld op met de tekst Lavorare, lavorare, lavorare, preferisco il rumore del mare. Werken, werken, werken, ik verkies het geluid van de zee.
De Molo Sud mag je zeker niet overslaan. De pier is ongeveer een kilometer lang en vormt tegelijk een openluchtmuseum. Grote blokken travertijn werden er door kunstenaars omgevormd tot beelden en muurschilderingen. Je wandelt dus letterlijk tussen kunst en zee, met aan het einde het rode lichtbaken en zicht op de open Adriatische Zee. Dat is een mooie plek om even te blijven staan, zeker als je onderweg al wat te veel strandstoelen en parasols hebt gezien.
San Benedetto heeft ook een echte vissershaven met zowel grote vissersboten als kleine kleurrijke bootjes. Op de kade is er bedrijvigheid genoeg en ’s nachts wordt de haven een echte vissersverzamelplaats, waar de vangst wordt verhandeld. Dat kan je de volgende dag gewoon proeven op je bord.
Frittura di paranza, gemarineerde ansjovis, pasta met zeevruchten en natuurlijk brodetto alla sambenedettese. Dat is de lokale versie van brodetto, met verschillende soorten vis, schelpdieren en schaaldieren. Paprika en azijn geven de versie van San Benedetto haar eigen karakter. Bestel je die in een restaurant, dan meld je dat best al bij de reservatie. Anders zou je wel eens achter het net kunnen vissen met je verlangen naar deze lekkernij.
We laten de kust nu achter ons en richten ons in de volgende artikels op de parels in het binnenland.
In het rood aangeduid op mijn wishlist voor onze Marche reis stond een bezoek aan het Parco Naturale del Conero, de Conero Riviera en Le Due Sorelle. Hoewel het dus bovenaan mijn lijstje stond, heb ik het bezoek bewust niet tijdens de start van onze reis geplaatst. Je hebt dan altijd nog iets om naar uit te kijken. Het was één van de kortste verplaatsingen die we moesten maken. Monte Conero ligt immers net ten zuiden van Ancona.
Tussen Ancona en Numana rijst Monte Conero op als een markante witte kalkmassa, met kliffen, baaien, bos en dorpen die mooi in dat decor lijken te zijn neergelegd. Je merkt het vlug als je er naartoe rijdt. Het landschap krijgt al snel een ander gezicht. Alles wordt er ruwer en steiler zodra je de kaap nadert. Het Parco del Conero strekt zich uit over ruim 6.000 hectare in de zones van Ancona, Camerano, Numana en Sirolo, met een kustlijn van witte rotsen en een groen binnenland dat mee het karakter van dit gebied bepaalt.
Je kan hier gerust een volledige daguitstap van maken. Wie ten volle van de schoonheid wil genieten, inclusief wandeling en tijd op het strand van Le Due Sorelle, heeft er misschien wel twee dagen voor nodig.
Het ruwe gezicht van de kust
Ik vind het opmerkelijk hoe weinig bekend Monte Conero is wanneer je erover vertelt tegen mensen die zelf al in Marche geweest zijn. Dat is zonde natuurlijk, want het beeld van de kustlijn verandert hier helemaal. Plots krijg je steile kalkrotsen, bos, kliffen en wandelpaden, op een stuk Adriatische kust dat elders meestal veel vlakker oogt. Met zijn 572 meter is Monte Conero hier een unieke verschijning.
Geologisch ontstond Monte Conero uit mariene sedimentatie die al in het Jura begon. Pas in het Plioceen kwam de berg boven water. Het park zelf werd in 1987 opgericht om de rijkdom aan flora, fauna en cultureel erfgoed te beschermen, en dat voel je ook wanneer je er rondloopt. Wij waren er in juli en hoewel het er dan zeer warm kan zijn, is dit een heerlijke plek om rond te trekken. Er zijn verschillende goed aangeduide wandelroutes, ook voor mountainbike en paardrijden. Je merkt onderweg hoe sterk zee en landschap hier in elkaar grijpen. Achter bijna elke bocht verandert het uitzicht. Het ene moment wandel je tussen groen en kalksteen, wat later kijk je ineens uit over de Adriatische kust en sta je toch weer even stil bij die mooie vergezichten.
Passo del Lupo, volg het pad van de wolf
Als je er zin in hebt neem je best je wandelschoenen en wandelstokken mee. De Passo del Lupo is een van de bekendste wandelroutes van het park. Vanuit Sirolo, met start aan het kerkhof op ongeveer een kilometer van het centrale plein, wandel je hier over de zuidelijke kalkflanken van Monte Conero naar een uitzichtpunt dat je niet snel meer vergeet. De route volgt wandelpad 302 en is goed bewegwijzerd. De wandeling zelf is technisch niet bijzonder zwaar en het hoogteverschil blijft vrij beperkt, al vraagt het laatste stuk wel wat voorzichtigheid. Zeker wie last heeft van hoogtevrees blijft daar beter attent.
Onderweg wandel je door een afwisselend landschap van bos, kalkrotsen en mediterrane vegetatie. Geregeld trekt het uitzicht open en krijg je dat typische samenspel van groen, wit en blauw dat deze kust zo herkenbaar maakt. Na ongeveer een uur stappen bereik je het uitzichtpunt boven Le Due Sorelle. Dat is zo’n plek waar iedereen automatisch even stilvalt. Voor je ligt de besloten baai met het witte strand, het heldere water en natuurlijk de twee rotsen die als twee wachters uit zee oprijzen. Dat beeld is intussen zowat het icoon van de Conero Riviera geworden, en terecht. Het is gewoon indrukwekkend.
Sirolo en Numana, twee parels van de Riviera del Conero
Ben je niet zo’n liefhebber van avontuurlijke wandelingen, dan kan je hier ook gewoon heerlijk flaneren langs de Riviera del Conero. Hier liggen immers enkele van de mooiste kustplaatsen van Marche. Sirolo en Numana zijn dan de ideale haltes.
Sirolo is zonder twijfel een van de mooiste kustplaatsen van de Conero Riviera. Het oude middeleeuwse centrum ligt hoog boven zee en kijkt uit over een van de fraaiste stukken Adriatische kust van Marche. Je wandelt er door smalle straatjes en kleine steegjes die nog duidelijk de sfeer van het oude vestingdorp bewaren. Sirolo combineert dat historische karakter ook nog eens met de ligging aan enkele van de bekendste stranden van de streek, zoals Spiaggia Urbani, San Michele en natuurlijk Le Due Sorelle. De witte rotsen van Monte Conero duiken hier de zee in en vormen baaien en inhammen. Ook het centrale plein speelt een belangrijke rol. Dat is in de zomer echt een ontmoetingsplek, met zicht op zee, een ijsje of aperitief binnen handbereik en net genoeg leven om het gezellig te houden.
Amper een kilometer verder, en perfect te voet te doen, ligt Numana. Het hogere deel is Numana Alta. Hier voel je nog duidelijk de oorsprong van het oude vissersdorp. Alles oogt er kleiner, intiemer en wat rustiger. Van daaruit daal je via de Costarella, de oude trap die vissers vroeger gebruikten, af naar de haven. Beneden verandert de sfeer. Daar zit je dichter bij het strand, de bars, de promenade en dat typische kustleven dat in de zomer volop draait.
Le Due Sorelle, het beeld van Conero
We hebben al een paar keer verwezen naar Le Due Sorelle, het indrukwekkende visitekaartje van de regio. Die twee witte rotspunten die uit zee oprijzen voor de kust zijn intussen uitgegroeid tot een echt symbool van dit gebied. En eerlijk, dat is volkomen begrijpelijk.
Deze baai ligt voor de kust van Sirolo en officieel spreken we over Spiaggia delle Velare. Maar zowat iedereen kent ze gewoon als het strand van Le Due Sorelle. Het strand zelf bestaat uit witte kiezel, rotsachtige uitlopers en helder water. Je gaat online ongetwijfeld heel mooie foto’s van Le Due Sorelle vinden, maar in werkelijkheid maakt deze plek nog meer indruk. Vroeger kon je Le Due Sorelle ook te voet bereiken via de Passo del Lupo, maar deze toegangsweg is al geruime tijd afgesloten. Vandaag geraak je er enkel over zee, met een boot of shuttle. Je moet er dus wat moeite voor doen om deze schoonheid van dichtbij te bewonderen.
Rond Le Due Sorelle hangt ook een oude legende. Men vertelt dat in deze wateren ooit een verleidelijke sirene leefde die met haar gezang zeelieden lokte en hen vervolgens in een grot gevangen hield. Een zeedemon zou haar daarbij geholpen hebben. Volgens het verhaal werd dat monster door de goden gestraft en in steen veranderd, waarbij het in twee delen brak. Zo zouden de twee rotsen ontstaan zijn. Vergeet dus zeker je waterpistool niet om deze demonen af te schrikken.
De baai van Portonovo
Aan de noordkant van de Conero, op ongeveer 15 kilometer van Sirolo, richting Ancona, ligt Portonovo. Deze baai ligt verscholen in het groen van het Parco del Conero, helemaal tegen de flanken van Monte Conero aan, en heeft een heel eigen sfeer. Zodra je er aankomt voel je dat dit geen gewone badplaats is. Alles oogt hier natuurlijker, rustiger en ook net dat tikkeltje ruiger.
De baai zelf bestaat uit grind, stenen en helder water. Je hebt er publieke stukken strand en een aantal beach clubs, maar zelfs dan blijft het geheel vrij ongerept aanvoelen. Je zit hier midden in het groen, met de berg bijna in je rug en de zee vlak voor je. Veel dichter op elkaar kan natuur en kust bijna niet zitten.
Portonovo heeft ook nog wat extra’s. Het witte Fortino Napoleonico springt in het oog. Dat militaire verleden voel je hier nog wel een beetje. Verder ligt er ook nog de Torre Clementina, ooit gebouwd om de kust te bewaken. En uiteraard kom je in Portonovo ook voor wat er uit die zee op tafel belandt. Dan kom je automatisch uit bij een van de bekendste specialiteiten van de streek: de mosciolo di Portonovo.
Dit is een erkende en beschermde term die specifiek verwijst naar wilde mosselen die zich vasthechten aan de rotsen van Monte Conero. Ze worden niet gekweekt, maar groeien volledig natuurlijk in het heldere zeewater van dit natuurgebied. Dankzij de uitzonderlijke waterkwaliteit, die tot de zuiverste van Italië behoort, krijgen de moscioli het label ‘Categorie A’, de hoogste classificatie voor consumptieschelpdieren. In 2004 werden ze erkend als Slow Food Presidium, een eer die enkel is weggelegd voor producten met een uitgesproken identiteit en sterke regionale verankering.
We schreven er eerder al uitgebreid over. Wie er meer over wil weten, kan ook ons artikel ‘De wilde mossel van Portonovo‘ lezen.
Camerano, het kloppend hart van Rosso Conero
De wijnliefhebbers zijn misschien wat op hun honger blijven zitten maar als je ervan uitging dat er rond Monte Conero geen wijn te vinden is, dan heb je het goed fout. Camerano ligt tussen de heuvels van de Conero Riviera en wordt niet voor niets gezien als een van de echte wijnplaatsen van dit gebied. Dit is immers het hart van Rosso Conero, de rode wijn die hier al sinds 1967 een eigen DOC heeft. Sinds 2004 kreeg de riserva het DOCG statuut onder de naam Conero DOCG. Sinds 26 september 2024 zijn binnen die DOCG ook de rosé wijnen, inclusief een spumante, officieel toegelaten.
Die wijnen steunen in hoofdzaak op Montepulciano, goed voor minstens 85 procent van de blend. Voor de DOCG mag Sangiovese nog een aanvullende rol spelen, maar slechts tot maximaal 15 procent. Bij Rosso Conero DOC ligt dat iets ruimer. Ook daar moet Montepulciano minstens 85 procent halen, maar de resterende 15 procent mag bestaan uit andere niet aromatische blauwe druivenrassen die in Marche toegelaten zijn. In het glas levert dat rode wijnen op met kleur, kracht, rijp donker fruit, kruidigheid en duidelijke tannine.
Voor Rosso Conero DOC is geen verplichte rijping vastgelegd vooraleer de wijn op de markt komt. Bij Conero DOCG ligt dat anders: de riserva moet minstens twee jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. De rosato binnen de DOCG mag dan weer pas vanaf 1 januari van het jaar na de oogst in de handel worden gebracht. Voor de rosato spumante ligt het nog strikter, want die moet via een verplichte tweede gisting op fles volgens de metodo classico worden gemaakt en minstens 18 maanden op de gisten rijpen.
Het productiegebied omvat onder meer Ancona, Offagna, Camerano, Sirolo en Numana, met ook delen van Castelfidardo en Osimo. De wijngaarden liggen op de heuvels rond de kaap, waar de Adriatische Zee nooit ver weg is. Dat samenspel van reliëf, zeebries en zon geeft deze wijnen hun eigen profiel.
Staat de wijn voor je centraal, dan kan je perfect de Strada del Rosso Conero volgen. Je kan onderweg niet alleen een stop maken bij een of meerdere van de 22 wijnbouwers die hier actief zijn. Je zal ook langs de meeste plaatsen komen die we in dit artikel beschreven. Inclusief Camerano zelf, want dit dorpje is evenzeer een bezoek waard. Het dorp heeft een eigen sfeer en staat ook bekend om zijn ondergrondse gangen en ruimtes. Ook geschiedenis en cultuur zijn hier nooit ver weg. Camerano kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie en groeide in de middeleeuwen uit tot een onafhankelijk kasteel.
Culinaire tips
Tijdens je bezoek aan de Monte Conero, de Riviera del Conero of onderweg op de Strada del Rosso Conero zal je zonder moeite heel wat culinaire stops kunnen inlassen. Je kan er zelfs perfect een extra bezoek aan Ancona aan breien, waardoor de culinaire mogelijkheden nog breder gaan.
Graag geven we ter afronding van dit artikel nog enkele adressen mee waar het goed tafelen is.
In Portonovo springt Clandestino Susci Bar eruit als een van de meest uitgesproken adressen. Voor wie aan de baai een echt gastronomisch moment wil inbouwen, zit daar goed. Wie het liever iets minder uitgesproken maar nog altijd bijzonder smaakvol houdt, kan in Portonovo ook terecht bij Marcello. Iets verder van de kustdrukte, maar nog altijd helemaal in de sfeer van het gebied, is Trattoria Mafalda een adres om te onthouden.
In Sirolo is L’Officina een aanrader voor wie verfijnd wil eten in een hedendaagse setting. Wie daarnaast ook een meer verborgen adres zoekt, kan Da Silvio meenemen. Dat is zo’n plek die minder nadrukkelijk in de spotlights staat, maar net daarom extra interessant blijft.
In Numana zijn In Riva a Numana en Casa Rapisarda twee adressen om te onthouden. Het eerste mikt duidelijk op een meer gastronomische ervaring, het tweede voelt iets intiemer aan maar blijft culinair bijzonder interessant. Daarnaast zijn ook La Spiaggiola en La Torre twee mooie tips voor wie in Numana graag wat verder kijkt dan de meest voor de hand liggende namen.
Wie nog een kleine omweg wil maken buiten de directe kuststrook kan ook Andreina in Loreto meenemen. Dat is een mooie extra halte voor wie de regio graag ook via het bord verder verkent. En wil je je culinaire uitstap doortrekken tot in Ancona zelf, dan is Ginevra het Michelinsteradres van de stad. Wie liever wat minder formeel tafelt maar nog altijd bijzonder goed wil eten, kan in Ancona ook Sot’Ajarchi meenemen, dat met een Bib Gourmand in de Michelingids is opgenomen..
We zijn ondertussen gesetteld op onze basislocatie om Marche te verkennen. Een van de eerste zaken op onze agenda is het verzamelen van proviand. In ons geval is dat uiteraard lokale wijn. We zijn geen avondtoeristen, wat wil zeggen dat we er weliswaar voor zorgen dat we van la cena kunnen genieten in een leuk lokaal restaurantje, maar dat we ons nadien graag terugtrekken op het terras van onze kamer, gewapend met een stapel boeken. We openen dan een lekker flesje lokale wijn en genieten van de ondergaande zon, de rust, het lezen en uiteraard ook gewoon van het samenzijn. En dus moet er wat verscheidenheid aan wijn aanwezig zijn om, naargelang de goesting van de avond, een fles te kunnen openen.
Vermits we in Verdicchio land zitten en we van deze wijn al een mooie lokale aanvoer hebben, trekken we eropuit op zoek naar de nodige variatie. Die vinden we in Offida. Deze appellatie is voor velen een onbekende naam, en dat is toch een beetje zonde, want als ik in mijn geheugen graaf, dan kan ik me niet herinneren ooit ook maar één slechte wijn van Offida geproefd te hebben. De witte wijnen van Passerina of Pecorino, en de rode wijnen van Montepulciano, stellen dus zelden teleur.
Bovendien zitten we tegelijk in de buurt van Rosso Piceno, het grootste wijngebied van Marche, en dicht bij de zeer uitnodigende stad Ascoli Piceno. Rosso Piceno zullen we in een later artikel nog uitgebreider aan bod laten komen. Bijkomend pluspunt is dat we dit kunnen koppelen aan een bezoek bij een van onze wijndomeinen, Terra Fageto, waarvan we de wijnen al enkele jaren importeren.
We zitten met andere woorden gebeiteld voor een eerste leuke verkenningsdag in Marche. De navigatie aan en de tocht kan beginnen. Dat we de nodige kilometers zouden verrijden in Marche, was thuis tijdens de voorbereiding al duidelijk geworden. Voor vandaag betekent dat alvast een rit van een 120-tal kilometer om op onze bestemming te raken.
Offida DOCG, een kleine appellatie met veel gezichten
Zoals aangehaald zal Offida niet bij iedereen een belletje doen rinkelen, en in feite is het ook niet erg dat je dit wijngebied van 513 hectare niet meteen kent. Pas sinds 2011 hoort Offida officieel bij de DOCG gebieden. Toch is deze appellatie absoluut het ontdekken waard, want het is een van de interessantste denominaties langs de Adriatische kust. We zitten hier in het zuiden van Marche, op de grens van de provincies Ascoli Piceno en Fermo, in een landschap dat zich uitstrekt van de kuststrook tot de meer heuvelachtige zones landinwaarts. De wijngaarden liggen hier op een hoogte tussen 50 en 650 meter boven zeeniveau, en helemaal niet in één homogeen decor, maar in een gebied dat voortdurend schakelt tussen invloeden van zee en binnenland. Die invloed van de zee zal je vooral proeven in de witte wijnen, die vaak een typisch ziltig karakter vertonen.
Binnen Offida DOCG onderscheiden we drie types wijn: twee witte, Offida DOCG Pecorino en Offida DOCG Passerina, en een rode, Offida Rosso DOCG. Hoewel je hier in de praktijk meestal monocepage wijnen zal aantreffen, moet volgens de wet slechts minimum 85 procent van de vermelde druif aanwezig zijn. Pecorino en Passerina kennen een vrij beperkte verplichte rijping van een vijftal maanden en liggen dus ook vrij snel op de markt.
Dat is niet het geval voor Offida Rosso, die gemaakt wordt van Montepulciano. Deze wijn moet minstens 24 maanden rijpen, waarvan minstens 12 maanden op hout en nog eens 3 maanden op fles. Dat levert rode wijnen op met kleur, inhoud en structuur. Qua aroma’s zit je bij rood fruit, met daarnaast ook toetsen die wat rijper en dieper gaan, zoals zoethout en chocolade. In de mond heeft Offida Rosso volume, structuur en een lange afdronk.
Wijnen van Offida Passerina DOCG zijn doorgaans frisse, droge witte wijnen met een heldere strogele kleur en een profiel dat vlot toegankelijk is. Ze zijn zeer aangenaam, bijna speels, met een duidelijk floraal profiel. Ze mikken niet op kracht, wel op drinkplezier, frisheid en levendigheid. Je zal ze hier enkel in een droge en stille vorm vinden. Wil je de Passerina druif ook eens in een bruisende Spumante versie ontdekken, of kies je liever voor de zoete passito of Vin Santo kant, dan moet je vragen naar een Terre di Offida DOC.
Ook voor Offida Pecorino DOCG spreken we over droge witte wijnen. Die hebben een heel ander karakter dan de Passerina variant. Ze bezitten doorgaans net iets meer spanning en karakter. Deze druif geeft vaak wat meer body, wat meer inhoud en wat meer temperament in het glas. Bovendien heeft Pecorino iets bijzonder sympathieks, waardoor deze wijn voor een zeer breed publiek toegankelijk is.
De enoteca in Offida, verplichte halte
Je weet nu welke wijnen de appellatie te bieden heeft, maar dan volgt natuurlijk de volgende vraag: welke flessen neem je mee om er, zoals wij, later op de avond in alle rust van te genieten in de luie zetel of op het terras van de kamer? Gelukkig is er in Offida zelf een erg aangename enoteca. Je vindt die in het historische centrum, aan de Via Giuseppe Garibaldi, in een oud kloostergebouw vlak bij het hart van het dorp.
Verwacht hier geen strakke moderne wijnbar met hippe inrichting en flessen die als designobjecten staan uitgestald. Dit is eerder een charmante, wat klassieke enoteca die perfect aansluit bij het karakter van Offida zelf. Je kan er wijnen proeven, flessen kopen en je tegelijk ook wat beter oriënteren in het aanbod van de appellatie. Wie zin heeft, kan er ook iets kleins eten bij een glas wijn, eerder in de sfeer van een aperitivo of een lokale plank dan van een echte restaurantmaaltijd. Veel spectaculaire franjes hoef je er verder niet te verwachten, maar voor een wijnliefhebber is dit wel gewoon een verplichte halte.
Je kan natuurlijk ook een directe stop maken bij de lokale wijnboeren, zoals wij deden bij Terra Fageto. Ze hebben een zeer toegankelijke cantina die druk bezocht werd door zowel toeristen als lokale bewoners. Die komen er mee genieten van het brede aanbod aan wijnen dat het domein aanbiedt, waaronder ook Offida Pecorino DOCG.
Toeristische pareltjes rond Offida
De afstand die we moesten afleggen om naar de enoteca van Offida te rijden en Terra Fageto te bezoeken, is te groot om het daarbij te laten. Er valt in deze omgeving zoveel moois te ontdekken dat je er met gemak een volledige daguitstap van maakt.
Let wel, en dit geldt eigenlijk niet enkel voor Marche maar voor zowat heel Italië: tussen 14 en 16 uur valt alles er stil. Heel wat zaken zijn gesloten en veel beweging hoef je dan ook niet te verwachten. Die middagpauze wordt er bijzonder ernstig genomen en dat is toch iets anders dan wij in België gewoon zijn. Zorg dus gewoon dat je dan comfortabel in een goed restaurant zit te genieten van een lekkere pranzo.
Niet te missen ginds is alvast Ripatransone. Het is een klein dorpje dat ongeveer 15 kilometer van Offida ligt en dat overal wordt aangegeven als een van de aantrekkelijkste balkondorpjes van Marche. Wij kunnen dat enkel maar beamen. Het uitzicht is een groot deel van de aantrekkingskracht van het dorpje. Aan de ene kant kijk je richting Adriatische Zee, aan de andere kant richting de Monti Sibillini. Alleen daarvoor loont de omweg al. Geniet niet enkel van de weidse gezichten, maar slenter ook even door het dorpje, want naar het schijnt bevindt zich daar het smalste straatje van Italië. Of dat effectief overal wordt aanvaard, laat ik even in het midden, want in Italië zijn er wel meer dorpen die graag met zulke titels uitpakken.
Ook Acquaviva Picena is absoluut de moeite om nog eens 15 kilometer extra aan de trip te breien. Het dorp ligt op een heuvel, op een goede driehonderd meter hoogte, en op de weg ernaartoe zie je al van ver het indrukwekkende fort, dat zonder twijfel de grote blikvanger is van Acquaviva Picena. Het torent boven het dorp uit en bepaalt meteen ook de sfeer van de plek. Maar er is meer dan die imposante toren. In principe begint je bezoek al nog voor je echt het centrum inwandelt. Van aan de rand van het dorp krijg je al mooie zichten over de glooiende heuvels, met wijnranken en olijfbomen, en tegelijk merk je hoe dicht de Adriatische kust eigenlijk nog ligt. Het dorp zelf heeft die typische sfeer van een oude borgo waar het dagelijkse leven nog niet volledig is weggefilterd. Je wandelt er door smalle straatjes, langs stadspoorten en kleine pleinen, en je krijgt voortdurend het gevoel dat achter elke hoek weer een ander uitzicht of een nieuw detail opduikt.
En dan is er uiteraard Ascoli Piceno. Dit is de belangrijkste stad van de zuidelijke Marche en ze ligt pal op de grens met Abruzzo. Van zodra je er rondwandelt, snap je waarom deze plek zo vaak genoemd wordt als een van de mooiste steden van Marche. Het witte travertijn geeft de stad een heel eigen uitstraling, zeker op de grote pleinen, waar het licht voortdurend verandert en de gebouwen bijna lijken mee te kleuren met het moment van de dag. Piazza Arringo en Piazza del Popolo zijn daarbij de grote blikvangers. Maak zeker een stop bij Caffè Meletti, het historische café aan Piazza del Popolo. Je kan er meteen ook van de gelegenheid gebruik maken om de beroemde olive all’ascolana te proeven als aperitivo.
In de praktijk doe je de route wellicht beter anders dan we ze hierboven weergeven. Ascoli Piceno is immers de verste halte van de trip, en daar hou je dus best eerst stop. Daarna trek je naar Offida, vervolgens naar Acquaviva Picena en dan naar Ripatransone, om uiteindelijk via de kustsnelweg terug huiswaarts te keren.
Ik spreek hier bewust nog niet over de mooie kustplaatsjes die je er kan bezoeken, maar ik kan toch niet anders dan vermelden dat je op de terugweg zeker tijd moet maken om halt te houden in Grottammare. Dit is een piepklein, niet te missen kustplaatsje waar je onmiddellijk naar het hoger gelegen deel, Grottammare Alta, moet gaan. Het is onmogelijk om er urenlang in te verdwalen, want het heeft eerder een compacte oude kern van middeleeuwse straatjes en een handvol huizen. Maar precies die charme maakt het zo memorabel.
Wij hadden bovendien het geluk dat er net op het moment van ons bezoek Borgo diVino in Tour plaatsvond. Dat is een rondreizend wijnevenement dat halt houdt in verschillende mooie Italiaanse borghi. Het concept is eenvoudig: je wandelt door het historische centrum van zo’n dorp, waar verspreid stands van wijnproducenten staan opgesteld, vaak aangevuld met lokale specialiteiten, muziek en wat extra omkadering. Extra proeven en genieten was dus ook ons deel van de trip. Ga je dit jaar, in 2026, naar Marche, plan je stop in Grottammare dan van 17 tot 19 juli. Dan kan je dit evenement zelf meepikken.
Campofilone en nog een laatste weetje
Hoewel ik me moet realiseren dat ik een blog schrijf en geen boek, kan ik het toch niet laten nog wat extra’s mee te geven. Het zou zonde zijn om het niet te vermelden, want dit deel van zuidelijke Marche heeft ook nog een gastronomische troef achter de hand: Maccheroncini di Campofilone.
Campofilone ligt op een boogscheut van Pedaso, de thuisbasis van Terra Fageto. Tijdens ons bezoek nodigde Michele ons uit om samen te lunchen. Daarbij vertelde hij het verhaal van deze bijzonder fijne eierpasta, die in de omgeving een bijna iconische status heeft. De pasta is flinterdun, wordt traditioneel zonder toegevoegd water gemaakt en heeft een opvallend korte gaartijd. Bovendien heeft deze pasta een beschermde status. Maccheroncini di Campofilone IGP geldt als de enige eierpasta in Italië met een IGP erkenning, en de productiezone is strikt verbonden aan het grondgebied van Campofilone.
En of we benieuwd waren om deze pasta te proeven. Michele nam ons mee naar restaurant Cinque Ragazze in Campofilone, waar we voor onze neus Maccheroncini di Campofilone in een heerlijke cacio e pepe bereiding zagen klaarmaken. Onze borden werden flink gevuld en we hebben gesmuld van deze werkelijk subliem lekkere pasta. Noteer dus maar dat we, indien we opnieuw in de buurt zijn, daar zonder twijfel een verplichte stop zullen houden. Kleine tip voor de gastronomen onder jullie.
Om af te ronden nog een weetje dat niets met wijn of gastronomie te maken heeft, maar wel met de modewereld. De niet zo goedkope, maar zeer comfortabele Hogan schoenen, waar ik toch wel fan van ben, komen hier vandaan. Tod’s Group, het moederbedrijf van onder meer Hogan, is immers stevig verankerd in Marche. Dat ben ik pas nadien te weten gekomen, en maar goed ook. Anders hadden er misschien nog enkele extra paren van die schoenen mee in de valies huiswaarts gezeten.