We zetten onze ontdekkingstocht door Marche verder en stellen opnieuw enkele haltes voor die je makkelijk kan opnemen tijdens een bezoek aan de regio. Vorige keer trokken we onder meer richting Frasassi, Serra San Quirico, de dorpen rond Verdicchio en Corinaldo. Deze keer beginnen we aan zee, maar blijven we weg van het strand. Daarna trekken we naar Urbino, Urbania, Acqualagna, Furlo en Cagli, om vervolgens af te zakken richting Montelupone, Montecassiano en Recanati. Helemaal afsluiten doen we in de Monti Sibillini.
Dat we Urbino opnemen als logische, zeg maar verplichte stop, vraagt wel wat nuance. Verborgen is Urbino natuurlijk niet. Wie een beetje van Italië houdt, kent de naam. Toch hoort de stad hier thuis. Veel reizigers laten Urbino verrassend genoeg nog altijd links liggen wanneer ze Marche bezoeken. Bovendien past de schoonheid van deze stad gewoon perfect in dit verhaal.
Ongetwijfeld zijn er nog heel wat plekken die we niet hebben aangehaald. Geef ze ons gerust mee. Dan hebben we meteen een goede reden om bij een volgend bezoek opnieuw van de hoofdweg af te wijken.
Rocca Roveresca: Senigallia zonder strandstoel
Senigallia kwam in onze kustaflevering al voorbij. Logisch ook, want de stad is vooral bekend om haar strand, de Rotonda a Mare en die aangename sfeer van een Adriatische badplaats die haar eigen ritme heeft gevonden. Toch loont het om hier even van het zand weg te stappen en richting Rocca Roveresca te wandelen.
Deze burcht staat daar stevig, bijna onverstoorbaar, en brengt je meteen in een ander Senigallia. Weg strandgevoel, welkom stadsgeschiedenis, macht en verdediging. Rocca Roveresca werd gebouwd tussen 1480 en 1492 in opdracht van Giovanni Della Rovere, heer van Senigallia. Dikke muren, stevige bastions, ronde hoektorens, een slotgracht en loopgangen moesten weerstand bieden aan de vuurwapens van die tijd.
Veel tijd zal je niet nodig hebben voor dit bezoek. Net daarom is het een ideale korte stop wanneer je vanuit Senigallia opnieuw richting de Adriatische snelweg rijdt.
Urbino: Renaissance, studenten en sjakossen
Neem je tijd voor een bezoek aan Urbino. Je zal die nodig hebben om deze stad, die sinds 1998 opgenomen is als UNESCO werelderfgoed, te bezoeken. Je zal er ook een beetje inspanning voor nodig hebben. Urbino ligt immers hoog, de straatjes stijgen stevig en op sommige momenten voel je dat ook in de kuiten. Gelukkig krijg je er veel voor terug. Smalle steegjes, kleine pleinen, verweerde stenen gevels, doorkijkjes naar de heuvels en een historische kern die nog altijd opvallend gaaf aanvoelt.
Het Palazzo Ducale blijft uiteraard het grote herkenningspunt. Je hoeft er zelfs niet noodzakelijk binnen te gaan om het indrukwekkend te vinden. Vanaf verschillende punten in de stad duikt het telkens opnieuw op. Van dichtbij zie je de loggia’s en de torens, maar eigenlijk wordt het paleis nog mooier wanneer je er wat afstand van neemt. Dan zie je pas goed hoe het gebouw boven de stad uitsteekt en hoe sterk het beeld van Urbino hierdoor wordt bepaald.
Een van de beste plekken om dat te zien is het hoger gelegen Fort Albornoz. De wandeling ernaartoe vraagt opnieuw de nodige inspanning, maar boven krijg je misschien wel het mooiste zicht op Urbino. Daar zitten vaak studenten, wat perfect past bij het universiteitskarakter van de stad.
Ga zeker even buiten de muren richting Strada Panoramica. Van daaruit zie je hoe compact Urbino in het landschap ligt. De stad lijkt bijna op de heuvel gezet, met het Palazzo Ducale als duidelijk middelpunt. Dat beeld maakt je meteen ook duidelijk waarom Urbino zo vaak als renaissancestad wordt omschreven.
Bezoek zeker ook Bottega d’Arte di Nevio Sorini. Hier wordt de Stella Ducale, een handgemaakte glazen sterrenlamp die eeuwenlang adellijke huizen in Urbino verlichtte, nog op traditionele wijze gemaakt.
Ook voor een korte culinaire pauze of pranzo zit je in Urbino goed. Denk bijvoorbeeld aan La Trattoria del Leone, een klein restaurant in het centrum waar lokale gerechten en passatelli duidelijk een rol spelen. Mag het iets verfijnder, dan is Portanova een naam om te onthouden. Zelf vind ik ook Atabulus mooi passen bij Urbino: een enoteca met keuken en boeken, waar je terecht kan voor een aperitivo, iets kleins om te eten of gewoon een glas in een bijzondere sfeer.
Voor ons vertrek naar Marche had ik mijn vrouw beloofd dat ze van mij een handtas cadeau kreeg van een heel bijzondere plek. Bij ons bezoek aan Urbino kon ik deze belofte dan ook eindelijk inlossen. Ik troonde haar mee tot iets buiten de stad, naar Schieti di Urbino. Hier vind je de factory store van het bekende handtassenmerk Piero Guidi. Ik had ook simpelweg in Urbino kunnen blijven en de handtas kunnen kopen in de plaatselijke winkel in de Via Veneto, maar dit was net iets charmanter. Ons bezoek aan Urbino kreeg daardoor een ander cachet. Eerst Renaissance, daarna sjakossen. En daarmee had ik weer vele goede punten gescoord en kon ik deze reis niets meer misdoen.
Urbania: mummies, majolica en visciola
Urbania ligt niet zo ver van Urbino en kan je dus perfect combineren. Urbania voelt trouwens helemaal anders aan. Minder groots, minder bekend en vooral minder druk. Urbania heette vroeger Casteldurante en die oude naam kom je nog geregeld tegen, zeker wanneer het over keramiek gaat. Vanaf de vijftiende eeuw groeide Casteldurante uit tot een belangrijk centrum voor majolica, beschilderd aardewerk dat zijn weg vond naar klanten ver buiten de regio.
Het stadje zelf is aangenaam om door te wandelen. Zeker wanneer er markt is, komt Urbania helemaal tot leven. Dan slingeren de kraampjes door de straten en vind je er brood, kazen, olijven, fruit, keramiek en allerlei lokale producten. Rond Piazza San Cristoforo vind je bars, bakkerijen, restaurants en het Teatro Bramante. Dat theater is vernoemd naar Bramante, de grote renaissancearchitect die in de omgeving werd geboren. Geniet van een koffie bij Caffè del Teatro en je bent alweer paraat om het volgende straatje te verkennen.
Een van de meest eigenzinnige plekken van Urbania is de Chiesa dei Morti, bekend om haar mummies. Ik ben geen kerkganger en neem dit soort bezoeken ook bewust niet op in de blogs, maar hier maak ik wel een uitzondering. Je bezoekt deze chiesa omdat het iets vertelt over de manier waarop een kleine gemeenschap met dood, zorg en herinnering omging. Het Broederschap van de Dood bekommerde zich ooit om de uitvaarten van armen en hulpbehoevenden. De geconserveerde lichamen die later werden opgegraven, kregen hier een opvallende plaats. Je moet er zin in hebben, maar vergeten doe je dit bezoek niet snel.
Je kan in Urbania niet om de keramiek heen. Je merkt het bijna overal in de stad en het hoort dan ook tot de stadsidentiteit. Je vindt er nog enkele ateliers waar het oude ambacht wordt voortgezet, al zijn het er veel minder dan vroeger. In juli wordt die keramiektraditie extra in de kijker gezet tijdens het jaarlijkse keramiekfestival.
Voor een aperitivo kunnen we zeker Enoteca Vin Italy aan Piazza del Duomo aanraden. En als je ergens visciola tegenkomt, een lokale drank op basis van wijn en zure kersen, proef die dan zeker. Net zoals wij deden. We waren er eerlijk gezegd niet wild van, maar we kunnen het nu wel beter plaatsen wanneer erover gesproken wordt. Want in Marche zal je visciola vaak op de lokale drankenkaarten zien staan.
Acqualagna: truffel staat hier centraal
Ben je een truffelliefhebber, dan is een bezoek aan Acqualagna niet te missen. Want wie truffel zegt in Marche, zegt Acqualagna. Het is dan ook de truffelhoofdstad van de regio en dat merk je snel genoeg. In de winkels, op de menukaarten, in de straten. Alles geurt en kleurt er naar deze lekkernij.
In het najaar worden er speciale truffelzoektochten georganiseerd en wie de kans krijgt om met een truffeljager mee op pad te gaan, moet dat zeker doen. Vaak gebeurt dat met een Lagotto Romagnolo, een hondenras dat perfect geschikt is om truffels op te sporen. Zo’n tocht maakt meteen duidelijk hoeveel vakkennis erbij komt kijken. De hond zoekt, de truffeljager kijkt, luistert en grijpt pas in wanneer het nodig is. De truffel moet immers voorzichtig uit de grond gehaald worden. In de omgeving van Acqualagna liggen uiteraard ook de tartufaie, stukken grond waar truffels groeien en die zorgvuldig worden beheerd.
Bij een bezoek aan dit dorpje kan je niet anders dan je ook tegoed doen aan een gerecht op basis van truffel. Een crostino met truffel, een crescia sfogliata met ei en truffel, een eenvoudige pasta met vers geschaafde truffel: je kan het er allemaal vinden in lokale restaurantjes die zich duidelijk op truffel richten. Ristorante Lampino is daar een voorbeeld van, net als Il Tartufo centraal in het dorp.
Centraal in het dorp vind je de winkel van Acqualagna Tartufi. Dit is uiteraard een interessante stop wanneer je producten op basis van truffel wil ontdekken of meenemen.
Furlo: tussen kalksteen, water en Romeinse wegen
Heb je na al dat lekkers in Acqualagna behoefte om de opgenomen calorieën te verbranden, dan kan je iets verder doorrijden naar Furlo. Je zit er midden in de natuur, met heel wat wandelmogelijkheden tussen kalksteen, water, rotswanden en een weg die zich door de Gola del Furlo wringt.
De kloof van Furlo maakt deel uit van het Riserva Naturale Statale della Gola del Furlo. De rivier Candigliano heeft zich hier een weg gebaand door de kalkstenen rotsen, tussen Monte Pietralata en Monte Paganuccio. Dat levert een indrukwekkend zicht op. Het wordt niet voor niets een van de mooiste natuurgebieden van dit deel van Marche genoemd.
In de Gola del Furlo zelf loopt de oude Via Flaminia, de Romeinse weg die Rome met Rimini verbond. Ter hoogte van Furlo kom je voorbij de Romeinse tunnel die in opdracht van keizer Vespasianus in 76 na Christus door de rots werd uitgehakt. Bijna tweeduizend jaar later passeert er nog altijd verkeer door dat kleine gat in de rots. Furlo komt trouwens van het Latijnse forulum, wat klein gat betekent.
Je kan de kloof eenvoudig beleven vanop de weg langs het water, maar wie wat meer tijd heeft, kan ook wandelen. Langs de Candigliano zijn er rustige stukken waar je de rotsen, het water en de dammen van dichtbij ziet.
Ook van bovenaf kan je de kloof bekijken, al vraagt dat wel een stevige inspanning richting de Terrazza del Furlo. Zeker als je de weg omhoog neemt richting de rifugio en daarna het laatste stuk te voet doet. Boven kijk je neer op de kloof en zie je pas goed hoe de rivier zich tussen de bergen heeft ingesneden.
Wie vanuit Fossombrone komt of daarna nog wat extra natuur wil meepikken, kan ook langs de Marmitte dei Giganti bij San Lazzaro. Daar heeft het water in de loop van miljoenen jaren diepe kommen en grillige vormen uitgesleten in de kalksteen van de Metauro. Vanaf de Ponte dei Saltelli heb je er al een mooi zicht op. Wie dichter bij het water wil komen, moet wat klauteren. Dat kan prachtig zijn bij droog weer, maar bij regen zou ik mijn enthousiasme toch even in de wagen laten liggen. Natte stenen en zelfvertrouwen zijn niet altijd de beste combinatie.
Cagli: een stadje dat meer in huis heeft dan je verwacht
Eerlijk gezegd hadden we onze twijfels of we Cagli zouden opzoeken. Ik had Gradara bijvoorbeeld hoger op het verlanglijstje staan, maar die plaats zou ons te ver hebben afgeleid van onze daguitstap en dus werd het alsnog Cagli. Hoewel we niet echt hoge verwachtingen hadden, werd het toch een mooie meevaller. Alleen al het onderweg zijn en de route langs de oude Via Flaminia maken het de moeite. Je wordt omringd door bergen als Monte Petrano, Monte Nerone, Monte Catria en Monte Paganuccio. Je voelt hier als het ware de berglucht.
Eens aangekomen in Cagli kan je de wagen rustig parkeren en aangenaam rondwandelen in het centrum. Zoals op zoveel plaatsen is het hoofdplein nog altijd de plek waar het dagelijkse leven passeert en waar je de stramme benen van de autorit even kan laten bekomen met een espresso doppio.
Een van de opvallendste monumenten van Cagli is de Torrione, een versterkte toren die ooit deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de stad. De toren was verbonden met de hoger gelegen rocca via een overdekte geheime doorgang met honderden treden. Alleen al dat idee maakt het verhaal van Cagli meteen wat spannender. Je ziet de stad niet alleen als rustig historisch centrum, maar ook als plek die ooit verdedigd moest worden.
Ook de Romeinse brug, de Ponte Mallio, is de moeite om op te zoeken. Ze ligt langs het oude traject van de Via Flaminia en is ondanks de eeuwen en aardbevingen nog altijd grotendeels bewaard gebleven. Je kan er in één adem een bezoek aan het Teatro Comunale aan koppelen. Dat is een mooi theater, gebouwd in de negentiende eeuw. Vooral de binnenkant is de moeite. Rode zaal, loges, hoefijzervorm, dat soort werk.
Wie liever de natuur intrekt, zit rond Cagli goed. Monte Petrano is populair voor wandelingen, picknicks en buitensporten. Monte Catria en Monte Nerone bieden nog meer mogelijkheden voor wie graag wat hoger gaat. Wandelen, fietsen of mountainbiken, keuze genoeg.
De eigenlijke reden waarom ik Cagli op onze lijst met te bezoeken plekken had geplaatst, kwam echter uit een totaal andere interesse. Hoewel we er niet waren op het moment van dat evenement en er dus ook geen deel van konden uitmaken, hoopte ik alsnog een lekker stukje vlees te vinden. De verwachtingen waren hoog, want die bouwen ze natuurlijk zelf op als ze er een heus evenement aan besteden. In juni is er immers de Grigliata in Piazza, waarbij gegrild vlees centraal staat. Een pranzo met een tagliata mocht dus niet ontbreken. Daarvoor kwamen we uit bij Il Poggio, net buiten het centrum, waar carne alla griglia en tagliata duidelijk mee op de kaart staan.
Montelupone: smullen van artisjokken
Ook in de omgeving van Macerata kan je kleine, leuke plaatsjes ontdekken. Montelupone is er zo eentje. Het is opgenomen in de lijst van I Borghi più Belli d’Italia. Het is een compacte borgo die haar verleden opvallend goed heeft bewaard. De robuuste ommuring en de vier oude toegangspoorten geven het stadje nog altijd de nodige allure. Vroeger gingen die poorten bij zonsondergang dicht en pas na zonsopkomst opnieuw open. Dit zal ongetwijfeld goed gewerkt hebben tegen ongewenste bezoekers.
Het centrale piazza vormt ook hier het hart van het stadje. Daar staat het Palazzetto del Podestà met de Torre Civica, waarop je het oudste wapenschild van Montelupone terugvindt. Daarnaast heeft het stadje enkele andere leuke verrassingen in huis, zoals het Palazzo Comunale. Hier vind je het Teatro Storico Nicola degli Angeli, een klein historisch theater dat de nodige indruk maakt. In de ondergrondse ruimtes van het Palazzo Comunale is het Museo d’Arti e Mestieri Antichi ondergebracht, waar oude werktuigen en voorwerpen tonen hoe men hier vroeger leefde en werkte.
Dat is allemaal leuk en benadrukt vooral het historisch belang van Montelupone, maar ik genoot meer door gewoon door de straatjes te wandelen. Je passeert mooie palazzi, stille hoekjes en verborgen pleintjes. Het stadje voelt verzorgd aan, zonder dat het zijn landelijke karakter verliest. Ik keek vooral of die band met het platteland ook zichtbaar werd op de lokale menukaarten. De scarciofeno is immers de trots van de stad. Het is de plaatselijke artisjok, de carciofo di Montelupone, kleiner dan veel gewone artisjokken, violetgroen van kleur, zonder stekels en zonder harige binnenkant. Hij is mals, zacht van smaak en wordt hier terecht als lokale specialiteit gekoesterd. Zie je hem ergens op de kaart staan, dan zou ik niet te lang twijfelen om hiermee kennis te maken.
Montecassiano: de charme van de ronde beweging
Vergelijkbaar met Montelupone, en eveneens in de omgeving van Macerata, ligt Montecassiano. Je zou het zomaar voorbijrijden en er geen aandacht aan besteden. Dat zou jammer zijn, want Montecassiano heeft precies dat aangename ritme waardoor het er leuk toeven is. Het historische centrum lijkt zich als een kleine kring rond zijn centrale plein te plooien. Je wandelt omhoog, draait een straatje in, daalt weer wat af en komt uiteindelijk toch opnieuw uit bij het hart van het stadje. Alle wegen mogen dan naar Rome leiden, in deze borgo van I Borghi più Belli d’Italia brengen ze je vooral terug naar die centrale plek.
Dat centrale plein wordt bepaald door het Palazzo dei Priori en de trap die omhoog voert richting Santa Maria Assunta. Struin verder door de mooie klimmende en dalende straatjes. Zoek af en toe een terrasje om wat uit te blazen en rond je bezoek af met een wandeling naar het Parco del Cerreto, net buiten de stadsmuren. Daar krijg je een mooi zicht over de omgeving. Doe vooraf wat inkopen, zoals een flesje wijn, wat salumi en een crescia sfogliata. Zoek een plekje waar je rustig kan zitten en geniet van de wijdse schoonheid.
En ook hier is er een lokale gastronomische specialiteit. Bij een bezoek moet je eigenlijk sughitti proberen, een lokale dolce die wat doet denken aan zoete polenta. Ze wordt gemaakt met maïsmeel, druivenmost, suiker en walnoten. In oktober staat sughitti centraal tijdens een dorpsfeest. Dan wordt deze zoete specialiteit volop gemaakt en geproefd. Wie er dan passeert, heeft geluk.
Recanati: de stad van de oneindigheid
We ronden onze aanraders in de omgeving van Macerata af met een bezoek aan Recanati. Het is alweer zo’n typisch stadje dat je al van ver bovenaan de heuvel ziet liggen. In Italië hebben ze het dan over een città balcone, waar je onderweg telkens beloond wordt met mooie uitzichten over het omliggende landschap. Bij helder weer kijk je van de Monti Sibillini tot richting Adriatische Zee.
Wanneer je door Recanati wandelt, kom je onvermijdelijk op Piazza Giacomo Leopardi terecht. Het standbeeld van de man naar wie het plein is genoemd staat er centraal, vlak bij de Torre del Borgo. Giacomo Leopardi is een van de grote Italiaanse dichters, schrijvers en filosofen. Hij werd hier in 1798 geboren en zijn aanwezigheid hangt nog altijd over de stad.
De heuvels rond Recanati worden ook wel de Colli dell’Infinito genoemd. Die naam verwijst uiteraard naar L’infinito, het bekendste gedicht van Leopardi. Hij liet zich inspireren door Monte Tabor en door het landschap dat zich rond Recanati uitstrekt. De eerste regel van het gedicht prijkt trots op een van de muren van Recanati. Wie wil, mag zich gerust zelf even aan een vertaling wagen.
Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.
Een wandeling richting Colle dell’Infinito is dan ook sterk aangeraden. Daar kijk je uit over de heuvels die Leopardi mee inspireerden. Je hoeft daarom geen kenner van Italiaanse poëzie te zijn. Gewoon even blijven staan en kijken volstaat. De schoonheid van Marche zal je alweer verbazen.
En wie na al dat mijmeren opnieuw met beide voeten op de grond wil staan, zoekt een terras of een eenvoudige aperitivo. Dat mag ook. Zelfs in de stad van de oneindigheid moet een mens af en toe iets drinken.
Lago di Fiastra en Lame Rosse: eindigen tussen water en rode rotsen
Als we het over oneindigheid en Marche hebben, kunnen we niet anders dan ook de Monti Sibillini te melden. We sluiten deze tweede reeks hidden gems dan ook af in deze onwaarschijnlijk mooie omgeving. Het Nationaal Park Monti Sibillini is ongeveer 70.000 hectare groot en ligt deels in Marche en deels in Umbria. Aan de kant van Marche kiezen we voor Lago di Fiastra en Lame Rosse in het noordelijke deel van het nationaal park. Hier zijn het water, bos, rotsen en wandelschoenen de hoofdingrediënten. Een goede conditie is er een grote troefkaart.
Lago di Fiastra is een helder bergmeer dat ontstond door de bouw van een dam op de rivier Fiastrone. Het water kan er bijna onwerkelijk blauw kleuren, afhankelijk van het licht. Turkoois, donkerblauw, groenblauw, soms zelfs een beetje smaragd. Dat klinkt bizar, maar wie er ooit was, weet dat het meer effectief voortdurend van kleur lijkt te veranderen.
Je kan hier gewoon langs het water wandelen, zeker vanaf San Lorenzo al Lago richting de dam. Het pad is niet te moeilijk en geeft je onderweg mooie zichten over het meer. Wandelen minder je ding? Dan kan je er ook zwemmen, suppen, kanoën of gewoon ergens aan de oever gaan zitten en doen alsof je een zeer actieve vakantiedag hebt gepland.
Voor wie iets meer inspanning wil, is de wandeling naar Lame Rosse de echte reden om hierheen te rijden. De tocht vertrekt aan de dam van Lago di Fiastra. Je wandelt over de dam, gaat door een tunnel en klimt daarna verder door bos en langs de kloof. De route heen en terug is ongeveer zeven kilometer lang, met een hoogteverschil van ongeveer tweehonderdvijftig meter. Dat is haalbaar voor de meeste wandelaars, maar goede schoenen en voldoende water zijn geen overbodige luxe. Zeker in de zomer vertrek je beter vroeg.
Na het bos kom je in een drogere bedding terecht en dan verschijnen plots de rode rotsformaties. Lame Rosse wordt weleens de canyon van Marche genoemd. De rotsen bestaan uit grind, klei en slib en zijn door erosie uitgesleten tot spitsen, torens en grillige wanden. Rood, oker, droog en scherp afgetekend tegen de lucht.
Maak er gerust een volle dag van. Eerst vroeg wandelen naar Lame Rosse, daarna iets eten in de buurt van San Lorenzo al Lago of langs het meer. Osteria del Lago is een klassieke optie voor wie stevig wil lunchen. Wie het eenvoudiger wil houden, kan kijken of Il Solengo open is, een foodtruck aan het meer waar je broodjes en craft beer vindt. Daarna nog even het water in of gewoon met zicht op Lago di Fiastra blijven zitten.
Daar kan je nog wat turen in de verte, misschien ook een beetje denkend aan Gradara, de stop die we uiteindelijk niet opnamen omdat ze ons te ver van deze route zou brengen. Het verhaal van Paolo en Francesca, een verboden liefde die je gerust een voorloper van Romeo en Julia zou kunnen noemen, wordt traditioneel met Gradara verbonden en kreeg een onsterfelijke plaats in Dantes Inferno, Canto V.
Galeotto fu ’l libro e chi lo scrisse:
quel giorno più non vi leggemmo avante.
Reeds verschenen in deze reeks:
- Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
- Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
- Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
- De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
- Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland

Filed under: J(ust) F(or) F(un), Vini Italiani | Tagged: acqualagna, cagli, furlo, Italian wine ambassador, lago di fiastra, lame rosse, Marche, montacassiano, montelupone, monti sibillini, recanati, rocca roveresca, urbania, urbino, wijn, wijnkennis |
Geef een reactie