Ziti alla pugliese, een rijkgevulde ovenschotel

Soms kom je in een technische wijnfiche iets tegen dat je meteen doet glimlachen. Dat er foodpairingsuggesties worden gegeven, is niets nieuws. Maar wanneer die plots “banqueting companions” heten, kijk je toch even op. Zeker als je de aanbevelingen wat aandachtiger begint te lezen. Starten doen ze met enkele opvallende gastronomische aanraders: krokant spek met chips, daarna ziti alla pugliese, gevolgd door meatballs alla barese. Wil je daar ook nog een boek bij, dan wordt Gastronomic Tales, Racconti Gastronomici, van Laura Grandi en Stefano Tettamanti aangeraden. Meer zin in een film? Dan zou A Touch of Spice van Tassos Boulmetis een goede keuze zijn. Of hou je het liever bij wat muziek vanuit de zetel, dan kom je uit bij Roberto Cacciapaglia met Nuvole di Luce. Het is bijna alsof iemand niet zomaar een wijn wil voorstellen, maar meteen een hele avond voor je wil invullen.

Veel suggesties dus, maar tussen al die namen bleef ik vooral hangen bij één gerecht: ziti alla pugliese. Ik kende het tot nu toe niet en dus was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Tijd om uit te pluizen wat ziti alla pugliese precies is. Dat de bereiding richting Puglia wees, maakte de naam alvast duidelijk.

De oorsprong van ziti ligt in Campania

Toch ligt de oorsprong niet in Puglia. Ziti komen uit Campania, meer bepaald uit de streek rond Napels. Het zijn lange, gedroogde en holle pastabuizen, een beetje te vergelijken met grote bucatini. Ze worden traditioneel gemaakt in staven van ongeveer 25 centimeter. Oorspronkelijk waren ze dus te lang om zomaar als korte pasta in de kookpot te verdwijnen. Daarom brak men ze thuis met de hand in stukken, meestal in vier delen, net voor ze werden gekookt.

In Napels was ziti een echte feestpasta. Op zondag, op feestdagen en bij familiegelegenheden kwam deze pasta op tafel. Er wordt zelfs verteld dat je op zondagmorgen in de steegjes van Napels het geluid kon horen van vrouwen die de ziti met de hand in stukken braken.

Over de naam bestaat geen volledige zekerheid. Vaak wordt die in verband gebracht met zita of zito, woorden uit het Zuid Italiaanse taalgebruik die met huwelijk, verloofden of jonggehuwden verbonden waren. Van daaruit zou ook de koppeling met feest en huwelijksmaaltijden zijn ontstaan. Helemaal sluitend is die etymologie niet, maar de link met de huwelijkssfeer keert wel geregeld terug.

Puglia vs Campania

Hoe kom je dan aan de benaming ziti alla pugliese? Het antwoord is eigenlijk vrij eenvoudig. Ziti hebben hun oorsprong in Campania, maar de pastavorm is ook in andere zuidelijke regio’s terechtgekomen, zoals Puglia en Basilicata. En zoals dat in Italië wel vaker gaat, geeft elke streek daar vervolgens haar eigen versie aan. De grote lijn blijft herkenbaar, want in beide gevallen kom je uit bij ziti al forno, een ovenschotel dus. Het verschil zit vooral in de vulling en in de accenten die elke keuken legt.

In Puglia gaat het meestal om een heel rijke versie. De ziti worden gecombineerd met een stevige vleessaus, vaak op basis van varkensvlees, salsiccia en rundvlees. Daar komen dan nog hardgekookte eieren, kleine gehaktballetjes, mozzarella of provola en soms ook salami bij. Het resultaat is een volle, hartige en behoorlijk machtige schotel.

In Campania kom je eerder uit bij ziti al forno, met de Napolitaanse ragù als basis. Ook daar kunnen gehaktballetjes bij komen, maar ricotta en mozzarella spelen vaak een belangrijkere rol. Daardoor krijgt de schotel een romiger karakter. De nadruk ligt meer op tomaat, ragù, ricotta en gesmolten kaas.

Die Campaanse versie kreeg later nog een opvallend tweede leven dankzij The Sopranos. In de serie stond baked ziti geregeld op tafel en eten speelde er sowieso een belangrijke rol. Het gerecht kreeg daardoor bijna een cultstatus, zeker in de Amerikaans Italiaanse keuken. Er verscheen uiteindelijk zelfs een Sopranos kookboek waarin ziti al forno een plaats kreeg.

De combinatie met meatballs alla barese, zoals vermeld in de technische wijnfiche, wordt na die ontleding meteen duidelijker. Die gehaktballetjes staan daar niet toevallig bij. Ze sluiten perfect aan bij de Pugliese versie van deze ovenschotel, waarin polpettine gewoon mee deel uitmaken van het gerecht.

Waarin verschillen ziti van penne en rigatoni?

Als je het nuchter bekijkt, lijken ziti sterk op bekendere pastavormen zoals penne en rigatoni. Het zijn alle drie holle pastavormen, gemaakt van harde tarwe, met voldoende ruimte om saus vast te houden. Toch zijn er wel degelijk verschillen tussen deze drie.

Penne herken je aan de schuin afgesneden uiteinden. Die snede doet denken aan een oude schrijfpen, vandaar ook de naam. Penne bestaan in een gladde versie en in een geribbelde versie. Vooral penne rigate houdt saus goed vast aan de buitenkant. Door die vorm werkt penne bijzonder goed met romige sauzen, tomatensauzen en bereidingen waarbij de saus mooi rond de pasta moet blijven hangen.

Rigatoni zijn korter en breder dan penne en ziti. Ze hebben rechte uiteinden en duidelijke ribbels aan de buitenkant. Die ribbels hebben een functie. Saus blijft er makkelijk aan kleven en door de brede opening kunnen ook rijkere sauzen met vlees of groenten goed in de pasta kruipen. Rigatoni zijn stevig en kunnen veel hebben. Daarom doen ze het zo goed in krachtige sauzen en in ovengerechten.

Ziti zitten daar wat tussenin, maar hebben toch hun eigen karakter. Ze zijn gladder, werden oorspronkelijk langer gemaakt en worden traditioneel met de hand in stukken gebroken. Daardoor krijg je geen perfect gelijkmatige pastavorm, en net dat geeft ziti hun charme. Ze zijn minder hoekig dan penne en minder robuust dan rigatoni, maar ze hebben wel die lange, holle structuur die ze bijzonder geschikt maakt voor rijke sauzen en ovenschotels.

Ziti alla pugliese in de praktijk (voor 6 personen)

Afsluiten doen we uiteraard door het gerecht echt vorm te geven. Dan merk je ook waarom ziti alla pugliese een rijk en stevig gerecht wordt genoemd. De pasta zelf vormt de basis, maar de ovenschotel krijgt vorm door de combinatie van ragù, salsiccia, polpettine, hardgekookt ei, mozzarella of provola en pecorino.

Ingrediënten

  • 300 gram ziti
  • 700 gram tomatenpulp
  • 200 gram varkenssalsiccia
  • 200 gram rundsgehakt of gemengd gehakt
  • 2 verse eieren
  • 2 hardgekookte eieren
  • 30 gram paneermeel
  • 100 gram pecorino om te raspen
  • 250 gram mozzarella of provola
  • half glas witte wijn
  • 1 teentje look
  • basilicum
  • peterselie
  • oregano
  • olijfolie
  • peper
  • zout

Bereiding

  • Verwarm wat olijfolie in een ruime pan en laat daarin de look licht kleuren.
  • Haal de look uit de pan zodra hij goudgeel is.
  • Voeg de verkruimelde salsiccia toe en bak ze kort aan.
  • Blus met de witte wijn en laat die gedeeltelijk verdampen.
  • Voeg de tomatenpulp toe, samen met een snufje oregano, peper en zout.
  • Laat de saus ongeveer 30 minuten zachtjes pruttelen met het deksel op de pan. Wie meer tijd heeft, mag ze gerust langer laten staan. Zoals zo vaak bij dit soort gerechten wordt de saus daar alleen maar beter van.
  • Maak intussen de polpettine. Meng het gehakt met de verse eieren, het paneermeel, ongeveer 50 gram geraspte pecorino, fijngehakte peterselie, peper en zout.
  • Rol hiervan kleine gehaktballetjes, ongeveer ter grootte van een hazelnoot.
  • Bak de polpettine in olijfolie tot ze mooi kleuren.
  • Laat ze daarna even uitlekken op keukenpapier.
  • Breek de ziti met de hand in stukken.
  • Kook ze in gezouten water, maar laat ze iets steviger dan beetgaar. Ze garen straks nog verder in de oven.
  • Giet de pasta af.
  • Neem een ovenschaal en bedek de bodem met wat saus.
  • Leg daarop een laag ziti.
  • Verdeel er een deel van de polpettine over, enkele stukjes hardgekookt ei, plakjes mozzarella of provola, wat geraspte pecorino en opnieuw saus.
  • Herhaal dit tot alle ingrediënten opgebruikt zijn.
  • Eindig met saus en kaas.
  • Schuif de schaal ongeveer 20 minuten in een voorverwarmde oven van 200 graden Celsius, tot de bovenkant mooi kleurt en de kaas gesmolten is.
  • Werk eventueel af met enkele blaadjes basilicum.
  • Laat de ziti al forno enkele minuten rusten voor je ze serveert.
  • Dat maakt het uitscheppen makkelijker en voorkomt dat de eerste hap meteen heter is dan je enthousiasme aankan.

Nduja: de vurige smaakmaker uit Calabrië

Italië is rijk aan unieke streekproducten, elk met een heel eigen karakter. Hoe verder je naar het zuiden trekt, hoe pittiger de keuken vaak wordt. Peperoni duiken er haast overal op, van eenvoudige pastagerechten tot stevige vleesbereidingen. Maar wat is nu eigenlijk het pikantste ingrediënt dat Italië te bieden heeft? Grote kans dat het antwoord uit Calabrië komt: nduja.

Nduja, hoor ik je al denken, dat lijkt een schrijffout van een gezonde vloek te zijn. Best mogelijk dat je na het proeven van nduja wel degelijk enkele krachttermen gaat gebruiken. Nduja is immers een van die producten die je niet vergeet na een eerste kennismaking. Deze smeerbare, pittige worst uit Calabrië heeft iets ruws en direct, maar tegelijk ook iets bijzonder verleidelijks. Ze is vettig, kruidig, rokerig en scherp, maar vooral ongelooflijk smaakvol. Een kleine hoeveelheid volstaat om een gerecht een heel andere intensiteit te geven.

Een smeerbare salume

Nduja kaderen we binnen de grote familie van de Italiaanse salumi, al bezit het wel een heel eigen karakter. Het is een zachte, smeerbare en gefermenteerde varkenssalume uit Calabrië, meer bepaald uit Spilinga, een klein stadje in het zuiden van de regio, niet ver van de Tyrreense kust. De basis bestaat uit varkensvlees met een hoog vetgehalte, krachtig op smaak gebracht met Calabrische peper. Deze peper bepaalt het pittige karakter van nduja: hij zorgt voor de hitte, de dieprode kleur en die prikkelende, meteen herkenbare smaak.

Ook de naam heeft een geschiedenis. Vaak wordt een verband gelegd met het Franse andouille, mogelijk via het Huis Anjou, dat in de middeleeuwen over delen van Zuid Italië heerste. Daarnaast zijn er gelijkenissen met de Spaanse sobrasada, wat dan weer aan de Aragonese aanwezigheid in de regio doet denken. Boeren verkochten in die tijd de meest gegeerde delen van het varken, terwijl vet, snijresten en orgaanvlees voor eigen gebruik achterbleven. Door die te malen, stevig te kruiden, in een darm te stoppen en te laten rijpen, ontstond nduja.

Van vetgehalte tot rijping

Vergeleken met een klassieke droge worst is nduja een heel ander product. Waar de meeste salumi vooral steunen op mager vlees met een beperktere hoeveelheid vet, ligt die verhouding bij nduja bijna omgekeerd. Dat hoge vetgehalte verklaart waarom nduja ook na rijping zacht en smeerbaar blijft.

Voor de productie worden logischerwijze vooral vettere delen van het varken gebruikt, zoals guanciale, buik en schouder. In Calabrië worden daarnaast ook delen verwerkt die elders vaker voor ham of prosciutto dienen. Omdat het warme, drogere klimaat er minder geschikt is voor de klassieke productie van prosciutto, zocht men er andere manieren om vlees te conserveren. Precies uit die context groeide nduja uit tot een product met een heel eigen identiteit.

Voor nduja worden fijngemalen varkensvlees en vet vermengd met zout en een royale hoeveelheid gemalen Calabrische peper. Traditioneel ging dat mengsel in een stevige darm, meer bepaald een deel van de dikke darm van het varken. Die omhulsels konden groot en zwaar zijn en moesten vervolgens weken of zelfs maanden rijpen. Vandaag gebruikt men vaker kleinere formaten, die praktischer zijn in de winkel en thuis in de keuken.

Na het vullen laat men nduja eerst fermenteren in een warme ruimte. Tijdens die fase ontstaat die licht zurige, wat rebelse smaak die het product mee zijn eigen karakter geeft. Vervolgens rijpt ze verder in een koelere ruimte, waar haar smaak voller en dieper wordt.

Vroeger werd nduja vaak gerookt om bederf tegen te gaan. Intussen is dat vooral een kwestie van stijl en smaak. Sommige producenten kiezen nog altijd voor een duidelijk rokerig profiel, terwijl anderen het roken achterwege laten en meer nadruk leggen op het samenspel van vlees, zuur en peper.

Ook de rijping heeft invloed op nduja. Die duurt doorgaans enkele maanden, vaak ergens tussen twee en zes, afhankelijk van het formaat en de werkwijze van de producent. Vooral kleur en smaak evolueren daarbij duidelijk. Een jonge nduja is helderder rood en komt pittiger over. Naarmate ze langer rijpt, wordt de kleur dieper, richting baksteenrood, en krijgt de smaak meer rondeur. Ook het vlees en een eventuele rooktoets komen dan nadrukkelijker naar voren.

Steeds bekender buiten Calabrië

Nduja heeft lang een bescheiden reputatie gehad. Dat had wellicht te maken met haar oorsprong in een arme, landelijke keuken. Lange tijd bleef ze vooral een streekproduct dat buiten Calabrië amper bekend was. Daar is de voorbije jaren duidelijk verandering in gekomen. In restaurants duikt ze steeds vaker op, van pizza en geroosterd brood tot pastasauzen. Ook gespecialiseerde delicatessenzaken nemen haar vaker op in het assortiment. Wat vroeger moeilijk te vinden was, is vandaag een stuk toegankelijker geworden.

Wie nduja koopt, let best even op de samenstelling. Anders dan sommige andere Italiaanse specialiteiten heeft nduja geen strikt beschermde status. Daardoor loont het om de ingrediëntenlijst te bekijken. Goede nduja bestaat doorgaans uit varkensvlees, zout en Calabrische pepers. Die eenvoudige basis is belangrijk, want niet alles wat als nduja verkocht wordt, benadert het origineel. Producten die allerlei snijresten van andere charcuterie verwerken, missen vaak het typische karakter.

Nduja aan tafel

Nduja dankt haar culinaire waarde in de eerste plaats aan haar textuur. Door haar hoge vetgehalte is ze zacht, smeerbaar en bijzonder eenvoudig te verwerken. Zodra ze warmte krijgt, lost ze bijna volledig op in een gerecht. Net daardoor is ze zo bruikbaar in de keuken. Een kleine hoeveelheid volstaat vaak al om een bereiding meer kracht en karakter te geven.

Die eigenschap maakt nduja ook zo flexibel in gebruik. Voeg je haar vroeg toe aan een hete pan, dan vermengen peper, vet en vleessappen zich met de rest van het gerecht. Zo ontstaat een kruidige basis voor bijvoorbeeld tomatensaus, peulvruchten of een stoofpot. Roer je haar pas op het einde door een bereiding, dan blijft haar smaak nadrukkelijker op de voorgrond. Beide werkwijzen zijn interessant, maar ze leiden tot een ander eindresultaat.

Vooral in pastagerechten zie je goed wat nduja kan doen. In tomatensaus verdwijnt ze haast volledig, maar tegelijk wint de saus aan body en intensiteit. Ze brengt pit, vlezigheid en een subtiele rokerige toets samen in één geheel. Daardoor werkt nduja niet alleen als kruiding, maar ook als smaakversterker.

De eenvoudigste manier om haar te leren kennen blijft wellicht ook de beste. Op warm, geroosterd brood komt haar karakter meteen tot zijn recht. De warmte maakt haar nog smeuïger en met wat kaas erbij krijg je een combinatie die tegelijk eenvoudig en bijzonder doeltreffend is.

Daar stopt het natuurlijk niet. Nduja voelt zich ook thuis op pizza, in bonengerechten, bij gestoofde kool, in soep of zelfs in mayonaise. Ook in groentegerechten doet ze het verrassend goed. Met een beperkte hoeveelheid breng je al snel extra smaak in een bereiding, zonder dat je veel vlees hoeft te gebruiken. Juist dat maakt haar ook zo bruikbaar in een gewone thuiskeuken.

Zelfs met zeevruchten kan nduja verrassend goed werken. De combinatie met krab is daar een mooi voorbeeld van. Het fijne, zoete vlees krijgt door nduja meer reliëf, terwijl het vet voor afronding zorgt. Ook met mosselen of andere zeevruchten kan dat goed werken, zolang je maar met mate doseert.

Recept: Fusilloni met nduja, pecorino en zee-egel

Wie door het lezen van dit artikel zin heeft gekregen om zelf aan de slag te gaan met nduja, geef ik graag dit gastronomisch recept mee. De pittige kracht van nduja wordt hier gekoppeld aan de ziltige finesse van zee-egel en de hartige diepte van pecorino. Dat levert geen alledaagse pasta op, wel een bord waarin nduja meer doet dan alleen wat vuur toevoegen.

Voor 4 personen

300 g fusilloni
80 g vlees van zee-egel
16 datterini tomaten
10 g suiker
zout
extra vierge olijfolie
2 teentjes knoflook
basilicum
tijm
marjolein
1 citroen
3 liter water
50 g nduja
250 g geraspte pecorino, middelmatig gerijpt

Bereiding

  • Pel de datterini tomaten en snijd ze doormidden. Leg ze in een ovenschaal en kruid met olijfolie, zout, één teentje knoflook, wat citroenschil, suiker, tijm en marjolein. Laat ze vervolgens twee uur garen in een oven van 75 graden.
  • Breng één liter water aan de kook met de nduja en laat dit inkoken tot ongeveer 250 milliliter. Zeef het vocht en houd het apart.
  • Breng daarna twee liter water aan de kook met de pecorino en blijf voortdurend roeren zodat de kaas haar smaak aan het vocht afgeeft. Laat dit mengsel vervolgens een nacht rusten in de koelkast. Tegen de ochtend zal de kaas zich op de bodem hebben afgezet. Zeef dan enkel het vocht en laat dit verder inkoken tot ongeveer 500 milliliter.
  • Voeg het ndujavocht en het pecorinovocht samen.
  • Verhit in een pan wat olijfolie met het tweede teentje knoflook en voeg de datterini tomaten toe. Haal de knoflook er daarna weer uit en schenk het samengevoegde vocht erbij. Proef en breng verder op smaak met zout.
  • Kook de fusilloni eerst halfgaar in gezouten water. Laat de pasta daarna verder garen in de saus van nduja en pecorino.
  • Meng op het einde de zee-egel en wat basilicum voorzichtig door de pasta. Serveer meteen.

Meer dan een krachtterm

Nduja laat zich niet eenvoudig samenvatten als een smeerbare salume, een pittige smaakmaker of een typisch Calabrisch streekproduct. Dat klopt allemaal, maar het volstaat eigenlijk niet. Daarvoor is nduja te direct, te eigenzinnig en te pittig. Wat in eerste instantie bijna klinkt als een schrijffout van een gezonde vloek, blijkt vooral een product met karakter te zijn. Het geldt voor velen als een van de pittigste producten die Italië culinair te bieden heeft. Of dat echt zo is, daar kan je over discussiëren. Dat er goede redenen zijn om die stelling ernstig te nemen, staat dan weer buiten kijf. Proef en ondervind.

Ook praktisch heeft nduja iets dankbaars. Ongeopend is ze goed houdbaar en eens aangesneden blijft ze in de koelkast nog lang bruikbaar, zolang je het snijvlak goed afdekt. Door haar hoge vetgehalte kan je haar ook in kleine porties invriezen, handig als je telkens maar een beetje nodig hebt. Kleurt het oppervlak na een tijd wat donkerder, dan is dat meestal gewoon oxidatie en volstaat het om het buitenste laagje weg te snijden. Eén aandachtspunt blijft wel belangrijk: vet neemt gemakkelijk geuren op, dus een plek naast een halve ui is geen goed idee.

Lard d’Arnad, van doils tot aperitivo

Onze Italiaanse wijnavonden zijn opnieuw van start gegaan. Zes weken lang is dit een opleiding waarin ik je gidst door het Italiaanse wijnlandschap, met een proeftafel die bewust breed wordt opgebouwd. De focus ligt op wijn, maar er is altijd een link met de Italiaanse gastronomie, simpelweg omdat je in Italië zelden over het ene spreekt zonder het andere.

Na afloop van een proefavond schuif ik de flessen even opzij en zet ik de tafel vol met typische Italiaanse lekkernijen. Ik zoek die producten gericht uit en laat ze overkomen uit Italië. Als knipoog naar het gezellige aperitivo moment: je belandt in de namiddag in een enoteca of bar, bestelt een glas wijn, en krijgt er vanzelf een bordje kleine hapjes bij.

Tussen die vaste waarden duikt ook lardo geregeld op, flinterdun gesneden. Dit jaar lag er een Lard d’Arnad op tafel, een delicatessenproduct uit de Valle d’Aosta dat op je tong wegsmelt. Eén hap volstaat om te begrijpen dat dit geen gewone charcuterie is.

Wat is Lard d’Arnad precies

Lard d’Arnad is gepekeld en gerijpt varkensrugvet. Het wordt gesneden uit de onderhuidse vetlaag van de rug en verwerkt tot compacte stukken met een duidelijke dikte, doorgaans minstens 3 cm. Visueel herken je het aan zijn bleke buitenkant, met vaak een licht rosé kern.

In smaak en geur is het mild en zacht. De textuur is smeuïg, soms bijna romig. Knoflook, laurier, rozemarijn en salie vormen de klassieke basis, eventueel aangevuld met jeneverbes, kruidnagel of nootmuskaat, waarbij de klassieke kruiden dominant blijven.

De naam is even precies als het product. Lard d’Arnad moet uit Arnad komen, een gemeente in de Bassa Valle d’Aosta. Arnad ligt op ongeveer 10 km van Pont Saint Martin en op 4 km van het Forte di Bard. Het is één van de eerste dorpen die je tegenkomt wanneer je vanuit Piemonte de Valle d’Aosta binnenrijdt.

Voor Lard d’Arnad gelden duidelijke voorschriften voor de suini, de varkens die ervoor gebruikt mogen worden. De dieren moeten minstens negen maanden oud zijn en een slachtgewicht hebben van minimaal 160 kg, met een tolerantie van ongeveer 10%. Ze moeten bovendien geboren, gekweekt en geslacht zijn binnen een afgebakende reeks regio’s: Valle d’Aosta, Piemonte, Lombardije, Veneto en Emilia Romagna. Ook voeding wordt expliciet gestuurd: het voer moet uit natuurlijke bronnen komen en sluit geïntegreerde voeders uit.

Geschiedenis, handel en doils

De vroegste sporen van Lard d’Arnad duiken al op in documenten uit de 16de eeuw. In enkele verwijzingen komt ook ruilhandel aan bod waarbij het product gekoppeld werd aan Zwitsers zout. In die tijd was zout waardevol, en wie een methode had om voedsel stabiel te bewaren, beschikte over een bepaalde economische zekerheid.

De bewaartechniek van Lard d’Arnad steunt op één centraal hulpmiddel: de doils. Deze houten kuipen vormen het herkenbare hart van de productie. Het rugvet wordt er laag per laag in ingelegd en afgedekt. Toegelaten houtsoorten zijn kastanje, eik en lariks. Hout stuurt het rijpingsmilieu door de manier waarop het met vocht en temperatuur omgaat. De eerste tastbare aanwijzingen voor dit gebruik duiken op tegen het einde van de 18de eeuw, toen men doils terugvond in de oude keukens van het kasteel van Arnad.

De werkwijze zelf bleef doorheen de tijd opmerkelijk stabiel. Het vet wordt in lagen geschikt met zout en aromaten. De kruiding volgt de klassieke basis die je bij Lard d’Arnad verwacht, met ruimte voor subtiele accenten per producent. Daarna volgt een afdekking met een mengsel van water en gekristalliseerd zout, bedoeld om de volledige inhoud te verzadigen. Zo ontstaat een aromatische pekeling die de textuur vormt en de smaak langzaam verdiept.

Lard d’Arnad kreeg midden 20ste eeuw een herkenbaar eigen imago. De familie Bertolin opende in 1957 een slagerij in het dorp en het product werd een vaste referentie. Later groeide het aantal producenten, met onder meer Le Vieux Salumificio Arnad en andere lokale families. Daardoor kreeg het product meer zichtbaarheid en continuïteit, met dezelfde kern als vertrekpunt: tijd in de doils, de juiste kruiden, en een pekelbad. Sinds 1996 draagt Lard d’Arnad bovendien het DOP label, en het wordt vaak aangehaald als de enige lardo in Europa met die bescherming.

Verschillen in rijpheid

De rijping van Lard d’Arnad start met een vaste minimumduur: minstens drie maanden in de doils. Daarna volgt het deel waar producenten hun eigen stijl bepalen. Sommige laten de lardo verder rijpen tot twaalf maanden, en soms zelfs tot vijftien maanden. Die extra tijd proef je duidelijk in het uiteindelijke profiel.

Bij een kortere rijping blijft de lardo frisser en milder. De geur is lichter, de smaak eerder zoet dan uitgesproken kruidig, en de textuur smelt sneller. Bij een langere rijping krijgt de lardo meer diepte. Je proeft meer kruidigheid, het aroma wordt complexer, en de beet wordt steviger en compacter.

Naast de rijpingsduur sturen ook kleinere parameters het eindresultaat. De kruiding kan subtiel variëren binnen de regels. Ook het houttype van de doils geeft nuance in het rijpingsverloop en in de ontwikkeling van de aroma’s. Na de rijping wordt Lard d’Arnad vacuüm verpakt of in glazen potten verkocht.

Waarom het zeldzaam is op je bord

Lard d’Arnad blijft klein in schaal. De productie zit geconcentreerd in één dorp en in een heel beperkte groep makers. In recente berichtgeving wordt gesproken over slechts vier producenten. Mede daardoor blijven ook de volumes bescheiden. In oudere, maar vaak aangehaalde beschrijvingen wordt een jaarlijkse productie van ongeveer 600 quintali (60 ton) vermeld, wat meteen duidelijk maakt waarom dit geen product is dat je in elk rek van de supermarkt terugvindt.

Daarnaast is het productieproces strikt en tijdsgebonden. Het rugvet moet snel in verwerking gaan en de rijping vraagt maanden. Dat betekent ruimte, hygiëne, controle en vakkennis, plus een omgeving waarin je die rijping stabiel kan laten verlopen. De tijd is een cruciaal element in het eindproduct en dit proces versnellen is dus uit den boze.

Ten slotte speelt ook de grondstof mee. De voorschriften rond de varkens, suini, zijn duidelijk: minimumleeftijd, minimumgewicht, afgebakende herkomstregio’s en voeder uit natuurlijke bronnen. Dat maakt de basisstroom kleiner en beter controleerbaar. Voeg daar het lokale consumptiepatroon aan toe, en je krijgt een eenvoudig gevolg: een aanzienlijk deel blijft ter plaatse, lang voor het richting export kan vertrekken.

Lard d’Arnad versus Lardo di Colonnata

Omwille van de beperkte schaal is Lard d’Arnad minder bekend dan sommige andere Italiaanse lardo. De naam die het vaakst opduikt bij het grote publiek is Lardo di Colonnata. Ze vertrekken van dezelfde basis, vet van de varkensrug, en toch kom je uit bij twee producten met een duidelijk eigen profiel. Plaats, rijpingsmateriaal en kruiding sturen elk hun eigen richting.

Lard d’Arnad hoort bij de Valle d’Aosta en bij het bergleven waar vet jarenlang het vaste condiment was. Lardo di Colonnata komt uit Colonnata bij Carrara, een omgeving die historisch samenhangt met marmergroeven. Daar groeide lardo uit tot dagelijkse kost, snel en voedzaam, voor wie in en rond de groeve werkte.

Het rijpingsmateriaal is het meest tastbare verschil. In Arnad rijpt de lardo in houten doils, met kastanje, eik of lariks als houtsoorten. In Colonnata rijpt de lardo in marmeren bakken. Hout en marmer sturen het microklimaat elk op hun manier, vooral via temperatuurstabiliteit en vochtbeleving. Dat werkt door op textuur en aroma.

Ook de kruiding vertrekt vanuit een ander vertrekpunt. Bij Lard d’Arnad ligt de klassieke basis bij knoflook, rozemarijn, salie en laurier. Daar kunnen extra accenten bij komen zoals jeneverbes, kruidnagel of nootmuskaat, met de klassieke kruiden als leidraad. Bij Lardo di Colonnata ligt de kern vaak bij zeezout, knoflook, rozemarijn en zwarte peper. Sommige producenten werken daarnaast met extra specerijen, met doseringen die per familie en huisstijl verschillen.

De rijping zelf geeft het tweede grote onderscheid. Bij Colonnata hoor je vaak een rijping rond een half jaar, met een uitgesproken kruidigheid en een zeer zijdeachtige beet. Bij Arnad start de rijping met een minimum van drie maanden en kan ze doorlopen tot twaalf of vijftien maanden. Die langere rijping geeft meer complexiteit en een stevigere, compactere structuur, met een kruidigheid die vaak sterker geïntegreerd aanvoelt.

In de keuken blijven beide het sterkst in eenvoud. Lardo di Colonnata schittert flinterdun op warm brood, op crostini, of als smeltlaag op een warme bereiding. Lard d’Arnad kan dat ook, en sluit daarnaast naadloos aan bij de Valdostaanse serveerstijl met roggebrood, pan dür en kastanjehoning. Bij warmere gerechten werkt het als smaakdrager, zeker wanneer het net genoeg warmte krijgt om te glanzen en zacht te worden.

Recept: Pane di segale met Lard d’Arnad DOP, kastanjes en kastanjehoning

Dit is een Valdostaanse klassieker. Eenvoudig, en precies daarom zo afhankelijk van de kwaliteit van je ingrediënten. De bereiding vertrekt vanuit brood, roggebrood, in de Valle d’Aosta vaak Pan Ner genoemd. Tarwe geeft in koude bergzones traditioneel minder zekere resultaten, rogge kan beter tegen lagere temperaturen en werd daarom een logische keuze. Vroeger werd dat zwarte brood slechts enkele keren per jaar gebakken. Na het bakken droogde men het op rekken, ratelé, zodat het lang kon bewaren. Later maakte men het opnieuw bruikbaar door het te weken in water of melk, bijvoorbeeld als basis voor soepen.

Ingrediënten voor 1 stevige boterham
Neem één dunne snee roggebrood. Voorzie twee plakken Lard d’Arnad DOP, twee tot drie gekookte kastanjes die je verkruimelt, kastanjehoning en enkele naaldjes rozemarijn.

Bereiding
Leg het roggebrood klaar. Beleg met de plakken Lard d’Arnad DOP. Strooi er de verkruimelde kastanjes over, voeg enkele naaldjes rozemarijn toe en werk af met een lepeltje kastanjehoning.

Tip voor de juiste textuur
Pan Ner smaakt vaak nog beter wanneer het minstens een dag oud is, dun gesneden en zonder korst. De lardo hoeft niet te bakken. Wie toch warmte wil, verwarmt het brood heel licht zodat de lardo net begint te glanzen.

Zelf Pan Ner maken, basisrecept voor twee kleine broden

Ingrediënten
Gebruik 300 g roggemeel en 200 g tarwebloem type 0. Voorzie 15 g bakkersgist, één eetlepel zonnebloempitten, één theelepel lijnzaad, ongeveer 250 ml water en 6 g zout.

Bereiding
Meng het roggemeel met de tarwebloem. Los de gist op in lauw water en voeg toe, samen met zout, zonnebloempitten en lijnzaad. Kneed stevig en lang, reken op 15 tot 20 minuten, en voeg water toe tot het deeg zacht blijft zonder plakkerig te worden. Laat ongeveer twee uur rijzen. Geef het deeg daarna een driedubbele plooi, herhaal dit twee tot drie keer, en laat nog een uur rusten. Vorm twee kleine broden, snijd de bovenkant in en laat opnieuw ongeveer een uur rijzen op bakpapier. Bak in een voorverwarmde oven op 220 °C gedurende 20 minuten. Laat afkoelen op een rooster.

La festa del lard d’Arnad

Plan je een bezoek aan de Valle d’Aosta en ben je nieuwsgierig geworden naar Lard d’Arnad, dan is er een mooi excuus om je reisagenda rond één weekend te bouwen. In Arnad vindt namelijk elk jaar, tegen het einde van de zomer, een festival plaats dat volledig in het teken staat van deze lokale lardo. Voor 2026 valt het festival op donderdag 27 augustus tot en met zondag 30 augustus.

Volgens de organisatie trekt het evenement rond de 50.000 bezoekers uit heel Europa. Dat merk je aan de sfeer: Arnad wordt vier dagen lang een levend proeflokaal waar je niet alleen Lard d’Arnad kan proeven, maar ook andere typische producten uit de regio. Denk aan streekstandjes, degustatiemomenten en het soort losse gezelligheid dat je enkel krijgt wanneer eten en dorp samen één verhaal maken.

Het leukste aan zo’n festival is dat het je proeven context geeft. Je kan Lard d’Arnad natuurlijk kopen, meenemen en thuis serveren. Je kan het ook eerst daar eten, in zijn natuurlijke habitat, tussen mensen die precies weten hoe dun je het snijdt, hoe weinig je nodig hebt, en waarom dit product al generaties lang een vaste plek heeft in de Valdostaanse keuken.

Sardegna op het bord, agnello con fregola e finocchio

Onlangs kwamen we met onze kookclub De Kemphanen samen om de menu’s voor de komende maanden vast te leggen. April werd zonder veel discussie een Italiaanse avond. We starten met zelfgemaakte grissini en een dip van fagioli bianchi. Daarna volgt pasta frutti di mare. De dolce ligt ook al vast: tiramisu alle fragole e sambuca. En bij de koffie maken we een amaretti biscotto.

Alleen het hoofdgerecht bleef nog even in de lucht hangen. Omdat april nu eenmaal de tijd is van de lammetjes, waren we er snel uit dat het agnello moest worden. Welk lamsgerecht precies, dat hielden we bewust open. En dus begon ik te zoeken naar een lekker en typisch Italiaans lamsgerecht.

Die zoektocht bracht me naar Sardegna, het schapeneiland, en niet toevallig. In april, met Pasen in de buurt, begint het bij veel Italianen te kriebelen: tijd voor lam, liefst sappig, kruidig en met een saus die je niet wil laten liggen. Op Sardegna is Pasen zelfs een hoogtepunt dat men “Sa Pasca Manna” noemt. Net in die periode krijgt lam op tafel extra gewicht, als gerecht om samen te tafelen.

Sardegna, het schapeneiland

Sardegna is ruig, winderig en behoorlijk droog. Het eiland is een lappendeken van heuvels, mediterraan struikgewas met onder meer mirte, en graslanden die voor akkerbouw niet altijd vanzelfsprekend zijn, maar voor beweiding net ideaal. Dat landschap heeft mee bepaald hoe het eiland eet en leeft. Herderscultuur is er een economische en culinaire ruggengraat. Op veel plekken is het schaap niet alleen vlees, maar vooral melk, en die melk vormt het fundament van een keuken die rond pecorino, ricotta en alles wat je uit wei kan halen, gebouwd is.

Die levendige en eeuwenoude herderscultuur is al lang eigen aan Sardegna. Hoewel de nuraghi geen rechtstreeks verband hebben met schapenhouderij, kan je ze moeilijk los zien van dat verhaal. Deze bronstijdtorens en stenen complexen staan nog altijd als bakens in het landschap en tonen hoe oud en verscheiden het Sardijnse binnenland is. En precies dat binnenland, met zijn afstanden, schrale gronden en seizoensritme, is de voedingsbodem waarop de schapencultuur later zo vorm kreeg.

Een prettige anekdote die me altijd aan ons bezoek aan Sardegna doet denken, is hoe zichtbaar en vanzelfsprekend de herders en hun schapen er nog zijn. Niet één keer, maar meerdere keren moesten we de wagen stilleggen om een passerende kudde rustig de weg te laten oversteken. En die wegen zelf lijken er soms even koppig als het landschap. Een put in het wegdek wordt niet per se hersteld of opgevuld, soms wordt er gewoon een tafel of stoel over geplaatst, alsof dat ook een vorm van infrastructuur is. De schapenkudde laat het zich alvast niet aan het hart komen.

Het is verleidelijk om herderscultuur te bekijken als folklore, maar op Sardegna is het vooral een logische aanpassing aan terroir en klimaat. Het eiland draagt al millennia een manier van leven die past bij schrale gronden, seizoenen en afstand, en dat proef je vandaag nog: in een inlandse keuken die sober maar doelgericht is, met venkel, citrus, mirte en andere mediterrane kruiden als vaste smaakgevers. En net zoals het landschap geen eenheidsworst is, is de keuken dat ook niet. Ze is vooral gebaseerd op wat het eiland te bieden heeft, en op de kunst om daar iets van te maken dat op tafel overtuigt, eenvoudig, kruidig en genereus.

Schapenrassen op Sardegna, van melkwerkpaard tot zwarte rariteit

De Pecora Sarda is de hoofdrolspeler op het eiland. Het is een robuust ras dat goed omgaat met wind, warmte en schralere weiden, en dat vooral geselecteerd werd op melk. Daarom leunt Sardijnse schapenhouderij historisch sterker op zuivel dan op vlees. Lam is er zeker belangrijk, maar het volgt vaker het ritme van het seizoen, terwijl melk de constante blijft.

Naast die dominante, witte melkwerker heeft Sardegna ook een ras dat meteen opvalt, de Nera di Arbus. Zoals de naam al zegt, gaat het om een zwarte, autochtone schapenpopulatie die vooral in een beperkter gebied voorkomt. Ze wordt vaak genoemd als voorbeeld van lokale biodiversiteit, minder massaal, meer streekgebonden, en precies daarom interessant. In een landschap met mediterraan struikgewas, waar beweiding vaak letterlijk tussen de struiken gebeurt, zijn dat soort rassen geen curiositeit maar een logische uitkomst van aanpassen, overleven en selecteren.

Uiteraard zal je op Sardegna ook andere rassen aantreffen dan deze twee. Dat zijn dan meestal ingevoerde rassen of kruisingen die je ook buiten Sardegna tegenkomt.

Sardijns lam met een IGP keurmerk

Een product met een IGP label is in essentie een beschermd streekproduct. Het is een Europese erkenning die een product koppelt aan een specifieke streek en vastlegt dat minstens één fase, productie, verwerking of bereiding, in dat gebied moet plaatsvinden volgens vastgelegde richtlijnen. Voor Sardijns lam betekent dat in de praktijk dat men waakt over herkomst en werkwijze, maar ook over dierenwelzijn en duurzaamheid. Het systeem stimuleert veehouders om het landschap te beheren via begrazing op open weiden, met respect voor biodiversiteit en bodem. Je kan dat ecologisch noemen, maar op Sardegna is het vooral logisch boeren op een eiland waar je met de natuur samenwerkt.

De manier van fokken speelt daarbij mee. Lammeren die vooral in omheinde systemen met beperkte beweging worden grootgebracht, bouwen sneller vet op en leveren zachter, ronder vlees. Dieren die meer op natuurlijke weiden bewegen, komen trager aan. Het vlees wordt doorgaans iets steviger van beet en kan wat meer structuur hebben. Op Sardegna is die weidecomponent net een deel van het kwaliteitsverhaal. Kruidenrijke vegetatie en buitenleven tekenen mee het aromatische karakter.

Ook de verwerking is deel van het lokale leven. Sardijnse slagers staan bekend om het volledig benutten van het dier. Naast vers vlees bestaan er ook lokale bereidingen die richting worst en charcuterie gaan. En dan is er de manier waarop je lam het vaakst ziet verschijnen op bijeenkomsten: a la griglia. Grillen boven open vuur past bij de Sardijnse manier van koken, met weinig opsmuk en met goede producten.

In de keuken vertaalt zich dat in bereidingen die de eigen smaak van het vlees centraal zetten. Geroosterd aan haard of spit, zacht gestoofd met knoflook en peterselie, of gecombineerd met aardappelen en lokale groenten zoals artisjok. Het zijn gerechten met veel aandacht voor sappigheid en pure smaak. Er bestaan ook uitgesproken deelgerechten die de tafelgedachte letterlijk maken, zoals sa tratalia, een klassieker uit de agro pastorale keuken waarbij men van het lam ook de minder evidente delen gebruikt. Het gerecht is van oorsprong een no waste bereiding, niets gaat verloren na de slacht, alles krijgt alsnog een plek op tafel, en dat levert een krachtige, hartige smaak op. Over het hele eiland bestaan varianten, met een bekende versie uit Ogliastra in het noordoosten. Niet voor iedereen, wel typisch Sardegna: niets verspillen en samen genieten aan de tafel.

Recept: Sardijns lam met fregola en venkel

Ingrediënten
Voor 4 personen

  • 8 lamskoteletjes en 300 g lamsvlees zonder been
  • 400 g fregola
  • 400 g tomatenpassata
  • 3 laurierbladeren
  • 1 liter groentebouillon, heet gehouden
  • 1 takje rozemarijn
  • 2 takjes mirte, of 1 eetlepel mirtebessen
  • 1 glas droge witte wijn
  • 1 teen knoflook
  • Saffraan
  • 1 grote ui
  • Extra vergine olijfolie
  • Zout
  • 1 grote venkelknol, of 2 kleine
  • Venkelgroen, fijn gesneden, optioneel ook wat wilde venkel indien beschikbaar
  • Pecorino sardo, geraspt, optioneel

Bereiding

  • Maak het lamsvlees schoon, verwijder overtollig vet en eventuele stukjes been, en snijd het vlees in blokjes van ongeveer 1 cm. Laat de koteletjes zoveel mogelijk intact met het bot, je gebruikt ze straks om de borden af te werken. Zet een pot groentebouillon op het vuur en hou die tegen de kook aan, de bouillon moet heet zijn telkens je hem toevoegt.
  • Maak de venkel schoon en hou het venkelgroen apart. Snijd de venkelknol in kleine blokjes. Wil je dat de venkel ook echt deel wordt van de saus, rasp dan de helft grof en snijd de andere helft in blokjes. Zo krijg je zowel textuur als een zachte venkelbasis.
  • Neem een lage stoofpan met dikke bodem. Giet er een scheut olijfolie in en voeg toe: de ui fijngehakt, een takje rozemarijn, één takje mirte of de mirtebessen, en de laurier. Laat dit een paar minuten zacht fruiten tot de ui glanst. Voeg dan de venkel toe en laat nog twee minuten mee fruiten.
  • Leg nu de lamskoteletjes en de blokjes lamsvlees in de pan en kleur ze rondom aan. Wanneer het lam mooi aangebakken is, blus je met de witte wijn. Laat op hoger vuur de wijn rustig verdampen. Voeg dan de tomatenpassata toe en een pollepel hete bouillon waarin je een beetje saffraan hebt opgelost. Zout naar smaak, vuur laag, deksel erop. Laat ongeveer 1 uur zacht stoven. Kijk af en toe, en voeg een pollepel bouillon toe als de saus te hard indikt.
  • Wanneer de saus bijna klaar is, begin je aan de fregola, die heeft ongeveer 20 minuten nodig. Neem een tweede pan zoals je voor risotto zou gebruiken. Doe er een scheut olijfolie in met de teen knoflook en laat die ongeveer 4 minuten zacht geuren. Voeg de fregola toe en rooster al roerend een paar minuten. Voeg dan twee pollepels hete bouillon toe. Verwijder de knoflook.
  • Gaar de fregola verder door telkens bouillon toe te voegen, zoals bij risotto. Ze slurpt veel vocht op, dus blijf roeren en let op dat ze niet aanzet op de bodem. Voeg halverwege de garing ook een deel van de lamsaus toe, inclusief de gestoofde venkel. Zo gaart de fregola verder in de saus en wordt het geheel één geheel.
  • Blijf bouillon en saus toevoegen tot je iets meer dan de helft van de saus in de fregola verwerkt hebt. Zodra de fregola beetgaar is, zet je het vuur uit.
  • Verdeel de fregola over de borden. Lepel er de resterende saus over en werk elk bord af met twee koteletjes, zijdelings tegen elkaar geplaatst. Strooi er fijn gesneden venkelgroen over. Serveer gloeiend heet. Pecorino sardo erbij mag, maar laat iedereen zelf beslissen, het blijft dan mooi in balans.

Melanzane al cioccolato, aubergine als dessert

Het heeft even geduurd vooraleer ik deze blog definitief heb afgewerkt. Ik kwam melanzane al cioccolato enkele maanden geleden toevallig tegen in een tijdschrift. Het trok mijn aandacht omdat ik de combinatie niet goed kon plaatsen. Bovendien had ik nog nooit van dit gerecht gehoord. Ik liet het even liggen, half onafgewerkt, tot mijn nieuwsgierigheid het uiteindelijk haalde van het gevoel dat dit toch vooral een curiositeit was. Een dessert gemaakt van aubergine met chocolade, dus.

Wat opzoekwerk leert, is dat melanzane al cioccolato vandaag bekendstaat als een van de meest eigenzinnige desserts van Zuid Italië. Tegelijk is het in Campania al eeuwenlang een vanzelfsprekendheid. In Napels noemen ze het zelfs mulignan ca’ ciucculat. Probeer dat één keer uit te spreken en het lijkt alsof je mond al gevuld is met dit dessert.

Chocolate eggplant dus. Het klinkt als een grap, maar melanzane al cioccolato is gewoon een klassieker uit Campania, meer bepaald van de Costiera Amalfitana. Het wordt traditioneel gemaakt rond Ferragosto, op 15 augustus, en hoort bij de zomerse feestkeuken van de regio.

Van kloosterrecept tot feestdessert

Historisch onderzoek plaatst het ontstaan van melanzane al cioccolato in Campania, met een tijdskader dat teruggaat tot tussen de achtste en negende eeuw. De meest geciteerde oorsprong verwijst naar de augustinessen van het klooster Santa Maria della Misericordia. Kloosterkeukens waren in die periode plekken van noodzaak en vindingrijkheid, waar zoete bereidingen vaak ontstonden vanuit beperkte middelen en technische kennis eerder dan luxe.

Andere bronnen situeren het ontstaan bij de franciscanen van een oud klooster in Tramonti. Zij zouden gefrituurde aubergines hebben overgoten met een zoet en licht alcoholisch mengsel. Chocolade was toen nog geen vast onderdeel en werd pas later toegevoegd, wanneer cacao in Zuid Italië beter beschikbaar raakte.

Beide pistes verwijzen naar een zoete invulling waarin de aubergine cruciaal is. In Italië is melanzane al lang geen onbekende meer in de keuken. De klassieke keuken zet haar vooral in met tomaat en kaas. De monniken die mee aan de wieg lagen van het recept kozen resoluut voor een andere weg, en die leidde uiteindelijk naar chocolade.

Melanzane al cioccolato verankerde zich stevig in de keuken van de Costiera Amalfitana en het Sorrentijnse schiereiland. Het werd een vaste waarde in de feestkeuken en bleef dat tot vandaag. De vorm waarin het gerecht verschijnt, varieert. Soms wordt het opgebouwd als een zoete parmigiana, soms als individuele porties of kleine tortini.

Als we het gerecht wat dieper ontleden, zit de sleutel tot het succes in het evenwicht. De licht bitterzoete toets van de aubergine sluit verrassend goed aan bij het uitgesproken aroma van pure chocolade. De bereiding werd eeuwenlang mondeling doorgegeven, van moeder op dochter. Elke familie bracht haar eigen accenten aan met gekonfijt fruit, rum, citrusschillen of cacao. De kern bleef echter altijd herkenbaar.

De aubergine wordt eerst zacht gebakken en daarna, na passage door bloem en ei, opnieuw gefrituurd. Dat procédé sluit aan bij een oudere kooklogica waarin dubbele garing gebruikelijk was. In sommige vroege versies werden de aubergines bovendien geweekt in Concerto, een kruidenrosolio geproduceerd door de franciscanen van Tramonti. Daarna werden ze laag per laag opgebouwd met chocoladeroom, gekonfijte sinaasappel en cedro, en noten, duidelijke sporen van Arabisch Siciliaanse invloeden. Deze uitgesproken exotische bereiding is verspreid over de hele Costiera Amalfitana, van Vietri sul Mare tot Sorrento.

Melanzane al cioccolato, klassiek recept volgens Campania

Onderstaand recept sluit aan bij de oude Campaniaanse traditie waarin gevulde aubergineplakken centraal staan, gecombineerd met chocolade, amarena en gekonfijte citrus.

Ingrediënten

Voor ongeveer 4 personen

500 g aubergines
bloem
2 eieren, losgeklopt
olie om te frituren

Voor de vulling
200 g pure chocolade, in kleine stukjes
200 g amarena confituur
150 g gekonfijte cedro, gekonfijte citrusschil of andere gekonfijte citrus

Voor de saus
40 g cacaopoeder
200 g pure chocolade
50 g suiker
1,5 dl vermout
water, indien nodig

Bereidingswijze

  • Schil de aubergines en snijd ze in dunne plakken in de lengte. Verhit voldoende olie in een ruime pan en frituur de plakken in porties kort, net tot ze soepel worden en een heel lichte goudtoon krijgen, een diepe kleur is hier niet het doel. Laat uitlekken op keukenpapier.
  • Neem telkens twee plakken aubergine en beleg ze met enkele stukjes chocolade, een beetje amarena confituur en wat fijngehakte gekonfijte cedro (of alternatief). Leg de plakken op elkaar zodat kleine pakketjes ontstaan.
  • Haal deze pakketjes eerst door de bloem en vervolgens door het losgeklopte ei. Frituur ze opnieuw in hete olie tot ze goudbruin zijn. Laat zorgvuldig uitlekken.
  • Voor de saus laat je de pure chocolade au bain-marie smelten. Meng in een steelpan het cacaopoeder met de suiker en voeg beetje bij beetje wat water toe tot een gladde massa ontstaat. Voeg de gesmolten chocolade en de vermout toe, breng aan de kook en laat zachtjes indikken tot een vrij dichte saus.
  • Dompel de auberginepakketjes kort in de warme saus, laat ze uitlekken en schik ze op een serveerschaal. Laat minstens drie uur rusten in de koelkast.
  • Haal het gerecht kort voor het serveren uit de koeling en laat enkele minuten op temperatuur komen.

Eerlijk gezegd

Ben ik tijdens het schrijven van dit artikel overtuigd geraakt dat ik dit gerecht absoluut een keer moet klaarmaken? Niet onmiddellijk. Ik stel me tevreden met er meer over te weten, zonder dat ik meteen in de potten begin te roeren. Misschien is dit bij jullie anders en is het boodschappenlijstje al gemaakt om aan de slag te gaan.

Ik rond dan ook graag af met de vaststelling dat melanzane al cioccolato een dessert is met een lange geschiedenis en een uitgesproken identiteit. Het is Campania op zijn meest eigenzinnige wijze. Alleen daarom al heeft het een bestaansrecht.

Pollo alla valdostana: comfortfood recht uit de Alpen

Het is zondag, dus zit ik achter mijn scherm te schrijven aan mijn blogs. De ochtend is al wat verder gevorderd en in gedachten dwaal ik af naar de kippenkraam die elke zondag voor onze winkeldeur staat. Ik weet dat de lokroep onvermijdelijk is, en dat ik er straks weer van zit te smikkelen. Voor wie het nog niet wist: ik ben verzot op kip.

En toch dringt het tot me door dat ik nog nooit een Italiaans kipgerecht heb beschreven. Tegelijk ben ik bezig met de voorbereiding van een Valle d’Aosta-degustatie die ik binnenkort ga geven. Waarom die twee niet combineren?

Enter: pollo alla valdostana.

Wat is pollo alla valdostana?

Pollo alla valdostana, ook wel scaloppine di pollo alla valdostana genoemd, is een klassiek Italiaans kipgerecht uit de Val d’Aosta. Dunne lapjes kip worden lichtjes met bloem bestoven, gebakken in boter en olie, overgoten met een scheutje witte wijn en vervolgens bedekt met een plakje ham en smeltende kaas. De kaas smelt tot een zachte, glanzende laag over het vlees, zonder dat het een uitgelopen massa wordt.

Het resultaat? Een gerecht dat voelt als een warme jas in de winter: hartig, zacht, rijk van smaak en toch verrassend licht verteerbaar. Pollo alla valdostana is comfort food met een zekere elegantie, zonder te pretentieus te worden. Ideaal voor een zondagse lunch waar je net iets meer van verwacht dan kip aan ’t spit.

Waar komt dit gerecht vandaan?

Zoals de naam al doet vermoeden, is pollo alla valdostana afkomstig uit de Valle d’Aosta, een kleine autonome regio in het uiterste noordwesten van Italië, tegen de grens met Frankrijk en Zwitserland. De streek staat bekend om haar kazen, haar liefde voor stevige gerechten én haar alpine ligging.

De term alla valdostana is intussen meer dan een geografisch label geworden. Het is bijna een codewoord in de Italiaanse keuken. Zie je het op een menukaart staan, dan weet je dat je een bereiding met gesmolten kaas en ham mag verwachten, meestal in combinatie met vlees of gevogelte. De meest iconische kaas uit de regio is fontina, een halfharde kaas met een licht nootachtig aroma en een fluweelzachte smelttextuur. Deze wordt vaak gecombineerd met prosciutto cotto, een milde gekookte ham, of met prosciutto crudo, afhankelijk van de bereiding.

Die combinatie van vlees, ham en gesmolten kaas komt ook voor in andere regionale klassiekers zoals de cotoletta alla valdostana (de luxueuze neef van de schnitzel).

Recept: Petto di pollo alla valdostana

Het recept dat we meegeven zal je duidelijk maken dat dit gerecht eenvoudig te bereiden is met, zoals we in Italië gewoon zijn, opvallend weinig ingrediënten voor veel smaak: kipfilet, ham, kaas, salie en een klein beetje vuurvast geduld. Perfect voor wie zijn kip een andere richting wil uitsturen dan het eeuwige grillpatroon.

Ingrediënten (voor 4 personen):

  • 700 g kipfilet, in plakken gesneden
  • 180 g gekookte ham (prosciutto cotto)
  • 200 g fontina (of fontal), in dunne plakjes
  • 2 eetlepels bloem (of rijstbloem/maïszetmeel voor een glutenvrije versie)
  • ½ glas droge witte wijn
  • Enkele blaadjes verse salie (optioneel)
  • 3 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 20 g boter
  • Zout en peper, naar smaak

Bereiding:

  1. Voorbereiding van de kip:
    Snijd de kipfilets in niet te dunne plakken, maar zeker ook niet te dik. Je wil een goede balans tussen snelheid van garen en sappigheid. Bestrooi de kipplakken aan beide zijden lichtjes met bloem en schud de overtollige bloem af.
  2. Bakken:
    Verwarm de olijfolie samen met de boter in een grote antikleefpan. Zodra het vet goed heet is, leg je de kip in de pan. Bak de plakken ongeveer 1 minuut aan elke kant op middelhoog vuur tot ze goudgeel beginnen kleuren. Kruid met zout en peper.
  3. Afblussen:
    Verhoog kort het vuur en blus de pan met de witte wijn. Laat de alcohol verdampen tot het vocht een licht stroperige textuur krijgt. Zet dan het vuur weer wat lager en leg een deksel op de pan. Laat de kip 5 à 6 minuten verder garen, tot ze helemaal gaar is vanbinnen.
  4. De afwerking:
    Verwijder het deksel en beleg elke plak kip met een sneetje ham en daarboven een plakje fontina. Voeg eventueel een vers salieblaadje toe voor een kruidige toets. Dek de pan opnieuw af en laat het geheel nog een minuut zachtjes smelten. Niet langer, anders wordt de kip droog en je kaas rubber.
  5. Serveren:
    Zet het vuur uit, serveer de kip meteen, overgoten met een beetje van het braadvocht. Een eenvoudige groene salade of wat gestoomde aardappelen erbij en je zit goed.

Kleine tip:
Gebruik bij voorkeur fontina d’Aosta, de trots van de regio. Geen fontina in huis? Een zachte taleggio of jonge comté werkt ook prima, zolang de kaas maar vlot smelt. En indien kip niet je favoriet is kan je dit gerecht ook bereiden met kalfsvlees of kalkoen, of laat de salie weg als je het liever puur houdt. De combinatie ham-kaas blijft overeind, wat je ook kiest.

Een kip met een skihelm

Pollo alla valdostana is geen haute cuisine, maar het is ook geen simpele schnitzel met kaas. Het is een gerecht dat ontstaan is vanuit de hoogste toppen van de Valle d’Aosta. We zetten de kip een skihelm op en sturen haar de berg af, waar ze met een sierlijke sprong in de pan belandt.
Wie heeft er nu nog nood aan die zondagse kippenkraam?

Pomodorino del Piennolo – De tomaat van de Vesuvius

De aanleiding tot dit artikel is in feite iets totaal anders dan tomaat. Limoncello is de dader. Om mijn eigen huisgemaakte Limoncello te bereiden, wou ik de échte citroenen uit Sorrento hebben. Tijdens mijn zoektocht vond ik een webshop die deze citroenen tot in België verzendt. Terwijl ik door hun aanbod scrollde, passeerden ook andere typische producten uit Campania. En daar verschenen ze: de Pomodorino del Piennolo.

Die trossen kleine tomaatjes waren me niet vreemd. Vorig jaar, tijdens ons bezoek aan onze Taurasi-producent Fiorentino in het binnenland van Campania, zagen we ze overal hangen: in keukens, op balkons, aan veranda’s. Ze triggerden me toen al. En voor ik er erg in had, klikte ik op ’toevoegen’ en zaten ze mee in mijn winkelmandje.

Vraag een Napolitaan naar de beste tomaat ter wereld en je krijgt geen discussie, maar een vastberaden antwoord: Pomodorino del Piennolo del Vesuvio. Klein, intens, met dat herkenbare puntje eraan. Achter die tomaat schuilt echter een hele geschiedenis. Hij duikt op in verhalen van grootmoeders, hangt als trossen onder schoorstenen en prijkt zelfs in de Napolitaanse kerststal, waar hij al sinds 1858 symbool staat voor overvloed. Volgens de lokale legende ontstond hij uit de tranen van Jezus, die de verdorde hellingen van de Vesuvius weer vruchtbaar maakten. Nu worden in Zuid-Italië wel meer dingen aan die tranen toegeschreven, en dus trok ik op onderzoek naar het echte verhaal.

Wat zijn Pomodorino del Piennolo?

De Pomodorino del Piennolo del Vesuvio is geen tomaat die je in België zomaar zal vinden in het groenterek van de supermarkt. Het is een nicheproduct, verbonden aan één welbepaald terroir: de flanken van de Vesuvius.

Deze tomaat bezit een opmerkelijke vorm: klein, ovaal, compact, met een spits puntje aan de onderzijde dat de Napolitanen pizzo noemen. Dat lijkt een banaal detail, maar is deel van zijn identiteit en en fungeert zelfs als herkenbaar visueel kenmerk binnen de DOP-specificaties. De stevige schil en het dichte vruchtvlees zorgen ervoor dat de tomaat bijna knapperig aanvoelt in vergelijking met doorsnee kerstomaten.

Qua smaakprofiel is de Pomodorino een kleine paradox. Hij combineert natuurlijke zoetheid met een duidelijke aciditeit en een vleugje bitterheid. Dat maakt hem spannend in de mond: levendig, maar nooit eendimensionaal. Zijn vrij harde schil geeft hem ook een stevige bite.

Terwijl de meeste tomaten binnen enkele dagen hun frisheid verliezen, blijft de Pomodorino, eenmaal geoogst en opgehangen in trossen (al piennolo), maandenlang goed. Niet in een koelkast of vacuümverpakking, maar gewoon in een droge, luchtige ruimte. Dit uitzonderlijke bewaarpotentieel is uniek.

Hoewel hun formaat en vorm doen denken aan kerstomaten, gaat het om een totaal ander product. Waar een kerstomaat vooral zoet en licht sappig is, biedt de Pomodorino concentratie, spanning en een stevige textuur. Hij is minder snacktomaat en veel meer culinaire bouwsteen.

Oorsprong en geschiedenis

Il Pomodorino del Piennolo è una vera eccellenza della tradizione campana, una cultivar dalle origini antiche e dal sapore unico. De oorsprong van deze tomaat gaat terug tot de 17e eeuw. Boeren ontdekten al vroeg dat deze kleine tomaten uitzonderlijk goed bewaard konden worden wanneer ze in trossen werden samengebonden en opgehangen in goed verluchte ruimtes. Zo ontstond het gebruik van de piennolo, letterlijk de tros of bundel waaraan de tomaten maandenlang konden blijven hangen. In de winter hing er zo eetbaar goud onder de plafonds.

De eerste gedetailleerde beschrijvingen verschenen in de 19e eeuw. In 1858 schreef Achille Bruni in zijn werk Degli ortaggi e loro coltivazione presso la città di Napoli over kersvormige tomaten die hun kwaliteit tot in de lente konden behouden, mits ze in trossen aan de zolderbalken werden opgehangen. Enkele decennia later, in 1885, bevestigde Palmieri in het jaarboek van de landbouwschool van Portici die praktijk van bewaren in schaduwrijke, geventileerde ruimtes.

Aan het begin van de 20e eeuw ging professor Francesco De Rosa nog een stap verder. In zijn publicatie in Italia Orticola (1902) beschreef hij niet alleen de rassen die toen in gebruik waren, maar ook de volledige teelt- en bewaartechniek. Daarmee maakte hij duidelijk dat er rond deze tomaat een hele micro-economie was ontstaan: van het kweken van zaailingen tot de verkoop van geconserveerde trossen. In 1916 zou professor Marzio Cozzolino dit verder uitwerken met economische gegevens, die de arbeidsintensiteit en het belang van deze teelt onderstreepten.

Naast de geschreven bronnen zijn er ook de verhalen uit de orale traditie. Volgens de legende waren het de vrouwen van Torre del Greco, ervaren in het knopen van visnetten, die hun kunde toepasten bij het vlechten van de tomatentrossen. Daarmee werd de Pomodorino een symbool van de verbondenheid tussen land en zee, tussen landbouw en visserij.

Die eeuwenoude band tussen product, landschap en gemeenschap wordt vandaag erkend en beschermd. In 2009 kreeg de Pomodorino del Piennolo de DOP-status, die garandeert dat elke stap – van teelt tot verwerking – plaatsvindt in de afgebakende zone rond de Vesuvius.

Waar groeit hij?

De Pomodorino del Piennolo vindt zijn thuis op de flanken van de Vesuvius, binnen het vulkanische complex van de Somma-Vesuvius. Het productiegebied strekt zich uit over verschillende gemeenten, waaronder Ercolano, Torre Annunziata, San Giorgio a Cremano en Torre del Greco.

De lavagrond waarin deze tomaten aangeplant staan, is rijk aan pyroklastisch gesteente: as, lava en mineralen die in de loop van eeuwen door uitbarstingen van de vulkaan zijn afgezet. Deze bodem werkt als een natuurlijke voedingsbron en spons tegelijk: hij houdt vocht vast in droge zomers en geeft mineralen af die de tomaten hun uitgesproken smaak en stevige structuur bezorgen.

Het klimaat draagt daar nog eens extra aan bij. De dagen zijn er heet en zonnig, de nachten fris en luchtig, waardoor de vruchten langzaam rijpen en hun volle smaak ontwikkelen. Voeg daar de nabijheid van de zee bij, die zorgt voor constante ventilatie en een subtiele invloed van ziltigheid, en je krijgt een microklimaat dat je zelden elders kan treffen.

Kweken met geduld

De teelt van de Pomodorino del Piennolo is volledig afgestemd op de natuur. De planten worden op terrassen aangelegd in de vruchtbare lavagrond van de Vesuvius. Die bodem, rijk aan mineralen en poreus als een spons, houdt regenwater vast en geeft warmte af, waardoor kunstmatige irrigatie nauwelijks nodig is. Regen en zon doen hier het werk.

De cyclus begint in het voorjaar, wanneer boeren de zaden uitselecteren en uitzaaien. De planten krijgen de tijd om zich te ontwikkelen en de vruchten rijpen langzaam tot diep in de zomer. Oogsten gebeurt niet vluchtig of machinaal, maar zorgvuldig en met de hand. Pas wanneer ongeveer zeventig procent van de tomaten aan de tros rood kleurt, wordt de volledige tros geoogst.

Daarna volgt het typische ritueel waarbij de trossen met henneptouw worden samengevlochten tot bundels, klassieke piennolo-trossen. Deze worden vervolgens opgehangen aan balken, veranda’s of zolders, waar ze in goed verluchte ruimtes verder kunnen rijpen en maandenlang bewaard blijven. Het hele proces is arbeidsintensief en traag, maar juist daardoor ontstaat er een uniek en waardevol product.

Waarom wordt hij als één van de lekkerste beschouwd?

De Pomodorino del Piennolo wordt geroemd om zijn unieke evenwicht. Hij combineert een hoge concentratie aan suikers, zuren en oplosbare vaste stoffen, wat resulteert in een uitgesproken maar verfijnde smaak. Zoet en zuur ondersteunen elkaar, terwijl een lichte bitterheid voor diepte zorgt. Die typische acidulità – de sprankelende frisheid die eigen is aan deze tomaat – is bij wijze van spreken zijn handelsmerk.

Het is bovendien een karaktervolle tomaat. Terwijl veel tomaten bij verhitting uit elkaar vallen en zich laten reduceren tot een vlakke massa, houdt de Pomodorino stand. Hij bewaart zijn structuur, geeft zijn sappen pas vrij in de pan en bouwt zo een saus die rijk en gelaagd is. Voor veel chefs is dat de ultieme kwaliteit, precies dat maakt de tomaat zo geliefd in de gastronomische keuken.

Rauw, gebakken of in saus?

De Pomodorino del Piennolo is veelzijdig te gebruiken. Rauw is hij al een feest als een bruschetta: gehalveerd met wat olijfolie, een snuf zeezout en eventueel een stukje buffelmozzarella. Het frisse zuurtje en de stevige bite maken hem perfect als antipasto of als lichte zomerse hap.

Toch komen zijn eigenschappen het best tot hun recht op het vuur. In de pan barsten de tomaten open, geven hun sap vrij en veranderen in enkele minuten in een fluweelzachte saus. Die heeft nauwelijks iets extra’s nodig: wat look, basilicum en een scheut goede olijfolie volstaan. Niet toevallig wordt hij in Napels beschouwd als een van de beste basisingrediënten voor pizza’s, pasta’s en visgerechten, vooral in combinatie met vongole of mosselen.

Naast verse bereidingen is er ook de eeuwenoude techniek van de pacchetelle: de tomaten worden doormidden gesneden en in glazen potten bewaard, vaak in olie, zodat ze de hele winter beschikbaar blijven. Lang voordat het woord “fermentatie” populair werd, was dit al een vanzelfsprekende manier om de oogst te bewaren.

En de Pomodorino blijft niet in de traditionele keuken steken. Lokale topchefs gebruiken hem vandaag in moderne gerechten zoals ceviche, tonijntartaar of zelfs in verrassende cocktails met mezcal. Daarmee bewijst deze kleine tomaat dat hij niet enkel thuishoort in de cucina della nonna, maar net zo goed in de hedendaagse gastronomie kan schitteren.

Recept: Spaghetti al Pomodorino del Piennolo

Je kan deze tomaatjes dus zeer veelzijdig gebruiken. Wij gaan zelf voor een heel eenvoudige spaghetti met een saus op basis van de Pomodorino del Piennolo waaraan we de tijd en de rust geven om alles langzaam zijn werk te laten doen.

Ingrediënten (voor 4 personen)

  • 320 g spaghettoni
  • 1 kg Pomodorino del Piennolo
  • 4 teentjes knoflook, geplet
  • Extra vergine olijfolie
  • Verse basilicum
  • Gedroogde oregano
  • Zout en peper naar smaak

Bereiding

1. De conserva maken (vooruit te bereiden)

  • Was de tomaten zorgvuldig, verwijder de steeltjes en snijd ze in de lengte doormidden.
  • Vul er gesteriliseerde bokalen mee en sluit ze goed af.
  • Plaats de bokalen in een grote pan met water, breng aan de kook en laat ongeveer 1 uur zacht doorkoken.
  • Laat de bokalen afkoelen in het kookvocht. Zo heb je altijd een voorraadje Pomodorino klaar voor gebruik.

2. De saus bereiden

  • Verhit een royale scheut olijfolie in een pan en laat de knoflook langzaam garen, zonder te verbranden, zodat hij zijn aroma afgeeft.
  • Voeg de tomaten toe, samen met een snuif oregano en verse basilicum. Laat dit rustig sudderen gedurende 20 minuten.
  • Passeer de saus door een grofmazige zeef om schilletjes, zaadjes en knoflookrestjes te verwijderen. Het resultaat: een fluweelzachte, geconcentreerde saus.

3. De pasta koken en afwerken

  • Kook de spaghettoni 4 minuten korter dan de aangegeven kooktijd.
  • Voeg ze dan toe aan de saus en laat verder garen zodat het zetmeel uit de pasta zich bindt met de tomatensaus.
  • Werk af met extra basilicum en een draai van de pepermolen.

Tips van de chef

  • Neem de tijd voor de knoflook: hoe trager hij gaart, hoe voller zijn smaak.
  • Laat de saus niet haasten, langzaam koken brengt de diepte van de Pomodorino naar boven.
  • Zeef de saus altijd voor een perfect mondgevoel: glad, zijdezacht en intens.

Een bord vol zon en vulkanische kracht, recht uit Campania.

Pansoti con Preboggion: een bolle omhelzing van Ligurië

Onlangs stuitte ik op een pastasoort waar ik nog nooit van had gehoord, op één van mijn favoriete YouTube-kanalen: Pasta Grannies. De 92-jarige Enrichetta bereidde er pansoti con preboggion. Een korte zoektocht bracht me naar Ligurië, de streek waar deze gevulde pasta vandaan zou komen.

Ligurië doet meteen denken aan pesto genovese, focaccia, coniglio alla ligure en natuurlijk ravioli. Maar Pansoti con Preboggion? Die had ik daar eerlijk gezegd nooit mee geassocieerd. Het filmpje werkte echter aanstekelijk en prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Voor ik het wist, zat ik tot over mijn oren in een wereld van wilde kruiden, zachte kaas en walnotensaus.

Wat zijn pansoti con preboggion?

Pansoti zijn gevulde pastakussentjes uit Ligurië, driehoekig van vorm en herkenbaar aan hun bolle buik. Die buik is meteen ook hun naamgever: pansa betekent in het Ligurisch ‘buik’, en dat zie je. Ze zijn boller dan klassieke ravioli en worden meestal niet in rechte vierkanten maar in sierlijke driehoeken of halve manen gevouwen.

Hoewel ze aanvoelen als een eeuwenoude plattelandsklassieker, zijn pansoti verrassend jong. Ze doken voor het eerst op in de streek rond Rapallo in de jaren 1920, vaak geserveerd tijdens feestdagen als Pasen. Vanaf de jaren 30 verschenen de eerste recepten in kookboeken, maar hun echte doorbraak kwam in 1961. Tijdens het Gastronomisch Festival van Nervi stelde Antonio Ruggero van restaurant La Manuelina in Recco een versie voor met walnotensaus en een vulling van preboggion, een kruidige mengeling geplukt op de Monte di Portofino.

Die versie sloeg aan. Pansoti werden voortaan geassocieerd met voorjaarsgroen, zachte kaas en een romige saus die geen vlees nodig heeft om toch volwaardig aan te voelen. Het gerecht kreeg een plaats in de Ligurische keuken als symbool van eenvoud, seizoen en streek.

De vulling is traditioneel opgebouwd uit een mengsel van wilde of gecultiveerde kruiden, de preboggion, gecombineerd met ricotta of prescinsêua, een frisse kaas uit de regio. De smaak is groen, zacht en licht kruidig, soms met een toets knoflook. Daarbij komt dan de klassieke salsa di noci: een saus op basis van walnoten, broodkruim, Parmezaanse kaas en een vleugje melk of room. Die romige, notige saus vormt een natuurlijk tegengewicht voor de lichte vulling.

Preboggion: wat zit er in dat groene geheim?

Er bestaat geen vast recept voor wat er in preboggion moet zitten. Het is de naam voor een mix van wilde voorjaarskruiden die langs de Ligurische hellingen, muurtjes en paadjes groeien. De exacte samenstelling varieert per streek, per seizoen en zelfs per familie. Wat op dat moment beschikbaar is, bepaalt wat erin gaat.

Typische ingrediënten zijn wilde snijbiet, paardenbloemblad, veldsla, jonge brandnetel, cichorei en marjolein. Soms komen daar ook jonge prei of daslook bij, afhankelijk van wat er in de natuur te vinden is. Er zijn recepten met drie soorten kruiden, maar er bestaan ook versies waarin tot dertien verschillende planten samenkomen. Het resultaat is telkens een momentopname van het seizoen.

De kruiden worden steeds kort geblancheerd, een stap die onlosmakelijk verbonden is met de naam. Preboggion is afgeleid van het dialectwoord prebuggiâ, wat zoveel betekent als ‘vooraf koken’. Het blancheren dient om de kruiden zachter te maken en hun bitterheid te temperen, zonder hun frisse karakter te verliezen.

De vulling en de klassieke walnotensaus

De vulling is uiteraard het belangrijkst in de pansoti. De preboggion van wilde kruiden worden er gecombineerd met verse kaas zoals ricotta of, voor wie het lokaal wil houden, prescinsêua. Die laatste is een frisse, lichtzure wrongelkaas uit de streek rond Genua. Haar iets lopendere textuur en subtiele zurigheid geven de vulling een uitgesproken maar zachte balans.

Soms wordt een ei toegevoegd om de binding te versterken, zeker als men werkt met een grovere kruidenmengeling. Een royale hoeveelheid geraspte Parmezaanse kaas en een vleugje nootmuskaat kunnen de vulling verder afronden.

De bijhorende walnotensaus, salsa di noci, maakt het gerecht helemaal af. Ze wordt bereid met gepelde walnoten, geweekt broodkruim, knoflook, Parmezaanse kaas, olijfolie en een beetje melk of room. Alles wordt fijngemalen tot een romige saus die net genoeg textuur behoudt. De saus wordt nooit verhit op het vuur, maar gewoon licht opgewarmd, zodat de smaken niet bitter worden en de noten hun zachtheid behouden.

Enrichetta’s wijsheid: waarom haar video mijn nieuwsgierigheid wekte?

In onderstaande video toont Enrichetta op het kanaal Pasta Grannies hoe zij haar pansoti con salsa di noci bereidt. Ze knipoogt hierbij naar de essentie van het gerecht en deelt haar authentieke recept met liefde, geduld en zonder poespas. Ze weegt haar woorden zoals ze haar ingrediënten weegt: zorgvuldig en zonder overdrijving. Haar vulling is klassiek, haar saus eenvoudig, haar uitvoering trefzeker.

Het is precies die nuchtere eerlijkheid, gecombineerd met haar stille vanzelfsprekendheid, die me naar dit gerecht – en dus naar dit artikel – trok.

Variaties op deze klassieker

De klassieke versie is heilig, maar dat houdt Ligurische chefs niet tegen om te experimenteren. Zo duiken er varianten op met rucola, basilicum, paddenstoelen of zelfs artisjok in de vulling. Sommigen vervangen de walnotensaus door een saus van courgettecrème, pistachepesto of gewoon wat goede olijfolie met salie. Niks mis mee, zolang het evenwicht tussen vulling en saus maar klopt.

Recept: Pansoti met wilde rucola en walnotensaus

Voor wie het liever zelf doet, een originele twist op de klassieker met wilde rucola.

Voor het deeg:

  • 300 g bloem (tipo 00)
  • 1 el witte wijn
  • 1 ei
  • Snufje zout

Voor de vulling:

  • 300 g wilde rucola
  • 150 g ricotta
  • 50 g Parmezaanse kaas
  • 1 ei
  • 1 teentje knoflook (fijngehakt)
  • Zout, peper en een snuifje nootmuskaat

Voor de walnotensaus:

  • 100 g walnoten (10 min geweekt in warm water)
  • 1 teentje knoflook
  • 30 g broodkruim geweekt in melk
  • 30 g Parmezaanse kaas
  • 2 el olijfolie
  • 1 el melk of room
  • Zout naar smaak

Bereiding:

  1. Kneed een soepel deeg van bloem, ei, wijn en zout. Laat 30 minuten rusten onder een doek.
  2. Blancheer de rucola kort, laat uitlekken en hak fijn. Meng met de kaas, het ei, knoflook en kruiden.
  3. Mix alle ingrediënten voor de saus tot een gladde saus.
  4. Rol het deeg dun uit en steek cirkels of vierkanten uit. Lepel er wat vulling op, vouw tot driehoekjes en druk de randen goed aan.
  5. Kook de pansoti in ruim gezouten water tot ze boven komen drijven.
  6. Meng voorzichtig met de warme walnotensaus.

Heerlijke gelukzaligheid

Hoewel ikzelf met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid doorgaans voor een vleesvulling zou kiezen, doet deze versie van pansoti con preboggion me simpelweg gelukzalig glimlachen. Het is een ode aan het verleden, aan koken zonder bombast of technische snufjes – op dat ene onmisbare pastamolentje na.

In de video zie je hoe vroeger zelfs een eenvoudige au bain marie werd toegepast zonder daar veel woorden aan vuil te maken. Zulke verhalen moeten we koesteren. Niet uit nostalgie, maar omdat ze ons herinneren aan de kracht van eenvoud en doorgegeven kennis. Recepten als deze horen niet te verdwijnen in een archief, maar verder verteld en vooral: verder gekookt te worden.

Dus haal die pastaplank uit de kast en ga aan de slag. Serveer je pansoti met een glas koele Pigato, en je begrijpt meteen waarom sommige geheimen pas echt smaken als je ze zelf ontdekt.

Buon appetito.

Umbricelli: dikke jongens uit Umbrië

Waar we afgelopen zomer ook gingen eten in Umbrië, elke menukaart was rijkelijk bezaaid met varianten van Umbricelli, de lokale pastatrots. Dat het een streekproduct pur sang is, spreekt haast vanzelf: de naam van de regio zit er zowat letterlijk in vervat. We konden dus moeilijk anders dan deze pasta bestellen en zelf beoordelen. Het verdict? Zeker geslaagd, al was de dikte, naar persoonlijke smaak, net iets te genereus.

Elke regio in Italië koestert haar eigen pastatrots. Sommige blijven binnen de grenzen van de streek bekend, ondanks hun rijke traditie en uitgesproken karakter. Umbricelli is daar een schoolvoorbeeld van: een stevige, met de hand gerolde pasta, geboren en getogen in het groene hart van het land.

In Umbrië betekent de primo piatto, dat eerste warme gerecht dat nooit ontbreekt aan tafel, vaak maar één ding: Umbricelli. Een pastavorm met een uitgesproken structuur en een smaak die eigen is aan de culinaire ziel van de regio.

Wat is Umbricelli precies?

Umbricelli is een verse handgerolde pastasoort die wordt gemaakt op basis van een eenvoudig deeg: bloem, water en een snuifje zout. Soms komt er een scheutje olijfolie aan te pas, maar eieren blijven opvallend afwezig. Die eenvoud is geen toeval. In vroegere tijden werden eieren beschouwd als waardevol handelsgoed, iets wat je liever verkocht dan opat, en dus ontstond een pastavorm die het met minder moest doen, maar smaak en structuur nooit uit het oog verloor.

De pasta wordt volledig met de hand gerold, doorgaans op een houten werkblad. Het deeg, meestal een combinatie van tipo 00 en griesmeel (semola), moet stevig zijn en krijgt pas na het rusten zijn definitieve vorm. Met de handpalmen rolt men kleine stukken deeg tot lange, licht opgerolde slierten van ongeveer 25 centimeter lang en zo’n 3 millimeter dik. Het resultaat is een licht onregelmatige pasta met een ruwe, bijna robuuste textuur die zich perfect leent voor het opnemen van sauzen.

Een pasta geworteld in het landelijke Umbria

De oorsprong van Umbricelli ligt diep verankerd in het landelijke Umbrië, in een tijd waarin koken betekende: werken met wat je voorhanden had zoals bloem, water en een beetje zout. Voldoende voor een voedzame pasta die eenvoudig te bereiden was en stevig genoeg om een werkdag op het veld te overbruggen.

Volgens mondelinge overlevering ontstond deze pastasoort in en rond Spoleto en Foligno, twee steden die nog steeds als bakermat worden beschouwd. Daar werd het deeg met de hand gekneed, kort laten rusten, en vervolgens uitgerold tot stevige slierten op houten werkbladen. Pure ambacht als het ware, doorgegeven van generatie op generatie. Van nonna op nipote, zonder recept, zonder metingen. Enkel ervaring en gevoel.

De vorm van Umbricelli, lang, dik en licht onregelmatig, weerspiegelt die huiselijke oorsprong. Deze pasta was bijna dagelijkse kost. Karaktervol en functioneel. Dat verklaart ook waarom Umbricelli tot de zogenaamde “piatti poveri” gerekend wordt: gerechten ontstaan uit schaarste. Het leuke hieraan is dat vele van deze gerechten vandaag vaak zijn uitgegroeid tot culinaire erfstukken.

Vandaag is Umbricelli erkend als Prodotto Agroalimentare Tradizionale (PAT), een officiële status toegekend door het Italiaanse ministerie van Landbouw aan streekproducten met aantoonbare historische waarde. Die erkenning bevestigt wat lokale families al eeuwen weten: Umbricelli is een tastbare herinnering aan een manier van leven waarin eenvoud een bron van inventiviteit was.

Wat zit er in een naam?

De naam Umbricelli komt vermoedelijk van het Umbrische dialectwoord umbrico, wat zoveel betekent als ‘wormpje’ of ‘klein slangetje’. Een onsmakelijk beeld voor wie er te letterlijk over nadenkt, maar in zijn context is het vooral een speelse verwijzing naar de vorm: lang, licht gekronkeld en grof.

Zoals bij veel traditionele gerechten verschilt de benaming van dorp tot dorp. In en rond Foligno hoor je vaak de naam strangozzi, een term die verwijst naar oude leren schoenveters (stringhe di cuoio) waarmee de vorm wordt vergeleken. De naam draagt een zwaardere historische lading: volgens de overlevering zouden revolutionairen in de tijd van het Pauselijk gezag deze veters gebruikt hebben om geestelijken te wurgen. Of dat klopt, valt moeilijk te bewijzen, maar het verklaart wel de ietwat lugubere ondertoon van de naam strangozzi – afgeleid van strangolare, ofwel ‘wurgen’.

Niet te verwarren trouwens met de strozzapreti uit Emilia-Romagna, die ondanks de gelijkaardige naam niets te maken hebben met politieke moorden, maar hun naam danken aan de vreetlust van geestelijken die zich eraan te buiten zouden gaan.

Andere varianten duiken ook elders in Umbrië op: in Terni spreekt men van ciriole, en elders doen ze denken aan de pici uit Toscane. Elke streek legt er haar eigen accenten in, maar de kern blijft dezelfde.

Het verschil met spaghetti

Umbricelli en spaghetti lijken op het eerste gezicht familie van elkaar: lange, ronde slierten die je met een vork opdraait. Toch stopt de gelijkenis daar. Wie ze naast elkaar op het bord legt, merkt meteen dat Umbricelli een andere structuur heeft. Grover, korter en een stuk forser. Waar spaghetti glad en slank is, toont Umbricelli zich dik en ruw, met een onregelmatige vorm die verraadt dat hij niet uit een machine komt.

Die handgemaakte textuur is een essentieel verschil. Spaghetti glijdt door de saus, Umbricelli houdt ze vast. Door zijn ruwe oppervlak klampt hij zich vast aan elke vezel, elke kruimel, elke druppel olie of tomaat. Het is vooral een pasta met een stevige beet die vraagt om een saus met karakter: een ragù van cinghiale of een truffelsaus.

Samengevat: spaghetti is de gladde gast die iedereen kent, Umbricelli is de robuuste streekgenoot die je niet snel vergeet. Minder verfijnd misschien, maar met meer grip op wat er rond zit.

Typische gerechten met Umbricelli

De kracht van Umbricelli zit niet alleen in zijn structuur, maar vooral in zijn veelzijdigheid. Dankzij het dikke, ruwe oppervlak blijft hij stevig in de beet en neemt hij sauzen gretig op. Daardoor leent hij zich tot uiteenlopende bereidingen. Eenvoud blijft altijd de rode draad, maar binnen die eenvoud is er ruimte voor uitgesproken smaken, lokale tradities en verrassende combinaties.

Een klassieker die je in vele Umbrische keukens terugvindt is Umbricelli alla spoletina. Dit gerecht is opgebouwd uit eenvoudige ingrediënten: kerstomaten, knoflook, olijfolie en een snuif chilipeper. De bereiding is snel, de smaak krachtig, en een handvol verse peterselie op het einde zorgt voor frisheid. Een toonbeeld van hoe weinig nodig is om een bord pasta volledig tot zijn recht te laten komen.

Wie het iets rijker wil, komt al snel bij de Umbricelli alla norcina terecht. Een gerecht uit de omgeving van Norcia, waar de kunst van het worstmaken diep in de cultuur verankerd zit. Hier vormt salsiccia de basis van een romige saus, opgewerkt met room, Pecorino en een vleugje truffelolie. De worst wordt eerst grof verkruimeld en aangebakken, waarna de room en kaas voor binding en intensiteit zorgen. Een gerecht dat stevig op de maag ligt, maar nog steviger op smaak.

Daarnaast is er de bijna vergeten klassieker Umbricelli col rancetto. Een gerecht dat ontstaan is uit de oude logica dat van het varken niets verloren mocht gaan. De saus bestaat uit gerijpte pancetta, Cannara-ui, tomatenpassata, marjolein en geraspte Pecorino. De naam verwijst naar het ranzige karakter van de pancetta, dat vandaag soms als te uitgesproken wordt beschouwd. Toch blijft dit een gerecht met een sterke identiteit, en in sommige trattoria’s rond Spoleto leeft het nog voort, zij het in lichtere, aangepaste versies of net zoals het ooit bedoeld was: vet en krachtig.

Verder zijn er talloze andere bereidingen waarin Umbricelli schittert: met een eenvoudige passata en look, met zwarte truffel uit Norcia en een scheutje olijfolie, of met een ragù van wild zwijn zoals die nog wordt geserveerd in de heuvels van Todi en Montefalco.

Eén bereiding springt echter in het oog door zijn alomtegenwoordigheid op de menukaarten: Umbricelli all’Amatriciana. Hoewel deze saus zijn oorsprong vindt in de buurstaat Lazio, heeft hij in Umbrië een stevige tweede thuis gevonden. De combinatie van tomaat, guanciale, peperoncino en Pecorino sluit naadloos aan bij de smaakprofielen van de regio en blijkt bijzonder goed samen te gaan met de robuuste beet van Umbricelli.

Een klassieker die het verdient om niet alleen vaak geserveerd, maar ook correct bereid te worden. En precies dat is wat we nu gaan doen.

Recept: Umbricelli all’Amatriciana

Deze bereiding is een mooi voorbeeld van hoe keukens elkaar kruisen. Hoewel de saus zijn oorsprong heeft in Lazio, is deze versie typisch voor Orvieto. Handelsroutes, huwelijken, conflicten en uitwisseling van smaken hebben ertoe geleid dat een klassieke Romeinse saus als de Amatriciana naadloos samengaat met Umbricelli. Het resultaat is herkenbaar, maar toch anders. Authentieker, voller, met de rustieke beet van verse pasta.

Ingrediënten (voor 2 personen):

  • 400 g bloem (bij voorkeur: 200 g tipo 0 + 200 g griesmeel van harde tarwe)
  • 220 ml warm water
  • Zout, een snuifje
  • 200 g Umbrese guanciale, in grove stukken gesneden
  • 1 teentje knoflook, fijngehakt
  • 150 g gepelde of gehakte tomaten
  • 1 glas droge witte wijn
  • 1 takje verse oregano
  • Zwarte peper, naar smaak
  • 1 el olijfolie
  • Pecorino, grofgeraspt

Bereiding:

Bereid de Umbricelli volgens het basisrecept:

  1. Maak een kuiltje op een houten werkblad met de bloem in een cirkel (de klassieke ‘vulkaan’).
  2. Giet het warme water in het midden, voeg het zout toe en begin van binnenuit de bloem naar het midden te mengen.
  3. Kneed stevig gedurende minstens 10 minuten tot je een elastisch en homogeen deeg krijgt. Voeg indien nodig een klein beetje extra water of bloem toe, maar het deeg moet stevig blijven, niet plakkerig.
  4. Dek af met een schone doek en laat 15 à 30 minuten rusten bij kamertemperatuur.
  5. Neem kleine porties van het deeg en rol die onder je handpalmen op het werkblad tot lange, dikke slierten van ongeveer 3 mm dik en 20 à 25 cm lang.
  6. Laat ze losjes rusten op een bebloemd oppervlak tot je klaar bent om ze te koken.

Het vervolg van de pasta:

  1. Verwijder het zwoerd van de guanciale en snijd het vlees in grove stukken. Verhit de olijfolie op laag vuur en bak de guanciale samen met de knoflook tot alles mooi bruin en geurig is.
  2. Giet de overtollige vetten af, blus met de witte wijn. Laat de wijn bijna volledig verdampen voor je de tomaten en oregano toevoegt en laat de saus sudderen op laag vuur terwijl de pasta kookt.
  3. Kook de Umbricelli in ruim gezouten water tot ze al dente zijn. Roer regelmatig, want door hun dikte en onregelmatigheid hebben ze wat extra aandacht nodig.
  4. Giet de pasta af en voeg die direct toe aan de saus. Meng goed zodat elke sliert mooi bedekt is met saus. Werk af met een flinke draai zwarte peper.
  5. Serveer warm met een royale hoeveelheid geraspte Pecorino kaas.

Eindnoot? Geen noodzaak

Umbricelli kan je perfect zelf eens uitproberen. Je hoeft er geen nonna voor te zijn, enkel wat bloem, water en kooklust volstaan. Je moet er wel wat moeite voor doen, want de pasta draagt onvermijdelijk de sporen van handenarbeid. Dus ja, maak ze eens zelf. Al was het maar om indruk te maken op je kookmaatjes!

Baffo all’orvietana: de snor uit Umbria die je wil opeten

Stanley Tucci’s Searching for Italy is een reeks die op VRT werd of wordt uitgezonden. Omdat het over Italië gaat, hadden we de afleveringen opgenomen en bekijken we ze op een rustig moment, wanneer het eens past. Eén van de afleveringen ging over Umbrië, en na onze recente passage daar was ik wel benieuwd wat die man over de streek te vertellen had.

Dat het varken er een hoofdrol speelt, is geen understatement maar een waarheid als een koe. Tijdens de uitzending veerde ik recht, want wat kwam daar plots op het scherm? Een gerecht dat we nog maar net hadden gegeten in Orvieto: baffo all’orvietana. Toen ik het ter plekke proefde, had ik er nog nooit van gehoord. Maar het was verdomd lekker. Se lecca i baffi.

Een gerecht met de naam baffo roept vanzelf de vraag op: wat heeft een snor te maken met eten? In dit geval ligt het antwoord op je bord. Dit eenvoudige maar smaakvolle gerecht komt uit de streek rond Orvieto, een middeleeuws stadje in het zuiden van Umbrië. Het draait om één centraal ingrediënt: gezouten en licht gerookt varkensvlees met een stevige structuur, dat zich krult als een snor en met een heerlijke smaak.

Terwijl ik dit op een zondagmorgen zit te schrijven, realiseer ik me dat het zover is gekomen: ik zit een artikel te maken over, godbetert, spek. In plaats van zelf een pannetje op het vuur te zetten en een pistoletje te beleggen. Niet dus…

Wat is baffo eigenlijk?

In Umbrië, en meer bepaald in de streek rond Orvieto, bedoelt men met baffo natuurlijk niet letterlijk een snorhaar, maar een stuk varkensvlees. Meer specifiek: een snede afkomstig van de wang van het dier. Het gaat om een spier die doortrokken is van edel vet, met een stevige textuur en een uitgesproken smaak. Dit deel staat in de slagerswereld bekend als guanciale. In sommige delen van Midden-Italië wordt het ook wel barbazza genoemd, een naam die verwijst naar de baardstreek van het varken. De associatie met gezichtsbeharing is dus niet toevallig.

In de pan krult het spek tot slierten die doen denken aan borstelige snorharen, wat de bijnaam baffo meteen verklaart. De naam verwijst misschien ook wel naar wat er gebeurt nadat je het gegeten hebt. Leccarsi i baffi, zeggen de Italianen: je snor aflikken, of met andere woorden, smullen tot de laatste hap. En bij een goed gemaakte baffo all’orvietana is dat een logische reflex.

Oorspronkelijk werd dit stuk vlees gegeten uit noodzaak. Het was een betaalbaar alternatief voor de duurdere stukken, maar zeker niet minder smakelijk. Vandaag weten we dat guanciale of barbazza bijzonder rijk is aan vetten en energie. Het is dus geen ingrediënt voor elke dag.

Guanciale of pancetta: wat is het verschil?

Guanciale en pancetta worden allebei gemaakt van varkensvlees, maar ze komen uit verschillende delen van het dier en hebben elk een eigen karakter.

Guanciale is afkomstig van de guancia, de wang van het varken. Het is een stuk vlees dat rijk doortrokken is van vet, stevig van structuur en bijzonder vol van smaak. Die smaak wordt versterkt door het pekelen, het kruiden met peper of andere specerijen en het laten drogen, soms met een lichte rookbehandeling. Het resultaat is een intens, kruidig en smeuïg stuk vlees dat bij verhitting bijna smelt, zonder zijn bite te verliezen.

Pancetta daarentegen komt van de buik. Zoals de naam al laat vermoeden. Dit vlees is doorgaans zachter van smaak, iets milder gekruid en minder uitgesproken van geur. Pancetta wordt meestal opgerold, gezouten en gedroogd, maar bevat minder vetmarmering dan guanciale en is ook iets egaler van structuur.

Voor baffo all’orvietana is guanciale zonder twijfel de juiste keuze. De specifieke Umbrische variant is vaak licht gerookt en heeft een krachtig aroma dat perfect samengaat met eenvoudige ingrediënten als salie en witte wijn of wijnazijn. Het vlees moet bestand zijn tegen een korte maar stevige verhitting, waarbij het vet zacht wordt maar het geheel niet uit elkaar valt.

Toch grijpt men soms naar pancetta, vooral wanneer guanciale moeilijk te vinden is. De meest geschikte vervanger is dan ventresca di maiale, een Umbrische pancetta die opgerold wordt en qua vetgehalte en textuur dicht in de buurt komt. Maar eerlijk is eerlijk: wie de kans krijgt om met echte guanciale te werken, moet die grijpen. Het verschil proef je meteen. In de smaak, in de structuur en in het laatste straaltje vet dat in de pan achterblijft.

Wat bindt dit gerecht aan Orvieto?

De naam baffo is volgens onze opzoekingen niet meteen gangbaar in andere delen van Italië. Die informele benaming doet vermoeden dat het hier niet gaat om een klassiek gerecht dat via culinaire scholen werd doorgegeven, maar om een bereiding die ontstond in huiselijke keukens, waar mondelinge traditie en plaatselijke woorden minstens zo belangrijk waren als recepten. De toevoeging all’Orvietano bevestigt die geografische verankering.

De band met Orvieto is dus duidelijk, maar de link met Umbrië ligt nog breder ingebed. Het varken speelt een hoofdrol in de Umbrische keuken. Wie niets met varkensvlees heeft, zal in vele keukens in deze regio op z’n zachtst gezegd vreemd worden aangekeken. Norcia, een ander Umbrisch bolwerk, staat zelfs bekend als de bakermat van de slagersstiel in Italië, met een eeuwenlange traditie in het verwerken van varkensvlees.

De naam baffo maakt dit gerecht niet uniek in technische zin, maar geeft het wel een eigen identiteit. De combinatie met all’Orvietano zorgt voor herkenbaarheid. Nergens anders in Italië wordt dit gerecht op precies deze manier genoemd of in het lokale geheugen zo verankerd. En net dat maakt het de moeite waard om te bewaren en door te geven.

De rol van salie, de plant van het goede humeur

Een opvallend element in het gerecht is het gebruik van salie. Een kruid dat absoluut een vaste waarde is in de Italiaanse keuken. In Umbrië groeit salie in zowat elke tuin en wordt ze niet alleen gewaardeerd om haar geur en smaak, maar ook om haar symbolische en zelfs medicinale reputatie.

In het Italiaans spreekt men van pianta del buonumore, de plant van het goede humeur. Aan salie worden sinds de oudheid allerlei verkwikkende eigenschappen toegeschreven. Ze zou helpen tegen melancholie, vermoeidheid, mentale uitputting en zelfs een geheugenoppepper zijn. Monniken, herboristen en nonna’s waren het daarover eens: een beetje salie doet wonderen. Of dat wetenschappelijk bewezen is, doet er in dit geval minder toe.

Smaaktechnisch doet salie precies wat dit gerecht nodig heeft. Het scherpe, licht medicinale aroma snijdt door het vet van de guanciale als een mes. Het geeft frisheid zonder zuur toe te voegen. In tegenstelling tot basilicum of oregano blijft salie eerder discreet. Ze versterkt de andere smaken zonder ze te overstemmen.

In baffo all’Orvietano is de rol van salie klein maar onmisbaar. Ze wordt meestal meegebakken met het vlees, zodat ze haar oliën vrijgeeft op het juiste moment. Het is geen garnituur maar een werkend onderdeel van het gerecht. Je zou het verschil merken als ze er niet was.

Het traditionele recept voor Baffo all’Orvietano

Ingrediënten (voor 4 personen)

  • 600 gram baffo (guanciale, het spier- en vetweefsel van de varkenswang), in sneetjes van ongeveer 2 mm dikte
  • 20 blaadjes verse salie
  • 2 eetlepels witte wijnazijn
  • 2 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 2 teentjes knoflook, gekneusd

Bereiding

  1. Snijd het vlees in niet te dunne sneetjes, ongeveer twee millimeter dik. Het mogen best onregelmatige plakjes zijn, zolang er voldoende vet aan zit.
  2. Verhit de olijfolie in een brede pan. Laat de gekneusde knoflook en een deel van de salie licht kleuren zodat de olie geur en smaak opneemt.
  3. Voeg de sneetjes baffo toe aan de pan. Laat ze rustig bakken tot ze licht goudbruin beginnen kleuren.
  4. Sprenkel de witte wijnazijn over het vlees en laat die kort inkoken. De zuren moeten verdampen, maar mogen nog licht te proeven zijn.
  5. Zodra het vlees krokant is aan de randjes maar nog soepel vanbinnen, haal je het met een schuimspaan uit de pan.
  6. Serveer het vlees warm met een lepel van het braadvocht en de krokante salieblaadjes erbovenop.

Opmerkingen

  • Serveer het gerecht eventueel met wat geroosterd brood of als warm voorgerecht.
  • De smaakcombinatie is krachtig maar elegant: vet, kruidig en licht zurig.

Wijnsuggestie
Een droge, geurige witte wijn met zachte zuren. Uiteraard mag een Orvieto Classico niet ontbreken.

Tot slot

Baffo all’orvietana is niet wat je onmiddellijk als een Italiaanse klassieker gaat bestempelen. Het is één van die vele lokale verankerde gerechten die vooral herinneringen oproepen aan je verblijf ginds.

Op het eerste gezicht lijkt het simpel, bijna bescheiden. Voor wie in België op zondagmorgen al eens een sneetje spek in de pan legt, voelt het zelfs enigszins vertrouwd. Maar net die kleine twist maakt het anders. De keuze voor guanciale in plaats van gewoon spek. De toevoeging van salie. Die vleug witte wijnazijn. En de onvermijdelijke knoflook die zacht op de achtergrond blijft hangen.

Dat eenvoud kan smaken, hoeven ze ons al lang niet meer uit te leggen. En voor wie het zelf een keer probeert: je hoeft geen chef te zijn om dit te maken.