Boter in witte wijn – Van aroma tot textuur

Enige tijd geleden kreeg ik een mail met een eenvoudige vraag. Waarom smaken sommige wijnen zo duidelijk naar boter, terwijl andere daar geen spoor van vertonen. Het leek me een perfecte aanleiding om dieper te graven. Want ja, je kan daar snel een kort antwoord op formuleren, maar wie zich een beetje verdiept in wat er in de kelder gebeurt, merkt al gauw dat het verhaal rijker en boeiender is dan dat eerste antwoord doet vermoeden.

De botersmaak in wijn is een aroma dat bijna iedereen herkent, maar zelden onverschillig laat. Voor de ene wijnliefhebber is ze warm, rond en verleidelijk, voor de andere net te zwaar of zelfs storend. Wat vaak gemakshalve als één smaak wordt benoemd, blijkt in werkelijkheid het resultaat van meerdere bewuste keuzes in de kelder.

Achter dat romige, soms licht popcornachtige karakter schuilt een samenspel van processen. Diacetyl speelt daarin een centrale rol, maar het verhaal stopt daar niet. Ook rijping sur lies en houtlagering kunnen bijdragen aan een boterachtige indruk. Elk van die elementen doet dat op zijn eigen manier. Soms zit boter vooral in het aroma, soms eerder in het mondgevoel, soms subtiel op de achtergrond, soms nadrukkelijk aanwezig.

Wie begrijpt waar die verschillen vandaan komen, proeft wijn anders. Niet technischer, maar bewuster. Want boter in wijn heeft geen vaste betekenis. Ze is het resultaat van keuzes, timing en stijl. En precies dat maakt dit onderwerp zo interessant om verder uit te pluizen.

Diacetyl als chemische en sensorische sleutel

Diacetyl is de stof die verantwoordelijk is voor het herkenbare boteraroma in wijn. Het is die geur die kan doen denken aan room, warme boter of zelfs een vleugje popcorn. In gefermenteerde zuivel speelt diacetyl een hoofdrol en is het aroma vaak uitgesproken aanwezig. In wijn ligt dat gevoeliger. De hoeveelheden zijn meestal veel kleiner en bevinden zich soms zelfs rond de grens van wat we kunnen waarnemen. Toch kan diacetyl een wijn opvallend sturen in hoe rond, zacht of romig hij wordt ervaren.

Wie het technisch wil benoemen, kan zeggen dat diacetyl ook bekendstaat als 2,3 butaandion. Maar belangrijker dan de naam is het effect in het glas. Zelfs in kleine hoeveelheden kan diacetyl een disproportioneel grote invloed hebben op de stijl en beleving van een wijn.

Bij lage concentraties herken je diacetyl zelden meteen als boter. Het uit zich dan eerder als een zachte, romige indruk, met nuances van notig, licht toast of iets gistachtigs. Pas wanneer de hoeveelheid toeneemt, wordt het aroma duidelijk boterachtig en krijgt het een uitgesproken lactisch karakter. Die verschuiving gebeurt niet plots. Ze hangt af van de wijnstijl en van wat er nog meer in het glas aanwezig is. Wat in een volle Chardonnay als rond en aangenaam wordt ervaren, kan in een lichtere wijn al snel te zwaar of overheersend aanvoelen.

De oorsprong van diacetyl ligt in een biologisch proces dat veel wijnen doormaken, de malolactaatomzetting. Hoe dat proces verloopt en hoe ermee wordt omgegaan, bepaalt in grote mate of boter slechts een nuance blijft of een duidelijke stijlkeuze wordt.

Dat maakt diacetyl tot een bijzonder aroma. Het ligt nooit vast, maar reageert op timing, omgeving en intentie. Soms blijft het discreet op de achtergrond, soms drukt het een duidelijke stempel op de wijn. Precies die beweeglijkheid verklaart waarom boter in wijn zo sterk met stijl verbonden is, en waarom ze bij de ene wijnmaker bewust wordt opgezocht en bij de andere net wordt vermeden.

Malolactaatomzetting als instrument

In wijn is diacetyl onlosmakelijk verbonden met de malolactaatomzetting. Tijdens dit proces wordt het frisse en vaak scherpe appelzuur omgezet in zachter melkzuur. Sensorisch vertaalt zich dat van groene appel naar een ronder en zachter geheel. In diezelfde beweging ontstaat diacetyl, de stof die verantwoordelijk is voor het boteraroma.

Bij witte wijnen is deze omzetting geen vanzelfsprekendheid. Ze wordt bewust ingezet wanneer een wijnmaker meer rondheid of een boterachtig accent nastreeft. Veel witte wijnen behouden net hun frisheid door de malolactaatomzetting te vermijden. Dat maakt de keuze om ze wel toe te passen des te bepalender voor de uiteindelijke stijl.

Om die keuze ook effectief te kunnen maken, moet de malolactaatomzetting beheersbaar zijn. Ze wordt uitgevoerd door melkzuurbacteriën, maar dat gebeurt zelden op goed geluk. Wijnmakers willen dit proces kunnen sturen en beheersen, omdat het een duidelijke invloed heeft op smaak en stijl. Daarom wordt er gewerkt met bacteriën die zich betrouwbaar gedragen in wijn en voorspelbare resultaten geven. Oenococcus oeni is daarbij de meest gebruikte keuze. Ze zet appelzuur om zonder de wijn uit balans te brengen en laat de wijn toe om zachter en ronder te worden. Tegelijk speelt bij deze bacterie ook het metabolisme van citroenzuur een rol, wat mee aan de basis ligt van de vorming van diacetyl.

Wat deze fase extra boeiend maakt, is dat diacetyl geen blijvend eindpunt is. Het kan aanwezig zijn, verdwijnen en later opnieuw opduiken. Boter in wijn is dus geen vaststaand aroma, maar een moment in de evolutie van de wijn. Dat betekent dat de wijnmaker niet alleen invloed heeft op hoeveel boter ontstaat, maar ook op hoe lang die indruk blijft hangen. Tijd wordt hier een stilistisch instrument.

Hoe uitgesproken boter uiteindelijk aanwezig is, hangt af van een reeks keuzes. De gebruikte bacteriestam speelt daarbij een rol, net als het moment waarop de malolactaatomzetting wordt ingezet. Wanneer deze omzetting samenvalt met de alcoholische gisting, kan een deel van het boteraroma alweer verdwijnen. Wordt ze pas later gestart, dan krijgt diacetyl meer ruimte om zich te tonen. Ook het tempo waarin alles verloopt, maakt verschil. Een rustige en gecontroleerde omzetting bevordert doorgaans een duidelijkere boterexpressie, terwijl een snel verloop het effect kan afzwakken. Zelfs daarna blijft het boterkarakter gevoelig voor ingrepen en kan het tijdelijk naar de achtergrond verdwijnen om later opnieuw op te duiken.

In de kelder wordt vaak gesproken in culinaire beelden, en dat is niet toevallig. Brood en boter zijn meer dan metaforen. Ze verwijzen naar processen die elkaar aanvullen. Gisting, rijping en hout zorgen voor structuur en aromatische lagen, terwijl malolactaatomzetting de wijn afrondt en verzacht. Zelden staat één element op zichzelf. Zonder die verzachtende rol kan een wijn streng of hoekig blijven, terwijl boter zonder tegengewicht al snel vlak of zwaar wordt. Het is net de wisselwerking tussen die verschillende stappen die bepaalt of een wijn spanning en harmonie vindt.

De invloed van gist en lies

Hoewel diacetyl vooral met melkzuurbacteriën wordt geassocieerd, speelt gist een belangrijke rol in hoe boter in wijn tot uiting komt. Tijdens de alcoholische gisting produceren gisten kleine hoeveelheden diacetyl, maar die blijven doorgaans onder de waarnemingsdrempel. Belangrijker is wat er daarna met diacetyl gebeurt. Actieve gistcellen kunnen diacetyl verder reduceren tot minder aromatische verbindingen. Dat verklaart waarom wijnen waarbij alcoholische gisting en malolactaatomzetting tegelijk verlopen, vaak minder uitgesproken boter tonen. Gist werkt hier niet als bron, maar als regulator.

Na de gisting verandert de rol van gist ingrijpend. Wanneer wijn rijpt sur lies, blijft ze in contact met de fijne gistresten. Tijdens de autolyse komen verbindingen vrij die het mondgevoel verzachten en de wijn meer volume geven. Dit vertaalt zich in een romiger, rondere textuur die vaak als boterachtig wordt ervaren, ook wanneer er weinig of geen diacetyl aanwezig is.

Bâtonnage, het regelmatig oproeren van de lies, versterkt dit effect verder. Door de fijne gistresten opnieuw door de wijn te mengen, wint de wijn aan volume en mondvulling. Hij voelt breder en rijker aan, zonder noodzakelijk aan frisheid in te boeten. Het botergevoel dat hier ontstaat, verschilt duidelijk van dat van diacetyl. Het zit minder in de geur en meer in de structuur. De associaties verschuiven van gesmolten boter naar brioche, room en vers brood.

Hoewel sur lies rijping geen boteraroma creëert, beïnvloedt ze wel het kader waarin boter wordt waargenomen. Tijdens en na de malolactaatomzetting kan voorzichtig liescontact helpen om de wijn beter in evenwicht te houden. Nadien verschuift de impact volledig naar textuur. De wijn voelt voller, zachter en afgeronder aan. Zo kan een boterachtige indruk ontstaan zonder dat boter expliciet te ruiken is.

Houtlagering en aromatische context

Hout draagt zelf geen diacetyl aan, maar heeft een grote invloed op hoe boter in wijn wordt waargenomen. Door houtlagering ontstaat een aromatisch kader waarin boterachtige indrukken beter tot hun recht komen. Aroma’s van vanille, karamel en lichte toast versterken de indruk van romigheid en zorgen ervoor dat boter niet op zichzelf staat, maar deel wordt van een breder geheel.

In combinatie met malolactaatomzetting en rijping sur lies kan houtlagering bijdragen aan het klassieke profiel van een rijke, volle witte wijn, maar ze is geen voorwaarde om een boterige indruk te creëren. Boter is daarbij zelden het hoofdthema. Ze fungeert eerder als bindmiddel tussen fruit, hout en textuur. Zonder dat kader kan boter snel dominant worden. Met de juiste houttoets wordt ze geïntegreerd en gedragen. Wijnen die rijpen in inox, beton, amfoor of andere materialen missen dit houtkader, maar kunnen via malolactaatomzetting en liescontact evengoed een boterige indruk ontwikkelen, zij het met een ander accent.

Houtlagering hoeft daarbij niet uitsluitend in klassieke vaten te gebeuren. Ook andere vormen van houtgebruik kunnen, mits zorgvuldig gekozen en gedoseerd, bijdragen aan dat romige totaalbeeld. Het verschil zit minder in de vorm dan in de intentie. Te veel hout maakt een wijn log en eendimensionaal, te weinig laat boter op zichzelf staan.

Ook het type eik speelt een rol in de nuance. Franse eik legt vaak de nadruk op finesse en kruidigheid, terwijl Amerikaanse eik sneller associaties oproept met vanille en kokos. Slavonische eik bevindt zich daar vaak tussenin. Het zijn geen vaste regels, maar stijlaccenten die de wijnmaker kan inzetten om boter te sturen, te verzachten of juist iets meer profiel te geven.

Hoe zit het met boter in rode wijn?

Hoewel boter vooral met witte wijn wordt geassocieerd, is het zinvol om kort stil te staan bij wat malolactaatomzetting in rode wijn doet. In tegenstelling tot wit is deze omzetting bij rood vrijwel standaard. Ze draagt bij aan zachtheid, rondheid en een soepeler structuur. Het boteraroma zelf blijft daarbij meestal op de achtergrond. Niet omdat het afwezig is, maar omdat het zelden de kans krijgt om zich expliciet te tonen.

Rode wijn bevat een rijk palet aan fenolen en tannine die het aroma van diacetyl deels maskeren. Wat in witte wijn snel als boter wordt herkend, gaat in rode wijn op in de structuur. Het effect is vooral voelbaar in de mond. De wijn wordt minder streng, beter geïntegreerd en toegankelijker, zonder zijn identiteit te verliezen.

Daarnaast is diacetyl een reactieve verbinding die kan interageren met andere bestanddelen van wijn. In rode wijn is beschreven dat diacetyl kan reageren met kleurstoffen, wat mogelijk bijdraagt aan kleurstabiliteit en structurele samenhang. Die interacties zorgen ervoor dat diacetyl minder vrij beschikbaar blijft als aroma. Het boterkarakter wordt niet uitgespeeld, maar opgenomen in het geheel.

Boter als stijlkeuze

De aantrekkingskracht van boter in wijn hangt sterk samen met verwachting en context. Voor sommige wijnliefhebbers staat een romige toets voor comfort en rijkdom. Anderen zoeken net spanning, frisheid en precisie. Voor de wijnmaker is boter geen doel op zich, maar een stijlmiddel. Een resultaat van keuzes waarin wetenschap, techniek en smaak elkaar kruisen. Precies daarom is boter in wijn geen universele norm, maar een bewuste richting.

De vraag waarmee dit artikel begon, bleek al snel minder eenvoudig dan het antwoord dat ik haar meestal geef tijdens cursussen of proeverijen. Een boterige indruk in witte wijn ontstaat niet door één ingreep, maar door een samenspel. Zoals malolactaatomzetting, rust op de fijne lies, eventueel bâtonnage en soms houtlagering. Elk element draagt bij, maar geen enkel op zichzelf vertelt het hele verhaal. Achter dat romige gevoel schuilt meer nuance dan het glas op het eerste gezicht prijsgeeft.

Wie wijn zo benadert, proeft anders. En misschien is dat wel de essentie. Wijn laat zich niet herleiden tot één smaak of één verklaring. Ze nodigt uit tot vragen stellen, tot blijven ontdekken en blijven proeven.

Heb je zelf een vraag die om meer vraagt dan een snel antwoord, dan hoor ik die graag. Wie weet vormt ze het vertrekpunt van een volgend artikel.

Chemie magie in wijn

Een tijdje terug begon ik op een onbewaakt moment wat door mijn ’to do-schap’ te rommelen in de hoop er wat van in de prullenbak te kunnen gooien. Eén van de eerste dingen die ik tegenkwam deed me al achterover leunen in de zetel, de aandacht volledig gevestigd op het aangaande artikel. Het artikel in kwestie is er eentje geschreven door de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging naar aanleiding van een georganiseerde wijnproeverij onder de titel: Wijn voor Chemici.
Mensen die me al langer kennen dan vandaag weten dat ik van tijd tot stond verkondig, indien gevraagd, dat de wijntoekomst in de handen ligt van de bio-ingenieurs. Zij die begrijpen hoe het land met alle respect te behandelen én bovendien thuis zijn in het wereldje der labs.

Ik geef je met graagte het bewuste artikel mee. Houdt bij het lezen ervan wel één zeer belangrijk ding in het achterhoofd:
Gelukkig worden er nog altijd heerlijke wijnen geboren uit niets meer dan wilde gisten en druiven, zonder dat de wijnboer weet wat een molecule is.

Het artikel
Binnen de hedendaagse oenologie speelt chemie een zeer prominente, ondersteunende rol. Hierbij gaat het niet alleen om de biochemie achter het fermentatieproces, maar vrijwel alle chemiedisciplines spelen tegenwoordig een rol bij het proces van wijngaard tot botteling. Dankzij de sturende kracht van de chemie bij het wijn maken kan de wijnboer de wijn-stijl creëren die hij voor ogen heeft, kunnen risico’s tot een minimum worden beperkt, en worden kosten gereduceerd.

Dankzij gedetailleerde kennis over aromaprecusors in de druif weten we nu dat aromatische terpeenalcoholen uit de druif vrijkomen als je glycosidases uit schimmels toevoegt voor de alcoholische fermentatie. Deze schilinweking versterkt aldus het bouquet van witte wijnen.
Bij rode wijnen zorgt micro-oxygenatie voor zachtere, mindere stroeve en minder bittere rode wijnen die eerder op dronk zijn. Dit weten we dankzij organisch chemisch onderzoek naar de structuur en reactiviteit van tannines en hun interactie met speekseleiwitten.

Koolzuurweking verhoogt de fruitigheid van rode wijnen. Hierbij maken de intacte blauwe druiven eerst via een intercellulair anaeroob metabolisme vluchtige esters aan, voordat zij gekneusd worden om de alcoholische fermentatie te starten.

De malolactische gisting na de alcoholische gisting was vroeger een ongecontroleerd proces. Dankzij het inzicht dat het eigenlijk geen gisting is, maar een bacterieel proces, is de ‘malo’ nu perfect beheersbaar. Onder meer door de gewenste malolactische bacteriën toe te voegen. Door deze toe te passen worden wijnen ronder en voller van smaak.
Een proces dat verder wordt versterkt door het oproeren van afgestorven gistcelresiduen bij de opvoeding van de wijn op een eikenvat na de fermentatie. Bij deze zogenaamde bâtonnage speelt de moleculaire interactie tussen extracten uit het eikenhout en de gistcelproteïnen een belangrijke rol.

De rol van chemie begint echter al vóór het eigenlijke wijn maken in de wijngaard. Zo zijn de fysisch-chemische eigenschappen van de bodem van invloed op de aard en kwaliteit van de uiteindelijke wijn. Een merkwaardig fenomeen is bijvoorbeeld dat wijnen van basische, kalkrijke bodems een hoge zuurgraad (lage pH) hebben.

Mocht er toch nog, ondanks alle hedendaagse kennis, onverwachts iets misgaan dan biedt de chemie meestal achteraf nog wel een uitkomst om een correctie toe te passen. Slaat Brettanomyces toe, dan biedt omgekeerde osmose met selectieve absorptie de mogelijkheid dierlijk riekende vinylfenolen uit de wijn te halen.

En mocht witte wijn een keer blauw uit de fermentatievaten tevoorschijn komen, dan helpt wat fotochemische kennis wel om de goudgele gloed te herstellen ;-).

Oordeel zelf over het bovenstaande artikel en hou die ene bedenking zeer goed in het achterhoofd!
Met dank aan de KVCV.