Via de vorige artikels zal je al wel gemerkt hebben dat mijn goesting om Marche te verkennen enorm was. Thuis had ik mijn huiswerk dan ook zeer grondig gedaan en een, toegegeven, veel te lang lijstje opgemaakt van wat er allemaal bezocht moest worden.
Marche kent immers heel wat verborgen plekjes die je onverwacht raken door hun schoonheid, hun ligging of gewoon door de sfeer die er hangt. Hidden gems dus. En omdat het er zoveel zijn, splits ik ze op in twee artikels. In dit eerste deel blijven we vooral in en rond de Vallesina, het land van Verdicchio, grotten, middeleeuwse dorpen, muren en prachtige uitzichten.
Met onderweg uiteraard ruimte voor een goed glas wijn.
Genga: kalksteen, grotten en stilte
Wandelen stond uiteraard op onze lijst, al hielden we daarvoor de weersvoorspellingen nauwgezet in het oog. De temperatuur mocht niet te hoog oplopen, want een zomerse klim in Marche kan behoorlijk stevig aanvoelen. Voor onze eerste wandeltocht trokken we naar Genga, en wie Genga zegt, komt bijna vanzelf bij de Gola di Frasassi terecht.
Het dorp ligt in een landschap van kalksteen, rotswanden en nauwe doorgangen, met de rivier de Sentino die zich door de Gola di Frasassi heeft gewerkt. Die kloof werd vroeger de Gola del Sentino genoemd en is ongeveer drie kilometer lang. Aan de ene kant rijst Monte Frasassi op, aan de andere kant Monte Valmontagnana.
De grotten van Frasassi zijn natuurlijk de grote trekpleister. Terecht ook. Vooral de Abisso Ancona, de enorme eerste zaal, zet je meteen op scherp. Plots sta je in een ondergrondse ruimte waar je gevoel voor hoogte, afstand en verhouding even overhoop wordt gehaald. Stalactieten, stalagmieten en grillige kalkformaties maken het beeld compleet, maar het is vooral die combinatie van stilte, omvang en ligging in de Gola di Frasassi die indruk maakt.
Tijdens onze wandeling namen we ook het pad omhoog naar de Tempio del Valadier. Dat is geen lange afstand, maar onderschat ze niet en neem toch maar een flesje water mee. Zeker in de warmte voel je die klim wel in de benen. Je volgt het pad tussen de rotsen, met onderweg steeds mooiere zichten op de kloof en de omgeving.
Boven wordt de inspanning beloond. In de grot liggen twee heiligdommen op korte afstand van elkaar. Santa Maria infra Saxa is de oudste van de twee en ligt letterlijk onder de rotsen. De plek gaat terug op een vroegere religieuze aanwezigheid in de bergwand. Enkele meters verder staat het eigenlijke eindpunt van de wandeling: de Tempio del Valadier, gebouwd in opdracht van Annibale della Genga, de latere paus Leo XII, die zelf uit Genga afkomstig was.
De tempel ligt indrukwekkend tegen de rotswand, bijna verscholen in de grot. Je hoeft er geen uitgebreid kunsthistorisch verhaal bij te vertellen om te voelen dat dit een bijzondere plek is.
Serra San Quirico: onder de copertelle
Serra San Quirico kan je perfect combineren met een bezoek aan Genga. Het dorp ligt op een kleine 15 kilometer daarvandaan.
Als je het nadert, lijkt het stevig tegen de heuvelrug genesteld. Eenmaal aangekomen merk je onmiddellijk het gesloten, middeleeuwse karakter. De naam serra verwijst trouwens naar een omsloten of moeilijk bereikbaar gebied. Het dorp is compact, overzichtelijk en bijzonder aangenaam om gewoon in rond te dwalen.
Het mooiste aan Serra San Quirico zijn zonder twijfel de copertelle. Dat zijn overdekte doorgangen in de oude stadsmuren, die vroeger gebruikt werden als verdediging en als schuilplaats. Vandaag vormen ze vooral een heerlijke wandelplek. Je loopt beschut door de muren, met telkens weer een ander uitzicht door de openingen. Het ene moment kijk je naar daken en stenen gevels, even later naar de heuvels en de vallei rondom het dorp. Het leuke is dat sommige doorgangen op verschillende niveaus liggen. Daardoor krijg je niet zomaar één rondgang, maar een klein netwerk van gangen, trappen en doorkijkjes.
Vanaf Piazza della Libertà krijg je bovendien een mooi zicht op de Valle dell’Esino, de vallei die onlosmakelijk verbonden is met Verdicchio. Je hoeft geen uren uit te trekken voor Serra San Quirico. Het is vooral een plek die mooi in een dagtrip past: even rondwandelen, de copertelle meepikken, naar de vallei kijken en daarna weer verder.
Cupramontana en Poggio Cupro: midden in Verdicchioland
Het mooie zicht op de Valle dell’Esino ruilen we in voor een plek midden in het hart van Verdicchio dei Castelli di Jesi. Als wijnliefhebber zijn er hier een paar stops die je niet mag missen. Cupramontana is er daar alvast eentje van. Het wordt gezien als de hoofdstad van Verdicchio en dat merk je al vlug. Het dorp, de heuvels, de kronkelende wegen en de rijen wijnstokken lopen mooi in elkaar over.
Parkeren doe je makkelijk langs Viale Vittoria. Van daaruit krijg je meteen een mooi uitzicht richting de Apennijnen en, bij helder weer, zelfs richting zee. Dat is typisch voor dit stuk Marche. Je staat in een wijndorp, kijkt naar de bergen en merkt tegelijk dat de Adriatische kust nooit echt ver weg is.
Je zoektocht naar een goed glas kan je best aanvatten vanuit het centrale plein. Als je goed oplet, zie je er op de grond nog de lijnen die aangeven waar vroeger huizen en steegjes stonden. Tot in de vorige eeuw was dit plein immers nog volgebouwd. Vandaag is het een open plek waar feesten, ontmoetingen en het dagelijkse dorpsleven samenkomen. Ook het rode bankje op het plein valt op. Het werd geplaatst op 8 maart, tijdens La Festa della Donna, als duidelijk signaal tegen geweld op vrouwen.
In Cupramontana moet je natuurlijk ook iets met Verdicchio doen. Daarvoor is EnoCupra de meest logische plek. In deze enoteca komen de wijnen van lokale producenten samen en kan je gericht proeven hoe Verdicchio uit Cupramontana smaakt. Als aperitivo is dit ideaal.
Wil je er lunchen, dan zou ik eerder richting Da Fiorina kijken. Deze trattoria ligt net buiten Cupramontana en maakt deel uit van het wijndomein Sparapani Frati Bianchi. Trattoria Anita is een goed alternatief voor wie gewoon zin heeft in een eenvoudige, lokale maaltijd in het dorp.
Vlak bij Cupramontana ligt Poggio Cupro, eigenlijk het kleine zusje van het dorp. Je betreedt het via een oude stadspoort en komt meteen terecht in een compacte wirwar van steegjes, muren en stille hoekjes. Poggio Cupro was ooit een versterkte kern en dat voel je nog altijd. Een bezoek neemt hooguit een kwartiertje van je tijd in, maar is wel een echte aanrader.
Staffolo: het balkon van de Vallesina
Het is logisch dat je na Cupramontana ook halt houdt in Staffolo en nadien nog Jesi zelf. Staffolo zou ik vooral aanraden als wijn je interessepunt is. Het is één van de castelli waarnaar het wijngebied is genoemd. Het dorp ligt op ongeveer 400 meter hoogte boven de Esino vallei en wordt niet toevallig het balkon van de Vallesina genoemd. Hoewel de ligging prachtig is, met dat typische heuvelachtige en golvende landschap, overgoten met wijngaarden, is de enoteca van het dorp voor mij de enige echte reden om hier halt te houden.
Vineritage, zoals de enoteca heet, is tegelijk ook een wijnmuseum. Je vindt er oude wijnwerktuigen, persen en allerlei andere vintage spullen die eigen zijn aan zo’n plek. Je ruikt er de geschiedenis van Verdicchio voor je ze nadien ook effectief in het glas krijgt. Want uiteraard kan je er ook proeven van de diversiteit van de wijnen uit de omgeving van Jesi.
Nice to know en een extra troef als je er in de juiste periode bent: in augustus wordt hier ook de Festa del Verdicchio georganiseerd, met proeverijen, muziek en ontmoetingen rond de wijn die Staffolo mee op de kaart heeft gezet. Wij waren er in juli en hebben dit dus niet kunnen meepikken. Anders stonden we daar zeker op de eerste rij. Met een glas in de hand, dat spreekt voor zich.
Jesi: de stad achter de Verdicchio
Jesi een hidden gem noemen is waarschijnlijk wat overdreven, maar als we op verkenning zijn in Verdicchioland, dan mag een bezoek aan deze stad absoluut niet ontbreken. Wel opmerkelijk is dat Jesi zelf niet één van de castelli is waarnaar het gebied is genoemd. Nu, eerlijk is eerlijk, Marche doorkruisen en Jesi links laten liggen is zonde, want de stad heeft heel wat te bieden en het is er eenvoudigweg aangenaam vertoeven.
De stad ligt op de linkeroever van de Esino en is bijzonder handig gelegen. Je zit hier tussen binnenland en kust, tussen de heuvels van Verdicchio en de richting Ancona, Senigallia of Fabriano. Je hoeft hier geen halve dag in musea te verdwijnen om de stad te waarderen. Gewoon te voet het historische centrum in, dat zal je zonder enige twijfel waarderen.
Jesi heeft nog een groot deel van haar middeleeuwse stadsmuren bewaard en dat geeft de stad meteen karakter. Binnen die muren krijg je een compact centrum met pleinen, palazzi, poorten en straatjes. Op zich heb je zelfs geen plan nodig om op ontdekking te gaan. Piazza Federico II is misschien het ideale vertrekpunt. Volgens de overlevering werd keizer Federico II hier in 1194 geboren. Gezien het belang van deze man geeft dat Jesi toch wat extra uitstraling.
Ook Piazza della Repubblica mag je niet overslaan. Het is de ideale plek om je op een terrasje te nestelen en de mensen die passeren gade te slaan. Aan te raden is om dit na 16 uur te doen, wanneer de zon wat naar de achtergrond verdwijnt en de lokale bevolking als mieren uit de grond tevoorschijn komt.
Voor wie graag wat meer wandelt, zijn de oude muren en de toegangspoorten misschien het fijnste deel van de stad. Je krijgt onderweg mooie doorkijkjes en voelt hoe Jesi vroeger als versterkte kern boven de vallei lag. Porta Valle en de omgeving rond de muren geven de stad dat beetje extra stevigheid.
Morro d’Alba: klein dorp, grote geur
Vanuit Jesi kan je perfect verder richting Morro d’Alba. Het dorp ligt op een heuvel, op korte afstand van de Adriatische kust, en is nog altijd mooi omsloten door zijn oude muren. Dit is een behapbare stop, maar wel eentje met karakter, met smalle straatjes, bakstenen gevels en kleine pleinen.
Het leukste aan Morro d’Alba is de wandeling over en langs de oude omwalling. De zogenaamde Scarpa is een overdekte rondgang die het dorp een heel eigen gezicht geeft. Je loopt er beschut rond de oude kern, met aan de ene kant het dorp en aan de andere kant het landschap. In een kwartier ben je in principe al rond.
Toch is Morro d’Alba vooral bekend door zijn wijn. Lacrima di Morro d’Alba is een van die wijnen die je blind bijna meteen herkent. De geur is uitbundig, met rozen, viooltjes, rood fruit, kruiden en soms iets dat bijna aan druivensap doet denken, maar dan met meer sérieux. Ik ga hier nog niet te veel palaveren over deze wijn, want in een later artikel zullen we er uitgebreider op terugkomen. Toch nog even dit: ook al is Morro d’Alba bekend om zijn rode Lacrima, het is tegelijk ook één van de Castelli di Jesi. Verdicchio zal je hier dus ook nog vinden.
Naast gewone wijn kom je hier ook vino di visciola tegen, een zoete wijnachtige drank op basis van rode wijn en zure kersen. Ideaal voor wie na de maaltijd nog iets kleins in het glas wil.
Wij hebben Morro d’Alba enkele keren bezocht tijdens ons verblijf omdat het, al is dat relatief in Marche, niet zo ver van ons logeeradres lag en we er een zeer aangenaam restaurantje hadden ontdekt. Osteria DeGustibus kunnen we iedereen zonder probleem aanraden. Dit restaurant ligt in het dorp zelf, in Via Roma, en past mooi bij wat de lokale keuken te bieden heeft. Er wordt mooi gewerkt met seizoensproducten en reserveren is zeer aan te raden.
Corinaldo: muren, trappen en een put vol verhalen
Voor een bezoek aan Corinaldo maakten we graag de nodige tijd. Ik had gelezen dat een bezoek aan dit dorp de moeite zou zijn, en dus was het koste wat kost dit dorp zou bezocht worden. Geen seconde heb ik het me beklaagd! Het ligt strategisch tussen Urbino en Ancona en is vooral bekend om zijn bijna volledig bewaarde middeleeuwse muren, waarover je een volledige wandeling kan maken. Goed voor 912 meter rond het dorp. Een bonus: bij helder weer kijk je zelfs tot aan Monte Conero.
Binnen die stevige muren krijg je een bijzonder charmant dorp. Het kloppend hart is La Piaggia, een brede trappartij van honderd treden, met rode bakstenen huizen die er mooi tegenaan liggen. Als je ervoor staat denk je bij jezelf: mmm, ga ik die trappen wel oplopen? Doen is mijn enige advies.
Halverwege La Piaggia hou je eigenlijk verplicht halt bij Il Pozzo della Polenta, de waterput waaraan een hele legende vasthangt. Volgens die legende kwam een man met een zware zak graan het dorp binnen. Bij de put zette hij de zak even neer om op adem te komen, maar die tuimelde naar beneden. Toen hij probeerde het graan te redden, belandde hij zelf ook in de put. Niet veel later ging het verhaal rond dat hij daar beneden rustig polenta zat te eten, gemaakt van het gevallen graan en het water uit de put. Vandaar dus Il Pozzo della Polenta.
Dit verhaal is vandaag nog steeds springlevend tijdens La Contesa del Pozzo della Polenta, een historisch feest dat op de derde zondag van juli wordt gevierd. Dan komt het verhaal opnieuw tot leven met kostuums, optochten en natuurlijk polenta.
Verder dwaal je door het rustige dorpje. Links en rechts is er altijd wel een terrasje waar je even kan neerploffen of waar je bijna een dutje kan doen, dromend van het moment dat je zelf in de waterput tuimelt met een zak graan.
Tot slot een culinaire ‘hidden gem’
Het was pas op het einde van onze reis dat we deze culinaire parel ontdekten. Ik heb even gefoeterd dat dit niet vroeger was gebeurd, want Taverna degli Archi in Belvedere Ostrense is exact wat ik zoek telkens ik in Italië ben. Een kleine osteria waar de sfeer heerlijk ongedwongen is en waar het duimen en vingers aflikken is.
Om mijn schade in te halen zijn we er liefst drie dagen op rij gaan eten. Ik kan jullie maar één ding meegeven: je bent een grote stommeling als je deze plek links laat liggen. Verwacht geen chique bedoening. Het zoontje fietst er met zijn speelgoedfietsje tussen de tafels, dat zal hij vandaag wel ontgroeid zijn, en je wordt er met een brede glimlach ontvangen.
Antonio Ciotola en Manola Mariani staan er aan het roer en hier wordt gewoonweg uitstekend gekookt. Met verve de beste carbonara ever gegeten, een tagliata di manzo tot in de perfectie en de grootste wijnen, zoals bijvoorbeeld Gaja of Tignanello, staan er, zoals wel vaker in Italië, net iets te warm in houten kistjes tegen de muur. De zever drupt uit mijn mond als ik eraan terugdenk.
Reeds verschenen in deze reeks:
- Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
- Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
- Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
- De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter

Filed under: J(ust) F(or) F(un), Vini Italiani | Tagged: belvedere ostrense, corinaldo, cupramontana, frasassi, genga, Italian wine ambassador, jesi, Marche, morro d'alba, osteria DeGustibus, poggio cupro, serra san quirico, staffolo, taverna degli archi, verdicchio, wijn, wijnkennis | Leave a comment »