Alto Piemonte op zondag: Fara, Sizzano en de grote DOC’s

Hoewel we onze tijd namen om Alto Piemonte te verkennen, moet je toch keuzes maken. Je kan helaas niet aan elke appellatie dezelfde aandacht schenken. Nu ja, je kan dit uiteraard wel, maar dan moet je er ook wel degelijk de tijd en ruimte voor vrijmaken.

Bij de voorbereiding aan het thuisfront werd al vlug duidelijk dat Fara en Sizzano, ik zal niet zeggen het vijfde wiel aan de wagen, toch minder prominent in beeld werden gebracht in de diverse artikels en websites die we doornamen in functie van onze ontdekkingstocht.

Ik besloot me hier dan ook bij aan te sluiten en er niet dezelfde tijd voor uit te trekken als ik voor de andere appellaties wel had gedaan. Een wijze beslissing, zo bleek eens we ginds waren. Je cruiset zo door de dorpjes zonder dat je er zelfs erg in hebt. We besloten daarom van de hoofdweg af te gaan en wat meer de hoogte en de wijngaarden op te zoeken. Sporadisch kwamen we deze tegen, maar we waren al wat blij eens we in Ghemme zaten.

Misschien hebben we hierdoor de hoofdkern van Fara en Sizzano gemist, maar dat gevoel had ik helemaal niet. Ook tijdens ons bezoek aan de Enoteca in Gattinara waren deze wijnen in de minderheid. Fara stond er niet eens tussen.

Uiteraard nemen we ze wel degelijk mee op in onze blogreeks, want ze horen hier eenvoudigweg in thuis. We nemen hierbij ook de twee ruimere appellaties mee op: Coste della Sesia en het nog ruimere Colline Novaresi.

Fara, klein is hier werkelijk klein

Ten zuiden van Ghemme, aan de oostelijke zijde van de Sesia, liggen Fara Novarese en Briona. Samen vormen ze het productiegebied van Fara DOC. De appellatie bestaat sinds 1969 en behoort vandaag tot de kleinste van Alto Piemonte.

Amper vijf hectare groot, goed voor een jaarlijkse productie van ongeveer 135 hectoliter wijn. Omgerekend spreken we over nauwelijks 18.000 flessen per jaar. Netjes verdeeld onder vijf producenten!

De wijngaarden liggen op een langgerekte heuvelrug die van noord naar zuid loopt, op een hoogte van ongeveer 180 tot 300 meter. De bodem is van fluvioglaciale oorsprong en werd gevormd door afzettingen afkomstig van het Monte Rosa massief. Klei en zand worden er afgewisseld met grind en rolstenen. Op het plateau zijn de bodems dieper en bevatten ze meer klei, terwijl ze op de hellingen losser en steniger worden. Daarmee verschilt Fara duidelijk van de vulkanische ondergrond die we eerder in Boca, Bramaterra en Gattinara tegenkwamen.

Voor Fara DOC moet Nebbiolo, hier uiteraard ook Spanna genoemd, 50 tot 70 procent van de assemblage uitmaken. Vespolina en Uva Rara nemen samen 30 tot 50 procent voor hun rekening. Daarnaast mag maximaal 10 procent andere toegelaten niet aromatische blauwe druiven worden gebruikt.

De wijn moet minstens 22 maanden rijpen, waarvan 12 maanden op hout. Voor Fara Riserva loopt dat op tot 34 maanden, waarvan minstens 20 maanden op hout.

Door het relatief grote aandeel Vespolina en Uva Rara krijgt Fara een ander profiel dan een zuivere Nebbiolo. Rode vruchten, florale aroma’s en kruidigheid komen naast de zuren en tannine van Nebbiolo te staan. De wijnen kunnen daardoor relatief vroeg toegankelijk zijn, zonder het typische karakter van Alto Piemonte te verliezen.

Geen wonder eigenlijk dat er geen fles te vinden was in de Enoteca van Gattinara!

Sizzano, op weg naar Ghemme

Wie vanuit Fara opnieuw noordwaarts richting Ghemme rijdt, passeert Sizzano zonder dat hij het beseft. Ook hier hebben we te maken met een historische appellatie waarvan vandaag bijzonder weinig wijn wordt geproduceerd. Toeval of niet, we vinden exact dezelfde oppervlakte aan wijngaarden als in Fara: amper vijf hectare. De productie ligt met 170 hectoliter net iets hoger. Met negen producenten die er actief zijn, is het wijngaardwerk in Sizzano vlug uitgevoerd.

Dat kleine Sizzano genoot ooit nochtans een stevige reputatie. In 1845 stuurde de Novarese senator Giacomo Giovanetti een staal van de wijn naar Camillo Benso di Cavour. Die was behoorlijk onder de indruk en zag in Sizzano het bewijs dat Piemonte wijnen van hoog niveau kon voortbrengen. Voor het karakter van de wijn zocht hij de vergelijking bovendien eerder in Bourgogne dan in Bordeaux. Een aardig visitekaartje voor een appellatie die vandaag amper vijf hectare telt.

Sizzano kreeg zijn DOC in 1969. Het productiegebied beperkt zich tot de gemeente Sizzano en de wijngaarden liggen op de heuvels, tussen ongeveer 200 en 350 meter hoogte.

De geologie is van fluvioglaciale oorsprong en de bodems zijn behoorlijk complex samengesteld. Op het overwegend kleirijke plateau vinden we oude afzettingen uit het Pleistoceen, met een heterogene samenstelling van onder meer klei, leem, grind en rolstenen.

De samenstelling van Sizzano lijkt sterk op die van Fara. Nebbiolo vertegenwoordigt 50 tot 70 procent. Vespolina en Uva Rara vullen samen 30 tot 50 procent aan, terwijl maximaal 10 procent andere toegelaten niet aromatische blauwe druiven mag worden toegevoegd.

De verplichte rijping bedraagt minstens 22 maanden, waarvan 16 maanden op hout. Voor de Riserva zijn dat 34 maanden, waarvan 24 maanden op hout.

Sizzano levert een vrij klassieke stijl van Alto Piemonte op, met rood fruit, florale aroma’s, specerijen, frisse zuren en aanwezige tannine.

Coste della Sesia, het vizier gaat open

Rondom en tussen de diverse gemeentelijke appellaties van Alto Piemonte liggen nog twee uitgestrektere gebieden die een grotere lading dekken en veel minder strikt in herkomst beperkt zijn. Coste della Sesia en Colline Novaresi bestrijken grote delen van het gebied waar de wijnbouw ooit veel omvangrijker was dan vandaag.

De wijngaarden van de Coste della Sesia DOC strekken zich uit over delen van de provincies Biella en Vercelli, aan de westelijke zijde van de Sesia. Ze liggen er op een hoogte van 200 tot 600 meter.

Het is een relatief jonge DOC, die bestaat sinds 1996 en een gebied omvat waarin we ondertussen enkele oude bekenden tegenkomen. Lessona en Bramaterra liggen er volledig binnen, terwijl ook rond Gattinara wijngaarden onder Coste della Sesia kunnen worden geklasseerd. De grenzen van de verschillende denominaties overlappen dus gedeeltelijk.

Coste della Sesia biedt veel meer vrijheid op het vlak van druivenrassen, assemblage en stijl. Jonge wijngaarden, druiven uit verschillende percelen of een wijn die bewust vroeger op de markt wordt gebracht, kunnen hier een plaats krijgen.

Die vrijheid zien we ook in de verschillende wijntypes. Coste della Sesia kan als Rosso, Rosato en Bianco worden geproduceerd. De witte wijn wordt gemaakt van de lokale Erbaluce, die we beter kennen van de Erbaluce di Caluso DOCG.

Voor Rosato en Rosso is het logischerwijs opnieuw aan Spanna om de wijn te dragen. In beide gevallen moet Nebbiolo minstens 50 procent van de assemblage uitmaken. De rest mag worden aangevuld met andere blauwe druivenrassen die binnen het productiegebied zijn toegelaten. Vespolina, Uva Rara en Croatina zijn daarbij de rassen die we binnen Alto Piemonte het vaakst tegenkomen.

Je kan hier ook wijnen vinden met de naam van de druif op het etiket, zoals Coste della Sesia Nebbiolo, Vespolina of Croatina. Dan moet het vermelde druivenras voor minstens 85 procent aanwezig zijn. Voor Uva Rara gaat die vlieger niet op.

We zien momenteel de Coste della Sesia wijnen meer en meer op de markt verschijnen. Ergens is dit de normaalste zaak van de wereld. Nu de regio nieuwe producenten aantrekt, kan deze benaming perfect als kapstok dienen voor hun eerste wijnen of voor wijnen die niet onmiddellijk voldoen aan de strengere regels van de gemeentelijke appellaties.

Vind je een producent wiens Coste della Sesia uitmuntend is, hou die dan in de gaten. Die zou in de toekomst wel eens hoge ogen kunnen gooien wanneer ook de wijnen onder de gemeentelijke appellatie op de markt verschijnen!

Colline Novaresi, de grote paraplu aan de overkant

Steken we de Sesia opnieuw over, dan komen we terecht in het gebied van Colline Novaresi. Deze DOC bestaat sinds 1994 en vervult aan de oostelijke zijde van de rivier ongeveer dezelfde functie als Coste della Sesia aan de westelijke kant.

Het productiegebied is bijzonder uitgestrekt en omvat tientallen gemeenten in de provincie Novara. Binnen datzelfde geografische gebied liggen ook Ghemme, Boca, Fara en Sizzano. De wijngaarden liggen op een hoogte van 180 tot 550 meter.

Ook hier krijgen producenten aanzienlijk meer speelruimte. Colline Novaresi kan worden geproduceerd als Rosso, Rosato en Bianco. De Bianco bestaat voor 100 procent uit Erbaluce. Voor zowel Rosso als Rosato moet Nebbiolo, of Spanna, minstens 50 procent van de assemblage uitmaken. De overige 50 procent mag worden ingevuld met andere niet aromatische blauwe druivenrassen die in Piemonte zijn toegelaten.

Daarnaast kan de naam van het druivenras op het etiket verschijnen. Dat kan voor Nebbiolo of Spanna, Vespolina, Uva Rara, Croatina en Barbera. In dat geval moet het vermelde druivenras minstens 85 procent van de wijn uitmaken.

In grote lijnen zijn de overeenkomsten met Coste della Sesia dus behoorlijk groot. De ligging verschilt uiteraard en ook bij de druivenrassen zien we andere accenten. Vooral Uva Rara krijgt aan deze zijde van de Sesia een prominentere plaats. Dat zagen we eerder al in de assemblages van de gemeentelijke appellaties en hier kan ze zelfs afzonderlijk als Colline Novaresi Uva Rara op de markt worden gebracht.

Het grote verschil zit vooral in de oppervlakte. Colline Novaresi telt ongeveer 246 hectare wijngaarden en strekt zich een flink stuk verder noordwaarts uit. Coste della Sesia blijft met ongeveer 44 hectare een stuk kleiner. Ook naar het zuiden toe is de ruimte voor uitbreiding van Coste della Sesia beperkt. De heuvels maken er vrijwel meteen plaats voor de vlakten waar de rijstvelden het landschap overnemen.

En dan is er nog een verschil dat we waarschijnlijk in het subjectieve vak moeten steken. Mijn ervaring leert me dat onder Colline Novaresi ook behoorlijk wat minder serieuze wijnen op de markt komen. Wijnen die ik persoonlijk liever niet vereenzelvig met de kwaliteit waartoe Alto Piemonte in staat is. Dat is uiteraard een persoonlijk standpunt, maar wel eentje dat ik hier wil meegeven.

Onze kaart is compleet

Het was een enorm boeiende en vooral leerrijke ontdekking om de wijngebieden van Alto Piemonte van dichtbij te bestuderen. Ik heb er enorm lekkere wijnen geproefd, strenge exemplaren leren kennen en wijnen ontdekt die nog flink wat geduld vragen, maar de toekomst voor zich hebben.

Ik kan dan ook enkel maar reikhalzend uitkijken naar wat Alto Piemonte ons in de toekomst nog zal bieden.

Onze kaart van Alto Piemonte is daarmee volledig ingekleurd. Ook de puzzel van die kleine maar veelbelovende appellaties hebben we in elkaar gestoken. Ons verhaal is daarmee bijna ten einde.

Bijna, want helemaal in het westen wacht nog ƩƩn buitenbeentje: Carema.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends
  5. Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG
  6. Alto Piemonte op zondag: Ghemme, Spanna op klei en keien
  7. Alto Piemonte op zondag: Lessona en een oude zeebodem
  8. Boca en Bramaterra: de comeback van twee kleine DOC’s

Boca en Bramaterra: de comeback van twee kleine DOC’s

Net zoals bij Lessona lagen de verwachtingen voor Boca en Bramaterra bij ondergetekende bijzonder hoog. Mijn eigen proefervaringen speelden daarbij mee, net als de vele positieve commentaren die mijn wijnvrienden de afgelopen paar jaar hadden meegegeven.

Boca was trouwens onze eerste stop. Correctie: onze tweede, want we waren ’s morgens vroeg vertrokken richting Carema om ons vandaaruit echt in Alto Piemonte te nestelen. De eerste indrukken waren zeer positief. Een klein centrum weliswaar, maar verzorgd en duidelijk in het teken van de wijn. Al gauw zaten we op de juiste weg en reden we midden tussen de wijngaarden. Hier moesten we dus zijn!

De schaal heb je wel vlug door: zowel Boca als Bramaterra zijn kleine appellaties en inhoudelijk bijzonder interessant. Net als Gattinara en Ghemme liggen ook deze twee appellaties aan weerszijden van de ‘droogstaande’ Sesia. En dat levert wel degelijk twee verschillende wijnen op. Boca ligt hoger en koeler en focust sterker op Spanna. Bramaterra is uitgestrekter, kent een ander bodemprofiel en ook een licht ander klimaat.

Het was trouwens middag toen we arriveerden en mijn hangry vrouw, Rosy, had al lang een doelwit uitgekozen om te lunchen. Ik kon niet wachten om die lunch in te zetten met een lokale wijn. Het zou trouwens doodzonde zijn dit restaurant verborgen te houden. Osteria Ori Pari Bistrot kan ik iedereen blindelings aanbevelen. Het was misschien wel een van de beste ontdekkingen tijdens heel onze Piemontereis. Ik zou graag de link naar hun restaurant toevoegen, maar die zal je naar Facebook leiden. Doe ik dan liever niet.

Van porfier tot bodemmozaĆÆek

Boca ligt ten noordoosten van Gattinara, rond het dorp Boca en delen van Maggiora, Cavallirio, Prato Sesia en Grignasco. De wijngaarden bevinden zich op heuvels vanaf ongeveer 300 meter en kunnen oplopen tot 500 Ơ 600 meter. Daarmee behoort Boca tot de hoger gelegen wijngebieden van Alto Piemonte. De producenten vertellen ons graag over de vele bossen die we er vandaag treffen. Volgens hen zou dit vroeger grotendeels ƩƩn aaneengesloten wijngaardgebied geweest zijn.

We kunnen er ons qua bodemgesteldheid gemakkelijk vanaf maken en zeggen dat deze uit vulkanisch porfier bestaat. Maar dat zou niet helemaal correct zijn! Porfier speelt er een belangrijke rol, samen met verweerd vulkanisch materiaal. Daarnaast komen zand, klei en moreneafzettingen met onder meer graniet en ander gesteente voor. Zelfs binnen de kleine appellatie verschillen ligging en expositie behoorlijk. De hoogte en de koele lucht zorgen voor uitgesproken verschillen tussen dag en nacht, waardoor Nebbiolo hier langzaam kan rijpen en zijn zuren goed bewaart.

Ook binnen zo’n kleine appellatie duiken enkele wijngaardnamen geregeld op. Mottosergo, Meridiana, Valvecchi en Traversagna behoren tot de locaties die als bijzonder geschikt worden beschouwd. Montalbano is dan weer interessant vanwege zijn oude wijngaarden die volgens het traditionele Maggiorina systeem zijn aangelegd, met stokken die deels meer dan honderd jaar oud zijn. Ook Vigna Cristiana behoort tot de historische wijngaarden van Boca.

Om door te rijden naar Bramaterra moet je westelijker gaan. Maak je dezelfde fout als ik en geef je Bramaterra in je gps in, dan zal je geen reactie krijgen. Bramaterra is immers geen dorp, maar de naam van een wijngebied dat zeven gemeenten omvat: Masserano, Brusnengo, Curino, Roasio, Villa del Bosco, Sostegno en Lozzolo. De appellatie bestrijkt daardoor een veel ruimer en geologisch minder uniform gebied.

Die verschillen zijn binnen Bramaterra dan ook duidelijk zichtbaar. Rond Masserano vinden we rotsachtige, ijzerrijke porfierbodems. Brusnengo is warmer en wordt beschouwd als een interessante plaats voor Croatina. Villa del Bosco heeft donkerdere bodems met onder meer kwarts, terwijl Lozzolo geologisch dichter aansluit bij Gattinara. Bramaterra laat zich daardoor moeilijk vastpinnen op ƩƩn exact bodemprofiel. Het gemeenschappelijke vertrekpunt bestaat uit oude, zure bodems waarin porfier sterk aanwezig is.

Waar Boca enkele uitgesproken single vineyards kent, ligt dat in Bramaterra minder voor de hand. Toch bouwen bepaalde locaties steeds duidelijker een eigen reputatie op. In Masserano duiken vooral Cottignano en Pian di Peu op, terwijl in Brusnengo Cavazucchi op de heuvel Mesola en het historische Robino interessante referentiepunten zijn.

Spanna krijgt wat meer gezelschap

Boca kreeg zijn DOC in 1969. Nebbiolo, hier uiteraard Spanna genoemd, moet 70 tot 90 procent van de assemblage uitmaken. De resterende 10 tot 30 procent bestaat uit Vespolina en Uva Rara, afzonderlijk of samen. Croatina komt wel voor in het gebied, maar maakt geen deel uit van de toegelaten assemblage voor Boca DOC.

We hebben een gewone Boca en een Boca Riserva. De klassieke Boca moet minstens 34 maanden rijpen, waarvan 18 maanden op hout. Voor Boca Riserva loopt dat op tot 46 maanden, waarvan minstens 24 maanden op hout. Die lange rijping is echt wel noodzakelijk voor deze wijnen die van nature veel zuren en voldoende tannine bezitten om verder te ontwikkelen op fles.

Tien jaar later, in 1979, volgde de Bramaterra DOC. Mocht je bij een Boca al tot 30 procent met andere druiven dan Spanna werken, dan gaat Bramaterra nog wat verder, tot de helft van de assemblage. Het is te zeggen, dat kan en is helemaal niet verplicht. Om correct te zijn moet Nebbiolo hier slechts 50 tot 80 procent van de wijn uitmaken. Croatina mag tot 30 procent worden gebruikt, terwijl Uva Rara en Vespolina samen maximaal 20 procent mogen vertegenwoordigen. Het aandeel Croatina is dus wel wezenlijk anders dan in de appellaties die we tot op heden hebben besproken.

De gewone Bramaterra moet minstens 22 maanden rijpen, waarvan 18 maanden op hout. Voor een Riserva bedraagt dat 34 maanden, met minstens 24 maanden houtrijping. De minimumrijping is dus korter dan in Boca, al kiezen verschillende producenten in de praktijk voor een langere opvoeding.

Uiteenlopende smaken!

Zowel Boca als Bramaterra krijgen dus meer speelruimte om een assemblagewijn te maken. Het is dan ook logisch dat de wijnen van deze twee appellaties behoorlijk uiteenlopende eigenschappen in het glas kunnen tonen.

De reputatie van Boca is de afgelopen jaren duidelijk gestegen en de wijnen behoren ondertussen tot de meest uitgesproken van Alto Piemonte. De kleur blijft vrij transparant, zoals we van Nebbiolo verwachten, maar de geur kan bijzonder complex zijn. Rood bosfruit, viooltjes, kruiden en citrus komen regelmatig terug. Vooral bloedsinaasappel wordt opvallend vaak opgemerkt. Met flesrijping verschijnen meer aardse tonen, tabak en gedroogde kruiden.

In de mond vallen vooral de levendige zuren op. De tannine kan jong duidelijk aanwezig zijn, maar blijft meestal zeer fijn van structuur. De hogere ligging en het relatief koele klimaat geven Boca een strakke smaaklijn. Goede Boca heeft voldoende concentratie, maar behoudt door zijn hoge zuren en fijne tannine altijd veel spanning en frisheid.

Bramaterra is minder gemakkelijk onder ƩƩn smaakprofiel te vatten. Daarvoor verschillen de zeven gemeenten en hun bodems te sterk. Bij het proeven keren enkele kenmerken toch regelmatig terug. Rode bessen, donkere kersen, kruiden en peper worden gecombineerd met aardse en soms licht rokerige toetsen. Bij sommige wijnen komen daar uitgesproken minerale en vlezige toetsen bij.

De grotere rol van Croatina geeft Bramaterra vaak iets meer kleur en een bredere smaak dan Boca. De zuren blijven duidelijk aanwezig en zorgen ervoor dat de wijn zijn frisheid behoudt. Ook deze wijnen kunnen jong al interessant zijn en tegelijk zonder problemen verder rijpen.

Overlevers!

Dat zowel Boca als Bramaterra overlevers zijn, is nog zacht uitgedrukt! Boca kwam echt wel bijzonder dicht bij volledige verdwijning. In de negentiende eeuw stonden hier duizenden hectares wijngaard. Tegen het begin van de jaren negentig bleven nog amper ongeveer tien hectare over.

Ondertussen is het tij duidelijk gekeerd. Boca telt vandaag ongeveer 27 hectare wijngaard. En het is volgens de lokale geluiden nog groeiende. Ook het aantal actieve producenten is opnieuw gegroeid, al blijft het vandaag om slechts een handvol domeinen gaan.

Een beslissende rol in de heropbouw van Boca was weggelegd voor Christoph Künzli. De Zwitserse wijnhandelaar leerde Boca eind jaren tachtig kennen en proefde oude wijnen van Antonio Cerri, een van de laatste producenten in het gebied. Van Antonio Cerri nam hij diens kleine wijngaard, kelder en oude voorraden over. Daarna volgde jarenlang het samenbrengen van kleine percelen. Voor de uitbouw van Le Piane waren uiteindelijk tientallen afzonderlijke grondaankopen nodig.

Le Piane groeide zo uit tot het referentiedomein van Boca. De Boca van Le Piane wordt hoofdzakelijk uit Nebbiolo en Vespolina samengesteld en rijpt jarenlang in grote houten vaten. Künzli werkt daarnaast nog met oude wijnstokken en met percelen waar de historische Maggiorina snoeiwijze bewaard bleef. Podere ai Valloni vormt een andere belangrijke historische naam. Hun Vigna Cristiana was in 1970 de eerste officieel geregistreerde wijngaard van de appellatie.

Bij Bramaterra was de terugval misschien niet zo drastisch als bij Boca, maar ook deze appellatie ontsnapte niet aan de enorme achteruitgang die Alto Piemonte in de twintigste eeuw trof. Vandaag spreken we opnieuw over ongeveer 60 hectare, wat relatief groot is voor een appellatie in Alto Piemonte, maar nog altijd slechts een fractie van wat het ooit was. De echte wederopbouw is trouwens vrij recent, want in 2017 stond nog maar ongeveer 25 hectare wijngaard geregistreerd.

Net als in Boca is er ook in Bramaterra een belangrijke rol weggelegd voor een van de voortrekkers van deze heropleving. In dit geval Cristiano Garella. Hij was nog bijzonder jong toen hij in het gebied begon en werd later betrokken bij zowel Colombera & Garella als Le Pianelle. Bij Colombera & Garella werkt hij samen met Giacomo Colombera, wiens familie al druiven in Bramaterra bezat.

Le Pianelle ontstond vanaf 2004 toen Dieter Heuskel samen met Peter Dipoli grond begon te kopen in Bramaterra. Garella sloot later als partner aan. Oude, verwilderde wijngaarden werden hersteld en opnieuw in productie gebracht.

Het respect voor deze overlevers wordt alleen maar groter eens je de wijnen in het glas hebt gehad!

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends
  5. Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG
  6. Alto Piemonte op zondag: Ghemme, Spanna op klei en keien
  7. Alto Piemonte op zondag: Lessona en een oude zeebodem

Alto Piemonte op zondag: Ghemme, Spanna op klei en keien

Gattinara en Ghemme worden vaak in ƩƩn adem genoemd. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komt dit omdat het de twee DOCG appellaties van Alto Piemonte zijn. Bovendien grenzen ze aan elkaar en worden ze enkel gescheiden door de Sesia. Hoewel de afstand tot Gattinara beperkt is, is de stijl van de wijn toch anders.

Beide plaatsen liggen amper 10 kilometer uit elkaar. In principe is dat niet echt verwonderlijk, want alle appellaties van Alto Piemonte liggen als het ware op een steenworp van elkaar. Toch belanden we hier in een andere wereld. Alleen al door de Sesia over te steken, komen we in een andere provincie terecht. Met Ghemme belanden we immers in Novara, terwijl Gattinara in Vercelli ligt. De DOC Ghemme werd erkend in 1969, twee jaar na Gattinara. In 1997 volgde de promotie naar DOCG.

Ghemme mag dan wel de tweede grote naam zijn, een bezoek aan het dorp is zo voorbij. Het heeft een klein centrum en buiten het bord dat aangeeft dat Ghemme deel uitmaakt van de wijngebieden van Alto Piemonte, doet weinig vermoeden dat je hier in een vooraanstaand wijngebied bent terechtgekomen.

Dat wil helemaal niet zeggen dat er geen grandeur te vinden is. Wij hielden halt bij Ioppa, een van de grotere producenten in Ghemme. Ze beschikken over een mooi uitgerust proeflokaal waar je terechtkunt en met de glimlach wordt verder geholpen.

Op een plateau van ijs en water

De productiezone van Ghemme omvat delen van de gemeenten Ghemme en Romagnano Sesia. De wijngaarden bevinden zich tussen 220 en 400 meter hoogte en liggen op de heuvels die zich boven de vlakte van de Sesia verheffen. Hun ontstaan is rechtstreeks verbonden met de gletsjers die tijdens het Pleistoceen vanuit het massief van Monte Rosa naar het zuiden kwamen.

De bodems van Ghemme worden vaak eenvoudigweg omschreven als morenegronden. Dat is eigenlijk wat te kort door de bocht. Hier vinden we een combinatie van glaciale en alluviale afzettingen. Bij het smelten en terugtrekken van de oude gletsjers werden enorme hoeveelheden gesteente en sediment achtergelaten en verplaatst. Ook waterlopen en de Sesia speelden vervolgens een rol in de verdere afzetting van fijner materiaal.

Onder de wijnstokken vinden we daardoor een behoorlijk bont mengsel van klei, leem, zand en keien, met daarin onder meer graniet, kwarts en ander verweerd gesteente. Vooral de hoeveelheid klei is kenmerkend voor Ghemme. De combinatie met het door de Sesia aangevoerde slib maakt de bodems bovendien vruchtbaarder en rijker aan voedingsstoffen en organisch materiaal dan in veel andere delen van Alto Piemonte.

Ook binnen Ghemme zijn de verschillen duidelijk. Op het plateau is de bodem dieper, compacter en rijker aan klei. Naar de westelijke hellingen toe wordt hij losser en steniger en neemt het aandeel zand en keien toe. Een vrij kleine appellatie blijkt daardoor behoorlijk wat variatie in zijn bodems te herbergen.

Binnen Ghemme genieten enkele afzonderlijke wijngaarden een bijzondere reputatie, zonder dat er een officiƫle cruclassificatie bestaat. Collis Breclemae behoort tot de bekendste. Daarnaast worden onder meer Collis Carellae en Signore di Bayard afzonderlijk gebotteld als belangrijke wijngaardselecties.

Spanna staat centraal

Nebbiolo, of Spanna zoals hij hier traditioneel wordt genoemd, moet minstens 85 procent van een Ghemme DOCG uitmaken. De resterende 15 procent mag bestaan uit Vespolina en Uva Rara, afzonderlijk of samen. Croatina is niet toegestaan. Een Ghemme mag uiteraard ook volledig uit Nebbiolo bestaan.

Een Ghemme DOCG moet minimaal 34 maanden rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moeten minstens 18 maanden op hout plaatsvinden. Voor een Riserva loopt de minimale rijping op tot 46 maanden, waarvan minstens 24 maanden op hout. De gewone Ghemme mag ten vroegste op 1 september van het derde jaar na de oogst op de markt komen, voor een Riserva wordt dat 1 september van het vierde jaar.

De maximale opbrengst bedraagt 8 ton druiven per hectare. De druiven moeten bij de oogst een minimaal natuurlijk alcoholpotentieel van 12% vol. bereiken. Voor een Riserva ligt dat op 12,5% vol.

Als een producent de naam van een specifieke wijngaard op het etiket wil vermelden, gelden strengere voorwaarden. De vermelding vigna wordt gevolgd door een toponiem of historische wijngaardnaam. De betreffende wijngaard moet minstens zeven jaar oud zijn, de maximale opbrengst daalt naar 7,2 ton druiven per hectare en het minimale natuurlijke alcoholpotentieel stijgt naar 12,5% vol. De wijn uit dat perceel moet bovendien afzonderlijk worden gevinifieerd en bewaard.

Hoe smaakt een Ghemme?

Ghemme is in zijn jeugd vaak een behoorlijk stevige wijn. De tannine kan nadrukkelijk aanwezig zijn en wordt gedragen door frisse zuren. Vooral in de meer geconcentreerde wijnen zorgt dat voor een strakke structuur die enige flesrijping goed kan gebruiken.

In het fruit keren kers en donkere kers regelmatig terug, aangevuld met rode en donkere bessen. Daarnaast behoren viooltjes, gedroogde bloemen, kruiden en peper tot het typische aromatische register. In sommige Ghemme duikt ook een toets van zoethout op.

De kleirijke bodems spelen mee in het karakter van de wijn. Ze leveren vaak Ghemme met meer gewicht en een stevigere tannine. Toch blijft de wijn doorgaans vrij verticaal en fris. Vooral die combinatie van spanning, uitgesproken zuren en een behoorlijke hoeveelheid tannine geeft Ghemme zijn herkenbare karakter.

Ghemme heeft bovendien tijd aan zijn kant. Met flesrijping wordt de tannine zachter en verschuift het fruit naar gedroogde kers en ander gedroogd rood fruit. Tabak, gedroogde bloemen, bosgrond en donkere specerijen komen dan sterker naar voren. Ook een aardse toets en wat leder kunnen zich ontwikkelen.

De betere wijnen uit Ghemme kunnen gemakkelijk vijftien tot twintig jaar ouderen. Bij de beste wijnen en sterke oogstjaren kan dat nog aanzienlijk langer zijn. Vooral de combinatie van zuren, tannine en voldoende fruitconcentratie maakt dat mogelijk. Met de afsluiter van onze masterclass zullen we zelf kunnen testen of dat ook in de praktijk klopt. We openen er namelijk een twintig jaar oude Ghemme.

69 hectare en een twintigtal producenten

Met ongeveer 69 hectare wijngaarden blijft Ghemme een bijzonder kleine DOCG. Toch zijn er een twintigtal producenten actief. De productie blijft eveneens bescheiden. De meest recente productiecijfers komen uit op 2.227 hl Ghemme, goed voor omgerekend bijna 300.000 flessen.

De appellatie is de voorbije jaren wel gegroeid. Nog geen tien jaar geleden werd in verschillende bronnen amper 25 tot 35 hectare aan Ghemme toegeschreven. Vandaag ligt het effectief aangegeven areaal dus ongeveer dubbel zo hoog. De heropleving van Alto Piemonte laat zich hier misschien zelfs meer dan elders voelen.

Antichi Vigneti di Cantalupo behoort tot de historische referenties van Ghemme. De familie Arlunno is al generaties verbonden met de plaatselijke wijnbouw en bezit een belangrijk aandeel van de wijngaarden. Het domein beschikt bovendien over enkele van de bekendste percelen van de appellatie.

Ook Ioppa behoort tot de gevestigde namen. Het domein werd opgericht in 1852 en bleef doorheen verschillende generaties met Ghemme verbonden. Rovellotti kan nog verder terugkijken. De familie heeft roots in Ghemme die minstens tot het einde van de vijftiende eeuw teruggaan en maakt zijn wijn nog altijd in de kelders van het middeleeuwse Ricetto.

Daarnaast moeten we zeker ook melding maken van producenten zoals Torraccia del Piantavigna, Francesco Brigatti, Tiziano Mazzoni en Ca’ Nova. De laatste jaren kwamen daar verschillende nieuwe, voornamelijk kleine producenten bij.

De evolutie in Ghemme is duidelijk nog niet ten einde en blijft dus bijzonder interessant om te volgen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends
  5. Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG

Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG

We hebben de contouren van Alto Piemonte de voorbije drie zondagen voldoende geschetst. Laat ons eens wat meer in detail ontdekken welke appellaties er te vinden zijn en wat er zo specifiek aan is.

Ere wie ere toekomt en dus is de grootste aandacht weggelegd voor Gattinara DOCG. Gattinara ligt ten westen van de Sesia, in de provincie Vercelli. De DOCG beperkt zich volledig tot het grondgebied van de gemeente Gattinara. Met ongeveer 90 tot 100 hectare wijngaarden blijft het naar internationale normen piepklein, maar binnen Alto Piemonte behoort het tot de grotere en belangrijkste appellaties.

Als je Gattinara samen met de andere appellaties bezoekt, merk je ook dat dit het grootste en bedrijvigste dorpje is, want dat is het wel degelijk. Betekent dit ook dat Gattinara de uitstraling heeft van een wijndorpje? Verre van zelfs. Als je de Enoteca Regionale di Gattinara e dell’Alto Piemonte buiten beschouwing laat, zou je misschien zelfs verdwaald raken in je zoektocht naar wijn.

Moeilijk is dat niet, want vandaag wordt Gattinara DOCG door amper een veertiental producenten gemaakt. En ze hebben lang niet allemaal hun domein in Gattinara. Ironisch genoeg zijn in een omgeving als Alto Piemonte veertien producenten zelfs ‘veel’ te noemen. Bij de andere appellaties die we nog gaan bespreken, zal blijken hoe relatief dat begrip hier wel is.

Alles op ƩƩn heuvel

De wijngaarden van Gattinara liggen opvallend geconcentreerd op ƩƩn heuvel ten noorden en noordwesten van het dorp. Ze bevinden zich ruwweg tussen 300 en 480 meter hoogte. En met die heuvel komen we terecht bij wat we in het geografieartikel over Alto Piemonte al schreven. Dit is de vulkanische heuvel waarvan de oorsprong teruggaat tot de enorme vulkanische activiteit van ongeveer 280 miljoen jaar geleden.

De wijngaarden liggen er op zeer oude, zure en bijzonder arme bodems die zijn ontstaan uit de verwering van vulkanisch gesteente. Vooral porfier is kenmerkend. Het gesteente bevat veel ijzerhoudende mineralen, wat ook de roodachtige kleur van de bodem mee verklaart. Op verschillende plaatsen ligt het verweerde gesteente gewoon zichtbaar tussen de wijnstokken.

Die bodems bevatten nauwelijks kalk en weinig organisch materiaal. Ze zijn stenig en sterk drainerend, waardoor de wijnstok diep moet wortelen om voldoende water en voedingsstoffen te vinden.

Dat alle wijngaarden op ƩƩn heuvel liggen, betekent echter niet dat Gattinara ƩƩn homogeen terroir vormt. De heuvel kent verschillen in hoogte, expositie, hellingsgraad en de mate waarin het vulkanische gesteente is verweerd. Doorheen de geschiedenis kregen verschillende wijngaarden en zones dan ook een eigen naam. Osso San Grato, San Francesco, Molsino, Valferana en Lurghe behoren tot de bekendste.

Ze worden vaak de cru’s van Gattinara genoemd, al zijn het geen officieel afgebakende cru’s of MGA’s zoals we die in Barolo kennen. Verschillende van deze historische wijngaardnamen verschijnen vandaag wel op het etiket van afzonderlijke bottelingen.

Spanna steelt de show

Heel wat Gattinarawijnen die we tegenkomen, zijn monocƩpages van 100% Nebbiolo, of Spanna zoals hij hier traditioneel wordt genoemd. Nochtans hoeft dit niet zo te zijn, want Nebbiolo moet minstens 90 procent van een Gattinara DOCG uitmaken. Dat wil zeggen dat er een kleine ruimte is voor de andere toegelaten druivenrassen. Vespolina mag maximaal 4% van de assemblage uitmaken en Uva Rara maximaal 10%. Samen mogen ze nooit meer dan 10% vertegenwoordigen. Croatina is niet toegestaan voor een Gattinara DOCG.

Gattinara kreeg zijn DOC in 1967 en promoveerde in 1990 tot DOCG. Daarmee was het de eerste appellatie van Alto Piemonte die de hoogste Italiaanse herkomststatus kreeg.

Een Gattinara DOCG moet minimaal 35 maanden rijpen, waarvan minstens 24 maanden op hout. Voor een Riserva loopt de minimale rijping op tot 47 maanden, waarvan minstens 36 maanden op hout. De druiven voor een Gattinara moeten bij de oogst een minimaal natuurlijk alcoholpotentieel van 12% vol. bereiken. Voor een Riserva ligt dat op 12,5% vol.

Wat krijg je in het glas?

Gattinara behoort binnen Alto Piemonte tot de stevigere en rijpere wijnen. Verwacht daarbij geen donkere krachtpatser. De kleur is vrij transparant robijnrood en evolueert al vrij snel naar granaatrood.

In de neus staat rood fruit vaak centraal, met kers en framboos, aangevuld met rozen, viooltjes, kruiden en geregeld een aardse, rokerige of ijzerachtige toets. Vooral dat laatste wordt nogal eens met Gattinara geassocieerd. Met flesrijping verschuift het fruit meer naar de achtergrond en komen gedroogde bloemen, tabak, leer en aardse aroma’s nadrukkelijker naar voren.

De zuren zijn uitgesproken en de tannine is duidelijk aanwezig. In jonge wijnen kan die combinatie behoorlijk strak overkomen, al is de tannine vaak fijner dan het stevige profiel op het eerste gezicht doet vermoeden. Met enkele jaren flesrijping wordt die tannine zachter en komen fruit, zuren en kruidigheid meer bij elkaar.

De meeste Gattinarawijnen kunnen gemakkelijk enkele tientallen jaren verder ontwikkelen en oude flessen kunnen nog verrassend levendig zijn. Antoniolo heeft doorheen de jaren meermaals oude jaargangen uit de eigen kelders opnieuw op de markt gebracht en daarmee overtuigend aangetoond hoe goed Gattinara kan ouderen.

Zestig hectare in dezelfde handen

Met amper een veertiental producenten is het sowieso een kleine wereld, maar zelfs daarbinnen zijn de verhoudingen opmerkelijk. Travaglini bezit ongeveer 60 van de zowat 100 hectare wijngaard van Gattinara. EƩn familie heeft dus meer dan de helft van de appellatie in handen.

Travaglini werd internationaal ook het herkenbaarste gezicht van Gattinara. Het domein kreeg vanaf 1958 onder Giancarlo Travaglini zijn huidige vorm. Uit datzelfde jaar dateert de beroemde asymmetrische fles. Die vreemde vorm is tot onze verbazing een bewuste praktische keuze. De gebogen schouder houdt bij het uitschenken het bezinksel tegen, zodat een oudere Gattinara in principe rechtstreeks uit de fles kan worden geschonken. Het ontwerp schopte het zelfs tot de permanente collectie van het Museum of Modern Art in New York.

De andere historische referentie is Antoniolo, opgericht in 1948. Het domein was een pionier in het afzonderlijk bottelen van wijngaarden binnen Gattinara. Namen als Osso San Grato, San Francesco en Castelle kregen daardoor een eigen plaats op het etiket en hielpen mee om de verschillen tussen individuele wijngaarden zichtbaar te maken.

En dan is er Nervi, dat in 2018 plots opnieuw nadrukkelijk in de internationale belangstelling kwam te staan. Roberto Conterno, van het beroemde Barolohuis Giacomo Conterno, verwierf toen 90% van het historische domein. Dat was een behoorlijk duidelijk signaal. Een van de meest gerespecteerde producenten uit de Langhe zag voldoende potentieel in Gattinara om er zelf zwaar in te investeren.

Samen met onder meer Paride Iaretti, Franchino en enkele andere kleine producenten vormen deze domeinen vandaag een appellatie die numeriek nauwelijks iets voorstelt. Een kleine honderd hectare en een veertiental producenten, meer is Gattinara eigenlijk niet. De reputatie is een stuk groter dan de appellatie zelf.

De toekomst zal uitwijzen of de hernieuwde belangstelling voor Gattinara groot genoeg is om ook nieuwe producenten aan te trekken. Het potentieel is er alleszins!

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Tijdens onze zoektocht doorheen Alto Piemonte maakten we bewust halt in de enoteca van Gattinara. We wisten immers dat je daar niet alleen een grote selectie aan wijnen kon proeven en kopen, maar ook dat je er geholpen kon worden door Dottore Massimo Sacco. Deze man wordt beschouwd als een lokale encyclopedie voor de wijnen uit Alto Piemonte. We namen er onze tijd en lieten de man zijn verhaal doen over Spanna en zijn vrienden.

Spanna is hier de plaatselijke naam voor Nebbiolo en is zonder discussie de belangrijkste blauwe druif van Alto Piemonte. Maar er is een geschiedenis en zoals dat vaak gaat, wordt geschiedenis na verloop van tijd traditie. Dottore Sacco legde ons geduldig uit dat Vespolina in Alto Piemonte minstens even belangrijk wordt geacht als Nebbiolo. De druif hoorde dan ook van oudsher thuis in hun wijnen. Ook Uva Rara en Croatina behoren tot het historische druivenbestand van de streek.

De aloude gewoonte om deze druiven samen te blenden is door de toenemende populariteit van Nebbiolo misschien wat minder vanzelfsprekend geworden, maar ze is zeker niet verdwenen. Daarvoor zijn Vespolina, Uva Rara en Croatina te sterk verbonden met de geschiedenis van het gebied. In verschillende appellaties mogen ze vandaag nog steeds samen met Nebbiolo in de assemblage worden opgenomen. In sommige appellaties kan het gebruik van andere druiven naast Nebbiolo zelfs verplicht zijn.

Spanna is de naam!

Waar de naam Spanna precies vandaan komt, is voer voor discussie. Een van de verklaringen zoekt de oorsprong bij het Italiaanse woord spanna, de afstand tussen de top van de duim en die van de pink wanneer de hand volledig wordt opengespreid. De naam zou verwijzen naar de manier waarop de druiventrossen vroeger werden gemeten of naar hun vorm en omvang. Er circuleren nog andere verklaringen, maar geen daarvan heeft ooit echt overtuigend kunnen aantonen waar de naam vandaan komt. We blijven dus in het ongewisse.

Het is niet omdat Nebbiolo hier door het leven gaat onder een andere naam, dat de druif plots totaal andere eigenschappen zou bezitten. Zeker niet. Wat wel een feit is, is dat we hier voornamelijk te maken krijgen met de Michet variant van Nebbiolo, terwijl we in de Langhe, en meer bepaald in Barolo, vaak een mix hebben van Michet, Lampia en RosƩ. Die laatste werd lang beschouwd als een variant van Nebbiolo, terwijl RosƩ, als puntje bij paaltje komt, vandaag als een andere druif dan Nebbiolo wordt gezien.

Nebbiolo behoudt hier dan ook een aantal van zijn vertrouwde kenmerken. De druif geeft relatief weinig kleur, bezit van nature een stevige zuurgraad en kan behoorlijk wat tannine ontwikkelen. Aromatisch vinden we vooral rood fruit, rozen, viooltjes en kruiden, met verdere flesrijping aangevuld met meer aardse en kruidige aroma’s. Het typische Barolo ā€œtar and rosesā€ hebben we hier minder. Vooral de ontwikkeling van dat uitgesproken teeraroma blijft wat achterwege.

De echte herkomst van Nebbiolo is nog steeds niet volledig blootgelegd. Dat de druif niet geboren is in de omgeving waar ze vandaag haar grootste uitstraling heeft, namelijk Barolo en Barbaresco, lijkt ondertussen wel duidelijk. Lange tijd werd vermoed dat we voor haar oorsprong bij de buren in Lombardije moesten zijn, meer bepaald in Valtellina. Hoewel ze er in Valtellina nog altijd van overtuigd zijn dat Nebbiolo daar geboren is, wordt er steeds harder gefluisterd dat haar roots in het noorden van Piemonte liggen.

Of dat exact Alto Piemonte is of nog noordelijker, in de Valle Ossola waar ze als Prünent door het leven gaat, moet verder ontrafeld worden. Dottore Sacco heeft alvast zijn verdict klaar: volgens hem is Gattinara de geboorteplaats van Nebbiolo.

Vespolina brengt peper mee

Het was zo grappig dat ik moeite had om niet in een lachbui uit te barsten toen Dottore Sacco me een foto liet zien van een druiventros waarop een wesp zat. Dat is Vespolina en de naam is afgeleid van de aanwezige wesp, vertelde hij met een dusdanige sƩrieux dat ik geen andere optie had dan bevestigend te knikken.

Nu, van de begeleidende druiven is Vespolina ongetwijfeld de interessantste om afzonderlijk te bekijken. Ze is genetisch verwant aan Nebbiolo en komt vandaag vooral voor in Noord Piemonte en in het nabijgelegen Oltrepò Pavese. In de provincies Novara en Vercelli werd ze ook Nespolino genoemd. Ughetta, een naam die je eveneens geregeld tegenkomt, hoort historisch vooral thuis in Oltrepò Pavese.

Vespolina kan voor extra fruit zorgen, maar haar meest herkenbare bijdrage zit in haar aroma’s. Naast florale tonen van roos en viooltjes heeft ze dikwijls een uitgesproken peperige kruidigheid. Vespolina bevat relatief veel rotundone, dezelfde aromatische verbinding die onder meer verantwoordelijk is voor het typische peperaroma van Syrah en Schioppettino.

Dat peperige karakter kan een assemblage met Nebbiolo behoorlijk interessant maken. Het geeft extra kruidigheid en aromatische complexiteit zonder het karakter van Nebbiolo volledig over te nemen. Bovendien zorgt Vespolina voor wat extra kleur, iets wat bij de van nature blekere Nebbiolo mooi meegenomen is.

Hoewel we haar vooral kennen als onderdeel van assemblages, wordt Vespolina tegenwoordig ook steeds vaker afzonderlijk gevinifieerd. Bij ons afscheid van de enoteca kregen we een fles Vespolina 2012 van Pietro Cassina cadeau en er werd ons op het hart gedrukt dat de wijn, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog volledig intact zou zijn. We zijn dus benieuwd!

Uva Rara als figurant

Om eerlijk te zijn heb ik liever dat Uva Rara bij haar oude naam Bonarda Novarese wordt genoemd. We hebben het echter niet voor het zeggen en dus nemen we de druif op zoals ze vandaag in Alto Piemonte voorkomt en officieel wordt genoteerd. Uva Rara dus!

Rara heeft niets te maken met het feit dat de druif een rariteit zou zijn. Neen, Rara verwijst vermoedelijk naar de losse structuur van de tros, waarbij de bessen verder uit elkaar staan. Uva Rara kwam vroeger behoorlijk verspreid voor in Noord Piemonte en Oltrepò Pavese, al is haar aanplant ondertussen sterk verminderd.

Uva Rara zelf heeft een vrij bescheiden kleurkracht en een gematigde zuurgraad. Haar bijdrage ligt eerder bij haar geurige karakter en de toegankelijkheid van de wijn. Florale aroma’s zijn typisch en in een assemblage kan ze de strengere kant van Nebbiolo wat verzachten.

De druif heeft nog steeds haar plaats en is opgenomen in verschillende disciplinari, maar haar belang in de assemblages is duidelijk naar de achtergrond verdwenen. We zien ze dan ook steeds minder opduiken als aanvulling bij Spanna en Vespolina.

Croatina als blendalternatief?

Een koppigaard, een druif met een hoekje af, vaak dronken omwille van de alcohol… ik kan nog wel een tijdje doorgaan met Croatina enkele koosnaampjes toe te dichten. An sich doe ik dat omdat ik de druif wel kan pruimen. Toevallig ook een van de fruitige aspecten van Croatina.

Wordt ze veel gebruikt? Neen, het is echt wel als aanvulling dat ze wordt gebruikt. En dan nog is dat vooral sporadisch. Soms heb je de indruk dat de druif wat wint aan populariteit, maar ik laat me vertellen dat het geen gemakkelijke is om mee samen te werken. Niet enkel in het glas bezit de druif koppige eigenschappen. Ook in het veld durft ze wel eens de lastigaard uit te hangen.

Veelal kennen we de druif als Bonarda uit Oltrepò Pavese. Hallo verwarring met Uva Rara! Maar historisch heeft ze wel degelijk haar plaats in Alto Piemonte.

Laten we de positieve eigenschappen eens benoemen. De druif heeft aanzienlijk meer kleur dan Nebbiolo en brengt donkerder fruit mee. Croatina kan behoorlijk wat tannine leveren en heeft soms een wat vegetaal karakter. Bij voldoende rijpheid kan dat vegetale juist voor een mooie fraƮcheur in het aromatische profiel zorgen. In de juiste verhouding geeft ze een assemblage extra volume, kleur en stevigheid.

In Bramaterra wordt de druif nog vrij frequent gebruikt. Elders is haar aandeel vaak eerder symbolisch.

Van assemblage naar solo

Maar waarom kreeg Nebbiolo in Alto Piemonte historisch eigenlijk Vespolina, Uva Rara en Croatina naast zich? De blik in de ogen van Dottore Sacco verraadde duidelijk dat hij deze vraag meermaals had gekregen Ʃn dat hij het antwoord erop kon geven!

Allora, devi comprendere, nel tempo il clima era totalmente differente. Più freddo… het klimaat was vroeger dus heel anders dan nu. Veel kouder, waardoor Nebbiolo het moeilijk had om elk jaar tot een ideale rijpheid te komen. Vespolina en de andere rassen stonden vaak gemengd in de wijngaarden en konden in moeilijkere jaren aanvullen waar Nebbiolo tekortkwam.

Dat bleek uiteindelijk ook in de kelder goed te werken. De verschillende druiven vulden Nebbiolo mooi aan met extra kleur, fruit, kruidigheid en parfum. Wat in de wijngaard deels uit noodzaak was ontstaan, bleek dus ook in de fles een bijzonder sterke combinatie.

Vandaag verandert dat gegeven stilaan. We zien meer en meer dat de wijnen uit Alto Piemonte evolueren van blends naar monocƩpagewijnen van Nebbiolo. De wijngaarden worden anders beheerd, druivenrassen staan veel vaker afzonderlijk aangeplant en de wijnbouwer heeft veel meer mogelijkheden om Nebbiolo goed rijp te krijgen. Ook het warmere klimaat speelt daarbij in het voordeel van Nebbiolo. De noodzaak om Spanna gezelschap te geven, is daardoor een stuk kleiner geworden.

En dan is er natuurlijk nog een heel belangrijke tweede reden: Nebbiolo verkoopt.

In die mate zelfs dat de fiere wijnproducenten stilaan de benaming Spanna opgeven. Nebbiolo is duidelijk meer gangbaar geworden op de etiketten. En ergens kunnen we dat betreuren. Tegelijk is die keuze niet meer dan logisch. De internationale wijnliefhebber kent Nebbiolo dankzij Barolo en Barbaresco. Met Spanna ligt dat anders. Buiten Noord Piemonte doet die naam bij veel mensen nauwelijks een belletje rinkelen.

Het levert dan ook een merkwaardige evolutie op. Net nu Alto Piemonte opnieuw volop in de belangstelling staat, verdwijnt een stukje van wat de streek zo eigen maakte langzaam naar de achtergrond. De assemblages zijn er nog en Vespolina, Uva Rara en Croatina zijn zeker niet verdwenen. Maar Spanna krijgt steeds vaker het rijk voor zich alleen. Alleen noemen we hem dan plots weer Nebbiolo.

Giro d’Italia 2026, rit 15: Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, van Voghera naar Milano

We rijden verder, van Voghera naar Milano. Ik trakteer met een flesje Classese als dit geen sprintersetappe wordt. Veel renners zullen opgelucht zijn met het profiel van deze 15e rit. Na de bergrit van de vorige dag kunnen ze opnieuw wat op adem komen, met de zware laatste week al nadrukkelijk in het achterhoofd.

De keuze voor de DOC was misschien wel een van de makkelijkste van deze Giro. Starten in Voghera, daarna richting Casteggio. Tja, dan zit je meteen in Oltrepò Pavese. Ik kies dan ook voor het specialleke van deze appellatie: Buttafuoco. Het is altijd al een wijn geweest die me triggert, ook al kan de kwaliteit behoorlijk schommelen. Ik heb recht van spreken, want ik heb er in mijn wijnleven toch al wel wat geproefd.

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, of gewoon Buttafuoco, is sinds 2010 een zelfstandige DOC. Daarvoor bestond hij al als type binnen de ruimere Oltrepò Pavese DOC, waar hij sinds 1970 mee onder viel. Die aparte erkenning kwam er om deze historische rode wijn uit een veel kleinere heuvelzone dan de overkoepelende DOC een eigen identiteit te geven. Die beweging kreeg in 1996 vorm, toen enkele wijnbouwers zich verenigden om Buttafuoco opnieuw scherper te positioneren.

De historische kern ligt op de heuvelrug tussen de valleien van de Versa en de Scuropasso. Dat is de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese, rond Stradella, een zone die bekendstaat als het Sperone di Stradella. De productiezone ligt in de provincie Pavia, in het oostelijke deel van Oltrepò Pavese, binnen de gemeenten Stradella, Broni, Canneto Pavese, Montescano, Castana, Cigognola en Pietra de’ Giorgi.

De streek heeft al eeuwen een duidelijke wijnbouwroeping. Dat heeft veel te maken met haar ligging als doorgangsgebied voor legeraanvoerders, pelgrims en handelaars. Die passage zorgde voor afzet en bracht tegelijk nieuwe contacten mee. In documenten uit de achttiende eeuw wordt op het Sperone di Stradella al verwezen naar krachtige rode wijnen, geschikt voor de tafels van adel, kloosters en stedelijke elites in Pavia en Milano.

De naam Buttafuoco wordt verbonden met het Milanese dialect, waarin de vorm Butafeug opduikt. Die werd gebruikt voor een wijn uit de heuvels van Stradella, met veel body en alcohol, een wijn die bijna de mond brandde.

Er doet ook een verhaal uit 1859 de ronde, tijdens de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog. Oostenrijkse mariniers zouden op weg naar de strijd in de heuvels rond Stradella verdwenen zijn en pas de dag nadien zijn teruggevonden in een kelder, stevig onder invloed van de plaatselijke Buttafuoco. Later werd het verhaal verbonden met een marineschip dat dezelfde naam kreeg. Vandaar ook het schip als logo van de wijnbouwers die Buttafuoco opnieuw wilden opwaarderen.

Vandaag blijft Buttafuoco een relatief kleine DOC. Het wijngaardareaal bedraagt slechts 47 hectare en de productie blijft beperkt. De DOC voorziet twee types: een stille rode wijn en een rode frizzante. Barbera en Croatina vormen de basis, aangevuld met Uva Rara en Ughetta.

Bodem en klimaat

Oltrepò Pavese ligt in het zuiden van Lombardije, onder de Po, waar de vlakte overgaat in heuvels en uiteindelijk richting Apennijnen kijkt. Het gebied vormt een kruispunt tussen Lombardije, Piemonte, Ligurië en Emilia Romagna. Wie even in de geschiedenisboeken kijkt, ziet dat dit deel vroeger zelfs bij Piemonte hoorde.

De zone van Buttafuoco behoort tot de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese. De wijngaarden liggen niet in de vlakte en ook niet in de koele dalbodems. De percelen bevinden zich op vaak bijzonder mooie, glooiende hellingen, met voldoende zon en een duidelijk reliëf.

De hoogte ligt vooral tussen 150 en 350 meter. De hellingen kunnen behoorlijk stevig zijn, plaatselijk richting 35 procent. Het landschap bestaat uit heuvelruggen, kleine valleien en wijngaarden die zich in dat reliƫf nestelen.

Geologisch zit je hier in een complex gebied. Kalkrijke mergel, zandsteen, silt, klei en conglomeraten komen er naast elkaar voor. Er is veel variatie, met kalk, klei en een goede drainage als duidelijke rode draad. De bodems zijn vaak alkalisch, matig diep en voldoende doorlatend.

Het klimaat is continentaal en eigenlijk verrassend warm. In de lagere en middelhoge heuvelzone ligt de gemiddelde jaartemperatuur rond 12 graden. Januari is fris, met gemiddelde waarden rond 1 graad, terwijl juli en augustus doorgaans rond 22 tot 24 graden uitkomen. De zomerse maxima zitten vaak rond 28 tot 30 graden. De neerslag ligt meestal tussen 800 en 900 millimeter per jaar. Wind speelt hier ook een rol, waaronder fƶhnachtige bewegingen die de luchtvochtigheid kunnen verlagen en de verdamping versterken. Eens ter plaatse merk je dat zeer goed.

Rode wijnen

Buttafuoco is altijd rood en bestaat in twee versies: een stille rode wijn en een frizzante. In beide gevallen gaat het verplicht om een blend. Barbera moet tussen 25 en 65 procent van de samenstelling uitmaken. Croatina moet eveneens tussen 25 en 65 procent liggen. Uva rara en Ughetta, beter bekend als Vespolina, mogen samen of afzonderlijk tot maximaal 45 procent aanvullen.

Barbera brengt vooral zuren en sappigheid. Croatina geeft kleur, donkerder fruit, volume en tannine. Uva rara maakt het fruit wat zachter. Vespolina brengt kruidigheid, soms met een licht peperige toets.

De wijn mag pas vanaf 30 april van het jaar na de oogst op de markt komen. Dat betekent in de praktijk een korte minimale opvoeding, maar geen lange verplichte rijping. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Een aparte riserva of superiore bestaat binnen deze DOC niet.

Qua kleur zit Buttafuoco meestal in het levendige robijnrood, vaak behoorlijk intens. In de neus mag je rijp rood fruit, donkerder fruit, viooltjes, pruim en soms een kruidige toets verwachten. De smaak is doorgaans droog, vol en stevig gebouwd. De tannine komt vooral van Croatina. Je proeft een wijn met rijp fruit, kruidigheid, voldoende zuren en een correct evenwicht. Wel moet je opletten dat Buttafuoco niet te zwaar wordt. Bij te veel rijpheid en alcohol schuift het fruit vrij snel richting compote en warmte.

De frizzante versie is eveneens rood en droog. De lichte pareling bezorgt de wijn een totaal ander geur- en smaakprofiel. Het geheel voelt fruitiger aan, terwijl de tannine minder nadrukkelijk aanvoelt.

Giro d’Italia 2026, rit 13: Colline Novaresi DOC, van Alessandria naar Verbania

Ik zou voor de rit van Alessandria naar Verbania, ondertussen al rit nummer 13, alweer op het puntje van mijn stoel gaan zitten. Niet omwille van het ritprofiel, want daarvoor lijkt deze rit op papier iets te vriendelijk, maar wel om de omgeving te aanschouwen. De Giro trekt opnieuw door een zeer mooi stuk Italiƫ, anders weliswaar dan tijdens de voorgaande ritten, maar daarom niet minder aantrekkelijk. Dit keer eindigen we in Verbania, mondain en statig gelegen aan het Lago Maggiore.

Veel kans trouwens dat de rit op een sprint zal eindigen, tenzij het knobbeltje van derde categorie in de finale daar anders over denkt. Daarna gaat het razendsnel in dalende lijn richting aankomst.

Leuk wat mij betreft dat we dit deel van Piemonte aandoen. We blijven de volledige 189 kilometer binnen dezelfde regio cruisen en trekken bovendien door Alto Piemonte. Hier zijn immers heel wat verborgen pareltjes van wijngebieden te vinden. De keuze voor vandaag viel dan ook, na wat wikken en wegen, op Colline Novaresi DOC.

Colline Novaresi DOC

Met Colline Novaresi DOC schuiven we richting het noorden van Piƫmonte, naar de provincie Novara, waar de wijngaarden verspreid liggen tussen de Sesia en de Ticino. Op de achtergrond houdt Monte Rosa een oogje in het zeil.

Dit is een boeiend overgangsgebied. Ten zuiden liggen de vlaktes rond Novara, met hun rijstvelden en brede open landschap. Meer naar het noorden nemen de heuvels het over en komt Alto Piemonte nadrukkelijker in beeld. Dat maakt de streek meteen anders dan het Piƫmonte van Langhe, Roero of Monferrato.

De DOC werd in 1994 erkend en telt ongeveer 246 hectare wijngaarden. De gemiddelde productie wordt op 8.000 hectoliter geschat. Dat zijn geen cijfers waarmee je de wereldmarkt overspoelt, en dat hoeft voor Colline Novaresi waarschijnlijk ook niet.

Toch heeft dit deel van Piƫmonte een veel langere wijngeschiedenis dan de bescheiden omvang vandaag doet vermoeden. Alto Piemonte was ooit een belangrijk wijngebied, met Nebbiolo als een van de grote hoofdrolspelers. Druifluis, oorlogen, industrialisatie en de trek naar de steden deden het areaal fors krimpen. Heel wat wijngaarden zijn later bijna vanaf nul opnieuw opgebouwd. Oude, verwaarloosde percelen die opnieuw tot leven kwamen.

De productiezone omvat een reeks gemeenten in de provincie Novara, waaronder Boca, Bogogno, Borgomanero, Briona, Cavaglio d’Agogna, Fara Novarese, Fontaneto d’Agogna, Ghemme, Maggiora, Sizzano en Suno. Kenners zien hier meteen bekendere namen tussen staan. Boca, Fara en Sizzano hebben hun eigen DOC. Ghemme gaat nog een stap verder en heeft een DOCG.

Nebbiolo speelt hier een belangrijke rol, al komen we in Alto Piemonte vaak de lokale naam Spanna tegen. Daarnaast zijn er Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera. Voor de witte wijnen is er Erbaluce. Daarmee krijg je automatisch veel diversiteit in je flessen.

Een mooie bijkomende troef van het gebied is de Cammino delle Colline Novaresi, een wandelroute die wijngaarden, dorpen, natuur en lokale geschiedenis met elkaar verbindt. Wie in de omgeving is, krijgt daarmee een mooie manier om deze streek ook buiten het glas te leren kennen.

Bodem en klimaat

Het landschap van Colline Novaresi DOC is zo’n beetje vis noch vlees. Het zit tussen vlakte, heuvel en berginvloed in. Zuidelijk liggen de vlaktes rond Novara en Vercelli, met hun rijstvelden en brede open ruimte. Naar het noorden toe loopt het landschap geleidelijk op en komen de Alpen steeds nadrukkelijker in beeld.

De wijngaarden moeten op heuvelachtige liggingen staan, tussen 180 en 550 meter hoogte. Vochtige gronden in de valleibodem zijn uitgesloten. We zitten dus niet in de natte, vlakke stukken onderaan, maar op hellingen waar water weg kan en de druiven voldoende zon krijgen.

Het wijngebied ligt tussen de rivieren Sesia en Ticino. De Sesia komt uit de richting van Monte Rosa, de Ticino heeft zijn oorsprong in de Alpen. Die rivieren tekenen het gebied af en geven het landschap structuur.

Algemeen vinden we hier kleiige, lemige en zandige bodems, vaak met een morenisch en alluviaal karakter. Lager op de heuvels bevatten de bodems doorgaans wat meer leem en klei. Hogerop kunnen ze iets losser en beter drainerend worden.

Het klimaat helpt om frisheid en aromatische spanning te bewaren. De zomers kunnen warm zijn, de winters behoorlijk koud, en de verschillen tussen dag en nacht spelen een belangrijke rol.

Rode wijnen

Rode wijn domineert hier en je vindt er voldoende diversiteit. De Colline Novaresi DOC rosso zou je de instap kunnen noemen, al klinkt dat misschien wat te oneerbiedig voor een wijn die minstens voor de helft uit Nebbiolo of Spanna moet bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven zoals Barbera, Croatina, Vespolina of Uva rara.

Je krijgt dan meestal een wijn met een robijnrode kleur, een duidelijke aanwezigheid van rood fruit, soms wat viooltjes, kruiden en een aardse toets. Vergeet niet dat Nebbiolo hier minstens de helft van de wijn uitmaakt en de tannine dus vroeg of laat de kop zal opsteken.

De Colline Novaresi DOC Nebbiolo, of Spanna, staat een stap hoger op de kwaliteitsladder. Hier moet Nebbiolo minstens 85 procent van de wijn uitmaken. Wie Barolo of Barbaresco in het achterhoofd houdt, zal wel even moeten schakelen. De wijnen hier zijn, ondanks hun tannine, niet de krachtpatsers van de hoogste rang. Spanna zit vaak in een lichter kleurenspectrum, met aroma’s van rood fruit, roos, kruiden, soms wat thee, aarde en een subtiele toets van teer naarmate de wijn ouder wordt. De zuren spelen een grote rol en geven de wijn zijn lengte.

En dan gaan we naar het festival van andere druiven die ook op het etiket mogen worden vermeld, mits ze voldoen aan de nodige voorwaarden. Voor Colline Novaresi DOC Barbera moet de wijn minstens 85 procent Barbera bevatten. Dat levert doorgaans een sappiger, toegankelijker rood op, met kersenfruit, frisse zuren en een droge finale.

Croatina mag eveneens als aparte wijn verschijnen, opnieuw met minstens 85 procent van de druif. Dit is de wijn waar je wat meer kleur, ronding en stevigheid mag verwachten. Croatina kan een donkerder fruitprofiel geven, met braam, pruim, kruiden en een mildere mondindruk. In de DOC kan ze zowel droog als amabile voorkomen.

Vespolina is een druif die in deze omgeving wel vaker opduikt en er historisch aangeplant staat. Logisch dus dat er een Colline Novaresi Vespolina bestaat. Ook hier geldt minstens 85 procent. Vespolina heeft vaak iets peperigs en kruidigs, soms met een florale toets en rood fruit. Ze wordt vaak in assemblage gebruikt, maar solo kan ze verrassend origineel zijn.

Uva rara, ook Bonarda Novarese genoemd, vervolledigt het rijtje. De naam is wat misleidend, want rara betekent zeldzaam. In dit deel van Piemonte gaan rara en zeldzaam echter niet helemaal hand in hand. Het zou pas raar zijn mocht je hier niets over deze druif horen. Ook hier geldt de grens van minstens 85 procent. De stijl is doorgaans iets zachter, fruitiger en minder streng dan Nebbiolo. Denk aan rood fruit, frisse sappigheid en een wijn die zich makkelijker laat drinken.

Omdat je in de praktijk geregeld houtlagering tegenkomt, komt het mij wat vreemd over dat er geen verplichte rijpingsperiode wordt voorgeschreven. De producenten krijgen dus de volledige vrijheid wat rijping betreft.

Witte wijnen

Driewerf hoera, want hier treffen we een van de meest onderschatte witte druiven uit Italiƫ: Erbaluce. Nog meer goed nieuws: Colline Novaresi DOC bianco moet verplicht als monocƩpage op de markt komen, dus 100 procent Erbaluce. Tussen de regels door kan je lezen dat ik mijn enthousiasme amper kan temperen. Dat enthousiasme is trouwens niet gespeeld, want je kan hier heerlijke witte wijnen vinden.

Deze wijn heeft doorgaans een strogele kleur, een eerder delicaat en fris aroma en een smaak waarin frisheid gecombineerd wordt met een zekere ziltigheid. Denk aan citrus, groene appel, witte bloemen, soms een vleugje amandel en een lichte minerale indruk. Erbaluce kan wat streng zijn wanneer ze te jong of te koel gemaakt wordt, maar in de juiste handen heeft ze veel charme.

Rosato

Ook de rosƩwijnen uit dit wijngebied kan ik liefhebbers aanraden. Fris, voldoende pittig en niet te lichtvoetig, met dus ook voldoende body. Colline Novaresi DOC rosato wordt gemaakt met minstens 50 procent Nebbiolo of Spanna. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven uit Piemonte. In de praktijk kom je dan opnieuw uit bij druiven zoals Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera.

De kleur wordt meestal omschreven als rosa cerasuolo, dus eerder kersenroze. De geur gaat meestal richting rode bes, framboos, bloedsinaasappel, een florale toets en mogelijk wat fijne kruidigheid. In de mond verwacht je vooral frisheid, maar dus niet zonder karakter. Dat is net wat deze rosato boeiend maakt.

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ā€˜overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italiƫ af. DƔƔr wordt ze echt au sƩrieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatiƫ tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiƫle documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italiƫ doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieƫn. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatiƫ. Van daaruit zou ze via Sloveniƫ haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italiƫ, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiƫle status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oĆÆdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel Ʃn geografisch breed verankerd in Noord-Italiƫ. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardiniƫ.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiƫren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op SardiniĆ«. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variĆ«teiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oĆÆdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocƩpage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiĆ«le erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciƫle aandacht die andere rassen wƩl genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst