Biologische wijn, met een kritische blik

Een van de vragen die ik het vaakst krijg, is er eentje waarop ik eigenlijk niet zo graag antwoord. Hebben jullie ook biologische wijn? En wat is biologische wijn eigenlijk?

Ik maak me er meestal kort vanaf door eenvoudig te antwoorden dat er geen biologische wijn bestaat maar wel wijn gemaakt van biologisch geteelde druiven. De vraag die daar dan op volgt laat zich dan al raden.

Waarom ik hier niet zo graag op antwoord, zal je je misschien afvragen. Wel, dat komt omdat ik me soms ernstige vragen stel bij de oprechtheid van wijnproducenten die plots overtuigde bioadepten zijn geworden.

Wanneer ik even naar mijn eigen wijnassortiment kijk, moet ik vaststellen dat ondertussen meer dan 80 procent van de wijnen gemaakt wordt van biologisch geteelde druiven. En zowat iedere producent die nog niet biologisch werkt, lijkt ondertussen bezig met de omschakeling naar biologische wijnbouw.

Het geeft me soms het gevoel dat het oorspronkelijke gedachtegoed achter de biologische wijnbouw stilaan is verzand in een modetrend.

Wat is biologische wijn?

Bestaat er een pasklare definitie van wat biologische wijn nu eigenlijk is? Door mijn bril bekeken bestaat die niet echt. Of ik zal het wat nuanceren. Er is wel degelijk een officiƫle definitie, maar eentje waarbij de producenten nog een enorme vrijheid behouden om van het biopadje af te wijken.

Want wat zegt die definitie? Biologische wijn wordt gemaakt van druiven die volgens de principes van de biologische landbouw zijn geteeld. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het natuurlijke evenwicht in de wijngaard, de gezondheid van de bodem en het behoud van de biodiversiteit.

In tegenstelling tot de conventionele wijnbouw gelden er binnen de biologische teelt strengere regels voor het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Synthetische onkruidverdelgers en minerale stikstofmeststoffen zijn verboden. Ook het gebruik van chemisch synthetische bestrijdingsmiddelen is sterk beperkt door de biologische regelgeving.

Geen pesticiden, herbiciden en fungiciden dus? Zo eenvoudig ligt het niet.

Biologische druiven mogen immers wel degelijk bespoten worden. De wijnbouwer mag bepaalde toegelaten middelen gebruiken om ziekten en plagen te bestrijden. Een middel dat me daarbij toch wat tegen de borst stuit, is koper. Meer bepaald koperverbindingen, waaronder kopersulfaat, dat samen met kalk de bekende Bordeauxse pap vormt.

Het gebruik ervan is binnen de biologische wijnbouw toegestaan, zij het onder strikte beperkingen. Het probleem is dat koper zich in de bodem kan ophopen en schadelijk kan zijn voor het bodemleven. Een gegeven dat toch enige vragen oproept wanneer we het over milieuvriendelijke wijnbouw hebben.

Ook in de wijnkelder gelden specifieke voorschriften. Maar hoeveel vrijheid behoudt de wijnmaker eigenlijk om een wijn van biologisch geteelde druiven naar zijn hand te zetten?

Meer dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo is chaptalisatie, het toevoegen van suiker om het potentiƫle alcoholgehalte te verhogen, ook bij biologische wijn toegestaan, uiteraard binnen de daarvoor geldende voorschriften en met biologische suiker.

Ook Arabische gom mag worden toegevoegd om de wijn te stabiliseren. Een toevoeging die bovendien de waargenomen stroefheid en het mondgevoel kan beĆÆnvloeden. Daarnaast zijn onder bepaalde voorwaarden ook andere toevoegingen toegestaan, zoals ascorbinezuur, metawijnsteenzuur en mannoproteĆÆnen om de wijn te beschermen of te stabiliseren.

En dan hebben we het nog niet over de verschillende technische behandelingen die tijdens de wijnbereiding mogelijk zijn.

Al deze toepassingen zijn wettelijk toegestaan binnen de biologische wijnbereiding. Toch stel ik me de vraag in welke mate de wijn die uiteindelijk in het glas terechtkomt nog uitsluitend het resultaat is van de biologisch geteelde druiven en de natuurlijke vergisting ervan. Want een grote misvatting is dat wijn van biologisch geteelde druiven verplicht moet vergisten met de gisten die van nature op de druiven aanwezig zijn. Neen, ook het gebruik van geselecteerde, commercieel gekweekte gisten is toegestaan.

Een biologische wijngaard

Het uitgangspunt van biologische wijnbouw vind ik een fantastisch gegeven! Het behouden van een gezonde, levende bodem. De wijnbouwer probeert het bodemleven te stimuleren en de natuurlijke vruchtbaarheid van de grond te behouden. In principe zou dit de logica moeten zijn van elke producent.

Voor de bemesting wordt onder andere gebruikgemaakt van compost, dierlijke mest en groenbemesting. Daarbij kunnen tussen de wijnranken zogenaamde cover crops worden geteeld. Dit zijn bodembedekkende gewassen die de bodem beschermen, de bodemstructuur helpen verbeteren en de biodiversiteit bevorderen. Afhankelijk van het seizoen en de omstandigheden kan de wijnbouwer kiezen voor tijdelijke of permanente begroeiing.

Ook biodiversiteit speelt een belangrijke rol. Door de aanwezigheid van grassen, kruiden en bloeiende planten kunnen verschillende insecten en andere organismen zich in de wijngaard ontwikkelen. Daarbij wordt ook bewust geprobeerd nuttige insecten aan te trekken. Denk bijvoorbeeld aan lieveheersbeestjes, zweefvliegen en sluipwespen, die kunnen helpen bij de natuurlijke bestrijding van schadelijke insecten.

Ondanks alle aandacht voor een gezonde bodem en biodiversiteit blijft de bestrijding van schimmelziekten een van de grootste uitdagingen binnen de biologische wijnbouw. Vooral echte en valse meeldauw kunnen aanzienlijke schade veroorzaken.

De biologische wijnbouwer probeert deze ziekten zoveel mogelijk te voorkomen door een aangepast beheer van de wijngaard. Wanneer behandelingen noodzakelijk zijn, kan hij gebruikmaken van toegelaten middelen zoals zwavel en koperverbindingen, waaronder de eerder besproken Bordeauxse pap.

Vooral in wijngebieden met een hoge schimmeldruk kan gecertificeerde biologische wijnbouw een aanzienlijk risico inhouden. De beperktere mogelijkheden om schimmelziekten te bestrijden kunnen leiden tot grote oogstverliezen en dus ook financiƫle gevolgen hebben voor de wijnbouwer. In dergelijke omstandigheden is de keuze voor biologische certificering niet altijd economisch verantwoord. Uiteindelijk moet een wijnbouwer ook gewoon zijn boterham kunnen verdienen.

Wat met sulfieten?

Wat met sulfieten? Het is heel vaak een van de vervolgvragen die ik krijg. Laat me hier heel duidelijk over zijn. Een biologische wijn is niet noodzakelijk een natuurlijke wijn. Omgekeerd is dit vaak wel het geval. Het is dus een veelvoorkomend misverstand dat biologische wijn geen sulfieten zou bevatten.

Sulfieten ontstaan trouwens van nature tijdens de gisting. Deze sulfieten zijn dan ook steeds aanwezig, in elke wijn. Maar daarnaast mag de wijnmaker zwaveldioxide toevoegen om de wijn te beschermen tegen oxidatie en ongewenste microbiologische ontwikkelingen.

Ook bij biologische wijn is dit toegestaan, al liggen de maximaal toegelaten hoeveelheden lager dan bij conventionele wijn.

Binnen de Europese Unie gelden voor biologische wijn strengere beperkingen op het gebruik van sulfieten. Zo mag een droge biologische rode wijn maximaal 100 milligram sulfiet per liter bevatten, tegenover 150 milligram bij conventionele wijn. Voor witte wijn en rosƩ liggen die grenzen respectievelijk op 150 en 200 milligram.

Bij wijnen met meer restsuiker, de suiker die na de gisting in de wijn achterblijft, mogen vanaf 2 gram per liter hogere hoeveelheden sulfiet aanwezig zijn.

Let wel, dit zijn de wettelijk toegelaten maxima. De meeste producenten zullen minder sulfiteren dan toegelaten.

Het gebruik van sulfieten heeft een belangrijke functie bij de bescherming en houdbaarheid van wijn. Wie ervoor kiest om minder of helemaal geen sulfieten toe te voegen, moet extra aandacht besteden aan het voorkomen van oxidatie en ongewenste microbiologische ontwikkelingen.

En dan is er nog dat hardnekkige verhaal dat je van sulfieten hoofdpijn krijgt. Volgens mij is dat maar een halve waarheid. Ik denk dat verschillende factoren een rol kunnen spelen. Uiteraard de hoeveelheid toegevoegde sulfieten, maar ik stel me ook vragen bij stevige chaptalisatie en, niet onbelangrijk, de hoeveelheid wijn die iemand drinkt.

En wat met mensen die al na ƩƩn slok wijn hoofdpijn krijgen? Zou dat niet eerder te maken kunnen hebben met een persoonlijke gevoeligheid voor bepaalde stoffen in wijn, zoals histamine?

Om dus alle hoofdpijn na het drinken van wijn zomaar op rekening van de sulfieten te schuiven, vind ik toch wat gemakkelijk.

Biogarantie?

Wanneer je een wijn koopt met een biolabel, heb je wel degelijk de garantie dat die wijn gemaakt is van biologisch geteelde druiven. Op papier weliswaar! Want de benaming biologische wijn is binnen de Europese Unie wettelijk beschermd. Producenten moeten voldoen aan deze regelgeving.

Een wijnbouwer die van conventionele naar biologische wijnbouw wil overschakelen, moet eerst een omschakelingsperiode doorlopen. Voor wijngaarden bedraagt die in de regel drie jaar voordat de eerste oogst als biologisch kan worden gecertificeerd. Tijdens deze periode moet de wijnbouwer de biologische voorschriften al naleven.

Erkende controleorganismen gaan minstens eenmaal per jaar na of producenten de regels naleven. Dat hoeft echter niet altijd een bezoek ter plaatse te zijn. Onder bepaalde voorwaarden mag er maximaal 24 maanden tussen twee fysieke inspecties zitten.

Bij ernstige overtredingen kan de biologische status van de betrokken producten worden ingetrokken.

Voor de consument is het Europese biologische logo het belangrijkste herkenningspunt. Dit groene logo met witte sterren in de vorm van een blad geeft aan dat de wijn aan de Europese voorschriften voor biologische productie voldoet. Bij het logo staat ook de code van het controleorganisme en een aanduiding van de herkomst van de landbouwgrondstoffen.

Dat label oogt mooi natuurlijk, maar de certificering en de bijbehorende controles kosten de producent toch redelijk wat centen. Veel kleine familiale domeinen kiezen er daarom voor om af te zien van een officiƫle biologische certificering. Je kan daar een probleem van maken, maar vaak werken deze producenten zelfs strenger dan de grotere wijndomeinen.

Want in de wandelgangen hoor je toch ook heel wat cowboyverhalen over het al dan niet naleven van de opgelegde regels.

Er wordt meer gesproeid dan je zou denken, hoor ik mijn brein dan samenvatten.

Kwaliteitswijn, milieuvriendelijker, gezonder?

Biologische wijn heeft de afgelopen decennia een enorme ontwikkeling doorgemaakt. De belangstelling ervoor is aanzienlijk toegenomen en ook de wetenschap heeft zich steeds meer over deze wijze van wijnbouw gebogen.

Wil dit dan ook zeggen dat een biologische wijn automatisch een betere wijn is? Deze vraag mag je gerust stellen, maar persoonlijk vind ik ze totaal overbodig. Uiteraard niet! Dat is mijn enige antwoord.

Wetenschappelijk onderzoek staaft dit ook. Bij het opzoekwerk naar dit artikel ben ik op een studie gestoten waarin veertien Chianti DOCG wijnen uit de jaargang 2016 met elkaar werden vergeleken. Het ging daarbij om biologische, biodynamische en conventionele wijnen. De onderzoekers vonden wel verschillen in de chemische samenstelling van de wijnen, maar konden geen systematisch verband aantonen tussen de gebruikte productiemethode en de uiteindelijke kwaliteit, smaakbeleving of typiciteit.

Ook andere onderzoeken tonen aan dat biologische wijnbouw bepaalde eigenschappen van wijn kan beĆÆnvloeden, zonder dat daar noodzakelijk een herkenbaar smaakprofiel uit voortkomt.

Een biolabel is dus geen kwaliteitslabel. Het vertelt ons hoe de druiven geteeld en de wijn geproduceerd werden. Laten we vooral niet vergeten dat we eender welke wijn nog altijd zelf in het glas moeten beoordelen.

En is biologische wijn dan milieuvriendelijker?

Op dat vlak zijn er wel degelijk aantoonbare gunstige elementen. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt onder andere een positieve invloed op de biodiversiteit en de natuurlijke bestrijding van schadelijke insecten.

Maar ook hier is het allemaal niet zo eenvoudig. Het lijkt me logisch dat het vermijden van synthetische onkruidverdelgers en het beperken van chemisch synthetische bestrijdingsmiddelen een goede zaak is voor het milieu. Daar bestaat voor mij geen enkele twijfel over. Hetzelfde geldt voor de aandacht voor biodiversiteit, die enkel maar gunstig is voor het leven in de wijngaard.

Maar of je nu biologisch werkt of niet, er zijn altijd nog facetten die je niet kan uitschakelen. Je kan ze verminderen, maar volledig elimineren is in de praktijk bijna onmogelijk.

Denk maar aan de vele mechanische bewerkingen en de bijbehorende uitstoot. Of aan het uiteindelijke vervoer van de wijn naar verkooppunten en consumenten over de hele wereld. We kunnen het ecologische gedachtegoed hoog in het vaandel dragen, maar biologische wijnbouw blijft slechts een stukje van de milieupuzzel. Het ruimere plaatje vertelt soms toch iets anders.

En tot slot, is biologische wijn gezonder?

Ook hier moeten we verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek dat verschillen heeft aangetoond in de aanwezigheid van bepaalde residuen en andere stoffen tussen biologische en conventionele wijnen. Maar daaruit kunnen we niet zomaar besluiten dat biologische wijn gezonder is om te drinken. Er kan en mag in de kelder immers nog vrij veel gebeuren. En uiteindelijk bevat biologische wijn nog altijd alcohol, met dezelfde daaraan verbonden gezondheidsrisico’s.

Of je nu kiest voor een biologische of een conventionele wijn, het blijft dus vooral belangrijk wat de wijnbouwer in de wijngaard en de wijnkelder doet. Het biolabel is tenslotte enkel maar een label!

Waarom vinden we vaker dierlijke aroma’s in rode wijn?


Ik blijf het, ook na meer dan dertig jaar actief met wijn bezig te zijn, fascinerend vinden hoe sterk wijnen van elkaar kunnen verschillen. Vaak kan ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en wil ik op zoek gaan naar het grote waarom. Eenvoudig is dat niet altijd, want soms moet je je verdiepen in een materie waarvoor je zelf niet echt een achtergrond hebt. Dan durf je je tanden wel eens stuk te bijten of blijf je soms te lang op de verkeerde nagel kloppen.

Het heeft dan ook wat tijd gekost om een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag waarom dierlijke aroma’s prominenter voorkomen in rode wijn dan in witte wijn.

Omdat beide op een andere manier worden gevinifieerd, leek het me de logica zelve dat het verschil daar te vinden moest zijn. Het duurde echter een tijdje vooraleer ik doorhad dat ook de lagering en de manier waarop een wijn wordt gestabiliseerd een bepalende rol spelen.

Wat verstaan we eigenlijk onder dierlijke aroma’s?

Leder, paardenstal, bereden zadel, wild, vlezig, gerookt vlees. In proefnotities worden ze allemaal gemakkelijk onder dezelfde noemer geplaatst en maken we er gretig gebruik van. We herkennen die aroma’s vaak ook zonder veel moeite. Alleen blijkt het een stuk moeilijker te worden wanneer we willen verklaren wat er chemisch precies achter schuilgaat.

Groot was immers mijn verbazing toen bleek dat onze proeftermen helemaal niet zo netjes overeenkomen met afzonderlijke geurstoffen. Er bestaat bijvoorbeeld geen molecule die we simpelweg als leder of wild kunnen aanwijzen. Wat wij zo omschrijven, is meestal het resultaat van verschillende geurstoffen die samen een herkenbare indruk geven. Daarbij speelt ook de rest van het aromatische profiel van de wijn mee.

Hoe vaak noteren we op onze proefiches bijvoorbeeld niet dat een wijn een lederachtige toets bezit? Die waarneming kan perfect duidelijk zijn, maar de oorsprong ervan hoeft niet altijd dezelfde te zijn. Een lederaroma kan deel uitmaken van de normale ontwikkeling van een gerijpte rode wijn. Een uitgesproken geur van paardenstal heeft veel vaker een microbiologische oorsprong. Vleesachtige en wildachtige aroma’s kunnen dan weer samenhangen met bepaalde zwavelverbindingen.

We ruiken die aroma’s dus wel degelijk. Alleen is de chemische verklaring achter onze proefwoorden veel minder eenduidig dan de woorden zelf doen vermoeden.

Toch springt ƩƩn micro-organisme onmiddellijk in het oog wanneer we willen begrijpen waarom uitgesproken animale aroma’s vooral met rode wijn worden geassocieerd.

Brettanomyces is de naam

Veel verrassingen zal dit micro organisme niet teweegbrengen, want de naam Brettanomyces zal je al wel eens vernomen hebben. Het is een gist die zich in wijn kan ontwikkelen nadat de gewone alcoholische gisting al voorbij is en we stilaan in de fase van opvoeding en stabilisatie terechtkomen. In tegenstelling tot Saccharomyces, de gist die we nodig hebben om druivensap in wijn om te zetten, is Brettanomyces een gist die we willen mijden of waarvan we de aanwezigheid liever niet dominant zien optreden.

Om het waarom te verklaren moeten we even technisch worden. Brettanomyces kan via bepaalde chemische verbindingen die in de wijn aanwezig zijn vluchtige fenolen vormen. Twee van die mogelijke vluchtige fenolen, 4 ethylfenol en 4 ethylguaiacol, kunnen duidelijke aroma’s in de wijn veroorzaken.

4 ethylguaiacol zorgt voor aroma’s zoals rook, kruidnagel en specerijen. 4 ethylfenol wordt vaak geassocieerd met een uitgesproken dierlijk karakter zoals bereden zadel, leder en paardenstal. Wanneer de concentratie daarvan te hoog oploopt, kan paardenstal zelfs het volledige aromatische profiel van de wijn gaan domineren.

Die mogelijke dominantie vormt dus het grote probleem. Een beperkte aanwezigheid kunnen we nog als complex of zelfs aangenaam ervaren. Maar een verregaande ontwikkeling waarbij steeds meer vluchtige fenolen ontstaan, is ronduit onaangenaam. Op een bepaald ogenblik verdwijnen het fruit en het karakter van de druif en blijft er enkel een stinkende paardenstal achter.

Brettanomyces is geen uniek gegeven voor rode wijn. Ook in witte wijnen kan deze gist voorkomen. Alleen stellen we vast dat dit veel minder frequent het geval is.

Waarom voelt Brettanomyces zich beter thuis in rood?

Het verschil in aanwezigheid zou grosso modo terug te brengen zijn tot twee belangrijke factoren. De aanwezige zuurtegraad en de malolactische gisting.

Laten we starten met de zuurtegraad. Rode wijn heeft meestal een hogere pH dan witte wijn en dat blijkt een enorm belangrijk gegeven te zijn.

Witte wijnen zijn dus vaak zuurder en bij een lagere pH kunnen veel micro organismen zich moeilijker ontwikkelen. Hierdoor krijgen witte wijnen van nature al iets meer microbiologische bescherming dan rode wijn en is er minder kans dat Brettanomyces zich zal kunnen ontwikkelen.

En dan is er de malolactische gisting die eveneens bepalend is. Na de alcoholische gisting is witte wijn in veel gevallen al een heel eind op weg naar zijn uiteindelijke wijnstatus en is de omzetting van het hardere appelzuur naar het zachtere melkzuur lang niet altijd noodzakelijk of gewenst.

Bij rode wijn ligt dat anders. De combinatie van tannine en het hardere appelzuur kan rode wijn behoorlijk streng en onaangenaam maken. Door de malolactische gisting actief toe te passen, wordt de wijn ronder en toegankelijker.

Nu, op zich is die malo niet verantwoordelijk voor de aanwezigheid van dierlijke aroma’s. Ze zorgt er wel voor dat de wijn microbiologisch langer actief blijft en pas later volledig kan worden gestabiliseerd.

Nadien volgt bij veel rode wijnen nog een maandenlange of zelfs jarenlange opvoeding. Een frisse witte wijn kan relatief snel worden geklaard, gefilterd, gestabiliseerd en gebotteld. Een rode wijn kan twaalf, achttien, vierentwintig maanden of langer in de kelder blijven.

En die extra tijd is vaak zeer bepalend. Brettanomyces kan naast zijn aanwezigheid in de wijn ook een plaats hebben in meestal niet voldoende hygiƫnische kelders. Hierdoor krijgt deze gist simpelweg meer de kans om zich te ontwikkelen en de vluchtige fenolen te vormen.
De opvoeding op eiken vaten kan dit nog mee in de hand werken door de poreusheid van het hout.

Wat met zwaveldioxide?

Naast zuurtegraad, malolactische gisting en lagering speelt ook de manier waarop de wijn wordt gestabiliseerd een rol. Zwaveldioxide is daarbij een belangrijk hulpmiddel om ongewenste microbiologische activiteit af te remmen.

Hier krijgt witte wijn opnieuw een voordeel. Door zijn doorgaans lagere pH werkt zwaveldioxide er efficiƫnter dan in rode wijn. Met een vergelijkbare hoeveelheid vrije zwavel kan een witte wijn microbiologisch dus beter beschermd zijn tegen gisten en bacteriƫn, waaronder Brettanomyces.

Dat betekent uiteraard niet dat meer sulfiet toevoegen de oplossing is. Het toont vooral aan dat de omstandigheden in witte wijn het voor een wijnmaker gemakkelijker maken om microbiologische activiteit onder controle te houden.

Maar ook de schillen maken rood anders

En uiteindelijk krijgt ook mijn initiƫle gedachte toch nog een rol in het verhaal. Want jawel, ook de vinificatie speelt mee. Het is te zeggen, de schillen van de druif doen dit.

Doordat rode wijn samen met de druivenschillen vergist, bevat deze veel meer fenolische stoffen. Klassiek denken we dan in de eerste plaats aan kleurstoffen en tannine, maar het effect gaat verder dan dat. De samenstelling van de wijn bepaalt namelijk ook hoe aromatische stoffen zich gedragen.

Een geurstof moet uit de vloeistof kunnen ontsnappen voordat we ze kunnen ruiken. Alcohol, zuren, fenolen en andere bestanddelen van de wijn beĆÆnvloeden hoeveel van zo’n geurstof uiteindelijk onze neus bereikt.

De grotere hoeveelheid polyfenolen in rode wijn zorgt dus voor een andere aromatische omgeving dan bij witte wijn.

Dat wil niet zeggen dat de schillen op zich voor leder, stal of andere dierlijke aroma’s zorgen. Ze beĆÆnvloeden wel mee hoe aanwezige geurstoffen worden vrijgegeven en uiteindelijk worden waargenomen.

En daarmee komen we bij een bijzonder interessant aspect van het geurprofiel van een wijn. Wat wij ruiken wordt niet alleen bepaald door welke stoffen aanwezig zijn. Ook hun verhouding tot elkaar bepaalt wat we uiteindelijk herkennen.

Stel dat een kleine hoeveelheid van een rokerig, kruidig of fenolisch aroma aanwezig is samen met zwarte kers, pruim, hout en tabak. Dan kan zo’n geur veel gemakkelijker mee opgaan in associaties als leder, onderhout of een aards karakter.

Plaats een vergelijkbare aromatische prikkel tussen citrus, groene appel, perzik en witte bloemen en hij zal veel sterker afsteken.

Dezelfde geurstof kan dus anders overkomen naargelang de omgeving waarin we ze waarnemen.

De schillen verklaren daarmee niet waarom dierlijke aroma’s in rode wijn ontstaan. Ze helpen wel verklaren waarom aanwezige animale en aardse aroma’s zich in een rode wijn anders kunnen tonen en gemakkelijker deel kunnen gaan uitmaken van het volledige aromatische profiel.

Leder betekent niet automatisch Brett

Waarschijnlijk heb ik hiermee een voldoende gefundeerd antwoord gevonden op mijn vraag, al zullen lang niet alle mogelijke verklaringen opgenomen zijn. Bovendien merk ik bij het herhaaldelijk doornemen van dit artikel nog een mogelijk gevaar op. We moeten opletten dat Brettanomyces geen gemakkelijke verklaring voor alles wordt.

Deze gist is verre van verantwoordelijk voor alle mogelijke dierlijke aroma’s waarmee we bepaalde wijnen associĆ«ren.

Bij een gerijpte rode wijn kan een subtiele ledertoets ontstaan als onderdeel van de normale evolutie. Primair fruit neemt af, bepaalde esters worden minder nadrukkelijk en andere aromatische componenten worden relatief belangrijker.

Een oude Barolo, rode Bourgogne of Chianti Classico kan daardoor aroma’s ontwikkelen die we als leder omschrijven zonder dat Brettanomyces daar noodzakelijk iets mee te maken heeft.

Wanneer leder gepaard gaat met een indringende geur van paardenstal of aanverwante animale tonen, wordt Brett een veel waarschijnlijkere verklaring.

Crisisdistillatie: wanneer wijn van de markt moet verdwijnen

Hadden jullie ooit al van het woord crisisdistillatie gehoord? Ik had het zelf in het verleden al wel eens horen waaien, maar er nooit echt aandacht aan geschonken. Het was zo’n begrip dat in mijn dagelijkse wijnwereld nauwelijks opdook.

Daar kwam de afgelopen weken behoorlijk wat verandering in. Het leek wel of crisisdistillatie plots de Italiaanse wijnwereld domineerde. In de dagelijkse berichtgeving dook het woord plots opvallend vaak op. Toonaangevende Italiaanse wijnmagazines schreven artikels over problemen met overschotten en speculeerden over hoe het verder moet.

Crisisdistillatie dus… Voor wie er nog nooit van heeft gehoord, leg ik het graag even uit!

De aanleiding

De Italiaanse druivenoogst 2026 is volop bezig, terwijl in heel wat kelders nog behoorlijk wat wijn van vorige oogsten ligt. Op 31 juli bevond zich volgens Cantina Italia 42,6 miljoen hectoliter wijn in de Italiaanse kelders, 6,9 procent meer dan een jaar eerder. Daar kwam nog eens ruim 3 miljoen hectoliter most bij.

Zo’n voorraadcijfer vraagt enige nuance. Dat er wijn in een kelder ligt, betekent uiteraard niet dat die wijn onverkoopbaar is. Een deel rijpt verder, wacht op botteling of is al bestemd voor toekomstige leveringen. Het probleem ontstaat wanneer de voorraden blijven toenemen terwijl de verkoop vertraagt. En precies die combinatie tekent zich momenteel af.

In de eerste vijf maanden van 2026 daalden de verkopen van wijn in de Italiaanse grootdistributie met ongeveer 2 procent. Ook de export verloor terrein. Tijdens het eerste kwartaal zakten de uitgevoerde volumes met ongeveer 4 procent en de waarde met ruim 8 procent. Er stroomt dus minder wijn uit de kelders, terwijl een nieuwe oogst alweer binnenkomt.

De signalen komen ondertussen uit verschillende Italiaanse wijnregio’s. In Piemonte werd gesproken over ongeveer 50.000 hectoliter overtollige wijn die voor distillatie in aanmerking zou kunnen komen. Vooral de markt voor rode wijn staat er onder druk. Bepaalde rode bulkwijnen die twee jaar geleden nog ongeveer 1,20 tot 1,30 euro per liter opbrachten, zouden inmiddels rond 0,70 euro liggen. Ook de prijzen voor druiven krijgen daardoor klappen.

In Puglia wordt eveneens nadrukkelijk om maatregelen gevraagd. Producenten en sectororganisaties pleiten voor crisisdistillatie, gecombineerd met tijdelijke opslag van wijn. SiciliĆ« trok eerder al aan dezelfde bel. Bij de coƶperatieve wijnbedrijven op het eiland lag ongeveer 2,7 miljoen hectoliter wijn opgeslagen, zo’n 20 procent meer dan een jaar voordien.

Piemonte, Puglia en SiciliĆ« verschillen sterk van elkaar in druivenrassen, wijnstijlen en marktstructuur. Dat dezelfde discussie bijna gelijktijdig in deze regio’s opduikt, maakt duidelijk dat we niet meer naar een geĆÆsoleerd lokaal probleem kijken.

Wat is crisisdistillatie?

Het principe is vrij eenvoudig. Wanneer er zoveel wijn op de markt aanwezig is dat de voorraden oplopen en de prijzen sterk onder druk komen te staan, kan een deel van die wijn uit de markt worden genomen en gedistilleerd.

De producent ontvangt daarvoor een vergoeding. De wijn verdwijnt uit het commerciƫle circuit en wordt omgezet in alcohol. Bij de huidige Europese maatregelen mag die alcohol uitsluitend worden gebruikt voor industriƫle toepassingen, bijvoorbeeld in de farmaceutische sector, voor desinfectie of voor energieproductie. De alcohol mag dus niet enkele maanden later opnieuw als drank op de markt verschijnen. Anders zou je het probleem alleen maar verplaatsen.

Het spook van de Europese wijnplas

Crisisdistillatie is allesbehalve nieuw. Wie de Europese wijnsector al wat langer volgt, herinnert zich ongetwijfeld de beruchte Europese wijnplas. Decennialang produceerde Europa structureel meer wijn dan het kon verkopen. Miljoenen hectoliter verdwenen via gesubsidieerde distillatie.

Het systeem kreeg steeds meer kritiek omdat een noodmaatregel stilaan een onderdeel van de normale marktwerking was geworden. Producenten konden blijven produceren terwijl Europa mee betaalde om een deel van die productie opnieuw te laten verdwijnen. Het systeem schermde producenten daarmee gedeeltelijk af van de realiteit van de markt: er was onvoldoende vraag naar wat ze produceerden.

Bij de grote hervormingen van de Europese wijnmarkt werd die structurele ondersteuning dan ook grotendeels afgebouwd. De sector moest sterker marktgericht worden en zijn productie beter afstemmen op de werkelijke vraag.

Helemaal verdwenen is crisisdistillatie nooit. In uitzonderlijke omstandigheden kan het instrument opnieuw worden bovengehaald. Dat gebeurde tijdens de coronacrisis en opnieuw in 2023, toen verschillende Europese wijnregio’s met oplopende voorraden en dalende consumptie werden geconfronteerd.

In 2026 staat crisisdistillatie opnieuw nadrukkelijk op de Europese agenda.

Frankrijk en Duitsland kregen al groen licht

Frankrijk kreeg dit voorjaar groen licht voor een uitzonderlijke crisisdistillatie van rode en rosƩwijnen. Europa stelde daarvoor 40 miljoen euro beschikbaar. De steun mag maximaal 33 euro per hectoliter bedragen.

Ook Duitsland kreeg eind juli toestemming. Daar gaat 14,16 miljoen euro naar de distillatie van rode en roséwijnen met beschermde oorsprongsbenaming uit Württemberg en Rheinhessen.

Dat vooral rode wijn hierbij terugkomt, is geen toeval. Precies dat segment heeft het op verschillende markten moeilijk. De Europese wijnconsumptie verandert en rode wijn krijgt een aanzienlijk deel van de klappen.

Tegen die achtergrond wordt het begrijpelijk dat ook vanuit Italiƫ steeds nadrukkelijker naar crisisdistillatie wordt gekeken.

Hoeveel moet wijn voor crisisdistillatie dan waard zijn?

Dat klinkt misschien als een eenvoudige vraag, maar als je er wat over begint na te denken, merk je vlug dat daar meteen een van de grootste problemen ligt.

Logisch, want een producent zal zijn wijn alleen voor distillatie aanbieden wanneer de vergoeding voldoende interessant is. Wordt die vergoeding te laag vastgesteld, dan houdt hij de wijn liever in zijn kelder of zoekt hij een andere bestemming.

In ItaliĆ« wordt momenteel gesproken over bedragen van ongeveer 25 tot 30 cent per liter. Vanuit de handel klinkt echter de kritiek dat dit zelfs lager ligt dan wat sommige wijnen kunnen opleveren wanneer ze voor de productie van azijn worden verkocht. Met zo’n vergoeding wordt crisisdistillatie nauwelijks aantrekkelijk.

En dan begint uiteraard opnieuw de politieke discussie. Een vergoeding moet hoog genoeg liggen om daadwerkelijk wijn uit de markt te halen. Ze mag tegelijk geen comfortabele garantie worden waarbij de overheid het commerciƫle risico van overproductie overneemt. Want zodra een wijnbouwer vooraf weet dat overtollige wijn tegen een interessante prijs kan worden gedistilleerd, ontstaat opnieuw het systeem waarvan Europa twintig jaar geleden probeerde weg te raken. Het was toen net de bedoeling om uit deze vicieuze cirkel weg te komen!

Is er dan ook effectief te veel wijn?

Het antwoord is hierop minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Laten we vertrekken naar de basis waarop ik dit artikel heb gebaseerd, de Italiaanse wijnmarkt.

De Italiaanse oogst van 2025 werd geraamd op ongeveer 47,4 miljoen hectoliter. Dat was 8 procent meer dan in 2024, maar lag ongeveer op het gemiddelde van de voorgaande jaren. De twee oogsten daarvoor waren bovendien vrij klein. Toch zijn de voorraden in 2026 verder toegenomen.

Wat we daaruit kunnen afleiden, is dat het probleem niet uitsluitend bij de productie ligt. De afzet groeit onvoldoende mee met de hoeveelheid wijn die jaarlijks wordt geproduceerd. Binnen bepaalde categorieƫn daalt de vraag zelfs serieus.

Dat maakt de huidige situatie fundamenteel anders dan de Europese wijnplas van enkele decennia geleden. Toen lag het probleem vooral bij een structureel hoge productie van goedkope wijn waarvoor nauwelijks een markt bestond. Europese steunmaatregelen hielden die productie bovendien gedeeltelijk in stand.

Vandaag ligt het probleem veel sterker aan de andere kant van de markt. De gemiddelde kwaliteit van Italiaanse wijn ligt ondertussen aanzienlijk hoger dan enkele decennia geleden, maar de vraag groeit niet langer mee. Er ligt dus opnieuw te veel wijn in de kelders, alleen is de oorzaak niet helemaal dezelfde.

Dat maakt deze crisis ingewikkelder dan een klassieke situatie waarbij ƩƩn uitzonderlijk grote oogst toevallig voor volle kelders zorgt. Een kleine oogst een jaar later kan zo’n tijdelijk overschot vrij snel corrigeren. Een structurele verandering in consumptie vraagt iets anders.

Mensen drinken minder wijn. Op verschillende markten daalt vooral de consumptie van rode wijn. Jongere consumenten drinken anders en vaak minder alcohol. De concurrentie van bier, cocktails, alcoholvrije dranken en andere categorieƫn is groot. Tegelijk ondervindt de export hinder van een zwakke economie, geopolitieke onzekerheid en handelsproblemen.

Dat maakt een structurele oplossing niet gemakkelijk.

Minder produceren komt onvermijdelijk op tafel

Daarom wordt crisisdistillatie in Italiƫ, en ook elders, steeds vaker genoemd samen met andere maatregelen.

Verschillende consorzi beperken ondertussen de rendementen. Uit goede bronnen vernemen we dat er meer dan heftig wordt gediscussieerd over ingrijpende maatregelen, zoals het tijdelijk stopzetten van nieuwe aanplantingen en, in de zwaarst getroffen gebieden, zelfs het rooien van wijngaarden. Verschillende grote Italiaanse wijnorganisaties vragen daarbij om een veel beter beheer van het totale productiepotentieel.

Een paar honderdduizend hectoliter wijn laten verdwijnen kan een acute marktverstoring verzachten. Het kan voorkomen dat prijzen verder instorten en producenten onder hun kostprijs moeten verkopen. Voor bedrijven die met volle tanks aan een nieuwe oogst beginnen, kan dat zelfs noodzakelijk zijn. Maar… de fundamentele verhouding tussen productie en consumptie verandert er niet door.

Een noodrem, geen jaarlijks instrument

Meer dan waarschijnlijk blijft dit probleem de komende jaren op tafel liggen. Crisisdistillatie hoeft daarom geen vies woord te zijn. Een markt kan tijdelijk zo sterk uit balans raken dat ingrijpen verantwoord is. Frankrijk doet het. Duitsland doet het. Het gebruik ervan moet wel gericht blijven op de regio’s, wijncategorieĆ«n en volumes waar aantoonbaar een ernstig onevenwicht bestaat.

Met crisisdistillatie koopt de wijnsector vooral tijd. Ze kan voorraden verminderen, prijsdruk verlichten en ruimte maken voor een nieuwe oogst. De oorzaken van het probleem verdwijnen er niet mee.

Het mag dan ook geen instrument worden waar blindelings naar wordt gegrepen.

De oogst van druiven – Wanneer is de tijd rijp?

Het is half augustus als we dit artikel beginnen te schrijven en enkele weken geleden vertoefden we nog te midden van de wijngaarden. We konden toen al vaststellen dat de producenten druk in de weer waren met de voorbereiding van de oogst. Niet zozeer in de wijngaarden, wel in hun kelders. De oogst kondigt zich dit jaar in heel wat regio’s bijzonder vroeg aan. Bij producenten in Nizza en Asti spraken ze zelfs over drie weken vroeger dan vorig jaar. Hoog tijd dus om in de kelder alle ruimte vrij te maken die straks nodig is.

Het plukken van de druiven behoort immers tot de belangrijkste en drukste periodes in de productie van wijn. Tanks waarin soms nog wijn van de vorige oogst rust, moeten worden leeggemaakt, grondig gereinigd en opnieuw klaargemaakt voor wat eraan komt. Verschillende wijnbouwers die we bezochten, waren daarom vroeger dan aanvankelijk gepland bezig met het bottelen van hun vorige oogst.

Want zodra de druiven voldoende rijp zijn en klaar zijn voor de pluk, is er weinig ruimte meer om het werk uit te stellen. You can’t beat nature. Op dat moment moet je aan de slag.

Wanneer oogsten?

Het bepalen van de start van de oogst is niet meteen een eenduidig gegeven. DƩ ideale oogstdatum bestaat immers niet. Er is een berg factoren waarmee de producent rekening moet houden. Zo heeft elk druivenras zijn eigen rijpingscyclus en kunnen zelfs binnen ƩƩn domein verschillende percelen op andere momenten rijp zijn. Hoogte, oriƫntatie, bodem, beschikbare hoeveelheid water, opbrengst en blootstelling aan de zon spelen allemaal een rol. Veel van die factoren worden uiteindelijk gestuurd door de natuur. Het is dan ook onmogelijk om maanden vooraf een vaste datum in de agenda te prikken met de melding: start van de pluk.

Waar de producent wel iets in te zeggen heeft, is het type wijn dat hij wil maken. Druiven voor een frisse mousserende wijn worden vroeger geoogst dan druiven bestemd voor een krachtige rode wijn. Voor zoete wijn kunnen de druiven veel langer blijven hangen en bij bepaalde wijnen wordt zelfs bewust gewacht op indroging of edele rotting. Ook dat gewenste eindresultaat bepaalt dus mee wanneer de pluk begint.

En dan komt het moment waarop de beslissing moet vallen. We hebben dit jaar enkele maanden gekend met extreme droogte en hoog oplopende temperaturen. Open ik nu mijn weerapp voor Alba, dan zie ik voor deze week bijna dagelijks regen in de voorspellingen staan. Dat betekent vloeken en nagelbijten voor de producent. Je wil niet oogsten wanneer het regent, maar tegelijk neemt de druk toe om een beslissing te nemen. Start ik toch met de oogst of stel ik die nog enkele dagen uit?

Het weer heeft uiteindelijk het laatste woord. De ideale rijpheid op papier heeft weinig waarde wanneer regen, hagel of andere weersomstandigheden ervoor kunnen zorgen dat een deel van de oogst verloren gaat.

Rijp en rijp is twee

Wat is rijp? De vraag lijkt eenvoudig. Neem een banaan. De ene vindt ze rijp zodra de schil volledig geel is. Iemand anders wacht tot de eerste bruine vlekken verschijnen. Beiden spreken over een rijpe banaan.

Met druiven is het weinig anders.

Een druif die perfect rijp is voor de productie van een basiswijn voor Champagne kan voor een volle rode wijn hopeloos vroeg geoogst lijken. Voor mousserende wijn zijn een hoge zuurgraad en een gematigd suikergehalte waardevol. Voor een krachtige rode wijn worden andere eigenschappen gezocht.

Rijpheid wordt dus niet alleen bepaald door het druivenras, het klimaat en het perceel, maar vooral door het type wijn dat men wil maken.

Met de veranderende klimaatomstandigheden zien we ook dat sommige producenten bewust hetzelfde perceel of druiven voor dezelfde wijn op verschillende momenten oogsten. Een eerste pluk kan vroeger plaatsvinden, wanneer de druiven nog wat meer zuren en frisheid bezitten. Later volgt dan een tweede oogst van rijpere druiven. Beide kunnen vervolgens afzonderlijk worden gevinifieerd en later worden samengebracht.

Opnieuw nemen we je graag mee naar de klimatologische omstandigheden van het huidige jaar. Bij aanhoudende warmte moet de producent beslissen hoe hij voldoende frisheid in de wijn kan behouden zonder te vroeg alles te oogsten. Een eerste, vroegere pluk van iets minder rijpe druiven kan daarop een antwoord zijn.

De balans in druiventaal

Poepsimpel gezegd: oogsten doe je wanneer de druif het juiste evenwicht heeft bereikt tussen zoet, zuur en rijpheid van de pitten. In de praktijk is dit helemaal niet poepsimpel! Vanaf de vruchtzetting van de kleine besjes, in het Frans zo mooi nouaison genoemd, begint een lange ontwikkeling. Eerst groeien de groene en nog bijzonder zure besjes verder. De grote omslag komt er bij de vƩraison, het moment waarop de druiven verkleuren en de eigenlijke rijpingsfase begint.

Het allerbelangrijkste is dat de bes gezond kan groeien en uiteindelijk uitgroeit tot een gezonde, goed ontwikkelde druif. Ook binnenin verandert er ondertussen voortdurend iets. De aanvankelijk zeer zure bes gaat tijdens de rijping steeds meer suikers opbouwen. Tegelijk neemt de hoeveelheid zuren af. De pitten evolueren stilaan van felgroen naar donkerder bruin en ook de schil verandert. Het moment waarop de druif geschikt wordt om geoogst te worden, komt steeds dichterbij.

Het bereikte suikergehalte geeft een goede aanwijzing voor het mogelijke alcoholgehalte van de latere wijn. Het kan eenvoudig worden gemeten met een refractometer. Suiker alleen vertelt echter onvoldoende. De zuurgraad is minstens even belangrijk. Daarom wordt ook de totale zuurgraad gevolgd en steeds vaker de pH gemeten. Naarmate de druif rijpt, daalt meestal de zuurgraad en stijgt de pH. Een te vroege oogst kan scherpe, groene en zure wijnen opleveren. Bij een te late oogst dreigen frisheid en spanning verloren te gaan.

Laat nu net die zoektocht naar het juiste evenwicht de laatste jaren nog belangrijker zijn geworden. Zeker in warme jaren zoals we dit jaar beleven. Hogere temperaturen versnellen de suikeropbouw en de afbraak van zuren. In heel wat wijngebieden is de oogst daardoor naar een vroeger tijdstip verschoven. Tijdens zeer warme jaren kan het suikergehalte zelfs sneller stijgen dan de aroma’s, schil en pitten verder rijpen. De wijnbouwer krijgt dan een lastig dilemma: wachten op een betere rijpheid en tegelijk een hoger alcoholgehalte en een lagere zuurgraad riskeren.

Wie ervan uitgaat dat het alleen draait om het evenwicht tussen zoet en zuur, katapulteert zichzelf een flink stuk terug in de tijd. Zeker bij blauwe druiven speelt ook de fenolische rijpheid een belangrijke rol. De schil bevat kleurstoffen en tannine die tijdens de vinificatie in de wijn terecht kunnen komen. Ook de pitten bevatten tannine. Tijdens de rijping wordt de schil soepeler, verkleuren de pitten meestal van groen naar bruin en verliest de tannine geleidelijk een deel van zijn groene en harde karakter.

Ben je tijdens de rijpingsfase op bezoek in een wijngebied, let dan maar eens goed op de producent. Je zal hem door zijn wijngaarden zien lopen, regelmatig een druif zien proeven of enkele bessen tussen zijn vingers zien pletten om aandachtig naar de pitten en de schil te kijken. Logisch, want proeven blijft een belangrijk onderdeel van het bepalen van de rijpheid. De wijnbouwer beoordeelt het vruchtvlees, kauwt op de schil en de pitten en let op groene, kruidige of rijpere aroma’s. Bij witte druiven ligt de nadruk sterker op de ontwikkeling van aroma’s en het behoud van voldoende frisheid.

Bruine pitten of een verhoute steelaanzet kunnen aanwijzingen zijn voor rijpheid en zijn dus mee bepalende factoren om het juiste evenwicht van de druif en daarmee het oogsttijdstip te bepalen. Het is wanneer de puzzelstukjes van de perfecte verhouding tussen zoet, zuur en de rijpheid van de pitten in elkaar vloeien dat de snoeischaar mag bovengehaald worden.

Handmatige of machinale oogst

Hoe je de druiven uiteindelijk gaat oogsten is de keuze van de producent. Of toch weer niet? Soms wordt gewoonweg voorgeschreven hoe je dient te oogsten. De ligging van de wijngaard kan van die aard zijn dat terrassenbouw, moeilijke bereikbaarheid en hellingsgraad machinale arbeid zo goed als onmogelijk maken. Het kan evenzeer zijn dat de regels van een bepaalde herkomstbenaming voorschrijven dat manuele oogst verplicht is. In dat geval heb je uiteraard geen andere keuze dan op zoek te gaan naar de nodige handen om je te helpen bij de oogst.

Makkelijker gezegd dan gedaan, want de tijd dat de lokale bevolking, familie en vrienden stonden te springen om de handen mee uit de mouwen te steken tijdens dit gelukzalige moment ligt al een hele tijd achter ons. Vandaag moet vaak een beroep worden gedaan op seizoenarbeiders die van regio naar regio of zelfs door verschillende landen trekken om mee te helpen aan de oogst.

Als je hierover met wijnproducenten praat, blijkt dat ook steeds minder evident te zijn. Lokale seizoenarbeiders halen er vaak hun neus voor op en ook in landen waar men bijvoorbeeld in Italiƫ jarenlang een beroep deed op plukkers uit Albaniƫ, Roemeniƫ en Bulgarije, wordt het steeds moeilijker om voldoende mensen te vinden. Deze zomer kregen we zelfs te horen dat tegenwoordig seizoenarbeiders uit landen als Bangladesh worden aangetrokken. Sommige wijnbouwers waren daar niet meteen gelukkig mee, vooral omdat deze mensen vaak zonder ervaring in de wijnbouw aankomen en eerst moeten leren hoe ze zorgvuldig moeten oogsten.

Want dat een manuele oogst hard werken is, mag duidelijk zijn. Ik heb het zelf ooit mogen ervaren, weliswaar in lang vervlogen tijden, en heb dus aan den lijve kunnen vaststellen dat het niet simpel is. De herinnering staat dan ook voor eeuwig in mijn geheugen gekerfd. Het komt erop neer dat de trossen met een snoeischaar worden afgesneden en meestal in kleine bakken worden verzameld. De druiven kunnen daarbij onmiddellijk worden geselecteerd. Beschadigde, beschimmelde of onvoldoende rijpe trossen kunnen gewoon in de wijngaard achterblijven.

Handpluk is vooral belangrijk wanneer volledige trossen intact in de kelder moeten aankomen, bij kwetsbare druiven, op steile hellingen of wanneer zeer nauwkeurig geselecteerd moet worden. Bij wijnen met edele rotting kunnen zelfs verschillende passages door dezelfde wijngaard nodig zijn, waarbij telkens uitsluitend de geschikte druiven worden geplukt.

Wanneer een perceel eenmaal rijp is verklaard en de oogst ervan begint, wil je natuurlijk vooruit. Het weer kan omslaan en de druiven die vandaag perfect zijn, hoeven dat enkele dagen later niet meer te zijn. Vermoeid of niet, op zulke momenten moet er worden doorgewerkt. Dat betekent overigens niet dat het volledige domein in ƩƩn ruk wordt geoogst. Andere percelen of druivenrassen kunnen gerust pas dagen of weken later aan de beurt zijn.

Leve de machinale oogst dus? Laat me dit toch even counteren en nuanceren. Ja, leve de machinale oogst als het niet de ambitie van de producent is om een kwalitatieve, hoogwaardige wijn te maken, maar eerder mooie, drinkbare volumewijnen. Voor dat type productie zijn snelheid, efficiƫntie en kostprijs nu eenmaal belangrijke argumenten. Wie een topwijn wil maken en daarbij zeer streng wil selecteren, zal nog altijd vaker voor een manuele oogst kiezen.

Toch is het gelukkig zo dat de moderne oogstmachine de voorbije decennia een enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt. Machinale oogst staat vandaag dus niet automatisch gelijk aan slechte kwaliteit. De machine beweegt over de wijnrij en brengt de druiven los door de wijnstok gecontroleerd te laten trillen. Bladeren en ander plantaardig materiaal kunnen al tijdens het oogsten gedeeltelijk worden verwijderd.

De voordelen van een machinale oogst zijn duidelijk. Machinaal oogsten gaat snel en vraagt veel minder personeel. Een groot perceel kan precies op het gewenste moment worden geoogst en wanneer regen wordt voorspeld, kan in enkele uren werk worden verricht waarvoor een ploeg plukkers veel langer nodig zou hebben. Bovendien kan met een oogstmachine ook ’s nachts worden gewerkt, wat zeker in warme wijngebieden een belangrijk voordeel vormt.

De vroegere gedachte dat machinale oogst automatisch druiven van mindere kwaliteit oplevert, is ondertussen achterhaald. Moderne machines kunnen zeer nauwkeurig worden ingesteld en beschikken over systemen die bladeren, steeltjes en ander ongewenst materiaal al tijdens de oogst verwijderen.

Er blijven uiteraard beperkingen. Wanneer volledige trossen nodig zijn of wanneer een zeer nauwkeurige selectie noodzakelijk is, blijft handmatige pluk de aangewezen methode. Een oogstmachine kan bovendien bessen beschadigen, waardoor sap vrijkomt. Ook bladeren, insecten en ander materiaal kunnen tussen de geoogste druiven terechtkomen, al beschikken moderne machines over steeds betere systemen om dit al tijdens de oogst te verwijderen.

De druiven pamperen

Eens je aan de oogst bent begonnen en de eerste trossen in de bakjes terechtkomen, is het zaak om de geplukte druiven zoveel mogelijk te pamperen. En dat begint met de temperatuur. Niet eenvoudig tijdens deze steeds warmere periodes, maar wel noodzakelijk. Warm geoogste druiven zijn immers kwetsbaarder. Ze worden gemakkelijker beschadigd en vrijgekomen sap oxideert sneller. Ook gisten en bacteriƫn worden actiever naarmate de temperatuur stijgt.

Daarom proberen steeds meer producenten vroeg in de ochtend of tijdens de nacht te oogsten. Vooral in warme gebieden is nachtelijke oogst intussen heel gewoon geworden. Mechanische oogstmachines hebben hier een praktisch voordeel omdat ze urenlang met verlichting kunnen blijven werken. Bij handmatige oogst begint men vaak zeer vroeg in de ochtend en stopt men wanneer de temperatuur te hoog oploopt.

Ook de manier waarop de druiven worden verzameld speelt een rol. Bij manuele oogst worden vaak kleine bakken gebruikt, zodat de onderste trossen niet onder het gewicht van een grote hoeveelheid druiven worden geplet. Hoe minder beschadigde bessen, hoe kleiner de kans dat sap vroegtijdig vrijkomt en begint te oxideren.

De race tegen de tijd begint dus vanaf de start van de oogst. Eens de druiven in de kratjes terechtkomen, moeten ze zo snel mogelijk naar de kelder worden gebracht. Daar kan indien nodig koeling worden ingezet en kunnen de druiven onder gecontroleerde omstandigheden verder worden verwerkt.

Ben je door de omstandigheden genoodzaakt om toch in de regen te oogsten, dan stelt zich uiteraard een ander probleem dan de temperatuur. Natte druiven brengen extra water mee naar de kelder en zijn gevoeliger voor beschadiging. Wanneer de regen gepaard gaat met langere periodes van vochtigheid, neemt bovendien het risico op rot toe. Ook dan moeten de druiven dus extra gepamperd worden, zodat ze in zo goed mogelijke conditie de kelder bereiken en aan de verwerking kunnen beginnen.

Argusogen

Eenmaal in de kelder kunnen de druiven opnieuw worden gecontroleerd. Dat gebeurt vaak op een sorteertafel, waar de druiven op een band voorbijschuiven en de trieerders de oogst met argusogen bekijken. Bladeren, beschadigde druiven, onrijpe bessen en andere ongewenste elementen worden er zorgvuldig uitgehaald.

Naast de klassieke sorteertafel bestaan ondertussen ook geavanceerde systemen waarbij druiven automatisch worden geselecteerd op basis van vorm, kleur en andere eigenschappen. Dergelijke apparatuur kan bijzonder precies werken, al blijft de eerste selectie in de wijngaard minstens even belangrijk. Wat nooit in de oogstbak terechtkomt, hoeft later ook niet meer verwijderd te worden.

Feit of fabel?

Laten we het oogstmoment op een ludieke wijze afsluiten en enkele stellingen over het oogsten bevestigen of weerleggen.

Stelling 1: Een druif rijpt verder nadat ze geplukt is

Fabel. Zodra de druif van de wijnstok wordt afgesneden, stopt haar normale rijpingsproces. Ze kan nog vocht verliezen en daardoor geconcentreerder worden, maar ze bouwt geen nieuwe suikers meer op via fotosynthese. Het oogstmoment is dus definitief.

Stelling 2: Alle druiven binnen ƩƩn tros zijn even rijp

Fabel. Zelfs binnen ƩƩn tros kunnen bessen verschillen in grootte, suikergehalte en rijpheid. Dat verschil kan nog groter zijn wanneer de bloei en vruchtzetting ongelijkmatig zijn verlopen. Ook daarom kan selectie tijdens de oogst belangrijk zijn.

Stelling 3: Rotte druiven zijn altijd waardeloos

Fabel. Meestal wil je rot absoluut vermijden, maar Botrytis cinerea kan onder heel specifieke omstandigheden voor edele rotting zorgen. De druiven verschrompelen dan langzaam, waardoor suiker, zuren en aroma’s zich concentreren. Zonder de juiste weersomstandigheden krijg je echter gewone grijze rot en daar wordt geen wijnbouwer vrolijk van.

Stelling 4: Na de oogst zit het zwaarste werk erop

Fabel. Voor de plukkers misschien, voor de wijnmaker allerminst. Zodra de druiven de kelder binnenkomen, begint een bijzonder intense periode waarin alles snel moet worden verwerkt en de vergistingen op gang komen. Tegelijk vraagt ook de wijngaard alweer aandacht met het oog op het volgende wijnjaar.

Stelling 5: De rijpste druiven leveren niet noodzakelijk de beste wijn op

Feit. Het klinkt misschien vreemd, maar maximale rijpheid is niet hetzelfde als optimale rijpheid. Laat je druiven steeds verder rijpen, dan kan het suikergehalte verder oplopen terwijl de zuren afnemen en het potentiƫle alcoholgehalte toeneemt. Op een bepaald moment kan je dus perfect rijpe druiven hebben die voor het type wijn dat je wil maken eigenlijk al te rijp zijn. De beste druif is uiteindelijk de druif die op het juiste moment wordt geplukt voor de wijn die de producent voor ogen heeft.

Giro d’Italia 2026, rit 21: Roma DOC

We zijn aan het einde van de Giro d’Italia 2026 gekomen. Rit 21 voelt eerder aan als een criterium, met rondjes in en om Roma en een parcours dat opvallend dicht bij Vaticaanstad flirt. De nonnetjes zullen even opkijken wanneer er geen paus in een wit gewaad passeert, wel een peloton vol renners die nog ƩƩn keer de benen opensmijten.

De sprinters die deze zware editie hebben overleefd, mogen nog een laatste keer hun hart ophalen en mikken op de bloemen in de hoofdstad. Daarmee komt ook een einde aan ons verhaal rond de minder bekende DOC’s. Ik vond het zelf enorm boeiend om dit te brengen: zoeken, lezen, twijfelen, de disciplinari uitpluizen en telkens opnieuw ontdekken hoeveel wijngebieden in ItaliĆ« nog altijd te weinig in ons glas verschijnen.

Afsluiten doen we op het lokale circuit, met Roma DOC. Een appellatie met een naam die iedereen kent, terwijl de wijn zelf voor velen nog verrassend onbekend blijft.

Roma DOC

Je zou verwachten dat een wijngebied in en rond Rome al veel langer met een DOC bezegeld zou zijn. Voor Roma DOC is dat zeker niet het geval, want de appellatie werd pas in 2011 erkend. De productiezone ligt in het centrale deel van Lazio, in de provincie Roma. Het afgebakende gebied gaat wel wat verder dan simpelweg de stad en haar directe omgeving. Het totale gebied omvat maar liefst 330.000 hectare, met kustzones, de Sabina romana, de Colli Albani, de Colli Prenestini en een deel van de Campagna romana. De effectieve wijngaardoppervlakte kunnen we wel flink reduceren en terugbrengen tot ongeveer 305 hectare.

De afbakening omvat een lange reeks gemeenten in de provincie Roma, met daarnaast ook delen van Fiumicino en Roma zelf. Bij Fiumicino is Isola Sacra uitgesloten. Bij Roma valt het gebied binnen de Grande Raccordo Anulare buiten de DOC, net als een specifiek deel richting Tevere, Via del Mare en de Tyrreense kust.

De vermelding classico mag gebruikt worden voor de oudste herkomstzone, maar niet voor spumante. In het disciplinare wordt die classico zone beperkt tot het aangeduide deel van de gemeente Roma zelf.

Bodem en klimaat

Als we over zo’n groot gebied spreken, kan er uiteraard geen uniformiteit bestaan in de samenstelling van de bodem. We gaan dan ook uit van het globale beeld dat we kunnen schetsen. De wijngaarden liggen van zeeniveau tot ongeveer 600 meter hoogte. De hellingen zijn meestal gericht naar het westen, zuidwesten en zuiden.

Geologisch steunt Roma DOC op twee grote pijlers: sedimentaire formaties en vulkanische formaties. In de vlakke zones van de valleien van de Tiber en de Aniene vinden we vooral alluviale en mariene afzettingen, met kalksteenachtige formaties (travertijn), zand, grind, leem en kleiige stukken. Richting kust komen daar ook zandige, kleiige en kustgebonden afzettingen bij.

Daarnaast is er de vulkanische invloed van het Sabatino complex en de oude Vulcano Laziale. Daar komen tufsteen, as, lapilli, pozzolane en lavaresten in beeld. Pozzolane vormen zandige, diepe en goed doorlatende bodems. Andere tufsteenbodems zijn harder en minder doorlaatbaar, waardoor diepere bodembewerking nodig kan zijn.

Het klimaat is mediterraan. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 14,2 graden. De jaarlijkse neerslag is vrij ruim, maar in de zomer wordt het duidelijk droger. Juli en augustus zijn de droogste maanden, en in de lagere zones kan de droogte al vanaf mei of juni voelbaar zijn. In september en oktober is er doorgaans nog voldoende warmte en zon, terwijl de temperatuurverschillen tussen dag en nacht toenemen.

Rode wijnen

Ook al is Roma DOC een blend waarin verschillende druiven gebruikt mogen worden, toch is de hoofdrol in de rosso weggelegd voor Montepulciano. De druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag de assemblage aanvullen.

Montepulciano zorgt voor kleur, rijp donker fruit en structuur. Cesanese brengt de link met Lazio sterker naar voren, met kruidigheid, rood fruit en een eigenzinnige toets. Sangiovese kan frisheid en spanning geven. Cabernet en Syrah kunnen zorgen voor extra diepte, donkerder fruit en meer schouderbreedte.

Daarnaast kan Roma DOC rosso ook verschijnen als classico, rosso riserva en classico rosso riserva. Voor de gewone rosso en de classico rosso is geen verplichte opvoeding voorzien. De riserva vraagt minstens 24 maanden rijping vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 9 maanden in houten vaten van minimaal 499 liter. Ik vind het toch wel een beetje opmerkelijk dat men over minimaal 499 liter spreekt.

Dit getal komt niet frequent, of zeg maar nooit, voor als inhoudsmaat van eiken vaten. Ik vond het zo merkwaardig dat ik verder op zoek ging naar enige duiding hieromtrent. Blijkt dat dit pas met de laatste wijziging van het disciplinare in 2025 is opgenomen. Naar het waarom bleef het zoeken. Ik heb er dan maar mijn eigen logica op losgelaten en vermoed dat dit getal vooral praktisch bedoeld is. Ik veronderstel dat men het gebruik van barriques, kleinere eiken vaten dus, wenst uit te sluiten en dat men vooral richting tonneaux, vaten van ongeveer 500 liter, wil sturen. Hierdoor is de houtopvoeding minder nadrukkelijk aanwezig dan bij een klassieke rijping op barrique.

Witte wijnen

Bij Roma DOC bianco staat Malvasia del Lazio centraal, ook bekend als Malvasia Puntinata. Die druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Roma DOC bianco heeft een strogele kleur. In de geur toont de wijn zich eerder fijn dan uitbundig, met florale toetsen, wit fruit en rijper geel fruit. In de mond blijft hij fris en evenwichtig, met voldoende body om niet vlak of neutraal over te komen. Afhankelijk van de ligging van de wijngaarden kan er ook een subtiele ziltige toets aanwezig zijn.

Voor Bellone en Malvasia Puntinata, die apart vermeld mogen worden, moet minstens 85 procent van de genoemde druif aanwezig zijn. Bellone heeft meer body, rijper geel fruit en soms een licht kruidige ondertoon. Malvasia Puntinata gaat eerder richting florale aroma’s, rijper fruit en een zachtere mondstructuur.

De witte wijnen kunnen ook verschijnen als classico. Dat geldt voor Roma DOC bianco, Bellone en Malvasia Puntinata. Sinds de wijziging van het disciplinare in 2025 bestaat ook Roma DOC bianco riserva, eveneens met de mogelijkheid om classico te vermelden. Voor de gewone bianco, classico bianco, Bellone, classico Bellone, Malvasia Puntinata en classico Malvasia Puntinata is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC bianco riserva en Roma DOC bianco classico riserva moeten minstens 12 maanden rijpen vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 4 maanden op fles.

Zoals gebruikelijk in dit soort brede wijngebieden wordt het er niet eenvoudiger op wanneer druivenrassen ook afzonderlijk op het etiket mogen verschijnen en die wijnen bovendien nog eens uit de classico zone kunnen komen. Gelukkig blijft een superiore hier achterwege.

Rosato

Roma DOC rosato vertrekt uit dezelfde druivenbasis als de rode wijn. Montepulciano moet minstens 50 procent uitmaken van de samenstelling. Minstens 35 procent moet bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Ook Roma DOC rosato kan als classico verschijnen, wanneer de druiven uit de afgebakende classico zone komen. Voor rosato is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC rosato heeft een rosƩkleur die best wat intensiteit mag tonen, zeker wanneer Montepulciano nadrukkelijk aanwezig is. In de geur zit vooral rood fruit, met aardbei, framboos, rode bes en soms een florale toets. In de mond blijft de wijn fris en fruitgedreven, met voldoende vulling. De betere versies hebben naast het fruit ook wat kruidigheid en een licht ziltige toets.

Spumanti

Voor spumante geldt dezelfde druivenbasis als voor bianco: minstens 50 procent Malvasia del Lazio, minstens 35 procent Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio.

Voor spumante rosato geldt dezelfde druivenbasis als voor rosato en rosso: minstens 50 procent Montepulciano, minstens 35 procent Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio.

De spumanti mogen worden gemaakt via de Martinotti methode, ook bekend als Charmat, maar ook via metodo classico.
Een aparte minimumrijping wordt vreemd genoeg niet opgelegd. Dat had je toch verwacht bij metodo classico. De stijlen mogen gaan van dosaggio zero tot extradry.

Historisch kwamen mousserende wijnen uit deze omgeving op de markt met de vermelding Romanella spumante op het etiket. Romanella is de oude Romeinse naam voor een licht sprankelende wijn, vooral verbonden met lokaal en direct drinkplezier. Die vermelding mag volgens het disciplinare nog steeds op het etiket verschijnen, waardoor deze oudere Romeinse wijnnaam ook binnen de huidige DOC behouden blijft.

Giro d’Italia 2026, rit 13: Colline Novaresi DOC, van Alessandria naar Verbania

Ik zou voor de rit van Alessandria naar Verbania, ondertussen al rit nummer 13, alweer op het puntje van mijn stoel gaan zitten. Niet omwille van het ritprofiel, want daarvoor lijkt deze rit op papier iets te vriendelijk, maar wel om de omgeving te aanschouwen. De Giro trekt opnieuw door een zeer mooi stuk Italiƫ, anders weliswaar dan tijdens de voorgaande ritten, maar daarom niet minder aantrekkelijk. Dit keer eindigen we in Verbania, mondain en statig gelegen aan het Lago Maggiore.

Veel kans trouwens dat de rit op een sprint zal eindigen, tenzij het knobbeltje van derde categorie in de finale daar anders over denkt. Daarna gaat het razendsnel in dalende lijn richting aankomst.

Leuk wat mij betreft dat we dit deel van Piemonte aandoen. We blijven de volledige 189 kilometer binnen dezelfde regio cruisen en trekken bovendien door Alto Piemonte. Hier zijn immers heel wat verborgen pareltjes van wijngebieden te vinden. De keuze voor vandaag viel dan ook, na wat wikken en wegen, op Colline Novaresi DOC.

Colline Novaresi DOC

Met Colline Novaresi DOC schuiven we richting het noorden van Piƫmonte, naar de provincie Novara, waar de wijngaarden verspreid liggen tussen de Sesia en de Ticino. Op de achtergrond houdt Monte Rosa een oogje in het zeil.

Dit is een boeiend overgangsgebied. Ten zuiden liggen de vlaktes rond Novara, met hun rijstvelden en brede open landschap. Meer naar het noorden nemen de heuvels het over en komt Alto Piemonte nadrukkelijker in beeld. Dat maakt de streek meteen anders dan het Piƫmonte van Langhe, Roero of Monferrato.

De DOC werd in 1994 erkend en telt ongeveer 246 hectare wijngaarden. De gemiddelde productie wordt op 8.000 hectoliter geschat. Dat zijn geen cijfers waarmee je de wereldmarkt overspoelt, en dat hoeft voor Colline Novaresi waarschijnlijk ook niet.

Toch heeft dit deel van Piƫmonte een veel langere wijngeschiedenis dan de bescheiden omvang vandaag doet vermoeden. Alto Piemonte was ooit een belangrijk wijngebied, met Nebbiolo als een van de grote hoofdrolspelers. Druifluis, oorlogen, industrialisatie en de trek naar de steden deden het areaal fors krimpen. Heel wat wijngaarden zijn later bijna vanaf nul opnieuw opgebouwd. Oude, verwaarloosde percelen die opnieuw tot leven kwamen.

De productiezone omvat een reeks gemeenten in de provincie Novara, waaronder Boca, Bogogno, Borgomanero, Briona, Cavaglio d’Agogna, Fara Novarese, Fontaneto d’Agogna, Ghemme, Maggiora, Sizzano en Suno. Kenners zien hier meteen bekendere namen tussen staan. Boca, Fara en Sizzano hebben hun eigen DOC. Ghemme gaat nog een stap verder en heeft een DOCG.

Nebbiolo speelt hier een belangrijke rol, al komen we in Alto Piemonte vaak de lokale naam Spanna tegen. Daarnaast zijn er Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera. Voor de witte wijnen is er Erbaluce. Daarmee krijg je automatisch veel diversiteit in je flessen.

Een mooie bijkomende troef van het gebied is de Cammino delle Colline Novaresi, een wandelroute die wijngaarden, dorpen, natuur en lokale geschiedenis met elkaar verbindt. Wie in de omgeving is, krijgt daarmee een mooie manier om deze streek ook buiten het glas te leren kennen.

Bodem en klimaat

Het landschap van Colline Novaresi DOC is zo’n beetje vis noch vlees. Het zit tussen vlakte, heuvel en berginvloed in. Zuidelijk liggen de vlaktes rond Novara en Vercelli, met hun rijstvelden en brede open ruimte. Naar het noorden toe loopt het landschap geleidelijk op en komen de Alpen steeds nadrukkelijker in beeld.

De wijngaarden moeten op heuvelachtige liggingen staan, tussen 180 en 550 meter hoogte. Vochtige gronden in de valleibodem zijn uitgesloten. We zitten dus niet in de natte, vlakke stukken onderaan, maar op hellingen waar water weg kan en de druiven voldoende zon krijgen.

Het wijngebied ligt tussen de rivieren Sesia en Ticino. De Sesia komt uit de richting van Monte Rosa, de Ticino heeft zijn oorsprong in de Alpen. Die rivieren tekenen het gebied af en geven het landschap structuur.

Algemeen vinden we hier kleiige, lemige en zandige bodems, vaak met een morenisch en alluviaal karakter. Lager op de heuvels bevatten de bodems doorgaans wat meer leem en klei. Hogerop kunnen ze iets losser en beter drainerend worden.

Het klimaat helpt om frisheid en aromatische spanning te bewaren. De zomers kunnen warm zijn, de winters behoorlijk koud, en de verschillen tussen dag en nacht spelen een belangrijke rol.

Rode wijnen

Rode wijn domineert hier en je vindt er voldoende diversiteit. De Colline Novaresi DOC rosso zou je de instap kunnen noemen, al klinkt dat misschien wat te oneerbiedig voor een wijn die minstens voor de helft uit Nebbiolo of Spanna moet bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven zoals Barbera, Croatina, Vespolina of Uva rara.

Je krijgt dan meestal een wijn met een robijnrode kleur, een duidelijke aanwezigheid van rood fruit, soms wat viooltjes, kruiden en een aardse toets. Vergeet niet dat Nebbiolo hier minstens de helft van de wijn uitmaakt en de tannine dus vroeg of laat de kop zal opsteken.

De Colline Novaresi DOC Nebbiolo, of Spanna, staat een stap hoger op de kwaliteitsladder. Hier moet Nebbiolo minstens 85 procent van de wijn uitmaken. Wie Barolo of Barbaresco in het achterhoofd houdt, zal wel even moeten schakelen. De wijnen hier zijn, ondanks hun tannine, niet de krachtpatsers van de hoogste rang. Spanna zit vaak in een lichter kleurenspectrum, met aroma’s van rood fruit, roos, kruiden, soms wat thee, aarde en een subtiele toets van teer naarmate de wijn ouder wordt. De zuren spelen een grote rol en geven de wijn zijn lengte.

En dan gaan we naar het festival van andere druiven die ook op het etiket mogen worden vermeld, mits ze voldoen aan de nodige voorwaarden. Voor Colline Novaresi DOC Barbera moet de wijn minstens 85 procent Barbera bevatten. Dat levert doorgaans een sappiger, toegankelijker rood op, met kersenfruit, frisse zuren en een droge finale.

Croatina mag eveneens als aparte wijn verschijnen, opnieuw met minstens 85 procent van de druif. Dit is de wijn waar je wat meer kleur, ronding en stevigheid mag verwachten. Croatina kan een donkerder fruitprofiel geven, met braam, pruim, kruiden en een mildere mondindruk. In de DOC kan ze zowel droog als amabile voorkomen.

Vespolina is een druif die in deze omgeving wel vaker opduikt en er historisch aangeplant staat. Logisch dus dat er een Colline Novaresi Vespolina bestaat. Ook hier geldt minstens 85 procent. Vespolina heeft vaak iets peperigs en kruidigs, soms met een florale toets en rood fruit. Ze wordt vaak in assemblage gebruikt, maar solo kan ze verrassend origineel zijn.

Uva rara, ook Bonarda Novarese genoemd, vervolledigt het rijtje. De naam is wat misleidend, want rara betekent zeldzaam. In dit deel van Piemonte gaan rara en zeldzaam echter niet helemaal hand in hand. Het zou pas raar zijn mocht je hier niets over deze druif horen. Ook hier geldt de grens van minstens 85 procent. De stijl is doorgaans iets zachter, fruitiger en minder streng dan Nebbiolo. Denk aan rood fruit, frisse sappigheid en een wijn die zich makkelijker laat drinken.

Omdat je in de praktijk geregeld houtlagering tegenkomt, komt het mij wat vreemd over dat er geen verplichte rijpingsperiode wordt voorgeschreven. De producenten krijgen dus de volledige vrijheid wat rijping betreft.

Witte wijnen

Driewerf hoera, want hier treffen we een van de meest onderschatte witte druiven uit Italiƫ: Erbaluce. Nog meer goed nieuws: Colline Novaresi DOC bianco moet verplicht als monocƩpage op de markt komen, dus 100 procent Erbaluce. Tussen de regels door kan je lezen dat ik mijn enthousiasme amper kan temperen. Dat enthousiasme is trouwens niet gespeeld, want je kan hier heerlijke witte wijnen vinden.

Deze wijn heeft doorgaans een strogele kleur, een eerder delicaat en fris aroma en een smaak waarin frisheid gecombineerd wordt met een zekere ziltigheid. Denk aan citrus, groene appel, witte bloemen, soms een vleugje amandel en een lichte minerale indruk. Erbaluce kan wat streng zijn wanneer ze te jong of te koel gemaakt wordt, maar in de juiste handen heeft ze veel charme.

Rosato

Ook de rosƩwijnen uit dit wijngebied kan ik liefhebbers aanraden. Fris, voldoende pittig en niet te lichtvoetig, met dus ook voldoende body. Colline Novaresi DOC rosato wordt gemaakt met minstens 50 procent Nebbiolo of Spanna. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven uit Piemonte. In de praktijk kom je dan opnieuw uit bij druiven zoals Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera.

De kleur wordt meestal omschreven als rosa cerasuolo, dus eerder kersenroze. De geur gaat meestal richting rode bes, framboos, bloedsinaasappel, een florale toets en mogelijk wat fijne kruidigheid. In de mond verwacht je vooral frisheid, maar dus niet zonder karakter. Dat is net wat deze rosato boeiend maakt.

Hoogteligging als architect van de wijnstijl

We hebben lang geworsteld om dit artikel af te ronden. Altitude, ofwel de hoogteligging van wijngaarden, is in de hedendaagse wijnbouw steeds belangrijker geworden. Het is, laat dat duidelijk zijn, geen kwaliteitsstempel. Het is een klimaatknop waarmee wijnbouwers rijping kunnen vertragen en balans kunnen bewaren.

Meer en meer zie je de woorden ā€œhigh altitudeā€ opduiken op een etiket, met een verkooppraatje erbij, bijvoorbeeld ā€œheroic winemakingā€. Vaak is dat om een hoog prijskaartje goed te praten. Soms is het gewoon een correcte technische samenvatting van wat er in de wijngaard gebeurt.

In dit artikel willen we vooral tonen wat hoogteligging concreet doet met temperatuur, licht, rijping en uiteindelijk met de stijl van de wijn in je glas.

Wat is ā€œhoogā€ eigenlijk?

Er bestaat geen wereldwijde definitie die overal logisch werkt. Een grens van 500 meter boven zeeniveau duikt vaak op, maar die zegt alleen iets binnen een regio. In Europa klinkt 500 meter al stevig, terwijl dat in Mendoza eerder normaal is. In die Argentijnse regio liggen veel wijngaarden tussen ongeveer 600 en 1.100 meter. ā€œHoogā€ blijft dus relatief, en je moet het altijd lezen in functie van breedtegraad, expositie en de invloed van zee of vallei.

Hoogteligging werkt pas echt wanneer je het samen leest met hellingsgraad, afstand tot water, vochtigheid, wind en de manier waarop het landschap wolken en neerslag stuurt. Een hoger perceel kan door een warme expositie toch warmer uitvallen dan een lager perceel. Daarom is het correcter om te spreken over hoogteligging binnen een specifiek microklimaat.

Voor de wijn betekent dit dat hoogteligging pas iets zegt wanneer je weet hoe het perceel ligt, hoe het afkoelt en hoeveel zon en wind het werkelijk krijgt.

Waarom het onderwerp nu overal opduikt

De praktische reden is klimaat. In veel gebieden schuiven nieuwe aanplantingen op naar hogere zones om opwarming te temperen en frisheid te behouden. Opwarming kan het groeiseizoen versnellen. Studies tonen oogstmomenten die opschuiven naar vroeger, met voorbeelden van 4 tot 11 dagen oogstvervroeging in warmere groeiseizoenen. Hoogte kan die versnelling afremmen.

Dat geeft vaak minder alcoholische druk en meer frisheid in de zuurstructuur, op voorwaarde dat de druiven volledig kunnen rijpen.

Temperatuur & dag en nacht contrast: de basislaag

Het meest directe effect van hoogteligging is koelte, en vooral het verschil tussen dag en nacht. Hoger betekent gemiddeld lagere temperaturen, en zodra de zon zakt koelt de lucht sneller af. Overdag kan er nog altijd genoeg warmte en zon zijn om rijping vooruit te duwen. ’s Nachts krijg je net de rem, waardoor druiven trager evolueren en hun zuren beter vasthouden. Biochemisch is dat simpel: in koelere omstandigheden wordt appelzuur trager afgebroken, waardoor de zuurstructuur makkelijker overeind blijft.

Een vuistregel maakt het concreet. In veel klassieke wijnstreken wordt het gemiddeld ongeveer 0,6°C koeler per 80 à 85 meter stijging. Over 300 meter is dat dus al ruim 2°C verschil. Op zich lijken die verschillen miniem, maar in een groeiseizoen is het vaak precies het verschil tussen snel rijp worden en rustig tot een optimale rijpheid komen.

Bergen sturen ook het weer: regen, mist en regenschaduw

Als we het over hoogteligging hebben, denken we meteen aan wijngaarden in berggebied. Dat is niet altijd zo, denk aan Ribera del Duero dat vooral op een hoogteplateau ligt. Maar als er bergketens in de buurt zijn, kunnen die wĆ©l zeer bepalend zijn. Bergen zorgen immers voor meer dan koeling. Ze werken als een soort verkeersleider voor luchtmassa’s. Lucht die tegen een bergwand botst, wordt omhoog geduwd. Tijdens die stijging koelt ze af, waterdamp condenseert en je krijgt neerslag aan de windzijde. Dat verklaart waarom sommige hellingen opvallend natter en groener zijn dan de vallei ernaast, en waarom wijnbouw soms aan de ene flank vanzelfsprekender is dan aan de andere.

Aan de andere kant van de berg krijg je vaak net het omgekeerde. De lucht is haar vocht al kwijt en daalt opnieuw, warmer en droger. Dat is de regenschaduw. In zo’n zone kan wijnbouw perfect mogelijk zijn, maar water wordt plots een sleutelthema. Irrigatie kan nodig worden, of je moet zoeken naar bodems die water beter vasthouden, of je past je onderstam en canopy management daarop aan. Het is ook waarom twee wijngaarden op vergelijkbare hoogte, maar aan een andere kant van dezelfde keten, een totaal ander groeiseizoen kunnen hebben.

Bergketens kunnen ook koelte aanvoeren. Door valleien en doorgangen kan mist en koele lucht het binnenland in worden gezogen, soms elke ochtend opnieuw. Dat drukt de temperatuur in de eerste helft van de dag en verlaagt de effectieve zoninstraling. Het resultaat is koeling die niet alleen van hoogte komt, maar ook van luchtcirculatie.

Je merkt al onmiddellijk dat hoogteligging niet allesbepalend is. Het wordt pas interessant als je ook snapt wat de bergen met wind, regen en mist doen.

Licht en UV: meer straling, andere schil, andere concentratie

Tijdens het opzoeken rond dit onderwerp botste ik ook op lichtintensiteit en UV straling. Dat komt simpel gezegd hierop neer. Hoe hoger je gaat, hoe minder het zonlicht onderweg wordt gefilterd. Minder filter, dus het licht komt feller binnen. Niet per se warmer, wel intenser, met ook wat meer UV. Er wordt vaak gewerkt met een vuistregel van grofweg 1 tot 1,3 procent meer UV per 100 meter stijging.

De druivenstok reageert daarop zoals elke plant. Hij probeert zich te beschermen, en bij druiven gebeurt dat vooral via de schil, het enige deel van de bes dat zon en straling rechtstreeks opvangt. Bij fellere zon gaat de plant daar extra beschermende stoffen opbouwen, onder andere meer anthocyanen. Daardoor wordt de schil vaak steviger en dikker. Tegelijk kunnen bessen kleiner blijven, waardoor je automatisch meer schil krijgt in verhouding tot sap.

Bij rode rassen betekent dat potentieel meer kleur en meer tannine. Bij witte rassen kan het effect subtieler zijn, maar je ziet vaak wel een intensere aromatische expressie, tenminste als het seizoen lang genoeg is om mooi te rijpen en niet te koel wordt op het einde.

Er zit ook een keerzijde aan vast. Fellere zon en meer straling kunnen de plant wat voorzichtiger maken. Minder bladontwikkeling en kleinere bessen betekenen dan ook potentieel minder kilo’s.

Meer schil en meer kleurstoffen betekenen niet alleen meer concentratie. In rode wijn geeft het ook meer structuur, want tannine zit vooral in de schil. Maar daar zit meteen ook de valkuil. Als het seizoen te kort is of de herfst te bruusk binnenvalt, kan die tannine onrijp blijven, met een strengere indruk als gevolg.

Hoogte vertraagt de kalender

Naarmate een wijngaard hoger ligt, schuift het groeiseizoen meestal op. De knoppen lopen later uit, de bessen kleuren later, en ook de oogst valt later. Vaak krijgt de wijngaard daardoor meer tijd om tot een volledige rijpheid te komen. Die extra tijd geeft de bessen meer kans om aroma’s en schilcomponenten op te bouwen, zonder dat het suikergehalte al te snel stijgt.

Dat komt niet alleen door lagere temperaturen. Op hoogte reageert de wijnstok ook anders op zijn omgeving. Door fellere zon, meer wind en vaak drogere lucht gaat hij zuiniger om met water en energie. Dat beĆÆnvloedt mee hoe gelijkmatig de rijping verloopt en hoe suiker, aroma en schilrijpheid zich opbouwen.

Een Italiaanse studie maakte die vertraging heel concreet. De oogst lag gemiddeld 6,27 tot 7,16 dagen later per 100 meter stijging, en het uitlopen van de knoppen 0,85 tot 2,88 dagen later per 100 meter.

Die verlenging is tegelijk het risico. Jonge scheuten staan langer bloot aan vorst en hagel, zeker in het voorjaar wanneer de plant het meest kwetsbaar is. Bovendien gaat hoogte vaak samen met grotere temperatuurschommelingen tussen dag en nacht. Daardoor krijgen extremen meer kans, van abnormaal warme winterdagen tot vrieskou in late winter of vroege lente.

Wind: vriend Ʃn vijand op hoogte

Bij wijnbouw op hoogte kwamen al heel wat factoren aan bod, en dan hebben we het nog niet over de invloed van de wind gehad.
Het is eigenlijk vrij logisch: hoogte gaat vaak samen met een opener landschap en dus met meer wind. En wind werkt dubbel. Het meest gunstige effect is dat trossen na regen of dauw sneller opdrogen, waardoor schimmeldruk vaak lager ligt en ziektes beperkter blijven.

Maar tegelijk kan diezelfde wind de verdamping opdrijven. Bessen blijven kleiner, de schilfractie stijgt, en dat kan concentratie versterken. Alleen, als wind en droogte te hard beginnen te wegen, slaat dat om in stress. Te veel wind en te weinig water remmen de rijping af, en dan wordt altitude plots geen voordeel maar een extra uitdaging om alles mooi en gelijkmatig te laten rijpen.

Hoogte beĆÆnvloedt dus niet alleen temperatuur en licht. Ze bepaalt ook hoe droog en hoe winderig de wijngaard rond de tros aanvoelt, en dat weegt mee op het verloop van het seizoen.

De prijs, meestal mee omhoog

Als ik spreek met wijnproducenten met hooggelegen wijngaarden, moet ik soms glimlachen. Onlangs bezochten we nog verschillende producenten in Valtellina, en het was opvallend hoe vaak dezelfde uitleg terugkwam: hoog gelegen wijngaarden, steile hellingen, alles manueel, dus hogere kosten. Op zich is daar niets mis mee, het klopt ook. Alleen merk je dat het verhaal soms wel erg nadrukkelijk wordt ingezet om een hoger prijskaartje meteen te kaderen.

En inderdaad, hoogteligging gaat vaak samen met steile hellingen, en die zijn moeilijk te mechaniseren. Meer handwerk betekent automatisch hogere kosten. Daarbovenop komen risico’s zoals vorst, hagel, zware regen, harde wind en soms erosie. Binnen ƩƩn helling kan rijping verschillen tussen voet en top, wat selectie en timing lastiger maakt. Opbrengst ligt vaak lager, deels door stress, deels door strengere selectie. Soms is water beschikbaar via smeltwater in droge maanden, maar ook dat is geen gratis voordeel. In sommige kwaliteitsgebieden is irrigatie beperkt of verboden.

Vandaar ook dat de melding van ā€œhigh altitudeā€ zo graag mee op het etiket wordt geplaatst. Die twee korte woordjes zijn vaak een handige samenvatting van hogere kosten en meer risico, en dus ook van een prijskaartje dat meestal mee omhoog klimt.

We hebben nu een duidelijk beeld geschetst van het belang van hoogteligging. Wat we nog niet gezegd hebben, en wat toch belangrijk is om mee te geven: hoogte heeft grenzen. Je kan niet eindeloos omhoog blijven schuiven en verwachten dat wijnbouw zomaar blijft werken. Op een bepaald punt wordt het groeiseizoen te kort, is de kans op vorstschade te groot, en krijg je onvoldoende warmte om tot volledige rijpheid te komen. Ook de bloei en vruchtzetting worden kwetsbaarder, net als de oogstperiode. Daarom blijven extreme hoogtes uitzonderingen.

Waar die grens ligt, verschilt sterk per regio. In veel Europese contexten wordt het ergens tussen 700 en 900 meter een stuk moeilijker om elk jaar betrouwbaar tot volledige rijpheid te komen, terwijl uitzonderingen zoals Valle d’Aosta of Etna tonen dat je met de juiste ligging en omstandigheden ook boven 1.000 meter nog kan werken. Mondiaal zijn er uiteraard nog andere regio’s die dat verhaal bevestigen.

Dus ja, ā€œhigh altitudeā€ kan een mooi excuus zijn voor een prijskaartje. Maar de klimaatomstandigheden duwen de wijnbouw ook gewoon die richting uit, en we gaan die verschuiving naar hoger gelegen percelen steeds vaker zien. Ga er zelf maar eens aanstaan. In die contexten mag ā€œheroĆÆsche wijnbouwā€ van mij gerust gebruikt worden. Maar goed, daar zetten we later nog wel eens een ander boompje over op.

Vegan wijn: helder label, troebele werkelijkheid

Het gaat snel, dat is wel het minste wat je kan zeggen. Plots zie je ook in de wijnwereld flessen opduiken met het bekende V label op het rugetiket. In de food- en non-foodwereld was dat al veel langer ingeburgerd, maar intussen heeft het label ook duidelijk zijn plaats gevonden in wijn.

Dat het fenomeen niet meer weg te denken is, lijkt me duidelijk. Toch stel ik me daar wel de nodige vragen bij. Niet zozeer omdat ik het belang van duidelijke informatie voor de consument in twijfel trek, wel omdat ik me afvraag wat de echte meerwaarde van zo’n label in wijn precies is. Zeker in een sector waar de fles vandaag al omringd wordt door een hele stoet aan andere keurmerken en claims: Ecocert, Biodyvin, Demeter, Terra Vitis, Fairtrade, VIVA, Equalitas en nog heel wat meer. Op de duur zie je de bomen door het bos niet meer.

Wie wat dieper graaft, merkt bovendien al snel dat vegan allerminst een eenduidig begrip is. Zodra je achter het etiket kijkt, kom je terecht in een wereld van verschillende definities, overtuigingen en grijze zones. Voor de ene producent betekent vegan eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Voor de ene consument volstaat dat. Voor de andere begint de discussie daar pas echt.

Op het eerste gezicht lijkt vegan wijn zelfs een bijna overbodige term. Wijn wordt tenslotte gemaakt van druiven, en druiven groeien aan een plant. Maar tussen druif en fles schuilt een hele reeks keuzes, handelingen en materialen die het verhaal minder vanzelfsprekend maken. Mag er bijenwas op een capsule zitten? Is een wijn nog vegan als een paard de wijngaard ploegt? En wat met biodynamische domeinen die dierlijke onderdelen gebruiken in hun preparaten? Daarom lijkt het me de moeite om verder te kijken dan het logo alleen.

Wat bedoelen we eigenlijk met vegan wijn?

Wie zich in vegan wijn verdiept, merkt al snel dat het begrip minder eenduidig is dan het etiket doet vermoeden. In de praktijk circuleren namelijk twee lezingen naast elkaar.

De meest gangbare en beperkte invulling is technisch van aard. Daarbij betekent vegan wijn eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Dat is ook de definitie waarop veel wijnbedrijven zich in de praktijk baseren. Wanneer zij op hun website of etiket vermelden dat hun wijn vegan is, bedoelen ze meestal precies dit, niet meer en niet minder.

Voor een deel van het publiek ligt de lat echter hoger. Daar volstaat het niet dat de wijn in de kelder zonder dierlijke hulpmiddelen is gemaakt. In die strengere lezing moet in de volledige productieketen elke vorm van dierlijk gebruik worden vermeden, voor zover dat mogelijk en praktisch haalbaar is.

Precies daar begint de verwarring. Veel consumenten denken nog altijd in ƩƩn brede categorie van plantaardig of diervrij, terwijl in de praktijk verschillende definities, gevoeligheden en overtuigingen naast elkaar bestaan. Wie het echt nauw neemt, wil dus niet alleen weten of een wijn vegan is, maar ook volgens welke lezing dat precies wordt bedoeld.

Waarom klaring het klassieke discussiepunt werd

De bekendste discussie rond vegan wijn draait nog altijd om de klaring. Daarbij worden stoffen toegevoegd die zich binden aan kleine deeltjes in de wijn, zodat die nadien verwijderd kunnen worden. Traditioneel gebeurde dat met dierlijke stoffen zoals eiwit, caseĆÆne of vislijm.

Vanuit klassiek oenologisch standpunt is dat niets uitzonderlijks. Het gaat om een technische ingreep die helpt om de wijn helderder en stabieler te maken. Precies daar wringt het voor vegan consumenten. Ook al blijft er in theorie niets of nauwelijks iets achter in de uiteindelijke wijn, het dierlijke product is wel gebruikt tijdens het proces.

Daarom kiezen veel producenten die vegan willen werken voor alternatieven zoals bentoniet of plantaardige eiwitten, bijvoorbeeld op basis van erwten. Anderen laten klaring volledig achterwege. Vooral bij rode wijnen is dat geen uitzondering. Het resultaat hoeft daar niet onder te lijden. Een zorgvuldig gemaakte wijn kan perfect zonder dierlijke klaringsmiddelen tot een zuiver en aantrekkelijk eindresultaat komen.

Voor veel producenten en consumenten eindigt de discussie ook precies daar. Zodra er in de kelder geen dierlijke hulpmiddelen zijn gebruikt, geldt de wijn voor hen als vegan.

De wijngaard als moreel terrein

Als we de advocaat van de duivel mogen spelen, dan is het heel eenvoudig: het debat stopt niet bij de klassieke klaring. Wie het onderwerp consequent doordenkt, komt onvermijdelijk uit bij minder voor de hand liggende vragen. Wat betekent vegan eigenlijk in een landbouwproduct dat midden in de natuur ontstaat? Zodra je het debat volledig opentrekt, kom je al snel uit bij allerlei vraagtekens, en misschien ook bij echte twistpunten. Ik pik er, eerder willekeurig, alvast enkele uit.

Ten eerste komt er bij mechanische oogst soms meer dan alleen druiven binnen op het domein. Wie ooit een sorteertafel van dichtbij heeft gezien, weet dat tussen het fruit ook blaadjes, takjes en af en toe kleine dieren of insecten kunnen opduiken. Muizen, slakken en hagedissen horen daar uiteraard evenmin thuis: het valt allemaal onder wat men wel eens ā€˜matter other than grapes’ noemt. Bij handmatige pluk is die kans kleiner, maar volledig uitsluiten kan je het nooit. Moderne sorteertechnieken, zoals optische sortering, kunnen veel ongewenst materiaal eruit halen, maar ook dat is geen absolute garantie. Moeten we dan zover gaan dat voor vegan wijn enkel handmatige oogst nog aanvaardbaar zou zijn?

Ten tweede kunnen er vragen worden gesteld bij de dierlijke hulpmiddelen die wijnbouwers inzetten bij het beheer van hun wijngaarden. Sommige producenten gebruiken paarden om te ploegen, schapen om begroeiing te beheren of eenden als natuurlijke hulp in het ecosysteem van de wijngaard. Dat kan je zien als een mooi voorbeeld van gemengde landbouw en respectvolle samenwerking met dieren. Je kan het ook bekijken als functioneel gebruik van dieren binnen een productiesysteem. En precies daar wordt het voor een deel van het vegan publiek moeilijker te verantwoorden.

Ten derde duikt ook bemesting op als een gevoelig punt. Sommige wijnbouwers gebruiken organische meststoffen van dierlijke oorsprong, terwijl anderen overschakelen op plantaardige alternatieven, niet alleen om praktische redenen, maar ook om het vegan vraagstuk te vermijden. Meststof komt natuurlijk niet rechtstreeks in het glas terecht, maar wel in de bodem waarin de wijnstok groeit. Voor sommigen is dat geen probleem. Voor anderen hoort ook dat bij de ethische beoordeling van de wijn.

Net daar wordt ook duidelijk hoe breed de discussie is geworden. In een absolute filosofische lezing van veganisme kan zelfs dierlijke mest problematisch zijn. In de landbouwpraktijk blijkt een totaalverbod daarop echter nauwelijks werkbaar. Veel systemen, ook duurzame, biologische en regeneratieve, steunen nog altijd op organische bemesting waarin dierlijke mest een plaats heeft. Precies daarom kiezen sommige vegan standaarden voor een pragmatische aanpak. Ze aanvaarden dierlijke mest, omdat een volledig verbod in de praktijk een groot deel van de landbouwproductie zou uitsluiten. Dat is begrijpelijk, maar het toont ook hoe zelfs strenge definities niet altijd volledig consequent kunnen zijn.

Trek je de redenering nog verder door, dan kom je bovendien uit bij alles wat rond de fles gebeurt. Ook een capsule op basis van bijenwas lijkt op het eerste gezicht een detail, maar kan in een strikte vegan lezing problematisch worden. Zo verschuift het debat steeds verder weg van wat in het glas zit, naar de volledige keten errond. En dan mag je je toch stilaan de vraag stellen waar de grens precies ligt.

Die vraag is dus niet alleen technisch, maar ook filosofisch. Gaat vegan wijn enkel over wat rechtstreeks in contact komt met de wijn, of ook over elk onderdeel van het systeem waarin die wijn ontstaat? Op dat punt bestaat vandaag geen universeel aanvaard antwoord.

Biodynamie, natuur en de onverwachte botsing

Nu we toch op dreef zijn, mogen we ook die vraag stellen: is biodynamie eigenlijk wel verenigbaar met vegan wijn? Het is een van de boeiendste spanningsvelden binnen dit debat. Op het eerste gezicht lijken beide werelden elkaar namelijk te vinden in hun zoektocht naar een meer bewuste omgang met natuur en landbouw. Toch lopen ze op cruciale punten uit elkaar.

Biodynamische wijnbouw maakt gebruik van preparaten waarin dierlijke onderdelen, zoals koehoorns, een rol spelen. Voor veel strikte vegan interpretaties is dat onverenigbaar met het basisprincipe. En precies daar ontstaat een opvallende paradox: sommige domeinen die bijzonder zorgvuldig, ecologisch en nauwkeurig met hun bodem en biodiversiteit omgaan, vallen daardoor toch buiten een strenge vegan lezing.

Dat maakt ƩƩn zaak meteen duidelijk: vegan is geen synoniem voor biologisch, duurzaam of regenererend. Er kan overlap zijn, zeker, maar het blijven verschillende kaders. Een wijn kan vegan zijn zonder uitgesproken duurzaam te zijn. En een biodynamische wijn kan op ecologisch vlak bijzonder sterk staan, maar toch niet als vegan gelden.

Dat levert een bijna ironische spanning op. Een producent kan biodynamisch werken, de biodiversiteit in de wijngaard verhogen, synthetische ingrepen vermijden en tegelijk toch niet als vegan gecertificeerd worden. Omgekeerd kan een wijn perfect vegan gelabeld zijn in technische zin, terwijl de bredere duurzaamheidsbalans minder overtuigend is.

De echte les: transparantie boven slogans

Misschien is dat wel de kern van het hele debat. Niet dat elke wijnproducent plots een moreel filosoof moet worden, wel dat er minder mysterie en meer openheid mag zijn over hoe wijn wordt gemaakt.

Veel consumenten kennen enkel het verhaal van klaring met eiwit of vislijm. Maar wie iets dieper kijkt, merkt al snel dat de discussie veel verder reikt: van accidenteel contact tijdens de oogst tot meststoffen, biodynamische preparaten, werkdieren, capsulewas, kurk en lijm. Wie dat alles ernstig neemt, beseft snel dat vegan wijn geen simpele aan of uit knop is.

Precies daarom is een transparante producent vandaag geloofwaardiger dan een vage claim. Niet de slogan ā€œvegan friendlyā€ op zich is doorslaggevend, wel de uitleg erachter. Tegelijk schuilt daar ook een risico. Want zodra het debat herleid wordt tot een logo op het rugetiket, dreig je in een vorm van holle frasering terecht te komen. Dan lijken duidelijk afgebakende systemen zoals bio of biodynamie plots minder relevant, terwijl een overduidelijk conventioneel gemaakte wijn met een vegan label veel te gemakkelijk een moreel geloofwaardig imago kan krijgen, zelfs wanneer de wijngaard intussen zonder veel scrupules chemisch wordt bewerkt.

En precies daar wringt het voor mij. Vegan kan een nuttige aanduiding zijn, maar het mag geen alibi worden dat alle andere vragen overstemt. Niet over landbouw, niet over duurzaamheid, en niet over de bredere manier waarop een wijn tot stand komt.

Tegelijk heeft de realiteit het debat misschien al deels ingehaald. De klant die vandaag bij mij in de winkel binnenstapt en op een fles het woord vegan ziet staan, neemt die vaak ook mee naar huis en voelt zich goed bij die keuze. Zo eenvoudig werkt het soms ook.


De rotofermenter: techniek, tempo en stijl in de rode wijnkelder

Zelfstudie heeft me altijd al aangesproken, en het is meteen ook een van de redenen waarom ik zo vaak over wijn blog. Het gebruik van een rotofermenter bij de vinificatie van rode wijn was mij al jaren bekend, maar tegelijk besefte ik dat ik eigenlijk maar weinig wist over hoe die techniek precies werkt. Veel informatie blijkt er online niet meteen over te vinden. Daarom ben ik aan de slag gegaan met enkele korte stukken die ik wel kon opsporen, en heb ik die verwerkt tot onderstaande bijdrage. Mijn inzicht in deze techniek is daardoor in elk geval een pak ruimer geworden.

Wat is een rotofermenter precies?

Een rotofermenter is in wezen een horizontale fermentatietank waarin schillen, pitten en sap tijdens de gisting op gecontroleerde wijze met elkaar in contact worden gehouden door rotatie. Dat kan doordat de volledige tank draait, of via een intern mengsysteem dat de massa in beweging houdt.

Bij rode wijn ontstaat tijdens de alcoholische gisting vanzelf een drijvende laag van schillen, pitten en andere vaste delen boven op het sap. In vaktaal noemt men die laag de hoed. Het koolzuurgas dat door de gist wordt geproduceerd, duwt die massa omhoog. Net daarom is contactbeheer zo belangrijk: wie kleur, aroma en tannine uit de schillen wil extraheren, moet ervoor zorgen dat die hoed geregeld opnieuw met het sap in aanraking komt. Traditioneel gebeurt dat via het onderdompelen van de hoed, ook wel pigeage genoemd, of via overpompen, wat men in vaktaal remontage noemt. De rotofermenter neemt die taak over en mechaniseert dit proces.

Dat lijkt een eenvoudig principe, maar het effect kan groot zijn. Door de horizontale opstelling en de actieve vermenging verloopt het contact tussen sap en vaste delen doorgaans gelijkmatiger dan bij een traditionele gisting in een rechtopstaande tank. Daardoor kan de extractie sneller verlopen en vaak ook consistenter worden gestuurd.

Waarom wijnmakers ermee aan de slag gaan

De voornaamste aantrekkingskracht van de rotofermenter ligt in de combinatie van snelheid en controle. Wijnmakers die mikken op diepe kleur, uitgesproken fruit en een zachte, toegankelijke structuur, zien in dit systeem een bijzonder efficiƫnt hulpmiddel. Men kan in een relatief korte tijd veel kleur en aroma uit de schillen halen, om vervolgens de wijn al vroeg van de vaste delen te scheiden, nog voor de tannine te stevig wordt.

Voor veel producenten is dat de kern van de zaak. Niet wachten tot de gisting volledig is afgelopen om te persen, maar al vroeger beslissen: nu hebben we voldoende kleur, voldoende fruit, voldoende structuur, en nu halen we de wijn van de schillen af. Zo ontstaat er speelruimte. De verdere gisting kan dan afgewerkt worden in tank of in vat, afhankelijk van de stijl die men voor ogen heeft.

Voor grote bedrijven is er ook een praktisch voordeel. Arbeid in de kelder is duur en tijdens de oogst staat alles onder druk. Een rotofermenter kan taken overnemen die anders veel manueel werk vragen. Minder overpompen, minder fysieke interventies, minder afhankelijkheid van wie toevallig dienst heeft in de kelder. In drukke oogstjaren telt dat zwaar door.

Van techniek naar wijnstijl

Uiteindelijk draait ook hier alles om de vraag wat die techniek in het glas oplevert, want de wijnen die met dit systeem worden gemaakt, zijn vaak diep van kleur, aromatisch expressief, sappig in het fruit en relatief snel toegankelijk. Dat profiel spreekt veel consumenten aan. Het zijn rode wijnen die zich jong al aantrekkelijk presenteren en niet noodzakelijk jaren flesrijping nodig hebben om hun structuur te verfijnen.

Sommige wijnmakers beschrijven dat effect bijna provocerend: meer rood fruit, meer impact, meer onmiddellijke expressie. Dat klinkt aantrekkelijk, al zit daar ook meteen de kritiek vervat. Want wat voor de ene een levendige, genereuze wijn is, is voor de andere een stijl die te nadrukkelijk is gestuurd.

De rotofermenter wordt dan ook vaak ingezet bij druivenrassen die baat hebben bij kleur en fruitintensiteit, zonder dat men hen te ver wil doorduwen in een harde structuur. Syrah, Merlot en Cabernet Sauvignon worden in dat verband geregeld genoemd. Bij fragielere druivenrassen ligt dat anders. Pinot Noir, of Pinot Nero, vraagt doorgaans meer zachtheid en nuance. Wie daar te mechanisch of te intens mee omspringt, riskeert karakterverlies. Ook bij Nerello Mascalese is voorzichtigheid geboden, omdat finesse, spanning en detail daar vaak belangrijker zijn dan maximale extractie.

Snellere extractie, maar niet zonder risico

Zoals vaker in de wijnbouw is een voordeel tegelijk ook een valkuil. Dat de rotofermenter snel extraheert, is precies zijn kracht. Maar snelheid zonder gevoel voor timing kan omslaan in overextractie. Waar kleur en fruit snel worden vrijgemaakt, liggen ook bitterheid en een te nadrukkelijke tanninestructuur op de loer. De rotofermenter maakt niets vanzelf beter, maar toont vooral sneller wat mogelijk is, in goede Ʃn in minder goede zin.

Sommige producenten wijzen daarnaast op het risico van reductieve aroma’s. In een gesloten systeem, met veel vaste delen en een actieve gisting, kunnen wijnen aromatisch wat geslotener overkomen. Dat hoeft geen probleem te zijn wanneer men het proces goed beheerst, maar het onderstreept wel dat een rotofermenter geen wonderknop is waarmee betere wijn vanzelf ontstaat.

Bovendien verandert ook de aard van het contact tussen sap en schillen. In een klassieke rechtopstaande tank kan overpompen kanaalvorming in de hoed veroorzaken, waardoor niet alle schillen even intens met het sap in contact komen. De rotofermenter beperkt dat effect en zorgt voor een gelijkmatigere vermenging. Dat is technisch interessant, maar het maakt de extractie ook efficiƫnter. En efficiƫnter betekent in wijn lang niet altijd verfijnder.

Klassieke kuip of rotofermenter

Voor veel wijnmakers blijft de klassieke open kuip of rechtopstaande tank de referentie, net omdat die meer ruimte laat voor observatie, bijsturing en gevoel voor ritme. Het onderdompelen van de hoed kan zachter of steviger gebeuren. Overpompen kan kort of lang duren. Ook een dƩlestage, waarbij men de most tijdelijk aftapt en daarna opnieuw over de schillen brengt, zorgt voor een ander effect. Er zit met andere woorden meer nuance in de handeling zelf.

De rotofermenter verschuift dat accent. De wijnmaker stuurt hier vooral via timing, draaisnelheid, duur en het moment waarop de wijn van de schillen wordt gehaald. Ook dat is precisie, maar van een andere soort. Minder ambacht in het fysieke gebaar, meer sturing via parameters.

Dat verklaart waarom dit toestel zo vaak opduikt in discussies tussen zogenoemde modernisten en traditionalisten. In regio’s waar structuur, langzame maceratie en terroirexpressie hoog in het vaandel staan, wordt de rotofermenter soms met argwaan bekeken, net omdat hij wordt geassocieerd met een rondere, gladdere en meer gepolijste stijl. In andere regio’s, waar fruitexpressie en vroege drinkbaarheid centraal staan, geldt hij dan weer als een logische bondgenoot.

Oud principe, moderne toepassingen

Toen ik me in het gebruik van de rotofermenter verdiepte, was mijn eerste verrassing vooral historisch van aard. Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat de eerste sporen van dit systeem al teruggaan tot het begin van de jaren 1970. Dat het toestel aanvankelijk in Australiƫ opduikt, voelt ergens wel logisch. In Europa liet de bredere doorbraak langer op zich wachten. In Piemonte bijvoorbeeld wordt Enrico Scavino vaak genoemd als de eerste producent in de Langhe die met een rotofermenter werkte, en dat zou in 1993 zijn geweest. Dat sluit mooi aan bij het bredere verhaal van de modernistische golf in Barolo en Barbaresco.

Een principe dat al zo lang meegaat, is uiteraard niet onveranderd gebleven. Ook de rotofermenter heeft in de loop der jaren een duidelijke evolutie doorgemaakt. Modernere systemen werken vandaag met verfijndere rotatiecycli, nauwkeuriger temperatuurcontrole en een hogere graad van automatisering. Sommige toestellen laten bovendien ook andere toepassingen toe, zoals cryomaceratie of koolzuurmaceratie. Zo brengt ook dit onderwerp weer nieuwe begrippen met zich mee en nodigt het bijna vanzelf uit tot een volgende ronde zelfstudie.

Chaptalisatie in het hedendaagse klimaat

Onlangs kreeg ik een spontane, op het eerste gezicht onschuldige vraag van een wijnstudent. Chaptalisatie: is dat nog van deze tijd met de klimaatopwarming? Mijn eerste reactie was euh… niet omdat ik het onderwerp niet kende, maar omdat ik plots merkte hoeveel nuance er achter die ene vraag schuilt. Chaptalisatie bestaat al eeuwen. In sommige regio’s is het perfect toegestaan, elders is het strikt begrensd of verboden. Maar of het in een warmere wereld ook minder relevant wordt, dat is minder evident dan het lijkt. Ik beloofde de vraagsteller om daar later op terug te komen en trok op zoek naar de nodige antwoorden omtrent chaptalisatie.

Wat is chaptalisatie precies?

Chaptalisatie betekent dat je suiker toevoegt aan druivenmost, of aan most die al aan het vergisten is, met ƩƩn doel: het potentiƫle alcoholgehalte verhogen. Die suiker dient als extra brandstof voor de gisten. Als de gisting normaal en volledig doorloopt, wordt die suiker omgezet in alcohol en koolzuurgas. Het resultaat is dus niet zoeter, je kan perfect een kurkdroge wijn maken met chaptalisatie.

Je ziet de techniek vooral opduiken wanneer druiven moeite hebben om voldoende natuurlijke suikers op te bouwen. Dat gebeurt typisch in koelere regio’s, in natte oogstjaren, of in streken waar de rijping in het najaar vroeg stilvalt en het een race tegen de klok wordt. In zulke omstandigheden kan een beperkte verrijking helpen om de wijn weer in balans te brengen, zeker bij stijlen die een zekere body en structuur nodig hebben.

De techniek draagt de naam van Jean Antoine Chaptal, een Franse chemicus en politicus die ze begin 19de eeuw beschreef en bekend maakte. Hij was niet de uitvinder, maar hij gaf er wel een systematische logica aan. Je hoort ook andere termen: verrijking is de neutrale benaming, in het Engels hoor je ook sugaring en enrichment.

Een belangrijke verwarring bij consumenten: chaptalisatie is iets anders dan dosage bij mousserende wijn. Dosage gebeurt na de tweede gisting en bepaalt de zoetheidsstijl. Chaptalisatie gebeurt vóór of tijdens de alcoholische gisting en stuurt alcohol, niet zoetheid.

Wie graag nog ƩƩn historisch detail meeneemt: het idee om een wijn in een lastig jaar ā€œaan te sterkenā€ is ouder dan Chaptal. In de oudheid werkte men bijvoorbeeld met honing om wijnen voller te maken. Dat is niet chaptalisatie in moderne zin, maar het toont dat wijnmakers al eeuwen zoeken naar manieren om een seizoen dat tegenzit toch richting balans te krijgen.

Waarom wijnbouwers verrijken

Ook vandaag, in een warmer maar grilliger klimaat, blijft het basisprobleem hetzelfde. Niet elk groeiseizoen levert druiven op met voldoende natuurlijke suikers om een stabiele, evenwichtige wijn te maken. In koelere klimaten kan de rijping achterblijven door lagere temperaturen, minder zoninstraling en een nazomer die te vroeg afkoelt. In natte jaren kan regen vlak voor de oogst de bessen doen zwellen, waardoor de concentratie aan suiker en aromacomponenten in het sap daalt.

Als druiven te weinig suiker hebben, zit je bij de start meteen met een lager alcoholpotentieel. Dat is typisch voor jaren waarin de nazomer vroeg afkoelt of regen de druiven minder geconcentreerd maakt. Het resultaat kan een wijn zijn die mager aanvoelt, met hoekige zuren en aroma’s die minder gedragen worden, precies omdat het evenwicht tussen rijpheid en structuur zoek raakt. Alcohol is geen smaak op zich, maar het geeft de wijn meer draagkracht: het maakt aroma’s expressiever en rondt het geheel af. Soms is een kleine correctie genoeg om een wijn van correct maar dun naar correct en compleet te brengen.

Er is bovendien een praktische kelderrealiteit. In zulke koelere of nattere jaren vallen laag alcohol en hogere zuren vaker samen, waardoor de microbiologische marge kan verkleinen. Dat is geen vrijgeleide om te verrijken, wel een extra reden waarom sommige producenten bij moeilijke jaren liever corrigeren dan gokken.

In de praktijk is chaptalisatie minder een automatische reflex geworden dan vroeger. In veel klassieke koelere regio’s halen druiven gemiddeld vaker voldoende rijpheid, waardoor er in normale jaren minder nood is om bij te sturen. Maar de techniek is zeker niet verdwenen. Ze duikt vooral op in jaren waarin het seizoen vroeg kantelt, met een koele nazomer of veel regen rond de oogst, en in percelen of subzones die structureel later rijpen. Met andere woorden, minder routine, meer noodoplossing.

Bovendien is verrijken vandaag breder dan suiker toevoegen. Waar sucrose juridisch of stilistisch minder gewenst is, kiest men vaker voor druifgebonden opties zoals geconcentreerde most, of voor technieken die de most concentreren door water te verwijderen. En soms is de meest radicale keuze net gƩƩn ingreep, maar bewust een lager alcoholniveau aanvaarden als stijl.

Wat chaptalisatie doet in het glas?

Chaptalisatie verhoogt alcohol. Dat klinkt banaal, maar de sensorische gevolgen zijn reƫel, omdat alcohol mee bepaalt hoe een wijn ruikt, aanvoelt en in balans komt.

Alcohol werkt als drager van aroma’s. Fruitige tonen kunnen duidelijker overkomen en de wijn kan voller aanvoelen. Het beĆÆnvloedt ook hoe makkelijk geurcomponenten vrijkomen, en het kan de expressie van bepaalde gistafgeleide aroma’s versterken. Bovendien heeft alcohol zelf een licht zoetige indruk, waardoor fruit soms rijper lijkt dan het strikt genomen is. Tegelijk kan extra alcohol het fruit ronder doen lijken en sommige onrijpe randjes minder scherp maken, al hangt het effect sterk af van zuur, fenolen en de stijl.

Daar staat een duidelijke grens tegenover. Te veel alcohol geeft warmte en branderigheid, en de wijn kan log of uit evenwicht overkomen. Een dun jaar wordt door suiker geen groot jaar. Je corrigeert de basis, je herschrijft het seizoen niet.

Een nuance die vaak onderschat wordt: alcoholniveau stuurt de waarneming van rijpheid sterker dan we denken. Wijnen die naar een lager alcoholniveau worden bijgesteld kunnen plots groener en zuurder overkomen, terwijl wijnen die naar een hoger alcoholniveau worden opgetrokken sneller rijper, fruitiger of bloemiger lijken. Alcohol is dus niet enkel een cijfer op het etiket, het kleurt mee hoe we het profiel interpreteren.

Glycerol wordt in dit verband vaak genoemd omdat het tijdens de gisting ontstaat en bijdraagt aan ronding. Dat klopt, maar het effect is subtiel. Mondgevoel komt uit het totaalplaatje: alcohol, zuur, fenolische structuur, eventueel restsuiker, rijping op lie en soms hout.

Tot slot een realiteitscheck. Je kan zelden met zekerheid proeven of een wijn gechaptaliseerd is, zeker niet als het beperkt en technisch netjes gebeurt. Je proeft vooral het eindresultaat. Is het geheel in balans, dan stelt de vraag zich minder. Voelt hij branderig of uit evenwicht, dan is er vooral een discrepantie tussen alcohol en structuur, of die alcohol nu van nature hoog is of het resultaat van verrijking.

De praktische uitvoering

De klassieke methode is toevoeging van sucrose, meestal afkomstig van bieten of riet, met een zeer hoge zuiverheid. Als vuistregel geldt dat ongeveer 17 gram sucrose per liter most nodig is om het potentiƫle alcoholgehalte met ongeveer 1 procentpunt te verhogen. Afhankelijk van vergistingsrendement en omstandigheden wordt vaak een bandbreedte van ongeveer 16 tot 19 gram aangehouden.

Belangrijker dan de rekensom is het moment van toevoeging. Te vroeg toevoegen kan gisten stressen door een hogere osmotische druk, te laat toevoegen kan de gisting uit balans brengen en het risico op problemen verhogen. Daarom lossen producenten de suiker vaak eerst op in een deel most en voegen ze dit gecontroleerd toe zodra de gisting goed op gang is.

In de EU bestaan er ook druifgebonden opties zoals geconcentreerde druivenmost en veredelde geconcentreerde druivenmost. Die laatste is in essentie een vrijwel kleurloos, sterk gezuiverd druivensuikerconcentraat, voornamelijk glucose en fructose, met een doorgaans neutraal sensorisch effect, al is het product meestal duurder.

Daarnaast zijn er technieken die het suikergehalte verhogen door water te verwijderen, zoals omgekeerde osmose, of gedeeltelijke concentratie van most onder voorwaarden. Deze benaderingen worden vooral relevant in regio’s waar sucrose niet is toegestaan, of wanneer men de verrijking liever realiseert met druifeigen materialen dan met toegevoegde suiker.

In Europa is de keuze daarom niet louter technisch, maar ook juridisch en cultureel. Waar sucrose niet mag, verschuift men bij verrijking richting druifgebonden producten of concentratietechnieken binnen de toegelaten oenologische praktijken.

De Europese marges

De EU laat verrijking toe, maar strikt afgebakend. De basislogica is eenvoudig: verrijking is gekoppeld aan wijnbouwzones en aan een maximale stijging van de natuurlijke alcoholsterkte. In koelere zones mag dus meer bijsturing dan in warmere zones, precies omdat het risico op onvoldoende rijping er groter is.

Europa hanteert daarvoor traditioneel drie grote niveaus: zone A, zone B en zone C. Denk aan een klimaatladder van koel naar warm, met grenzen die juridisch vastliggen per land en soms per regio.

Zone A is de koelste en meest noordelijke band, met onder meer Duitsland, Luxemburg, Belgiƫ en Nederland. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte door verrijking maximaal met 3,0 procent volume stijgen.

Zone B is de volgende band, met onder meer Oostenrijk en meerdere noordelijke en oostelijke gebieden van Frankrijk zoals Alsace en Champagne, en ook zones in Sloveniƫ. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte maximaal met 2,0 procent volume stijgen.

Zone C is de warmere band, opgesplitst in subzones. Ze omvat in grote lijnen de zuidelijkere wijnlanden en regio’s, zoals mediterrane zones in landen als ItaliĆ«, Spanje, Portugal en Griekenland, en ook warmere delen van Frankrijk. Hier mag de natuurlijke alcoholsterkte maximaal met 1,5 procent volume stijgen.

In uitzonderlijk ongunstige jaren kunnen nationale autoriteiten die maxima tijdelijk verhogen met 0,5 procent volume, binnen de geldende procedures en meldingen. Maar ook dan blijft het uitgangspunt hetzelfde: bijsturen mag, structureel opkrikken niet.

Voor de praktijk is er nog een gevoelige nuance. Sucrose toevoegen mag in de EU niet overal. In de koelere zones is het in principe toegelaten binnen de maxima, maar in verschillende warmere landen en regio’s, waaronder grote delen van ItaliĆ«, Spanje, Portugal en Griekenland, is het expliciet uitgesloten, net als delen van Zuid Frankrijk waar men het juridisch of via regionale regels niet toelaat. Wie daar toch wil verrijken, kan enkel werken met druifgebonden producten of met toegelaten concentratiemethodes, afhankelijk van de zone en de lokale regels.

Chaptalisatie in tijden van klimaatverandering

Uiteindelijk belanden we terug bij de kern van dit artikel, de vraag van mijn student of chaptalisatie met de klimaatopwarming nog wel relevant is. Dat is een terechte vraag, want het debat is de laatste jaren duidelijk verschoven. Veel klassieke chaptalisatiegebieden halen vandaag vaker rijpere oogsten dan enkele decennia geleden.

Tegelijk maakt klimaatgrilligheid het verhaal minder voorspelbaar. Er zijn nog altijd jaren waarin rijping plots stokt door regen rond de oogst, schimmeldruk of een koele nazomer die de laatste suikeraanwas afremt. In zulke jaren duikt verrijking opnieuw op als instrument om het evenwicht te bewaren.

Dat maakt chaptalisatie niet achterhaald, wel selectiever. De beste toepassing is minder routine en meer noodmaatregel. Vroeger ging het vooral over koelte, vandaag gaat het vooral over onzekerheid. Chaptalisatie wordt dus nog toegepast, maar anders dan vroeger. Minder als standaardoplossing, vaker als gerichte correctie wanneer het seizoen daar echt om vraagt.