Hagel in de wijngaard: schade, herstel en bescherming

Het is begin april wanneer we aan dit artikel beginnen. Binnen enkele weken kijken heel wat wijnbouwers opnieuw met argusogen naar de weerberichten. Niet zonder reden. De stevige hagelbuien waarmee we de voorbije jaren almaar vaker geconfronteerd worden, kunnen in enkele minuten een wijngaard zwaar toetakelen. Wie de berichten uit het voorjaar van de laatste jaren erbij neemt, merkt al snel dat de invloed van hagel op de wijnbouw veel groter is geworden en in sommige periodes echt cruciaal is.

Hagel blijft dan ook een van de meest gevreesde fenomenen in de wijngaard. Dat was vroeger al zo, en dat is vandaag niet anders. Alleen is de manier waarop wijnbouwers ermee omgaan grondig veranderd. Hagel ontstaat in krachtige onweerscellen waarin waterdruppels door opstijgende luchtstromen herhaaldelijk bevriezen en aangroeien, tot ze uiteindelijk als ijsklompen naar beneden vallen. Voor een wijngaard vol jong en kwetsbaar groen weefsel is dat zowat het laatste wat je wil zien aankomen.

Met de alsmaar grilligere weersomstandigheden van de voorbije jaren is dit onderwerp relevanter dan ooit. De wijnbouwer volgt de weersmodellen dan ook met de nodige onrust op, in de hoop dat zijn wijngaard bij dreigend noodweer buiten schot blijft.

Hagelschade, vandaag maar ook morgen

Wie hagel enkel bekijkt als een risico op wat beschadigde trossen, onderschat grondig wat er in de wijngaard kan gebeuren. De impact hangt sterk af van het moment waarop de bui toeslaat. Vroeg in het seizoen worden vooral jonge scheuten, bladeren en bloeiwijzen geraakt. Dat zorgt voor direct verlies van groen weefsel, voor wonden op de plant en voor een verzwakking van de hele vegetatieve opbouw. De wijnstok verliest bladoppervlak, wordt gevoeliger voor infecties en ziet zijn groeicyclus fors verstoord.

Op dat moment is er gelukkig wel nog een zeker herstelpotentieel. Gezonde volwassen wijnstokken kunnen zich verrassend goed herpakken, omdat secundaire of latente knoppen opnieuw kunnen uitlopen. Dat betekent dat een vroege hagelbui, hoe hard die ook aankomt, nog ruimte laat om opnieuw functioneel blad op te bouwen en een deel van het seizoen te redden.

Complexer wordt het tussen bloei en vruchtzetting, doorgaans van juni tot in juli. In die periode raakt hagel vaak tegelijk het bladerdek en de jonge trossen. De hergroei verloopt minder gelijkmatig en het opbrengstverlies loopt sneller op. Slaagt de plant erin opnieuw voldoende functioneel blad op te bouwen, dan kan zij nog reserves aanleggen die nodig zijn voor het volgende seizoen. Lukt dat onvoldoende, dan blijft de schade langer doorwerken dan alleen in het lopende jaar.

Nog gevoeliger wordt het na de verkleuring van de druiven, meestal vanaf augustus, en in de aanloop naar de oogst. Dan zijn de bladeren de motor van de rijping en van de reserveopbouw in stam en wortels. Als in die fase een groot deel van het bladerdek verloren gaat, vertraagt de rijping en komt ook de knopvruchtbaarheid van het volgende jaar onder druk te staan. Tegelijk zijn het dan vooral de trossen zelf die zwaar lijden. Bessen kunnen kneuzen, openscheuren, beginnen rotten of gewoon voortijdig afvallen.

Daar zit net de angel in de schade die hagel kan aanrichten. De schade is zichtbaar in volume, in kwaliteit en kan zelfs gevolgen hebben voor de volgende jaren. Zware schade kan de reserves van de plant aantasten en de basis leggen voor een zwakker volgend jaar. Wie meerdere jaren na elkaar met stevige hagelschade te maken krijgt, ziet soms ook de algemene veerkracht van een perceel afnemen.

De eerste dagen na de bui

Is de wijngaard getroffen door een hagelbui, weet dan dat de eerste 24 tot 48 uur nadien vaak doorslaggevend zijn. Net in dat korte tijdsvenster moet duidelijk worden hoe zwaar de schade werkelijk is, waar snel ingrijpen nodig is en welke delen van de plant nog levensvatbaar zijn. Bij warm en vochtig weer kan een wijnstok vrij snel opnieuw beginnen uitlopen, waardoor de schade aan scheuten, vaatweefsel of blijvend hout minder zichtbaar wordt dan ze werkelijk is. Tegelijk stijgt vanaf dat moment ook het risico op infecties via open wonden. Daarom volstaat een snelle blik op een gehavend perceel niet.

Voor een goede evaluatie moet de wijnbouwer kijken naar afgebroken toppen, beschadigde bladstelen, gekneusde of opengebarsten bessen en vooral ook naar letsels aan stam of dragende ranken. Net daar zit soms schade die op het eerste gezicht minder spectaculair oogt, maar later veel zwaarder kan doorwegen.

Wie voor dergelijke schade verzekerd is, weet bovendien dat ook de eerste foto’s cruciaal kunnen zijn om een mogelijk financieel verlies later nog te verhalen via die polis.

Dan is het heropbouwen geblazen. Beschadigde percelen vragen snelle wondzorg, opvolging van het bladerdek en een nuchtere inschatting van wat nog levensvatbaar is. Het doel is dubbel: zoveel mogelijk van de huidige oogst redden waar dat nog zinvol is, en tegelijk de architectuur en de reserves van de wijnstok beschermen voor het volgende seizoen.

Als dit fenomeen zich enkele jaren na elkaar herhaalt, is het trouwens niet alleen een technische en economische belasting, maar ook een mentale. Niet elke wijnbouwer is actief in een economisch bijzonder rendabel gebied zoals Barolo, Brunello, Bourgogne of Champagne, waar een deel van de schade makkelijker kan worden opgevangen via hogere prijzen. Voor veel andere wijnboeren ligt dat compleet anders. Daar kan herhaalde hagelschade het voortbestaan van het domein echt onder druk zetten.

Herstel vraagt gericht sturen

Dat de wijnstok een opmerkelijk stukje natuur is, weten we al langer. Bovendien beschikt hij over een sterk herstelvermogen. Zelfs na zware bladschade kan hij via nieuwe scheuten en lateralen opnieuw fotosynthese opbouwen. Daardoor kan bij een goede opvolging soms nog een deel van de productie gered worden en kan de plant opvallend veel van haar functie herstellen.

Toch leert de logica ons ook dat beschadigd vaatweefsel niet zomaar weer dichtgroeit alsof er niets gebeurd is. Wonden worden afgegrendeld en overgroeid, maar niet echt ongedaan gemaakt. Hoe goed dat proces verloopt, hangt af van de energiereserves van de plant, van de keuzes die de wijnbouwer maakt en van de omstandigheden na de bui.

Een belangrijk onderdeel van dat herstel is strategisch snoeien. Bij zwaar beschadigde groene scheuten is het vaak verstandiger om terug te snoeien tot dicht bij de basis van de scheut, zodat de energie naar sterke en goed geplaatste nieuwe uitloop gaat. Zulke hergroei is doorgaans veel bruikbaarder voor de opbouw van het volgende seizoen dan zwakke lateralen die ontstaan wanneer men half beschadigde scheuten ergens in het midden terugknipt.

Half beschadigde scheuten laten staan lijkt soms geruststellend, omdat er nog iets groen hangt, maar in de praktijk levert dat vaak rommelige en weinig bruikbare hergroei op. Doelgericht terugwerken naar een sterke basis geeft de wijnstok meer kans om opnieuw orde in zijn vegetatie te brengen. Wanneer ook ranken of stam schade vertonen, wordt het ernstiger. Zeker bij jonge wijnstokken kan het dan nodig zijn om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden. Dat is soms gewoon de verstandigste keuze op lange termijn, hoe ingrijpend die beslissing ook is.

Ook voeding en waterbeheer vragen na hagelschade meer finesse dan kracht. Er bestaat soms de neiging om de wijnstok na zulke schade te willen overbehandelen: veel voeding, veel stimulans, veel goede bedoelingen. Alleen werkt het zo niet helemaal. Overmatig gebruik van stikstof kan leiden tot te uitbundige vegetatieve groei, en daar is de plant lang niet altijd mee geholpen. Wat nodig is, is zoals steeds evenwicht. Een verzorgde ondersteuning van de plant, met aandacht voor weefselsterkte en wondheling, is meestal verstandiger dan een groeispurt proberen forceren.

Hetzelfde geldt voor waterbeheer. De wijnstok moet functioneel blijven, maar overmatige stimulering van laterale groei helpt niet altijd. De bedoeling is niet om zoveel mogelijk nieuw groen te produceren, wel om de plant opnieuw stabiel en werkbaar te krijgen.

Wonden, infecties en de invloed op kwaliteit

Hagelwonden vergroten het risico op infecties, en die hebben op hun beurt hun invloed op de uiteindelijke kwaliteit in het glas. Vooral bij beschadigde bessen kan rot zich snel ontwikkelen. Ernstig getroffen trossen verwijderen is dan vaak gewoon noodzakelijk, liefst zo snel mogelijk, zodat de kans op verdere aantasting niet toeneemt.

Zelfs wanneer rot uitblijft, blijft beschadigd fruit een risico voor de uiteindelijke wijnkwaliteit. Ongelijkmatige rijping, verlies aan frisheid of minder zuivere aroma’s kunnen later mee het gevolg zijn wanneer te veel geraakt fruit toch in de oogst terechtkomt. Extra frustrerend voor onze wijnbouwer uiteraard. Je bent dan al blij dat er nog iets te oogsten valt, om vervolgens te merken dat ook de homogeniteit van het fruit onder druk staat.

Daarnaast schuilt er nog een minder zichtbaar gevaar in houtwonden. Beschadigingen aan blijvend hout kunnen later toegangspoorten worden voor houtziekten (zoals eutypa, botryosphaeria of esca). Net daarom vraagt schade aan stam of blijvend hout een propere en doordachte aanpak. Loshangend of zwaar beschadigd weefsel moet netjes worden weggewerkt, gereedschap hoort ontsmet te zijn en ook in de wijngaard laat je beschadigd materiaal best niet zomaar liggen. Is de stam echt gespleten of lijkt het blijvende hout zwaar geraakt, dan is het op langere termijn vaak verstandiger om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden, dan te rekenen op volledig herstel van zwaar beschadigd hout.

Preventief beschermen?

Het hagelkanon spreekt nog altijd tot de verbeelding. Zo’n installatie oogt indrukwekkend en suggereert daadkracht. Alleen is de realiteit minder heroïsch. Het basisidee is bekend: via schokgolven probeert men de vorming of aangroei van hagel te verstoren. De werking blijft wetenschappelijk echter zwak onderbouwd en de kans op succes is hoogst onzeker. Met dit kanon moet je dus anticiperen op wat mogelijks komen gaat. Bovendien maakt het extreem veel lawaai, wat voor irritatie bij de omgeving zorgt. Populair is dit dus niet, of beter niet langer.

Veel vaker zie je vandaag anti hagelnetten. Die zijn de voorbije jaren uitgegroeid tot de meest geloofwaardige vorm van actieve bescherming in de wijngaard. Ze vormen een echte barrière tussen hagel en tros. Ze beïnvloeden het licht, de luchtcirculatie en soms ook de algemene werking van het perceel. Ze vragen bovendien een investering, onderhoud en aanpassing in de manier van werken. Toch wegen die nadelen in veel situaties niet op tegen het voordeel van daadwerkelijke bescherming. In risicovolle zones zijn ze steeds vaker een rationele keuze geworden.

De echte vernieuwing in het hagelverhaal zit misschien wel in de manier waarop wijnbouwers informatie gebruiken. Lokale radar, gerichte weerapps, waarschuwingen per perceel en snellere communicatie hebben de voorbereiding sterk verbeterd. Hagel blijft onvoorspelbaar, maar hij komt minder vaak volledig uit het niets dan vroeger. Daardoor kan de wijnbouwer sneller reageren, sneller mensen en materiaal inzetten en na de bui ook gerichter beslissen waar eerst moet worden ingegrepen.

Verzekering blijft daarnaast voor veel domeinen de laatste verdedigingslijn. Alleen is ook dat verhaal minder eenvoudig geworden. Schade door extreme weersomstandigheden weegt steeds zwaarder door, waardoor verzekeringen duurder, selectiever of complexer worden. Voor wijnbouwers betekent dat dat een polis belangrijk blijft, maar niet langer volstaat als enige antwoord.

Een weesgegroetje bidden zal dus niet helpen, evenmin als hopen dat je buiten schot blijft. Al blijft dat laatste, alle technologie ten spijt, nog altijd een stille wens van elke wijnbouwer.

Vegan wijn: helder label, troebele werkelijkheid

Het gaat snel, dat is wel het minste wat je kan zeggen. Plots zie je ook in de wijnwereld flessen opduiken met het bekende V label op het rugetiket. In de food- en non-foodwereld was dat al veel langer ingeburgerd, maar intussen heeft het label ook duidelijk zijn plaats gevonden in wijn.

Dat het fenomeen niet meer weg te denken is, lijkt me duidelijk. Toch stel ik me daar wel de nodige vragen bij. Niet zozeer omdat ik het belang van duidelijke informatie voor de consument in twijfel trek, wel omdat ik me afvraag wat de echte meerwaarde van zo’n label in wijn precies is. Zeker in een sector waar de fles vandaag al omringd wordt door een hele stoet aan andere keurmerken en claims: Ecocert, Biodyvin, Demeter, Terra Vitis, Fairtrade, VIVA, Equalitas en nog heel wat meer. Op de duur zie je de bomen door het bos niet meer.

Wie wat dieper graaft, merkt bovendien al snel dat vegan allerminst een eenduidig begrip is. Zodra je achter het etiket kijkt, kom je terecht in een wereld van verschillende definities, overtuigingen en grijze zones. Voor de ene producent betekent vegan eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Voor de ene consument volstaat dat. Voor de andere begint de discussie daar pas echt.

Op het eerste gezicht lijkt vegan wijn zelfs een bijna overbodige term. Wijn wordt tenslotte gemaakt van druiven, en druiven groeien aan een plant. Maar tussen druif en fles schuilt een hele reeks keuzes, handelingen en materialen die het verhaal minder vanzelfsprekend maken. Mag er bijenwas op een capsule zitten? Is een wijn nog vegan als een paard de wijngaard ploegt? En wat met biodynamische domeinen die dierlijke onderdelen gebruiken in hun preparaten? Daarom lijkt het me de moeite om verder te kijken dan het logo alleen.

Wat bedoelen we eigenlijk met vegan wijn?

Wie zich in vegan wijn verdiept, merkt al snel dat het begrip minder eenduidig is dan het etiket doet vermoeden. In de praktijk circuleren namelijk twee lezingen naast elkaar.

De meest gangbare en beperkte invulling is technisch van aard. Daarbij betekent vegan wijn eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Dat is ook de definitie waarop veel wijnbedrijven zich in de praktijk baseren. Wanneer zij op hun website of etiket vermelden dat hun wijn vegan is, bedoelen ze meestal precies dit, niet meer en niet minder.

Voor een deel van het publiek ligt de lat echter hoger. Daar volstaat het niet dat de wijn in de kelder zonder dierlijke hulpmiddelen is gemaakt. In die strengere lezing moet in de volledige productieketen elke vorm van dierlijk gebruik worden vermeden, voor zover dat mogelijk en praktisch haalbaar is.

Precies daar begint de verwarring. Veel consumenten denken nog altijd in één brede categorie van plantaardig of diervrij, terwijl in de praktijk verschillende definities, gevoeligheden en overtuigingen naast elkaar bestaan. Wie het echt nauw neemt, wil dus niet alleen weten of een wijn vegan is, maar ook volgens welke lezing dat precies wordt bedoeld.

Waarom klaring het klassieke discussiepunt werd

De bekendste discussie rond vegan wijn draait nog altijd om de klaring. Daarbij worden stoffen toegevoegd die zich binden aan kleine deeltjes in de wijn, zodat die nadien verwijderd kunnen worden. Traditioneel gebeurde dat met dierlijke stoffen zoals eiwit, caseïne of vislijm.

Vanuit klassiek oenologisch standpunt is dat niets uitzonderlijks. Het gaat om een technische ingreep die helpt om de wijn helderder en stabieler te maken. Precies daar wringt het voor vegan consumenten. Ook al blijft er in theorie niets of nauwelijks iets achter in de uiteindelijke wijn, het dierlijke product is wel gebruikt tijdens het proces.

Daarom kiezen veel producenten die vegan willen werken voor alternatieven zoals bentoniet of plantaardige eiwitten, bijvoorbeeld op basis van erwten. Anderen laten klaring volledig achterwege. Vooral bij rode wijnen is dat geen uitzondering. Het resultaat hoeft daar niet onder te lijden. Een zorgvuldig gemaakte wijn kan perfect zonder dierlijke klaringsmiddelen tot een zuiver en aantrekkelijk eindresultaat komen.

Voor veel producenten en consumenten eindigt de discussie ook precies daar. Zodra er in de kelder geen dierlijke hulpmiddelen zijn gebruikt, geldt de wijn voor hen als vegan.

De wijngaard als moreel terrein

Als we de advocaat van de duivel mogen spelen, dan is het heel eenvoudig: het debat stopt niet bij de klassieke klaring. Wie het onderwerp consequent doordenkt, komt onvermijdelijk uit bij minder voor de hand liggende vragen. Wat betekent vegan eigenlijk in een landbouwproduct dat midden in de natuur ontstaat? Zodra je het debat volledig opentrekt, kom je al snel uit bij allerlei vraagtekens, en misschien ook bij echte twistpunten. Ik pik er, eerder willekeurig, alvast enkele uit.

Ten eerste komt er bij mechanische oogst soms meer dan alleen druiven binnen op het domein. Wie ooit een sorteertafel van dichtbij heeft gezien, weet dat tussen het fruit ook blaadjes, takjes en af en toe kleine dieren of insecten kunnen opduiken. Muizen, slakken en hagedissen horen daar uiteraard evenmin thuis: het valt allemaal onder wat men wel eens ‘matter other than grapes’ noemt. Bij handmatige pluk is die kans kleiner, maar volledig uitsluiten kan je het nooit. Moderne sorteertechnieken, zoals optische sortering, kunnen veel ongewenst materiaal eruit halen, maar ook dat is geen absolute garantie. Moeten we dan zover gaan dat voor vegan wijn enkel handmatige oogst nog aanvaardbaar zou zijn?

Ten tweede kunnen er vragen worden gesteld bij de dierlijke hulpmiddelen die wijnbouwers inzetten bij het beheer van hun wijngaarden. Sommige producenten gebruiken paarden om te ploegen, schapen om begroeiing te beheren of eenden als natuurlijke hulp in het ecosysteem van de wijngaard. Dat kan je zien als een mooi voorbeeld van gemengde landbouw en respectvolle samenwerking met dieren. Je kan het ook bekijken als functioneel gebruik van dieren binnen een productiesysteem. En precies daar wordt het voor een deel van het vegan publiek moeilijker te verantwoorden.

Ten derde duikt ook bemesting op als een gevoelig punt. Sommige wijnbouwers gebruiken organische meststoffen van dierlijke oorsprong, terwijl anderen overschakelen op plantaardige alternatieven, niet alleen om praktische redenen, maar ook om het vegan vraagstuk te vermijden. Meststof komt natuurlijk niet rechtstreeks in het glas terecht, maar wel in de bodem waarin de wijnstok groeit. Voor sommigen is dat geen probleem. Voor anderen hoort ook dat bij de ethische beoordeling van de wijn.

Net daar wordt ook duidelijk hoe breed de discussie is geworden. In een absolute filosofische lezing van veganisme kan zelfs dierlijke mest problematisch zijn. In de landbouwpraktijk blijkt een totaalverbod daarop echter nauwelijks werkbaar. Veel systemen, ook duurzame, biologische en regeneratieve, steunen nog altijd op organische bemesting waarin dierlijke mest een plaats heeft. Precies daarom kiezen sommige vegan standaarden voor een pragmatische aanpak. Ze aanvaarden dierlijke mest, omdat een volledig verbod in de praktijk een groot deel van de landbouwproductie zou uitsluiten. Dat is begrijpelijk, maar het toont ook hoe zelfs strenge definities niet altijd volledig consequent kunnen zijn.

Trek je de redenering nog verder door, dan kom je bovendien uit bij alles wat rond de fles gebeurt. Ook een capsule op basis van bijenwas lijkt op het eerste gezicht een detail, maar kan in een strikte vegan lezing problematisch worden. Zo verschuift het debat steeds verder weg van wat in het glas zit, naar de volledige keten errond. En dan mag je je toch stilaan de vraag stellen waar de grens precies ligt.

Die vraag is dus niet alleen technisch, maar ook filosofisch. Gaat vegan wijn enkel over wat rechtstreeks in contact komt met de wijn, of ook over elk onderdeel van het systeem waarin die wijn ontstaat? Op dat punt bestaat vandaag geen universeel aanvaard antwoord.

Biodynamie, natuur en de onverwachte botsing

Nu we toch op dreef zijn, mogen we ook die vraag stellen: is biodynamie eigenlijk wel verenigbaar met vegan wijn? Het is een van de boeiendste spanningsvelden binnen dit debat. Op het eerste gezicht lijken beide werelden elkaar namelijk te vinden in hun zoektocht naar een meer bewuste omgang met natuur en landbouw. Toch lopen ze op cruciale punten uit elkaar.

Biodynamische wijnbouw maakt gebruik van preparaten waarin dierlijke onderdelen, zoals koehoorns, een rol spelen. Voor veel strikte vegan interpretaties is dat onverenigbaar met het basisprincipe. En precies daar ontstaat een opvallende paradox: sommige domeinen die bijzonder zorgvuldig, ecologisch en nauwkeurig met hun bodem en biodiversiteit omgaan, vallen daardoor toch buiten een strenge vegan lezing.

Dat maakt één zaak meteen duidelijk: vegan is geen synoniem voor biologisch, duurzaam of regenererend. Er kan overlap zijn, zeker, maar het blijven verschillende kaders. Een wijn kan vegan zijn zonder uitgesproken duurzaam te zijn. En een biodynamische wijn kan op ecologisch vlak bijzonder sterk staan, maar toch niet als vegan gelden.

Dat levert een bijna ironische spanning op. Een producent kan biodynamisch werken, de biodiversiteit in de wijngaard verhogen, synthetische ingrepen vermijden en tegelijk toch niet als vegan gecertificeerd worden. Omgekeerd kan een wijn perfect vegan gelabeld zijn in technische zin, terwijl de bredere duurzaamheidsbalans minder overtuigend is.

De echte les: transparantie boven slogans

Misschien is dat wel de kern van het hele debat. Niet dat elke wijnproducent plots een moreel filosoof moet worden, wel dat er minder mysterie en meer openheid mag zijn over hoe wijn wordt gemaakt.

Veel consumenten kennen enkel het verhaal van klaring met eiwit of vislijm. Maar wie iets dieper kijkt, merkt al snel dat de discussie veel verder reikt: van accidenteel contact tijdens de oogst tot meststoffen, biodynamische preparaten, werkdieren, capsulewas, kurk en lijm. Wie dat alles ernstig neemt, beseft snel dat vegan wijn geen simpele aan of uit knop is.

Precies daarom is een transparante producent vandaag geloofwaardiger dan een vage claim. Niet de slogan “vegan friendly” op zich is doorslaggevend, wel de uitleg erachter. Tegelijk schuilt daar ook een risico. Want zodra het debat herleid wordt tot een logo op het rugetiket, dreig je in een vorm van holle frasering terecht te komen. Dan lijken duidelijk afgebakende systemen zoals bio of biodynamie plots minder relevant, terwijl een overduidelijk conventioneel gemaakte wijn met een vegan label veel te gemakkelijk een moreel geloofwaardig imago kan krijgen, zelfs wanneer de wijngaard intussen zonder veel scrupules chemisch wordt bewerkt.

En precies daar wringt het voor mij. Vegan kan een nuttige aanduiding zijn, maar het mag geen alibi worden dat alle andere vragen overstemt. Niet over landbouw, niet over duurzaamheid, en niet over de bredere manier waarop een wijn tot stand komt.

Tegelijk heeft de realiteit het debat misschien al deels ingehaald. De klant die vandaag bij mij in de winkel binnenstapt en op een fles het woord vegan ziet staan, neemt die vaak ook mee naar huis en voelt zich goed bij die keuze. Zo eenvoudig werkt het soms ook.


ProWein: kroniek van een terugval

ProWein is intussen alweer voorbij. De jaarlijkse wijnbeurs van Düsseldorf vond dit jaar plaats van 15 tot 17 maart. In de aanloop naar ons bezoek op zondag las ik in Winemag, een Italiaans online wijnmedium, een artikel over de terugval van wat ooit zonder veel discussie de belangrijkste wijnbeurs van Europa was. De teneur was duidelijk: ProWein was niet langer de onbetwiste reus van vroeger. Genoeg aanleiding dus om die analyse eens af te toetsen aan de werkelijkheid.

Die toets begon al bij aankomst. Toen we de immense parking opdraaiden, viel meteen op hoe weinig wagens er stonden. Ook de busdienst naar de beurs, vroeger steevast goed gevuld, was nu bijna leeg. Het waren kleine signalen, maar wel signalen die de richting van het verhaal al aangaven nog voor we één hal hadden betreden.

Van recordbeurs naar kleiner formaat

Wie ProWein al langer volgt, weet hoe indrukwekkend de beurs in haar topjaren was. In 2019 bereikte Düsseldorf een piek met meer dan 61.000 professionele bezoekers, zowat 6.900 exposanten en dertien volledig gevulde hallen. Dat was meer dan zomaar een sterke editie: het was het moment waarop ProWein zich definitief had gevestigd als de grote internationale afspraak voor wijn en distillaten.

Zes jaar later oogt het plaatje anders. De editie van 2026 vond plaats in zeven hallen, zowat de helft van wat tijdens de gloriejaren in gebruik was. Het aantal exposanten daalde tot ongeveer 3.400 en ook het bezoekersaantal bleef met ongeveer 31.000 ver onder het niveau van vóór de pandemie. Alleen al in de fysieke opstelling van de beurs werd zichtbaar wat de cijfers al langer aangeven: ProWein is vandaag een duidelijk kleiner evenement dan in zijn topjaren.

Onderstaande tabel maakt die evolutie helder zichtbaar.

JaarBezoekersExposantenHallenOpmerking
2016ca. 55.000ca. 6.20013gestage groei
201758.5026.61513internationale expansie
2018ca. 60.000ca. 6.87013bijna verzadigd
201961.000+ca. 6.90013historisch record
2020geannuleerdn.v.t.n.v.t.pandemie
2021geannuleerdn.v.t.n.v.t.pandemie
202238.0005.70013terugkeer na Covid
2023ca. 49.000ca. 6.00013gedeeltelijk herstel
202445.0825.289ca. 11 tot 13nieuwe daling van bezoekers
2025ca. 42.000ca. 4.200ca. 9 tot 11structurele inkrimping
2026ca. 31.000ca. 3.4007drastische vermindering van de opstelling, bezoekers én exposanten

De pandemie als breuklijn

De eerste grote schok kwam natuurlijk met corona. De editie van 2020 werd op het laatste moment geannuleerd. Ook 2021 viel volledig weg. Voor een beurs die draaide op internationale mobiliteit, ritme en gewoonte was dat meer dan een tijdelijke onderbreking. Het was een echte breuklijn.

Toen ProWein in 2022 terugkeerde, was het landschap veranderd. Het aantal bezoekers zakte naar ongeveer 38.000 en ook het aantal exposanten bleef ver achter op het niveau van 2019. In 2023 volgde nog een gedeeltelijk herstel, maar de vroegere dynamiek keerde niet echt terug. Vanaf 2024 werd opnieuw een daling zichtbaar, zowel in bezoekers als in exposanten. Wat eerst nog als een nasleep van Covid kon worden gezien, begon steeds meer op een structurele verschuiving te lijken.

Die terugval laat zich ook samenvatten in één compact overzicht.

Indicator20192026Verandering
Bezoekers61.000ca. 31.000-49%
Exposantenca. 6.900ca. 3.400-51%
Hallen137-46%

De werkelijkheid op de beursvloer

Dat gevoel van structurele inkrimping was dit jaar moeilijk te negeren. Natuurlijk blijft ProWein een grote, professionele en internationaal relevante beurs. Er zijn nog altijd veel producenten, veel landen en veel contacten. Maar de beleving is anders geworden: minder drukte, meer ruimte en minder vanzelfsprekende buzz. Niet overal hing nog die geladen sfeer van een evenement waar iedereen per se aanwezig moest zijn.

Dat hoeft op zich niet negatief te zijn. Minder overrompeling kan voor bezoekers zelfs comfortabeler zijn. Toch was het contrast met vroegere jaren groot genoeg om de vraag op te roepen of ProWein nog wel dezelfde plaats inneemt in de internationale wijnkalender. Ons eerste gevoel, op parking en shuttlebus, bleek binnen dus allerminst onterecht.

Tijdens ons bezoek merkten we ook bij veel wijnboeren een duidelijk pessimisme. De forse financiële inspanningen die nodig zijn om op de beurs aanwezig te zijn, lijken almaar minder te renderen. Bij verschillende producenten werden openlijk vraagtekens geplaatst bij een toekomstige deelname.

Ook voor ons als bezoeker wordt ProWein gaandeweg minder relevant. De beurs blijft aantrekkelijk door haar onmiddellijke nabijheid en door de mogelijkheid om contacten met wijnproducenten aan te halen of te verdiepen. Tegelijk stelden we vast dat er steeds minder rechtstreekse contacten aanwezig waren. Waar we vroeger moeiteloos drie volle dagen konden vullen met bezoeken aan producenten uit onze eigen portefeuille, troffen we er dit jaar nog slechts een zestal aan. Voor ons volstond één dag om de beurs af te werken.

De oplopende kost van een beursbezoek

Een belangrijke verklaring ligt bij de kost van internationale beurzen. Deelnemen aan ProWein betekent al lang niet meer simpelweg een stand boeken. Naast de huur van de oppervlakte spelen ook standbouw, logistiek, transport, personeel, reizen, overnachtingen en hospitality mee. Voor een gemiddeld wijnbedrijf loopt die totale investering al snel op tot enkele tienduizenden euro. Voor grotere spelers kan dat bedrag nog veel hoger uitvallen.

In een economisch klimaat waarin marges onder druk staan, kijken bedrijven kritischer naar het rendement van zulke uitgaven. Dat vertaalt zich op verschillende manieren. Sommige producenten kiezen voor kleinere stands. Andere slaan een jaar over. Nog andere geven de voorkeur aan meer gerichte evenementen waar de kans op concrete commerciële contacten groter is.

Ook de geschatte deelnamekosten van de grote Europese beurzen tonen waarom die afweging vandaag scherper wordt gemaakt.

BeursGemiddelde standkostDuur
ProWein30.000 tot 100.000 euro3 dagen
Wine Paris20.000 tot 70.000 euro3 dagen
Vinitaly15.000 tot 60.000 euro4 dagen

De daling van het bezoekersaantal heeft ook met die hoge kost te maken. Zo zagen we de prijs van een parkingticket stevig stijgen. Ook de catering op de beurs, vaak van bedroevend zwakke kwaliteit, is haar prijs nauwelijks waard. En dan is er nog de overnachting. Hotels in Düsseldorf trekken tijdens ProWein zonder veel schroom hun tarieven fors op. Kamers die buiten de beursperiode ongeveer 120 euro per nacht kosten, gaan tijdens de beurs vlot richting 420 euro. Tel daar parking, maaltijden en verplaatsingen bij, en het is duidelijk hoe snel de rekening oploopt.

Zelf weken wij om die reden uit naar de rand, op zo’n 30 kilometer van Düsseldorf, om de verblijfskosten te drukken. Ook daar merkten we overigens een prijsstijging door de beurs, al was die minder uitgesproken. In economisch moeilijke tijden maakt dat de drempel voor een bezoek alleen maar groter.

Wine Paris en de verschuiving van het zwaartepunt

Daar komt nog bij dat het internationale beurslandschap intussen competitiever is geworden. Waar ProWein jarenlang de toonaangevende Europese referentie was, heeft Wine Paris zich in korte tijd stevig op de kaart gezet. Die beurs is de voorbije jaren sterk gegroeid en wordt steeds vaker genoemd als de plek waar het momentum momenteel het duidelijkst voelbaar is.

Dat betekent niet dat ProWein plots irrelevant is geworden. Wel dat de machtsverhoudingen binnen de Europese beurskalender minder vanzelfsprekend zijn dan vroeger. De wijnwereld heeft vandaag niet langer één centrum waar alles samenkomt. Ze is diffuser geworden, met meer concurrentie tussen beurzen en meer keuze voor producenten en kopers.

Ook de kalender is versnipperd

Naast de opkomst van nieuwe grote beurzen is er nog een tweede evolutie: de fragmentatie van de wijnkalender. Regionale salons, thematische evenementen en meer nichegerichte businessformats hebben de laatste jaren aan belang gewonnen. Voor veel producenten is dat aantrekkelijk. Ze kunnen gerichter werken, dichter bij hun markt opereren en vaak met lagere kosten toch een relevant publiek bereiken.

Daardoor verliest het klassieke model van de allesomvattende internationale vakbeurs een deel van zijn vanzelfsprekendheid. De grote afspraak blijft bestaan, maar ze is niet langer de enige plek waar het moet gebeuren.

Geen eindverhaal, wel een kantelpunt

Toch zou het te gemakkelijk zijn om ProWein louter als een verliezer te beschrijven. De beurs blijft een sleutelmoment voor de internationale wijnhandel. Ze trekt nog steeds buyers, importeurs, distributeurs en horecaprofessionals uit de hele wereld aan. De naam ProWein heeft nog gewicht en Düsseldorf blijft logistiek sterk geplaatst.

Maar tegelijk is het duidelijk dat de beurs zich in een overgangsfase bevindt. De terugval van dertien naar zeven hallen is daarvoor misschien wel het meest sprekende beeld. Daardoor wordt tastbaar wat er veranderd is: minder omvang, meer selectiviteit, meer concurrentie en meer druk op het klassieke model.

De vraag is dus niet of ProWein nog bestaat als relevante beurs. Dat doet ze zonder twijfel. De echte vraag is welke rol ze in de toekomst wil spelen. Blijft ze inzetten op schaal en internationale breedte, of kiest ze voor een scherper profiel in een markt die niet langer automatisch dezelfde reflexen heeft als vóór 2020?

Na ons bezoek lijkt de conclusie vrij helder. Het artikel uit Winemag over de neergang van ProWein was misschien streng van toon, maar de onderliggende observatie bleek wel degelijk herkenbaar op het terrein. De beurs is niet ingestort, maar ze is ook niet meer wat ze was. Wie vandaag door Düsseldorf wandelt, ziet nog steeds een belangrijk vaksalon, alleen niet langer de onaantastbare reus van weleer.

Beyond the decline: wine isn’t losing a generation — wine is losing moments

Before you continue: please take part in the polls in this article. They’re short (just a few minutes), but they matter and it’s completely anonymous. I want to test whether what is already measurable in the U.S. is also becoming noticeable here in Europe, and, above all, where wine is losing ground and why.

There’s no denying that, in recent years, the wine world has been increasingly concerned about its future. The topic comes up in almost every conversation, with the same recurring question: younger consumers drink differently, and for many people wine is no longer the default choice.

That concern was also the reason for episode 2589 of the Italian Wine Podcast, which I listened to recently. The focus was on the U.S. market, but what emerges there often echoes in Europe. The podcast was an eye-opener because it finally put into words what many of us here have been “feeling” for a while. Backed by data, and with a a clear-eyed analysis of what is shifting.

And it raised one question for me: what does this look like here, in today’s European market? Because something is shifting here too. Not in the cellar, but in the shopping basket. In Europe it still feels (for now) less dramatic than in America, but the undercurrent is familiar: younger drinkers are building different routines, alternatives have grown rapidly, the health narrative carries more weight, and the “entry point” into wine is less straightforward than we like to think.

That’s why this opinion piece deliberately starts from the American research (Wine Opinions, discussed at Wine2Wine/Vinitaly in Chicago), but with a European goal: what can we in Belgium, the Netherlands, and the rest of Europe learn before we end up playing catch-up. I’m writing this to sharpen the conversation, to look for answers, and to get a more realistic view of what may be coming our way. For consumers, wine retailers, importers, and the on-trade (bars and restaurants).

The American wake-up call, read through a European lens

For this research, a broad group, a broad group of 21–39-year-olds was surveyed. People who drink beer, wine, and/or spirits. Not only wine drinkers, and that’s exactly what makes the research useful. It shows the real competition in the glass, not just the opinions of regular wine lovers.

The key signals are threefold:

  • For many under-40s, wine is no longer the automatic choice.
  • Some are shifting to other categories (beer, spirits, ready-to-drink (RTDs)).
  • Even among those who still drink wine, value perception is a major issue: “the wines I like have become too expensive.”

Now, Europe is not America. You won’t get a one-to-one copy of those figures here, simply because our drinking culture, taxation, retail landscape, and wine traditions are structured differently. But the pattern is still recognisable.

Many European countries have always had a strong beer culture (and that culture has evolved enormously: specialty and craft beers, craft, low-alcohol). At the same time, in cities and tourist hotspots, cocktail and aperitif culture is growing: spritz variants, long drinks, bars that deliberately sell ‘the moment. And then there’s another category that is normalising in Europe faster than we sometimes admit: ready-to-drink beverages and premixes, from canned cocktails and canned spritz to light, sparkling alcohol mixes and low-alcohol alternatives.

That’s exactly why this research matters for Belgium and the Netherlands: it forces us to look at wine as a choice within a crowded set of occasions. But before we dig into that choice, we need to ask one basic question: do we even drink the same amount of alcohol today as we did a few years ago?

Vote in the polls below. These are the two anchor points the rest of this opinion piece builds on.

From here it gets interesting: once we know whether we drink less and what our default choice is, we can look much more sharply at where wine is losing ground and where it still holds its place.

Wine isn’t losing people, wine is losing moments

The core question in the rest of the podcast isn’t “which generation?” but “which moment?” When do people drink what? In marketing, these are called “occasions,” but in real life it’s simple: Friday night, a terrace, aperitif time, the park, dinner at home, a party.

If you look at categories through that lens, it becomes clear why wine is finding it harder to be chosen “by default” today.

Beer is social and spontaneous: low barrier to entry, little decision fatigue, and suitable almost anywhere.
Cocktails and spirits more often feel like a treat: experience, bar culture, mixability and often a clear “I want this now” moment.
Ready-to-drinks and premixes (canned cocktails, canned spritz) win on convenience: single-serve, predictable flavour, hardly any thinking required.
Wine is still strongly linked to food, knowledge, choice, and context. That’s both its strength and its handicap.

In Europe, you increasingly see that mechanism at work. Many young people still drink alcohol, but less according to classic patterns. A bottle of wine requires planning: you need to open it, you need glasses, you have to choose. A can or premix requires nothing. And if you choose “wrong” once with wine , like too acidic, too tannic, served too warm (or too cold), too much oak . You can feel uncertain quickly: did I choose wrong?

With the next poll, I want to understand in which moments you actually drink wine — or, put differently: why do you reach for wine in one moment, but not in another?

Price is rarely just price: trust and choice play a role too

In the U.S. session, one line stood out because it sounded so human: many occasional wine drinkers who are drinking less wine say the wines they like have become too expensive. You can chalk that up to inflation, full stop. But with wine, there’s almost always something else going on underneath: price is linked to uncertainty.

Many people have a mental ceiling for what they want to spend on a bottle. And we have to be honest: wine prices have risen noticeably in recent years. As a consumer, you can then come to a sober conclusion: the amount I’m willing to spend no longer delivers the quality or pleasure I expect.

So what do you do? You can raise your budget, but that doesn’t always fit your personal budget reality. Or you buy more selectively: fewer bottles, more “safe bets,” less experimentation.

And here’s the nuance that often gets lost: “too expensive” doesn’t always mean “I can’t afford it.” It often means: “I don’t want to spend that amount on a gamble.” Once the middle segment shifts upward, “choosing safely” becomes harder. Especially in hospitality, where margins sometimes mean a glass of wine comes close to the price of a bottle in a shop.

So price matters, but it’s rarely the only barrier. In conversations, you hear the same other factors more and more often:

  • Health: you drink less or lighter, and then every bottle becomes a more conscious choice. Campaigns and trends like Dry January or Tournée Minérale play a role, consciously or not.
  • Uncertainty/decision stress: the range is huge, style differences are huge, and you don’t want a bad buy.
  • Convenience: buying, opening, serving, possibly storing… sometimes it feels like “too much hassle.”
  • Image: in some contexts, wine can still feel “too serious,” “too chic,” or “too connoisseur-y”. That light snobbery you might bounce off.

In short, I want to know: what is your biggest barrier to buying (more) wine today?

Health: from routine to a conscious choice

Let’s take a closer look at the health angle, because the podcast highlights a clear headwind for wine: a growing group of consumers is thinking differently about alcohol. Even moderate drinking is increasingly seen as ‘unhealthy. Europe differs in culture and drinking norms, but the movement is visible here too: Dry January, Tournée Minérale, no- and low-alcohol alternatives, “mindful drinking,” and a broader focus on sleep, training, and wellbeing.

For wine, it’s a double-edged story.

On one hand, it’s negative: alcohol becomes less of an automatic routine and more of a conscious choice. Less “let’s have one more,” more “do I actually want this today?” That moment of hesitation is a barrier in itself.

On the other hand, there’s an opportunity. Those who still drink today often do so more deliberately: less for the buzz, more for quality and meaning. That’s a space where wine, as a cultural product, has historically been strong: origin, story, the table, gastronomy, a shared moment. But that strength doesn’t surface automatically. You have to make it visible, without soundingmoralising.

So the question isn’t: “how do we fight health trends?”
But: how do we ensure wine still has a place in the conscious moment? Less frequent, perhaps, but better chosen, better served, and better explained in a way that invites rather than intimidates.

Ready-to-drink (RTD) and pre-mixed drinks: are we underestimating the moment?

In the podcast, this debate often points to the growth of RTDs in cans and bottles, including cannabis variants. In Europe, that last part is different because of regulation and availability, but the underlying point still stands: ready-to-drinks and premixes are on the rise. They’re winning because they serve consumers well: fast, portable, predictable, and with minimal decision fatigue.

Across Europe, you can see this very clearly:

  • Premixed cocktails and spritz variants (often lower in alcohol) are growing, especially on terraces and in summer settings.
  • Single-serve is becoming mainstream: one can or bottle, no corkscrew, no glasses, no leftovers.
  • And above all: packaging works as a signal: fresh, fun, clear, low barrier to entry. You know in advance what you’ll get and the mood it’s meant for.

Wine is trying to show up in those moments too: cans, smaller formats, spritz-like products, pét-nats, lightly sparkling styles. But it often still feels half-hearted, as if it’s somehow embarrassing to be convenient. While convenience is exactly where many consumers make choices today, especially outside the dinner-table context.

Where is your comfort zone? Price segment and place of purchase

We’ve already talked about price perception, health, and “the moment.” But before drawing big conclusions, I want to put one thing into focus: in what price range do wine drinkers actually buy in today? Not what we’d like, not what the trade would like to believe, but what really ends up in the basket.

Because price is rarely a standalone factor. The price you pay is linked to the occasion (weekday vs celebration), to how confident you feel in your choice, and to where you buy. A supermarket bottle often follows different “expectation set” than a bottle from a wine shop. And a spontaneous impulse purchase is different again from a bottle you deliberately choose for a dinner.

So here are two short measurements for anyone who (at least occasionally) buys wine. Your answers help make the conversation concrete: the sweet spot of gravity, and how does it differ by sales channel?

Why do you still choose wine?

Two things are clearer now: in what price range wine drinkers usually buy, and where they buy their wine. The next question is just as important: why do you choose wine in a given moment?

Wine is rarely just about thirst. Wine is context: food, atmosphere, company, a pause button on the day, a small reward or sometimes simply “this just fits.” If wine becomes less self-evident, this is the key question: what still draws you to wine?

Expectations: what would you change?

One final question to you as a reader — as a wine lover or an occasional wine drinker:

If you could change one thing about the wine world so that you would choose wine more often, what would it be?

Thank you for your time and for completing the polls. The more responses we collect, the sharper the conclusions — and the more useful the follow-up will be. If you know people who drink alcohol occasionally (or who have started drinking less): please share this with them.

Beyond the decline: wijn verliest geen generatie — wijn verliest momenten

Voor je verder leest: stem mee in de polls in dit stuk. Ze zijn kort (slechts enkele minuten), maar ze maken het verschil en bovendien volledig anoniem. Ik wil toetsen of wat in Amerika al meetbaar is, bij ons in België en Nederland óók al voelbaar is, en vooral: waar wijn terrein verliest en waarom.

Dat de wijnwereld zich de afgelopen jaren steeds meer zorgen maakt over haar toekomst, is een tastbaar gegeven. Het onderwerp duikt op in zowat elk gesprek, met als terugkerende hoofdvraag: jongere consumenten drinken anders, en wijn is voor velen niet langer de vanzelfsprekende keuze.

Die bezorgdheid was ook de aanleiding voor episode 2589 van de Italian Wine Podcast, die ik onlangs beluisterde. De focus lag op de Amerikaanse markt, maar wat daar vandaag zichtbaar wordt, krijgt vaak een echo in Europa. De podcast was een eyeopener, omdat ze een aantal zaken die we hier al langer “aanvoelen” eindelijk hardop benoemde. Met cijfers, en met een scherpe analyse van wat er precies verschuift.

En dat riep bij mij één vraag op: hoe zit het vandaag bij ons, op de Europese markt? Want ook hier schuurt er iets: niet in de kelder, maar in het winkelmandje. In Europa voelt het (nog) minder dramatisch dan in Amerika, maar de onderstroom is herkenbaar: jongere drinkers bouwen andere routines, alternatieven zijn explosief gegroeid, het gezondheidsdiscours weegt zwaarder door, en de “instap” naar wijn is minder vanzelfsprekend dan we graag denken.

Dit opiniestuk vertrekt daarom bewust vanuit het Amerikaanse onderzoek (Wine Opinions, besproken op Wine2Wine/Vinitaly in Chicago), maar het doel is Europees: wat kunnen wij in België, Nederland en de rest van Europa leren vóór we achter de feiten aanlopen? Ik schrijf dit om het gesprek scherper te stellen, om antwoorden te vinden, en om een realistischer beeld te krijgen van wat er op ons afkomt. Voor consumenten, wijnhandelaars, importeurs en horeca.

De Amerikaanse wake-up call, Europees gelezen

Voor de podcast werd een brede groep 21–39-jarigen bevraagd die bier, wijn of sterke drank drinkt. Dus niet alleen wijndrinkers, en net dát maakt het onderzoek bruikbaar. Het toont de echte concurrentie in het glas, niet alleen de mening van de overtuigde wijndrinker.

De kernsignalen zijn drieledig:

  • Wijn is voor veel <40’ers niet langer de automatische keuze.
  • Een deel schakelt weg naar andere categorieën (bier, sterke drank, ready-to-drink).
  • Zelfs bij wie nog wijn drinkt, wringt de prijsperceptie: “de wijnen die ik graag drink zijn te duur geworden.”

Nu, Europa is Amerika niet. Je krijgt hier geen één-op-één kopie van die cijfers, simpelweg omdat onze drinkcultuur, fiscaliteit, retailstructuur en wijntraditie anders in elkaar zitten. Maar het patroon is wél herkenbaar, ook bij ons.

Veel Europese landen hebben van oudsher een sterke biercultuur (en die is bovendien enorm geëvolueerd: speciaalbier, craft, alcoholarm). Tegelijk groeit in steden en toeristische hotspots de cocktail- en aperitiefcultuur: spritz-varianten, longdrinks, bars die bewust op “het moment” mikken. En dan is er nog een categorie die in Europa sneller normaliseert dan we soms toegeven: ready-to-drinks en premixes. Van blikcocktails en spritz in blik tot lichte, bruisende alcoholmixen en alcoholarme alternatieven.

Dat is precies waarom dit onderzoek interessant is voor België en Nederland: het dwingt ons om wijn te bekijken als een keuze binnen een drukke competitie van momenten. Maar vóór we die keuze uitdiepen, moeten we eerst één basisvraag stellen: drinken we vandaag überhaupt nog evenveel alcohol als enkele jaren geleden?

Stem even mee — dit zijn de twee ankerpunten waarop de rest van dit opiniestuk verder bouwt.

Vanaf hier wordt het interessant: als we weten of we minder drinken én wat onze standaardkeuze is, kunnen we veel scherper kijken naar de vraag waar wijn terrein verliest, en waar ze het nog altijd wint.

Wijn verliest geen mensen, wijn verliest momenten

De kernvraag in het vervolg van de podcast is niet “welke generatie?”, maar “welk moment?”: wanneer drinken mensen wat? In marketing heet dat “occasions”, maar in het echte leven is het simpel: vrijdagavond, het terras, het aperitief, het café, het etentje thuis, het feestje.

Kijk je zo naar de categorieën, dan zie je meteen waarom wijn het vandaag moeilijker heeft om “vanzelf” gekozen te worden.

  • Bier is sociaal en spontaan. Lage drempel, weinig keuzestress, bijna overal inzetbaar.
  • Cocktails en sterke drank voelen vaker als een treat: beleving, barcultuur, mixbaarheid, en vaak ook een duidelijk “ik wil dit nu”-moment.
  • Kant-en-klare mixdranken (premixen, blikcocktails, spritz in blik) winnen op gemak: single serve, voorspelbare smaak, nauwelijks denkwerk.
  • Wijn hangt nog altijd sterk samen met eten, kennis, keuze en context. Dat is tegelijk haar sterkte én haar handicap.

In België en Nederland zie je dat mechanisme steeds vaker. Veel jongeren drinken nog wel alcohol, maar minder volgens klassieke patronen. Een fles wijn vraagt planning: je moet ze openen, je hebt glazen nodig, je moet kiezen. Een blikje of premix vraagt niets. En wie één keer “verkeerd” kiest met wijn zoals bv. te zuur, te tanninerijk, te warm geserveerd, te veel hout, voelt zich sneller onzeker: heb ik iets fout gedaan?

Met onze volgende poll wil ik begrijpen op welk moment je effectief wijn drinkt of anders gezegd waarom grijp je in het ene moment wél naar wijn, en in het andere moment niet?

Prijs is zelden alleen prijs: vertrouwen en keuze bepalen mee

In de Amerikaanse sessie viel één zin op omdat ze zo menselijk klinkt: veel occasionele wijndrinkers die minder wijn drinken, zeggen dat de wijnen die ze graag kopen te duur zijn geworden. Dat kan je lezen als “inflatie”, punt. Maar bij wijn zit er bijna altijd iets extra onder: prijs is verbonden aan onzekerheid.

Veel mensen hebben een mentale grens voor wat ze aan een fles willen uitgeven. En we moeten eerlijk zijn: de prijs van wijn is de voorbije jaren merkbaar gestegen. Dan kan je als consument tot een nuchtere conclusie komen: het bedrag dat ik wil besteden, levert niet langer de kwaliteit of het plezier op dat ik verwacht.

Wat doe je dan? Je kan je budget optrekken, maar dat past niet altijd binnen je persoonlijke economische realiteit. Of je gaat selectiever kopen: minder flessen, meer “zekerheden”, minder experiment.

En hier is de nuance die vaak verloren gaat: “te duur” betekent niet altijd “ik kan het niet betalen”. Het betekent minstens even vaak: “ik wil er dat bedrag niet meer aan spenderen.” Zodra het middensegment opschuift, wordt “veilig kiezen” moeilijker. Zeker in de horeca, waar marges soms maken dat een glas al snel in de buurt komt van de prijs van een fles in de winkel.

Prijs is dus belangrijk, maar zelden de enige rem. In gesprekken hoor je steeds vaker dezelfde andere factoren terugkomen:

  • Gezondheid: je drinkt minder of lichter, en dan wordt elke fles een bewustere keuze. Campagnes en trends zoals Dry January of Tournée Minérale spelen daar, bewust of onbewust, mee.
  • Onzekerheid/keuzestress: het aanbod is groot, de stijlverschillen zijn groot, en je wil geen miskoop.
  • Gemak: kopen, openen, serveren, eventueel bewaren… soms voelt het als “te veel gedoe”.
  • Imago: wijn kan in sommige contexten nog altijd aanvoelen als “te serieus” of “te kennerig”. Dat lichte snobisme waar je wel eens van afknapt.

Samengevat wens ik te weten: Wat is voor jou vandaag de grootste rem op wijn?

Gezondheid: van routine naar bewuste keuze

We zoomen nog iets dieper in op het gezondheidsaspect, want in de podcast wordt één vorm van tegenwind scherp benoemd. Een groeiende groep consumenten kijkt anders naar alcohol. Zelfs matig drinken wordt sneller als “ongezond” gecodeerd. Europa verschilt qua cultuur en traditie, maar de beweging is ook hier zichtbaar: Dry January, Tournée Minérale, alcoholvrije alternatieven, “mindful drinking”, en een bredere focus op slaap, training en welzijn.

Voor wijn is dat een dubbel verhaal.

Aan de ene kant is het negatief: alcohol wordt minder een automatische routine en meer een bewuste keuze. Minder “we nemen nog iets”, meer “wil ik dit vandaag eigenlijk wel?”. Dat moment van twijfel is op zich al een rem.

Aan de andere kant zit er ook een kans in. Wie vandaag wél drinkt, doet dat vaak doelgerichter: minder om het effect, meer om de kwaliteit en de betekenis. Dat is een ruimte waar wijn, als cultuurproduct, historisch sterk in is: herkomst, verhaal, tafel, gastronomie, gedeeld moment. Alleen: die sterkte komt niet vanzelf boven drijven. Je moet ze zichtbaar maken, zonder moraliserend te worden.

De vraag die we ons moeten stellen is dus niet: “hoe vechten we tegen gezondheidstrends?”
Maar: hoe zorgen we dat wijn een plaats behoudt in het bewuste moment? Minder frequent misschien, maar beter gekozen, beter geserveerd, en vooral: beter uitgelegd op een manier die uitnodigt in plaats van intimideert.

Kant-en-klare mixdranken: onderschatten we het moment?

In de podcast wordt in dit debat vaak gewezen op de groei van kant-en-klare drankjes in blik of fles, inclusief cannabis-varianten. In Europa ligt dat laatste anders door wetgeving en beschikbaarheid, maar het kernpunt blijft overeind: kant-en-klare mixdranken zijn in opmars. Ze winnen omdat ze de consument perfect bedienen: snel, draagbaar, voorspelbaar en zonder keuzestress.

Ook in België en Nederland zie je die beweging heel concreet:

  • Premix cocktails en spritz-varianten (vaak alcoholarm) zijn opmars, zeker in zomercontexten en op terrassen.
  • Single serve wordt steeds normaler: één blikje of flesje, geen opener, geen glazen, geen restjes.
  • En vooral: verpakking werkt als signaal. Fris, fun, duidelijk, laagdrempelig. Je weet op voorhand wat je krijgt en in welke sfeer je het drinkt.

Wijn doet in Europa wel degelijk pogingen om op die momenten aanwezig te zijn: blik, kleinere formaten, spritz-achtige producten, pét-nats, licht mousserend. Maar vaak voelt het nog halfslachtig, alsof het een beetje gênant is om “gemakkelijk” te willen zijn. Terwijl gemak net het terrein is waarop veel consumenten vandaag keuzes maken, zeker buiten de eettafelcontext.

Waar ligt jouw comfortzone? Prijssegment en aankoopplek

We hebben het nu al gehad over prijsperceptie, gezondheid en “het moment”. Maar voor we daar grote conclusies aan hangen, wil ik één ding hieraan kaderen: in welke prijsvork koopt een wijnliefhebber vandaag écht? Niet wat we wenselijk vinden, niet wat de sector hoopt, maar wat er effectief in het mandje belandt.

Want prijs is zelden een los gegeven. De prijs die je betaalt hangt samen met het moment (doordeweeks vs. feest), met het vertrouwen dat je hebt in je keuze, én met de plek waar je koopt. Een fles uit de supermarkt heeft vaak een andere “verwachtingslogica” dan een fles uit de wijnhandel. En een spontane aankoop onderweg is weer iets anders dan een fles die je bewust kiest voor een diner.

Daarom even twee korte metingen voor wie (minstens af en toe) wijn koopt. Jouw antwoorden helpen om het gesprek concreet te maken: waar zit het zwaartepunt, en hoe verschilt dat per aankoopkanaal?

Waarom kies jij toch wijn?

We hebben intussen twee dingen scherp: in welke prijsvork wijndrinkers meestal kopen en waar ze die wijn halen. De volgende vraag is minstens even belangrijk: waarom kies je op een bepaald moment voor wijn?

Want wijn is zelden puur dorst. Wijn is context: eten, sfeer, gezelschap, een pauzeknop, een kleine beloning, soms ook gewoon “dit past hierbij”. Als wijn minder vanzelfsprekend wordt, is dit de sleutelvraag: wat trekt jou dan nog wél naar wijn toe?

Het verwachtingspatroon

Als afsluiter nog één vraag aan jou als lezer, als wijnliefhebber of occasionele wijndrinker.

Als jij één ding aan de wijnwereld mocht veranderen zodat jij vaker voor wijn zou kiezen, wat is dat?

Dankjewel voor je tijd en voor het invullen van de polls. Hoe meer antwoorden we verzamelen, hoe scherper de conclusies, en hoe nuttiger het vervolg. Als je mensen kent die af en toe een drankje drinken (of net minder zijn gaan drinken): stuur dit gerust door.

Biodynamische wijnbouw, uitgelegd met een persoonlijke kijk

Soms loont het om een ouder stuk dat we jaren geleden schreven, nog eens vanonder het stof te halen. Niet omdat de inhoud plots fout zou zijn, wel omdat de context veranderd is, en omdat je blik als schrijver mee evolueert. Toen ik destijds over biodynamische wijnbouw schreef, hing er rond het onderwerp nog iets van nieuwsgierigheid en uitzondering, alsof het vooral het terrein was van een kleine groep overtuigde pioniers. Vandaag is dat anders. Biodynamie is intussen een vertrouwd begrip in de moderne wijnbouw, aanwezig bij tal van domeinen, en lang niet meer alleen in de marge.

Wat daarbij telkens opvalt, is hoe persoonlijk de invulling blijft. De ene wijnmaker volgt het volledige gedachtegoed tot in detail, de andere plukt er bewust enkele principes uit die passen bij zijn wijngaard en manier van werken. Dat zijn keuzes, ingegeven door overtuiging, ervaring, klimaat en praktische haalbaarheid. Net daarom herbekijken we biodynamie met een frisse, aan de tijd aangepaste blik.

Wat betekent biodynamisch

Het woord biodynamisch is opgebouwd uit Bios, leven en Dynamis, energie. In essentie gaat biodynamie over biologische wijnbouw naar het volgende niveau tillen, niet door nog een extra lijst verboden stoffen toe te voegen, maar door de wijngaard als één samenhangend geheel te benaderen en zo nauw mogelijk met de natuur mee te werken. Bodem, wijnstok, microleven en alles wat in en rond de wijngaard leeft, worden gezien als één systeem dat je wil ondersteunen in plaats van corrigeren.

Dat totaalbeeld verklaart ook waarom biodynamie elementen toelaat die veel mensen niet spontaan met wijnbouw associëren, zoals astrologie en kosmische ritmes. De biodynamische kalender fungeert daarbij voor veel wijnbouwers als planningstool. Binnen de biodynamische visie zijn wijngaard, wijnmaker en universum met elkaar verbonden. Daarom speelt timing een uitgesproken rol. Het werkschema wordt vaak afgestemd op maanstanden en dagtypes in de kalender. Planten, snoeien en oogsten gebeuren idealiter volgens een biodynamische kalender, omdat men ervan uitgaat dat de vitaliteit van plant en bodem mee verschuift met die cycli.

Net als bij biologische teelt worden geen synthetische pesticiden, herbiciden, fungiciden of kunstmest gebruikt, en worden genetisch gemodificeerde organismen vermeden. Maar dat is slechts het vertrekpunt. Wie biodynamisch werkt, vertrekt van biologisch geteelde druiven en kiest bij voorkeur voor middelen die lokaal en natuurlijk in de omgeving voorkomen, zoals plaatselijke stalmest als meststof. Het doel is niet alleen gezond fruit, maar een wijngaard die in balans is en beter bestand tegen stress, met een plant die haar groei en rijping kan doormaken vanuit een levendig bodemleven.

De bekende preparaten, soms homeopathisch genoemd, passen in dat grotere kader. Niet als vervanging van compost en mest, maar als sturend hulpmiddel om het bodemleven en de omzetting van organische materie te begeleiden.

De biodynamische kalender

Wie biodynamisch werkt, kijkt niet alleen naar wat er in de wijngaard gebeurt, maar ook naar wanneer. Daarvoor gebruiken veel wijnbouwers een biodynamische kalender, een werkinstrument dat dagen indeelt volgens de vier klassieke elementen: aarde, lucht, water en vuur. Het uitgangspunt is eenvoudig: bepaalde handelingen zouden op bepaalde dagen gunstiger uitpakken, omdat de wijngaard, de wijnmaker en de bredere natuur als één samenhangend systeem worden gezien, in overeenstemming met de kosmos.

De kalender koppelt elk element aan een dagtype. Aarde staat voor Root Day, worteldag, momenten waarop men bij voorkeur snoeit of andere ingrepen doet die de groei van de wijnstok moeten sturen. Lucht staat voor Flower Day, bloeidag, dagen waarop men de wijnstok liefst zo weinig mogelijk verstoort en de bloei haar gang laat gaan. Water is Leaf Day, bladdag en wordt verbonden met bladgezondheid en vegetatieve groei, in de praktijk ook met aandacht voor waterhuishouding. Vuur is Fruit Day, fruitdag, en geldt binnen deze logica als een geschikt moment voor oogst, omdat de nadruk dan op vrucht en rijping zou liggen.

De invulling van die dagtypes wordt in de kalender afgeleid uit de positie van de maan in de dierenriem. Men kijkt naar het sterrenbeeld waarin de maan zich op dat moment bevindt. Elk van de twaalf sterrenbeelden wordt binnen de biodynamische logica ingedeeld bij één van de vier elementen. Vuurtekens zoals Ram, Leeuw en Boogschutter vallen onder Fruit Day, aardetekens zoals Stier, Maagd en Steenbok onder Root Day, watertekens zoals Kreeft, Schorpioen en Vissen onder Leaf Day, en luchttekens zoals Tweelingen, Weegschaal en Waterman onder Flower Day.

Zo verschuift de kalender om de paar dagen van dagtype, in het ritme van de maancyclus. Daarnaast houdt de kalender ook rekening met maanfasen, waardoor wijnbouwers niet alleen per dagtype, maar ook per week of maand bepaalde momenten als gunstiger of minder gunstig beschouwen. Die cyclus gebruiken veel biodynamische wijnbouwers als planningstool, van bemesting en snoei tot oogst en bepaalde kelderingrepen. De overtuiging binnen de biodynamische gemeenschap is dat werken binnen het maanschema in verschillende fases van druiventeelt en vinificatie tot betere resultaten kan leiden.

Het idee om naar de hemel te kijken als gids is op zich niet nieuw. Door de eeuwen heen gebruikten landbouwers, en zelfs hele beschavingen, hemelritmes om hun werk te plannen. Lang voor mechanisatie en elektrische verlichting werkte men vanzelf met daglicht, seizoenen en natuurlijke cycli. Biodynamie sluit daar bewust bij aan, met het idee dat er een juiste timing bestaat voor elke ingreep, en dat forceren zelden loont.

Een vaak aangehaald voorbeeld is snoei op een Root Day. In biodynamische termen zou de maan dan laag staan en daarmee ook de sapdruk in de plant. Snoeien op zo’n moment zou maken dat de wijnstok minder “huilt”, omdat er minder sap uit de snijwonden treedt. De redenering is dat de plant haar energie dan beter behoudt en die later kan inzetten voor groei en rijping, met uiteindelijk smakelijkere druiven als doel.

Hoewel er geen harde wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor een directe invloed van de maan op de smaak van wijn, hoor je bij sommige wijnliefhebbers en sommeliers het idee dat wijn van dag tot dag anders kan overkomen, en dat die waarneming samenhangt met maanstand en ritme. Het blijft een discussiepunt in de sector, maar het illustreert wel hoe diep het begrip ritme in de biodynamische aanpak verankerd zit.

Compost, mest en preparaten als motor van biodynamie

Zonder organische materie aan de basis is biodynamische teelt onmogelijk. Compost en mest blijven de kern voor humusopbouw. De oorspronkelijke gedachte is dat je die bronnen niet zomaar aan hun lot overlaat: wanneer mest en compost ongecontroleerd gisten, kan er verlies optreden aan stikstof en mineralen. Daarom werd een begeleid proces uitgewerkt waarbij het gistingsproces, op gang gebracht door bacteriën, beïnvloed wordt door enzymen, groeihormonen en aftreksels van planten.

De achterliggende ambitie is duidelijk en in moderne termen nog altijd relevant: een bodem herstel je niet met één ingreep. Je bouwt hem op, met een levende humuslaag, een actieve microflora, een goede structuur, luchtigheid en doorwortelbaarheid. Vanuit dat idee krijgen biodynamische preparaten hun plaats. Ze zijn bedoeld om compost en plant te dynamiseren en processen in bodem en blad te ondersteunen. Een sturend hulpmiddel dat de omzetting van organische materie mee begeleidt.

Die preparaten worden vaak bereid via een langdurig proces onder de grond, soms omhuld door dierlijke organen of in koehoorns. Volgens de methode leidt dat tot een sterke concentratie van bacteriële activiteit, enzymen en groeiprikkels, waardoor slechts minieme hoeveelheden nodig zijn. In de klassieke biodynamische praktijk volstaat bijvoorbeeld een koffielepeltje preparaat voor meerdere kubieke meters compost en wordt gewerkt met grote verdunningen.

De basisingrediënten worden meestal beschreven als geconcentreerde koeienmest, plantmateriaal van medicinale kruiden en mineralen zoals kwarts. Daarnaast wordt vaak benadrukt dat bodemtype en lokale omstandigheden mee bepalen welke accenten een teler legt, terwijl de kernpreparaten overal herkenbaar blijven.

Preparaat 500 en 501, de twee klassiekers in de wijngaard

Preparaat 500, hoornmest, wordt gemaakt door koehoorns te vullen met koeienmest en ze gedurende de winter onder de grond te bewaren. In de lente worden ze opgegraven en wordt de inhoud koel en donker bewaard tot het moment van toepassing. Voor gebruik wordt het preparaat in water opgelost en vervolgens gedynamiseerd, waarna het als fijne nevel over de wijngaard wordt verstoven. Volgens de biodynamische uitleg werkt 500 vooral op het bodemleven en de wortelzone. Het preparaat moet de humusvorming en de microbiële activiteit ondersteunen, de structuur en het vochtvasthoudend vermogen van de bodem verbeteren en de wijnstok aanzetten tot diepere worteling en een gelijkmatiger groei.

Preparaat 501, hoornsilica, wordt gemaakt met fijnpoederig kwarts in een koehoorn. Die wordt in de zomer begraven en in de herfst opgegraven. In tegenstelling tot 500 wordt 501 in het licht bewaard tot de volgende lente. Ook dit preparaat wordt vlak voor toepassing in water gebracht en gedynamiseerd, om daarna over het blad te worden verstoven. In de biodynamische uitleg werkt 501 vooral op bladkwaliteit, lichtopvang en rijping, en dus op de voedingswaarde en structuur van de plant.

Voor buitenstaanders is het gebruik van koehoorns vaak het meest opvallende, en voor sommigen ook het meest vreemd aandoende element. Binnen de biodynamische visie is de hoorn echter een natuurlijke drager die het preparaat zou helpen transformeren tijdens het rijpen in de bodem. Rudolf Steiner, de grondlegger van de biodynamie, beschreef de koe als een dier dat sterk verbonden is met vertering en mestvorming. Hij zag de hoorn als een orgaan dat invloeden uit de omgeving bundelt en terugkoppelt naar het metabolisme. Vanuit die logica zou mest of kwarts, wanneer het maandenlang in een hoorn ondergronds rijpt, zich anders ontwikkelen dan in een neutrale omgeving, geconcentreerder en doelgerichter voor bodem of bladtoepassing.

In de praktijk gaan wijnbouwers heel verschillend om met deze preparaten. Sommigen volgen het klassieke protocol strikt, inclusief koehoorns, kalender en dynamiseren. Anderen nemen vooral de agronomische insteek mee en passen het selectiever toe, vaak zonder koehoorn omdat die symboliek voor hen te ver gaat.

Dynamiseren van water, orde en chaos als werkwijze

We hadden het bij preparaat 500 en 501 al over gedynamiseerd water, maar wat bedoelt men daar nu eigenlijk mee. In biodynamie mengt men preparaten niet zomaar even met water. Men dynamiseert ze. Dat betekent dat je het mengsel gedurende een langere tijd intens roert tot er een duidelijke draaikolk ontstaat. Op dat moment draai je abrupt de richting om. Zo wisselen orde en chaos elkaar af, meestal ongeveer een uur lang. Daarna wordt het mengsel vrij snel verstoven, vanuit de gedachte dat de opgebouwde dynamiek anders verloren gaat.

Oudere biodynamische teksten koppelen deze werkwijze vaak aan verklaringen over waterstructuren, ionisatie en kosmische krachtvelden. In een hedendaagse lezing loont het om daar een onderscheid te maken. Dynamiseren is zonder twijfel een kernpraktijk binnen het biodynamische systeem, maar de wetenschappelijke onderbouwing van de verklaringsmodellen erachter blijft voor veel onderzoekers en professionals minder hard dan de overtuiging van de telers die ermee werken. Wat je wél vaak hoort bij wijnbouwers die het consequent toepassen, is dat ze het ervaren als een essentieel onderdeel van hun routine, als een handeling die volgens hen mee richting geeft aan het effect van de preparaten.

Die spanning tussen overtuiging en bewijs heb ik ooit heel scherp gevoeld in de les. Ik herinner me nog levendig hoe één van mijn studenten, tijdens een sessie over biodynamische landbouw, volledig uit zijn krammen schoot en het dynamiseren afdeed als compleet belachelijk. Eerlijk is eerlijk, ik heb niet de expertise om daar als scheidsrechter tussen te gaan staan. Los van de discussie over bewijs, is het duidelijk dat dynamiseren binnen biodynamie een kernhandeling is die de methode mee definieert, en precies daarom roept ze ook de felste reacties op.

De overige preparaten, compostbegeleiding met planten en organen

Naast 500 en 501 bestaat er een tweede groep biodynamische preparaten die vooral gericht is op compost en mest. Het doel is niet om compost te vervangen, maar om de omzetting van organische materie te begeleiden, zodat nutriënten en sporenelementen minder verloren gaan en geleidelijker beschikbaar komen voor bodemleven en wijnstok. Daarom worden deze preparaten in zeer kleine hoeveelheden in of bij de compost aangebracht.

Preparaat 502 vertrekt van bloeiend duizendblad dat in de blaas van een hert wordt ingebracht. Het materiaal blijft in de zomer aan zon en lucht blootgesteld en rijpt daarna ondergronds gedurende de winter. Binnen de methode wordt dit preparaat vaak gelinkt aan de kaliumhuishouding, in wisselwerking met zwavel, met een symbolische koppeling aan kosmische invloeden.

Preparaat 503 gebruikt bloeiende kamille die in de darm van een rund wordt geplaatst en tijdens de winter onder de grond rijpt. Het wordt beschreven als een preparaat dat processen rond kalk mee ondersteunt, opnieuw via een wisselwerking met zwavel. In de praktijk wordt het ook gezien als een element dat de compostwerking helpt milderen en stabiliseren.

Preparaat 504 is het buitenbeentje binnen deze reeks, omdat het geen dierlijke drager gebruikt. Het is gebaseerd op brandnetel en wordt doorgaans rechtstreeks in of onder de compost gebracht. Binnen de biodynamische logica geldt het als een vitaliteitsimpuls voor de compost, onder meer in relatie tot elementen zoals ijzer.

Preparaat 505 vertrekt van eikenschors en gebruikt een dierlijke drager. Klassiek wordt de schors in de schedel van een rund geplaatst en vervolgens begraven, zodat het materiaal ondergronds kan rijpen. Het preparaat wordt gekoppeld aan processen die met kalk en structuur te maken hebben en wordt vaak gezien als een sturend hulpmiddel dat de compostwerking helpt stabiliseren en structureren.

Preparaat 506 gebruikt paardenbloem en ook hier is er een dierlijke drager. Traditioneel wordt het plantenmateriaal in het buikvlies van een rund verpakt en ondergronds te rijpen gelegd. Binnen de methode wordt dit preparaat gekoppeld aan siliciumprocessen en aan het beter afstemmen van de relatie tussen bodem en plant.

Preparaat 507 is gebaseerd op valeriaan, meestal als extract of sap. Het gebruikt geen dierlijke drager. Het wordt niet als vast pakketje in de compost gestopt zoals sommige andere, maar eerder druppelsgewijs toegevoegd of verdund ingezet. Het wordt binnen de methode vaak beschreven als een beschermende toets voor de compost, met een rol in het bewaren van warmte en het sturen van de rijping.

Preparaat 508 wordt gemaakt op basis van paardenstaart, meestal als afkooksel. Ook dit preparaat gebruikt geen dierlijke drager. Het wordt vooral genoemd in relatie tot schimmeldruk en plantweerbaarheid, met de siliciumhuishouding als rode draad. Daarom duikt het in de praktijk ook op bij bladtoepassingen, al blijft het in dezelfde familie van ondersteunende preparaten.

Wie dit leest, struikelt vaak over dezelfde passage: de blaas van een hert, de darm of het buikvlies van een rund, zelfs een schedel als drager. Binnen de biodynamische visie gaat het om bewust gekozen omhulsels waarin het plantenmateriaal maandenlang kan rijpen, transformeren en concentreren. Tegelijk is dit precies het punt waarop veel wijnbouwers selectief worden. Sommigen volgen de klassieke bereiding, anderen kopen preparaten kant en klaar aan, en weer anderen nemen de compostgedachte mee maar laten dierlijke dragers achterwege omdat dat voor hen te ver gaat.

Groenvoorziening, biodiversiteit tussen de rijen

Een opvallend praktisch en breed herkenbaar onderdeel van biodynamische wijnbouw is de doelbewuste begroeiing van de bodem met goed wortelende planten, bloemen en kruiden. Het gaat om een gevarieerde mix die het bodemleven prikkelt en het ecosysteem in de wijngaard mee ondersteunt. Typische keuzes zijn peulgewassen, kruisbloemigen, granen en grassoorten, aangevuld met kruiden en bloeiers zoals zonnebloem, komijn en kaasjeskruid (malve).

Het beheer draait om evenwicht. Tussen de rijen wordt gemaaid, rond de stokken gebeurt vaak meer fijn werk, met als doel concurrentie met de wijnstok te beperken zonder de voordelen van bodembedekking kwijt te spelen. Vandaag sluit dit perfect aan bij wat je ook buiten biodynamie steeds vaker ziet. Cover crops en diversiteit kunnen bijdragen aan bodemstructuur, waterhuishouding, erosiebeperking en een rijker leven boven en onder de grond.

Wie hier dieper op wil ingaan, kan verder lezen in onze bijdrage over cover crops in de wijngaard.

Proef je het verschil

En dan de vraag die iedereen graag stelt: proef je het. In de klassieke biodynamische verteltrant is het antwoord vol overtuiging ja. Biodynamische wijnen zouden een extra finesse tonen, met meer precisie, meer smaakconcentratie en een uitgesprokener structuur. De verklaring die je daarbij vaak hoort, vertrekt vanuit de wijngaard. Een vitalere plant, een levendiger bodemleven, een betere bladwerking en een evenwichtiger rijping zouden zorgen voor druiven met meer spanning en meer diepte.

Een hedendaagse, eerlijke aanvulling is nuance. Veel proevers en wijnbouwers ervaren biodynamie als een weg naar betere balans in de wijnstok en een gezondere wijngaard. Tegelijk blijft het moeilijk om het effect van de preparaten op zichzelf los te koppelen van alles wat er meestal mee samenkomt. Domeinen die biodynamisch werken, zijn vaak ook streng op opbrengstbeperking, canopy management, selectie, het exacte oogstmoment, zachte extractie, hygiëne en doordachte rijping. En dat brengt me bij mijn persoonlijke visie. Ik zie bij dit soort wijnmakers vaak meer gedrevenheid in het dagelijkse werk, meer alertheid op details, meer consequentie in keuzes. Niet omdat biodynamie per definitie magisch is, maar omdat die mentaliteit vaak gedragen wordt door passie. Die passie vertaalt zich bijna automatisch in meer aandacht. En net dat proef je uiteindelijk in het glas, los van welke methode je ook hanteert.

Daarmee komt een tweede vraag vanzelf mee op tafel: is biodynamische wijn beter voor mij. Biodynamie wordt vaak naar voren geschoven als een bijzonder gezonde manier van wijn maken, zowel voor de consument als voor het milieu. Als je druiven kan telen zonder synthetische pesticiden, herbiciden, fungiciden en kunstmest, dan verlaag je de chemische druk in de wijngaard. Dat kan alleen maar leiden tot een gezondere wijngaard, en vaak ook tot een wijn die zuiverder aanvoelt. Je hoeft daarom niet noodzakelijk het volledige biodynamische gedachtegoed te omarmen. Lage input, aandacht voor bodemleven, scherpe timing en zorgvuldig werken kan je ook meenemen als algemene manier van wijn maken, zonder dat je je moet vastpinnen op één overtuiging of theorie.

Wat je als proever wél kan meenemen, is dit. Biodynamie is vaak een signaal dat er in de wijngaard met aandacht en consequentie gewerkt wordt. Of jij het verschil proeft, hangt uiteindelijk niet alleen af van de methode, maar ook van het domein, de kelderkeuzes, het oogstjaar en je eigen proefkader. Dat klinkt minder spectaculair, maar het is precies de reden waarom dit onderwerp blijft boeien.

🍷 The Golden Hectare of Barolo — How Capital Is Redrawing Barolo’s Future

When I’m in the car, I almost always have a wine podcast playing. This drive was no exception. With the seatbelt fastened and the road unwinding ahead, I listened as James McNay, my friend and fellow Italian Wine Ambassador, guided the conversation on Ambassador’s Corner for the Italian Wine Podcast.
His guest was Attilio Pecchenino.

The exchange was pleasantly familiar. Terroir, tradition, Nebbiolo, Barolo as it is supposed to be discussed. I was listening closely, almost on autopilot, until James asked a question that shifted the entire frame of the conversation.

“Attilio, what is a hectare of Barolo vineyard worth today?”

Attilio said that in 2009 he had bought a parcel in the Bussia cru for around €300,000 per hectare.
Today, he replied without a pause, it is closer to €3,000,000 per hectare.

Three million euros.
For a single hectare.

In that moment, it became unmistakably clear that this story is not only about wine. It is no longer confined to grapes, vinification, or vintages. It is about capital, structural scarcity, and the defining question of the next era in the Langhe. Who will still be able to make Barolo, and on what terms?

📈 Why Barolo Vineyard Land Has Become a Luxury Asset

That Barolo vineyard land now costs a fortune is no coincidence, and certainly not a passing phase. It is the result of three forces that have been moving together for years: structural scarcity, tight regulation, and a level of demand that simply holds.

To begin with, Barolo is geographically small. The appellation covers only a limited run of hills across eleven communes, and there is very little room to expand. On top of that, new plantings are tightly controlled at European level. Through the planting authorisation system, annual vineyard growth is effectively capped at around one percent. In a zone where almost every suitable slope was planted decades ago, that means something very practical. Almost no new land is added to the Barolo equation.

And yet the world’s appetite for Barolo has not eased. Year after year, production remains broadly in the same range, often estimated at around thirteen million bottles, while Barolo has only strengthened its place on international wine lists and in collectors’ cellars. It has long since broken free of the “classic Italian red” category. Today it is treated as a global reference, spoken of in the same context as great Burgundy or top Napa.

What is striking is that this prestige has not translated into an equivalent surge in the wine’s underlying producer-side value. The price per hectolitre of Barolo, a useful proxy for the wine’s value at origin, has remained remarkably steady in recent years, hovering around €900 to €1,000. For investors, that matters. It suggests a market that is not only prestigious, but also predictable.

Then there is Barolo’s own brand power. When someone buys a Barolo parcel today, they are still investing in a product, wine made from grapes grown on a specific slope. At the same time, they are buying into an international reputation built on origin, prestige, and historical depth. In that context, each hectare works like a lever. Limited supply, structural scarcity, and global reputation keep reinforcing one another. The outcome is hard to avoid. Land prices are not rising because farming suddenly became more expensive. They are rising because Barolo itself has become an exceptional and highly coveted possession.

🔎 What Does It Cost Today?

Translate that dynamic into real numbers and you quickly arrive at the different crus. Not every hectare of Barolo is priced the same. Location, reputation, and scarcity are decisive. Conversations with producers and recent market analysis suggest the gaps are now substantial.

Indicative market values for Barolo vineyard land (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2.5–3.0 million per hectare
    A blue-chip site with iconic producers; the reference point for Monforte.
  • Cannubi (Barolo commune): €2.0–2.5 million per hectare
    Historic cru, referenced as early as 1752; a powerful name with slightly broader availability.
  • Ravera (Novello): €1.2–1.8 million per hectare
    Rapidly rising in esteem; attractive to newer investors.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2.0–3.0 million per hectare
    Extremely limited supply; discreet transactions can exceed these levels.

Sources: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews with producers.

💼 Case Study: Vietti

“A brand can survive, but a wine style is alive.”

I still remember clearly how I used to drink Vietti. Their Rocche di Castiglione was, for me, the textbook example of what Barolo can be. Complex, refined, and at the same time unmistakably rooted in its place. These were wines with tension and personality, wines that seemed to hold a line between polish and stubbornness.

So when it became public in 2016 that Vietti had been sold to the Krause Group from Iowa, it landed like a shockwave in Barolo. It was one of the first times a historic Barolo estate, built and financed over generations within a family, passed entirely into foreign hands. On paper, everything looked reassuring. The winemaking team stayed. Mario Cordero, who had long been responsible for vinification, remained in place.

And yet wine is rarely only the sum of technique.

In the years after the takeover, I began to notice a shift in the glass. The wines were still undeniably good. Technically precise, clean, consistent. But for my taste, they felt different. Less inner tension, less personality. More polished, smoother, more obviously “correct”. As if some of the wine’s friction had been traded for international readability. It was still Barolo, but it felt less insistently Barolo.

That impression took on a human face at Vinitaly 2025. There I met Caterina Cordero, the family’s daughter, who now runs Cordero San Giorgio in Oltrepò Pavese with her brothers. She spoke openly about the changes at Vietti, about how much she missed Barolo, and about her hope of one day being active in the Langhe again. Not with bitterness, but with a visible sense of longing.

She did not come across as someone who had “lost a project”. She came across as someone who missed a place. And that is precisely why this case matters. Behind an acquisition there is never only brand strategy or investment logic. There is also a sense of style, a family history, and a way of working that does not always travel cleanly from one context to another. Even when the winemaker remains the same, the wine can change when the world around it changes.

🍇 Consequences in the Vineyard

The list of buyers in Barolo has become surprisingly diverse. Alongside the familiar family names, rooted in these hills for generations, new players are showing up more and more often. Luxury groups, private equity, even international hospitality companies are looking at Barolo as a safe and prestigious place to put their money. That flow of capital is not automatically a bad thing, but it does change the region’s rhythm.

You see it most clearly in ownership. For families who have worked the same steep slopes for decades, today’s land prices are becoming harder and harder to square with succession. When a hectare is worth millions, the estate does not only gain status. The financial pressure around handover rises as well. Inheritance tax is calculated on market value, while the cash in a wine business is often limited. The wealth sits in the vineyard, not in the bank. Add the reality of having to buy out brothers or sisters who are not active in the domaine, and the sums quickly become too heavy, even for healthy estates. Banks look at cash flow, not at heritage.

In that context, selling becomes less of a choice and more of a necessity. Not because families want to stop, but because the numbers start pushing them there. For young winemakers, the same prices create a near-impossible barrier. Barolo becomes less a place you can grow into step by step, and more a place you can only enter if serious capital is already behind you.

With new ownership also comes a shift in how winemaking is approached. In family estates, the vineyard is usually the starting point, with decisions shaped by experience, intuition, and pride in the land. In larger structures, the focus more often moves toward efficiency and control. Money goes into modern cellars, precision tools, hospitality, and international marketing. That can raise standards and professionalise the region, but it also changes what gets valued most. Winemaking becomes part of a broader business model, where consistency and scale can matter more than a personal touch.

And that has consequences for how Barolo is made today. Terroir does not disappear, but it starts playing a different role inside a tighter economic frame. The question hanging over these vineyards is not whether Barolo will lose quality. The real question is how much room will remain for identity, for interpretation, and for the kind of individual voice that made so many of us fall in love with Barolo in the first place.

👃 What Does This Mean for What’s in the Glass?

For the drinker, these changes show up first on the label. In Barolo, origin is carrying more and more weight, and you see that in the rise of the Menzioni Geografiche Aggiuntive, the MGAs. Producers increasingly choose to state exactly which cru, or even which parcel, their grapes come from. Not only out of pride or conviction, but because that kind of precision now has real value. A name like Bussia, Cannubi, or Vigna Rionda is no longer just a place on a map. It has become a clear signal in the market.

That evolution mirrors the jump in vineyard prices almost directly. As hectares become rarer and more expensive, the urge to show that value openly grows stronger. MGAs are more and more used as price anchors. They help justify higher bottle prices and they create a hierarchy inside an appellation that many people used to think of as one whole. Barolo becomes less of a single category and more of a layered landscape, where origin, reputation, and scarcity keep feeding each other.

But it does not stop at the label or the price list. It reaches into how terroir is talked about, and sometimes into how it is handled. Terroir once meant accepting the limits and the character of a specific slope. Today there is a risk that it turns into a story that needs to be easy to sell. Origin still matters, but more and more for what it adds commercially. Variation, risk, and vintage moodiness, things that used to be part of proud winemaking, can give way to consistency, predictability, and a style that reads well internationally. Anything that falls outside that frame gets smoothed out.

In the end, you can taste that shift. Many wines become more correct, cleaner, technically spotless. Yet some lose a bit of their tension and their edge. Not because they are made with less skill, but because the focus changes. The wine no longer has to speak first and foremost about where it comes from, as long as it remains recognisable and sellable within an international fine-wine language.

That is why Barolo now finds itself in a delicate place between return and identity. The challenge is not quality, that part is not in doubt. The challenge is meaning. Because when origin becomes only a marketing tool, rather than a guide for decisions in the vineyard and cellar, the soul of winemaking can slowly start to fade into the background.

🔮 Where Barolo Goes Next

The question of where Barolo is heading is not theoretical. You can feel it today in the vineyards, in the cellar, and in the market. One possible future is already easy to imagine, and it is the one many people quietly fear. Barolo becomes even more exclusive. In that scenario, it follows the road Burgundy has been on for years. The best crus become rarer and more expensive, prices keep climbing, and the bottles slowly drift out of the everyday reach of the lover of Barolo. Real growers will still be there, but their wines increasingly become things to collect and invest in. Barolo remains great, but it becomes harder to live with.

Another direction is scale and sameness. Larger groups take a stronger and stronger position, professionalise the region even further, and lift everything toward a consistent premium level. The wines are technically perfect, reliable, and instantly recognisable on the world stage. Barolo becomes a luxury product with a clean story and a clear place in the market. The downside is obvious. Differences between producers and between slopes become less pronounced. The risk is not that Barolo loses quality, but that it loses character.

Between those two extremes sits a third path, less obvious but perhaps the one most worth fighting for. A future where capital and character can live side by side. Where investors bring stability, resources, and infrastructure, while small producers keep their place by standing out through origin, interpretation, and personality. In that model, MGAs do not become marketing stickers. They stay what they are meant to be, a true expression of terroir. There is room for diversity, even inside a more professional and better resourced region.

Which way it goes will depend on who gets to lead the conversation. On who decides what matters more: return or interpretation, scale or nuance, sellability or meaning. Barolo’s future is not fixed by rules or market models. It will be shaped by choices made now, by investors and by winemakers alike. That tension carries both danger and hope. The hope is that Barolo can hold on to both quality and character, without giving away its soul.

📊 Barolo in Numbers (2024)

  • Growth in private investment since 2015: +70%
  • Average price of Barolo vineyard land: €1.8 to €3.0 million per hectare
  • Annual production: approximately 13 million bottles
  • Average export price: €21 per 0.75 litre bottle
    Sources cited in the original context include CREA, Gambero Rosso, the Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, and Vinous.

🕯️ Epilogue

When I stepped out of the car that day, my thoughts kept circling back to Attilio Pecchenino, to the numbers, and to the look in Caterina Cordero’s eyes.
Three million euros for a single hectare of land. But how much is a piece of history worth?

Wine has always been more than a product. It is the work of people who make choices, year after year, generation after generation. The question is whether we will still taste that story in the future, now that hectares are more and more spoken of in gold, and value threatens to outweigh meaning.

This is only one way of reading a change that touches the entire region. The conversation about Barolo’s future deserves more voices than mine alone.

For me, Barolo has always been a wine to return to. A wine to spend time with, to age, to open on the moments that matter. My hope is that it can stay that way. Not as a luxury idea, but as living wine. Even in a world where Barolo is more and more treated as a brand, and less and less as a promise.

🍷 De Gouden Hectare van Barolo – Hoe kapitaal de toekomst van Barolo hertekent

Wanneer ik in de wagen zit, staat er meestal een wijnpodcast op. Ook dit keer. Ik reed, de gordel strak om me heen, terwijl op de achtergrond James McNay, mijn vriend en mede Italian Wine Ambassador, het gesprek leidde in Ambassador’s Corner van de Italian Wine Podcast.
Zijn gast was Attilio Pecchenino.

Het gesprek kabbelde aangenaam voort. Terroir. Traditie. Druiven. Barolo zoals Barolo hoort te zijn. Ik luisterde aandachtig, bijna achteloos, tot James plots die ene vraag stelde.
Mijn adem stokte.

“Attilio, wat is vandaag een hectare Barolo-wijngaard waard?”

Attilio vertelde hoe hij in 2009 een perceel in de cru Bussia had gekocht voor ongeveer €300.000 per hectare. En vandaag?
Het antwoord kwam zonder aarzeling: €3.000.000 per hectare.

Drie miljoen euro.
Voor één hectare.

Op dat moment werd glashelder dat dit verhaal verder reikt dan wijn alleen. Dit gaat niet langer uitsluitend over druiven, vinificatie of jaargangen. Dit gaat over kapitaal, structurele schaarste en de fundamentele vraag wie Barolo in de toekomst nog kan, en zal, maken.

📈 Waarom Barolo-wijngaardgrond vandaag onbetaalbaar lijkt

Dat Barolo-wijngaardgrond vandaag een fortuin kost, is geen toeval en al zeker geen tijdelijk fenomeen. Het is het resultaat van een samenspel tussen structurele schaarste, strikte regelgeving en een vraag die al jaren standhoudt. Om te beginnen is Barolo geografisch klein. De appellatie beslaat slechts een beperkt aantal heuvels in elf gemeenten, en uitbreiding is nauwelijks mogelijk. Nieuwe aanplant wordt bovendien streng gereguleerd door de Europese Unie, die via het systeem van aanplantrechten de jaarlijkse groei van wijngaarden plafonneert op ongeveer één procent. In een regio waar bijna elke geschikte helling al decennia geleden werd aangeplant, betekent dat in de praktijk dat er nauwelijks nog grond bijkomt.

Tegelijk blijft de wereldwijde vraag naar Barolo onverminderd hoog. Jaar na jaar schommelt de productie rond hetzelfde niveau (naar schatting zo’n dertien miljoen flessen) terwijl Barolo zijn positie op internationale wijnkaarten en in verzamelkelders alleen maar verder heeft versterkt. De wijn heeft zich definitief losgemaakt van het segment van de “klassieke Italiaanse rode wijn” en wordt vandaag gezien als een mondiale referentie, vergelijkbaar met grote Bourgogne of top-Napa. Die status vertaalt zich niet in een evenredige stijging van de wijn zelf. De prijs per hectoliter Barolo, de feitelijke waarde van de wijn aan de productiekant, bleef de voorbije jaren opvallend stabiel rond de 900 à 1.000 euro. Voor investeerders is dat een cruciaal signaal. Het wijst op een markt die niet alleen prestigieus is, maar ook voorspelbaar.

Daarbovenop komt de merkwaarde van Barolo zelf. Wie vandaag een perceel Barolo koopt, investeert uiteraard nog steeds in een product: wijn, gemaakt van druiven, afkomstig van een specifieke helling. Tegelijk draagt Barolo vandaag een internationale reputatie met zich mee, gebouwd op herkomst, prestige en historische diepgang. In zo’n context werkt elke hectare als een hefboom: beperkt aanbod, structurele schaarste en wereldwijde reputatie versterken elkaar voortdurend. Het gevolg is onvermijdelijk. De prijs van de grond stijgt niet omdat wijnbouw plots duurder is geworden, maar omdat Barolo als geheel is uitgegroeid tot een uitzonderlijk en begeerd bezit.

🔎 Wat kost het vandaag?

Wie die dynamiek wil vertalen naar concrete cijfers, komt al snel uit bij de verschillende cru’s. Niet elke hectare Barolo is immers gelijk geprijsd. Ligging, reputatie en schaarste spelen een doorslaggevende rol. Gesprekken met producenten en recente marktanalyses tonen aan dat de verschillen vandaag aanzienlijk zijn.

Indicatieve marktwaardes van Barolo-wijngaardgrond (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2,5 – 3,0 miljoen per hectare
    Toplocatie met iconische producenten; referentiepunt voor Monforte.
  • Cannubi (gemeente Barolo): €2,0 – 2,5 miljoen per hectare
    Historisch cru, al vermeld in 1752; sterke naam, iets bredere beschikbaarheid.
  • Ravera (Novello): €1,2 – 1,8 miljoen per hectare
    Sterk stijgend in aanzien; aantrekkelijk voor nieuwe investeerders.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2,0 – 3,0 miljoen per hectare
    Extreem beperkt aanbod; prijzen lopen bij discrete verkopen soms hoger op.

Bronnen: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews met producenten.

💼 Case Study: Vietti

“Een merk kan blijven bestaan, maar een wijnstijl is levend.”

Ik herinner me nog goed hoe ik vroeger de wijnen van Vietti dronk. Hun Rocche di Castiglione was voor mij het schoolvoorbeeld van wat Barolo kan zijn: complex, verfijnd en tegelijk diep verankerd in zijn terroir. Dit waren wijnen met spanning en persoonlijkheid.

Toen in 2016 bekend werd dat Vietti werd verkocht aan de Amerikaanse Krause Group uit Iowa, was dat een schok voor de Barolo-streek. Het was een van de eerste keren dat een historisch Barolo-domein dat generaties lang familie-gefinancierd was, volledig in buitenlandse handen kwam. Op papier bleef de continuïteit verzekerd: het wijnmakersteam bleef ongewijzigd en Mario Cordero, die al jarenlang verantwoordelijk was voor de vinificatie, bleef aan boord.

En toch is wijn zelden louter het resultaat van techniek alleen. In de jaren na de overname begon ik in het glas een verschuiving te ervaren. De wijnen bleven onmiskenbaar goed. Technisch verzorgd, zuiver en consistent, maar voor mijn smaak ook anders. Minder interne spanning, minder eigenzinnigheid. Netter, gladder, commerciëler. Alsof de wijn een deel van zijn frictie had ingeruild voor internationale leesbaarheid. Het bleef Barolo, maar minder uitgesproken Barolo-achtig.

Die indruk kreeg een menselijk gezicht tijdens Vinitaly 2025. Daar ontmoette ik Caterina Cordero, dochter van de familie, die vandaag samen met haar broers het domein Cordero San Giorgio runt in de Oltrepò Pavese. Ze sprak openhartig over de veranderingen bij Vietti, over haar heimwee naar Barolo en over haar hoop om ooit opnieuw actief te kunnen zijn in de Langhe. Niet met bitterheid, wel met zichtbare weemoed.

Ze stond daar niet als iemand die een project had verloren, maar als iemand die een plek miste. En precies daarin schuilt de relevantie van deze casus. Achter elke overname schuilt niet alleen een merkstrategie of een investeringslogica, maar ook een stijlgevoel, een familiegeschiedenis en een manier van werken die zich niet altijd probleemloos laat doorgeven. Zelfs wanneer de wijnmaker dezelfde blijft, verandert de wijn wanneer de context verandert.

🍇 Gevolgen in de wijngaard

De koperslijst in Barolo is vandaag opvallend divers. Naast de vertrouwde familienamen die al generaties lang verankerd zijn in de Baroloheuvels, melden zich steeds vaker nieuwe spelers. Luxegroepen, private-equityfondsen en zelfs internationale horecagroepen zien in Barolo een veilige en prestigieuze investering. Die instroom van kapitaal is op zich niet negatief, maar ze verandert onvermijdelijk de dynamiek van de streek.

Dat wordt het duidelijkst bij het eigenaarschap. Voor families die decennialang dezelfde steile hellingen hebben bewerkt, is de huidige grondprijs steeds moeilijker te verzoenen met opvolging. Wanneer een hectare miljoenen euro’s waard wordt, stijgt niet alleen de symbolische waarde van het domein, maar ook de fiscale en financiële druk bij overdracht. Successierechten worden berekend op marktwaarde, terwijl de liquiditeit van een wijnbedrijf beperkt blijft. Het vermogen zit in de grond, niet op de bank. Wie daarbovenop broers of zussen moet uitkopen die niet actief zijn in het bedrijf, botst al snel op financieringen die zelfs gezonde domeinen nauwelijks kunnen dragen. Banken kijken naar cashflow, niet naar erfgoed.

In die context wordt verkoop steeds minder een keuze en steeds vaker een noodzaak. Niet omdat families willen stoppen, maar omdat de economische realiteit hen daartoe dwingt. Voor jonge wijnmakers vormt diezelfde waardering een bijna onneembare drempel. Barolo wordt zo steeds minder een regio waar je langzaam in kan groeien, en steeds vaker een regio waar je enkel nog kan instappen met aanzienlijk kapitaal achter je.

Met dat nieuwe eigenaarschap verschuift ook de manier waarop naar wijnmaken wordt gekeken. Waar bij familiebedrijven de wijngaard traditioneel het vertrekpunt is — met beslissingen gebaseerd op ervaring, intuïtie en fierheid op het land — ligt bij grotere structuren de nadruk vaker op efficiëntie en beheersbaarheid. Er wordt geïnvesteerd in moderne kelders, precisietechnologie, hospitality en internationale marketing. Dat professionaliseert de streek, maar het verandert ook de hiërarchie van waarden. Wijnmaken wordt steeds vaker onderdeel van een breder businessmodel, waarin consistentie en schaalbaarheid belangrijker worden dan eigenzinnigheid.

Die verschuiving heeft gevolgen voor hoe Barolo vandaag wordt benaderd en gemaakt. Terroir blijft aanwezig, maar krijgt een andere rol binnen een steeds strakker economisch kader. De vraag die boven de wijngaarden hangt, is dan ook niet of Barolo aan kwaliteit zal inboeten, maar in welke mate identiteit en interpretatie ruimte blijven krijgen.

👃 Wat betekent dit voor wat we in het glas krijgen?

Wat die structurele veranderingen betekenen voor de drinker, wordt vandaag in de eerste plaats zichtbaar op het etiket. In Barolo krijgt herkomst steeds meer gewicht, en dat vertaalt zich concreet in het gebruik van de Menzioni Geografiche Aggiuntive (MGA). Producenten kiezen er steeds vaker voor om exact te benoemen van welke cru of welk perceel hun druiven afkomstig zijn. Niet alleen uit overtuiging, maar omdat die precisie vandaag economische waarde vertegenwoordigt. Een naam als Bussia, Cannubi of Vigna Rionda is geen louter geografische aanduiding meer, maar een duidelijke positionering in de markt.

Die evolutie weerspiegelt rechtstreeks de explosieve stijging van de waarde van wijngaardgrond. Naarmate hectaren schaarser en duurder worden, groeit de noodzaak om die waarde ook expliciet te communiceren. MGA’s functioneren daarbij steeds vaker als prijsankers: ze legitimeren hogere flesprijzen en creëren interne hiërarchie binnen een appellatie die vroeger als één geheel werd gepercipieerd. Barolo wordt zo minder een uniforme categorie en steeds meer een gelaagd landschap, waarin herkomst, reputatie en schaarste elkaar versterken.

Maar die verfijning blijft niet beperkt tot het etiket of de prijslijst. Ze werkt door tot in de interpretatie van terroir zelf. Waar terroir ooit betekende dat men zich schikte naar de beperkingen en eigenheden van een specifieke helling, dreigt het vandaag te verworden tot een verhaal dat vooral verkoopbaar moet zijn. Herkomst blijft belangrijk, maar steeds vaker om haar commerciële meerwaarde. Variatie, risico en grilligheid (ooit kernbegrippen van fier wijnmaken) maken plaats voor consistentie, voorspelbaarheid en internationale leesbaarheid. Wat niet binnen dat kader past, wordt bijgestuurd.

Uiteindelijk proef je die verschuiving ook in het glas. De wijnen worden correcter, schoner en technisch onberispelijk, maar verliezen soms hun spanning en eigenheid. Niet omdat ze slechter worden gemaakt, maar omdat het accent verschuift. De wijn hoeft niet langer in de eerste plaats iets te vertellen over zijn oorsprong, zolang hij maar herkenbaar en verkoopbaar is binnen een internationaal referentiekader.

In dat spanningsveld tussen rendement en identiteit staat Barolo vandaag op een kruispunt. De uitdaging voor de regio is niet het behoud van kwaliteit — die staat buiten kijf — maar het bewaken van betekenis. Want wanneer herkomst uitsluitend een marketinginstrument wordt en niet langer een leidraad voor keuzes in wijngaard en kelder, dreigt de ziel van het wijnmaken langzaam naar de achtergrond te schuiven.

🔮 Waar gaat dit heen?

De vraag waar Barolo naartoe gaat, is een meer dan realistische vraag. Ze leeft vandaag in de wijngaard, in de kelder en op de markt. Eén mogelijke toekomst ligt voor de hand: die van verdere exclusiviteit. In dat scenario volgt Barolo het pad dat Bourgogne al langer bewandelt. De beste cru’s worden steeds zeldzamer en duurder, de prijzen stijgen verder, en de flessen verdwijnen langzaam uit het dagelijkse bereik van de liefhebber. Authentieke wijnbouwers blijven bestaan, maar hun wijnen worden objecten van verzameling en investering. Barolo blijft groot, maar steeds minder bereikbaar.

Een andere richting is die van schaal en uniformiteit. Grotere groepen nemen een steeds dominantere positie in, professionaliseren de streek verder en tillen alles op naar een consistent premium niveau. De wijnen zijn technisch perfect, betrouwbaar en internationaal herkenbaar. Barolo wordt in dat geval een luxeproduct bij uitstek, met een strak verhaal en een duidelijke positionering. De keerzijde is dat verschillen tussen producenten en hellingen minder uitgesproken worden. Het risico is niet kwaliteitsverlies, maar karakterverlies.

Tussen die twee uitersten ligt een derde, minder evidente maar wellicht meest wenselijke weg. Een toekomst waarin kapitaal en karakter naast elkaar bestaan. Waar investeerders zorgen voor stabiliteit, middelen en infrastructuur, terwijl kleinschalige producenten hun plaats behouden door zich scherp te profileren via herkomst, interpretatie en persoonlijkheid. In zo’n model blijven MGA’s geen marketinglabels, maar werkelijke uitdrukking van terroir, en ontstaat er ruimte voor diversiteit binnen een professioneel kader.

Welke richting het uiteindelijk uitgaat, zal afhangen van wie het gesprek mag voeren. Van wie bepaalt wat belangrijker is: rendement of interpretatie, schaal of nuance, verkoopbaarheid of zeggingskracht. De toekomst van Barolo ligt niet vast in regels of marktmodellen, maar in de keuzes die vandaag worden gemaakt, door investeerders én door wijnmakers. In dat spanningsveld schuilt tegelijk het gevaar en de hoop: dat Barolo erin slaagt kwaliteit en karakter te verzoenen, zonder zijn ziel prijs te geven.

📊 Barolo in cijfers (2024)

– Groei particuliere investeringen sinds 2015: +70 %
– Gemiddelde prijs Barolo-wijngaardgrond: € 1,8 – 3 miljoen per hectare
– Jaarlijkse productie: ± 13 miljoen flessen
– Gemiddelde exportprijs: € 21 per fles (0,75 l)
Bronnen: CREA, Gambero Rosso, Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, Vinous

🕯️ Epiloog

Toen ik die dag uit de wagen stapte, bleef mijn gedachtenstroom hangen bij de woorden van Attilio Pecchenino, bij de cijfers, en bij de blik van Caterina Cordero.
Drie miljoen euro voor één hectare grond — maar hoeveel is een stuk geschiedenis waard?

Wijn is altijd meer geweest dan een product. Het is het resultaat van mensen die keuzes maken, jaar na jaar, generatie na generatie. De vraag is of we dat verhaal ook in de toekomst nog zullen blijven proeven, nu hectaren steeds vaker in goud worden uitgedrukt en waarde het dreigt te halen van betekenis.

Dit is slechts één lezing van een evolutie die de hele streek raakt, en het gesprek over de toekomst van Barolo is er één dat meer stemmen verdient dan de mijne alleen.

Barolo is voor mij altijd een wijn geweest om naar terug te keren. Een wijn om tijd mee door te brengen, om oud te laten worden, om open te maken op momenten die ertoe doen. De hoop is dat dat zo kan blijven — niet als luxe-idee, maar als levende wijn. Ook in een wereld waarin Barolo steeds vaker als merk wordt benaderd, en steeds minder als belofte.

Orange wines: tussen historische realiteit en persoonlijke weerstand

Het gaat voor mijn vrienden ongetwijfeld bizar overkomen dat ik dit onderwerp aansnij en een artikel schrijf over orange wines. Zij weten immers maar al te goed hoezeer ik deze wijnen hekel en hoe weinig ik me thuis voel binnen deze categorie. Wanneer een discussie hierover ontstaat, is mijn antwoord steevast hetzelfde: tannine in witte wijn stoort me. Ik zoek het niet en ik wil het niet.

Voor mij moet een witte wijn fris zijn, strak waar mogelijk, gedragen door voldoende aciditeit en liefst ondersteund door een duidelijke minerale onderbouw. Zo’n wijn krijgt bij mij nog een streepje voor wanneer hij een macération pelliculaire heeft ondergaan, een korte, koude schilweking dus, maar expliciet geen langdurig schilcontact.

Tegelijk besef ik maar al te goed dat de wijnwereld niet naar mijn pijpen danst en dat mijn persoonlijke voorkeur niet noodzakelijk die is van de mondiale wijnliefhebber. Gelukkig maar. In mijn omgeving merk ik bovendien dat jongere wijnliefhebbers zich veel minder afkerig tonen tegenover orange wines, of zoals wijnbouwers ze liever noemen, amber wines. En dus moet deze zogenaamd conservatieve liefhebber mee met zijn tijd.

Ik mag blijven genieten van mijn eigen goesting in het glas, maar wanneer het over les goûts et les couleurs gaat, hoort daar ook respect bij voor wie bewust voor een ander type wijn kiest. Mijn innerlijke ik behoudt wel het recht om zachtjes te protesteren en mijn favoriete boutade te blijven herhalen wanneer men mijn mening vraagt over orange wines: er is een reden dat doorheen de eeuwen witte wijn als witte wijn werd gemaakt en rode wijn als rode wijn. Een witte wijn maak je dus niet als een rode wijn.

Voor het vervolg van dit artikel parkeer ik mijn subjectieve visie en probeer ik het verhaal met de nodige afstand en objectiviteit te schetsen.

Van persoonlijke weerstand naar historische realiteit

Los van persoonlijke voorkeuren staat één zaak vast: wijnen met schilcontact bij witte druiven behoren tot de oudste wijnstijlen ter wereld. Lang voor technische precisie, temperatuurcontrole en helder gefilterde witte wijnen hun intrede deden, werd wijn gemaakt volgens methodes die vandaag vaak als onconventioneel worden bestempeld. Om te begrijpen waarom orange wines vandaag opnieuw zo nadrukkelijk aanwezig zijn in het wijnlandschap, is een blik op hun oorsprong en ontwikkeling onmisbaar.

Lange tijd werd witte wijn geassocieerd met helderheid, frisheid en directe drinkbaarheid. Tegen die achtergrond zorgt de heropleving van oude vinificatietechnieken vandaag voor nieuwe spanning en verdieping. Orange wine is daarvan een sprekend voorbeeld. Ondanks de naam heeft deze wijn niets te maken met citrusvruchten. Het gaat om witte wijn die wordt gemaakt volgens principes die traditioneel met rode wijn worden geassocieerd. Door witte druiven te vergisten mét schil ontstaat een wijn met een opvallende kleur, meer structuur en een uitgesproken eigen identiteit.

Die aanpak levert wijnen op die zich moeilijk laten vergelijken met klassieke witte stijlen. De aanwezigheid van tannine, extra aromatische complexiteit en een vaak tastbare textuur zorgen voor een profiel dat bewust afwijkt van wat decennialang als norm gold. Net dat eigenzinnige karakter verklaart waarom deze stijl de voorbije jaren een vaste plaats heeft veroverd bij sommeliers, natuurwijnliefhebbers en wijnbouwers die streven naar maximale expressie van druif en herkomst, eerder dan naar uniformiteit en technische perfectie.

Wat maakt een wine orange

Bij klassieke witte wijnproductie wordt het sap vrijwel onmiddellijk na het persen gescheiden van de schillen. Bij orange wine blijft dat sap daarentegen gedurende uren, dagen of zelfs maanden in contact met de schillen en soms ook met pitten of steeltjes. Deze maceratie leidt tot de extractie van kleurstoffen, aromatische componenten en tannine.

Het resultaat is een wijn met een amberkleurige tot oranje tint, meer body en een duidelijk aanwezige textuur. Sensorisch bevindt orange wine zich op het snijvlak tussen wit en rood, zonder zich volledig in een van beide categorieën te laten onderbrengen. Net die hybride positie verklaart zowel de aantrekkingskracht als de weerstand die deze stijl oproept.

De term orange wine ontstond begin jaren 2000 en verwijst in hoofdzaak naar het visuele aspect van de wijn. Hoewel de benaming technisch niet correct is, biedt ze een snel herkenbaar kader voor een stijl die anders moeilijk te vatten valt. Inhoudelijk draait het immers niet om kleur alleen, maar om een fundamenteel andere benadering van witte wijnvinificatie.

Historische wortels in de Kaukasus

De oorsprong van orange wine ligt duizenden jaren terug in de Kaukasus, in het huidige Georgië. Daar werden witte druiven traditioneel vergist met schil in qvevri, grote aardewerken amforen die ondergronds werden ingegraven. Deze methode combineerde lange schilweking met natuurlijke temperatuurstabiliteit en resulteerde in wijnen met een diepe kleur, uitgesproken structuur en een opmerkelijk bewaarpotentieel. De techniek wordt al meer dan achtduizend jaar toegepast en geldt als een van de oudste vormen van wijnmaken die we kennen.

Die aanpak was niet louter cultureel bepaald, maar ook praktisch. Door het langdurige contact met de schillen kreeg de wijn extra tannine en stabiliteit, waardoor hij beter bestand was tegen oxidatie. Vanuit Georgië verspreidde deze manier van werken zich geleidelijk naar andere regio’s, waaronder delen van het huidige Slovenië en Noordoost Italië. Met de opkomst van moderne wijnbouw in de negentiende en twintigste eeuw raakte deze stijl echter op de achtergrond. Strakkere, technisch controleerbare witte wijnen werden de norm en schilcontact bij witte druiven werd steeds vaker gezien als te rustiek en te weinig voorspelbaar.

De heropleving in de eenentwintigste eeuw

De hernieuwde belangstelling voor orange wine staat niet op zichzelf. Ze past binnen een bredere herwaardering van ambacht, authenticiteit en herkomst. Steeds meer wijnliefhebbers tonen interesse in wijnen die minder gestuurd zijn door techniek en meer ruimte laten voor druif, bodem en tijd. In die context kreeg ook schilcontact bij witte druiven opnieuw aandacht.

Orange wine vertelt immers een verhaal dat verder reikt dan vinificatietechniek alleen. Het gaat om een bewuste keuze voor minimale interventie, voor het accepteren van variatie en voor het loslaten van uniformiteit. Dat verklaart waarom deze stijl vooral aansluiting vond bij wijnbouwers en consumenten die zoeken naar expressie en identiteit, eerder dan naar technische perfectie.

Friuli en Slovenië als modern epicentrum

Dat grote wijn geen politieke grenzen kent, wordt treffend geïllustreerd door het grensgebied tussen Friuli Venezia Giulia in Noordoost Italië en Primorska in West Slovenië. Samen ontwikkelden deze regio’s zich tot het hedendaagse epicentrum van schilcontactwijnen van witte druivenrassen. Het was hier dat deze stijl eind jaren negentig opnieuw internationale aandacht kreeg, lang voor hij wereldwijd navolging vond.

Georgië blijft het historische referentiepunt, met wijnen die vaak diep amberkleurig en krachtig gestructureerd zijn. Friuli Venezia Giulia groeide uit tot een kernregio voor een meer hedendaagse interpretatie, met druivenrassen als Ribolla Gialla en Friulano. In Slovenië, met name in Brda en Vipava, ligt de nadruk vaak op finesse en balans.

Ook buiten Europa wordt schilcontact vandaag bewust en doordacht toegepast. In Oostenrijk, Spanje, Australië, Zuid Afrika, Californië, Oregon en delen van Zuid Amerika experimenteren wijnmakers met deze techniek als volwaardig instrument om structuur, textuur en herkomst tot uitdrukking te brengen. Vaak gebeurt dat los van Europese voorbeelden, vanuit een eigen terroir interpretatie en binnen uiteenlopende wijntradities. Orange wine is daarmee geen regionale curiositeit gebleven, maar uitgegroeid tot een mondiale stijltaal met vele accenten.

Radikon en Gravner als sleutelfiguren

In de heuvels van Collio DOC speelden Stanko Radikon en Josko Gravner een bepalende rol in de herwaardering van schilcontact bij witte wijn. Vanaf de jaren negentig keerden zij zich bewust af van de toenemende industrialisering van de regionale wijnbouw. Hogere opbrengsten en verregaande technische correcties haalden volgens hen de essentie uit de wijn. Hun antwoord was radicaal, maar historisch onderbouwd: terug naar lange schilweking bij witte druiven.

Binnen het domein Radikon wordt bewust afstand genomen van de term orange wine en spreekt men liever over wijnen met schilcontact. Saša Radikon, die het domein verderzet sinds 2016, erkent dat de gangbare benaming weinig precies is, maar wel helpt om het concept te duiden. De stijl van het huis omvat zowel meer toegankelijke interpretaties met beperkte maceratie als uitgesproken wijnen met langdurig schilcontact en lange rijping, waarbij structuur en bewaarpotentieel centraal staan.

Josko Gravner ging nog een stap verder door na de eeuwwisseling volledig over te schakelen op fermentatie in qvevri. Die keuze, geïnspireerd door eeuwenoude Georgische praktijken, resulteert in wijnen die bewust traag evolueren en pas na lange rijping op de markt komen. De combinatie van schilcontact, natuurlijke gisting en geduldige opvoeding levert wijnen op met grote diepte, uitgesproken structuur en een uitzonderlijke levensduur.

Vinificatie en keuzes van de wijnmaker

De productiemethode vormt het hart van deze wijnstijl. De duur van de maceratie, de keuze van het druivenras en het gebruikte vinificatiemateriaal bepalen samen het uiteindelijke profiel van de wijn. Sommige wijnmakers opteren voor een korte schilweking en streven naar relatief frisse, toegankelijkere interpretaties. Anderen laten de most weken tot maanden in contact met de schillen en soms ook met de steeltjes, wat resulteert in krachtigere wijnen met uitgesproken structuur en duidelijke tannine.

Naast traditionele qvevri worden vandaag uiteenlopende vaten ingezet. Grote houten foeders, betonnen eieren en roestvrij staal komen allemaal voor, afhankelijk van de gewenste expressie. Vaak verloopt de gisting spontaan met natuurlijke gisten en wordt sulfiet slechts beperkt gebruikt of volledig achterwege gelaten. Door de aanwezigheid van tannine uit de schillen beschikt de wijn immers over een zekere natuurlijke stabiliteit, wat filtering en correcties minder noodzakelijk maakt.

Die manier van werken laat weinig ruimte voor standaardisatie. Schilcontactvinificatie is geen exacte wetenschap en verdraagt geen vaste recepten. Elke oogst, elke druif en elke keldercontext vraagt nieuwe keuzes en aanpassingen. Net die onzekerheid dwingt wijnmakers tot voortdurende reflectie en verklaart waarom deze stijl zo sterk verbonden is met persoonlijke visie en ervaring.

Smaak, structuur en balans

Orange wines bestrijken een opvallend breed aromatisch spectrum. In de neus komen vaak tonen naar voren van gedroogde appel en abrikoos, sinaasappelschil, noten, honing en kruidigheid. In de mond staat vooral het mondgevoel centraal. De aanwezigheid van tannine geeft grip en lengte, terwijl zuren zorgen voor spanning en evenwicht.

Afhankelijk van druivenras en vinificatie kunnen deze wijnen uiteenlopen van relatief fris en aromatisch tot uitgesproken aards en krachtig. Rassen met van nature hoge aciditeit blijken het meest geschikt voor langduriger schilcontact. Die frisheid vormt samen met de tannine een stevig kader dat voorkomt dat de wijn log of zwaar wordt. Dat verklaart het succes van druiven als Ribolla Gialla, in Slovenië bekend als Rebula, Friulano en Rkatsiteli binnen deze stijl.

Het is precies deze combinatie van structuur en frisheid die orange wine zo eigen maakt. Ze zorgt voor wijnen die zich niet onmiddellijk prijsgeven, maar zich langzaam ontvouwen in het glas en aan tafel. De balans tussen extractie en spanning bepaalt daarbij of een wijn overtuigt of net weerstand oproept.

Orange wine aan tafel

Dankzij hun uitgesproken structuur en aromatische diepte zijn orange wines bijzonder geschikt voor gastronomische inzet. De combinatie van tannine, body en frisse zuren geeft deze wijnen een draagkracht die klassieke witte wijn vaak mist, zonder de dominantie van rood te benaderen. Net daardoor nemen ze aan tafel een unieke positie in.

Kruidige keukens uit het Midden Oosten, Noord Afrika en Azië vormen een natuurlijke match. Specerijen en intense smaaklagen worden opgevangen door de structuur van de wijn, terwijl de zuren zorgen voor frisheid en verteerbaarheid. Ook bij geroosterde groenten, paddenstoelen, peulvruchten en andere umamirijke bereidingen bewijzen orange wines hun meerwaarde. Ze verbinden smaken waar wit soms tekortschiet en rood te zwaar aanvoelt.

De aromatische signatuur van orange wine speelt daarbij een sleutelrol. Tonen van gedroogd fruit, kruiden, noten en soms een lichte oxidatieve nuance sluiten naadloos aan bij gerechten met diepte en complexiteit. De volle, gelaagde mondstructuur met tastbare grip nodigt uit tot eten en versterkt de interactie tussen wijn en gerecht.

Ook kazen vormen een overtuigend pairingdomein. Gerijpte harde kazen, bergkazen en zelfs blauwschimmelkaas vinden in orange wine een evenwichtige partner, dankzij het samenspel van zout, vet en structuur. Juist aan tafel tonen deze wijnen hun volledige potentieel, ook wanneer ze afkomstig zijn van een kortere maceratie en daardoor toegankelijker blijven.

Binnen die gastronomische context blijft er uiteraard ruimte voor persoonlijke voorkeur. Ook wanneer een pairing technisch klopt, hoeft ze niet noodzakelijk aan te sluiten bij wat een gast zoekt in het glas. Wanneer ik ga tafelen in een gereputeerd restaurant, vind ik het dan ook vanzelfsprekend dat ik aan de sommelier kan aangeven dat orange wines niet tot mijn persoonlijke voorkeur behoren. Indien dit type wijn deel uitmaakt van de aangepaste wijnen, kies ik bewust voor een alternatief.

Bij gastronomische menu’s met aangepaste wijnen gaat het vaak om een aanzienlijke investering. Het is dan niet meer dan logisch dat een gast zijn smaakvoorkeuren kenbaar maakt. Een goede sommelier begrijpt dat een geslaagde pairing niet alleen technisch juist moet zijn, maar ook rekening houdt met de verwachtingen en het comfort van de gast. Luisteren weegt in dat geval zwaarder dan overtuigen.

Afronding: plaatsbepaling en persoonlijke reflectie

De hedendaagse positie van orange wine laat zich moeilijk los zien van de bredere natuurwijnbeweging. Biologische en biodynamische wijngaarden, spontane vergisting en minimale ingrepen in de kelder vormen geen marketingkeuzes maar een logisch gevolg van een bepaalde visie op wijn maken. Voor veel producenten is schilcontact geen statement, maar een middel om druif en herkomst zo ongefilterd mogelijk te laten spreken.

Tegelijk spreekt deze stijl een publiek aan dat verder kijkt dan smaak alleen. Vooral jongere wijnliefhebbers hechten belang aan het verhaal achter de fles, aan authenticiteit en aan het idee dat wijn meer mag zijn dan een technisch foutloos product. Ook sommeliers spelen daarin een rol. Orange wines bieden hen de mogelijkheid om gasten kennis te laten maken met andere structuren en smaakprofielen, zonder noodzakelijk te choqueren. Hun gastronomische inzetbaarheid en uitgesproken persoonlijkheid maken ze tot een volwaardig instrument binnen de hedendaagse wijnkaart.

Dat alles betekent niet dat orange wine een universele oplossing is, of een stijl die iedereen moet omarmen. Integendeel. Net doordat deze wijnen polariseren, behouden ze hun relevantie. Ze vragen aandacht, tijd en bereidheid tot interpretatie. Ze maken keuzes zichtbaar, in de wijngaard en in de kelder, en laten weinig ruimte voor vrijblijvendheid. In een wijnwereld waar snelheid en uniformiteit vaak primeren, vormen ze een bewuste tegenbeweging die inzet op traagheid en essentie.

En daar sluit de cirkel zich met het vertrekpunt van dit artikel. Mijn persoonlijke voorkeur blijft uitgaan naar strakke, frisse witte wijnen met duidelijke aciditeit en minerale spanning. Orange wines zullen nooit mijn natuurlijke habitat worden. Maar dat hoeft ook niet. Wijncultuur leeft juist bij gratie van verschil, van debat en van uiteenlopende smaken. Door mijn eigen weerstand tijdelijk te parkeren en deze stijl met open blik te benaderen, groeit het respect voor wat ze probeert te zijn, ook wanneer ze niet is wat ik zoek in mijn glas.

Orange wine vraagt geen consensus. Ze vraagt begrip. En misschien is dat, los van persoonlijke voorkeur, haar grootste verdienste.

Elegantie in wijn: een nuttig wijnwoord of een leeg cliché?

Het zal je misschien verbazen, maar er zijn wel degelijk elementen in de wijnwereld waar ik me mateloos aan stoor. Ik heb het dan vooral over het woordgebruik dat je hoort of leest in interviews, podcasts of wijnbesprekingen. Twee van de termen die me – laten we zeggen – lichtjes op de zenuwen werken zijn elegance en sustainable. Vandaag tackel ik in dit opiniestuk het gebruik van elegance om een wijn te omschrijven.

Laten we eerlijk zijn: als een wijnboer over zijn wijn spreekt als elegant, wat bedoelt hij daar precies mee? Draagt de wijn een smoking? Heeft hij hakjes onder de kurk? Of maakt hij bij het inschenken een buiging?

Wat bedoelen we eigenlijk met ‘elegant’ in wijn?

Om een vorm van definitie te vinden voor het gebruik van elegantie in wijn ben ik even te raden gegaan bij het kwaliteitsmagazine/website Wine Enthusiast. Daar wordt het gebruik als volgt uitgelegd:

In the realm of wine, the term “elegance” goes beyond aromas and flavors: It encapsulates a harmonious balance of finesse, restraint and sophistication. An elegant wine is one that seamlessly integrates its components, leaving a lasting impression. This delicate quality is often associated with subtlety rather than boldness, with a focus on nuance and refinement.
These wines are not your big, broad-shouldered bottles. However, elegant wines do not have to be light-bodied. They do tend to be more restrained and often will not show you all they have to offer in the first sip. It’s an overall vibe as much as a mouthfeel, which includes the texture on the palate—like the way a fine cashmere sweater feels on your skin, or the sensation of hearing Yo-Yo Ma play Bach’s soft, soothing Cello Suite No. 1. But one thing all elegant wines must possess is true balance and searing acidity, which sets these restrained wines in contrast to their opulent and powerful counterparts.

Vrij vertaald: volgens Wine Enthusiast gaat elegance in wijn verder dan aroma’s en smaken. Het is de kunst om finesse, terughoudendheid en verfijning in balans te brengen. Een elegante wijn is er een die zijn componenten naadloos samenbrengt, zonder grof of luidruchtig te worden. Het zijn wijnen die hun kracht niet tonen in volume of breedte, maar in nuance en subtiliteit. Vaak zijn ze ingetogen bij de eerste slok en laten ze pas gaandeweg zien wat ze te bieden hebben. Wat ze volgens de definitie altijd gemeen hebben, is een zuivere balans en een stevige frisheid, die hen onderscheidt van de rijkere, meer uitgesproken tegenpolen.

Waarom gebruiken wijnmakers (en proevers) het dan zo graag?

Toegegeven, de beschrijving die Wine Enthusiast eraan geeft klinkt mooi en er zit in zekere zin wel enige waarheid in. Alleen zit hier meteen het probleem: elegance wordt opgetild tot een bijna mystieke kwaliteit, een sfeer, een vibe, een gevoel dat je zou moeten ervaren. Dat klinkt prachtig in een magazine, maar in de praktijk is het vooral een glibberige term. Moet niet elke wijn in balans zijn? Is evenwicht niet altijd het sleutelwoord bij een correcte omschrijving van een goede wijn? Een wijn kan verfijnd zijn, breekbaar tot fragiel zelfs, maar elegant? En toch kakelt bijna elke producent erover alsof het vanzelfsprekend is.

Maar waarom doen ze dat toch, en waarom nemen wijnrecensenten het woord zo gretig over? Terwijl ik dit schrijf, moet ik toegeven dat ik me er ongetwijfeld zelf ook al aan heb bezondigd. Het antwoord is eenvoudig: elegant klinkt goed. Het is een compliment dat niemand in twijfel trekt. Het schept een verwachting die de wijn meteen een niveau hoger tilt. Bovendien is het veelzijdig inzetbaar. Een lichte Pinot Noir, een gerijpte Barolo, een verfijnde Champagne of zelfs een zonnige rosé uit Sicilië: allemaal kunnen ze zonder schroom worden bestempeld als elegant. Het is een veilige keuze. Wie elegant zegt, positioneert zich aan de juiste kant van de smaak. Weg van bombast, houtgeweld en overextractie. Elegant betekent: ik heb stijl, ik heb begrip, ik heb klasse.

En toch wringt het. Want voor mij hoort elegance eerder thuis bij de manier waarop je wijn drinkt dan bij de wijn zelf. Het boers vastgrijpen van een glas met de handpalm eromheen en het bruut achterover kieperen: dat is allesbehalve elegant. Het glas bij de steel nemen, de pink licht vooruit, rustig nippen: dáár kan ik perfect mee leven. Dan proef ik een verfijnde, uitgebalanceerde wijn waar ik eindeloos van kan genieten. Maar elegant? Dat ligt eerder in de houding van de drinker dan in de fles.

Maar wat is de wijn dan?

Ik heb nog nooit een wijnboer zijn eigen wijn weten afschieten. Geen producent die zegt: “Mijn wijn is log, zwaar en mist finesse, maar ach, hij doet het goed bij de barbecue.” Nee, natuurlijk niet. Elke wijn wordt in de markt gezet als een klein meesterwerk, en dan is het woord elegant snel uitgesproken. Het is een term die veilig, flatterend en bovenal onschadelijk klinkt.

Als elegantie neerkomt op “niet te veel alcohol, niet te veel hout, niet te veel tannine”, dan hebben we het gewoon over balans. En balans is eenvoudigweg een basisvereiste voor goede wijn. Anders gezegd: als elegantie betekent dat er nergens een hoek of randje zit, dan is het misschien gewoon een nette wijn zonder uitgesproken karakter. En dat klinkt al minder sexy, niet?

Misschien wordt het tijd om het woord ‘elegantie’ op pensioen te sturen, of op z’n minst op sabbatical. Er zijn zoveel woorden die meer zeggen. Verfijnd. Delicaat. Gespannen. Sappig. Evenwichtig. Lineair. Complex. Subtiel. Fluwelig. Je kan nog wel ettelijke andere benamingen bedenken. Je moet er misschien wat langer over nadenken, maar je komt dichter bij wat je écht bedoelt.

Een elegant einde

Je hoeft het natuurlijk niet met me eens te zijn. Misschien vind jij elegant wel de perfecte omschrijving voor die ene wijn die je zo dierbaar is. Dat mag. Dit is mijn mening, mijn persoonlijke ergernis en mijn idee van hoe het ook kan.

Misschien denk je er helemaal anders over. Of misschien heb je een alternatief woord dat volgens jou beter vat wat er in een glas te beleven valt. Laat het gerust weten. Stel je voor dat we er een poll van maken: Is “elegant” een nuttig wijnwoord of gewoon een leeg cliché? Ik ben benieuwd wat er uitkomt.

Hoe dan ook: als dit stuk je even aan het denken heeft gezet over de woorden die we gebruiken voor wijn, dan heeft het zijn doel bereikt. En of je dat nu elegant noemt of niet, dat laat ik aan jou over.