Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden

In het rood aangeduid op mijn wishlist voor onze Marche reis stond een bezoek aan het Parco Naturale del Conero, de Conero Riviera en Le Due Sorelle. Hoewel het dus bovenaan mijn lijstje stond, heb ik het bezoek bewust niet tijdens de start van onze reis geplaatst. Je hebt dan altijd nog iets om naar uit te kijken. Het was één van de kortste verplaatsingen die we moesten maken. Monte Conero ligt immers net ten zuiden van Ancona.

Tussen Ancona en Numana rijst Monte Conero op als een markante witte kalkmassa, met kliffen, baaien, bos en dorpen die mooi in dat decor lijken te zijn neergelegd. Je merkt het vlug als je er naartoe rijdt. Het landschap krijgt al snel een ander gezicht. Alles wordt er ruwer en steiler zodra je de kaap nadert. Het Parco del Conero strekt zich uit over ruim 6.000 hectare in de zones van Ancona, Camerano, Numana en Sirolo, met een kustlijn van witte rotsen en een groen binnenland dat mee het karakter van dit gebied bepaalt.

Je kan hier gerust een volledige daguitstap van maken. Wie ten volle van de schoonheid wil genieten, inclusief wandeling en tijd op het strand van Le Due Sorelle, heeft er misschien wel twee dagen voor nodig.

Het ruwe gezicht van de kust

Ik vind het opmerkelijk hoe weinig bekend Monte Conero is wanneer je erover vertelt tegen mensen die zelf al in Marche geweest zijn. Dat is zonde natuurlijk, want het beeld van de kustlijn verandert hier helemaal. Plots krijg je steile kalkrotsen, bos, kliffen en wandelpaden, op een stuk Adriatische kust dat elders meestal veel vlakker oogt. Met zijn 572 meter is Monte Conero hier een unieke verschijning.

Geologisch ontstond Monte Conero uit mariene sedimentatie die al in het Jura begon. Pas in het Plioceen kwam de berg boven water. Het park zelf werd in 1987 opgericht om de rijkdom aan flora, fauna en cultureel erfgoed te beschermen, en dat voel je ook wanneer je er rondloopt. Wij waren er in juli en hoewel het er dan zeer warm kan zijn, is dit een heerlijke plek om rond te trekken. Er zijn verschillende goed aangeduide wandelroutes, ook voor mountainbike en paardrijden. Je merkt onderweg hoe sterk zee en landschap hier in elkaar grijpen. Achter bijna elke bocht verandert het uitzicht. Het ene moment wandel je tussen groen en kalksteen, wat later kijk je ineens uit over de Adriatische kust en sta je toch weer even stil bij die mooie vergezichten.

Passo del Lupo, volg het pad van de wolf

Als je er zin in hebt neem je best je wandelschoenen en wandelstokken mee. De Passo del Lupo is een van de bekendste wandelroutes van het park. Vanuit Sirolo, met start aan het kerkhof op ongeveer een kilometer van het centrale plein, wandel je hier over de zuidelijke kalkflanken van Monte Conero naar een uitzichtpunt dat je niet snel meer vergeet. De route volgt wandelpad 302 en is goed bewegwijzerd. De wandeling zelf is technisch niet bijzonder zwaar en het hoogteverschil blijft vrij beperkt, al vraagt het laatste stuk wel wat voorzichtigheid. Zeker wie last heeft van hoogtevrees blijft daar beter attent.

Onderweg wandel je door een afwisselend landschap van bos, kalkrotsen en mediterrane vegetatie. Geregeld trekt het uitzicht open en krijg je dat typische samenspel van groen, wit en blauw dat deze kust zo herkenbaar maakt. Na ongeveer een uur stappen bereik je het uitzichtpunt boven Le Due Sorelle. Dat is zo’n plek waar iedereen automatisch even stilvalt. Voor je ligt de besloten baai met het witte strand, het heldere water en natuurlijk de twee rotsen die als twee wachters uit zee oprijzen. Dat beeld is intussen zowat het icoon van de Conero Riviera geworden, en terecht. Het is gewoon indrukwekkend.

Sirolo en Numana, twee parels van de Riviera del Conero

Ben je niet zo’n liefhebber van avontuurlijke wandelingen, dan kan je hier ook gewoon heerlijk flaneren langs de Riviera del Conero. Hier liggen immers enkele van de mooiste kustplaatsen van Marche. Sirolo en Numana zijn dan de ideale haltes.

Sirolo is zonder twijfel een van de mooiste kustplaatsen van de Conero Riviera. Het oude middeleeuwse centrum ligt hoog boven zee en kijkt uit over een van de fraaiste stukken Adriatische kust van Marche. Je wandelt er door smalle straatjes en kleine steegjes die nog duidelijk de sfeer van het oude vestingdorp bewaren. Sirolo combineert dat historische karakter ook nog eens met de ligging aan enkele van de bekendste stranden van de streek, zoals Spiaggia Urbani, San Michele en natuurlijk Le Due Sorelle. De witte rotsen van Monte Conero duiken hier de zee in en vormen baaien en inhammen. Ook het centrale plein speelt een belangrijke rol. Dat is in de zomer echt een ontmoetingsplek, met zicht op zee, een ijsje of aperitief binnen handbereik en net genoeg leven om het gezellig te houden.

Amper een kilometer verder, en perfect te voet te doen, ligt Numana. Het hogere deel is Numana Alta. Hier voel je nog duidelijk de oorsprong van het oude vissersdorp. Alles oogt er kleiner, intiemer en wat rustiger. Van daaruit daal je via de Costarella, de oude trap die vissers vroeger gebruikten, af naar de haven. Beneden verandert de sfeer. Daar zit je dichter bij het strand, de bars, de promenade en dat typische kustleven dat in de zomer volop draait.

Le Due Sorelle, het beeld van Conero

We hebben al een paar keer verwezen naar Le Due Sorelle, het indrukwekkende visitekaartje van de regio. Die twee witte rotspunten die uit zee oprijzen voor de kust zijn intussen uitgegroeid tot een echt symbool van dit gebied. En eerlijk, dat is volkomen begrijpelijk.

Deze baai ligt voor de kust van Sirolo en officieel spreken we over Spiaggia delle Velare. Maar zowat iedereen kent ze gewoon als het strand van Le Due Sorelle. Het strand zelf bestaat uit witte kiezel, rotsachtige uitlopers en helder water. Je gaat online ongetwijfeld heel mooie foto’s van Le Due Sorelle vinden, maar in werkelijkheid maakt deze plek nog meer indruk. Vroeger kon je Le Due Sorelle ook te voet bereiken via de Passo del Lupo, maar deze toegangsweg is al geruime tijd afgesloten. Vandaag geraak je er enkel over zee, met een boot of shuttle. Je moet er dus wat moeite voor doen om deze schoonheid van dichtbij te bewonderen.

Rond Le Due Sorelle hangt ook een oude legende. Men vertelt dat in deze wateren ooit een verleidelijke sirene leefde die met haar gezang zeelieden lokte en hen vervolgens in een grot gevangen hield. Een zeedemon zou haar daarbij geholpen hebben. Volgens het verhaal werd dat monster door de goden gestraft en in steen veranderd, waarbij het in twee delen brak. Zo zouden de twee rotsen ontstaan zijn. Vergeet dus zeker je waterpistool niet om deze demonen af te schrikken.

De baai van Portonovo

Aan de noordkant van de Conero, op ongeveer 15 kilometer van Sirolo, richting Ancona, ligt Portonovo. Deze baai ligt verscholen in het groen van het Parco del Conero, helemaal tegen de flanken van Monte Conero aan, en heeft een heel eigen sfeer. Zodra je er aankomt voel je dat dit geen gewone badplaats is. Alles oogt hier natuurlijker, rustiger en ook net dat tikkeltje ruiger.

De baai zelf bestaat uit grind, stenen en helder water. Je hebt er publieke stukken strand en een aantal beach clubs, maar zelfs dan blijft het geheel vrij ongerept aanvoelen. Je zit hier midden in het groen, met de berg bijna in je rug en de zee vlak voor je. Veel dichter op elkaar kan natuur en kust bijna niet zitten.

Portonovo heeft ook nog wat extra’s. Het witte Fortino Napoleonico springt in het oog. Dat militaire verleden voel je hier nog wel een beetje. Verder ligt er ook nog de Torre Clementina, ooit gebouwd om de kust te bewaken. En uiteraard kom je in Portonovo ook voor wat er uit die zee op tafel belandt. Dan kom je automatisch uit bij een van de bekendste specialiteiten van de streek: de mosciolo di Portonovo.

Dit is een erkende en beschermde term die specifiek verwijst naar wilde mosselen die zich vasthechten aan de rotsen van Monte Conero. Ze worden niet gekweekt, maar groeien volledig natuurlijk in het heldere zeewater van dit natuurgebied. Dankzij de uitzonderlijke waterkwaliteit, die tot de zuiverste van Italië behoort, krijgen de moscioli het label ‘Categorie A’, de hoogste classificatie voor consumptieschelpdieren. In 2004 werden ze erkend als Slow Food Presidium, een eer die enkel is weggelegd voor producten met een uitgesproken identiteit en sterke regionale verankering.

We schreven er eerder al uitgebreid over. Wie er meer over wil weten, kan ook ons artikel ‘De wilde mossel van Portonovo‘ lezen.

Camerano, het kloppend hart van Rosso Conero

De wijnliefhebbers zijn misschien wat op hun honger blijven zitten maar als je ervan uitging dat er rond Monte Conero geen wijn te vinden is, dan heb je het goed fout. Camerano ligt tussen de heuvels van de Conero Riviera en wordt niet voor niets gezien als een van de echte wijnplaatsen van dit gebied. Dit is immers het hart van Rosso Conero, de rode wijn die hier al sinds 1967 een eigen DOC heeft. Sinds 2004 kreeg de riserva het DOCG statuut onder de naam Conero DOCG. Sinds 26 september 2024 zijn binnen die DOCG ook de rosé wijnen, inclusief een spumante, officieel toegelaten.

Die wijnen steunen in hoofdzaak op Montepulciano, goed voor minstens 85 procent van de blend. Voor de DOCG mag Sangiovese nog een aanvullende rol spelen, maar slechts tot maximaal 15 procent. Bij Rosso Conero DOC ligt dat iets ruimer. Ook daar moet Montepulciano minstens 85 procent halen, maar de resterende 15 procent mag bestaan uit andere niet aromatische blauwe druivenrassen die in Marche toegelaten zijn. In het glas levert dat rode wijnen op met kleur, kracht, rijp donker fruit, kruidigheid en duidelijke tannine.

Voor Rosso Conero DOC is geen verplichte rijping vastgelegd vooraleer de wijn op de markt komt. Bij Conero DOCG ligt dat anders: de riserva moet minstens twee jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. De rosato binnen de DOCG mag dan weer pas vanaf 1 januari van het jaar na de oogst in de handel worden gebracht. Voor de rosato spumante ligt het nog strikter, want die moet via een verplichte tweede gisting op fles volgens de metodo classico worden gemaakt en minstens 18 maanden op de gisten rijpen.

Het productiegebied omvat onder meer Ancona, Offagna, Camerano, Sirolo en Numana, met ook delen van Castelfidardo en Osimo. De wijngaarden liggen op de heuvels rond de kaap, waar de Adriatische Zee nooit ver weg is. Dat samenspel van reliëf, zeebries en zon geeft deze wijnen hun eigen profiel.

Staat de wijn voor je centraal, dan kan je perfect de Strada del Rosso Conero volgen. Je kan onderweg niet alleen een stop maken bij een of meerdere van de 22 wijnbouwers die hier actief zijn. Je zal ook langs de meeste plaatsen komen die we in dit artikel beschreven. Inclusief Camerano zelf, want dit dorpje is evenzeer een bezoek waard. Het dorp heeft een eigen sfeer en staat ook bekend om zijn ondergrondse gangen en ruimtes. Ook geschiedenis en cultuur zijn hier nooit ver weg. Camerano kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie en groeide in de middeleeuwen uit tot een onafhankelijk kasteel.

Culinaire tips

Tijdens je bezoek aan de Monte Conero, de Riviera del Conero of onderweg op de Strada del Rosso Conero zal je zonder moeite heel wat culinaire stops kunnen inlassen. Je kan er zelfs perfect een extra bezoek aan Ancona aan breien, waardoor de culinaire mogelijkheden nog breder gaan.

Graag geven we ter afronding van dit artikel nog enkele adressen mee waar het goed tafelen is.

In Portonovo springt Clandestino Susci Bar eruit als een van de meest uitgesproken adressen. Voor wie aan de baai een echt gastronomisch moment wil inbouwen, zit daar goed. Wie het liever iets minder uitgesproken maar nog altijd bijzonder smaakvol houdt, kan in Portonovo ook terecht bij Marcello. Iets verder van de kustdrukte, maar nog altijd helemaal in de sfeer van het gebied, is Trattoria Mafalda een adres om te onthouden.

In Sirolo is L’Officina een aanrader voor wie verfijnd wil eten in een hedendaagse setting. Wie daarnaast ook een meer verborgen adres zoekt, kan Da Silvio meenemen. Dat is zo’n plek die minder nadrukkelijk in de spotlights staat, maar net daarom extra interessant blijft.

In Numana zijn In Riva a Numana en Casa Rapisarda twee adressen om te onthouden. Het eerste mikt duidelijk op een meer gastronomische ervaring, het tweede voelt iets intiemer aan maar blijft culinair bijzonder interessant. Daarnaast zijn ook La Spiaggiola en La Torre twee mooie tips voor wie in Numana graag wat verder kijkt dan de meest voor de hand liggende namen.

Wie nog een kleine omweg wil maken buiten de directe kuststrook kan ook Andreina in Loreto meenemen. Dat is een mooie extra halte voor wie de regio graag ook via het bord verder verkent. En wil je je culinaire uitstap doortrekken tot in Ancona zelf, dan is Ginevra het Michelinsteradres van de stad. Wie liever wat minder formeel tafelt maar nog altijd bijzonder goed wil eten, kan in Ancona ook Sot’Ajarchi meenemen, dat met een Bib Gourmand in de Michelingids is opgenomen..

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche

De wilde mossel van Portonovo

Er is geen twijfel mogelijk: ook jullie hebben het vast gelezen in zowat elke krant van vorige week. Het mosselseizoen is officieel geopend. Bij ons betekent dat maar één ding: de Zeeuwse mosselen zijn terug van weggeweest, en de verleiding van een dampende pot vol schelpjes lonkt alweer. Toch laat ik de starthype graag aan mij voorbijgaan. Ik wacht liever nog een maandje, want met een beetje extra geduld worden de mosseltjes alleen maar beter.

Mosselen zijn lang niet uitsluitend een Belgische aangelegenheid. Dat klinkt misschien vreemd, want ze zijn hier mateloos populair, maar het merendeel komt gewoon uit Nederland. Aan onze eigen kust worden ze slechts op kleine schaal gekweekt.

Wat velen niet weten, is dat ook Italië een rijke mosselcultuur heeft. De mosselen die je daar aantreft zijn niet te vergelijken met de onze, maar verdienen absoluut hun plek op tafel. Hoewel de mossel vooral schittert in de keuken van Puglia, vind je haar langs vrijwel de hele kustlijn: van de Golf van La Spezia tot diep in de Adriatische wateren.

In dit artikel neem ik je mee naar de regio Marche, waar we tijdens een reis de bijzondere mosselen van Portonovo leerden kennen: de wilde Moscioli Selvatici, met een karakter dat even uitgesproken is als het landschap waarin ze groeien.

Portonovo en zijn mosselcultuur

Rijd je zuidwaarts langs de Adriatische kust van Le Marche, dan verandert het landschap abrupt na Ancona. De Riviera del Conero verschijnt als een grillige onderbreking van de eindeloze zandstranden, waar kalkstenen kliffen zich met bruuske elegantie in de zee storten. Le Due Sorelle, twee rotspunten die trots uit het water rijzen, heten je welkom in een ongerept stukje kust. Te midden van dit decor ligt de baai van Portonovo, een plek die niet alleen visueel indruk maakt, maar ook culinair. Hier leeft een van de meest unieke mosselsoorten van Italië: de Mosciolo Selvatico di Portonovo.

In het Italiaans spreekt men van cozze wanneer het over mosselen gaat, maar hier in de streek rond Ancona gebruikt men een ander woord: moscioli. Het is een erkende en beschermde term die specifiek verwijst naar wilde mosselen die zich vasthechten aan de rotsen van de Monte Conero. Ze worden niet gekweekt, maar groeien volledig natuurlijk in het heldere zeewater van dit natuurgebied. Dankzij de uitzonderlijke waterkwaliteit, die tot de zuiverste van Italië behoort, krijgen de moscioli het label ‘Categorie A’, de hoogste classificatie voor consumptieschelpdieren. In 2004 werden ze erkend als Slow Food Presidium, een eer die enkel is weggelegd voor producten met een uitgesproken identiteit en sterke regionale verankering.

De vangst van deze mosselen is geen eenvoudige klus. De Cooperativa Pescatori Portonovo beheert het gebied waar ze worden geoogst, van La Trave, een lange, smalle rots die zich een kilometer de zee in uitstrekt, tot aan de Scogli delle Due Sorelle bij Sirolo. Hier zorgen de zuivere stroming, het rijke voedselaanbod en de grillige rotskust voor mosselen met een uitgesproken smaak, rijk aan Omega 3 en met een subtiele zoetheid die verschilt van de Belgische of Nederlandse varianten. De vissers vertrekken vroeg in de ochtend, vaak al om vier uur, gewapend met een hark die aan de arm bevestigd wordt en een net dat via een eenvoudige lier omhooggehaald wordt. Ze duiken zonder zuurstofflessen, slechts met een slang verbonden aan de boot, en schrapen de moscioli met het lichaam dicht tegen de rotsen gedrukt. Het is zwaar, intens werk dat enkel door een handvol boten wordt uitgevoerd.

Ben je in Portonovo, ga dan zeker op zoek naar de vissershut van Sandro Stecconi. Hij bouwde ze in de jaren vijftig, pal aan het water, samen met enkele vrienden. Vandaag is het een van de laatste overgebleven hutten in de baai, een stille getuige van een visserscultuur die langzaam verdwijnt. In de jaren zeventig lagen hier nog tachtig boten voor anker, nu zijn er amper vijf. De fysieke belasting van het werk, de lage opbrengsten en de concurrentie van goedkopere geïmporteerde cozze maken het voortbestaan van deze lokale praktijk onzeker. Toch leeft de mosciolo voort in de restaurants van de baai, waar hij trots op de kaart prijkt, of bij de coöperatieve naast restaurant Emilia, het historische etablissement dat als eerste deze mosselen serveerde aan de elite van Ancona die er per boot arriveerde. Tijdens het jaarlijkse festival Mosciolando, dat plaatsvindt in het derde weekend van juni, komt het hele dorp samen om de mossel te vieren. Eenvoudige bereidingen op een oud gasvuur, niets meer dan water, zout en mosselvocht, vergezeld van een glas Verdicchio uit Staffolo, tonen hoe weinig er nodig is om groots te smaken.

Toch blijft dit verhaal grotendeels onder de radar. Hoewel moscioli intussen ook hun weg vonden naar enkele restaurants in Milaan en Rome, blijft de productie vooral lokaal verankerd. De meeste Italianen hebben er zelfs nog nooit van gehoord. Niet uit keuze, maar uit noodzaak. De schaal is bescheiden en het werk intensief. Kennis van de zee, fysieke inzet en een zekere koppigheid zijn onmisbaar. Voor jonge mensen die moeten kiezen tussen een stabiel leven aan land of urenlange duikarbeid in de vroege ochtend, zonder garantie op inkomen, is het geen voor de hand liggende keuze.

De wilde mossel vs de gekweekte

Waar Noord-Europa zijn mosselen kweekt op uitgestrekte zeepercelen met gecontroleerde omstandigheden, laat de Mosciolo Selvatico di Portonovo zich niet temmen. Hij groeit waar hij wil, hecht zich aan rotsen waar de stroming het sterkst is, en laat zich enkel oogsten wanneer de zee dat toelaat. Deze wilde mosselsoort is strikt beschermd en wordt met de hand geoogst, duikend langs de steile wanden van de Monte Conero. Machines komen er niet aan te pas, noch artificiële voedering of rotatie van kweekzones.

Waar gekweekte mosselen worden verplaatst van zaadpercelen naar groeizones en vaak binnen twee jaar op tafel liggen, volgt de mosciolo een vrijer maar grilliger pad. Wat je krijgt, is een mossel met karakter: een schelp die getuigt van strijd met de elementen, en mosselvlees dat zich voedde met precies wat de zee op die plek en op dat moment te bieden had. Het resultaat is een smaak die zilt en mineraal aanvoelt, met een vleug jodium en een volle, bijna nootachtige intensiteit.

Wie beide mossels naast elkaar proeft, merkt het verschil meteen. Niet beter of slechter, maar anders. De ene is betrouwbaar, de andere eigenzinnig. De ene voedzaam, de andere verrassend gelaagd. Het is een verschil dat niet in woorden valt te vatten, maar dat zich pas echt laat begrijpen met een bord voor je neus. Bestel dus gerust een dampende pot Mosciolo Selvatico di Portonovo bij je bezoek aan Ancona of omgeving, en proef het zelf.

Culinair genot

De Italiaanse keuken begrijpt als geen ander dat eenvoud geen gebrek is, maar een troef. Zeker wanneer het gaat om een ingrediënt dat op zichzelf al zo uitgesproken is als de Mosciolo Selvatico di Portonovo. Geen zware sauzen, geen culinaire kapriolen, maar pure bereidingen die de natuurlijke smaak versterken, niet verdoezelen.

Langs de kustlijn van Ancona tot Numana verschijnen moscioli in de zomer op vrijwel elk bord. Vaak gegrild, met een scheutje olijfolie, peterselie en niets meer dan een beetje citroen om het jodium en de ziltigheid nog net iets levendiger te maken. Wie het traditioneel aanpakt, serveert ze a crudo, geopend met een mes en overgoten met enkele druppels citroensap en olie. Fris, eerlijk en oprecht.

Er zijn ook variaties voor wie het iets voller mag. Zo worden de schelpen soms even op de grill gelegd en warm geserveerd met geroosterd brood, perfect om het opgevangen vocht – het goud van de schelp – tot de laatste druppel op te nemen. In de vissershutten vind je ook moscioli arrosto, geroosterd boven open vuur, of verwerkt in een eenvoudige tomatensaus voor bij pasta. Een stevige pasta zoals scialatielli, kort en dik gesneden, vangt de smaken perfect op.

Soms kom je ook de naam moscioli alla tarantina tegen, al is dat eerder een zuiderse interpretatie waarbij tomatenpuree een hoofdrol speelt. Lokale vissers geven doorgaans de voorkeur aan rauw of licht gegaard, net zolang tot de schelpen zich openen. Daarna nemen olijfolie, look, peterselie en citroen het over.

Een van de meest geliefde bereidingen is Moscioli di Portonovo alla marinara. Dit gerecht wordt zowel warm als koud geserveerd en doet het uitstekend als voorgerecht of lichte lunch. De bereiding is eenvoudig, de smaak allesbehalve.

Moscioli di Portonovo alla marinara

Ingrediënten
1,5 kg moscioli
1 citroen
1 teentje knoflook
3 eetlepels extra vergine olijfolie
een handvol verse peterselie
zwarte peper naar smaak

Bereiding
Spoel de moscioli zorgvuldig schoon door ze stevig tegen elkaar te wrijven.
Doe ze vervolgens in een grote pot met een bodempje water, dek af en laat ze op middelhoog vuur net lang genoeg garen tot ze opengaan.
Verwijder het bisso (de ‘baard’) en haal één helft van de schelp weg.
Filter het kookvocht met een fijne zeef en een gaasje om eventuele zandresten te verwijderen.
Pers het sap van een halve citroen en snijd de andere helft in kleine stukjes.
Hak de knoflook en de peterselie fijn.
Schik de mosselen op een schaal, bedruppel ze met het gezeefde kookvocht en werk af met het citroensap, de olijfolie, peterselie, knoflook, de stukjes citroen en een snuifje zwarte peper.

Serveer ze lauw of gekoeld en wat geroosterd brood.

Afsluiten doen we met een passende wijn!

Afsluiten doen we met uiteraard een passende wijn. Een pintje bij de mosselen? Dat laten we met plezier aan de Belgen. De Mosciolo vraagt om iets anders. Iets met frisheid, zuren en een lichte zilte toets die aansluit bij zijn maritiem karakter. Kortom: een glas witte wijn waarin je het kustlandschap van Le Marche subtiel herkent.

De klassieker in de regio blijft natuurlijk Verdicchio dei Castelli di Jesi, fris en floraal, of de iets strengere en mineralere Verdicchio di Matelica, die iets hoger en koeler groeit en daardoor net wat nerveuzer is in het glas. Deze wijnen combineren moeiteloos met de zilte intensiteit van de moscioli, zeker bij bereidingen a crudo of kort gestoomd met wat citroen.

Maar Le Marche biedt meer dan alleen Verdicchio. Wie de streek iets verder wil verkennen, komt uit bij Offida Pecorino, een wijn met meer structuur en een kruidige ondertoon die mooi overeind blijft bij gegrilde mosselen of rijkere sauzen. Iets lichter en speelser, maar niet minder karaktervol, is Passerina: zacht aromatisch, levendig in zuren en perfect als begeleider van koude bereidingen zoals moscioli alla marinara.

Wie het buiten de regio zoekt, kan kiezen voor een Vermentino uit Ligurië of Sardinië, strak en kruidig tegelijk. Of een Etna Bianco, voor wie houdt van spanning en vulkanische flair. En wie het liever laat sprankelen in het glas: een Franciacorta Brut Nature of een elegante Metodo Classico uit Trentino biedt sprankeling zonder de smaak van de zee te overstemmen.

Worden de bereidingen complexer, met toevoeging van tomaten, look, bottarga of zelfs wat ‘nduja, dan mag je ook je glas aanpassen. Kies dan voor een wijn met wat meer vulling en diepgang: een Fiano di Avellino, een Greco di Tufo, Soave Classico of een Lugana Superiore doen het uitstekend. Ze blijven wit, maar durven tegen een duwtje.

De regel is eenvoudig: hoe puurder de bereiding, hoe frisser en strakker de wijn. En hoe meer je toevoegt in de pot, hoe ronder het glas mag zijn. Maar of je nu eindigt met een Verdicchio of een Pecorino, als de mosciolo goed is en de wijn eerlijk, dan zit je altijd goed. Zoals zo vaak in Italië, komt het uiteindelijk neer op balans.