Alto Piemonte op zondag: Gattinara DOCG

We hebben de contouren van Alto Piemonte de voorbije drie zondagen voldoende geschetst. Laat ons eens wat meer in detail ontdekken welke appellaties er te vinden zijn en wat er zo specifiek aan is.

Ere wie ere toekomt en dus is de grootste aandacht weggelegd voor Gattinara DOCG. Gattinara ligt ten westen van de Sesia, in de provincie Vercelli. De DOCG beperkt zich volledig tot het grondgebied van de gemeente Gattinara. Met ongeveer 90 tot 100 hectare wijngaarden blijft het naar internationale normen piepklein, maar binnen Alto Piemonte behoort het tot de grotere en belangrijkste appellaties.

Als je Gattinara samen met de andere appellaties bezoekt, merk je ook dat dit het grootste en bedrijvigste dorpje is, want dat is het wel degelijk. Betekent dit ook dat Gattinara de uitstraling heeft van een wijndorpje? Verre van zelfs. Als je de Enoteca Regionale di Gattinara e dell’Alto Piemonte buiten beschouwing laat, zou je misschien zelfs verdwaald raken in je zoektocht naar wijn.

Moeilijk is dat niet, want vandaag wordt Gattinara DOCG door amper een veertiental producenten gemaakt. En ze hebben lang niet allemaal hun domein in Gattinara. Ironisch genoeg zijn in een omgeving als Alto Piemonte veertien producenten zelfs ‘veel’ te noemen. Bij de andere appellaties die we nog gaan bespreken, zal blijken hoe relatief dat begrip hier wel is.

Alles op één heuvel

De wijngaarden van Gattinara liggen opvallend geconcentreerd op één heuvel ten noorden en noordwesten van het dorp. Ze bevinden zich ruwweg tussen 300 en 480 meter hoogte. En met die heuvel komen we terecht bij wat we in het geografieartikel over Alto Piemonte al schreven. Dit is de vulkanische heuvel waarvan de oorsprong teruggaat tot de enorme vulkanische activiteit van ongeveer 280 miljoen jaar geleden.

De wijngaarden liggen er op zeer oude, zure en bijzonder arme bodems die zijn ontstaan uit de verwering van vulkanisch gesteente. Vooral porfier is kenmerkend. Het gesteente bevat veel ijzerhoudende mineralen, wat ook de roodachtige kleur van de bodem mee verklaart. Op verschillende plaatsen ligt het verweerde gesteente gewoon zichtbaar tussen de wijnstokken.

Die bodems bevatten nauwelijks kalk en weinig organisch materiaal. Ze zijn stenig en sterk drainerend, waardoor de wijnstok diep moet wortelen om voldoende water en voedingsstoffen te vinden.

Dat alle wijngaarden op één heuvel liggen, betekent echter niet dat Gattinara één homogeen terroir vormt. De heuvel kent verschillen in hoogte, expositie, hellingsgraad en de mate waarin het vulkanische gesteente is verweerd. Doorheen de geschiedenis kregen verschillende wijngaarden en zones dan ook een eigen naam. Osso San Grato, San Francesco, Molsino, Valferana en Lurghe behoren tot de bekendste.

Ze worden vaak de cru’s van Gattinara genoemd, al zijn het geen officieel afgebakende cru’s of MGA’s zoals we die in Barolo kennen. Verschillende van deze historische wijngaardnamen verschijnen vandaag wel op het etiket van afzonderlijke bottelingen.

Spanna steelt de show

Heel wat Gattinarawijnen die we tegenkomen, zijn monocépages van 100% Nebbiolo, of Spanna zoals hij hier traditioneel wordt genoemd. Nochtans hoeft dit niet zo te zijn, want Nebbiolo moet minstens 90 procent van een Gattinara DOCG uitmaken. Dat wil zeggen dat er een kleine ruimte is voor de andere toegelaten druivenrassen. Vespolina mag maximaal 4% van de assemblage uitmaken en Uva Rara maximaal 10%. Samen mogen ze nooit meer dan 10% vertegenwoordigen. Croatina is niet toegestaan voor een Gattinara DOCG.

Gattinara kreeg zijn DOC in 1967 en promoveerde in 1990 tot DOCG. Daarmee was het de eerste appellatie van Alto Piemonte die de hoogste Italiaanse herkomststatus kreeg.

Een Gattinara DOCG moet minimaal 35 maanden rijpen, waarvan minstens 24 maanden op hout. Voor een Riserva loopt de minimale rijping op tot 47 maanden, waarvan minstens 36 maanden op hout. De druiven voor een Gattinara moeten bij de oogst een minimaal natuurlijk alcoholpotentieel van 12% vol. bereiken. Voor een Riserva ligt dat op 12,5% vol.

Wat krijg je in het glas?

Gattinara behoort binnen Alto Piemonte tot de stevigere en rijpere wijnen. Verwacht daarbij geen donkere krachtpatser. De kleur is vrij transparant robijnrood en evolueert al vrij snel naar granaatrood.

In de neus staat rood fruit vaak centraal, met kers en framboos, aangevuld met rozen, viooltjes, kruiden en geregeld een aardse, rokerige of ijzerachtige toets. Vooral dat laatste wordt nogal eens met Gattinara geassocieerd. Met flesrijping verschuift het fruit meer naar de achtergrond en komen gedroogde bloemen, tabak, leer en aardse aroma’s nadrukkelijker naar voren.

De zuren zijn uitgesproken en de tannine is duidelijk aanwezig. In jonge wijnen kan die combinatie behoorlijk strak overkomen, al is de tannine vaak fijner dan het stevige profiel op het eerste gezicht doet vermoeden. Met enkele jaren flesrijping wordt die tannine zachter en komen fruit, zuren en kruidigheid meer bij elkaar.

De meeste Gattinarawijnen kunnen gemakkelijk enkele tientallen jaren verder ontwikkelen en oude flessen kunnen nog verrassend levendig zijn. Antoniolo heeft doorheen de jaren meermaals oude jaargangen uit de eigen kelders opnieuw op de markt gebracht en daarmee overtuigend aangetoond hoe goed Gattinara kan ouderen.

Zestig hectare in dezelfde handen

Met amper een veertiental producenten is het sowieso een kleine wereld, maar zelfs daarbinnen zijn de verhoudingen opmerkelijk. Travaglini bezit ongeveer 60 van de zowat 100 hectare wijngaard van Gattinara. Eén familie heeft dus meer dan de helft van de appellatie in handen.

Travaglini werd internationaal ook het herkenbaarste gezicht van Gattinara. Het domein kreeg vanaf 1958 onder Giancarlo Travaglini zijn huidige vorm. Uit datzelfde jaar dateert de beroemde asymmetrische fles. Die vreemde vorm is tot onze verbazing een bewuste praktische keuze. De gebogen schouder houdt bij het uitschenken het bezinksel tegen, zodat een oudere Gattinara in principe rechtstreeks uit de fles kan worden geschonken. Het ontwerp schopte het zelfs tot de permanente collectie van het Museum of Modern Art in New York.

De andere historische referentie is Antoniolo, opgericht in 1948. Het domein was een pionier in het afzonderlijk bottelen van wijngaarden binnen Gattinara. Namen als Osso San Grato, San Francesco en Castelle kregen daardoor een eigen plaats op het etiket en hielpen mee om de verschillen tussen individuele wijngaarden zichtbaar te maken.

En dan is er Nervi, dat in 2018 plots opnieuw nadrukkelijk in de internationale belangstelling kwam te staan. Roberto Conterno, van het beroemde Barolohuis Giacomo Conterno, verwierf toen 90% van het historische domein. Dat was een behoorlijk duidelijk signaal. Een van de meest gerespecteerde producenten uit de Langhe zag voldoende potentieel in Gattinara om er zelf zwaar in te investeren.

Samen met onder meer Paride Iaretti, Franchino en enkele andere kleine producenten vormen deze domeinen vandaag een appellatie die numeriek nauwelijks iets voorstelt. Een kleine honderd hectare en een veertiental producenten, meer is Gattinara eigenlijk niet. De reputatie is een stuk groter dan de appellatie zelf.

De toekomst zal uitwijzen of de hernieuwde belangstelling voor Gattinara groot genoeg is om ook nieuwe producenten aan te trekken. Het potentieel is er alleszins!

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht
  2. Alto Piemonte op zondag: vulkanen, Alpen en oude bodems
  3. Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug
  4. Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Alto Piemonte op zondag: Spanna and friends

Tijdens onze zoektocht doorheen Alto Piemonte maakten we bewust halt in de enoteca van Gattinara. We wisten immers dat je daar niet alleen een grote selectie aan wijnen kon proeven en kopen, maar ook dat je er geholpen kon worden door Dottore Massimo Sacco. Deze man wordt beschouwd als een lokale encyclopedie voor de wijnen uit Alto Piemonte. We namen er onze tijd en lieten de man zijn verhaal doen over Spanna en zijn vrienden.

Spanna is hier de plaatselijke naam voor Nebbiolo en is zonder discussie de belangrijkste blauwe druif van Alto Piemonte. Maar er is een geschiedenis en zoals dat vaak gaat, wordt geschiedenis na verloop van tijd traditie. Dottore Sacco legde ons geduldig uit dat Vespolina in Alto Piemonte minstens even belangrijk wordt geacht als Nebbiolo. De druif hoorde dan ook van oudsher thuis in hun wijnen. Ook Uva Rara en Croatina behoren tot het historische druivenbestand van de streek.

De aloude gewoonte om deze druiven samen te blenden is door de toenemende populariteit van Nebbiolo misschien wat minder vanzelfsprekend geworden, maar ze is zeker niet verdwenen. Daarvoor zijn Vespolina, Uva Rara en Croatina te sterk verbonden met de geschiedenis van het gebied. In verschillende appellaties mogen ze vandaag nog steeds samen met Nebbiolo in de assemblage worden opgenomen. In sommige appellaties kan het gebruik van andere druiven naast Nebbiolo zelfs verplicht zijn.

Spanna is de naam!

Waar de naam Spanna precies vandaan komt, is voer voor discussie. Een van de verklaringen zoekt de oorsprong bij het Italiaanse woord spanna, de afstand tussen de top van de duim en die van de pink wanneer de hand volledig wordt opengespreid. De naam zou verwijzen naar de manier waarop de druiventrossen vroeger werden gemeten of naar hun vorm en omvang. Er circuleren nog andere verklaringen, maar geen daarvan heeft ooit echt overtuigend kunnen aantonen waar de naam vandaan komt. We blijven dus in het ongewisse.

Het is niet omdat Nebbiolo hier door het leven gaat onder een andere naam, dat de druif plots totaal andere eigenschappen zou bezitten. Zeker niet. Wat wel een feit is, is dat we hier voornamelijk te maken krijgen met de Michet variant van Nebbiolo, terwijl we in de Langhe, en meer bepaald in Barolo, vaak een mix hebben van Michet, Lampia en Rosé. Die laatste werd lang beschouwd als een variant van Nebbiolo, terwijl Rosé, als puntje bij paaltje komt, vandaag als een andere druif dan Nebbiolo wordt gezien.

Nebbiolo behoudt hier dan ook een aantal van zijn vertrouwde kenmerken. De druif geeft relatief weinig kleur, bezit van nature een stevige zuurgraad en kan behoorlijk wat tannine ontwikkelen. Aromatisch vinden we vooral rood fruit, rozen, viooltjes en kruiden, met verdere flesrijping aangevuld met meer aardse en kruidige aroma’s. Het typische Barolo “tar and roses” hebben we hier minder. Vooral de ontwikkeling van dat uitgesproken teeraroma blijft wat achterwege.

De echte herkomst van Nebbiolo is nog steeds niet volledig blootgelegd. Dat de druif niet geboren is in de omgeving waar ze vandaag haar grootste uitstraling heeft, namelijk Barolo en Barbaresco, lijkt ondertussen wel duidelijk. Lange tijd werd vermoed dat we voor haar oorsprong bij de buren in Lombardije moesten zijn, meer bepaald in Valtellina. Hoewel ze er in Valtellina nog altijd van overtuigd zijn dat Nebbiolo daar geboren is, wordt er steeds harder gefluisterd dat haar roots in het noorden van Piemonte liggen.

Of dat exact Alto Piemonte is of nog noordelijker, in de Valle Ossola waar ze als Prünent door het leven gaat, moet verder ontrafeld worden. Dottore Sacco heeft alvast zijn verdict klaar: volgens hem is Gattinara de geboorteplaats van Nebbiolo.

Vespolina brengt peper mee

Het was zo grappig dat ik moeite had om niet in een lachbui uit te barsten toen Dottore Sacco me een foto liet zien van een druiventros waarop een wesp zat. Dat is Vespolina en de naam is afgeleid van de aanwezige wesp, vertelde hij met een dusdanige sérieux dat ik geen andere optie had dan bevestigend te knikken.

Nu, van de begeleidende druiven is Vespolina ongetwijfeld de interessantste om afzonderlijk te bekijken. Ze is genetisch verwant aan Nebbiolo en komt vandaag vooral voor in Noord Piemonte en in het nabijgelegen Oltrepò Pavese. In de provincies Novara en Vercelli werd ze ook Nespolino genoemd. Ughetta, een naam die je eveneens geregeld tegenkomt, hoort historisch vooral thuis in Oltrepò Pavese.

Vespolina kan voor extra fruit zorgen, maar haar meest herkenbare bijdrage zit in haar aroma’s. Naast florale tonen van roos en viooltjes heeft ze dikwijls een uitgesproken peperige kruidigheid. Vespolina bevat relatief veel rotundone, dezelfde aromatische verbinding die onder meer verantwoordelijk is voor het typische peperaroma van Syrah en Schioppettino.

Dat peperige karakter kan een assemblage met Nebbiolo behoorlijk interessant maken. Het geeft extra kruidigheid en aromatische complexiteit zonder het karakter van Nebbiolo volledig over te nemen. Bovendien zorgt Vespolina voor wat extra kleur, iets wat bij de van nature blekere Nebbiolo mooi meegenomen is.

Hoewel we haar vooral kennen als onderdeel van assemblages, wordt Vespolina tegenwoordig ook steeds vaker afzonderlijk gevinifieerd. Bij ons afscheid van de enoteca kregen we een fles Vespolina 2012 van Pietro Cassina cadeau en er werd ons op het hart gedrukt dat de wijn, ondanks zijn gevorderde leeftijd, nog volledig intact zou zijn. We zijn dus benieuwd!

Uva Rara als figurant

Om eerlijk te zijn heb ik liever dat Uva Rara bij haar oude naam Bonarda Novarese wordt genoemd. We hebben het echter niet voor het zeggen en dus nemen we de druif op zoals ze vandaag in Alto Piemonte voorkomt en officieel wordt genoteerd. Uva Rara dus!

Rara heeft niets te maken met het feit dat de druif een rariteit zou zijn. Neen, Rara verwijst vermoedelijk naar de losse structuur van de tros, waarbij de bessen verder uit elkaar staan. Uva Rara kwam vroeger behoorlijk verspreid voor in Noord Piemonte en Oltrepò Pavese, al is haar aanplant ondertussen sterk verminderd.

Uva Rara zelf heeft een vrij bescheiden kleurkracht en een gematigde zuurgraad. Haar bijdrage ligt eerder bij haar geurige karakter en de toegankelijkheid van de wijn. Florale aroma’s zijn typisch en in een assemblage kan ze de strengere kant van Nebbiolo wat verzachten.

De druif heeft nog steeds haar plaats en is opgenomen in verschillende disciplinari, maar haar belang in de assemblages is duidelijk naar de achtergrond verdwenen. We zien ze dan ook steeds minder opduiken als aanvulling bij Spanna en Vespolina.

Croatina als blendalternatief?

Een koppigaard, een druif met een hoekje af, vaak dronken omwille van de alcohol… ik kan nog wel een tijdje doorgaan met Croatina enkele koosnaampjes toe te dichten. An sich doe ik dat omdat ik de druif wel kan pruimen. Toevallig ook een van de fruitige aspecten van Croatina.

Wordt ze veel gebruikt? Neen, het is echt wel als aanvulling dat ze wordt gebruikt. En dan nog is dat vooral sporadisch. Soms heb je de indruk dat de druif wat wint aan populariteit, maar ik laat me vertellen dat het geen gemakkelijke is om mee samen te werken. Niet enkel in het glas bezit de druif koppige eigenschappen. Ook in het veld durft ze wel eens de lastigaard uit te hangen.

Veelal kennen we de druif als Bonarda uit Oltrepò Pavese. Hallo verwarring met Uva Rara! Maar historisch heeft ze wel degelijk haar plaats in Alto Piemonte.

Laten we de positieve eigenschappen eens benoemen. De druif heeft aanzienlijk meer kleur dan Nebbiolo en brengt donkerder fruit mee. Croatina kan behoorlijk wat tannine leveren en heeft soms een wat vegetaal karakter. Bij voldoende rijpheid kan dat vegetale juist voor een mooie fraîcheur in het aromatische profiel zorgen. In de juiste verhouding geeft ze een assemblage extra volume, kleur en stevigheid.

In Bramaterra wordt de druif nog vrij frequent gebruikt. Elders is haar aandeel vaak eerder symbolisch.

Van assemblage naar solo

Maar waarom kreeg Nebbiolo in Alto Piemonte historisch eigenlijk Vespolina, Uva Rara en Croatina naast zich? De blik in de ogen van Dottore Sacco verraadde duidelijk dat hij deze vraag meermaals had gekregen én dat hij het antwoord erop kon geven!

Allora, devi comprendere, nel tempo il clima era totalmente differente. Più freddo… het klimaat was vroeger dus heel anders dan nu. Veel kouder, waardoor Nebbiolo het moeilijk had om elk jaar tot een ideale rijpheid te komen. Vespolina en de andere rassen stonden vaak gemengd in de wijngaarden en konden in moeilijkere jaren aanvullen waar Nebbiolo tekortkwam.

Dat bleek uiteindelijk ook in de kelder goed te werken. De verschillende druiven vulden Nebbiolo mooi aan met extra kleur, fruit, kruidigheid en parfum. Wat in de wijngaard deels uit noodzaak was ontstaan, bleek dus ook in de fles een bijzonder sterke combinatie.

Vandaag verandert dat gegeven stilaan. We zien meer en meer dat de wijnen uit Alto Piemonte evolueren van blends naar monocépagewijnen van Nebbiolo. De wijngaarden worden anders beheerd, druivenrassen staan veel vaker afzonderlijk aangeplant en de wijnbouwer heeft veel meer mogelijkheden om Nebbiolo goed rijp te krijgen. Ook het warmere klimaat speelt daarbij in het voordeel van Nebbiolo. De noodzaak om Spanna gezelschap te geven, is daardoor een stuk kleiner geworden.

En dan is er natuurlijk nog een heel belangrijke tweede reden: Nebbiolo verkoopt.

In die mate zelfs dat de fiere wijnproducenten stilaan de benaming Spanna opgeven. Nebbiolo is duidelijk meer gangbaar geworden op de etiketten. En ergens kunnen we dat betreuren. Tegelijk is die keuze niet meer dan logisch. De internationale wijnliefhebber kent Nebbiolo dankzij Barolo en Barbaresco. Met Spanna ligt dat anders. Buiten Noord Piemonte doet die naam bij veel mensen nauwelijks een belletje rinkelen.

Het levert dan ook een merkwaardige evolutie op. Net nu Alto Piemonte opnieuw volop in de belangstelling staat, verdwijnt een stukje van wat de streek zo eigen maakte langzaam naar de achtergrond. De assemblages zijn er nog en Vespolina, Uva Rara en Croatina zijn zeker niet verdwenen. Maar Spanna krijgt steeds vaker het rijk voor zich alleen. Alleen noemen we hem dan plots weer Nebbiolo.

Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug

Uiteraard had ik als voorbereiding op ons bezoek aan de wijngebieden van Alto Piemonte grondig mijn huiswerk gemaakt en het nodige opzoekwerk gedaan. Eens we ginds ter plekke waren, viel het pas echt op hoe klein en versnipperd die wijngaarden over Alto Piemonte verspreid liggen.

Soms merkte ik wel een grotere concentratie van wijngaarden, zoals in Boca, langs de Strada della Traversagna, de SP32 richting Grignasco, waar we verschillende wijngaarden gingen opzoeken. Maar niets, werkelijk niets, doet vermoeden dat hier ooit op grote schaal aan wijnbouw werd gedaan en dat Alto Piemonte zelfs tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde.

De glamour van de 19e eeuw

In de diverse vakliteratuur die ik ter voorbereiding doornam, ontdekte ik dat Alto Piemonte rond het einde van de negentiende eeuw ongeveer 40.000 hectare wijngaarden telde. Vandaag blijft daar met zowat 800 hectare nog maar een fractie van over. Het gebied behoorde destijds tot de belangrijkste wijngebieden van Noord Italië en was voor Nebbiolo een absolute referentie. Gattinara, Ghemme, Lessona, Boca, Bramaterra en Sizzano genoten een stevige reputatie. Hun wijnen werden verkocht in Turijn en Milaan en vonden ook buiten Piemonte afzet. De nabijheid van Lombardije en de handelsroutes richting Centraal Europa maakten Noord Piemonte commercieel interessant.

Dat de wijnen ook kwalitatief hoog werden ingeschat, blijkt uit een bekende brief uit 1845. Camillo Benso di Cavour kreeg toen enkele flessen Sizzano toegestuurd door Giacomo Giovanetti uit Novara. Cavour was onder de indruk. Hij vergeleek het bouquet van de wijn met dat van Bourgogne en schreef dat de heuvels rond Novara volgens hem met die van Bourgogne konden wedijveren.

Vandaag wordt Cavour vooral met Barolo in verband gebracht. Midden negentiende eeuw keek hij voor grote Piemontese wijn dus ook nadrukkelijk naar het noorden.

Van 40.000 hectare naar enkele honderden

Merkwaardig genoeg begonnen de eerste tekenen van achteruitgang in dezelfde periode waarin Alto Piemonte nog tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde. In 1846 verhoogde Oostenrijk de invoerrechten op Piemontese wijn naar het Lombardisch Venetiaanse Koninkrijk fors. Een belangrijke afzetmarkt werd daardoor moeilijker bereikbaar. Dat probleem trof uiteraard niet alleen Alto Piemonte, maar ook de andere Piemontese wijngebieden.

De tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brachten bovendien de bekende problemen waarmee zowat heel Europa af te rekenen kreeg. Oidium, peronospora en phylloxera troffen ook Alto Piemonte en verplichtten wijnbouwers tot zware investeringen en heraanplant. In 1905 kwam daar lokaal nog een verwoestende hagelstorm bovenop, waarna ook de beide wereldoorlogen hun tol eisten.

Dat alles versnelde de terugval, maar verklaart nog niet waarom Alto Piemonte uiteindelijk zoveel sterker kromp dan veel andere historische wijngebieden. De echte omslag kwam er door de industrialisering van de regio en de geleidelijke uittocht uit de landbouw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw industrialiseerde de textielnijverheid rond Biella in snel tempo en groeide de streek uit tot een belangrijk centrum voor wol en textiel. Na de Tweede Wereldoorlog nam die beweging nog sterk toe. De economische groei in Noord Italië creëerde steeds meer werk buiten de landbouw, zowel in de eigen regio als in grotere industriële centra zoals Turijn en Milaan. Een vaste baan en een verzekerd inkomen werden voor veel jongeren aantrekkelijker dan het onzekere bestaan in de wijngaard.

Daar kon een steile wijngaard moeilijk tegen concurreren. Snoeien, aanbinden, onderhouden en oogsten vergden veel handenarbeid en het inkomen bleef afhankelijk van het weer en de opbrengst. Voor veel gezinnen werd de keuze steeds eenvoudiger. De fabriek bood zekerheid, de wijngaard veel minder.

Wijngaarden werden verwaarloosd, heraanplantingen bleven achterwege en steeds meer percelen werden verlaten. Struiken en bomen namen de plaats van de wijnstokken in en complete hellingen veranderden opnieuw in bos. Door erfenissen raakte het grondbezit ondertussen steeds verder versnipperd. Kleine percelen kwamen terecht bij verschillende kinderen en kleinkinderen, van wie sommigen al lang niet meer in de streek woonden. Die versnippering zou later een bijkomende hindernis vormen voor wie oude wijngaarden opnieuw in productie wilde brengen.

De cijfers maken duidelijk hoe groot de terugval uiteindelijk was. Van ongeveer 40.000 hectare rond het einde van de negentiende eeuw bleven tegen de tweede helft van de twintigste eeuw nog slechts enkele honderden hectaren over. Boca zakte op een bepaald moment tot ongeveer tien hectare. Ook Lessona, Bramaterra, Ghemme en Gattinara hielden nog maar een fractie over van hun vroegere oppervlakte.

Gelukkig stopte niet iedereen. Een handvol historische producenten bleef ook tijdens de moeilijkste decennia wijn maken. Vallana verwierf in de jaren 1950 en 1960 zelfs internationale faam met zijn Spanna, terwijl onder meer Nervi, Travaglini en Antoniolo in Gattinara en Tenute Sella in Lessona actief bleven. Daardoor verdween de wijnbouw nooit volledig en bleef er enige continuïteit bestaan waarop een volgende generatie later kon voortbouwen.

Voorzichtig begint de weg terug

‘Everything dies, baby, that’s a fact, but maybe everything that dies someday comes back’ wist Bruce Springsteen ons al te vertellen. Zo lijkt het dus ook wel met Alto Piemonte! Dat voorzichtig timmeren aan de weg terug begon stilaan vorm te krijgen vanaf het einde van de jaren 1980 en vooral tijdens de jaren 1990. Plots was er interesse in oude vervallen wijngaarden die er op de verlaten hellingen stonden. Een kleine groep mensen begreep het potentieel en zag er een nieuwe toekomst in.

Een van hen was de Zwitser Christoph Künzli. Rond het begin van de jaren 1990 leerde hij Boca kennen en enkele jaren later begon hij er oude percelen samen te brengen voor Le Piane. Dat bleek allesbehalve eenvoudig door de versnipperde eigendomsstructuur en de toestand waarin veel voormalige wijngaarden verkeerden.

Ook Paolo De Marchi keerde in 1999 samen met zijn zoon Luca terug naar de familiale gronden in Lessona en begon er aan de heropbouw van Proprietà Sperino. Rond dezelfde periode en in de jaren daarna verscheen een nieuwe generatie lokale wijnmakers, met onder anderen Cristiano Garella als een van de belangrijke figuren.

Het herstel kwam zo vanuit verschillende richtingen. Historische families investeerden opnieuw, een jongere generatie wijnmakers zag opnieuw toekomst in de streek en mensen van buiten Alto Piemonte begonnen oude percelen op te kopen en te herstellen. Tegelijk veranderden ook de economische omstandigheden. De textielindustrie, die decennialang veel arbeidskrachten uit de landbouw had gehaald, verloor vanaf het einde van de twintigste eeuw een deel van haar dominante positie door toenemende internationale concurrentie.

Ook binnen de wijnwereld zelf begon er iets te verschuiven. De belangstelling voor historische appellaties, oude wijngaarden en Nebbiolo buiten Barolo en Barbaresco nam toe. Dat fenomeen zien we overigens wel vaker in Italië. Zodra een wijngebied momentum krijgt en duidelijk wordt dat er kwalitatief en commercieel iets te rapen valt, verschijnen ook de kapitaalkrachtige spelers op het toneel. Franciacorta kende zo een periode waarin gevestigde wijnhuizen en ondernemers massaal mee op de trein sprongen. Hetzelfde gebeurde in Bolgheri, waar vanaf de jaren 1990 steeds meer grote namen en investeerders opdoken die voordien weinig of niets met de streek te maken hadden. Ook rond Etna zagen we later een vergelijkbare beweging en in de Colli Tortonesi trok de herwaardering van Timorasso eveneens producenten van buiten het gebied aan.

En toen kwam Conterno

De heropleving was dus al jaren, weliswaar vrijwel anoniem, bezig tot Roberto Conterno in 2018 een belang van 90 procent in Nervi in Gattinara verwierf. Het was alsof er een bom ontplofte. Dit nieuws trok onmiddellijk de aandacht van de internationale wijnwereld. Uiteraard, want Giacomo Conterno behoort tot de grote namen van Barolo. Wanneer een producent met die reputatie investeert in Alto Piemonte, kijken sommeliers, importeurs, verzamelaars en andere producenten plots een stuk geïnteresseerder mee.

De streek kreeg daardoor in korte tijd veel meer zichtbaarheid. Producenten die al jarenlang bezig waren met het herstel van hun appellaties profiteerden mee van die toegenomen belangstelling. Tegelijk waren wijnliefhebbers steeds nadrukkelijker op zoek naar alternatieven voor de almaar duurder wordende Barolo en Barbaresco. Alto Piemonte bood Nebbiolo, historische appellaties en bovendien nog prijzen die een stuk toegankelijker lagen.

Die combinatie maakte de optelsom compleet. De diverse appellaties van Alto Piemonte begonnen opnieuw hip te worden.

Alto Piemonte op zondag: oude wijngaarden, nieuwe aandacht

We hebben de voorbije zomervakantie doorgebracht in Piemonte. Daar hebben we specifiek de nodige tijd genomen om op ontdekking te gaan door Alto Piemonte. Het is een wijngebied waar we al langer een zwak voor hebben en waarvan ik tot mijn scha en schande moest vaststellen dat ik er, hoewel ik al vele malen Piemonte heb bezocht, nog niet was geraakt. Tot nu dus!

Met deze reeks surf ik wel mee op de huidige hype rond Alto Piemonte. Het lijkt wel dat deze regio zijn tweede adem heeft gevonden. De redenen moeten we niet ver gaan zoeken, hoor. Barolo, de naam is gevallen na amper zeven zinnen, is de belangrijkste wijn uit Piemonte. Daar gaat voorlopig niets of niemand verandering in kunnen brengen, ook al proberen de buren uit Barbaresco het wel en merk je hoe druk bezocht Barbaresco zelf ook is. Maar omdat de prijzen van Barolo de laatste jaren echt wel de pan beginnen uit te swingen, gaan de mensen dus op zoek naar alternatieven. We zien Langhe Nebbiolo en Nebbiolo d’Alba vlotjes terrein winnen. Hetzelfde kan gezegd worden van Alto Piemonte.

Al wil ik bij dat laatste onmiddellijk een kanttekening maken en een waarschuwend vingertje uitsteken. Ik ben wel degelijk geschrokken van de prijzen die er lokaal worden gevraagd voor deze wijnen. Dan bedoel ik uiteraard wel de ondergrens van de flesprijs. Naar boven toe is het ook wel pittig, maar de exorbitante Baroloprijzen blijven wel achterwege.

En dus nemen we je de komende weken mee naar de heuvels aan de uitlopers van de Alpen, waar de Monte Rosa aan de horizon opduikt en Nebbiolo een heel andere omgeving krijgt om zich in uit te drukken. We maken ook een kleine omweg, want hoewel Carema niet thuishoort bij Alto Piemonte, zou het zonde zijn dit prachtige wijngebied niet mee op te nemen in deze reeks.

🍇 Wat mag je verwachten?

1. Alto Piemonte: vulkanen, Alpen en oude bodems

We beginnen met het gebied zelf. Waar ligt Alto Piemonte precies, hoe ziet het landschap eruit, hoe zit de geologie in elkaar en waarom verschilt deze noordelijke wijnwereld zo sterk van de Langhe?

2. Van groot wijngebied naar bijna verdwenen wijngaarden

Vandaag oogt Alto Piemonte klein en versnipperd. Historisch lag dat helemaal anders. We bekijken hoe belangrijk de wijnbouw hier ooit was, waarom zoveel wijngaarden verdwenen en hoe het herstel van de voorbije decennia op gang kwam.

3. Nebbiolo wordt Spanna, en hij komt niet alleen

Nebbiolo vormt de rode draad doorheen Alto Piemonte, al wordt hij hier vaak Spanna genoemd. Vespolina, Uva Rara en Croatina spelen eveneens hun rol. We bekijken wat deze druiven bijdragen en waarom assemblages in het noorden van Piemonte zo vanzelfsprekend zijn.

4. Gattinara

Gattinara is wellicht de bekendste naam van Alto Piemonte en voor veel wijnliefhebbers de eerste kennismaking met de streek. De vulkanische ondergrond, de ligging en de dominantie van Nebbiolo geven Gattinara een heel eigen profiel.

5. Ghemme

Vervolgens trekken we naar Ghemme, de tweede DOCG van Alto Piemonte. De afstand tot Gattinara is beperkt, maar de bodems en de stijl van de wijnen zijn duidelijk anders.

6. Lessona

Lessona wint de laatste jaren meer en meer aan bekendheid. Reden genoeg om deze kleine appellatie een eigen zondag in de spotlights te geven. We bekijken wat Lessona zo bijzonder maakt en hoe de zandige bodems het karakter van de wijnen mee bepalen.

7. Boca en Bramaterra

Boca en Bramaterra zijn beide kleine appellaties, maar inhoudelijk bijzonder interessant. Het zijn twee gebieden die de heropleving van Alto Piemonte mooi illustreren. Kleine productie, veel oude wijngaarden en een ondergrond duidelijk mee het karakter bepaalt.

8. Fara, Sizzano en de andere denominaties

Niet elke appellatie geniet dezelfde bekendheid. Fara, Sizzano, Coste della Sesia en Colline Novaresi komen hier aan bod en maken het plaatje van Alto Piemonte een stuk completer.

9. Carema: de logische buitenstaander

Voor Carema maken we bewust een uitstap buiten wat doorgaans onder Alto Piemonte wordt verstaan. De appellatie ligt nog steeds in Piemonte, helemaal in het noorden van Canavese en tegen de grens met Valle d’Aosta. De terraswijngaarden, pergola’s en lokale interpretatie van Nebbiolo sluiten zo mooi aan bij onze reis door het noorden dat we Carema onmogelijk konden overslaan.

10. Masterclass Alto Piemonte

We sluiten de reeks af zoals een wijnreeks eigenlijk hoort te eindigen: met de flessen op tafel. Voor deze gelegenheid organiseren we een Masterclass Alto Piemonte waarin we verschillende appellaties proeven. Uiteraard krijgt ook Carema een plaats aan de proeftafel.