Giro d’Italia 2026, rit 4: Lamezia DOC in Calabria

Enkele dagen geleden is de 109de Giro d’Italia van start gegaan in Bulgarije. We volgen deze koers steeds met de nodige aandacht en breien er dit jaar een blogreeks aan vast. We doen dat vanaf het moment waarop de Giro Bulgarije achter zich laat en Italië binnenkomt. Per rit proberen we een minder bekende appellatie uit de omgeving in de kijker te zetten.

Wij pikken in bij rit 4, op dinsdag 12 mei. De etappe brengt ons van Catanzaro naar Cosenza. We zitten dus in Calabria, helemaal in de teen van de laars. De rit gaat vanuit Catanzaro richting Lamezia Terme en volgt daarna een flink stuk de Tyrreense kust. Daarmee komen we vanzelf uit bij een appellatie die perfect in deze reeks past: Lamezia DOC.

Lamezia DOC

Lamezia DOC werd officieel erkend in 1978. Het is een kleine appellatie van amper 10 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van ongeveer 700 hectoliter. Omgerekend gaat het om ongeveer 93.000 flessen.

De appellatie ligt in een bijzonder smal deel van Calabria. Aan de westkant ligt de Tyrreense Zee, terwijl de Ionische Zee aan de andere kant van de regio relatief dichtbij blijft. Zee, wind en heuvels zitten hier dus dicht op elkaar.

De DOC ligt in de provincie Catanzaro en omvat delen van negen gemeenten: Curinga, Falerna, Feroleto Antico, Gizzeria, Francavilla Angitola, Maida, Pianopoli, Lamezia Terme en San Pietro a Maida. De naam verwijst naar Lamezia Terme, de stad die pas in 1968 ontstond door de samenvoeging van Sambiase, Nicastro en Sant’Eufemia.

Het productiegebied strekt zich uit rond de Piana di Sant’Eufemia, aan de zuidelijke voet van het Massiccio del Reventino. Een deel van de wijngaarden ligt in de vlakkere kustzone en op de alluviale gronden langs de waterlopen. Andere wijngaarden liggen hoger, op de heuvels rond Lamezia Terme, Falerna, Gizzeria, Maida en Curinga. De hoogteligging loopt daardoor van bijna zeeniveau in de vlakte tot enkele honderden meters in de heuvels. Binnen de afbakening van de DOC worden zelfs punten boven 600 meter vermeld.

Bodem en klimaat

Geologisch gaat het vooral om sedimentaire bodems. In grote lijnen kan je twee omgevingen onderscheiden. Enerzijds zijn er de jonge afzettingen van de kustvlakte en de alluviale bodems langs de waterlopen. Anderzijds zijn er de hoger gelegen, terrasvormige afzettingen rond de vlakte. Die hoger gelegen percelen zijn vaak beter gedraineerd en kunnen voor kwaliteitswijnbouw interessanter zijn.

Het klimaat is mediterraan, met duidelijke invloed van zee en wind. De regen valt vooral in de winter, met december als natste periode. Juli is doorgaans de droogste maand. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 16 graden. In de zomer kan de warmte stevig zijn, maar de nabijheid van de Tyrreense Zee, de luchtstromen door de smalle doorgang tussen zee en reliëf en de hoger gelegen wijngaarden helpen om de druiven gezond te houden en voldoende frisheid te bewaren.

Rode wijnen

De rode wijnen vormen in de praktijk het zwaartepunt van Lamezia DOC. De gewone Lamezia rosso vertrekt vooral van Gaglioppo, Magliocco, Greco Nero en Marsigliana. Voor Lamezia rosso moeten Gaglioppo en Magliocco, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend uitmaken. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk goed zijn voor 25 tot 45 procent. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

Daarnaast bestaan er ook twee rode wijnen met druifvermelding: Lamezia Gaglioppo en Lamezia Greco Nero. In beide gevallen moet minstens 85 procent van het vermelde druivenras worden gebruikt. Gaglioppo brengt vaak rood fruit, kruidigheid, structuur en duidelijke tannine. Greco Nero kan de wijn wat donkerder, voller en kruidiger maken. Marsigliana is minder bekend, maar geeft de blend een uitgesproken lokaal accent.

De rosso riserva moet minstens 18 maanden rijpen. Daarvan gebeuren minstens 12 maanden in houten vaten, gevolgd door 6 maanden flesrijping. De rijping wordt gerekend vanaf 1 december van het oogstjaar. Dit type wijn zoekt meer structuur, rijpheid en bewaarpotentieel op dan de gewone rosso.

Witte wijnen

De witte wijnen van Lamezia DOC zijn minder bekend. De basis ligt vooral bij Greco Bianco en Montonico Bianco, lokaal Mantonico genoemd. Voor Lamezia bianco moet Greco Bianco minstens 50 procent van de blend vormen. Voor Lamezia Greco loopt dat op tot minstens 85 procent Greco Bianco.

Greco Bianco kan wijnen geven met geel fruit, mediterrane kruiden, soms wat amandel en een zekere hartigheid. De naam zorgt soms voor verwarring, want dit is niet dezelfde Greco als de druif die we kennen van Greco di Tufo in Campania. In Lamezia gaat het om Greco Bianco, een druif die in Calabria een eigen plaats inneemt en hier de basis vormt voor verschillende witte wijnen. De wijnen zijn doorgaans droog en combineren rijpheid met frisheid en een smaakvolle afdronk. Lamezia Greco, met minstens 85 procent Greco Bianco, zet die druif nog duidelijker centraal.

Voor Lamezia Mantonico moet minstens 85 procent van dit druivenras worden gebruikt. Het kan wijnen opleveren met body, kruidigheid, een hartige toets en soms een licht bittertje in de afdronk.

Rosato, novello, passito en spumante

Rosato wordt binnen Lamezia DOC gemaakt op basis van dezelfde druivenstructuur als de rode wijnen. Gaglioppo en Magliocco vormen, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk 25 tot 45 procent uitmaken. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

De DOC voorziet ook een novello. Dat is de jonge, fruitige rode variant binnen de appellatie. Hij wordt gemaakt volgens de regels voor vino novello en mikt vooral op frisheid, sappig fruit en snel drinkplezier.

Aan de andere kant van het spectrum staat passito, op basis van witte druiven. Daarvoor schrijft de DOC minstens 50 procent Greco Bianco en minstens 35 procent Mantonico voor. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druivenrassen. Dit is de zoete, geconcentreerde kant van Lamezia DOC.

Daarnaast zijn ook spumante en spumante rosato toegelaten. De witte spumante wordt gemaakt op basis van minstens 85 procent Greco Bianco, Mantonico of een combinatie van beide. Voor spumante rosato bestaat de basis uit minstens 85 procent Gaglioppo, Greco Bianco, Mantonico of een combinatie daarvan. Belangrijk detail: deze mousserende wijnen moeten via tweede gisting op fles worden gemaakt, dus volgens de metodo classico. Ze rijpen minstens negen maanden op de gisten en kunnen gaan van extra brut tot dry.

Nduja: de vurige smaakmaker uit Calabrië

Italië is rijk aan unieke streekproducten, elk met een heel eigen karakter. Hoe verder je naar het zuiden trekt, hoe pittiger de keuken vaak wordt. Peperoni duiken er haast overal op, van eenvoudige pastagerechten tot stevige vleesbereidingen. Maar wat is nu eigenlijk het pikantste ingrediënt dat Italië te bieden heeft? Grote kans dat het antwoord uit Calabrië komt: nduja.

Nduja, hoor ik je al denken, dat lijkt een schrijffout van een gezonde vloek te zijn. Best mogelijk dat je na het proeven van nduja wel degelijk enkele krachttermen gaat gebruiken. Nduja is immers een van die producten die je niet vergeet na een eerste kennismaking. Deze smeerbare, pittige worst uit Calabrië heeft iets ruws en direct, maar tegelijk ook iets bijzonder verleidelijks. Ze is vettig, kruidig, rokerig en scherp, maar vooral ongelooflijk smaakvol. Een kleine hoeveelheid volstaat om een gerecht een heel andere intensiteit te geven.

Een smeerbare salume

Nduja kaderen we binnen de grote familie van de Italiaanse salumi, al bezit het wel een heel eigen karakter. Het is een zachte, smeerbare en gefermenteerde varkenssalume uit Calabrië, meer bepaald uit Spilinga, een klein stadje in het zuiden van de regio, niet ver van de Tyrreense kust. De basis bestaat uit varkensvlees met een hoog vetgehalte, krachtig op smaak gebracht met Calabrische peper. Deze peper bepaalt het pittige karakter van nduja: hij zorgt voor de hitte, de dieprode kleur en die prikkelende, meteen herkenbare smaak.

Ook de naam heeft een geschiedenis. Vaak wordt een verband gelegd met het Franse andouille, mogelijk via het Huis Anjou, dat in de middeleeuwen over delen van Zuid Italië heerste. Daarnaast zijn er gelijkenissen met de Spaanse sobrasada, wat dan weer aan de Aragonese aanwezigheid in de regio doet denken. Boeren verkochten in die tijd de meest gegeerde delen van het varken, terwijl vet, snijresten en orgaanvlees voor eigen gebruik achterbleven. Door die te malen, stevig te kruiden, in een darm te stoppen en te laten rijpen, ontstond nduja.

Van vetgehalte tot rijping

Vergeleken met een klassieke droge worst is nduja een heel ander product. Waar de meeste salumi vooral steunen op mager vlees met een beperktere hoeveelheid vet, ligt die verhouding bij nduja bijna omgekeerd. Dat hoge vetgehalte verklaart waarom nduja ook na rijping zacht en smeerbaar blijft.

Voor de productie worden logischerwijze vooral vettere delen van het varken gebruikt, zoals guanciale, buik en schouder. In Calabrië worden daarnaast ook delen verwerkt die elders vaker voor ham of prosciutto dienen. Omdat het warme, drogere klimaat er minder geschikt is voor de klassieke productie van prosciutto, zocht men er andere manieren om vlees te conserveren. Precies uit die context groeide nduja uit tot een product met een heel eigen identiteit.

Voor nduja worden fijngemalen varkensvlees en vet vermengd met zout en een royale hoeveelheid gemalen Calabrische peper. Traditioneel ging dat mengsel in een stevige darm, meer bepaald een deel van de dikke darm van het varken. Die omhulsels konden groot en zwaar zijn en moesten vervolgens weken of zelfs maanden rijpen. Vandaag gebruikt men vaker kleinere formaten, die praktischer zijn in de winkel en thuis in de keuken.

Na het vullen laat men nduja eerst fermenteren in een warme ruimte. Tijdens die fase ontstaat die licht zurige, wat rebelse smaak die het product mee zijn eigen karakter geeft. Vervolgens rijpt ze verder in een koelere ruimte, waar haar smaak voller en dieper wordt.

Vroeger werd nduja vaak gerookt om bederf tegen te gaan. Intussen is dat vooral een kwestie van stijl en smaak. Sommige producenten kiezen nog altijd voor een duidelijk rokerig profiel, terwijl anderen het roken achterwege laten en meer nadruk leggen op het samenspel van vlees, zuur en peper.

Ook de rijping heeft invloed op nduja. Die duurt doorgaans enkele maanden, vaak ergens tussen twee en zes, afhankelijk van het formaat en de werkwijze van de producent. Vooral kleur en smaak evolueren daarbij duidelijk. Een jonge nduja is helderder rood en komt pittiger over. Naarmate ze langer rijpt, wordt de kleur dieper, richting baksteenrood, en krijgt de smaak meer rondeur. Ook het vlees en een eventuele rooktoets komen dan nadrukkelijker naar voren.

Steeds bekender buiten Calabrië

Nduja heeft lang een bescheiden reputatie gehad. Dat had wellicht te maken met haar oorsprong in een arme, landelijke keuken. Lange tijd bleef ze vooral een streekproduct dat buiten Calabrië amper bekend was. Daar is de voorbije jaren duidelijk verandering in gekomen. In restaurants duikt ze steeds vaker op, van pizza en geroosterd brood tot pastasauzen. Ook gespecialiseerde delicatessenzaken nemen haar vaker op in het assortiment. Wat vroeger moeilijk te vinden was, is vandaag een stuk toegankelijker geworden.

Wie nduja koopt, let best even op de samenstelling. Anders dan sommige andere Italiaanse specialiteiten heeft nduja geen strikt beschermde status. Daardoor loont het om de ingrediëntenlijst te bekijken. Goede nduja bestaat doorgaans uit varkensvlees, zout en Calabrische pepers. Die eenvoudige basis is belangrijk, want niet alles wat als nduja verkocht wordt, benadert het origineel. Producten die allerlei snijresten van andere charcuterie verwerken, missen vaak het typische karakter.

Nduja aan tafel

Nduja dankt haar culinaire waarde in de eerste plaats aan haar textuur. Door haar hoge vetgehalte is ze zacht, smeerbaar en bijzonder eenvoudig te verwerken. Zodra ze warmte krijgt, lost ze bijna volledig op in een gerecht. Net daardoor is ze zo bruikbaar in de keuken. Een kleine hoeveelheid volstaat vaak al om een bereiding meer kracht en karakter te geven.

Die eigenschap maakt nduja ook zo flexibel in gebruik. Voeg je haar vroeg toe aan een hete pan, dan vermengen peper, vet en vleessappen zich met de rest van het gerecht. Zo ontstaat een kruidige basis voor bijvoorbeeld tomatensaus, peulvruchten of een stoofpot. Roer je haar pas op het einde door een bereiding, dan blijft haar smaak nadrukkelijker op de voorgrond. Beide werkwijzen zijn interessant, maar ze leiden tot een ander eindresultaat.

Vooral in pastagerechten zie je goed wat nduja kan doen. In tomatensaus verdwijnt ze haast volledig, maar tegelijk wint de saus aan body en intensiteit. Ze brengt pit, vlezigheid en een subtiele rokerige toets samen in één geheel. Daardoor werkt nduja niet alleen als kruiding, maar ook als smaakversterker.

De eenvoudigste manier om haar te leren kennen blijft wellicht ook de beste. Op warm, geroosterd brood komt haar karakter meteen tot zijn recht. De warmte maakt haar nog smeuïger en met wat kaas erbij krijg je een combinatie die tegelijk eenvoudig en bijzonder doeltreffend is.

Daar stopt het natuurlijk niet. Nduja voelt zich ook thuis op pizza, in bonengerechten, bij gestoofde kool, in soep of zelfs in mayonaise. Ook in groentegerechten doet ze het verrassend goed. Met een beperkte hoeveelheid breng je al snel extra smaak in een bereiding, zonder dat je veel vlees hoeft te gebruiken. Juist dat maakt haar ook zo bruikbaar in een gewone thuiskeuken.

Zelfs met zeevruchten kan nduja verrassend goed werken. De combinatie met krab is daar een mooi voorbeeld van. Het fijne, zoete vlees krijgt door nduja meer reliëf, terwijl het vet voor afronding zorgt. Ook met mosselen of andere zeevruchten kan dat goed werken, zolang je maar met mate doseert.

Recept: Fusilloni met nduja, pecorino en zee-egel

Wie door het lezen van dit artikel zin heeft gekregen om zelf aan de slag te gaan met nduja, geef ik graag dit gastronomisch recept mee. De pittige kracht van nduja wordt hier gekoppeld aan de ziltige finesse van zee-egel en de hartige diepte van pecorino. Dat levert geen alledaagse pasta op, wel een bord waarin nduja meer doet dan alleen wat vuur toevoegen.

Voor 4 personen

300 g fusilloni
80 g vlees van zee-egel
16 datterini tomaten
10 g suiker
zout
extra vierge olijfolie
2 teentjes knoflook
basilicum
tijm
marjolein
1 citroen
3 liter water
50 g nduja
250 g geraspte pecorino, middelmatig gerijpt

Bereiding

  • Pel de datterini tomaten en snijd ze doormidden. Leg ze in een ovenschaal en kruid met olijfolie, zout, één teentje knoflook, wat citroenschil, suiker, tijm en marjolein. Laat ze vervolgens twee uur garen in een oven van 75 graden.
  • Breng één liter water aan de kook met de nduja en laat dit inkoken tot ongeveer 250 milliliter. Zeef het vocht en houd het apart.
  • Breng daarna twee liter water aan de kook met de pecorino en blijf voortdurend roeren zodat de kaas haar smaak aan het vocht afgeeft. Laat dit mengsel vervolgens een nacht rusten in de koelkast. Tegen de ochtend zal de kaas zich op de bodem hebben afgezet. Zeef dan enkel het vocht en laat dit verder inkoken tot ongeveer 500 milliliter.
  • Voeg het ndujavocht en het pecorinovocht samen.
  • Verhit in een pan wat olijfolie met het tweede teentje knoflook en voeg de datterini tomaten toe. Haal de knoflook er daarna weer uit en schenk het samengevoegde vocht erbij. Proef en breng verder op smaak met zout.
  • Kook de fusilloni eerst halfgaar in gezouten water. Laat de pasta daarna verder garen in de saus van nduja en pecorino.
  • Meng op het einde de zee-egel en wat basilicum voorzichtig door de pasta. Serveer meteen.

Meer dan een krachtterm

Nduja laat zich niet eenvoudig samenvatten als een smeerbare salume, een pittige smaakmaker of een typisch Calabrisch streekproduct. Dat klopt allemaal, maar het volstaat eigenlijk niet. Daarvoor is nduja te direct, te eigenzinnig en te pittig. Wat in eerste instantie bijna klinkt als een schrijffout van een gezonde vloek, blijkt vooral een product met karakter te zijn. Het geldt voor velen als een van de pittigste producten die Italië culinair te bieden heeft. Of dat echt zo is, daar kan je over discussiëren. Dat er goede redenen zijn om die stelling ernstig te nemen, staat dan weer buiten kijf. Proef en ondervind.

Ook praktisch heeft nduja iets dankbaars. Ongeopend is ze goed houdbaar en eens aangesneden blijft ze in de koelkast nog lang bruikbaar, zolang je het snijvlak goed afdekt. Door haar hoge vetgehalte kan je haar ook in kleine porties invriezen, handig als je telkens maar een beetje nodig hebt. Kleurt het oppervlak na een tijd wat donkerder, dan is dat meestal gewoon oxidatie en volstaat het om het buitenste laagje weg te snijden. Eén aandachtspunt blijft wel belangrijk: vet neemt gemakkelijk geuren op, dus een plek naast een halve ui is geen goed idee.

Cirò Classico DOCG – Een historisch moment voor Calabria

Mogen we het een verrassing noemen dat Calabria op 18 juli 2025 met Cirò Classico de goedkeuring kreeg als 78ste DOCG van Italië? Voor velen ongetwijfeld wel, maar voor mij persoonlijk iets minder. Begin mei 2025 stelde ik tijdens een aflevering van de Italian Wine Podcast (beluister de podcast) de vraag aan professor Attilio Scienza welke nieuwe DOCG’s hij in het vizier had. In dat gesprek schoof ik zelf al Cirò naar voren als kanshebber, samen met Casauria uit Abruzzo.

Dat mijn voorspelling zo snel zou uitkomen, had ik echter niet verwacht. In alle eerlijkheid dacht ik dat de eerste nieuwe DOCG-titel naar Etna zou gaan. Daarover gonzen de geruchten immers al jaren. Toch viel de eer aan Calabria te beurt, en wel aan Cirò Classico, het vlaggenschip van de regio en een van de oudste appellaties van Italië.

Met de toekenning van de status tot DOCG is een mijlpaal bereikt voor Calabria, dat tot voor kort een van de weinige regio’s zonder DOCG-erkenning was. Nu blijven enkel Valle d’Aosta, Alto Adige/Trentino, Ligurië en Molise achter. Deze stap geeft producenten en consumenten een helder kader: strengere regels zorgen voor meer herkomstkarakter en vooral krijgt de inheemse Gaglioppo de nodige erkenning.

Oorsprong en geschiedenis

De wijnbouw in Cirò gaat diep terug tot in de tijd van de Griekse kolonies die zich in Zuid Italië vestigden. In oude verhalen duikt de naam Krimisa op, een wijn die volgens de overlevering werd aangeboden aan de overwinnaars van de Olympische Spelen in het nabijgelegen Crotone. In diezelfde stad werd de beroemde atleet Milon vereerd, die zijn triomfen volgens de mythe graag vierde met de wijn van zijn geboortestreek. Of dit volledig historisch klopt of niet, Cirò draagt het aura van een wijn die vanaf het begin verbonden was met roem en symboliek.

Ook in middeleeuwse bronnen blijft de wijn van Cirò opduiken, vaak genoemd als een product dat tot ver buiten Calabrië werd gewaardeerd. Tijdens de Normandische en later de Angevijnse heerschappij werd Cirò beschreven als een van de meest prestigieuze wijnen van het zuiden, een vast onderdeel van wat toen al werd gezien als Calabria felix: een vruchtbaar en welvarend land.

Eeuwenlang speelde de inheemse druif Gaglioppo de hoofdrol. Deze druif, uniek voor Calabria, bleek bijzonder goed bestand tegen de hete zomers en droge omstandigheden. De zandige, kalkrijke bodems, in combinatie met de nabijheid van de Ionische zee en de beschermende heuvelruggen van de Sila, vormden een terroir dat perfect aansloot bij zijn karakter.

Cirò werd zo de krachtpatser van Calabria, een wijn die door de eeuwen heen symbool bleef staan voor de eigenheid van de regio. In de twintigste eeuw kreeg hij internationale bekendheid, onder meer toen hij in 1968 werd geserveerd als officiële wijn van de Olympische Spelen in Mexico. Daarmee sloot de cirkel zich haast op poëtische wijze: van geschenk voor atleten in de klassieke oudheid tot olympische wijn van de moderne tijd.

Vandaag vormt Cirò nog steeds de ruggengraat van de Calabrische wijnbouw. Met de bekroning tot DOCG wordt die eeuwenoude continuïteit officieel erkend, en krijgt Cirò een plaats in de hoogste regionen van de Italiaanse wijnhiërarchie.

De naam, wat staat er nu op het etiket

De officiële aanduiding luidt Cirò Classico DOCG. Het woord Classico verwijst naar het historische kerngebied, de heuvels rond Cirò en Cirò Marina, waar de wijn al eeuwenlang wordt gemaakt. Het gaat dus niet om een nieuw territorium, maar om een verstrakking van de vroegere DOC: enkel het meest authentieke deel van de productie, met strengere regels en hogere eisen, mag voortaan de DOCG-status dragen.

Belangrijk detail: alleen de Cirò Rosso Riserva is verheven tot Cirò Classico DOCG. De overige wijnen – Cirò Bianco, Rosato, Rosso, Rosso Classico, Rosso Classico Superiore en Rosso Superiore blijven binnen de DOC. Zo wordt duidelijk afgebakend welke wijn het visitekaartje vormt van de regio, en welke stijlen een ondersteunende rol behouden.

De regels, helder op een rij

In het nieuwe disciplinare voor Cirò Classico DOCG worden de regels en de voorwaarden streng en precies omschreven:

Stijl: uitsluitend rode, droge wijn
Druiven: minimaal 90% Gaglioppo, aangevuld met maximaal 10% Magliocco en of Greco Nero, internationale rassen zijn uitgesloten
Herkomst: druiven moeten volledig afkomstig zijn uit de gemeenten Cirò en Cirò Marina
Aanplant in de wijngaard: minimaal 4.000 stokken per hectare, in traditionele vormen als alberello of cordone speronato
Opbrengst: maximaal 80 quintalen (8 ton) druiven per hectare
Rendement: maximaal 70%
Alcohol: druiven moeten een natuurlijk alcoholpotentieel van minstens 13% bezitten
Rijping: minimaal 36 maanden vanaf 1 januari na de oogst, waarvan minstens 6 maanden in hout
Vinificatie en botteling: verplicht binnen het productiegebied, met beperkte historische uitzonderingen
Sensorische en analytische kenmerken bij verkoop: kleur robijnrood tot granaat, aroma intens en complex met rood fruit en specerijen, smaak droog, vol en harmonieus, minimaal alcohol 13%, totale zuurgraad minstens 4,5 g/l, extract minstens 27 g/l
Verpakking: uitsluitend glazen flessen met klassieke sluiting, kunststofdoppen zijn verboden

Hoe proeft Cirò Classico DOCG

Cirò Classico DOCG bezit een robijnrode kleur die met de jaren kan evolueren naar granaat. In de neus vinden we rijp rood fruit, kruidigheid en soms een vleugje aardse of mediterrane tonen. In de mond is de wijn droog en stevig, gedragen door stevige tannine en ondersteund door een frisse aciditeit en een mooie lengte. Met rijping komt er meer zachtheid en complexiteit bij, maar zonder dat de robuuste ruggengraat verdwijnt. Het alcoholgehalte ligt minimaal op 13 procent en wordt in de betere wijnen mooi ingebouwd in de structuur, wat zorgt voor harmonie en balans.

En nu met z’n allen op zoek naar een Cirò Classico DOCG

Zo eenvoudig zal dit niet zijn! De officiële erkenning kwam er in 2025 en de wijn moet minimaal 36 maanden rijpen. Het zal dus nog even duren voor we de eerste flessen Cirò Classico DOCG effectief in de rekken zien en dus in ons glas kunnen zien verschijnen.

De viering van de nieuwe DOCG werd trots zichtbaar tijdens het 18de Cirò Wine Festival. Drie dagen lang kleurden proeverijen, masterclasses, e-bike tochten, muziek en diners onder de sterren de straten van Cirò en Cirò Marina. Het hoogtepunt kwam op 10 augustus, toen de hele gemeenschap in de Saraceense markten het glas hief. Het was meer dan een feest, het was een collectieve toost op verleden, heden en toekomst en op de kracht van Calabrische wijn.

Nu is het wachten op nummer 79! Wordt het Etna of toch nog Casauria? De geruchtenmolen draait alvast op volle toeren.

Italiaanse wijnavonden – Deel 6

Aan alle goede dingen komt helaas een einde. Zo ook aan onze Italiaanse wijnavonden. Gedurende 6 vrijdagavonden nam ik 13 wijn-dorstige gelijkgestemde zielen mee in dit Italiaans avontuur. Afsluiten deden we op de meest zuiderse wijze…Campania, Puglia, Basilicata, Calabria en de eilanden Sicilia en Sardegna kwamen aan bod. Strenge schoolmeester zijnde had ik al een waarschuwend vingertje opgestoken dat de stijl van de wijnen abrupt zouden veranderen en dat we van de typische hoge zuurtegraad, die vele Italiaanse wijnen zo kenmerken, wel eens exemplaren zouden kunnen treffen die net een tekort aan die zo broodnodige eigenschap hebben. Het evenwicht zou met andere woorden wel eens zoek kunnen zijn.

Maar toch was het alweer likkebaarden geblazen. Eén van mijn favoriete regio’s stond immers op het programma: Campania!! Met graagte laat ik de ’tranen van Christus’ aan me voorbij gaan. Lacryma Christi in wit wordt gemaakt van (hoofdzakelijk) de Coda di Volpe druif, wat zoveel als vossenstaart betekent. Dit is werkelijk zoiets als ‘What’s in a name’… 😉
Neen ik kijk vol verlangen uit naar die andere mooie witte parels die komen uit het land om en rond de Vesuvius. Greco bijvoorbeeld of die andere hoogstaande druif, Fiano!! Dit zijn werkelijk druiven die de allermooiste witte wijnen uit Italië kunnen maken. Meer dan terecht dat ze bekroond werden met een DOCG! Onbegrijpelijk echter dat sommige andere witte wijnen op gelijke voet worden geplaatst met dit hoogstaand wit genot!!
Zelfs van de Falanghina worden betere wijnen gemaakt dan pakweg van de Albana di Romagna…
Is er dan geen rood te vinden in Campania? Oh jawel…Eén van de Italiaanse topdruiven is hier heerser. Aglianico zorgt voor krachtpatsers in onder andere de Taurasi DOCG. Je leest her en der wel eens dat hij de grote broer is van de Barolo of de Barbera. Tja, een mens leest zoveel 😉

Wat kunnen we er nog treffen ginds in het zuiden? Bulkwijn…heel veel bulkwijn. Ongeveer 90% van de druiven zijn bestemd voor distillaten of voor grote coöperaties. De kwaliteitswijn die op de markt wordt gebracht kent de laatste jaren echt wel een meer dan gestage groei. Zeer mooie resultaten zien we van de Primitivo’s en Negroamaro’s uit Puglia, Aglianico heeft nog een tweede thuis op de flanken van de Vulture vulkaan in Basilicata. Canonnau laat u bij wijlen de Franse Grenaches vergeten met ontroerende resultaten op Sardegna. En dan is er ten slotte nog Sicilia!! Heerlijke wijnen van de Nero d’Avola en de laatste jaren steeds betere en betere resultaten van de Syrah. Vooral de blends tussen deze 2 druiven zijn zeer te pruimen 😉
In alle bescheidenheid moet ik je vragen Calabria te vergeten als wijngebied. Mooi vakantiegebied en de wijntjes zullen ginds ongetwijfeld kunnen bekoren. Laat ze echter ginds ;-).

De proeftafel had opnieuw 8 wijnen te bieden…althans in theorie! Mijn gasten druppelden binnen en het ene na het andere flesje werden mij toevertrouwd. Zelf had ik ook nog wat voor de afterparty opzij gezet. Enkele wijnen die bij de voorbije avonden de mist in gingen en die ik wou rechtzetten. Zo hadden we een gekurkte Dolcetto en was de Barbera niet echt optimaal. Er was dus een nieuwe Dolcetto en ik had nog 2 Barbera’s voorzien (was er toch niet eentje opnieuw gebeten door die donderse kurkduivel zeker!).

Starten deden we braafjes met een Vermentino di Gallura Van Piero Mancini. De prijs van de Primo kwam helemaal niet overeen met het resultaat in het glas. Eerlijke en correcte wijn, een beetje gebrek aan de nodige zuren. Nadien volgde het Di Meo Festijn met de Greco di Tufo en de Fiano di Avellino. Manmanman, wat is die Greco toch een heerlijke druif!!! Fris en toch vol van smaak, bomvol mineralen, heerlijk lang uitgesponnen en dan die afdronk…pure zeste van sinaas en mandarijn. Stilte…nog eens proeven…stilte…goedkeurend gemopper! Dan weet je dat het goed zit :-).
De Fiano ging op hetzelfde elan verder, opnieuw de frisse volheid, de mineralen maar een andere afdronk. Meer kruidigheid ook in ons glas. Yeah…wit Campania had zijn naam meer dan gemaakt!!

Met goed gemoed konden we het rood aanvangen. Opnieuw viel Piero Mancini door de mand. Dit keer met de Canonnau di Sardegna. Gelukkig had één van mijn gasten ook voor een Canonnau gezorgd. De Dule van Gabbas was van een hele andere kwaliteit. Het moet gezegd zijn dat ook de prijs het dubbele was van de eerste fles…maar toch!
Hoofdstuk Puglia dan maar met het fijne en kwaliteitsdragende Schola Sarmenti. Ik had in de officiële degustatie de Roccamora (Negroamaro uit Nardo DOC) en de Cubardì Primitivo voorzien. Beide wijnen zijn totaal uiteenlopend. De Roccamora is een geweldige Negroamaro, een ware fruitexplosie. Voor de meesten de verrassing van de avond. De Primitivo was verfijnd en elegant, 2004 reeds en verre van versleten. Dit is Primitivo zoals hij hoort te zijn! Achteraf kwam er nog een andere Negroamaro de Nerio en een zoete Primitivo (verrassend mooi).

Afsluiten deden we met een pure Nero d’Avola van Sallier de la Tour en uiteraard een Taurasi DOCG. De Sciliaan viel tegen…ik ken de wijn al lang en hij draagt niet langer meer. Spijtig want dit was ooit super.
Voor de Taurasi gingen we terug naar Di Meo. Eentje van het jaar 2001 en voor het eerst gedurende de avond hadden we discussie. Heerlijk voor één, niet goed voor de ander. Proef hem een keertje en laat me jullie bevindingen maar weten 😉

En zo doken we met de nodige pollo de avond in! Het moet gezegd zijn dat ‘La Mamma‘ blij haar applaus in ontvangst nam. Tevens ben ik een tevreden man. Op geen moment had ik met een mopperende bende te maken. En blije en vrolijke gezichten, genietend van al dat moois. Het niveau van de groep was uitermate hoog. Dat maakt het natuurlijk makkelijker en menig discussie werd gevoerd…steeds met het nodige respect voor de ander zijn mening. Dit is het waar wijnproeven voor moet staan…Plezier, vreugde, dorst naar kennis, dorst naar deze godendrank…maar steeds met de nodige ernst en respect voor elkaar.

Ohja…Luc werd verkozen tot de “neus” van de avonden. Hij verdiende dan ook de rosé bubbels van Berlucchi (Franciacorta). Als bij wonder stond hij echter gekoeld en waren er ’toevallig’ champagneglazen voorhanden 😉

Bravissimo e Grazie!! Alla Prossima Volta!