Giro d’Italia 2026, rit 21: Roma DOC

We zijn aan het einde van de Giro d’Italia 2026 gekomen. Rit 21 voelt eerder aan als een criterium, met rondjes in en om Roma en een parcours dat opvallend dicht bij Vaticaanstad flirt. De nonnetjes zullen even opkijken wanneer er geen paus in een wit gewaad passeert, wel een peloton vol renners die nog één keer de benen opensmijten.

De sprinters die deze zware editie hebben overleefd, mogen nog een laatste keer hun hart ophalen en mikken op de bloemen in de hoofdstad. Daarmee komt ook een einde aan ons verhaal rond de minder bekende DOC’s. Ik vond het zelf enorm boeiend om dit te brengen: zoeken, lezen, twijfelen, de disciplinari uitpluizen en telkens opnieuw ontdekken hoeveel wijngebieden in Italië nog altijd te weinig in ons glas verschijnen.

Afsluiten doen we op het lokale circuit, met Roma DOC. Een appellatie met een naam die iedereen kent, terwijl de wijn zelf voor velen nog verrassend onbekend blijft.

Roma DOC

Je zou verwachten dat een wijngebied in en rond Rome al veel langer met een DOC bezegeld zou zijn. Voor Roma DOC is dat zeker niet het geval, want de appellatie werd pas in 2011 erkend. De productiezone ligt in het centrale deel van Lazio, in de provincie Roma. Het afgebakende gebied gaat wel wat verder dan simpelweg de stad en haar directe omgeving. Het totale gebied omvat maar liefst 330.000 hectare, met kustzones, de Sabina romana, de Colli Albani, de Colli Prenestini en een deel van de Campagna romana. De effectieve wijngaardoppervlakte kunnen we wel flink reduceren en terugbrengen tot ongeveer 305 hectare.

De afbakening omvat een lange reeks gemeenten in de provincie Roma, met daarnaast ook delen van Fiumicino en Roma zelf. Bij Fiumicino is Isola Sacra uitgesloten. Bij Roma valt het gebied binnen de Grande Raccordo Anulare buiten de DOC, net als een specifiek deel richting Tevere, Via del Mare en de Tyrreense kust.

De vermelding classico mag gebruikt worden voor de oudste herkomstzone, maar niet voor spumante. In het disciplinare wordt die classico zone beperkt tot het aangeduide deel van de gemeente Roma zelf.

Bodem en klimaat

Als we over zo’n groot gebied spreken, kan er uiteraard geen uniformiteit bestaan in de samenstelling van de bodem. We gaan dan ook uit van het globale beeld dat we kunnen schetsen. De wijngaarden liggen van zeeniveau tot ongeveer 600 meter hoogte. De hellingen zijn meestal gericht naar het westen, zuidwesten en zuiden.

Geologisch steunt Roma DOC op twee grote pijlers: sedimentaire formaties en vulkanische formaties. In de vlakke zones van de valleien van de Tiber en de Aniene vinden we vooral alluviale en mariene afzettingen, met kalksteenachtige formaties (travertijn), zand, grind, leem en kleiige stukken. Richting kust komen daar ook zandige, kleiige en kustgebonden afzettingen bij.

Daarnaast is er de vulkanische invloed van het Sabatino complex en de oude Vulcano Laziale. Daar komen tufsteen, as, lapilli, pozzolane en lavaresten in beeld. Pozzolane vormen zandige, diepe en goed doorlatende bodems. Andere tufsteenbodems zijn harder en minder doorlaatbaar, waardoor diepere bodembewerking nodig kan zijn.

Het klimaat is mediterraan. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 14,2 graden. De jaarlijkse neerslag is vrij ruim, maar in de zomer wordt het duidelijk droger. Juli en augustus zijn de droogste maanden, en in de lagere zones kan de droogte al vanaf mei of juni voelbaar zijn. In september en oktober is er doorgaans nog voldoende warmte en zon, terwijl de temperatuurverschillen tussen dag en nacht toenemen.

Rode wijnen

Ook al is Roma DOC een blend waarin verschillende druiven gebruikt mogen worden, toch is de hoofdrol in de rosso weggelegd voor Montepulciano. De druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag de assemblage aanvullen.

Montepulciano zorgt voor kleur, rijp donker fruit en structuur. Cesanese brengt de link met Lazio sterker naar voren, met kruidigheid, rood fruit en een eigenzinnige toets. Sangiovese kan frisheid en spanning geven. Cabernet en Syrah kunnen zorgen voor extra diepte, donkerder fruit en meer schouderbreedte.

Daarnaast kan Roma DOC rosso ook verschijnen als classico, rosso riserva en classico rosso riserva. Voor de gewone rosso en de classico rosso is geen verplichte opvoeding voorzien. De riserva vraagt minstens 24 maanden rijping vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 9 maanden in houten vaten van minimaal 499 liter. Ik vind het toch wel een beetje opmerkelijk dat men over minimaal 499 liter spreekt.

Dit getal komt niet frequent, of zeg maar nooit, voor als inhoudsmaat van eiken vaten. Ik vond het zo merkwaardig dat ik verder op zoek ging naar enige duiding hieromtrent. Blijkt dat dit pas met de laatste wijziging van het disciplinare in 2025 is opgenomen. Naar het waarom bleef het zoeken. Ik heb er dan maar mijn eigen logica op losgelaten en vermoed dat dit getal vooral praktisch bedoeld is. Ik veronderstel dat men het gebruik van barriques, kleinere eiken vaten dus, wenst uit te sluiten en dat men vooral richting tonneaux, vaten van ongeveer 500 liter, wil sturen. Hierdoor is de houtopvoeding minder nadrukkelijk aanwezig dan bij een klassieke rijping op barrique.

Witte wijnen

Bij Roma DOC bianco staat Malvasia del Lazio centraal, ook bekend als Malvasia Puntinata. Die druif moet minstens 50 procent van de blend vormen. Daarnaast moet minstens 35 procent bestaan uit Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Roma DOC bianco heeft een strogele kleur. In de geur toont de wijn zich eerder fijn dan uitbundig, met florale toetsen, wit fruit en rijper geel fruit. In de mond blijft hij fris en evenwichtig, met voldoende body om niet vlak of neutraal over te komen. Afhankelijk van de ligging van de wijngaarden kan er ook een subtiele ziltige toets aanwezig zijn.

Voor Bellone en Malvasia Puntinata, die apart vermeld mogen worden, moet minstens 85 procent van de genoemde druif aanwezig zijn. Bellone heeft meer body, rijper geel fruit en soms een licht kruidige ondertoon. Malvasia Puntinata gaat eerder richting florale aroma’s, rijper fruit en een zachtere mondstructuur.

De witte wijnen kunnen ook verschijnen als classico. Dat geldt voor Roma DOC bianco, Bellone en Malvasia Puntinata. Sinds de wijziging van het disciplinare in 2025 bestaat ook Roma DOC bianco riserva, eveneens met de mogelijkheid om classico te vermelden. Voor de gewone bianco, classico bianco, Bellone, classico Bellone, Malvasia Puntinata en classico Malvasia Puntinata is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC bianco riserva en Roma DOC bianco classico riserva moeten minstens 12 maanden rijpen vanaf 1 november van het oogstjaar, waarvan minstens 4 maanden op fles.

Zoals gebruikelijk in dit soort brede wijngebieden wordt het er niet eenvoudiger op wanneer druivenrassen ook afzonderlijk op het etiket mogen verschijnen en die wijnen bovendien nog eens uit de classico zone kunnen komen. Gelukkig blijft een superiore hier achterwege.

Rosato

Roma DOC rosato vertrekt uit dezelfde druivenbasis als de rode wijn. Montepulciano moet minstens 50 procent uitmaken van de samenstelling. Minstens 35 procent moet bestaan uit Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen. Maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio mag worden gebruikt.

Ook Roma DOC rosato kan als classico verschijnen, wanneer de druiven uit de afgebakende classico zone komen. Voor rosato is geen verplichte opvoeding voorzien.

Roma DOC rosato heeft een rosékleur die best wat intensiteit mag tonen, zeker wanneer Montepulciano nadrukkelijk aanwezig is. In de geur zit vooral rood fruit, met aardbei, framboos, rode bes en soms een florale toets. In de mond blijft de wijn fris en fruitgedreven, met voldoende vulling. De betere versies hebben naast het fruit ook wat kruidigheid en een licht ziltige toets.

Spumanti

Voor spumante geldt dezelfde druivenbasis als voor bianco: minstens 50 procent Malvasia del Lazio, minstens 35 procent Bellone, Bombino Bianco, Greco Bianco, Trebbiano Giallo en Trebbiano Verde, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten witte druiven uit Lazio.

Voor spumante rosato geldt dezelfde druivenbasis als voor rosato en rosso: minstens 50 procent Montepulciano, minstens 35 procent Cesanese Comune, Cesanese di Affile, Sangiovese, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en Syrah, alleen of samen, en maximaal 15 procent andere toegelaten rode druiven uit Lazio.

De spumanti mogen worden gemaakt via de Martinotti methode, ook bekend als Charmat, maar ook via metodo classico.
Een aparte minimumrijping wordt vreemd genoeg niet opgelegd. Dat had je toch verwacht bij metodo classico. De stijlen mogen gaan van dosaggio zero tot extradry.

Historisch kwamen mousserende wijnen uit deze omgeving op de markt met de vermelding Romanella spumante op het etiket. Romanella is de oude Romeinse naam voor een licht sprankelende wijn, vooral verbonden met lokaal en direct drinkplezier. Die vermelding mag volgens het disciplinare nog steeds op het etiket verschijnen, waardoor deze oudere Romeinse wijnnaam ook binnen de huidige DOC behouden blijft.

Giro d’Italia 2026, rit 20: Ramandolo DOCG, van Gemona del Friuli naar Piancavallo

Het is de allerlaatste keer dat de masseurs de klimmersbenen van de renners in optimale conditie moeten krijgen. Vermoedelijk zullen er in rit 20, van Gemona del Friuli naar Piancavallo, geen grote verschuivingen meer gebeuren in het klassement, al leent het parcours zich daar wel degelijk toe. In de laatste 50 kilometer krijgen de renners nog twee stevige beklimmingen voorgeschoteld, waarvan de laatste meteen ook het eindpunt van de rit is. De aanvallers zouden hier wel eens vrij spel kunnen krijgen, zeker als de spanning voor het eindklassement al wat verdwenen is.

De keuze welk wijngebied we zouden bespreken, lag op zich vrij voor de hand. We hadden zelfs de keuze tussen Friuli Colli Orientali DOC en Friuli Grave DOC. Naar mijn mening zijn die echter voldoende bekend bij de meeste wijnliefhebbers, en bovendien zijn het ook grotere DOC gebieden. Omdat de renners door Nimis komen, lijkt het me aangewezen om deze keer een zoete wijn in de schijnwerpers te plaatsen. Een DOCG weliswaar, maar waarschijnlijk toch eentje die niet iedereen onmiddellijk zal weten te kaderen: Ramandolo DOCG.

Ramandolo DOCG

Ramandolo DOCG is een klein wijngebied in Friuli Venezia Giulia. Het productiegebied ligt rond Nimis en Tarcento, ten noorden van Udine. Ramandolo zelf is een frazione van Nimis, een kleine deelkern binnen de gemeente. De oppervlakte aan Ramandolo wijngaarden bedraagt amper 34 hectare. Dat is goed voor ongeveer 760 hectoliter wijn per jaar. De appellatie werd in 2001 als aparte DOCG erkend, nadat Ramandolo voordien als subzone binnen Colli Orientali del Friuli bestond.

De eerste bekende vermelding van Ramandolo gaat terug tot juli 1273, toen het dorp werd vermeld als Villa de Ramandul. Later duikt ook de vorm Romandolo op. Over de oorsprong van die naam bestaat discussie. Volgens één verklaring verwijst hij naar een Romeinse oorsprong, volgens een andere naar het Friulische, neolatijnse karakter van de plek. Dat past bij de ligging van Ramandolo op een oude taalgrens, met hogerop Slavische en Sloveense invloeden en lager op de heuvels de Friulische wereld.

De wijngeschiedenis van Ramandolo begint op de moeilijke te bewerken hellingen. De percelen zijn klein, steil en vaak lastig bereikbaar. Wijnbouw was hier eeuwenlang geen comfortabele landbouw, wel een manier om uit de heuvels iets leefbaars te halen. Families werkten kleine stukken grond, met lage opbrengsten, veel manuele arbeid en kennis die van generatie op generatie werd doorgegeven.

Centraal staat de druif Verduzzo Friulano, lokaal Verduzzo Giallo genoemd. Die druif heeft een stevige schil, kan goed suiker opbouwen en brengt voor een witte druif opvallend veel tannine mee.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen aan de voet van Monte Bernadia. Die berg is belangrijk, want hij beschermt de wijngaarden tegen koude noordenwind. De percelen liggen op zuidelijk georiënteerde hellingen, vaak tussen ongeveer 250 en 400 meter hoogte.

De bodems bestaan vooral uit mergel uit het Eoceen, de typische ponca die ook elders in Friuli belangrijk is. In Ramandolo krijgt die ondergrond extra nuance door de nabijheid van de kalkrijke massa van Monte Bernadia.

De hellingen kunnen erg steil zijn, soms meer dan 30 procent. De terrassen zijn op sommige plaatsen bijzonder smal. Mechanisatie is daardoor beperkt en veel werk gebeurt met de hand. Snoeien, canopy management, selectie en oogst vragen hier meer tijd dan in de vlakke delen van Friuli.

Ramandolo behoort tot de koelere wijnzones van Friuli Venezia Giulia. De regenval is hoog en het aantal regendagen ligt ruim boven wat men in veel andere Italiaanse wijngebieden gewoon is. Bovendien is het risico op hagel groot. Daarom hangen in veel wijngaarden hagelnetten, wat het werk nog omslachtiger maakt.

Passito

Ramandolo is een zoete witte passito op basis van Verduzzo Friulano. Deze druif moet het volledige gewicht van de wijn dragen en is dus voor de volle honderd procent aanwezig. De druiven worden laat geoogst en kunnen gedeeltelijk aan de plant indrogen. Daarna kan het appassimento verdergaan in geschikte lokalen, met natuurlijke verluchting, temperatuurcontrole of geforceerde ventilatie. Ook droogrekken en kistjes worden gebruikt.

Tijdens het indrogen verliezen de druiven water. Suiker, zuren, aroma’s en extract worden daardoor geconcentreerd. Dat geeft Ramandolo zijn volle textuur, zijn intens goudgele kleur en zijn aromatisch profiel van gedroogd fruit, honing, noten en kruiden. In gunstige jaren kan ook edele rotting een rol spelen, wat extra complexiteit toevoegt.

Verduzzo Friulano is bijzonder geschikt voor deze werkwijze. De dikke schil beschermt de druif tijdens het indrogen en maakt een langere concentratie mogelijk. Diezelfde schil brengt ook tannine mee, uitzonderlijk voor een witte druif. Bij Ramandolo is dat een dankbaar element, omdat de zoetheid daardoor beter in evenwicht blijft en de wijn minder snel een kleverig karakter krijgt.

De appellatie kent twee types: Ramandolo en Ramandolo Riserva. De gewone Ramandolo mag pas vanaf november van het jaar na de oogst op de markt komen. Voor Ramandolo Riserva is de rijping langer en volgt de vrijgave pas vanaf 1 december van het derde jaar na de oogst. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Het gebruik van de Riserva was lange tijd niet mogelijk. Het is pas sinds de aanpassing van het disciplinare in 2024 dat Ramandolo Riserva ook als aparte vermelding op het etiket mag verschijnen.

De vinificatie verschilt van producent tot producent. Sommige kiezen voor een korte schilmaceratie, waardoor de wijn meer structuur en een duidelijkere bittertoets krijgt. Andere werken meer in de richting van een klassieke witte vinificatie, met een zachtere en toegankelijkere stijl als resultaat. Houtopvoeding kan de wijn ronder maken en extra toetsen van specerijen, vanille en gedroogd fruit toevoegen. Als een rode draad doorheen het hele wijnprofiel is er steeds de amandel. Deze is zowel in geur als in smaak heel duidelijk aanwezig.

Giro d’Italia 2026, rit 19: Vigneti della Serenissima DOC, van Feltre naar Alleghe

Wil er nog een klassementsman de Giro op zijn kop zetten, dan is de rit van vandaag daar uitermate geschikt voor. Je moet van geen kleintje vervaard zijn, want in rit 19 van Feltre naar Alleghe, Piani di Pezzè, trekken we over de grens van 2000 meter. Dit is de koninginnenrit. Ben je geen geboren klimmer, dan wordt dit vooral overleven. Met amper 150 kilometer op de teller wordt het voor sommigen wellicht rekenen, afzien en hopen dat ze netjes binnen de tijd aankomen.

Serenissima DOC komt voor deze rit mooi uit de bus. We rijden door de provincie Belluno, waar we deze, en dat zeg ik met volle overtuiging, vergeten metodo classico schuimwijn kunnen ontdekken. Ik moet eerlijk bekennen dat het ook voor mij alweer een eeuwigheid geleden is dat ik deze wijn in het glas heb gehad. In september zijn we niet al te ver uit de buurt, dus misschien is dit de ideale gelegenheid om hem opnieuw op te zoeken en nog eens af te vinken.

Vigneti della Serenissima DOC

Vigneti della Serenissima o Serenissima DOC bestaat sinds 2011. De wijngaarden liggen verspreid over delen van Belluno, Treviso, Padova, Vicenza en Verona. Het gaat om heuvelachtige en bergachtige zones, met wijngaarden die maximaal tot 700 meter hoogte mogen liggen. De DOC is volledig gericht op spumante met hergisting op fles, metodo classico dus. En daarmee biedt ze een alternatief in het land van Prosecco.

Met amper 81 hectare aan wijngaarden kan deze appellatie het niet onmiddellijk groots aanpakken. De gemiddelde productie van 130 hectoliter maakt dat beeld nog wat extremer. Dat is bijna niets. En eigenlijk is dat opmerkelijk als je de echt wel brede productiezone bekijkt, die verspreid ligt over maar liefst vijf provincies. Dit betekent dat slechts een beperkt aantal percelen effectief voor Serenissima DOC wordt ingezet. Waarom? Veel producenten kiezen in Veneto sneller voor bekendere denominaties of voor IGT, terwijl metodo classico meer tijd, investering en commerciële overtuiging vraagt. Mocht je je afvragen waarom we nog niet echt van Serenissima DOC hebben gehoord, dan heb je hier de reden.

De naam Serenissima verwijst naar de Serenissima Republiek Venetië, die van de achtste eeuw tot 1797 een groot deel van Veneto en het noordoosten van Italië bestuurde. De wijnbouw op de Venetiaanse heuvels bestond al veel langer, maar kreeg onder Venetiaanse aristocraten en rijke handelaars een duidelijke kwaliteitsimpuls. Zij lieten villa’s en landgoederen bouwen in de heuvelzones van Veneto, waar naast voedsel ook wijn werd geproduceerd voor eigen gebruik, ontvangst en prestige.

Vanaf de jaren vijftig kreeg die historische basis een modern vervolg. In de regio werd intensief gewerkt rond druivenselectie, klonale keuzes, aangepaste teelttechnieken en betere keldertechnieken. Het doel was steeds duidelijker: druiven produceren die geschikt waren voor frisse witte wijnen, frizzante en spumante.

Voor Serenissima DOC is vooral die laatste evolutie belangrijk. De verfijning van de hergisting op fles gaf de regio een technische basis voor metodo classico.

Bodem en klimaat

De productiezone laat zich niet in één landschap vatten. Ze loopt van de noordelijke zones bij Belluno, dicht bij de uitlopers van de Alpen, tot de heuvelgebieden van Treviso, Padova, Vicenza en Verona. Daardoor krijg je geen uniform bodemverhaal. Het is dus geen makkelijke opdracht om deze DOC bodemkundig heel precies te typeren.

De bodems kunnen zowel vulkanisch als sedimentair van oorsprong zijn. Het gaat om bodems die eerder mineraalrijk zijn, arm aan organische stof en voldoende stenen of grover materiaal bevatten. Dat zorgt voor natuurlijke drainage. In heuvelachtige en bergachtige zones is dat belangrijk, want regenwater moet kunnen wegtrekken zonder dat de bodem meteen kurkdroog wordt. Lage, vlakke percelen onderaan de hellingen zijn uitgesloten.

Het klimaat is koeler en meer geventileerd dan in de lagere delen van Veneto. De hoogteverschillen, de nabijheid van de bergen en de ligging op hellingen zorgen voor meer luchtbeweging en frissere nachten.

Spumante

Makkelijk en herkenbaar. Net als Franciacorta, Trento of Alta Langa moet Serenissima DOC een schuimwijn zijn. Je kan hem vinden als klassieke witte spumante, rosé spumante, millesimato of riserva. Hij moet verplicht volgens de metodo classico gemaakt worden, zoals in Champagne dus.

De minimale rijping op de gisten verschilt per type. De witte spumante en rosé moeten minstens 12 maanden rijpen. Voor millesimato is dat minstens 24 maanden. Voor riserva wordt dat minstens 36 maanden. Die langere rijping zorgt natuurlijk voor meer complexiteit.

De toegelaten dosages zijn niet dezelfde voor elk type bubbel. De gewone spumante en rosé kunnen van brut nature tot sec gaan. Millesimato kan van brut nature tot dry. Riserva blijft beperkt van brut nature tot brut.

De druiven die gebruikt kunnen worden zijn Chardonnay, Pinot Bianco en Pinot Nero. Een vaste verhouding is er niet. Ook voor de rosé wordt geen minimumpercentage Pinot Nero opgelegd, al ligt het natuurlijk voor de hand dat deze druif daar een belangrijke rol speelt voor kleur en fruit. Een Serenissima DOC kan dus uit één druif bestaan, of uit een assemblage van twee of drie druiven.

Giro d’Italia 2026, rit 18: Colli di Conegliano DOCG, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo

Voor rit 18 maak ik een uitzondering op mijn vooropgestelde doel om telkens een onbekende DOC te bespreken. De reden is heel eenvoudig: Refrontolo. De renners passeren er en dat is werkelijk te mooi om te laten liggen.

Heel erg is die afwijking nu ook weer niet. We schuiven inderdaad door naar een DOCG, maar ik vermoed dat Colli di Conegliano DOCG voor heel wat lezers even onbekend zal zijn als de meeste kleine DOC’s die we tot nu toe hebben besproken. Zeker Refrontolo zal bij velen niet meteen herkenning oproepen. Deze streek wordt immers bijna automatisch verbonden met de bekende Prosecco uit Conegliano Valdobbiadene.

De renners trekken van Trentino naar Veneto, van Fai della Paganella naar Pieve di Soligo, door opnieuw een bijzonder mooi decor. Het parcours laat bovendien nog veel open. Op papier lijkt dit een etappe waarin snelle mannen kunnen dromen, want echte bergen moeten er niet meer over. Toch zit de angel in de finale. Na zoveel koersdagen is het maar de vraag of er nog voldoende sprintersploegen overblijven om alles te controleren, zeker met Refrontolo, de Muro di Ca’ del Poggio en de heuvels rond Pieve di Soligo in het slot.

De winnaar zal alvast getrakteerd worden op een magnumfles Cartizze.

Colli di Conegliano DOCG

Colli di Conegliano DOCG ligt in de provincie Treviso, in de heuvelzone rond Conegliano, Susegana, Pieve di Soligo, Farra di Soligo, Refrontolo, San Pietro di Feletto, Miane, Follina, Cison di Valmarino, Revine Lago, Tarzo, Vittorio Veneto, Fregona en een aantal omliggende gemeenten.

De erkenning als DOC kwam er in 1993. In 2011 volgde de promotie naar DOCG. Opvallend is vooral hoe klein de appellatie vandaag blijft. De appellatie telt amper achtentwintig hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer zeshonderdveertig hectoliter. Dat is bijzonder weinig. We komen de wijnen dan ook amper tegen buiten hun eigen kerktoren en het is dus geen wonder dat dit zo goed als onbekend terrein is.

Toch is er ook hier een rijke geschiedenis. Er was naar het schijnt al wijnbouw van in de ijzertijd, met de Paleoveneti als vroege gebruikers van de gedomesticeerde wijnstok. De Romeinen brachten meer orde in de aanplantingen. Later speelden de benedictijnen een belangrijke rol rond de versterkte centra van Ceneda, Serravalle, Conegliano en Susegana.

De band met witte wijn is al gedocumenteerd in de Statuti Coneglianesi van 1282. Onder de Republiek Venetië groeide de faam van de wijnen uit deze heuvels verder. In de vijftiende eeuw doken verwijzingen op naar de waardering voor de wijn van Feletto aan het hof van de doges. Ook de doortocht van keizer Karel V in 1532 wordt in de historische context aangehaald, met verwijzingen naar de wijnen van Feletti en Collalbrigo.

Refrontolo neemt binnen de denominatie een bijzondere plaats in. De productiezone is veel kleiner en beperkt zich tot delen van Refrontolo, Pieve di Soligo en San Pietro di Feletto. De wijn wordt vandaag gemaakt op basis van Marzemino, een druif die in deze streek al vroeg opduikt. Al in de vroege vijftiende eeuw zijn er verwijzingen van Venetiaanse edelen naar kostbare Marzeminowijnen uit deze heuvels. Giacomo Agostinetti noemt de Marzemini in 1679, en ook in de achttiende eeuw wordt de band tussen dit ras en de heuvels van Conegliano verder bevestigd.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen op zachte heuvels in het oosten van Veneto. Ten noorden van de zone liggen de Dolomiti Bellunesi, zuidelijker laat de Adriatische Zee haar invloed voelen. De heuvelruggen lopen van oost naar west door het noorden van de provincie Treviso en vormen een gebied dat geschikt is voor zowel witte als rode druiven.

De Alpen en Vooralpen schermen de zone deels af tegen koude luchtstromen uit het noorden. De nabijheid van de zee tempert het klimaat. Daardoor krijg je een gematigd klimaat met voldoende warmte, maar ook met duidelijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht.

De bodems gaan terug op een oude mariene ondergrond, later verder gevormd door erosie en glaciale afzettingen. In de praktijk betekent dit dat we vaak te maken hebben met bodems van alluviale en morenische oorsprong, met grind, stenen en voldoende kalk.

Dat stenige karakter helpt bij de drainage, zeker op hellingen waar overtollig water snel moet kunnen wegtrekken. Tegelijk kunnen de diepere bodems voldoende vocht vasthouden om de wijnstok door warme zomers te helpen. Die combinatie van drainage en waterreserve is belangrijk in een streek waar behoorlijk wat neerslag kan vallen.

Ventilatie speelt eveneens een grote rol. Vooral in het noordelijke deel van de Colli di Conegliano zorgen luchtstromen voor afkoeling en voor het drogen van druiven en bladeren. Dat helpt tegen schimmeldruk. Voor de passito’s is het nog belangrijker. Refrontolo en Fregona staan bekend als plaatsen waar frisse, droge luchtstromen natuurlijke indroging mogelijk maken.

Rode wijnen

De rode Colli di Conegliano DOCG wordt gemaakt van Cabernet Franc, Cabernet Sauvignon, Marzemino en Merlot. Elk van deze druiven moet minstens tien procent aanwezig zijn. Merlot mag maximaal veertig procent van de blend uitmaken. Daarnaast mogen Manzoni Nero 2.15 en Refosco dal Peduncolo Rosso samen maximaal twintig procent toevoegen.

De gewone rosso moet minstens vierentwintig maanden rijpen, gerekend vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moet minstens zes maanden in hout en minstens drie maanden op fles gebeuren. Voor de riserva loopt de totale rijping op tot minstens zesendertig maanden, waarvan minstens twaalf maanden in hout.

In het glas mag je rijp rood en zwart fruit verwachten, met kruidigheid, voldoende body en een duidelijke maar beheerste tannine. Cabernet Franc en Cabernet Sauvignon geven ruggengraat en soms een meer groene of kruidige toets. Merlot brengt ronding. Marzemino kan voor een meer florale en fruitige inslag zorgen. Refosco en Manzoni Nero kunnen, wanneer ze gebruikt worden, extra kleur, spanning en karakter toevoegen.

Een amusant weetje is dat Colli di Conegliano rosso de eerste rode wijn met denominatie van de Sinistra Piave was, de linkeroever van de Piave. Het was bij wijze van spreken een inbreker in een gebied waar wit en mousserend, laat ons eerlijk zijn, nog altijd grotendeels de lakens uitdelen.

Refrontolo is de meest eigenzinnige rode wijn van de DOCG. Hij wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet-aromatische rode druiven uit de provincie Treviso mag worden toegevoegd. De druiven moeten eerst indrogen tot ze een minimaal potentieel alcoholvolume van 14,5 procent bereiken. Misschien is de vergelijking niet helemaal correct, maar je mag Refrontolo bekijken als een soort mini Amarone met Marzemino in de hoofdrol, tenminste wanneer hij droog wordt gevinifieerd. Er bestaat immers ook een passitoversie.

De wijn moet minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens twaalf maanden in hout en drie maanden op fles. In de officiële smaakomschrijving komt Refrontolo naar voren als een robijnrode tot granaatrode wijn, warm, vol, harmonieus en met een fluwelige indruk. In het glas geeft Marzemino hier vaak rijpe kers, pruim, viooltjes, klein donker fruit en zachte specerijen.

Witte wijnen

Ook Colli di Conegliano bianco kan een blend zijn van heel wat druiven. De belangrijkste is echter Manzoni Bianco, die voor minstens dertig procent aanwezig moet zijn. Daarnaast moet minstens dertig procent bestaan uit Pinot Bianco, Chardonnay of een combinatie van beide. Sauvignon Blanc en Riesling Renano mogen samen maximaal tien procent van de blend innemen.

Manzoni Bianco verdient wat meer uitleg, want het is een streekgebonden druif zonder dat ze spontaan in de wijngaard is ontstaan. Ze werd gecreëerd door Luigi Manzoni, die jarenlang verbonden was aan de wijnbouwschool van Conegliano. Het is een kruising van Riesling Renano en Pinot Bianco, en ze past bijzonder goed bij de heuvelachtige en morenische ondergrond van deze zone. De druif voelt zich immers goed op stenige, droge en arme bodems.

De witte wijn moet minstens vier maanden rijpen en kan vanaf maart van het jaar na de oogst op de markt komen. In het glas vind je dan een wijn met een strogele kleur, aroma’s van rijp wit fruit, citrusfruit, veldbloemen en een licht kruidige toets. In de mond geeft dit een goed evenwicht tussen zuren en sappig fruit. De wijn bezit een rond mondgevoel met voldoende frisheid.

Passito

Colli di Conegliano heeft naast rood en wit nog twee heel speciale wijnen in het zoete segment: Refrontolo passito en Torchiato di Fregona. Ze verschillen sterk van elkaar en je kan ze eigenlijk in niets met elkaar vergelijken. De ene is rood, de andere wit. Het enige gemeenschappelijke punt is dat beide wijnen gemaakt worden via appassimento, het indrogen van de druiven.

Refrontolo passito wordt gemaakt van minstens vijfennegentig procent Marzemino. Maximaal vijf procent andere niet aromatische rode druiven is toegestaan. De druiven moeten indrogen tot minstens zestien procent potentieel alcoholvolume. Het maximale rendement van druif naar wijn ligt laag, met hoogstens vijfenveertig procent. De druiven worden ingedroogd op rekken tot de week voor Kerstmis.

De passito moet minstens vier maanden rijpen, waarvan minstens drie maanden op fles. Dat levert een rode passito op met de typische geuren van ingedroogde Marzemino. Denk aan rijpe kers, bosfruit, pruim, viooltjes, gedroogd fruit, specerijen en soms een licht amandelachtige toets. Als we bij de droge versie de vergelijking maakten met Amarone, dan kunnen we deze passito ergens richting Recioto plaatsen, al blijft Marzemino natuurlijk een heel andere druif.

Die andere zoete wijn, de Torchiato di Fregona, is de witte passito van de appellatie. Hij wordt gemaakt van druiven die niet vreemd klinken in deze Prosecco streek: minstens dertig procent Glera, minstens twintig procent Verdiso en minstens vijfentwintig procent Boschera. Daarnaast mag maximaal vijftien procent andere niet aromatische witte druiven worden gebruikt.

De productiezone is beperkt tot Fregona, Sarmede en Cappella Maggiore. De druiven moeten minstens honderdvijftig dagen indrogen na de oogst. Ze mogen niet vóór 1 februari van het jaar na de oogst worden geperst. De wijn moet vervolgens minstens vierentwintig maanden rijpen, waarvan minstens vijf maanden op fles. De maximale opbrengst van druif naar wijn bedraagt slechts vijfentwintig procent.

Torchiato di Fregona heeft meestal een diepe goudgele kleur. In de geur zitten honing, gedroogde abrikoos, gekonfijte citrus, rijpe appel, kruiden en noten. Verdiso helpt om frisheid te bewaren. Boschera geeft structuur en is bijzonder geschikt voor lange indroging. Glera zorgt, net zoals in Prosecco, voor primair fruit.

Giro d’Italia 2026, rit 17: Valcalepio DOC, van Cassano d’Adda naar Andalo

Na twee dagen stilte is de Giro zijn laatste week ingegaan. Maandag was er de traditionele rustdag en dinsdag bleef rit 16 volledig op Zwitsers grondgebied, waardoor we er geen Italiaanse appellatie aan konden koppelen. En dus richten we ons opnieuw op Italië, met de verraderlijke rit van Cassano d’Adda naar Andalo.

Rit 17 gaat bijna voortdurend in stijgende lijn, zonder dat er meteen een echte monsterklim op het menu staat. Dat maakt ze lastig te controleren. De punchers zouden hier wel eens vrij spel kunnen krijgen, zeker als de vlucht van de dag voldoende marge krijgt voor de finale richting Andalo.

Voor onze bespreking zag ik twee mogelijkheden die bij het ritprofiel passen. Omdat de rit eindigt in Trentino en door de Piana Rotaliana komt, zou Teroldego Rotaliano DOC zeker aangewezen zijn. Ik kies echter voor een DOC die dichter bij het eerste deel van de rit ligt, rond Bergamo: Valcalepio DOC. Minder bekend, en net daarom boeiender voor onze reeks.

Valcalepio DOC

Valcalepio DOC ligt in de provincie Bergamo, in Lombardije. De denominatie werd erkend in 1976 en omvat een heuvelzone tussen de uitlopers van de Orobie, Lago d’Iseo en Monte Canto.

Het wijngebied telt ongeveer 113 hectare wijngaardoppervlakte en een gemiddelde productie van ongeveer 5.940 hectoliter. Daarmee blijft de appellatie vrij beperkt in omvang.

De productiezone wordt nauwkeurig afgebakend. Ze vertrekt in het oosten bij de monding van de Torrente Rino in Lago d’Iseo, in de gemeente Predore, en volgt daarna een lange lijn van beken, valleien, heuvelruggen, gemeentegrenzen en oude wegen. Sarnico, Viadanica, Foresto Sparso, Berzo San Fermo, Trescore Balneario, Cenate Sopra, Scanzorosciate, Nembro, Alzano Lombardo, Ponteranica, Sorisole, Villa d’Almè, Almenno San Salvatore, Almenno San Bartolomeo, Palazzago, Pontida, Sotto il Monte Giovanni XXIII en Carvico geven een goed beeld van de brede heuvelgordel van de provincie Bergamo waarin de DOC zich uitstrekt. De grens keert uiteindelijk terug richting Sarnico en de oever van Lago d’Iseo aan de zijde van Bergamo.

Hoewel de DOC pas in 1976 werd erkend, is er al in de middeleeuwen bewijs dat Bergamo sterk was verbonden met wijnbouw. Tot het einde van de elfde eeuw zouden bijna vier vijfde van de bewerkte landbouwgronden wijngaarden zijn geweest. Ook net buiten de stad lag opvallend veel wijngaard, meer dan in veel andere landbouwgebieden rond stedelijke centra. In oude documenten worden wijngaarden bovendien hoger gewaardeerd dan akkers. Niets nieuws onder de zon dus, zou je denken. Alleen woog wijnbouw in die tijd economisch anders door dan vandaag.

Latere bronnen blijven de wijnbouw rond Bergamo vermelden. In de zestiende eeuw wordt gesproken over de vruchtbaarheid van het gebied en over uitstekende wijnen. De valleien van de Brembo en de Serio hadden een reputatie voor zowel rode als witte wijnen.

Bodem en klimaat

Het gebied is heuvelachtig en ligt tussen de Povlakte en de eerste uitlopers van de Alpen in het noorden van de provincie Bergamo. De wijngaarden liggen doorgaans op goed geëxposeerde hellingen en heuvelflanken. Voor druiven bestemd voor rode wijn werd de maximale hoogte bepaald op 600 meter. Voor Chardonnay, Pinot Bianco en Pinot Grigio gaat dat tot 700 meter.

Leuk detail, voor mezelf dan toch, is dat je heel wat detailinformatie over de bodem kan vinden met de lokale benamingen. Dat maakt het wel ingewikkeld, zeker wanneer die bodemsamenstelling zo gevarieerd is.

In de heuvelzone komen onder meer Selcifero Lombardo (kalksteen met silex), Maiolica di Bruntino (fijnkorrelige kalksteen met silex), Sass de Luna (kalksteen en mergel), flyschformaties (afwisselende lagen van zandsteen, mergel en klei), Arenaria di Sarnico (zandsteen), Pietra di Credaro (kalkrijke zandsteen) en alluviale gronden (rivierafzettingen van zand, leem, klei en grind) voor.

In het noordwestelijke deel rond Bergamo overheersen meer schistachtige en kleiige bodems. Richting Lago d’Iseo komen vaker klei en kalksteen naar voren.

Het klimaat wordt meestal omschreven als gematigd continentaal, met invloed van de heuvels en van Lago d’Iseo. Binnen de DOC worden verschillende klimaatzones onderscheiden: de westelijke heuvels, de oostelijke heuvels en de zone rond Trescore Balneario. De oostelijke zone krijgt doorgaans wat meer warmte. Hogere en beter geventileerde percelen bewaren meer frisheid.

Rode wijnen

Valcalepio rosso wordt in hoofdzaak gemaakt van Merlot en Cabernet Sauvignon. Merlot mag tussen 40 en 90 procent van de assemblage uitmaken. Cabernet Sauvignon zit tussen 10 en 60 procent. Daarnaast mag maximaal 15 procent bestaan uit Franconia, Incrocio Terzi n.1, Merera, Rebo en Petit Verdot.

Opmerkelijk is dat de verhouding tussen Merlot en Cabernet Sauvignon in 2025 nog werd aangepast. Voordien moest Cabernet Sauvignon minstens 25 procent van de assemblage uitmaken en mocht Merlot maximaal 75 procent bedragen. Daarmee krijgt Merlot duidelijk meer ruimte binnen Valcalepio rosso.

De reden voor die wijziging ligt mee in de wijngaard. Cabernet Sauvignon blijkt in deze streek gevoeliger voor aantastingen van het houtweefsel, met esca als bekendste voorbeeld. Daardoor kunnen stokken geleidelijk onproductief worden en ontstaan er meer open plekken in de wijngaard.

De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Daarvan moeten minstens drie maanden in houten vaten gebeuren. In het glas verwacht je een robijnrode wijn, met een vrij intens aroma en een droge, volle smaak. Donker fruit, pruim, zwarte kers, cassis, kruiden en een lichte vegetale toets van Cabernet Sauvignon.

Voor Valcalepio rosso riserva mogen enkel Merlot en Cabernet Sauvignon worden gebruikt, in dezelfde verhouding als bij de gewone rosso. De rijping is strenger. Valcalepio rosso riserva moet minstens drie jaar rijpen, waarvan minstens één jaar in eikenhout. De wijn mag pas vanaf 1 november van het derde jaar na de oogst op de markt komen.

De kleur kan richting granaat gaan. In de geur krijg je naast donker fruit ook tabak, ceder, leder, specerijen en soms een wat etherische toets. De mond is voller, steviger en meer gestructureerd.

Witte wijnen

Ook bij de witte wijnen staan internationale druivenrassen centraal. Valcalepio bianco wordt gemaakt van Chardonnay en of Pinot Bianco, samen goed voor 55 tot 80 procent. Pinot Grigio vult aan met 20 tot 45 procent. Voor de witte wijn wordt geen verplichte rijpingsperiode opgelegd.

Pinot Bianco zorgt meestal voor frisheid, ingetogen fruit en een rustige structuur. Chardonnay kan wat meer volume, rijper fruit en breedte geven. Pinot Grigio brengt toegankelijkheid, sappigheid en soms een licht kruidige toets.

In het glas mag je een strogele kleur verwachten, met aroma’s van appel, peer, citrus, witte bloemen en soms wat amandel. De mond is droog, harmonieus en vrij herkenbaar.

Passito

Naast de rode en witte wijnen wordt er ook een zoete passitowijn gemaakt. Valcalepio Moscato passito vertrekt van minstens 85 procent Moscato di Scanzo. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere druiven die in Lombardije zijn toegelaten.

Ook dit is een recente wijziging in het disciplinare. Vroeger moest de wijn volledig uit Moscato bestaan. Door de verlaging naar 85 procent krijgen producenten iets meer ruimte om het aromatische profiel van de wijn bij te sturen.

De wijn mag pas vanaf 1 april van het tweede jaar na de oogst op de markt komen. Het totaal alcoholgehalte moet minstens 17 procent bedragen. De wijn moet minimaal 30 gram restsuiker per liter bevatten.

De kleur is robijnrood, soms richting cerasuolo met granaatrode reflecties. In de geur verwacht je rijp rood fruit, kersenconfituur, rozen, gedroogde bloemen, kruiden, specerijen en soms wat honing. In de mond is Valcalepio Moscato passito zoet, geconcentreerd en aromatisch.

Giro d’Italia 2026, rit 15: Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, van Voghera naar Milano

We rijden verder, van Voghera naar Milano. Ik trakteer met een flesje Classese als dit geen sprintersetappe wordt. Veel renners zullen opgelucht zijn met het profiel van deze 15e rit. Na de bergrit van de vorige dag kunnen ze opnieuw wat op adem komen, met de zware laatste week al nadrukkelijk in het achterhoofd.

De keuze voor de DOC was misschien wel een van de makkelijkste van deze Giro. Starten in Voghera, daarna richting Casteggio. Tja, dan zit je meteen in Oltrepò Pavese. Ik kies dan ook voor het specialleke van deze appellatie: Buttafuoco. Het is altijd al een wijn geweest die me triggert, ook al kan de kwaliteit behoorlijk schommelen. Ik heb recht van spreken, want ik heb er in mijn wijnleven toch al wel wat geproefd.

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC

Buttafuoco dell’Oltrepò Pavese DOC, of gewoon Buttafuoco, is sinds 2010 een zelfstandige DOC. Daarvoor bestond hij al als type binnen de ruimere Oltrepò Pavese DOC, waar hij sinds 1970 mee onder viel. Die aparte erkenning kwam er om deze historische rode wijn uit een veel kleinere heuvelzone dan de overkoepelende DOC een eigen identiteit te geven. Die beweging kreeg in 1996 vorm, toen enkele wijnbouwers zich verenigden om Buttafuoco opnieuw scherper te positioneren.

De historische kern ligt op de heuvelrug tussen de valleien van de Versa en de Scuropasso. Dat is de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese, rond Stradella, een zone die bekendstaat als het Sperone di Stradella. De productiezone ligt in de provincie Pavia, in het oostelijke deel van Oltrepò Pavese, binnen de gemeenten Stradella, Broni, Canneto Pavese, Montescano, Castana, Cigognola en Pietra de’ Giorgi.

De streek heeft al eeuwen een duidelijke wijnbouwroeping. Dat heeft veel te maken met haar ligging als doorgangsgebied voor legeraanvoerders, pelgrims en handelaars. Die passage zorgde voor afzet en bracht tegelijk nieuwe contacten mee. In documenten uit de achttiende eeuw wordt op het Sperone di Stradella al verwezen naar krachtige rode wijnen, geschikt voor de tafels van adel, kloosters en stedelijke elites in Pavia en Milano.

De naam Buttafuoco wordt verbonden met het Milanese dialect, waarin de vorm Butafeug opduikt. Die werd gebruikt voor een wijn uit de heuvels van Stradella, met veel body en alcohol, een wijn die bijna de mond brandde.

Er doet ook een verhaal uit 1859 de ronde, tijdens de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog. Oostenrijkse mariniers zouden op weg naar de strijd in de heuvels rond Stradella verdwenen zijn en pas de dag nadien zijn teruggevonden in een kelder, stevig onder invloed van de plaatselijke Buttafuoco. Later werd het verhaal verbonden met een marineschip dat dezelfde naam kreeg. Vandaar ook het schip als logo van de wijnbouwers die Buttafuoco opnieuw wilden opwaarderen.

Vandaag blijft Buttafuoco een relatief kleine DOC. Het wijngaardareaal bedraagt slechts 47 hectare en de productie blijft beperkt. De DOC voorziet twee types: een stille rode wijn en een rode frizzante. Barbera en Croatina vormen de basis, aangevuld met Uva Rara en Ughetta.

Bodem en klimaat

Oltrepò Pavese ligt in het zuiden van Lombardije, onder de Po, waar de vlakte overgaat in heuvels en uiteindelijk richting Apennijnen kijkt. Het gebied vormt een kruispunt tussen Lombardije, Piemonte, Ligurië en Emilia Romagna. Wie even in de geschiedenisboeken kijkt, ziet dat dit deel vroeger zelfs bij Piemonte hoorde.

De zone van Buttafuoco behoort tot de eerste heuvelstrook van Oltrepò Pavese. De wijngaarden liggen niet in de vlakte en ook niet in de koele dalbodems. De percelen bevinden zich op vaak bijzonder mooie, glooiende hellingen, met voldoende zon en een duidelijk reliëf.

De hoogte ligt vooral tussen 150 en 350 meter. De hellingen kunnen behoorlijk stevig zijn, plaatselijk richting 35 procent. Het landschap bestaat uit heuvelruggen, kleine valleien en wijngaarden die zich in dat reliëf nestelen.

Geologisch zit je hier in een complex gebied. Kalkrijke mergel, zandsteen, silt, klei en conglomeraten komen er naast elkaar voor. Er is veel variatie, met kalk, klei en een goede drainage als duidelijke rode draad. De bodems zijn vaak alkalisch, matig diep en voldoende doorlatend.

Het klimaat is continentaal en eigenlijk verrassend warm. In de lagere en middelhoge heuvelzone ligt de gemiddelde jaartemperatuur rond 12 graden. Januari is fris, met gemiddelde waarden rond 1 graad, terwijl juli en augustus doorgaans rond 22 tot 24 graden uitkomen. De zomerse maxima zitten vaak rond 28 tot 30 graden. De neerslag ligt meestal tussen 800 en 900 millimeter per jaar. Wind speelt hier ook een rol, waaronder föhnachtige bewegingen die de luchtvochtigheid kunnen verlagen en de verdamping versterken. Eens ter plaatse merk je dat zeer goed.

Rode wijnen

Buttafuoco is altijd rood en bestaat in twee versies: een stille rode wijn en een frizzante. In beide gevallen gaat het verplicht om een blend. Barbera moet tussen 25 en 65 procent van de samenstelling uitmaken. Croatina moet eveneens tussen 25 en 65 procent liggen. Uva rara en Ughetta, beter bekend als Vespolina, mogen samen of afzonderlijk tot maximaal 45 procent aanvullen.

Barbera brengt vooral zuren en sappigheid. Croatina geeft kleur, donkerder fruit, volume en tannine. Uva rara maakt het fruit wat zachter. Vespolina brengt kruidigheid, soms met een licht peperige toets.

De wijn mag pas vanaf 30 april van het jaar na de oogst op de markt komen. Dat betekent in de praktijk een korte minimale opvoeding, maar geen lange verplichte rijping. Houtopvoeding is toegelaten, maar niet verplicht. Een aparte riserva of superiore bestaat binnen deze DOC niet.

Qua kleur zit Buttafuoco meestal in het levendige robijnrood, vaak behoorlijk intens. In de neus mag je rijp rood fruit, donkerder fruit, viooltjes, pruim en soms een kruidige toets verwachten. De smaak is doorgaans droog, vol en stevig gebouwd. De tannine komt vooral van Croatina. Je proeft een wijn met rijp fruit, kruidigheid, voldoende zuren en een correct evenwicht. Wel moet je opletten dat Buttafuoco niet te zwaar wordt. Bij te veel rijpheid en alcohol schuift het fruit vrij snel richting compote en warmte.

De frizzante versie is eveneens rood en droog. De lichte pareling bezorgt de wijn een totaal ander geur- en smaakprofiel. Het geheel voelt fruitiger aan, terwijl de tannine minder nadrukkelijk aanvoelt.

Giro d’Italia 2026, rit 14: Valle d’Aosta Nus DOC, van Aosta naar Pila

Tot nu toe hebben we het hooggebergte, misschien met uitzondering van de rit naar Blockhaus, nog niet echt aangedaan. Zodra we in Valle d’Aosta terechtkomen, verandert dat. Het profiel van rit 14, van Aosta naar Pila, laat weinig twijfel bestaan: dit wordt een dag van klimmen, dalen, opnieuw klimmen en nog eens dalen, met een aankomst bergop in Pila. Vlakke meters zullen de renners hier niet zoeken.

Om trouw te blijven aan mijn opzet om bij elke rit een passende DOC te bespreken, zijn zulke bergetappes een kleine nachtmerrie. Hoe hoger je het gebergte intrekt, hoe minder vanzelfsprekend wijnbouw wordt — en het moet dan ook nog eens een minder bekende naam zijn. Gelukkig telt de enige DOC van Valle d’Aosta zeven subdenominaties. Het ritprofiel brengt ons het dichtst in de buurt van Nus, en dus vind je hieronder de specificaties van Valle d’Aosta Nus.

Valle d’Aosta DOC Nus

Valle d’Aosta is de kleinste wijnregio van Italië, en dat merk je aan de indeling van de herkomstbenamingen. De regio heeft geen DOCG en geen IGT, maar één DOC: Valle d’Aosta of Vallée d’Aoste DOC, erkend in 1971 en nadien meermaals aangepast. Namen als Donnas, Chambave, Torrette, Enfer d’Arvier, Blanc de Morgex et de La Salle en Nus kregen daardoor toch een eigen gezicht binnen die ene brede DOC.

De schaal van Nus is uiteraard nog kleiner dan die van Valle d’Aosta als geheel. Voor Nus gaat het om amper 3,65 hectare ingeschreven wijngaard, voor Nus Malvoisie om 2,62 hectare. Samen kom je dus aan 6,27 hectare. Piepklein dus, en de kans dat je deze wijnen zomaar even bij je lokale wijnhandel zal treffen, is dan ook uiterst gering.

De productiezone van Nus ligt aan beide zijden van de Dora Baltea. Aan de kant van Fénis mag wijnbouw tot 650 meter hoogte. Aan de kant van Nus, Quart, Saint Christophe en Aosta loopt de toegelaten zone hoger, tot 850 meter. Dat verschil heeft vooral met zon te maken. De hellingen aan de kant van Nus kijken grotendeels naar het zuiden en krijgen daardoor meer warmte en licht. In Valle d’Aosta noemt men die zonnige zijde de adret. Aan de overkant, bij Fénis, kijken de hellingen vaker naar het noorden. Dat is de koelere envers. Daar wordt het sneller te fris om druiven betrouwbaar rijp te krijgen, waardoor de hoogtegrens lager ligt.

Bodem en klimaat

Nus ligt in het centrale deel van Valle d’Aosta, in een droge alpiene vallei waar wijnbouw vooral mogelijk is op plaatsen waar helling, zon en beschutting voldoende aanwezig zijn. Percelen met natte gronden of te weinig zon komen niet in aanmerking.

De bodems volgen het reliëf van de vallei. Dicht bij de Dora Baltea en op plaatsen waar water en erosie materiaal uit de hoger gelegen hellingen hebben afgezet, vind je vooral colluviale en alluviale gronden. Die kunnen wat dieper zijn, maar blijven vaak stenig en goed drainerend. Op de steilere hellingen worden de bodems dunner en armer, met meer stenen en grof puin. Waterhuishouding speelt daardoor een grote rol. De bodem moet genoeg reserve bieden om de wijnstok door droge periodes te helpen, maar mag nooit zwaar of drassig worden.

Het klimaat is continentaal en droog, met duidelijke invloed van de Alpen. Het centrale deel van de vallei behoort tot de drogere zones van Valle d’Aosta. De neerslag blijft beperkt, terwijl het aantal zonuren hoog is. Vooral aan het einde van het groeiseizoen worden de verschillen tussen dag en nacht belangrijk. Overdag kunnen de druiven verder rijpen, terwijl de koele nachten helpen om zuren en aromatische precisie te behouden.

Rode wijn

Valle d’Aosta Nus is een droge rode wijn op basis van Vien de Nus en Petit Rouge, samen goed voor minstens 70 procent van de assemblage. Binnen dat aandeel moet Vien de Nus minstens 40 procent vertegenwoordigen. Andere toegelaten blauwe druiven uit Valle d’Aosta mogen tot maximaal 30 procent worden toegevoegd. Beide druiven zijn sterk verbonden met Valle d’Aosta en spelen buiten de regio nauwelijks een rol. Petit Rouge is daarbij de bekendere en ruimer verspreide van de twee, terwijl Vien de Nus veel specifieker aan deze zone gelinkt blijft.

Nus heeft doorgaans een intense rode kleur met granaatreflecties. In de geur zitten voornamelijk aroma’s van sappig rood fruit, wilde bessen en een lichte florale toets, vaak aangevuld met kruidigheid, aardse toetsen en soms een licht vegetaal accent. De mond is eerder soepel dan krachtig, met fijne tannine, frisse zuren en een kruidige ondertoon.

De verplichte rijping bedraagt vijf maanden vanaf 1 december van het oogstjaar. Voor de vermelding superiore loopt dat op tot minstens acht maanden. Houtlagering is daarbij niet verplicht. Producenten kunnen dus zelf bepalen hoe ze die rijping invullen, zolang het karakter van de wijn bewaard blijft.

Witte wijn

De witte wijn uit Nus kan voor verwarring zorgen. Hij komt immers op de markt als Nus Malvoisie. De link met Malvasia wordt dan bijna automatisch gelegd, maar het gaat wel degelijk om Pinot Grigio, met de verplichting om deze druif voor de volle 100 procent te gebruiken.

Verwacht hier een wijn met een goudgele kleur. De geur is intens, met rijpere peer, gele appel, bloemen, zachte kruidigheid en soms een lichte amandeltoets. De smaak is dankzij het bergkarakter frisser dan je doorgaans van Pinot Grigio verwacht.

Naast de droge versie bestaat er ook een passito. Lokaal wordt deze stijl ook wel flétri genoemd. De druiven drogen na de oogst verder in een goed geventileerde ruimte, tot ze minstens 26 procent suiker bereiken. Mostconcentraat mag daarbij niet worden toegevoegd. De passito mag pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.

Dit geeft een intens kopergele wijn, met een krachtige geur en een zoete, warme smaak. Die warmte komt niet alleen van de alcohol, maar ook van de concentratie door het indrogen van de druiven. De minimale vereiste ligt op 16,5 procent totaal alcoholvolume, waarvan minstens 14 procent effectief vergist alcohol.

Giro d’Italia 2026, rit 13: Colline Novaresi DOC, van Alessandria naar Verbania

Ik zou voor de rit van Alessandria naar Verbania, ondertussen al rit nummer 13, alweer op het puntje van mijn stoel gaan zitten. Niet omwille van het ritprofiel, want daarvoor lijkt deze rit op papier iets te vriendelijk, maar wel om de omgeving te aanschouwen. De Giro trekt opnieuw door een zeer mooi stuk Italië, anders weliswaar dan tijdens de voorgaande ritten, maar daarom niet minder aantrekkelijk. Dit keer eindigen we in Verbania, mondain en statig gelegen aan het Lago Maggiore.

Veel kans trouwens dat de rit op een sprint zal eindigen, tenzij het knobbeltje van derde categorie in de finale daar anders over denkt. Daarna gaat het razendsnel in dalende lijn richting aankomst.

Leuk wat mij betreft dat we dit deel van Piemonte aandoen. We blijven de volledige 189 kilometer binnen dezelfde regio cruisen en trekken bovendien door Alto Piemonte. Hier zijn immers heel wat verborgen pareltjes van wijngebieden te vinden. De keuze voor vandaag viel dan ook, na wat wikken en wegen, op Colline Novaresi DOC.

Colline Novaresi DOC

Met Colline Novaresi DOC schuiven we richting het noorden van Piëmonte, naar de provincie Novara, waar de wijngaarden verspreid liggen tussen de Sesia en de Ticino. Op de achtergrond houdt Monte Rosa een oogje in het zeil.

Dit is een boeiend overgangsgebied. Ten zuiden liggen de vlaktes rond Novara, met hun rijstvelden en brede open landschap. Meer naar het noorden nemen de heuvels het over en komt Alto Piemonte nadrukkelijker in beeld. Dat maakt de streek meteen anders dan het Piëmonte van Langhe, Roero of Monferrato.

De DOC werd in 1994 erkend en telt ongeveer 246 hectare wijngaarden. De gemiddelde productie wordt op 8.000 hectoliter geschat. Dat zijn geen cijfers waarmee je de wereldmarkt overspoelt, en dat hoeft voor Colline Novaresi waarschijnlijk ook niet.

Toch heeft dit deel van Piëmonte een veel langere wijngeschiedenis dan de bescheiden omvang vandaag doet vermoeden. Alto Piemonte was ooit een belangrijk wijngebied, met Nebbiolo als een van de grote hoofdrolspelers. Druifluis, oorlogen, industrialisatie en de trek naar de steden deden het areaal fors krimpen. Heel wat wijngaarden zijn later bijna vanaf nul opnieuw opgebouwd. Oude, verwaarloosde percelen die opnieuw tot leven kwamen.

De productiezone omvat een reeks gemeenten in de provincie Novara, waaronder Boca, Bogogno, Borgomanero, Briona, Cavaglio d’Agogna, Fara Novarese, Fontaneto d’Agogna, Ghemme, Maggiora, Sizzano en Suno. Kenners zien hier meteen bekendere namen tussen staan. Boca, Fara en Sizzano hebben hun eigen DOC. Ghemme gaat nog een stap verder en heeft een DOCG.

Nebbiolo speelt hier een belangrijke rol, al komen we in Alto Piemonte vaak de lokale naam Spanna tegen. Daarnaast zijn er Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera. Voor de witte wijnen is er Erbaluce. Daarmee krijg je automatisch veel diversiteit in je flessen.

Een mooie bijkomende troef van het gebied is de Cammino delle Colline Novaresi, een wandelroute die wijngaarden, dorpen, natuur en lokale geschiedenis met elkaar verbindt. Wie in de omgeving is, krijgt daarmee een mooie manier om deze streek ook buiten het glas te leren kennen.

Bodem en klimaat

Het landschap van Colline Novaresi DOC is zo’n beetje vis noch vlees. Het zit tussen vlakte, heuvel en berginvloed in. Zuidelijk liggen de vlaktes rond Novara en Vercelli, met hun rijstvelden en brede open ruimte. Naar het noorden toe loopt het landschap geleidelijk op en komen de Alpen steeds nadrukkelijker in beeld.

De wijngaarden moeten op heuvelachtige liggingen staan, tussen 180 en 550 meter hoogte. Vochtige gronden in de valleibodem zijn uitgesloten. We zitten dus niet in de natte, vlakke stukken onderaan, maar op hellingen waar water weg kan en de druiven voldoende zon krijgen.

Het wijngebied ligt tussen de rivieren Sesia en Ticino. De Sesia komt uit de richting van Monte Rosa, de Ticino heeft zijn oorsprong in de Alpen. Die rivieren tekenen het gebied af en geven het landschap structuur.

Algemeen vinden we hier kleiige, lemige en zandige bodems, vaak met een morenisch en alluviaal karakter. Lager op de heuvels bevatten de bodems doorgaans wat meer leem en klei. Hogerop kunnen ze iets losser en beter drainerend worden.

Het klimaat helpt om frisheid en aromatische spanning te bewaren. De zomers kunnen warm zijn, de winters behoorlijk koud, en de verschillen tussen dag en nacht spelen een belangrijke rol.

Rode wijnen

Rode wijn domineert hier en je vindt er voldoende diversiteit. De Colline Novaresi DOC rosso zou je de instap kunnen noemen, al klinkt dat misschien wat te oneerbiedig voor een wijn die minstens voor de helft uit Nebbiolo of Spanna moet bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven zoals Barbera, Croatina, Vespolina of Uva rara.

Je krijgt dan meestal een wijn met een robijnrode kleur, een duidelijke aanwezigheid van rood fruit, soms wat viooltjes, kruiden en een aardse toets. Vergeet niet dat Nebbiolo hier minstens de helft van de wijn uitmaakt en de tannine dus vroeg of laat de kop zal opsteken.

De Colline Novaresi DOC Nebbiolo, of Spanna, staat een stap hoger op de kwaliteitsladder. Hier moet Nebbiolo minstens 85 procent van de wijn uitmaken. Wie Barolo of Barbaresco in het achterhoofd houdt, zal wel even moeten schakelen. De wijnen hier zijn, ondanks hun tannine, niet de krachtpatsers van de hoogste rang. Spanna zit vaak in een lichter kleurenspectrum, met aroma’s van rood fruit, roos, kruiden, soms wat thee, aarde en een subtiele toets van teer naarmate de wijn ouder wordt. De zuren spelen een grote rol en geven de wijn zijn lengte.

En dan gaan we naar het festival van andere druiven die ook op het etiket mogen worden vermeld, mits ze voldoen aan de nodige voorwaarden. Voor Colline Novaresi DOC Barbera moet de wijn minstens 85 procent Barbera bevatten. Dat levert doorgaans een sappiger, toegankelijker rood op, met kersenfruit, frisse zuren en een droge finale.

Croatina mag eveneens als aparte wijn verschijnen, opnieuw met minstens 85 procent van de druif. Dit is de wijn waar je wat meer kleur, ronding en stevigheid mag verwachten. Croatina kan een donkerder fruitprofiel geven, met braam, pruim, kruiden en een mildere mondindruk. In de DOC kan ze zowel droog als amabile voorkomen.

Vespolina is een druif die in deze omgeving wel vaker opduikt en er historisch aangeplant staat. Logisch dus dat er een Colline Novaresi Vespolina bestaat. Ook hier geldt minstens 85 procent. Vespolina heeft vaak iets peperigs en kruidigs, soms met een florale toets en rood fruit. Ze wordt vaak in assemblage gebruikt, maar solo kan ze verrassend origineel zijn.

Uva rara, ook Bonarda Novarese genoemd, vervolledigt het rijtje. De naam is wat misleidend, want rara betekent zeldzaam. In dit deel van Piemonte gaan rara en zeldzaam echter niet helemaal hand in hand. Het zou pas raar zijn mocht je hier niets over deze druif horen. Ook hier geldt de grens van minstens 85 procent. De stijl is doorgaans iets zachter, fruitiger en minder streng dan Nebbiolo. Denk aan rood fruit, frisse sappigheid en een wijn die zich makkelijker laat drinken.

Omdat je in de praktijk geregeld houtlagering tegenkomt, komt het mij wat vreemd over dat er geen verplichte rijpingsperiode wordt voorgeschreven. De producenten krijgen dus de volledige vrijheid wat rijping betreft.

Witte wijnen

Driewerf hoera, want hier treffen we een van de meest onderschatte witte druiven uit Italië: Erbaluce. Nog meer goed nieuws: Colline Novaresi DOC bianco moet verplicht als monocépage op de markt komen, dus 100 procent Erbaluce. Tussen de regels door kan je lezen dat ik mijn enthousiasme amper kan temperen. Dat enthousiasme is trouwens niet gespeeld, want je kan hier heerlijke witte wijnen vinden.

Deze wijn heeft doorgaans een strogele kleur, een eerder delicaat en fris aroma en een smaak waarin frisheid gecombineerd wordt met een zekere ziltigheid. Denk aan citrus, groene appel, witte bloemen, soms een vleugje amandel en een lichte minerale indruk. Erbaluce kan wat streng zijn wanneer ze te jong of te koel gemaakt wordt, maar in de juiste handen heeft ze veel charme.

Rosato

Ook de roséwijnen uit dit wijngebied kan ik liefhebbers aanraden. Fris, voldoende pittig en niet te lichtvoetig, met dus ook voldoende body. Colline Novaresi DOC rosato wordt gemaakt met minstens 50 procent Nebbiolo of Spanna. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten blauwe druiven uit Piemonte. In de praktijk kom je dan opnieuw uit bij druiven zoals Vespolina, Uva rara, Croatina en Barbera.

De kleur wordt meestal omschreven als rosa cerasuolo, dus eerder kersenroze. De geur gaat meestal richting rode bes, framboos, bloedsinaasappel, een florale toets en mogelijk wat fijne kruidigheid. In de mond verwacht je vooral frisheid, maar dus niet zonder karakter. Dat is net wat deze rosato boeiend maakt.

Giro d’Italia 2026, rit 11: Golfo del Tigullio Portofino DOC, van Porcari naar Chiavari

Vandaag arriveren de renners in een van de meest idyllische omgevingen van Italië. Iedereen die Portofino al een keer bezocht, zal nu bevestigend het hoofd knikken. Niet dat de renners in Portofino zullen aankomen, want ik vermoed niet dat dit organisatorisch bijzonder praktisch zou zijn. Neen, zij die overleven, sprinten een goede twintig kilometer verderop in Chiavari, aan de Ligurische kust, voor de zege. Het startschot van etappe 11 wordt gegeven in Porcari, Toscana.

Waarom ik dan toch melding maak van Portofino, heeft alles te maken met de DOC die we aan deze rit koppelen: de Golfo del Tigullio Portofino DOC, ook wel kortweg Portofino DOC genoemd. De aankomstplaats Chiavari ligt te midden van dit wijngebied en vooral in het hart van de sottozona Costa dei Fieschi.

Golfo del Tigullio Portofino DOC

De Golfo del Tigullio Portofino DOC werd officieel erkend in 1997 en ligt in Liguria, in de provincie Genova. Het productiegebied volgt de Riviera di Levante en loopt van de omgeving van Portofino, Rapallo en Santa Margherita Ligure richting Chiavari, Lavagna en Sestri Levante.

Het is een kleine DOC. We spreken over ongeveer 37 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van minder dan 2.000 hectoliter. Portofino roept meteen beelden op van pastelgekleurde huizen, blinkende boten en mensen die hun zonnebril waarschijnlijk duurder kochten dan mijn eerste auto. De wijn zelf blijft veel discreter aanwezig.

De appellatie heeft één subzone: Costa dei Fieschi. Die naam verwijst naar de machtige familie Fieschi, die in de middeleeuwen een belangrijke rol speelde in dit deel van Liguria. Hun invloed was sterk verbonden met Lavagna en Chiavari, maar de exacte reden waarom de subzone naar deze familie is genoemd, heb ik spijtig genoeg niet kunnen achterhalen.

Bodem en klimaat

De Golfo del Tigullio Portofino DOC ligt in een klassiek Ligurisch landschap. De kuststrook is smal, het reliëf loopt snel op en de wijngaarden liggen vaak op steile hellingen of terrassen.

De bodems zijn wisselend. Aan de kust vinden we vaak stenige, kalkrijke en zandige bodems met veel verweerd gesteente. Meer landinwaarts komen ook klei en mergel voor. Door de hellingen is drainage zelden een probleem. Water blijft niet lang hangen, terwijl de wijnstok toch voldoende reserve kan vinden op de diepere bodems.

Het klimaat is uitgesproken mediterraan, maar niet eendimensionaal warm. De zee tempert de temperaturen en zorgt voor ventilatie. Tegelijk brengt het achterland koelere luchtstromen mee.

Rode wijnen

Leuk detail is dat de rode wijnen hier vooral draaien rond druiven die bij hun buren uit Toscana en Piemonte meestal op de achtergrond blijven, namelijk Ciliegiolo en Dolcetto. Bovendien ligt een blend van deze twee druiven, gezien hun historische afkomst, niet onmiddellijk voor de hand. Hier in Portofino maken ze dit wel mogelijk, want de basis rosso moet minstens 60 procent Ciliegiolo en of Dolcetto bevatten. Daarnaast mag een wijn de benaming Ciliegiolo op het frontetiket vermelden wanneer de druif voor minstens 85 procent gebruikt wordt.

De blend van Ciliegiolo en Dolcetto levert doorgaans geen zware rode wijn op. Ciliegiolo brengt het sappige rode fruit, met kers, aardbei en soms een licht kruidige toets. Dolcetto geeft wat meer kleur, donkerder fruit en een licht bittertje in de finale. Samen kom je uit bij een vlotte, middellichte rode wijn met frisse zuren en zachte tannine. De Ciliegiolo versie is meestal nog wat directer in zijn fruitexpressie. Daar ligt de nadruk vooral op rode kers, klein rood fruit en soepele drinkbaarheid.

Daarnaast bestaat er eveneens een rosso frizzante en rosso novello.

Witte wijnen

De witte wijnen zullen we het vaakst tegenkomen in de winkelrekken. De basis bianco vertrekt van minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. Daarnaast mogen Bianchetta Genovese, Vermentino en Scimiscià ook als aparte druivennaam op het etiket verschijnen, op voorwaarde dat ze minstens 85 procent van de wijn uitmaken.

Vermentino is de bekendste druif van het gezelschap. Hij geeft hier droge witte wijnen met citrus, wit fruit, mediterrane kruiden en vaak een licht ziltige finale. De beste voorbeelden blijven fris en strak.

Bianchetta Genovese geniet veel minder bekendheid en komen we ook veel minder vaak tegen. Ze geeft lichtere witte wijnen met fijne zuren, florale toetsen en een slank profiel.

Scimiscià, ook Cimixà genoemd, is een echte curiositeit. Het is een zeldzame lokale witte druif die in deze appellatie officieel erkend wordt. Heb je de kans om ze te proeven, zoals wij tijdens ons bezoek aan Portofino, dan zou ik dat absoluut doen. Je zal er misschien niet van achterover vallen, maar het zijn wel wijnen met persoonlijkheid en karakter.

Volledigheidshalve melden we dat er ook een Moscato wordt gemaakt. Dat is een aromatische monocépage van 100 procent Moscato Bianco.

Rosato

De stijl van de rosato ligt in het verlengde van de rode wijnen, want ook deze wordt gemaakt op basis van minstens 60 procent Ciliegiolo en of Dolcetto. Verwacht lichte, frisse en sappige rosato met veel rood fruit. Eerder vlot en aangenaam dan krachtig. Denk aan rode bes, kers, een vleugje citrus en een droge afdronk. Er bestaat ook een licht parelende rosato frizzante.

Schuimwijnen

De DOC laat witte spumante toe op basis van minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. De tweede gisting mag zowel op fles als in autoclave gebeuren. De stijl kan variëren van extra brut tot dry. Hoewel de producenten wat speelruimte hebben, zullen het hier toch voornamelijk frisse, lichte schuimwijnen met een directe drinkprofiel zijn.

Dessertwijn

En ten slotte belanden we bij het zoete luik. Want ook daar kan je je gading vinden in de Golfo del Tigullio Portofino DOC. Voor de gewone passito gebruikt men minstens 60 procent Bianchetta Genovese en of Vermentino. Voor Moscato passito is Moscato Bianco verplicht voor 100 procent.

Voor beide types moeten de druiven indrogen, op of naast de wijnstok, tot ze een hoog suikergehalte bereiken. De wijnen mogen pas vanaf 1 november van het jaar na de oogst op de markt komen.

Giro d’Italia 2026, rit 10: Candia dei Colli Apuani DOC, van Viareggio naar Massa

Al zigzaggend als een dronkaard slalommen we door het Italiaanse landschap. Voor rit 10 belanden we in Toscana, langs de Tyrreense kust. De renners volgen als het ware de kustboulevard van Viareggio, iets ten noorden van Pisa, tot aan Massa, bijna op de grens met Liguria. Individueel en om ter snelst, een tijdrit dus van net geen marathon lang. Een rustdag voor de helpers, maar super belangrijk oor wie van het roze droomt.

Qua wijn is onze keuze dus vlug gemaakt. De DOC Candia dei Colli Apuani is de logische, maar ook enige keuze die we hebben. De wijngaarden liggen immers in en rond Massa. Bovendien betwijfel ik of er al velen onder jullie van deze appellatie, die je nu zelfs even terug moet opzoeken, gehoord zullen hebben.

Candia dei Colli Apuani DOC

Candia dei Colli Apuani DOC werd officieel erkend in 1981. De appellatie ligt in Toscana, in de provincie Massa Carrara, en omvat heuvelzones binnen de gemeenten Carrara, Massa en Montignoso. Het is een kleine appellatie, met ongeveer 27 hectare wijngaard en amper 21 wijndomeinen die wijn maken onder deze benaming.

De naam verwijst naar de Colli Apuani, de heuvels aan de voet van de Alpi Apuane. Die bergen behoren geografisch tot de noordelijke Apennijnen. We zitten hier in het noordwesten van Toscana, waar zee, marmer, bergen en kuststeden dicht op elkaar liggen.

Als je de website van het consorzio raadpleegt, dan wordt de wijnbouw er omschreven als viticoltura eroica. Dat blijkt ook zo te zijn, want de wijngaarden liggen op steile hellingen en terrassen waar mechanische bewerking moeilijk blijft.

Bodem en klimaat

De wijngaarden liggen op de lagere hellingen van de Apuane, met de zee vlakbij en de bergen direct achter de kuststrook. Massa mag dan wel een badplaats zijn, maar wie enkele kilometers landinwaarts kijkt, daar waar de wijngaarden liggen, ziet meteen hoe snel het landschap de hoogte in gaat.

De productiezone geldt voor de geschikte delen van de Colli Apuani binnen Carrara, Massa en Montignoso. Het detail van die geschikte delen is uiteraard rekbaar, maar wil in principe zeggen: daar waar kleine percelen en wijngaarden tegen het reliëf van het heuvellandschap kunnen opboksen.

Het klimaat wordt sterk beïnvloed door die ligging tussen zee en bergen. De zee tempert de warmte, terwijl de hellingen bescherming bieden en voor luchtcirculatie zorgen. Daardoor krijgen de wijngaarden een zonnig klimaat. De druiven kunnen goed rijpen, terwijl de nabijheid van zee en reliëf voor voldoende frisheid zorgt.

De bodems zijn overwegend van eocene oorsprong. Je vindt er vooral compacte zandsteen, schisteuze en zandsteenachtige leisteen, compacte kalksteen, mergel en, lager op de hellingen, ook oudere kwartaire afzettingen met klei, keien en zand. Dat levert arme, stenige en goed drainerende gronden op.

Rode wijnen

De gewone Candia dei Colli Apuani DOC rosso wordt gemaakt op basis van Sangiovese. Die moet tussen 60 en 80 procent van de assemblage uitmaken. Merlot mag tot maximaal 20 procent worden gebruikt. Andere toegelaten rode druiven mogen samen ook tot maximaal 20 procent aanvullen. Dit is de meer herkenbare rode versie, met druiven die we in Toscana vaker tegenkomen.

Interessanter wordt het wanneer de DOC inzet op Massaretta. Dat is de lokale naam voor Barsaglina. Voor Candia dei Colli Apuani DOC Barsaglina of Massaretta moet minstens 85 procent Barsaglina worden gebruikt. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten rode druiven. Barsaglina is een lokaal en weinig voorkomend druivenras en geeft doorgaans kleur, kruidigheid, donker fruit en stevige tannine.

Naast Barsaglina wordt er ook met Vermentino Nero gewerkt. Deze streekeigen druif krijgt eveneens een eigen plaats binnen de DOC. De wijn moet voor minstens 85 procent uit Vermentino Nero bestaan. In de neus verwacht je rood fruit, florale toetsen en wat kruidigheid. In de mond bezit Vermentino Nero voldoende karakter.

Voor deze rode wijnen wordt geen verplichte minimale rijping of houtlagering voorgeschreven.

Witte wijnen

Hoewel de rode wijnen met de wat minder bekende druivenrassen aanlokkelijk kunnen zijn, zijn het toch de witte wijnen die het meest gemaakt en dus ook het meest gedronken worden. Vermentino speelt hierin de hoofdrol. In de basisversie Candia dei Colli Apuani DOC bianco moet deze al minstens voor 70 procent aanwezig zijn. De rest mag bestaan uit andere toegelaten witte druiven. Die basiswijn kan droog of amabile zijn, en er is ook een frizzante versie mogelijk.

De droge bianco is meestal strogeel van kleur, met een vrij delicate neus en een droge, zachte smaak. De smaak is doorgaans niet gedreven op aciditeit, eerder mediterraan en rond, maar wel met voldoende frisheid. Denk aan citrus, gele appel, rijper wit fruit, mediterrane kruiden en soms een lichte ziltige toets.

Daarnaast bestaat er Candia dei Colli Apuani DOC Vermentino bianco. Daar moet minstens 85 procent Vermentino in de wijn zitten. Vaak worden deze wijnen echter als monocépage Vermentino op de markt gebracht, waardoor de wijn herkenbaarder wordt en nog meer een zilt karakter kan vertonen.

Rosato

Voor de basisrosato wordt dezelfde druivensamenstelling als bij de rode wijn genomen. Sangiovese moet tussen 60 en 80 procent uitmaken, Merlot mag tot maximaal 20 procent gaan en andere toegelaten rode druiven mogen samen ook tot maximaal 20 procent worden gebruikt. De kleur gaat richting kersenroze. In de neus verwacht je rood fruit, wat florale toetsen en lichte kruidigheid. De smaak hoort droog en fris te blijven.

Ook op basis van Vermentino Nero wordt er een rosato gemaakt. Die druif moet dan voor minstens 85 procent aanwezig zijn. Deze rosato blijft eveneens kersenroze van kleur, maar kan iets kruidiger en karaktervoller overkomen dan de basisrosato. Naast rood fruit en florale toetsen mag je hier wat meer spanning, een licht vegetale toets en een drogere finale verwachten.

Vin Santo en Vendemmia tardiva

Candia dei Colli Apuani DOC heeft ook een wat zoetere kant. De bianco vendemmia tardiva, gemaakt met minstens 70 procent Vermentino, kan variëren van droog tot amabile. Het gaat vooral om concentratie door latere oogst en rijpere druiven. Het minimum alcoholpercentage voor de vendemmia tardiva ligt op 14,5 procent. De kleur kan evolueren van strogeel naar goudgeel. Aromatisch kom je dan terecht bij rijp geel fruit, gedroogde abrikoos, honing, kruiden en soms een lichte toets van gekonfijte citrus. In de mond draait het om rijpheid, zachtheid en complexiteit.

Daarnaast is er Candia dei Colli Apuani DOC Vin Santo. Ook hier moet minstens 70 procent Vermentino worden gebruikt. De druiven worden zorgvuldig geselecteerd en natuurlijk gedroogd in geschikte ruimtes. Persen mag pas vanaf 1 december van het oogstjaar en ten laatste op 31 maart van het jaar nadien. Daarna volgt de rijping in houten caratelli. De Vin Santo moet minstens 16,5 procent totaal alcohol halen, waarvan minstens 14 procent effectief gevormde alcohol. Hij kan droog, abboccato of amabile zijn.

Bij Vin Santo schuift het profiel meer richting amberkleur, gedroogde vruchten, noten, honing, specerijen en een meer etherische toets. Door de droging van de druiven en de rijping in caratelli krijgt de wijn een ander karakter dan de vendemmia tardiva. In de mond is de wijn geconcentreerd, zacht en krachtiger van structuur.