Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Tijdens onze zoektocht doorheen Alto Piemonte maakten we bewust halt in de enoteca van Gattinara. We wisten immers dat je daar niet alleen een grote selectie aan wijnen kon proeven en kopen, maar ook dat je er geholpen kon worden door Dottore Massimo Sacco. Deze man wordt beschouwd als een lokale encyclopedie voor de wijnen uit Alto Piemonte. We namen er onze tijd en lieten de man zijn verhaal doen over Spanna en zijn vrienden.

Spanna is hier de plaatselijke naam voor Nebbiolo en is zonder discussie de belangrijkste blauwe druif van Alto Piemonte. Maar er is een geschiedenis en zoals dat vaak gaat, wordt geschiedenis na verloop van tijd traditie. Dottore Sacco legde ons geduldig uit dat Vespolina in Alto Piemonte minstens even belangrijk wordt geacht als Nebbiolo. De druif hoorde dan ook van oudsher thuis in hun wijnen. Ook Uva Rara en Croatina behoren tot het historische druivenbestand van de streek.

De aloude gewoonte om deze druiven samen te blenden is door de toenemende populariteit van Nebbiolo misschien wat minder vanzelfsprekend geworden, maar ze is zeker niet verdwenen. Daarvoor zijn Vespolina, Uva Rara en Croatina te sterk verbonden met de geschiedenis van het gebied. In verschillende appellaties mogen ze vandaag nog steeds samen met Nebbiolo in de assemblage worden opgenomen. In sommige appellaties kan het gebruik van andere druiven naast Nebbiolo zelfs verplicht zijn.

Spanna is de naam!

Waar de naam Spanna precies vandaan komt, is voer voor discussie. Een van de verklaringen zoekt de oorsprong bij het Italiaanse woord spanna, de afstand tussen de top van de duim en die van de pink wanneer de hand volledig wordt opengespreid. De naam zou verwijzen naar de manier waarop de druiventrossen vroeger werden gemeten of naar hun vorm en omvang. Er circuleren nog andere verklaringen, maar geen daarvan heeft ooit echt overtuigend kunnen aantonen waar de naam vandaan komt. We blijven dus in het ongewisse.

Het is niet omdat Nebbiolo hier door het leven gaat onder een andere naam, dat de druif plots totaal andere eigenschappen zou bezitten. Zeker niet. Wat wel een feit is, is dat we hier voornamelijk te maken krijgen met de Michet variant van Nebbiolo, terwijl we in de Langhe, en meer bepaald in Barolo, vaak een mix hebben van Michet, Lampia en Rosé. Die laatste werd lang beschouwd als een variant van Nebbiolo, terwijl Rosé, als puntje bij paaltje komt, vandaag als een andere druif dan Nebbiolo wordt gezien.

Nebbiolo behoudt hier dan ook een aantal van zijn vertrouwde kenmerken. De druif geeft relatief weinig kleur, bezit van nature een stevige zuurgraad en kan behoorlijk wat tannine ontwikkelen. Aromatisch vinden we vooral rood fruit, rozen, viooltjes en kruiden, met verdere flesrijping aangevuld met meer aardse en kruidige aroma’s. Het typische Barolo “tar and roses” hebben we hier minder. Vooral de ontwikkeling van dat uitgesproken teeraroma blijft wat achterwege.

De echte herkomst van Nebbiolo is nog steeds niet volledig blootgelegd. Dat de druif niet geboren is in de omgeving waar ze vandaag haar grootste uitstraling heeft, namelijk Barolo en Barbaresco, lijkt ondertussen wel duidelijk. Lange tijd werd vermoed dat we voor haar oorsprong bij de buren in Lombardije moesten zijn, meer bepaald in Valtellina. Hoewel ze er in Valtellina nog altijd van overtuigd zijn dat Nebbiolo daar geboren is, wordt er steeds harder gefluisterd dat haar roots in het noorden van Piemonte liggen.

Of dat exact Alto Piemonte is of nog noordelijker, in de Valle Ossola waar ze als Prünent door het leven gaat, moet verder ontrafeld worden. Dottore Sacco heeft alvast zijn verdict klaar: volgens hem is Gattinara de geboorteplaats van Nebbiolo.

Vespolina brengt peper mee

Het was zo grappig dat ik moeite had om niet in een lachbui uit te barsten toen Dottore Sacco me een foto liet zien van een druiventros waarop een wesp zat. Dat is Vespolina en de naam is afgeleid van de aanwezige wesp, vertelde hij met een dusdanige sérieux dat ik geen andere optie had dan bevestigend te knikken.

Nu, van de begeleidende druiven is Vespolina ongetwijfeld de interessantste om afzonderlijk te bekijken. Ze is genetisch verwant aan Nebbiolo en komt vandaag vooral voor in Noord Piemonte en in het nabijgelegen Oltrepò Pavese. In de provincies Novara en Vercelli werd ze ook Nespolino genoemd. Ughetta, een naam die je eveneens geregeld tegenkomt, hoort historisch vooral thuis in Oltrepò Pavese.

Vespolina kan voor extra fruit zorgen, maar haar meest herkenbare bijdrage zit in haar aroma’s. Naast florale tonen van roos en viooltjes heeft ze dikwijls een uitgesproken peperige kruidigheid. Vespolina bevat relatief veel rotundone, dezelfde aromatische verbinding die onder meer verantwoordelijk is voor het typische peperaroma van Syrah en Schioppettino.

Dat peperige karakter kan een assemblage met Nebbiolo behoorlijk interessant maken. Het geeft extra kruidigheid en aromatische complexiteit zonder het karakter van Nebbiolo volledig over te nemen. Bovendien zorgt Vespolina voor wat extra kleur, iets wat bij de van nature blekere Nebbiolo mooi meegenomen is.

Hoewel we haar vooral kennen als onderdeel van assemblages, wordt Vespolina tegenwoordig ook steeds vaker afzonderlijk gevinifieerd. Bij ons afscheid van de enoteca kregen we een fles Vespolina 2012 van Pietro Cassina cadeau en er werd ons op het hart gedrukt dat de wijn, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog volledig intact zou zijn. We zijn dus benieuwd!

Uva Rara als figurant

Om eerlijk te zijn heb ik liever dat Uva Rara bij haar oude naam Bonarda Novarese wordt genoemd. We hebben het echter niet voor het zeggen en dus nemen we de druif op zoals ze vandaag in Alto Piemonte voorkomt en officieel wordt genoteerd. Uva Rara dus!

Rara heeft niets te maken met het feit dat de druif een rariteit zou zijn. Neen, Rara verwijst vermoedelijk naar de losse structuur van de tros, waarbij de bessen verder uit elkaar staan. Uva Rara kwam vroeger behoorlijk verspreid voor in Noord Piemonte en Oltrepò Pavese, al is haar aanplant ondertussen sterk verminderd.

Uva Rara zelf heeft een vrij bescheiden kleurkracht en een gematigde zuurgraad. Haar bijdrage ligt eerder bij haar geurige karakter en de toegankelijkheid van de wijn. Florale aroma’s zijn typisch en in een assemblage kan ze de strengere kant van Nebbiolo wat verzachten.

De druif heeft nog steeds haar plaats en is opgenomen in verschillende disciplinari, maar haar belang in de assemblages is duidelijk naar de achtergrond verdwenen. We zien ze dan ook steeds minder opduiken als aanvulling bij Spanna en Vespolina.

Croatina als blendalternatief?

Een koppigaard, een druif met een hoekje af, vaak dronken omwille van de alcohol… ik kan nog wel een tijdje doorgaan met Croatina enkele koosnaampjes toe te dichten. An sich doe ik dat omdat ik de druif wel kan pruimen. Toevallig ook een van de fruitige aspecten van Croatina.

Wordt ze veel gebruikt? Neen, het is echt wel als aanvulling dat ze wordt gebruikt. En dan nog is dat vooral sporadisch. Soms heb je de indruk dat de druif wat wint aan populariteit, maar ik laat me vertellen dat het geen gemakkelijke is om mee samen te werken. Niet enkel in het glas bezit de druif koppige eigenschappen. Ook in het veld durft ze wel eens de lastigaard uit te hangen.

Veelal kennen we de druif als Bonarda uit Oltrepò Pavese. Hallo verwarring met Uva Rara! Maar historisch heeft ze wel degelijk haar plaats in Alto Piemonte.

Laten we de positieve eigenschappen eens benoemen. De druif heeft aanzienlijk meer kleur dan Nebbiolo en brengt donkerder fruit mee. Croatina kan behoorlijk wat tannine leveren en heeft soms een wat vegetaal karakter. Bij voldoende rijpheid kan dat vegetale juist voor een mooie fraîcheur in het aromatische profiel zorgen. In de juiste verhouding geeft ze een assemblage extra volume, kleur en stevigheid.

In Bramaterra wordt de druif nog vrij frequent gebruikt. Elders is haar aandeel vaak eerder symbolisch.

Van assemblage naar solo

Maar waarom kreeg Nebbiolo in Alto Piemonte historisch eigenlijk Vespolina, Uva Rara en Croatina naast zich? De blik in de ogen van Dottore Sacco verraadde duidelijk dat hij deze vraag meermaals had gekregen én dat hij het antwoord erop kon geven!

Allora, devi comprendere, nel tempo il clima era totalmente differente. Più freddo… het klimaat was vroeger dus heel anders dan nu. Veel kouder, waardoor Nebbiolo het moeilijk had om elk jaar tot een ideale rijpheid te komen. Vespolina en de andere rassen stonden vaak gemengd in de wijngaarden en konden in moeilijkere jaren aanvullen waar Nebbiolo tekortkwam.

Dat bleek uiteindelijk ook in de kelder goed te werken. De verschillende druiven vulden Nebbiolo mooi aan met extra kleur, fruit, kruidigheid en parfum. Wat in de wijngaard deels uit noodzaak was ontstaan, bleek dus ook in de fles een bijzonder sterke combinatie.

Vandaag verandert dat gegeven stilaan. We zien meer en meer dat de wijnen uit Alto Piemonte evolueren van blends naar monocépagewijnen van Nebbiolo. De wijngaarden worden anders beheerd, druivenrassen staan veel vaker afzonderlijk aangeplant en de wijnbouwer heeft veel meer mogelijkheden om Nebbiolo goed rijp te krijgen. Ook het warmere klimaat speelt daarbij in het voordeel van Nebbiolo. De noodzaak om Spanna gezelschap te geven, is daardoor een stuk kleiner geworden.

En dan is er natuurlijk nog een heel belangrijke tweede reden: Nebbiolo verkoopt.

In die mate zelfs dat de fiere wijnproducenten stilaan de benaming Spanna opgeven. Nebbiolo is duidelijk meer gangbaar geworden op de etiketten. En ergens kunnen we dat betreuren. Tegelijk is die keuze niet meer dan logisch. De internationale wijnliefhebber kent Nebbiolo dankzij Barolo en Barbaresco. Met Spanna ligt dat anders. Buiten Noord Piemonte doet die naam bij veel mensen nauwelijks een belletje rinkelen.

Het levert dan ook een merkwaardige evolutie op. Net nu Alto Piemonte opnieuw volop in de belangstelling staat, verdwijnt een stukje van wat de streek zo eigen maakte langzaam naar de achtergrond. De assemblages zijn er nog en Vespolina, Uva Rara en Croatina zijn zeker niet verdwenen. Maar Spanna krijgt steeds vaker het rijk voor zich alleen. Alleen noemen we hem dan plots weer Nebbiolo.

Giro d’Italia 2026, rit 15: Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, van Voghera naar Milano

We rijden verder, van Voghera naar Milano. Ik trakteer met een flesje Classese als dit geen sprintersetappe wordt. Veel renners zullen opgelucht zijn met het profiel van deze 15e rit. Na de bergrit van de vorige dag kunnen ze opnieuw wat op adem komen, met de zware laatste week al nadrukkelijk in het achterhoofd.

De keuze voor de DOC was misschien wel een van de makkelijkste van deze Giro. Starten in Voghera, daarna richting Casteggio. Tja, dan zit je meteen in Oltrepò Pavese. Ik kies dan ook voor het specialleke van deze appellatie: Buttafuoco. Het is altijd al een wijn geweest die me triggert, ook al kan de kwaliteit behoorlijk schommelen. Ik heb recht van spreken, want ik heb er in mijn wijnleven toch al wel wat geproefd.

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, of gewoon Buttafuoco, is sinds 2010 een zelfstandige DOC. Daarvoor bestond hij al als type binnen de ruimere Oltrepò Pavese DOC, waar hij sinds 1970 mee onder viel. Die aparte erkenning kwam er om deze historische rode wijn uit een veel kleinere heuvelzone dan de overkoepelende DOC een eigen identiteit te geven. Die beweging kreeg in 1996 vorm, toen enkele wijnbouwers zich verenigden om Buttafuoco opnieuw scherper te positioneren.

De historische kern ligt op de heuvelrug tussen de valleien van de Versa en de Scuropasso. Dat is de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese, rond Stradella, een zone die bekendstaat als het Sperone di Stradella. De productiezone ligt in de provincie Pavia, in het oostelijke deel van Oltrepò Pavese, binnen de gemeenten Stradella, Broni, Canneto Pavese, Montescano, Castana, Cigognola en Pietra de’ Giorgi.

De streek heeft al eeuwen een duidelijke wijnbouwroeping. Dat heeft veel te maken met haar ligging als doorgangsgebied voor legeraanvoerders, pelgrims en handelaars. Die passage zorgde voor afzet en bracht tegelijk nieuwe contacten mee. In documenten uit de achttiende eeuw wordt op het Sperone di Stradella al verwezen naar krachtige rode wijnen, geschikt voor de tafels van adel, kloosters en stedelijke elites in Pavia en Milano.

De naam Buttafuoco wordt verbonden met het Milanese dialect, waarin de vorm Butafeug opduikt. Die werd gebruikt voor een wijn uit de heuvels van Stradella, met veel body en alcohol, een wijn die bijna de mond brandde.

Er doet ook een verhaal uit 1859 de ronde, tijdens de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog. Oostenrijkse mariniers zouden op weg naar de strijd in de heuvels rond Stradella verdwenen zijn en pas de dag nadien zijn teruggevonden in een kelder, stevig onder invloed van de plaatselijke Buttafuoco. Later werd het verhaal verbonden met een marineschip dat dezelfde naam kreeg. Vandaar ook het schip als logo van de wijnbouwers die Buttafuoco opnieuw wilden opwaarderen.

Vandaag blijft Buttafuoco een relatief kleine DOC. Het wijngaardareaal bedraagt slechts 47 hectare en de productie blijft beperkt. De DOC voorziet twee types: een stille rode wijn en een rode frizzante. Barbera en Croatina vormen de basis, aangevuld met Uva Rara en Ughetta.

Bodem en klimaat

Oltrepò Pavese ligt in het zuiden van Lombardije, onder de Po, waar de vlakte overgaat in heuvels en uiteindelijk richting Apennijnen kijkt. Het gebied vormt een kruispunt tussen Lombardije, Piemonte, Ligurië en Emilia Romagna. Wie even in de geschiedenisboeken kijkt, ziet dat dit deel vroeger zelfs bij Piemonte hoorde.

De zone van Buttafuoco behoort tot de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese. De wijngaarden liggen niet in de vlakte en ook niet in de koele dalbodems. De percelen bevinden zich op vaak bijzonder mooie, glooiende hellingen, met voldoende zon en een duidelijk reliëf.

De hoogte ligt vooral tussen 150 en 350 meter. De hellingen kunnen behoorlijk stevig zijn, plaatselijk richting 35 procent. Het landschap bestaat uit heuvelruggen, kleine valleien en wijngaarden die zich in dat reliëf nestelen.

Geologisch zit je hier in een complex gebied. Kalkrijke mergel, zandsteen, silt, klei en conglomeraten komen er naast elkaar voor. Er is veel variatie, met kalk, klei en een goede drainage als duidelijke rode draad. De bodems zijn vaak alkalisch, matig diep en voldoende doorlatend.

Het klimaat is continentaal en eigenlijk verrassend warm. In de lagere en middelhoge heuvelzone ligt de gemiddelde jaartemperatuur rond 12 graden. Januari is fris, met gemiddelde waarden rond 1 graad, terwijl juli en augustus doorgaans rond 22 tot 24 graden uitkomen. De zomerse maxima zitten vaak rond 28 tot 30 graden. De neerslag ligt meestal tussen 800 en 900 millimeter per jaar. Wind speelt hier ook een rol, waaronder föhnachtige bewegingen die de luchtvochtigheid kunnen verlagen en de verdamping versterken. Eens ter plaatse merk je dat zeer goed.

Rode wijnen

Buttafuoco is altijd rood en bestaat in twee versies: een stille rode wijn en een frizzante. In beide gevallen gaat het verplicht om een blend. Barbera moet tussen 25 en 65 procent van de samenstelling uitmaken. Croatina moet eveneens tussen 25 en 65 procent liggen. Uva rara en Ughetta, beter bekend als Vespolina, mogen samen of afzonderlijk tot maximaal 45 procent aanvullen.

Barbera brengt vooral zuren en sappigheid. Croatina geeft kleur, donkerder fruit, volume en tannine. Uva rara maakt het fruit wat zachter. Vespolina brengt kruidigheid, soms met een licht peperige toets.

De wijn mag pas vanaf 30 april van het jaar na de oogst op de markt komen. Dat betekent in de praktijk een korte minimale opvoeding, maar geen lange verplichte rijping. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Een aparte riserva of superiore bestaat binnen deze DOC niet.

Qua kleur zit Buttafuoco meestal in het levendige robijnrood, vaak behoorlijk intens. In de neus mag je rijp rood fruit, donkerder fruit, viooltjes, pruim en soms een kruidige toets verwachten. De smaak is doorgaans droog, vol en stevig gebouwd. De tannine komt vooral van Croatina. Je proeft een wijn met rijp fruit, kruidigheid, voldoende zuren en een correct evenwicht. Wel moet je opletten dat Buttafuoco niet te zwaar wordt. Bij te veel rijpheid en alcohol schuift het fruit vrij snel richting compote en warmte.

De frizzante versie is eveneens rood en droog. De lichte pareling bezorgt de wijn een totaal ander geur- en smaakprofiel. Het geheel voelt fruitiger aan, terwijl de tannine minder nadrukkelijk aanvoelt.

Giro d’Italia 2026, rit 13: Colline Novaresi DOC, van Alessandria naar Verbania

Ik zou voor de rit van Alessandria naar Verbania, ondertussen al rit nummer 13, alweer op het puntje van mijn stoel gaan zitten. Niet omwille van het ritprofiel, want daarvoor lijkt deze rit op papier iets te vriendelijk, maar wel om de omgeving te aanschouwen. De Giro trekt opnieuw door een zeer mooi stuk Italië, anders weliswaar dan tijdens de voorgaande ritten, maar daarom niet minder aantrekkelijk. Dit keer eindigen we in Verbania, mondain en statig gelegen aan het Lago Maggiore.

Veel kans trouwens dat de rit op een sprint zal eindigen, tenzij het knobbeltje van derde categorie in de finale daar anders over denkt. Daarna gaat het razendsnel in dalende lijn richting aankomst.

Leuk wat mij betreft dat we dit deel van Piemonte aandoen. We blijven de volledige 189 kilometer binnen dezelfde regio cruisen en trekken bovendien door Alto Piemonte. Hier zijn immers heel wat verborgen pareltjes van wijngebieden te vinden. De keuze voor vandaag viel dan ook, na wat wikken en wegen, op Colline Novaresi DOC.

Colline Novaresi DOC

Met Colline Novaresi DOC schuiven we richting het noorden van Piëmonte, naar de provincie Novara, waar de wijngaarden verspreid liggen tussen de Sesia en de Ticino. Op de achtergrond houdt Monte Rosa een oogje in het zeil.

Dit is een boeiend overgangsgebied. Ten zuiden liggen de vlaktes rond Novara, met hun rijstvelden en brede open landschap. Meer naar het noorden nemen de heuvels het over en komt Alto Piemonte nadrukkelijker in beeld. Dat maakt de streek meteen anders dan het Piëmonte van Langhe, Roero of Monferrato.

De DOC werd in 1994 erkend en telt ongeveer 246 hectare wijngaarden. De gemiddelde productie wordt op 8.000 hectoliter geschat. Dat zijn geen cijfers waarmee je de wereldmarkt overspoelt, en dat hoeft voor Colline Novaresi waarschijnlijk ook niet.

Toch heeft dit deel van Piëmonte een veel langere wijngeschiedenis dan de bescheiden omvang vandaag doet vermoeden. Alto Piemonte was ooit een belangrijk wijngebied, met Nebbiolo als een van de grote hoofdrolspelers. Druifluis, oorlogen, industrialisatie en de trek naar de steden deden het areaal fors krimpen. Heel wat wijngaarden zijn later bijna vanaf nul opnieuw opgebouwd. Oude, verwaarloosde percelen die opnieuw tot leven kwamen.

De productiezone omvat een reeks gemeenten in de provincie Novara, waaronder Boca, Bogogno, Borgomanero, Briona, Cavaglio d’Agogna, Fara Novarese, Fontaneto d’Agogna, Ghemme, Maggiora, Sizzano en Suno. Kenners zien hier meteen bekendere namen tussen staan. Boca, Fara en Sizzano hebben hun eigen DOC. Ghemme gaat nog een stap verder en heeft een DOCG.

Nebbiolo speelt hier een belangrijke rol, al komen we in Alto Piemonte vaak de lokale naam Spanna tegen. Daarnaast zijn er Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera. Voor de witte wijnen is er Erbaluce. Daarmee krijg je automatisch veel diversiteit in je flessen.

Een mooie bijkomende troef van het gebied is de Cammino delle Colline Novaresi, een wandelroute die wijngaarden, dorpen, natuur en lokale geschiedenis met elkaar verbindt. Wie in de omgeving is, krijgt daarmee een mooie manier om deze streek ook buiten het glas te leren kennen.

Bodem en klimaat

Het landschap van Colline Novaresi DOC is zo’n beetje vis noch vlees. Het zit tussen vlakte, heuvel en berginvloed in. Zuidelijk liggen de vlaktes rond Novara en Vercelli, met hun rijstvelden en brede open ruimte. Naar het noorden toe loopt het landschap geleidelijk op en komen de Alpen steeds nadrukkelijker in beeld.

De wijngaarden moeten op heuvelachtige liggingen staan, tussen 180 en 550 meter hoogte. Vochtige gronden in de valleibodem zijn uitgesloten. We zitten dus niet in de natte, vlakke stukken onderaan, maar op hellingen waar water weg kan en de druiven voldoende zon krijgen.

Het wijngebied ligt tussen de rivieren Sesia en Ticino. De Sesia komt uit de richting van Monte Rosa, de Ticino heeft zijn oorsprong in de Alpen. Die rivieren tekenen het gebied af en geven het landschap structuur.

Algemeen vinden we hier kleiige, lemige en zandige bodems, vaak met een morenisch en alluviaal karakter. Lager op de heuvels bevatten de bodems doorgaans wat meer leem en klei. Hogerop kunnen ze iets losser en beter drainerend worden.

Het klimaat helpt om frisheid en aromatische spanning te bewaren. De zomers kunnen warm zijn, de winters behoorlijk koud, en de verschillen tussen dag en nacht spelen een belangrijke rol.

Rode wijnen

Rode wijn domineert hier en je vindt er voldoende diversiteit. De Colline Novaresi DOC rosso zou je de instap kunnen noemen, al klinkt dat misschien wat te oneerbiedig voor een wijn die minstens voor de helft uit Nebbiolo of Spanna moet bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven zoals Barbera, Croatina, Vespolina of Uva rara.

Je krijgt dan meestal een wijn met een robijnrode kleur, een duidelijke aanwezigheid van rood fruit, soms wat viooltjes, kruiden en een aardse toets. Vergeet niet dat Nebbiolo hier minstens de helft van de wijn uitmaakt en de tannine dus vroeg of laat de kop zal opsteken.

De Colline Novaresi DOC Nebbiolo, of Spanna, staat een stap hoger op de kwaliteitsladder. Hier moet Nebbiolo minstens 85 procent van de wijn uitmaken. Wie Barolo of Barbaresco in het achterhoofd houdt, zal wel even moeten schakelen. De wijnen hier zijn, ondanks hun tannine, niet de krachtpatsers van de hoogste rang. Spanna zit vaak in een lichter kleurenspectrum, met aroma’s van rood fruit, roos, kruiden, soms wat thee, aarde en een subtiele toets van teer naarmate de wijn ouder wordt. De zuren spelen een grote rol en geven de wijn zijn lengte.

En dan gaan we naar het festival van andere druiven die ook op het etiket mogen worden vermeld, mits ze voldoen aan de nodige voorwaarden. Voor Colline Novaresi DOC Barbera moet de wijn minstens 85 procent Barbera bevatten. Dat levert doorgaans een sappiger, toegankelijker rood op, met kersenfruit, frisse zuren en een droge finale.

Croatina mag eveneens als aparte wijn verschijnen, opnieuw met minstens 85 procent van de druif. Dit is de wijn waar je wat meer kleur, ronding en stevigheid mag verwachten. Croatina kan een donkerder fruitprofiel geven, met braam, pruim, kruiden en een mildere mondindruk. In de DOC kan ze zowel droog als amabile voorkomen.

Vespolina is een druif die in deze omgeving wel vaker opduikt en er historisch aangeplant staat. Logisch dus dat er een Colline Novaresi Vespolina bestaat. Ook hier geldt minstens 85 procent. Vespolina heeft vaak iets peperigs en kruidigs, soms met een florale toets en rood fruit. Ze wordt vaak in assemblage gebruikt, maar solo kan ze verrassend origineel zijn.

Uva rara, ook Bonarda Novarese genoemd, vervolledigt het rijtje. De naam is wat misleidend, want rara betekent zeldzaam. In dit deel van Piemonte gaan rara en zeldzaam echter niet helemaal hand in hand. Het zou pas raar zijn mocht je hier niets over deze druif horen. Ook hier geldt de grens van minstens 85 procent. De stijl is doorgaans iets zachter, fruitiger en minder streng dan Nebbiolo. Denk aan rood fruit, frisse sappigheid en een wijn die zich makkelijker laat drinken.

Omdat je in de praktijk geregeld houtlagering tegenkomt, komt het mij wat vreemd over dat er geen verplichte rijpingsperiode wordt voorgeschreven. De producenten krijgen dus de volledige vrijheid wat rijping betreft.

Witte wijnen

Driewerf hoera, want hier treffen we een van de meest onderschatte witte druiven uit Italië: Erbaluce. Nog meer goed nieuws: Colline Novaresi DOC bianco moet verplicht als monocépage op de markt komen, dus 100 procent Erbaluce. Tussen de regels door kan je lezen dat ik mijn enthousiasme amper kan temperen. Dat enthousiasme is trouwens niet gespeeld, want je kan hier heerlijke witte wijnen vinden.

Deze wijn heeft doorgaans een strogele kleur, een eerder delicaat en fris aroma en een smaak waarin frisheid gecombineerd wordt met een zekere ziltigheid. Denk aan citrus, groene appel, witte bloemen, soms een vleugje amandel en een lichte minerale indruk. Erbaluce kan wat streng zijn wanneer ze te jong of te koel gemaakt wordt, maar in de juiste handen heeft ze veel charme.

Rosato

Ook de roséwijnen uit dit wijngebied kan ik liefhebbers aanraden. Fris, voldoende pittig en niet te lichtvoetig, met dus ook voldoende body. Colline Novaresi DOC rosato wordt gemaakt met minstens 50 procent Nebbiolo of Spanna. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven uit Piemonte. In de praktijk kom je dan opnieuw uit bij druiven zoals Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera.

De kleur wordt meestal omschreven als rosa cerasuolo, dus eerder kersenroze. De geur gaat meestal richting rode bes, framboos, bloedsinaasappel, een florale toets en mogelijk wat fijne kruidigheid. In de mond verwacht je vooral frisheid, maar dus niet zonder karakter. Dat is net wat deze rosato boeiend maakt.

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ‘overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italië af. Dáár wordt ze echt au sérieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatië tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiële documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italië doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieën. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatië. Van daaruit zou ze via Slovenië haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italië, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiële status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oïdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel én geografisch breed verankerd in Noord-Italië. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardinië.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiëren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op Sardinië. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variëteiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oïdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocépage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiële erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciële aandacht die andere rassen wél genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst