Friulano, identiteit in nuance

Afgelopen weekend dook ik mijn kelder in op zoek naar een geschikte wijn voor bij een zeevruchtenpasta. Van de feestdagen waren er nog restanten kreeft en langoustine over, veel te goed om achteloos te laten verdwijnen. Het gerecht vroeg om een wijn met inhoud. Na wat wikken en wegen viel mijn oog op een Russiz Superiore Friulano 2016 Collio DOC.

De combinatie werkte perfect. De wijn gleed moeiteloos door het gerecht heen en gaf het geheel extra diepte. Om eerlijk te zijn, zelfs als de pasta was mislukt, had de wijn nog altijd overeind gebleven. Zo’n glas dus dat niet alleen ondersteunt, maar ook gerust alleen kan schitteren. Het idee om Friulano eens grondig onder de loep te nemen, liet zich op dat moment vanzelf opdringen.

Friulano is zo’n druif die je niet overdondert bij de eerste slok, maar die je wel bijblijft. In het noordoosten van Italië, vlak bij de Sloveense grens, is hij uitgegroeid tot het witte uithangbord van Friuli-Venezia Giulia. Zijn kracht zit niet in een opvallende expressie, maar in finesse, textuur en een smaak die rustig doorloopt tot in de afdronk.

Toch is Friulano allesbehalve eenvoudig. Achter dat ingetogen karakter schuilt een verhaal vol omwegen, naamswissels en identiteitsvragen die jarenlang stof deden opwaaien. Het is precies die combinatie van discretie in het glas en complexiteit in de achtergrond die Friulano zo boeiend maakt.

De naam van de druif

Vandaag heet hij gewoon Friulano op het etiket. Dat lijkt helder, maar wie iets verder kijkt, merkt al snel dat die eenvoud vooral schijn is. Jarenlang stond de druif bekend als Tocai Friulano, een naam die uiteindelijk meer problemen dan duidelijkheid opleverde. De gelijkenis met Tokaji, de beroemde Hongaarse zoete wijn, leidde tot een lange juridische strijd waarin Hongarije met succes het alleenrecht op de naam afdwong.

Sinds die Europese uitspraak verdween Tocai van Italiaanse flessen en bleef Friulano over als officiële wijnnaam. Opmerkelijk genoeg leeft de oude benaming achter de schermen verder. In technische en administratieve contexten duikt Tocai Friulano nog geregeld op, wat betekent dat we in het dagelijkse taalgebruik eigenlijk de wijn benoemen, en niet strikt de druif.

Toch is daarmee niet alle verwarring van tafel. In Italië circuleren nog steeds verschillende erkende benamingen voor dezelfde druif, afhankelijk van regio en context. Zo wordt in Veneto ook de naam Tai gebruikt. In sommige zones duikt zelfs Tuchi op, een historische variant die vandaag zelden nog buiten administratieve lijsten verschijnt.

Buiten Europa mag de historische naam in sommige gevallen zelfs nog worden gebruikt, wat het verhaal extra complex maakt. Friulano heeft zich dus niet alleen in het glas moeten bewijzen, maar ook op papier en in rechtbanken.

Franse afkomst en sauvignonasse, eenvoud bestaat hier niet

Lang werd Friulano gezien als een inheemse Italiaanse druif, of door de hardnekkige Tokaji associatie zelfs als een mogelijke import uit Hongarije. Dat beeld is de voorbije decennia grondig bijgesteld. DNA onderzoek heeft de discussie opengebroken en genetische verbanden blootgelegd met een oude, grotendeels vergeten Franse druif. Dat leidde tot de conclusie dat Friulano samenvalt met wat in Frankrijk bekendstond als sauvignonasse. Op papier lijkt dat een elegante oplossing, in de praktijk blijkt het verhaal allesbehalve rechtlijnig.

Een groot deel van de verwarring zit in historisch naamgebruik. Eeuwenlang doken woorden als Tokai, Tocai, Toccai en Tokaj op in documenten, maar zelden met een duidelijke omschrijving van de gebruikte druif. In tijden zonder strikte regelgeving kon Tokai evengoed verwijzen naar een lokale variëteit, een ingevoerde druif, een blend of zelfs een stijl. Oude vermeldingen zijn daardoor verleidelijk, maar zelden sluitend bewijs voor wat we vandaag Friulano noemen.

Ook op het niveau van uiterlijk en druifkenmerken zorgde Friulano lange tijd voor verwarring. Hij lijkt sterk op Sauvignon blanc. Genoeg om jarenlang verkeerd te worden ingedeeld, zowel in wijngaarden als in onderzoekscentra. In Frankrijk werd het verhaal nog complexer door een wirwar aan namen. Naast sauvignonasse doken ook benamingen op als Sauvignon de la Corrèze en Sauvignon à Gros Grains. Daar kwam Sauvignon Vert bovenop, een naam die in sommige landen als synoniem werd gebruikt en elders naar een heel andere druif verwees. Het gevolg was een langdurige verwarring waarin namen en identiteiten door elkaar bleven lopen.

Wat DNA onderzoek wél heeft gedaan, is de discussie verplaatsen van romantische herkomstverhalen naar genetische aannemelijkheid. Daarbij kwam nog een belangrijk argument naar voren. Sauvignonasse blijkt ouderlijk materiaal te zijn van meerdere klassieke Franse rassen met een lange geschiedenis, waaronder Chenin Blanc. Zulke ouder-kindrelaties wijzen op een langdurige aanwezigheid binnen een Franse viticulturele context en maken een Franse oorsprong waarschijnlijker dan een Italiaanse. Tegelijk blijft het mogelijk dat de druif al vroeg in Noordoost-Italië aanwezig was onder andere namen, en dat pas later een duidelijke identificatie volgde.

De meest eerlijke samenvatting is deze. De genetica wijst richting Frankrijk, maar de historische naamvoering in Italië is zo diffuus dat absolute zekerheid moeilijk blijft. Friulano heeft helaas geen eenvoudige geboorteakte.

Wat wel vaststaat, is dat de druif haar definitieve identiteit in Friuli heeft gevonden. De eeuwenlange associatie met de naam Tocai, hoe verwarrend ook, maakte deel uit van dat proces. De Europese beslissing om Tocai exclusief aan Hongarije toe te kennen betekende het einde van een tijdperk, maar tegelijk het begin van een herpositionering.

Terroir, appellaties en hedendaagse expressie

Het kloppende hart van Friulano ligt onmiskenbaar in Friuli Venezia Giulia. Hier is de druif al decennialang een vaste waarde en behoort hij tot de meest aangeplante witte rassen. Het landschap speelt daarin een sleutelrol. Heuvels, koele luchtstromen uit de Alpen en de verzachtende invloed van de Adriatische Zee zorgen samen voor een klimaat waarin Friulano zijn natuurlijke evenwicht vindt.

Binnen de regio zijn er meerdere herkomstgebieden die elk hun eigen lezing van Friulano brengen. De bekendste liggen in en rond Collio, Colli Orientali en Isonzo, maar ook twee DOCG’s spelen een belangrijke rol in het hedendaagse verhaal van de druif.

Colli Orientali, beschut door de Julische Alpen, combineert hoogte met een koeler microklimaat en arme, mineraalrijke bodems. Het resultaat zijn precieze, frisse en vaak licht zilte Friulano-wijnen met spanning en lengte. Binnen dit gebied bevindt zich ook Rosazzo DOCG, een historisch heuvelplateau rond de abdij van Rosazzo. Hier krijgt Friulano extra diepte en structuur, vaak met meer concentratie en bewaarpotentieel, zonder zijn verfijnde karakter te verliezen.

Collio, of Collio Goriziano, tegen de Sloveense grens, geldt als een van de meest dynamische wijngebieden van Italië. Duurzame wijnbouw is hier geen modewoord maar een breed gedragen overtuiging. Organische en biodynamische praktijken vormen de basis voor wijnen met uitgesproken persoonlijkheid. In Collio ontstaan ook de meest uitgesproken interpretaties van Friulano, met langere schilweking, rijping in hout of amfora en een duidelijke focus op textuur en complexiteit.

Meer naar het westen, op de overgang tussen Friuli Venezia Giulia en Veneto, ligt Lison DOCG. Deze grensoverschrijdende appellatie vormt een historische schakel tussen beide regio’s en kent een zachter, maritiem beïnvloed klimaat. Friulano speelt hier een sleutelrol en levert doorgaans rondere, soepelere wijnen met een uitgesproken aromatische finesse. Lison toont hoe Friulano ook buiten de heuvelzones verfijning kan behouden, zij het met een ander accent.

Isonzo, dichter bij de rivier en de vlaktes, levert meestal de meest directe en fruitgedreven stijlen, steeds gedragen door de frisse ondertoon die Friulano typeert.

Buiten deze kerngebieden blijft de druif relatief zeldzaam. Hij komt nog beperkt voor in delen van Veneto en Lombardije en steekt net over de grens in Slovenië, waar hij bekendstaat als jakot, een speelse omkering van de oude naam tocai. Toch blijft Friulano in essentie een kind van zijn streek. Pogingen elders leveren zelden hetzelfde resultaat op, omdat hij sterk afhankelijk is van het koele, heuvelachtige landschap en de specifieke bodems van zijn thuisregio.

Hoewel het areaal in de tweede helft van de twintigste eeuw merkbaar is afgenomen door veranderende marktvoorkeuren en de impact van de naamswijziging, blijft Friulano vandaag stevig verankerd in de regio. Voor veel wijnbouwers is hij geen nostalgisch overblijfsel, maar een bewuste keuze.

Ampelografie

Friulano is een druif met een uitgesproken groeikracht en een duidelijk eigen gedrag in de wijngaard. De wijnstok is vitaal en productief, wat hem betrouwbaar maakt voor de wijnbouwer, maar tegelijk discipline vraagt. Zonder ingrijpen neigt hij naar overvloed, en precies daar schuilt het grootste risico. Overproductie vertaalt zich snel in vlakke, weinig expressieve wijnen. Ruimte, lucht en een doordachte snoei zijn dus een noodzaak.

De trossen zijn middelgroot en meestal piramidaal van vorm. De bessen zijn ovaal en kleuren bij rijpheid goudgeel. De schil is relatief dik maar soepel, het vruchtvlees sappig en vrij neutraal van aroma. Friulano dankt zijn expressie dan ook minder aan uitgesproken geurstoffen in de druif zelf, en meer aan textuur, balans en de manier waarop hij wordt begeleid in wijngaard en kelder.

Fenologisch gezien loopt Friulano iets later uit, wat hem beschermt tegen voorjaarsvorst. De bloei verloopt gemiddeld en de rijping volgt in de tweede helft van het seizoen. Hij rijpt niet extreem laat, maar vraagt wel voldoende warmte om volledig in balans te komen. Op koelere of slecht gekozen standplaatsen kan dat leiden tot spanning tussen rijpheid en frisheid.

De opbrengsten zijn doorgaans constant en voorspelbaar, al vraagt de druif extra aandacht richting het einde van het groeiseizoen. Bij natte omstandigheden is Friulano gevoelig voor rot en kan ook echte meeldauw een rol spelen. Met gericht bladwerk, opbrengstbeperking en een open loofwand blijft dat perfect beheersbaar.

Friulano en de renaissance van Italiaanse witte wijn

Friulano speelde een sleutelrol in de herwaardering van Italiaanse witte wijn vanaf de jaren zeventig. In de decennia voordien werden witte wijnen in grote delen van Italië gekenmerkt door oxidatie, slordige wijngaardarbeid en beperkte keldertechniek. Frisheid was zeldzaam, precisie nog zeldzamer. De introductie van roestvrij staal en temperatuurgecontroleerde fermentatie betekende een kantelpunt. Friuli Venezia Giulia behoorde tot de eerste regio’s die deze nieuwe aanpak voluit omarmden en zich profileerden als referentie voor moderne, frisse witte wijnen. Friulano stond daarbij centraal, naast zowel inheemse als internationale druiven.

Die vernieuwingsdrang vertaalt zich tot vandaag in de manier waarop Friulano wordt gemaakt. In zijn meest klassieke vorm levert de druif heldere, precieze wijnen met aroma’s van peer, appel en witte bloesem. De zuren zijn rijp en verfrissend, de alcohol blijft mooi in balans. Kenmerkend is de zachte textuur en de licht bittere toets in de afdronk die aan amandel doet denken. Die bitterheid geeft spanning, lengte en maakt de wijn bijzonder gastronomisch. Van eenvoudige antipasti tot verfijnde zeevruchten, Friulano voelt zich zelden misplaatst aan tafel.

Veel Friulano wordt vandaag gemaakt met een focus op frisheid en zuiverheid. Koele fermentaties en een zorgvuldige omgang met zuurstof leveren wijnen op die helder, precies en direct zijn. Dat werkt uitstekend, al schuilt er ook een keerzijde. Wanneer iedereen dezelfde aanpak volgt, dreigt het karakter van het terroir soms wat naar de achtergrond te verdwijnen.

Daarom kiezen sommige wijnmakers voor een andere weg. Met meer tijd op de fijne lie, een vleugje hout, schilweking of zelfs amfora krijgt Friulano een ruimer spectrum. De wijnen worden voller, gelaagder en winnen aan textuur en diepte. Het fruit wordt iets minder nadrukkelijk, maar maakt plaats voor complexiteit en een stijl die rustiger evolueert in het glas en vaak ook in de fles.

Een glas dat blijft hangen

De geschiedenis van Friulano is complex en soms verwarrend. Verdere DNA studies zullen zijn dubbelzinnige afkomst misschien ooit scherper kunnen kaderen. Zijn stijl daarentegen is helder en rechtlijnig. In het glas vertaalt zich dat naar finesse, spanning en die herkenbare amandeltoets die zacht blijft nazinderen.

Desondanks zal het nooit de meest modieuze druif worden en zal Friulano buiten zijn thuisregio voor velen onder de radar blijven. Misschien is dat net zijn charme. Wijnbars, sommeliers en nieuwsgierige wijnliefhebbers kunnen hier het verschil maken, want dat Friulano een gastronomische zegen kan zijn, heb ik zelf mogen ervaren. In de juiste context kan die combinatie zorgen voor momenten die blijven hangen, lang nadat het glas leeg is.

Gelukkig – Goed – Gek: De nieuwe DOC’G’ toekenningen

Hoewel het in het leven roepen van het nieuwe Italiaanse kwalificatiesysteem in 1980 vooral een goed initiatief was heb ik zo mijn bedenkingen bij de jaarlijkse Oscar uitreikingen die men houdt naar aanleiding van Vin Italy. Maar liefst 10 appellaties kregen hun promotieticket naar de allerhoogste divisie. Officieel staat de teller ondertussen op 59 DOCG’s. Mijn inziens moeten dat er zelfs 61 zijn als je de Moscato d’Asti en de Asti Spumente uit elkaar haalt en nog een keertje hetzelfde doet voor de Amarone della Valpolicella en de Recioto della Valpolicella.
Waar gaan we naartoe kan je je terecht afvragen. Nog enkele jaren en je bent een uitzondering als je nog een DOC bent ;-).

Welke nieuwelingen zijn tot het sterrendom toegetreden? En meer belangrijk… Ken je deze absolute vedetten?

  1. DOCG Aglianico del Taburno (Campania)
    Een vierde onderscheiding uit de provincie van Napels en omgeving. Dat men ginds al een tijdje goed bezig was is een kleine understatement. Naast de twee witte iconen Greco di Tufo en Fiano di Avellino heeft de Taurasi een broertje gekregen. Een terechte bekroning voor één van Italië’s grootste rode druiven; de Aglianico? De Aglianico del Taburno moet zoals de naam het zegt gemaakt worden van de Aglianico druif. Al mag men voor 15% liegen… euh ik bedoel afwijken hiervan. De wijngaarden staan in de omgeving van Benevento. Je kan er ook een riserva en een rosato van vinden. Het kreeg de DOC status in 1986. De wijn moet een alcoholpercentage bevatten van minimaal 12% (13 voor de riserva) en de maximumopbrengst per hectare bedraagt 70 hl/ha (65 voor de rosato).
  2. DOCG Offida (Marche)
    De vijfde DOCG reeds uit de Marche. Naast twee Verdicchio’s (di Matelica en Castelli di Jesi, beiden in Classico), de terechte Conero en de onbekende Vernaccia di Serrapetrone. Marche is meestal vrij onbekend, maar er is wel degelijk heel wat aan kwaliteit te vinden. Het is de bekroning van vooral de Pecorino druif.Offida vinden we in de omgeving van Ascoli en Piceno. We kunnen deze wijn in een verscheidenheid terugvinden op de markt: Offida Pecorino, Offida Passerina, Offida Passerina Passito, Offida Passerina Spumante, Offida Passerina Vin Santo en Offida Rosso. Of al deze types de DOCG status hebben verkregen is nog even koffiedik kijken. De vroegere DOC Offida werd omgedoopt tot DOC Terre di Offida.
    De witte wijnen Pecorino en Passerina moeten voor minstens 85% bestaan uit de genoemde druif. De Rosso moet voor minstens de helft gemaakt zijn van de Montepulciano en moet voor minstens 30% aangevuld worden met Cabernet Sauvignon. De overige 20% moet komen van de rode druivensoorten die in de omgeving toegelaten zijn.
  3. DOCG Piave Malanotte of Malanotte del Piave (Veneto)
    Nergens is het in DOCG-land meer crazy dan in Veneto, thuishaven van Verona…daar waar jaarlijks Vin Italy plaats heeft. Deze Piave Malanotte is niet de enige die tot DOCG werd gebombardeerd. Neen nog twee anderen volgen in het zog (DOCG Lison en DOCG Colli Euganei Fior d’Arancio). Hiermee kan je aanschouwen dat Veneto qua DOCG’s belangrijker wordt dan Toscane (10 – eigenlijk 11 voor Veneto en 8 voor toscane) – Hallllllooooo????? De Piave Malanotte is een afscheuring van de DOC Piave en geldt voor de rode Raboso druif (ooit al geproefd?). De stokken vinden we terug in de omgeving van Treviso. Twee verschillende type van Raboso druiven kunnen aanwezig zijn in de wijn: minstens 70% Raboso Piave, aangevuld met maximum 30% Raboso Veronese. Van deze laatste variëteit kan trouwens 5% vervangen worden door een andere, in de omgeving toegelaten rode druif. Het alcoholpercentage moet minstens 12,5% bevatten en de opbrengst per hectare moet beperkt zijn tot… kuch kuch… 120 hl/ha.
  4. DOCG Lison (Veneto)
    De DOCG Lison is een afscheuring van de DOC Lison-Pramaggiore. Het productiegebied loopt over Veneto tot aan Treviso en Pordenone. De DOCG is enkel van toepassing op witte wijnen en geldt tevens voor de Lison Classico. De wijn moet voor minstens 85% bestaan uit de Friulano (Tocai). Het alcoholpercentage moet minstens 12% bevatten en voor de Classico moet dit 12,5% zijn. Het maximum rendement bedraagt 110hl/ha.
    Opmerkelijk is dat men in het DOCG decreet heeft opgenomen dat flessen tot 3 liter moeten afgesloten worden met kurk, terwijl de flessen van 375 cl ook met schroefdop mogen worden afgesloten.
  5. DOCG Colli Euganei Fior d’Arancio (Veneto)
    Afscheuring van DOC de Colli Euganei. De DOCG geldt voor witte wijnen die voor 95% moeten bestaan van de Moscato Giallo druif. We kunnen ze vinden in de gewone versie, een Passito of een Spumante. De wijngaarden staan in de omgeving van Padova. Het alcoholpercentage moet minstens 10,5% bedragen (15,5% voor de Passito) en het rendement mag de 120 hl/ha niet overschrijden.
  6. DOCG Erbaluce di Caluso (Piemonte)
    Piëmonte raast als een bezetene verder door het DOCG landschap. Liefst 4 nieuwelingen mag deze Noord-Italiaanse trots verwelkomen. Naast de Erbaluce di Caluso zijn dit: Ruché di Castagnole Monferrato, Alta Langa en Dolcetto Diano d’Alba. Gaan er straks nog ‘gewone’ wijntjes bestaan in Piëmonte of zijn het allemaal wijnen van een buitenaards niveau :-).De witte Erbaluce druif wordt met de DOCG Erbaluce di Caluso extra in de verf gezet. Een bekroning voor één van de oudste Piëmontese druivenrassen? Concurrentie dus voor de Cortese en de Arneis die al langer tot het sterrendom werden verheven. We vinden deze wijn naast de gewone stijl ook in Passito (en Passito Riserva) ook in Spumante. En dit is nog eens een keertje duidelijke taal! De wijn mag enkel en alleen gemaakt zijn van de Erbaluce… Basta! De stokken staan in Torino, Vercelli en Biella.
    De Passitowijnen moeten een alcohol gehalte van minstens 17% hebben en mogen pas 36 maand vanaf 1 november na de oogst op de markt komen. Voor de Riserva is dit na 48 maand.
    De andere wijnen moeten een alcohol percentage van min. 11% en 11,5% (Spumante) bevatten.
    Het maximum rendement werd vastgesteld op 110 hl/ha.
  7. DOCG Ruché di Castagnole Monferrato (Piemonte)
    Naast de witte Erbaluce werd ook de blauwe Ruché druif bekroond. Ruché hoor ik u zeggen… nog nooit van gehoord. Wel laat me je alvast geruststellen ‘je zal niet de enige zijn’. De afkomst van de druif is nog niet echt vastgelegd. Er bestaan momenteel twee theorieën waarvan de eerste zegt dat hij gewoon een inheemse druif uit Piëmonte is en een tweede die stelt dat de druif zijn oorsprong kent in de Franse Bourgogne en vandaar in de 18e eeuw zijn weg heeft gevonden naar Noord-Italië.
    Bon, als de wijn ook effectief lekker is zullen we de volgende jaren vast meer te weten komen van deze druif.De DOCG Ruché di Castagnole Monferrato is dus een rode wijn die voor 90% uit de Ruché moet bestaan en aangevuld mag worden met de Barbera en/of Brachetto. De wijngaarden vinden we in de omgeving van Asti. Het alcoholgehalte moet minstens 12,50 % zijn en het rendement maximum 90 hl/ha.
  8. DOCG Alta Langa
    Met de Alta Langa zet de traditie van de laatste jaren zich verder. Namelijk het feit dat de Italiaanse bubbels aan een opmars bezig zijn. Alta Langa is een appellatie die enkel is weggelegd voor bubbels van Chardonnay en Pinot Nero. Beide druiven moeten 90 tot 100% uitmaken van de wijn. De wijnstokken staan in de omgeving van Cuneo, Asti en Allesandria. Opmerkelijk is dat uit de DOCG de bianco is weggevallen en dat deze enkel geldt voor de rosso en de rosato. Zowel van de rosso als van de rosato bestaat er een Riserva. Deze riserva moet minstens 36 maand lageren, terwijl dit voor de gewone slechts 30 maand is. 11,5 % qua alcohol en 110 hl/ha qua rendement.
  9. DOCG Dolcetto Diano d’Alba
    Met de benoeming van de Dolcetto Diano d’Alba neemt de Dolcetto opnieuw de bovenhand op de Barbera. Naast de Dogliani Superiore en de Ovada Superiore is dit immers de 3e benoeming voor een druif die als de mindere van de Barbera staat omschreven. De Diano d’Alba DOCG geldt zowel voor de rosso als voor de superiore. Enkel Dolcetto komt in aanmerking en het rendement moet beperkt worden tot 80 hl/ha. Alcohol is minstens 12% voor de rosso en 12,5% voor de superiore.
    Volgend jaar nog een Barbera’ke erbij? 😉
  10. DOCG Primitivo di Manduria Dolce Naturale (Puglia)
    Hip hip hip hoera!!! Het zuiderse Puglia is er uiteindelijk in geslaagd zijn ‘nul’ op het DOCG laddertje van zich af te gooien. 100% Primitivo zelfs! De stokken staan in Taranto en Brindisi. De wijn moet minstens 16% alcohol bevatten. Opmerkelijk is dat van al de nieuw benoemde DOCG net het hier in Puglia is dat de kleinste rendementsbeperking werd opgelegd; nl. 70 hl/ha. Opmerkelijk omdat we in het bulkwijnland bij uitstek van Italië zitten waar opbrengsten tot wel 400 hl/ha (jawel u leest het goed) toegelaten zijn.

Nog even meegeven dat er nog 2 anderen in de wachtkamer zitten ter promotie. Tot op heden is de benoeming nog niet officieel. Het betreft Montepulciano d’Abruzzo Casauria uit Abruzzo en Prosecco di Prosecco uit Friuli. Deze laatste zou trouwens gewoonweg een compensatiebenoeming zijn zodat ook de Prosecco uit Friuli naast deze uit Veneto kan gezet worden. Foei toch… of niet?

Samengevat kunnen er alweer een aantal druiven toegevoegd worden aan het ondertussen mega-DOCG -lijstje.
Volgt u nog: Albana – Aglianico – Aleatico – Arneis – Barbera – Brachetto – Cesanese – Chardonnay – Cortese – Corvina – Dolcetto – Erbaluce – Fiano – Friulano – Garganega – Glera – Greco – Montepulciano – Moscato – Nebbiolo – Nero d’Avola – Passerina – Pecorino – Picolit – Pinot Nero – Primitivo – Raboso – Ruché – Sagrantino – Sangiovese – Verdicchio – Verduzzo – Vermentino – Vernaccia

Geen nood er zijn nog honderden andere druiven die kunnen volgen!