Alto Piemonte op zondag: de lange weg terug

Uiteraard had ik als voorbereiding op ons bezoek aan de wijngebieden van Alto Piemonte grondig mijn huiswerk gemaakt en het nodige opzoekwerk gedaan. Eens we ginds ter plekke waren, viel het pas echt op hoe klein en versnipperd die wijngaarden over Alto Piemonte verspreid liggen.

Soms merkte ik wel een grotere concentratie van wijngaarden, zoals in Boca, langs de Strada della Traversagna, de SP32 richting Grignasco, waar we verschillende wijngaarden gingen opzoeken. Maar niets, werkelijk niets, doet vermoeden dat hier ooit op grote schaal aan wijnbouw werd gedaan en dat Alto Piemonte zelfs tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde.

De glamour van de 19e eeuw

In de diverse vakliteratuur die ik ter voorbereiding doornam, ontdekte ik dat Alto Piemonte rond het einde van de negentiende eeuw ongeveer 40.000 hectare wijngaarden telde. Vandaag blijft daar met zowat 800 hectare nog maar een fractie van over. Het gebied behoorde destijds tot de belangrijkste wijngebieden van Noord Italië en was voor Nebbiolo een absolute referentie. Gattinara, Ghemme, Lessona, Boca, Bramaterra en Sizzano genoten een stevige reputatie. Hun wijnen werden verkocht in Turijn en Milaan en vonden ook buiten Piemonte afzet. De nabijheid van Lombardije en de handelsroutes richting Centraal Europa maakten Noord Piemonte commercieel interessant.

Dat de wijnen ook kwalitatief hoog werden ingeschat, blijkt uit een bekende brief uit 1845. Camillo Benso di Cavour kreeg toen enkele flessen Sizzano toegestuurd door Giacomo Giovanetti uit Novara. Cavour was onder de indruk. Hij vergeleek het bouquet van de wijn met dat van Bourgogne en schreef dat de heuvels rond Novara volgens hem met die van Bourgogne konden wedijveren.

Vandaag wordt Cavour vooral met Barolo in verband gebracht. Midden negentiende eeuw keek hij voor grote Piemontese wijn dus ook nadrukkelijk naar het noorden.

Van 40.000 hectare naar enkele honderden

Merkwaardig genoeg begonnen de eerste tekenen van achteruitgang in dezelfde periode waarin Alto Piemonte nog tot de belangrijke wijngebieden van Noord Italië behoorde. In 1846 verhoogde Oostenrijk de invoerrechten op Piemontese wijn naar het Lombardisch Venetiaanse Koninkrijk fors. Een belangrijke afzetmarkt werd daardoor moeilijker bereikbaar. Dat probleem trof uiteraard niet alleen Alto Piemonte, maar ook de andere Piemontese wijngebieden.

De tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brachten bovendien de bekende problemen waarmee zowat heel Europa af te rekenen kreeg. Oidium, peronospora en phylloxera troffen ook Alto Piemonte en verplichtten wijnbouwers tot zware investeringen en heraanplant. In 1905 kwam daar lokaal nog een verwoestende hagelstorm bovenop, waarna ook de beide wereldoorlogen hun tol eisten.

Dat alles versnelde de terugval, maar verklaart nog niet waarom Alto Piemonte uiteindelijk zoveel sterker kromp dan veel andere historische wijngebieden. De echte omslag kwam er door de industrialisering van de regio en de geleidelijke uittocht uit de landbouw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw industrialiseerde de textielnijverheid rond Biella in snel tempo en groeide de streek uit tot een belangrijk centrum voor wol en textiel. Na de Tweede Wereldoorlog nam die beweging nog sterk toe. De economische groei in Noord Italië creëerde steeds meer werk buiten de landbouw, zowel in de eigen regio als in grotere industriële centra zoals Turijn en Milaan. Een vaste baan en een verzekerd inkomen werden voor veel jongeren aantrekkelijker dan het onzekere bestaan in de wijngaard.

Daar kon een steile wijngaard moeilijk tegen concurreren. Snoeien, aanbinden, onderhouden en oogsten vergden veel handenarbeid en het inkomen bleef afhankelijk van het weer en de opbrengst. Voor veel gezinnen werd de keuze steeds eenvoudiger. De fabriek bood zekerheid, de wijngaard veel minder.

Wijngaarden werden verwaarloosd, heraanplantingen bleven achterwege en steeds meer percelen werden verlaten. Struiken en bomen namen de plaats van de wijnstokken in en complete hellingen veranderden opnieuw in bos. Door erfenissen raakte het grondbezit ondertussen steeds verder versnipperd. Kleine percelen kwamen terecht bij verschillende kinderen en kleinkinderen, van wie sommigen al lang niet meer in de streek woonden. Die versnippering zou later een bijkomende hindernis vormen voor wie oude wijngaarden opnieuw in productie wilde brengen.

De cijfers maken duidelijk hoe groot de terugval uiteindelijk was. Van ongeveer 40.000 hectare rond het einde van de negentiende eeuw bleven tegen de tweede helft van de twintigste eeuw nog slechts enkele honderden hectaren over. Boca zakte op een bepaald moment tot ongeveer tien hectare. Ook Lessona, Bramaterra, Ghemme en Gattinara hielden nog maar een fractie over van hun vroegere oppervlakte.

Gelukkig stopte niet iedereen. Een handvol historische producenten bleef ook tijdens de moeilijkste decennia wijn maken. Vallana verwierf in de jaren 1950 en 1960 zelfs internationale faam met zijn Spanna, terwijl onder meer Nervi, Travaglini en Antoniolo in Gattinara en Tenute Sella in Lessona actief bleven. Daardoor verdween de wijnbouw nooit volledig en bleef er enige continuïteit bestaan waarop een volgende generatie later kon voortbouwen.

Voorzichtig begint de weg terug

‘Everything dies, baby, that’s a fact, but maybe everything that dies someday comes back’ wist Bruce Springsteen ons al te vertellen. Zo lijkt het dus ook wel met Alto Piemonte! Dat voorzichtig timmeren aan de weg terug begon stilaan vorm te krijgen vanaf het einde van de jaren 1980 en vooral tijdens de jaren 1990. Plots was er interesse in oude vervallen wijngaarden die er op de verlaten hellingen stonden. Een kleine groep mensen begreep het potentieel en zag er een nieuwe toekomst in.

Een van hen was de Zwitser Christoph Künzli. Rond het begin van de jaren 1990 leerde hij Boca kennen en enkele jaren later begon hij er oude percelen samen te brengen voor Le Piane. Dat bleek allesbehalve eenvoudig door de versnipperde eigendomsstructuur en de toestand waarin veel voormalige wijngaarden verkeerden.

Ook Paolo De Marchi keerde in 1999 samen met zijn zoon Luca terug naar de familiale gronden in Lessona en begon er aan de heropbouw van Proprietà Sperino. Rond dezelfde periode en in de jaren daarna verscheen een nieuwe generatie lokale wijnmakers, met onder anderen Cristiano Garella als een van de belangrijke figuren.

Het herstel kwam zo vanuit verschillende richtingen. Historische families investeerden opnieuw, een jongere generatie wijnmakers zag opnieuw toekomst in de streek en mensen van buiten Alto Piemonte begonnen oude percelen op te kopen en te herstellen. Tegelijk veranderden ook de economische omstandigheden. De textielindustrie, die decennialang veel arbeidskrachten uit de landbouw had gehaald, verloor vanaf het einde van de twintigste eeuw een deel van haar dominante positie door toenemende internationale concurrentie.

Ook binnen de wijnwereld zelf begon er iets te verschuiven. De belangstelling voor historische appellaties, oude wijngaarden en Nebbiolo buiten Barolo en Barbaresco nam toe. Dat fenomeen zien we overigens wel vaker in Italië. Zodra een wijngebied momentum krijgt en duidelijk wordt dat er kwalitatief en commercieel iets te rapen valt, verschijnen ook de kapitaalkrachtige spelers op het toneel. Franciacorta kende zo een periode waarin gevestigde wijnhuizen en ondernemers massaal mee op de trein sprongen. Hetzelfde gebeurde in Bolgheri, waar vanaf de jaren 1990 steeds meer grote namen en investeerders opdoken die voordien weinig of niets met de streek te maken hadden. Ook rond Etna zagen we later een vergelijkbare beweging en in de Colli Tortonesi trok de herwaardering van Timorasso eveneens producenten van buiten het gebied aan.

En toen kwam Conterno

De heropleving was dus al jaren, weliswaar vrijwel anoniem, bezig tot Roberto Conterno in 2018 een belang van 90 procent in Nervi in Gattinara verwierf. Het was alsof er een bom ontplofte. Dit nieuws trok onmiddellijk de aandacht van de internationale wijnwereld. Uiteraard, want Giacomo Conterno behoort tot de grote namen van Barolo. Wanneer een producent met die reputatie investeert in Alto Piemonte, kijken sommeliers, importeurs, verzamelaars en andere producenten plots een stuk geïnteresseerder mee.

De streek kreeg daardoor in korte tijd veel meer zichtbaarheid. Producenten die al jarenlang bezig waren met het herstel van hun appellaties profiteerden mee van die toegenomen belangstelling. Tegelijk waren wijnliefhebbers steeds nadrukkelijker op zoek naar alternatieven voor de almaar duurder wordende Barolo en Barbaresco. Alto Piemonte bood Nebbiolo, historische appellaties en bovendien nog prijzen die een stuk toegankelijker lagen.

Die combinatie maakte de optelsom compleet. De diverse appellaties van Alto Piemonte begonnen opnieuw hip te worden.

10 Italiaanse wijnen die je ooit gedronken moet hebben

Jaarlijks geven we een diepgaande opleiding over Italiaanse wijnen, gespreid over zes avonden. Afgelopen woensdag werkten we de laatste sessie af en sindsdien is het alweer aftellen naar de volgende reeks. Als afsluiter van de lessenreeks deelde ik mijn eigen lijst van tien iconische Italiaanse wijnen die je ooit in je leven gedronken moet hebben. Wat de cursisten niet wisten, was dat ik er als afsluiter eentje van deze lijst had laten binnenkomen.

Zo’n lijst is natuurlijk persoonlijk en al zeker geen vaststaand gegeven. Hij kan er volgend jaar alweer helemaal anders uitzien. Of misschien moet ik de wijnen die ik reeds proefde van de lijst afhalen en vervangen door anderen. Want ondertussen heb ik toch al de helft ervan ooit in het glas gehad.

Misschien vinden jullie dat er best wel een of andere wijn ontbreekt op deze lijst of zou die voor jou er compleet anders uitzien. Zoals je weet staan we open voor alle suggesties en mag je me overladen met tips van Italiaanse wijnen die je zelf zou opnemen op de lijst.

Ik deel alvast mijn lijst. De wijnen zijn gewoon alfabetisch geplaatst zonder dat er een rangorde achter zit. Voor de goede orde, die heb ik wel degelijk.

Amarone della Valpolicella Classico DOCG: Giuseppe Quintarelli Riserva

Misschien zijn er velen verbaasd deze wijn op de lijst te zien staan, want ik ben niet onmiddellijk een grote liefhebber van Amarone. Maar over Amarone bestaan veel misverstanden. Te zwaar, te geconcentreerd, te veel alcohol, eigenlijk net allemaal te. En dan kom je bij Quintarelli uit, en dan valt dat hele simplistische praatje gewoon stil. Ik proefde reeds zijn basis Amarone en daar word je toch even stil van. Ik zou ook zijn Selezione Giuseppe Quintarelli op het lijstje kunnen plaatsen, maar zal al vrede nemen met de Riserva.

De Riserva wordt niet elk jaar gemaakt. Enkel in de beste jaren zal je deze zien verschijnen. Hij vertrekt vanuit een persoonlijke vatselectie. De druiven komen uit de heuvels rond Negrar, in het hart van de Valpolicella Classico. Corvina en Corvinone vormen de basis, aangevuld met Rondinella en een klein aandeel andere lokale rassen. De druiven worden tijdens de oogst streng geselecteerd en daarna in houten kistjes of op rieten matten gelegd. Daarbij wordt zelfs gelet op hoe de druiven precies liggen, zodat de appassimento op een natuurlijke manier kan verlopen. In november verschijnt de edele rotting, die zich vooral in januari verder ontwikkelt.

Eind januari worden de druiven geperst. Na een maceratie van ongeveer 20 dagen start de alcoholische gisting met inheemse gisten. Die gisting duurt ongeveer 45 dagen. Daarna verhuist de wijn naar grote Slavonische eiken vaten, waar hij zeven jaar rijpt.

Quintarelli heeft Amarone mee naar een niveau gebracht waarop de wijn niet langer alleen over kracht of concentratie gaat. Tijd is hierbij cruciaal. Vooral de wijn de nodige tijd gunnen om zich helemaal te ontplooien.

Om dit te kunnen proeven zal je net iets meer dan 700 € moeten betalen. Begin juni zijn we in Valpolicella en gaan we op bezoek bij Quintarelli. Ik moet je niet vertellen dat de hoop leeft om deze daar van het lijstje te kunnen afvinken.

Barbaresco DOCG: Gaja Sorì San Lorenzo

Neem ik Gaja mee op in de lijst of niet? Ik heb toch even geworsteld met die vraag, maar uiteindelijk volmondig ja geantwoord. Over een iconische naam in de Italiaanse wijnwereld gesproken. Ik vergeef het mezelf nog steeds niet dat ik ooit de kans had om deze wijn te proeven, maar de gelegenheid aan mij voorbij heb laten gaan. Met een air van: ik proef dit later wel een keer op mijn gemak in plaats van dit nu overhaast te doen. What a mistake to make!

De Nebbiolo wijngaard Sorì San Lorenzo ligt in Barbaresco en behoort tot de absolute referenties van het domein. De naam verwijst naar de ligging waar de zon mooi op de helling valt. Angelo Gaja bracht deze wijn voor het eerst apart op de markt in de jaren zestig en zette daarmee mee de toon voor een andere manier van denken in Piemonte. Niet alleen de appellatie was belangrijk, ook de specifieke wijngaard kreeg een gezicht.

De prijzen voor deze wijn die je online ziet circuleren variëren stevig. Ik ga ervan uit dat voor een goed jaar al vlug rond de 800 € betaald zal moeten worden.

Barolo Riserva DOCG: Giacomo Conterno Monfortino

Een Barolo mag uiteraard niet ontbreken, maar welke ga ik er nu opzetten. Ik kan moeilijk een lijst maken met enkel maar Barolo, al zou het zo maar kunnen. De uiteindelijke keuze valt op Monfortino van Giacomo Conterno. Hoewel ik al veel heb mogen proeven van deze producent, is de Monfortino tot op heden steeds door de mazen van het net geslipt. Nochtans heb ik er een meer dan gezonde interesse naar.

Monfortino is geen gewone Barolo Riserva. Dit is een wijn die enkel in de beste jaren wordt gemaakt. De Nebbiolo bessen komen uit de Cascina Francia wijngaard in Serralunga d’Alba. Nog voor de oogst wordt beslist welke druiven eventueel voor Monfortino in aanmerking komen. Dit doen ze door voortdurend de bessen te proeven in de wijngaard. Het spreekt voor zich dat alleen de beste druiven in aanmerking komen.

De wijn rijpt voor minstens zeven jaar op grote Slavonische eiken vaten. Pas na jaren rijping en verschillende proefsessies beslist men of er effectief een Monfortino komt. Voldoet het vat niet aan de verwachtingen, dan verdwijnt hij in de Barolo Cascina Francia. Zoals gezegd: geen gewone Barolo dus! In een normaal jaar worden er ongeveer 7.000 flessen gemaakt.

De prijzen volgen de mythe zonder verpinken. Voor een recente jaargang zit je al snel boven de 1.000 €. Dat zijn veel centen voor een fles wijn, maar hij hoort absoluut thuis op deze lijst. Misschien moeten we hier ooit een split cost doen en de wijn delen met enkele gelijkgestemden.

Bolgheri DOC: Ornellaia Bianco

Een witte wijn uit Bolgheri op deze lijst zetten lijkt misschien een vreemde keuze. Bij Bolgheri denken we spontaan aan rood, aan Ornellaia, Sassicaia, Masseto en al die andere flessen waarbij je kredietkaart al preventief begint te zweten. Ik wou niet enkel een lijst opbouwen met enkel maar rode wijnen, wat misschien wat meer voor de hand ligt. De keuze welke witte wijn te nemen was niet eenvoudig en ik geef toe dat het lopen op een slappe koord is met de keuze voor Ornellaia Bianco. Ik wou echter per se eentje nemen die ik nog niet heb geproefd. Vraag me binnen enkele maanden het lijstje te herbekijken en deze zal er misschien niet langer nog opstaan.

Ornellaia Bianco werd voor het eerst gemaakt met jaargang 2013. Sauvignon Blanc vormt de basis, aangevuld met Viognier. De Sauvignon Blanc komt van drie kleine wijngaarden binnen het domein, percelen die volgens Ornellaia bijzonder geschikt zijn om het terroir over te brengen in de wijn.

De druiven worden met de hand geoogst. Nadien worden ze onmiddellijk gekoeld om het aromatische potentieel te bewaren. Na selectie volgt een zachte persing van volledige trossen. De gisting gebeurt in barriques, waarvan 30 procent nieuw en 70 procent gebruikt. Malolactische gisting wordt niet uitgevoerd. Daarna rijpt de wijn 10 maanden op de fijne lies met bâtonnage, gevolgd door nog 2 maanden in inox en 6 maanden flesrijping voor hij op de markt komt.

De prijs zit al snel rond 250 tot 300 €.

Brunello di Montalcino Riserva DOCG: Case Basse di Gianfranco Soldera

Soldera opnemen in deze lijst voelt bijna verplicht, al weet je tegelijk dat je jezelf daarmee in woelig water begeeft en dat je haast moet maken om deze nog effectief onder de Brunello noemer te kunnen proeven. En dat is exact wat ik eigenlijk wens. Misschien slaag ik er niet in en behoud ik de wijn toch in de lijst, maar dan in zijn huidige vorm als IGT.

Gianfranco Soldera bouwde Case Basse uit tot een van de meest legendarische domeinen van Montalcino. Alles vertrok vanuit een bijna obsessieve visie op Sangiovese Grosso. De wijngaarden werden extreem zorgvuldig beheerd, rendementen bleven laag en in de kelder werd vooral niets overhaast. Lange rijping op grote Slavonische eiken vaten, geen toegevingen aan snelle drinkbaarheid en vooral een geloof dat grote Sangiovese tijd nodig heeft.

Het verhaal van wat er in het verleden is gebeurd en wat geleid heeft tot zijn breuk met Brunello is nice to know, maar doet niets af aan de kwaliteit van de wijn. Mocht er iemand zijn die nog een flesje 2006 in zijn bezit heeft en dit met me zou willen delen: ik hoor het graag.

Colli Orientali del Friuli DOC: Miani Calvari Refosco dal Peduncolo Rosso

Ik ben grote fan van de witte wijnen van Miani en heb deze reeds meermaals kunnen proeven. Nooit kwam de gedachte in me op om ook hun Refosco te proeven. Tot ik een inside tip kreeg dat ik absoluut Calvari Refosco dal Peduncolo Rosso moest proeven. Deze tip werd me zo smakelijk en waarheidsgetrouw gebracht dat ik hem prompt nomineerde voor deze lijst.

Enzo Pontoni is de man achter Miani en in Friuli heeft hij intussen een bijna mythische status opgebouwd. Hij werkt in de Colli Orientali del Friuli met oude stokken, lage rendementen en een zorg voor detail waar je bijna zenuwachtig van wordt. Calvari is een van zijn grote referentiepercelen en Refosco dal Peduncolo Rosso bereikt hier zijn hoogste piek.

De druiven komen van de heuvels van de Colli Orientali, waar kalkrijke bodems en een geschikt microklimaat Refosco bijzonder goed liggen. De oogst gebeurt met de hand, de selectie is streng en de gisting verloopt met inheemse gisten. Daarna rijpt de wijn op eikenhouten vaten. Alles aan deze wijn toont dat grootheid in Italië niet altijd uit de meest voor de hand liggende appellaties moet komen.

Als je ervan uitgaat dat Refosco een onbekende druif is, dan zit je juist. Link je daar om die reden misschien ook een lager prijskaartje aan? Think again: drie bruine en één blauw briefje zal je moeten bovenhalen.

Süd Tirol – Alto Adige DOC: Elena Walch Aton Pinot Nero Riserva

Pinot Nero en Südtirol – Alto Adige is wat mij betreft een zeer geslaagd huwelijk. Er zijn daar heel wat Pinot Nero wijnen te vinden die je perfect op het hoogste schavotje kan plaatsen. Aton van Elena Walch hoort daar zonder twijfel bij.

De wijngaarden liggen in Glen, bij Montagna, en in Barleith, een cru uit Caldaro. Beide zijn opgenomen in de lijst van de 86 UGA’s van Alto Adige. De stokken, die meer dan 60 jaar oud zijn, staan aangeplant op een hoogte van 400 tot 600 meter. Met amper 3.395 flessen die ervan gemaakt worden, creëren ze schaarste terwijl de vraag hoog is. Ik heb deze wijn ondertussen al enkele keren in het glas gehad en kan hem dus afvinken van het lijstje. Dat hij er nog steeds op staat, bewijst zijn waarde.

Voor deze fles zal je ongeveer 175 € betalen.

Trebbiano d’Abruzzo DOC: Valentini

Deze wijn is al lang afgevinkt, maar toch was het een no brainer om hem op te nemen in de lijst. Ik ben me bewust dat er wat wenkbrauwgefrons aan te pas zal komen bij het opnemen van een Trebbiano. Maar een verticale degustatie van deze wijn, met toch wel oudere jaargangen, verantwoordt deze keuze volledig.

Valentini werkt in Abruzzo met oude stokken van Trebbiano Abruzzese. De aanpak is eigenzinnig en allesbehalve gericht op volume. De druiven komen uit de heuvels rond Loreto Aprutino, waar de combinatie van hoogte, bodem en klimaat Trebbiano een heel ander gezicht geeft dan wat veel mensen verwachten.

In de kelder wordt er weinig geforceerd. Na het persen start de gisting spontaan in grote houten vaten, enkel met inheemse gisten. Daarna rijpt de wijn ongeveer één jaar in grote eiken vaten van 50 tot 70 hectoliter. Er wordt niet geklaard en niet gefilterd.

De prijzen zijn de voorbije jaren stevig gestegen. Voor een fles zit je al snel richting 150 € of meer. Dat maakt het geen evidente aankoop. Maar dit is zo’n wijn die je moet geproefd hebben om te begrijpen waarom sommige liefhebbers er zo eerbiedig over spreken.

Trento DOC: Fratelli Lunelli Giulio Ferrari Riserva del Fondatore Collezione Metodo Classico Extra Brut

We hadden oorspronkelijk geen bubbel opgenomen, maar Italië is ondertussen zo bubbelgek geworden dat ik alsnog overstag ben gegaan. Ik ga dan wel voor het serieuze werk en laat de Prosecco’s over aan zij die het graag drinken. Hoewel ik niet direct een fan ben van de basis spumante van Ferrari, is de Riserva del Fondatore toch wel een ander kaliber. Krijg ik de kans om een glas te nippen, dan zal ik nooit neen zeggen. Bij deze weet je dus al dat hij doorstreept is.

Giulio Ferrari was de man die begin vorige eeuw in Trentino het potentieel zag voor metodo classico. De familie Lunelli heeft dat werk verdergezet en uitgebouwd tot wat vandaag zonder discussie een van de referenties is voor mousserende wijn in Italië. De Riserva del Fondatore is daar het absolute uithangbord van. De tweede gisting gebeurt op fles en de wijn rijpt vervolgens maar liefst 120 maanden op de lie. Dat is tien jaar geduld, en dat voel je in alles.

Deze cuvée wordt enkel gemaakt in de beste jaren en de productie blijft beperkt. De prijs zit rond de 180 €, wat in deze lijst bijna bescheiden aanvoelt.

Vernaccia di Oristano Riserva DOC 1968: Silvio Carta

Deze wijn is wellicht de meest eigenzinnige keuze uit de hele lijst. Bovendien is hij ook de aanleiding geweest om deze lijst effectief op te maken. Met wat bevriende wijnliefhebbers rond de tafel, snuffelend en proevend van enkele mooie Italiaanse wijnen, bracht iemand deze wijn ter sprake. This one you really must have drunk before you die’, was zijn commentaar. En dus wilde ik hem er absoluut bij.

Het gaat hier niet om Vernaccia zoals we die elders in Italië kennen. De naam verwijst vooral naar een lokale druif, en op Sardinië krijgt die een heel aparte invulling. Na de gisting rijpt de wijn in vaten die niet volledig gevuld worden. Daardoor komt er zuurstof bij en kan er flor ontstaan, een laag gistcellen die de wijn beschermt en tegelijk zijn unieke karakter geeft. Dat plaatst Vernaccia di Oristano in het kleine clubje van oxidatieve wijnen met biologische rijping.

De productiezone ligt in de benedenvallei van de Tirso, rond Oristano, met onder meer San Vero Milis, Solarussa en Simaxis als belangrijke namen. De wijnen zijn volledig droog en hebben niets te maken met het zoete of logge beeld dat sommige mensen bij oude, krachtige wijnen voor ogen hebben. Zelf weigert men dan ook te spreken over een dessertwijn.

De Riserva 1968 van Silvio Carta is natuurlijk nog een ander verhaal. We spreken hier over een fles met meer dan een halve eeuw geschiedenis, die maar liefst gedurende 50 jaar op vat heeft liggen wachten om gebotteld te worden en uiteindelijk in ons glas te belanden. Jawel, dit was absoluut de afsluiter van onze Italiaanse wijnavonden en de wijn waarmee ik de cursisten verraste. De prijs van deze fles schommelt rond de 260 €.