Giro d’Italia 2026, rit 9: Colli Bolognesi DOC, van Cervia naar Corno alle Scale

In de Giro d’Italia bevinden we ons ondertussen in de buik van Italië, Emilia Romagna. We klimmen gestaag naar een idyllische plek die, hoe vreemd het ook mag klinken, ook een skioord is. Wie had dat in deze regio verwacht? Corno alle Scale is de bestemming die de renners bereiken na een lange rit vanuit Cervia.

De aanloop oogt op papier niet meteen spectaculair. Als renner kan je je onderweg dus nog even tegoed doen aan al het moois dat Emilia Romagna te bieden heeft. Veel tijd om rond te kijken zal er op het einde niet meer zijn, want de apotheose is een klim van meer dan tien kilometer naar de aankomst.

Misschien heb je lange tijd het gevoel dat dit wel eens jouw dag kan worden. Tot die laatste kuitenbijter opdoemt en je alsnog om je moeder roept, omdat de weg net iets gemener omhoogloopt dan je had gehoopt.

Onderweg passeren we door de Colli Bolognesi DOC. Voor wie Emilia Romagna goed kent, is dat misschien niet de meest onbekende appellatie. Voor veel wijnliefhebbers blijft ze toch een vraagteken. Eén ding is alvast duidelijk: we zitten hier rond Bologna, op het punt waar de vlakte langzaam plaatsmaakt voor de heuvels.

Colli Bolognesi DOC

Colli Bolognesi DOC werd officieel erkend in 1975. De appellatie ligt in Emilia Romagna, ten zuiden en zuidwesten van Bologna, waar de vlakte langzaam overgaat in de eerste heuvels richting Apennijnen. De DOC bezit ongeveer 78 hectare aan wijngaarden.

De naam verraadt al dat we ons in de heuvels van Bologna bevinden, met toch ook een klein stukje in de provincie Modena. De DOC omvat onder meer de heuvelachtige zones rond Monteveglio, Castello di Serravalle, Monte San Pietro, Sasso Marconi, Savigno, Marzabotto en Pianoro. Ook delen van Bazzano, Crespellano, Casalecchio di Reno, Bologna, San Lazzaro di Savena, Zola Predosa, Monterenzio en Savignano sul Panaro horen erbij.

Een belangrijk punt blijft de plaats van Pignoletto in dit verhaal. Want wie Colli Bolognesi zegt, denkt vaak meteen aan die druif. Historisch is dat logisch, want de heuvels rond Bologna zijn sterk met Pignoletto verbonden. Juridisch ligt het vandaag anders. Colli Bolognesi Classico Pignoletto werd in 2010 een aparte DOCG. Daarna kregen de Grechetto gentile wijnen die als Pignoletto bekend stonden een eigen appellatie, de Pignoletto DOC.

En dus kreeg Colli Bolognesi DOC een heel ander profiel. Vandaag draait de appellatie vooral rond andere druiven. Voor wit gaat het om Chardonnay, Pinot Bianco, Sauvignon Blanc en Riesling Italico. Voor rood zijn Barbera, Cabernet Sauvignon en Merlot de belangrijkste namen. Daarnaast bestaat er de sottozona Bologna, met Bologna Rosso, Bologna Bianco en Bologna Spumante.

Bodem en klimaat

Het landschap van de Colli Bolognesi vormt een overgangsgebied tussen de brede vlakte rond Bologna en de eerste uitlopers van de Apennijnen. Daardoor krijg je een afwisseling van valleien, ruggen, zachtere hellingen en steilere zones.

De productiezone ligt tussen de Panaro in het westen en de Idice in het oosten. Daartussen spelen ook de Reno, Samoggia en Lavino een duidelijke rol. Die waterlopen lopen vanuit de Apennijnen richting vlakte en snijden het landschap open. Voor de wijnbouw betekent dat variatie in helling, oriëntatie, drainage en temperatuur.

Geologisch is het gebied behoorlijk divers. Je vindt er zones met zandsteen, mergel en conglomeraten, maar ook kleiige heuvels met calanchi, uitgesleten erosiegeulen die het landschap een ruwer karakter geven. Dichter bij de vlakte worden de hellingen zachter, terwijl de rivierafzettingen van de Apennijnse waterlopen op andere plaatsen opnieuw een ander bodembeeld geven.

De bodems variëren van fijne, kleiige structuren met wisselende kalkgehaltes tot meer lemige en kalkrijke bodems. Vooral op de lagere heuvels en op de zachtere hellingen vinden we percelen die goed geschikt zijn voor wijnbouw. De wijngaarden liggen vaak onder de 300 meter, al loopt de zone in bredere zin op tot ongeveer 550 meter.

Het klimaat is droog, zonnig en geventileerd. De gemiddelde neerslag loopt op van ongeveer 800 millimeter aan de hoger gelegen rand van de vlakte tot ongeveer 1.200 millimeter in de hogere heuvelzones. De gemiddelde temperatuur beweegt ruwweg tussen 14 graden in de lagere zones en 12 graden in de hogere delen.

Rode wijnen

Er wordt heel wat rode wijn geproduceerd, met Barbera, Cabernet Sauvignon en Merlot als belangrijkste druivenrassen. Zodra de naam van de druif op het etiket staat, moet de wijn minstens 85 procent van die druif bevatten. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten rode druivenrassen uit Emilia Romagna die niet aromatisch zijn.

Barbera voelt hier het meest vanzelfsprekend aan. De druif past goed bij heuvels, warmte en de keuken van de streek. Een goede Colli Bolognesi Barbera geeft rood fruit, kers, pruim, soms een florale toets en een sappige mond. De zuren zijn duidelijk aanwezig en zorgen voor vaart. De tannine blijft meestal beheerst, wat de wijn bijzonder bruikbaar maakt aan tafel.

Van de wijnen met druifvermelding op het etiket bestaat er enkel voor Barbera een riserva. Die moet minstens 36 maanden rijpen, waarvan minstens vijf maanden op fles, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Voor de gewone Barbera geldt er geen rijpingsverplichting.

Er bestaat ook een Barbera Frizzante. Dat is een wijn met een duidelijk ander profiel, waarin de lichte pareling uitstekend past bij de lokale charcuterie.

Merlot geeft doorgaans rondere en soepelere wijnen. Denk aan pruim, rood en zwart fruit, zachte kruidigheid en een mondgevoel dat minder uitgesproken door zuren wordt gedragen. Cabernet Sauvignon is steviger. Daar kom je sneller bij donker fruit, kruidigheid, wat groenere toetsen en meer tannine.

Binnen de sottozona Bologna bestaat ook Bologna Rosso. Die wijn moet minstens 50 procent Cabernet Sauvignon bevatten. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten rode druiven uit Emilia Romagna. Er is ook een Bologna Rosso Riserva, waarvoor dezelfde minimale rijping van 36 maanden geldt, met minstens vijf maanden flesrijping.

Witte wijnen

Chardonnay, Pinot Bianco, Sauvignon Blanc en Riesling Italico zorgen voor de belangrijkste witte wijnen binnen de DOC. Ook hier geldt dat minstens 85 procent van de vermelde druif aanwezig moet zijn. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druiven uit Emilia Romagna die niet aromatisch zijn.

Chardonnay levert doorgaans de meest ronde witte wijn van de appellatie. Verwacht appel, peer, geel fruit en soms een iets voller mondgevoel. In eenvoudige versies blijft hij vooral correct en toegankelijk.

Pinot Bianco is discreter. Hij geeft meestal wit fruit, appel, peer en soms een lichte florale toets. Sauvignon Blanc is aromatischer. Hij kan citrus, groene kruiden, kruisbes, gras en soms wat vlierbloesem tonen. Verwacht hier doorgaans geen messcherpe Sauvignon zoals in koelere gebieden. In de Colli Bolognesi wordt hij vaak iets rijper en zachter.

Riesling Italico is de meest bescheiden witte druif in dit rijtje. Daaruit komen meestal droge, frisse en eenvoudige witte wijnen met citrus, appel en zachte florale toetsen.

Binnen de sottozona Bologna bestaat ook Bologna Bianco. Die wijn moet minstens 50 procent Sauvignon Blanc bevatten. Trebbiano mag slechts beperkt worden gebruikt, tot maximaal 15 procent. De rest kan worden aangevuld met andere toegelaten witte druiven.

Spumanti

Afronden doen we in de sottozona Bologna, waar een Spumante wordt gemaakt op basis van minstens 40 procent Chardonnay en of Pinot Bianco. De rest kan bestaan uit Sauvignon Blanc, Riesling Italico, Pinot Nero en Grechetto gentile. Het disciplinare schrijft geen verplichte productiemethode voor, waardoor dit zowel via metodo Martinotti als via metodo classico kan gebeuren, afhankelijk van de keuze van de producent. Deze kiezen meestal voor de metodo Martinotti waar ze op zoek gaan naar het primaire fruit en dus een witte schuimwijn op de markt brengen die fris en toegankelijk is. Je kan deze vinden als extra brut, brut of extra dry.

Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi

Voor ons is het altijd vanzelfsprekend dat we ons, wanneer we een Italiaanse regio ontdekken, niet beperken tot de lokale wijnen. We willen ook de lokale keuken leren kennen. Dat is eigenlijk een heel natuurlijke reflex, want elke Italiaanse regio heeft haar eigen keukenidentiteit, haar eigen specialiteiten en haar eigen manier van koken. Het hoort zelfs bij het voorbereidende werk thuis om op te zoeken wat die specialiteiten precies zijn en waar we ze het best kunnen proeven.

Voor Marche is dat niet anders, al heeft de keuken van deze regio minder naam dan die van sommige andere Italiaanse regio’s. Minder uitstraling betekent daarom nog niet minder boeiend. Marche loopt nu eenmaal minder in de kijker. Net daarom geven we jullie graag mee wat je zeker moet proberen wanneer je in Marche bent.

Bij het aperitief

Er valt in Marche niet te ontsnappen aan olive all’ascolana. Dit is wellicht het bekendste en meest geserveerde hapje van de regio. Waar je ook plaatsneemt op een terrasje, vroeg of laat zal je ermee geconfronteerd worden. Het zijn grote groene olijven die worden ontpit en daarna gevuld met een mengsel van vlees, kaas en een toets nootmuskaat. Ten slotte worden ze gepaneerd en gefrituurd. Ze komen uit Ascoli Piceno, helemaal in het zuiden van de regio, vandaar ook de naam van deze aperitivo.

De olijf die hiervoor gebruikt wordt, is de Ascolana Tenera del Piceno. Die is zacht van structuur, vlezig en bezit een fijne bitterheid. Als ze goed bereid worden, zijn olive all’ascolana krokant aan de buitenkant en sappig vanbinnen. In Ascoli krijg je ze vaak als onderdeel van fritto misto all’ascolana. Dan komen er naast de gevulde olijven ook gefrituurde groenten, stukjes vlees en crema fritta op tafel. Die laatste zijn blokjes zoete room, gepaneerd en gefrituurd.

Uiteraard kan het aperitivo moment veel verder gaan dan enkel een olijf. Zoals overal in Italië vind je ook hier streekeigen salumi, prosciutto en formaggi.

Bij de salumi zal je vaak ciauscolo aangeboden krijgen. Dit is een smeerbare salame die vooral in het centrum en het zuiden van Marche te vinden is. Hij wordt gemaakt van varkensvlees en vet, fijn gemalen en op smaak gebracht met onder meer knoflook, peper, witte wijn en soms venkel. De textuur is zacht en smeuïg, de smaak hartig en kruidig.

Je kan de ciauscolo dan ook breed uitsmeren op een stukje crescia. Crescia is de lokale variant op focaccia. Het is een plat brood dat in verschillende vormen voorkomt. In en rond Urbino vind je crescia sfogliata, rijker en bladeriger van structuur, vaak gemaakt met reuzel.

Een andere salame uit Marche is de salame di Fabriano. Deze specialiteit uit het binnenland van Ancona wordt al zeer lang gemaakt. In een bedankbrief van 22 april 1881 schreef Giuseppe Garibaldi aan zijn vriend Benigno Bigonzetti over de kostbare salami uit Fabriano die hij had ontvangen. Salame di Fabriano wordt gemaakt van de betere delen van het varken, vooral bil en schouder. Die worden fijngehakt en gemengd met blokjes rugspek. De kruiding bestaat uit zout, gemalen peper en hele peperkorrels. Daarna wordt de salame in een natuurlijke darm gestopt en langzaam gerijpt in kelders of goed verluchte zolders. De productie gebeurt traditioneel van het einde van september tot het begin van mei.

Als je Pesaro, Urbino en omgeving bezoekt, laat het dan niet na om een bordje Prosciutto di Carpegna te bestellen. Deze prosciutto komt uit de streek Montefeltro, in de provincie Pesaro e Urbino. Het is een DOP ham met een eigen profiel. De hammen worden gezouten, gewassen, gedroogd en daarna langzaam gerijpt. Het deel zonder zwoerd wordt beschermd met een mengsel op basis van vet, bloem en natuurlijke aroma’s. Daardoor blijft de ham tijdens de rijping mooi beschermd en ontwikkelt hij zijn zachte, aromatische smaak.

Uiteraard zal je in Marche ook pecorino in overvloed vinden, maar wens je een eigen lokale kaas te proeven, dan koop je Casciotta d’Urbino. Deze kaas wordt doorgaans gemaakt met 70 tot 80 procent schapenmelk en aangevuld met koemelk. Hij heeft een zachte, ronde smaak en een licht brokkelige structuur.

I primi, pasta met een hoofdletter

Dat Italië het pastaland bij uitstek is, is een understatement. Marche kan hier natuurlijk niet achterblijven. Je kan er dan ook behoorlijk wat lekkere pastavarianten ontdekken. In Pesaro kom je cappelletti alla pesarese tegen, een pasta die duidelijk de signatuur draagt van de nabije buren uit Emilia Romagna. Ze zijn vergelijkbaar met tortellini, al blijven het wel degelijk cappelletti, kleine gevulde pastahoedjes van eierdeeg.

De vulling is op basis van vlees, vaak varken, soms aangevuld met kalf, kip of cappone, een kapoen. Daar komen kaas, ei en nootmuskaat bij. Meestal worden cappelletti alla pesarese geserveerd in brodo, een warme vleesbouillon die het gerecht meteen zijn eigen karakter geeft.

Van ons Pesaro verhaal onthouden we vooral dat er in deze stad veel naar Rossini wordt genoemd. De lokale variant van cannelloni kreeg dan ook de benaming alla Rossini mee. Dit zijn rijk gevulde pastarolletjes uit de oven. De vulling bestaat doorgaans uit kalfsvlees of kip, soms aangevuld met kippenlevertjes, paddenstoelen, parmezaan, nootmuskaat en een scheut Marsala. Daarna worden de cannelloni bedekt met béchamel en soms ook met tomatensaus of een toets truffel.

Maccheroncini di Campofilone moet je geproefd hebben, want ze behoren tot de meest verfijnde pastaspecialiteiten. Ze komen uit Campofilone, een klein dorp in de provincie Fermo, en hebben als enige eierpasta in Europa een IGP erkenning. Ze worden gemaakt met durumtarwegriesmeel en veel verse eieren, zonder toevoeging van water. De pasta wordt bijzonder dun uitgerold en daarna in lange, fijne sliertjes gesneden.

Die fijne structuur zorgt ervoor dat maccheroncini de saus bijzonder goed opnemen. Een goede ragù is dan ook de meest aangewezen combinatie. Rasp er wat truffel uit de omgeving van Acqualagna over en je voelt je de koning te rijk.

Vincisgrassi, de bekende ovenschotel

Vincisgrassi kunnen we perfect integreren in het pastahoofdstuk, maar het gerecht is zo belangrijk in Marche dat het een eigen plaats verdient. Het wordt vaak omschreven als de lasagne van Marche en daar zit wel wat waarheid in. Alleen zijn vincisgrassi rijker, voller en vaak kruidiger. Het gerecht komt uit de omgeving van Macerata, maar je zal er in heel Marche van kunnen smullen.

De naam duikt ook op als princisgras, de eigen Maceratese benaming. Het gerecht zou aan het einde van de achttiende eeuw zijn ontstaan en groeide uit tot een klassieker voor zondagse tafels, feestdagen en familiemomenten. Dit is keuken die van grootmoeder op dochter en kleindochter werd doorgegeven.

Op het eerste gezicht lijkt vincisgrassi dus op lasagne, maar er zijn toch enkele wezenlijke verschillen. Vincisgrassi worden vaak opgebouwd in zeven lagen. Het pastadeeg wordt gemaakt met veel eieren en zonder water, waardoor het steviger en rijker is dan gewone lasagnevellen. Het grote verschil zit echter vooral in de ragù.

Die wordt traditioneel niet gemaakt als een gewone vleessaus, maar met wat vroeger op het boerenerf voorhanden was. Denk aan kip, eend, gans, konijn, varken of kalf. Ook frattaglie, zoals levertjes en andere ingewanden van gevogelte, horen in de klassieke versies thuis.

Tussen de lagen komen ragù, besciamella en geraspte kaas. Die besciamella is in wezen de klassieke béchamelsaus, gemaakt met melk, boter, bloem, zout, peper en nootmuskaat. Ze dient vooral om de lagen te binden en smeuïg te houden. Bovenaan volgt nog een laatste laag saus, wat besciamella en royaal geraspte Parmigiano Reggiano of Grana Padano. De kaas zorgt tijdens het bakken voor de gratinkorst.

Pesce dell’Adriatico

In de kustplaatsen speelt vis uiteraard een belangrijke rol. Dat zal je ook overvloedig merken in de keuken van Marche. Vis, mosselen, vongole, inktvis, ansjovis en rijk gevulde vispannen komen er geregeld op tafel. Ben je een visliefhebber, dan ga je in Marche zeker je gading vinden.

Het bekendste gerecht is brodetto. Je kan het omschrijven als een variant op vissoep, maar eigenlijk is het meer een visstoofpot. Brodetto wordt gemaakt met wat de zee op dat moment geeft. Kleine vissen, schaaldieren, weekdieren, soms wat tomaat, soms azijn, soms saffraan. Alles hangt af van waar je bent en wie er aan het fornuis staat. Naar het schijnt is vooral de volgorde waarin de vis wordt toegevoegd van cruciaal belang. Dat geloof je meteen wanneer je een goede brodetto proeft. De vis moet gaar zijn, maar mag zijn eigen smaak niet verliezen.

Elke kustplaats heeft zowat haar eigen versie. San Benedetto del Tronto staat bekend om een frissere, licht zure brodetto, vaak met azijn en groene tomaat. Ancona heeft een zachtere en rondere stijl. Porto Recanati werkt dan weer met saffraan en zonder tomaat. Fano heeft eveneens een stevige reputatie. Je kan dus perfect een kleine brodetto tour maken langs de kust, alleen al om uit te zoeken welke versie het beste bij je past. Er bestaan slechtere opdrachten.

Een van de mooiste producten van de kust zijn de moscioli van Portonovo, de wilde mosselen van de Conero kust. Ze groeien aan de rotsen en hebben een krachtiger, zilter karakter dan veel klassieke gekweekte mosselen. Ze hebben weinig nodig. Olijfolie, knoflook, peterselie, eventueel wat citroen. Meer moet dat niet zijn, want de smaak van de mossel zelf moet centraal blijven staan.

Ancona heeft daarnaast nog stoccafisso all’anconetana. Stokvis wordt hier bereid met aardappelen, tomaat, olijven en olijfolie. Dit is een stevig gerecht met een uitgesproken zilt karakter.

Tot slot zal je ook geregeld seppie con i piselli tegenkomen. Dat zijn zeekatjes, vaak kleinere seppie, die gestoofd worden met erwtjes, witte wijn, knoflook, peterselie, olijfolie en meestal wat tomaat. Het is een specialiteit die niet voor iedereen zal zijn weggelegd. Zelf ben ik er niet onmiddellijk een liefhebber van, maar dat neemt niet weg dat het wel degelijk thuishoort in de kustkeuken van Marche.

Carne, de stevigere kant van Marche

Trek je de heuvels en bergen in, dan wordt de keuken vleziger. Varkensvlees, wild, gevogelte, lam, konijn en stevige ragù’s komen dan allemaal in beeld. Een van de klassieke vleesgerechten is coniglio in porchetta.

Dat is konijn bereid in de stijl van porchetta. Het vlees wordt gekruid met wilde venkel, knoflook, rozemarijn en andere aromaten. Dit konijn is een feestmaal en heeft een intens aroma van wilde venkel, die vroeg in de zomer wordt geoogst. Daarna wordt het gebraden en belandt het op je bord.

Daarnaast kom je geregeld pollo in potacchio tegen. Dit is kip die wordt gestoofd met witte wijn, knoflook, rozemarijn, olijfolie en meestal wat tomaat.

Verder mag ook porchetta zelf niet ontbreken. Grote stukken gebraden varkensvlees, stevig gekruid met venkel, knoflook en rozemarijn. Je vindt het op markten, feesten en in broodjes, maar ook gewoon als volwaardig vleesgerecht. Het maakt meteen duidelijk hoe belangrijk varkensvlees is in de landelijke keuken van Marche.

Wie rundvlees wil, kan uitkijken naar vlees van het Marchigiana rund. Dat witte runderras hoort bij Centraal Italië en komt ook in Marche voor. Het vlees wordt vaak eenvoudig gegrild of als bistecca geserveerd. Geen ingewikkelde bereiding dus, gewoon goed vlees, vuur, zout en een glas rood erbij.

Dolce o caffè?

De typische vraag waarmee je wordt geconfronteerd bij het afsluiten van de maaltijd.

Aan te raden is, als het tenminste op de menukaart staat, om een torta di mele rosa dei Monti Sibillini te nemen. Deze kleine appeltjes zijn aromatisch en knapperig, met zoetheid en een frisse toets. Ze worden vaak verwerkt in taarten en gebak. Bovendien zijn ze erkend als Slow Food Presidio en alleen dat al is meldenswaardig.

Wil je liever een koffie, dan kan je er een Anisetta Meletti of een mistrà bijvragen. Dat zijn bekende anijslikeuren die gemaakt worden op basis van anice verde di Castignano. Deze groene anijs uit Castignano, in de provincie Ascoli Piceno, heeft een uitgesproken geur en smaak. Je drinkt deze likeuren puur, met ijs of in de koffie.

In het zuiden van Marche kom je ook vino cotto tegen. Ingekookte most, donker, zoet, kruidig en intens. Een klein glas volstaat als afsluiter van de avond.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
  5. Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland
  6. Marche op zondag: Hidden gems, deel 2

Giro d’Italia 2026, rit 8: Falerio DOC, van Chieti naar Fermo

Van Abruzzo naar de Marche leidt rit 8 van de Giro d’Italia ons. Het belooft een rit vol sightseeing te worden, want alle mooie kustplaatsjes van de zuidelijke Marche worden aangedaan, om uiteindelijk te eindigen in Fermo. Een sprintersetappe zou je dan op het eerste zicht denken. Maar dat is het verre van. De eerste 100 kilometer zijn biljartvlak en dan begint het geaccidenteerde parcours, met naar het einde toe nog een muurtje waar enkel de punchers zullen overleven.

Die geaccidenteerde finale brengt ons ook midden in de Falerio DOC. Een vrij groot wijngebied in het zuiden van de Marche waar de witte wijnen hoogtij vieren. Kunnen deze niet onder de gereputeerde Offida DOCG gelabeld worden, dan is Falerio DOC vaak de logische uitwijkmogelijkheid. Mijn ervaring is dat je binnen deze DOC zeer vlot drinkende, lekkere wijnen kan vinden met een sterke prijs kwaliteitverhouding.

Falerio DOC

Met 383 hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer 23.000 hectoliter, goed voor iets meer dan 3 miljoen flessen, is Falerio DOC zeker geen kleine speler. Toch blijft de naam buiten de Marche vrij discreet aanwezig. Verdicchio, Rosso Piceno en Offida nemen veel sneller het podium in. Falerio blijft dan wat aan de zijkant staan. De DOC is vandaag volledig gericht op witte wijn.

De appellatie werd in 1975 officieel erkend als DOC. De productiezone ligt in het zuiden van de Marche, in een gebied waar de Adriatische kust en het heuvelachtige binnenland dicht bij elkaar lopen. Ze omvat de geschikte wijnbouwgronden binnen de provincies Fermo en Ascoli Piceno. De wijngaarden liggen tussen 50 en 700 meter hoogte. Te vochtige valleibodems zijn uitgesloten, net als percelen boven 700 meter. Het zwaartepunt ligt weliswaar niet in hooggelegen bergwijngaarden, maar in de lagere en middelhoge heuvelzones.

De naam Falerio verwijst naar de oude Romeinse stad Faleria, later Falerio Picenus en vandaag Falerone. Hier herinneren het theater, het amfitheater en de restanten van de Romeinse tempel nog aan die periode. Ook in de archieven van Fermo vinden we al verwijzingen naar wijn uit Faleria in de dertiende eeuw. Daarbij duikt ook de oude techniek van vin cotto op, die in deze streek op kleine schaal nog altijd bestaat.

Bodem en klimaat

In de wijngaarden van Falerio DOC vinden we vooral kleiige en kalkrijke bodems met een vrij fijne structuur. Vaak zijn het bodems met voldoende diepte en porositeit. Ze houden geen overtollig water vast, maar wel genoeg vocht om de wijnstok door de drogere zomermaanden te helpen. Dat is belangrijk, want juli is doorgaans de droogste maand en de meeste regen valt pas in oktober, november en december.

Het reliëf speelt daarbij een belangrijke rol. Op de hellingen kan overtollig water vrij snel weg, waardoor de bodems niet zwaar en nat blijven. De wijngaarden liggen bovendien vaak op hellingen met een oostelijke tot zuidoostelijke oriëntatie. Ze krijgen dus voldoende licht in de eerste helft van de dag, zonder dat de warmste namiddagzon altijd vol op de druiven staat.

Het klimaat is duidelijk mediterraan, maar de cijfers tonen ook dat het geen kurkdroog gebied is. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 14 graden. De zomers zijn warm, met juli en augustus gemiddeld rond 23 graden. De winters kunnen behoorlijk fris zijn, met gemiddelde temperaturen rond 5,5 tot 6,5 graden in december, januari en februari. De jaarlijkse neerslag ligt rond 700 tot 800 millimeter, maar die valt dus vooral buiten de zomerperiode.

Witte wijnen

Falerio DOC is er uitsluitend voor witte wijnen. De appellatie maakt een onderscheid tussen de algemene Falerio en de Falerio Pecorino.

Falerio is meestal een blend van drie druiven met Trebbiano Toscano als de belangrijkste. Deze moet 20 tot 50 procent moet uitmaken van de wijn. Passerina moet 10 tot 30 procent van de assemblage vormen, en dat is ook zo voor Pecorino. Andere toegelaten niet aromatische witte druiven uit de Marche mogen samen tot maximaal 20 procent worden gebruikt. Er is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. De maximale opbrengst bedraagt 13 ton druiven per hectare en het rendement van druif naar wijn mag maximaal 70 procent bedragen. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11,5 procent.

In het glas is Falerio meestal licht tot duidelijk strogeel van kleur. De geur is licht geparfumeerd, met florale toetsen en geel fruit. Denk aan witte bloemen, peer, gele appel, citrus en soms wat perzik. De smaak is droog, licht ziltig, harmonieus en fris.

Falerio Pecorino moet voor minstens 85 procent uit Pecorino bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten niet aromatische witte druiven uit de Marche. Ook hier is geen verplichte rijping voorzien. De maximale opbrengst ligt lager dan bij de gewone Falerio en bedraagt 11 ton druiven per hectare. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 12 procent.

Pecorino geeft van nature meer intensiteit dan Trebbiano en Passerina. In het glas levert dat meestal een wijn op met meer geur, meer structuur en meer uitgesproken karakter. De kleur is strogeel, vaak met licht groenige waas. In de geur kunnen witte bloemen, ananas, anijs en salie opduiken. De smaak is droog, fris, licht ziltig en duidelijk voller dan bij de gewone Falerio.

Giro d’Italia 2026, rit 7: Pentro di Isernia DOC, van Formia naar Blockhaus

Rit 7 brengt ons naar de Apennijnen. Van Formia gaat het richting Blockhaus, en dus mag er een ander soort renner zijn benen beginnen insmeren. De sprinters hebben hier weinig te zoeken. De klim naar Blockhaus gaat hun petje immers te boven en het zullen de klimmersgeiten uit het peloton zijn die de macht naar zich toe gaan trekken.

We rijden van Lazio, door Molise naar Abruzzo. Vooral dat kleine Molise verdient vandaag onze aandacht. Het is de jongste regio van Italië, pas in de jaren zestig losgekomen van Abruzzi e Molise, en nog altijd zo onbekend dat je bijna zou vergeten dat er wijn wordt gemaakt. Bijna, want de renners komen door Venafro en Colli a Volturno, en precies daar zitten we in het gebied van de Pentro di Isernia DOC.

Vanaf dat punt verandert ook de koers. De vlakke aanloop is voorbij, de Apennijnen komen dichterbij en de eerste serieuze beklimmingen dienen zich aan. De kijkers mogen wat naar voren schuiven in de zetel. De Giro krijgt hier voor het eerst echt berglucht in de longen.

Pentro di Isernia DOC

Pentro di Isernia DOC Pentro di Isernia DOC werd in 1983 erkend en behoort tot de kleinste appellaties van Molise. Het wijngaardareaal wordt op ongeveer 74 hectare geschat, maar slechts een fractie daarvan verschijnt ook effectief als Pentro di Isernia DOC in de productiecijfers. Een deel van de druiven zal vermoedelijk onder andere herkomstbenamingen terechtkomen. Zeker Tintilia del Molise DOC ligt daarbij voor de hand, omdat Tintilia vandaag de meest herkenbare blauwe druif van Molise is en commercieel meer uitstraling heeft dan de veel minder bekende Pentro di Isernia DOC.

Officieel mag de wijn ook kortweg Pentro heten, maar Pentro di Isernia maakt geografisch meteen duidelijker waar we zitten.

De productiezone ligt volledig in de provincie Isernia. Ze omvat Agnone, Belmonte del Sannio, Castelverrino, Colli a Volturno, Fornelli, Isernia, Longano, Macchia d’Isernia, Miranda, Montaquila, Monteroduni, Pesche, Pietrabbondante, Poggio Sannita, Pozzilli, Sant’Agapito en Venafro.

De naam Pentro verwijst naar de Pentri, een Samnitische stam die in dit deel van het zuiden van Italië leefde. De wijnbouwgeschiedenis van de streek gaat veel verder terug dan de DOC zelf. In de oudheid werd hier al wijn gemaakt, en ook bij Plinius duiken verwijzingen op naar wijnen uit de omgeving van Isernia.

Bodem en klimaat

Het gebied rond Isernia is uitgesproken heuvelachtig. Molise bestaat grotendeels uit bergen en heuvels, en ook deze appellatie wordt bepaald door langgerekte ruggen, valleien en hellingen. Aan de voet van de omliggende hoogtes vinden we afzettingen die door waterlopen naar beneden zijn gebracht.

De wijngaarden voor Pentro di Isernia liggen op heuvelachtige percelen met een goede oriëntatie. Ze bevinden zich tussen 200 en 600 meter boven zeeniveau. Daardoor spreken we over een wijnzone waar hoogte en reliëf een duidelijke rol spelen.

De bodems zijn vrij divers. Op de heuvels vinden we vooral diepe, goed drainerende bodems met fijne textuur, kalk en stenen. Lager op de hellingen en in de zones aan de voet van de heuvels komen meer afzettingen voor van waterlopen uit de omliggende hoogtes. Geologisch zit er veel kalk, mergel, zandsteen, klei en alluviaal materiaal in de bodem.

Pentro di Isernia ligt niet in een direct kustklimaat. De gemiddelde jaartemperatuur blijft relatief gematigd en de neerslag is niet verwaarloosbaar, met het zwaartepunt in herfst en winter. De zomers kunnen warm zijn, maar hoogte, ventilatie en nachtelijke afkoeling helpen om de rijping voldoende frisheid te geven.

Witte wijnen

Pentro di Isernia Bianco is gebaseerd op Falanghina. Die moet minstens 80 procent van de blend uitmaken. Trebbiano Toscano vult aan met 15 tot 20 procent. Andere toegelaten witte druiven uit Molise mogen maximaal 5 procent worden gebruikt.

Daarmee is er in 2014 een stevige wijziging geweest. Voorheen was de witte Pentro nog gebaseerd op Trebbiano Toscano, aangevuld met Bombino Bianco, en was er van Falanghina zo goed als geen sprake. Naar mijn gevoel heeft die ommezwaai vooral een gunstig effect gehad op de kwaliteit van de wijnen. Falanghina geeft de witte Pentro meer eigenheid, meer aromatische definitie en een duidelijker zuiders profiel.

Voor Pentro di Isernia Bianco is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. In het glas gaat het om een licht strogele wijn, vaak met een groenige schijn. De geur zit eerder bij appel, peer, witte perzik, citroen en witte bloemen. Falanghina kan wat kamille, fijne kruidigheid en een licht amandelachtige toets meebrengen. Trebbiano Toscano trekt het geheel wat strakker en houdt de wijn fris en direct. In de mond blijft de wijn droog, vrij sappig en eerder slank tot middelvol, met een frisse lijn.

Rode wijnen

Pentro di Isernia Rosso is het meest representatieve type van de DOC. De wijn moet voor 75 tot 80 procent uit Montepulciano bestaan. Tintilia vult aan met 20 tot 25 procent. Andere toegelaten, niet aromatische blauwe druiven mogen maximaal 5 procent van de blend uitmaken. Montepulciano zorgt voor kleur, rijp fruit, volume en een zekere aardse kracht. Tintilia brengt lokale identiteit, kruidigheid en extra spanning.

De wijn moet minstens één jaar rijpen, waarvan minimaal zes maanden in eiken vaten. Die vaten mogen om het even welke capaciteit hebben. Het gaat dus niet noodzakelijk om barriques, maar evengoed om grotere vaten zoals Slavonische botti. De verplichte houtopvoeding wijst vooral op rijping en afronding, niet automatisch op een nadrukkelijke houtstijl.

In het glas mag je een robijnrode wijn verwachten, met kers, pruim, donker bosfruit, gedroogde kruiden, soms wat zoethout en een aardse toets. Montepulciano geeft de wijn vulling en rijp fruit, terwijl Tintilia voor wat kruidigheid en extra beet kan zorgen. De smaak is droog, harmonieus en soepel, met voldoende tannine en een eerder warme, zuiderse indruk.

Er bestaat ook een Riserva, met een langere verplichte rijping. De wijn moet minstens vier jaar rijpen, waarvan minimaal twee jaar in eiken vaten. Daarna volgt nog minstens zes maanden flesrijping. Verwacht bij de Riserva meer concentratie, rijper fruit, meer kruidigheid en een steviger mondgevoel.

Rosato

Pentro di Isernia Rosato vertrekt van dezelfde blauwe druiven als de Rosso. Ook hier bestaat de blend uit 75 tot 80 procent Montepulciano en 20 tot 25 procent Tintilia. Andere toegelaten, niet aromatische blauwe druiven mogen maximaal 5 procent worden gebruikt.

Er is geen verplichte rijpingsperiode. De wijn is dus vooral gericht op fruit, frisheid en directe drinkbaarheid. Het aroma blijft doorgaans speels, met aardbei, framboos, rode bes, florale toetsen en zachte kruidigheid. De smaak is droog, fris en sappig, met een licht fruitige indruk.

Giro d’Italia 2026, rit 6: Cilento DOC, van Paestum naar Napoli

In de Giro maken de renners de oversteek van de heuvels van Basilicata naar de kust van Campania. Rit 6 gaat van Paestum naar Napoli, de hoofdstad van Campania. De rit volgt eerst de mooie kustlijn tot aan Salerno en trekt daarna het binnenland in, om uiteindelijk langs de haven richting Piazza del Plebiscito te eindigen. Met slechts 500 hoogtemeters voor de boeg zouden de sprinters wel eens aan zet kunnen zijn, al lopen de laatste 5 kilometer nog stevig op. In Napoli krijg je bovendien zelden iets cadeau, dus enkel de sterkste beren zullen hier helemaal vooraan overleven.

Onze keuze voor de minder bekende DOC valt vandaag dan ook logisch op Cilento DOC. Paestum ligt in Capaccio Paestum, een gemeente die deel uitmaakt van de productiezone van deze appellatie. De rit doorkruist niet het volledige wijngebied van Cilento, maar het is wel een mooie aanleiding om Cilento DOC eindelijk eens wat meer te belichten. Zeker omdat Cilento zelf, net ten zuiden van de Amalfikust, een prachtige maar vaak ondergewaardeerde kustregio is. Rustiger, ruwer en minder drukbezocht dan zijn beroemde buur.

Cilento DOC

Met een goede 82 hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer 2.000 hectoliter is Cilento DOC toch iets meer uit de kluiten gewassen dan de vorige appellaties die we bespraken. Het blijft wel een relatief jonge appellatie, die pas in 1989 officieel erkend werd als DOC.

De productiezone ligt in Campania, in de provincie Salerno, en is opvallend ruim. Ze omvat 58 gemeenten, van Agropoli tot Sapri en van de Tyrreense kust tot het meer heuvelachtige binnenland richting Basilicata. De wijngaarden mogen binnen die zone niet zomaar overal aangeplant worden. Stranden, zandige kuststroken en vlakke valleibodems zijn uitgesloten. De maximale hoogte bedraagt 450 meter boven zeeniveau. Alleen in Moio della Civitella mag men tot 550 meter gaan.

Ook historisch past Paestum mooi in dit verhaal. De wijnbouwgeschiedenis gaat in deze streek tot diep in de oudheid terug. Het waren immers de Griekse kolonisten die hier wijnstokken introduceerden, onder meer in Elea en Paestum. Dat zet de verbondenheid met de startplaats van de rit extra in de verf.

Bodem en klimaat

Het landschap van Cilento is zeer divers. Je vindt er ruige heuvels, bergkammen en steile flanken, maar ook zachtere hellingen die het landschap wat minder streng maken. Daartussen snijden waterlopen diep in het reliëf. Kleine kustvlaktes en het Vallo di Diano, een oude meerbodem, zorgen voor extra afwisseling in het landschap.

Geologisch maakt Cilento deel uit van de zuidelijke Apennijnen. De ondergrond werd gevormd door tektonische bewegingen uit het Mioceen en Plioceen, waarbij gesteentelagen geplooid, verschoven en over elkaar geschoven werden. Later kwamen daar jongere afzettingen bovenop. Het resultaat is een landschap dat niet meteen makkelijk wijnbouwgebied lijkt, maar net daarin zit een deel van zijn karakter.

Ook de bodems zijn niet overal identiek, maar ze hebben wel een duidelijk gemeenschappelijk karakter. Ze zijn over het algemeen arm aan organisch materiaal en hebben vaak een basis van klei, met mergel en schist in de ondergrond. Dat zijn geen makkelijke bodems, maar net daardoor blijven de wijnstokken beter in toom.

Voor wijnbouw zijn vooral de heuvelachtige percelen met een goede ligging interessant. Daar vinden we vaker kiezelhoudende en kalkrijke gronden, die voor meer drainage, spanning en structuur kunnen zorgen. Klei geeft dan weer wat meer vulling en draagkracht. Zo krijg je een bodemprofiel dat de wijnen niet alleen rijpheid geeft, maar ook voldoende grip en frisheid.

Het klimaat is duidelijk zuiders, maar door de combinatie van zee, heuvels en binnenland is het minder eenduidig dan je op het eerste gezicht zou denken. De Tyrreense Zee zorgt voor mediterrane invloed, terwijl hoogte, hellingen en ventilatie helpen om de warmte te temperen.

Witte wijnen

Cilento DOC kent twee witte types: Cilento Bianco en Cilento Fiano. Fiano speelt daarin de hoofdrol. Bij Cilento Bianco moet Fiano 60 tot 65 procent van de blend uitmaken. Trebbiano Toscano vult aan met 20 tot 30 procent, terwijl Greco Bianco en of Malvasia Bianca samen 10 tot 15 procent mogen leveren. Andere toegelaten witte druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.

Cilento Fiano moet voor minstens 85 procent uit Fiano bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten, niet aromatische witte druiven uit de provincie Salerno.

Voor de witte wijnen is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. De focus ligt dus vooral op druivensamenstelling, herkomst en minimum alcoholgehalte. Voor Cilento Bianco ligt dat minimum op 11 procent. Voor Cilento Fiano is dat 12 procent.

Cilento Bianco mogen we vooral zien als de frisse, toegankelijke witte blend van de appellatie. Strogeel van kleur, met een delicaat aroma en een frisse, harmonieuze smaak. Cilento Fiano kan iets meer intensiteit en herkenbaarheid van Fiano tonen. Ook hier blijft de kleur strogeel, maar de wijn zal droog, voller en meer uitgesproken aanvoelen.

Rode wijnen

Bij de rode wijnen draait het vooral rond Aglianico. Cilento Rosso moet voor 60 tot 75 procent uit Aglianico bestaan. Piedirosso en of Primitivo vullen aan met 15 tot 20 procent. Andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno mogen maximaal 25 procent van de blend uitmaken.

Cilento Aglianico moet voor minstens 85 procent uit Aglianico bestaan. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno.

Voor Cilento Rosso is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11,5 procent. In het glas gaat het om een robijnrode wijn, met een herkenbaar profiel van rood fruit, rijpe kers, lichte kruidigheid en een aardse toets. De smaak is droog, eerder delicaat en minder uitgesproken dan bij Cilento Aglianico.

toont wat meer kracht. Ook hier gaat het om een robijnrode wijn, maar het profiel is duidelijk steviger dan bij de gewone Rosso. Verwacht meer donker fruit, rijpe kers, pruim, kruidigheid en een hartige toets. De smaak is droog, vol en voldoende sappig. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 12 procent. De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Voor de Riserva geldt een langere rijpingsperiode van minimaal drie jaar, waarvan twee jaar in houten vaten, vanaf 1 januari na de oogst.

Rosato

De basis voor Cilento Rosato is Sangiovese. Die moet 70 tot 80 procent van de blend uitmaken. Aglianico is goed voor 10 tot 15 procent en Primitivo en of Piedirosso vullen eveneens aan met 10 tot 15 procent. Andere toegelaten druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.

Voor Cilento Rosato is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11 procent. De wijn krijgt zijn roze kleur door een korte schilweking van de gekneusde druiven. Zodra de most voldoende kleur heeft opgenomen, wordt hij afgetapt en verder als rosato gevinifieerd.

In het glas kan Cilento Rosato variëren van licht tot iets intenser roze. De blend geeft hem op papier best wat inhoud. Sangiovese zorgt voor frisheid en rood fruit, Aglianico brengt wat meer structuur, terwijl Primitivo en Piedirosso extra rijpheid en een zuiders accent kunnen toevoegen. Uiteraard is de uiteindelijke samenstelling van de blend bepalend voor het karakter van de wijn.

Giro d’Italia 2026, rit 5: Terre dell’Alta Val d’Agri DOC in Basilicata

Rit 5 van de Giro trekt van Praia a Mare naar Potenza. Op papier start de dag nog heerlijk aan zee, maar wie naar het profiel kijkt, ziet al snel dat dit geen rustig kustverhaal wordt. De renners rijden Basilicata binnen, zoeken het binnenland op en krijgen onderweg een typisch Italiaans heuvelachtig parcours voorgeschoteld.

Een diepere blik op de route leert ons dat de renners in de buurt van Viggiano, Grumento Nova en de Val d’Agri passeren, om vervolgens in Potenza uit te maken wie met de ritzege aan de haal gaat. Aangezien de productiezone van Terre dell’Alta Val d’Agri DOC precies in dit deel van Basilicata ligt, is dit de meest logische appellatie om aan deze rit te koppelen.

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC werd officieel erkend in 2003. Het is helemaal geen grote appellatie, met ongeveer 16 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van amper 100 hectoliter. Zoals de naam aangeeft, vinden we de wijngaarden voor deze DOC in de bovenloop van de Val d’Agri. Dat is een vruchtbare vallei die zich ontvouwt tussen heuvels en calanchi, de typische uitgesleten kleiheuvels die het landschap op sommige plaatsen bijna maanachtig maken.

De productiezone ligt volledig in Basilicata, in de provincie Potenza, en omvat de gemeenten Viggiano, Grumento Nova en Moliterno. Het is een binnenlands, hooggelegen gebied waar wijnbouw veel sterker door hoogte, expositie en temperatuurverschillen wordt bepaald dan door nabijheid van de zee. Dat maakt deze DOC meteen anders dan veel zuidelijke appellaties die vooral op warmte en mediterrane invloed steunen.

De wijngaarden mogen volgens het disciplinare aangeplant zijn tot 800 meter hoogte. Ze zijn aangeplant met blauwe druivenrassen, grotendeels van Bordeaux origine, want de DOC geldt enkel voor rode en roséwijnen.

Bodem en klimaat

De wijnbouw profiteert hier van een omgeving die natuurlijk en relatief ongerept aanvoelt. De bodems zijn alluviaal van oorsprong en bevatten veel zand en klei, met weinig leem. Die samenstelling is belangrijk voor de stijl van de wijnen. Zand kan de structuur wat toegankelijker maken, terwijl klei bijdraagt aan volume, kleur en mondgevoel. Het resultaat zijn wijnen die niet alleen op fruit drijven, maar ook voldoende vulling en draagkracht krijgen.

Het klimaat heeft een uitgesproken bergkarakter. Dat compenseert de zuidelijke warmte van Basilicata. De druiven rijpen in een omgeving die zonnig genoeg is om volledige rijpheid te bereiken, maar tegelijk fris genoeg blijft om zuren en aroma’s te bewaren. Dat is precies de balans die Merlot en Cabernet Sauvignon hier nodig hebben.

Een belangrijk element zijn de grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Vanaf augustus tot aan de oogst, die meestal in de tweede helft van oktober valt, begeleiden die thermische schommelingen de rijping van de druiven. Overdag krijgen ze zon en warmte, ’s nachts koelt het sterk af. Daardoor kunnen de druiven rijpen zonder hun frisheid te verliezen.

Rode wijnen

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC is in de eerste plaats een rode wijnappellatie. De basis is een bordeauxblend, met een hoofdrol voor Merlot. Voor de Rosso en de Rosso Riserva moet minstens 50 procent Merlot worden gebruikt. Cabernet Sauvignon moet minstens 30 procent van de blend uitmaken. Andere toegelaten blauwe en witte, niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.

De maximale opbrengst bedraagt 12 ton druiven per hectare. De druiven voor de Rosso en Rosso Riserva moeten minstens 12 procent natuurlijk alcoholpotentieel halen. Voor de Rosso is een rijping van minstens 12 maanden voorzien, gerekend vanaf 1 december na de oogst. Daarna volgt nog een verplichte flesrijping van 3 maanden voor de wijn op de markt mag komen. De Riserva gaat duidelijk verder. Die moet minstens 24 maanden rijpen, waarvan minstens 6 maanden in hout, gevolgd door een verplichte flesrijping van 4 maanden.

In het glas kleurt de Rosso robijnrood. De wijn is aangenaam, fruitig en voldoende dragend. Denk aan rijp rood en donker fruit, pruim, kers, cassis, kruidigheid en een zekere aardse toets. Bij de Riserva komen daar sneller hout, specerijen, tabak en een steviger mondgevoel bij.

Rosato

Ook voor de roséwijn vormt Merlot de basis, met minstens 50 procent. Cabernet Sauvignon moet minstens 20 procent uitmaken en Malvasia Nera di Basilicata minstens 10 procent. Andere toegelaten blauwe en witte niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.

Merlot zorgt voor sappig fruit en ronding, Cabernet Sauvignon geeft wat meer structuur en kruidigheid. Malvasia Nera di Basilicata brengt het lokale accent in de blend en kan zorgen voor extra aromatische nuance, florale toetsen, rood fruit en een licht kruidige ondertoon. Daardoor krijgt de wijn meer persoonlijkheid.

Hij verschijnt op de markt vanaf 1 maart van het jaar na de oogst. Het is een wijn met een karakteristieke en aangename geur. Verwacht een diversiteit aan rood fruit, een lichte kruidigheid en een subtiel floraal accent. In de mond blijft hij droog, fris en voldoende smaakvol, met net wat meer beet dan een eenvoudige zomerrosé.

Giro d’Italia 2026, rit 4: Lamezia DOC in Calabria

Enkele dagen geleden is de 109de Giro d’Italia van start gegaan in Bulgarije. We volgen deze koers steeds met de nodige aandacht en breien er dit jaar een blogreeks aan vast. We doen dat vanaf het moment waarop de Giro Bulgarije achter zich laat en Italië binnenkomt. Per rit proberen we een minder bekende appellatie uit de omgeving in de kijker te zetten.

Wij pikken in bij rit 4, op dinsdag 12 mei. De etappe brengt ons van Catanzaro naar Cosenza. We zitten dus in Calabria, helemaal in de teen van de laars. De rit gaat vanuit Catanzaro richting Lamezia Terme en volgt daarna een flink stuk de Tyrreense kust. Daarmee komen we vanzelf uit bij een appellatie die perfect in deze reeks past: Lamezia DOC.

Lamezia DOC

Lamezia DOC werd officieel erkend in 1978. Het is een kleine appellatie van amper 10 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van ongeveer 700 hectoliter. Omgerekend gaat het om ongeveer 93.000 flessen.

De appellatie ligt in een bijzonder smal deel van Calabria. Aan de westkant ligt de Tyrreense Zee, terwijl de Ionische Zee aan de andere kant van de regio relatief dichtbij blijft. Zee, wind en heuvels zitten hier dus dicht op elkaar.

De DOC ligt in de provincie Catanzaro en omvat delen van negen gemeenten: Curinga, Falerna, Feroleto Antico, Gizzeria, Francavilla Angitola, Maida, Pianopoli, Lamezia Terme en San Pietro a Maida. De naam verwijst naar Lamezia Terme, de stad die pas in 1968 ontstond door de samenvoeging van Sambiase, Nicastro en Sant’Eufemia.

Het productiegebied strekt zich uit rond de Piana di Sant’Eufemia, aan de zuidelijke voet van het Massiccio del Reventino. Een deel van de wijngaarden ligt in de vlakkere kustzone en op de alluviale gronden langs de waterlopen. Andere wijngaarden liggen hoger, op de heuvels rond Lamezia Terme, Falerna, Gizzeria, Maida en Curinga. De hoogteligging loopt daardoor van bijna zeeniveau in de vlakte tot enkele honderden meters in de heuvels. Binnen de afbakening van de DOC worden zelfs punten boven 600 meter vermeld.

Bodem en klimaat

Geologisch gaat het vooral om sedimentaire bodems. In grote lijnen kan je twee omgevingen onderscheiden. Enerzijds zijn er de jonge afzettingen van de kustvlakte en de alluviale bodems langs de waterlopen. Anderzijds zijn er de hoger gelegen, terrasvormige afzettingen rond de vlakte. Die hoger gelegen percelen zijn vaak beter gedraineerd en kunnen voor kwaliteitswijnbouw interessanter zijn.

Het klimaat is mediterraan, met duidelijke invloed van zee en wind. De regen valt vooral in de winter, met december als natste periode. Juli is doorgaans de droogste maand. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 16 graden. In de zomer kan de warmte stevig zijn, maar de nabijheid van de Tyrreense Zee, de luchtstromen door de smalle doorgang tussen zee en reliëf en de hoger gelegen wijngaarden helpen om de druiven gezond te houden en voldoende frisheid te bewaren.

Rode wijnen

De rode wijnen vormen in de praktijk het zwaartepunt van Lamezia DOC. De gewone Lamezia rosso vertrekt vooral van Gaglioppo, Magliocco, Greco Nero en Marsigliana. Voor Lamezia rosso moeten Gaglioppo en Magliocco, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend uitmaken. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk goed zijn voor 25 tot 45 procent. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

Daarnaast bestaan er ook twee rode wijnen met druifvermelding: Lamezia Gaglioppo en Lamezia Greco Nero. In beide gevallen moet minstens 85 procent van het vermelde druivenras worden gebruikt. Gaglioppo brengt vaak rood fruit, kruidigheid, structuur en duidelijke tannine. Greco Nero kan de wijn wat donkerder, voller en kruidiger maken. Marsigliana is minder bekend, maar geeft de blend een uitgesproken lokaal accent.

De rosso riserva moet minstens 18 maanden rijpen. Daarvan gebeuren minstens 12 maanden in houten vaten, gevolgd door 6 maanden flesrijping. De rijping wordt gerekend vanaf 1 december van het oogstjaar. Dit type wijn zoekt meer structuur, rijpheid en bewaarpotentieel op dan de gewone rosso.

Witte wijnen

De witte wijnen van Lamezia DOC zijn minder bekend. De basis ligt vooral bij Greco Bianco en Montonico Bianco, lokaal Mantonico genoemd. Voor Lamezia bianco moet Greco Bianco minstens 50 procent van de blend vormen. Voor Lamezia Greco loopt dat op tot minstens 85 procent Greco Bianco.

Greco Bianco kan wijnen geven met geel fruit, mediterrane kruiden, soms wat amandel en een zekere hartigheid. De naam zorgt soms voor verwarring, want dit is niet dezelfde Greco als de druif die we kennen van Greco di Tufo in Campania. In Lamezia gaat het om Greco Bianco, een druif die in Calabria een eigen plaats inneemt en hier de basis vormt voor verschillende witte wijnen. De wijnen zijn doorgaans droog en combineren rijpheid met frisheid en een smaakvolle afdronk. Lamezia Greco, met minstens 85 procent Greco Bianco, zet die druif nog duidelijker centraal.

Voor Lamezia Mantonico moet minstens 85 procent van dit druivenras worden gebruikt. Het kan wijnen opleveren met body, kruidigheid, een hartige toets en soms een licht bittertje in de afdronk.

Rosato, novello, passito en spumante

Rosato wordt binnen Lamezia DOC gemaakt op basis van dezelfde druivenstructuur als de rode wijnen. Gaglioppo en Magliocco vormen, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk 25 tot 45 procent uitmaken. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

De DOC voorziet ook een novello. Dat is de jonge, fruitige rode variant binnen de appellatie. Hij wordt gemaakt volgens de regels voor vino novello en mikt vooral op frisheid, sappig fruit en snel drinkplezier.

Aan de andere kant van het spectrum staat passito, op basis van witte druiven. Daarvoor schrijft de DOC minstens 50 procent Greco Bianco en minstens 35 procent Mantonico voor. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druivenrassen. Dit is de zoete, geconcentreerde kant van Lamezia DOC.

Daarnaast zijn ook spumante en spumante rosato toegelaten. De witte spumante wordt gemaakt op basis van minstens 85 procent Greco Bianco, Mantonico of een combinatie van beide. Voor spumante rosato bestaat de basis uit minstens 85 procent Gaglioppo, Greco Bianco, Mantonico of een combinatie daarvan. Belangrijk detail: deze mousserende wijnen moeten via tweede gisting op fles worden gemaakt, dus volgens de metodo classico. Ze rijpen minstens negen maanden op de gisten en kunnen gaan van extra brut tot dry.

Marche op zondag: Hidden gems, deel 2

We zetten onze ontdekkingstocht door Marche verder en stellen opnieuw enkele haltes voor die je makkelijk kan opnemen tijdens een bezoek aan de regio. Vorige keer trokken we onder meer richting Frasassi, Serra San Quirico, de dorpen rond Verdicchio en Corinaldo. Deze keer beginnen we aan zee, maar blijven we weg van het strand. Daarna trekken we naar Urbino, Urbania, Acqualagna, Furlo en Cagli, om vervolgens af te zakken richting Montelupone, Montecassiano en Recanati. Helemaal afsluiten doen we in de Monti Sibillini.

Dat we Urbino opnemen als logische, zeg maar verplichte stop, vraagt wel wat nuance. Verborgen is Urbino natuurlijk niet. Wie een beetje van Italië houdt, kent de naam. Toch hoort de stad hier thuis. Veel reizigers laten Urbino verrassend genoeg nog altijd links liggen wanneer ze Marche bezoeken. Bovendien past de schoonheid van deze stad gewoon perfect in dit verhaal.

Ongetwijfeld zijn er nog heel wat plekken die we niet hebben aangehaald. Geef ze ons gerust mee. Dan hebben we meteen een goede reden om bij een volgend bezoek opnieuw van de hoofdweg af te wijken.

Rocca Roveresca: Senigallia zonder strandstoel

Senigallia kwam in onze kustaflevering al voorbij. Logisch ook, want de stad is vooral bekend om haar strand, de Rotonda a Mare en die aangename sfeer van een Adriatische badplaats die haar eigen ritme heeft gevonden. Toch loont het om hier even van het zand weg te stappen en richting Rocca Roveresca te wandelen.

Deze burcht staat daar stevig, bijna onverstoorbaar, en brengt je meteen in een ander Senigallia. Weg strandgevoel, welkom stadsgeschiedenis, macht en verdediging. Rocca Roveresca werd gebouwd tussen 1480 en 1492 in opdracht van Giovanni Della Rovere, heer van Senigallia. Dikke muren, stevige bastions, ronde hoektorens, een slotgracht en loopgangen moesten weerstand bieden aan de vuurwapens van die tijd.

Veel tijd zal je niet nodig hebben voor dit bezoek. Net daarom is het een ideale korte stop wanneer je vanuit Senigallia opnieuw richting de Adriatische snelweg rijdt.

Urbino: Renaissance, studenten en sjakossen

Neem je tijd voor een bezoek aan Urbino. Je zal die nodig hebben om deze stad, die sinds 1998 opgenomen is als UNESCO werelderfgoed, te bezoeken. Je zal er ook een beetje inspanning voor nodig hebben. Urbino ligt immers hoog, de straatjes stijgen stevig en op sommige momenten voel je dat ook in de kuiten. Gelukkig krijg je er veel voor terug. Smalle steegjes, kleine pleinen, verweerde stenen gevels, doorkijkjes naar de heuvels en een historische kern die nog altijd opvallend gaaf aanvoelt.

Het Palazzo Ducale blijft uiteraard het grote herkenningspunt. Je hoeft er zelfs niet noodzakelijk binnen te gaan om het indrukwekkend te vinden. Vanaf verschillende punten in de stad duikt het telkens opnieuw op. Van dichtbij zie je de loggia’s en de torens, maar eigenlijk wordt het paleis nog mooier wanneer je er wat afstand van neemt. Dan zie je pas goed hoe het gebouw boven de stad uitsteekt en hoe sterk het beeld van Urbino hierdoor wordt bepaald.

Een van de beste plekken om dat te zien is het hoger gelegen Fort Albornoz. De wandeling ernaartoe vraagt opnieuw de nodige inspanning, maar boven krijg je misschien wel het mooiste zicht op Urbino. Daar zitten vaak studenten, wat perfect past bij het universiteitskarakter van de stad.

Ga zeker even buiten de muren richting Strada Panoramica. Van daaruit zie je hoe compact Urbino in het landschap ligt. De stad lijkt bijna op de heuvel gezet, met het Palazzo Ducale als duidelijk middelpunt. Dat beeld maakt je meteen ook duidelijk waarom Urbino zo vaak als renaissancestad wordt omschreven.

Bezoek zeker ook Bottega d’Arte di Nevio Sorini. Hier wordt de Stella Ducale, een handgemaakte glazen sterrenlamp die eeuwenlang adellijke huizen in Urbino verlichtte, nog op traditionele wijze gemaakt.

Ook voor een korte culinaire pauze of pranzo zit je in Urbino goed. Denk bijvoorbeeld aan La Trattoria del Leone, een klein restaurant in het centrum waar lokale gerechten en passatelli duidelijk een rol spelen. Mag het iets verfijnder, dan is Portanova een naam om te onthouden. Zelf vind ik ook Atabulus mooi passen bij Urbino: een enoteca met keuken en boeken, waar je terecht kan voor een aperitivo, iets kleins om te eten of gewoon een glas in een bijzondere sfeer.

Voor ons vertrek naar Marche had ik mijn vrouw beloofd dat ze van mij een handtas cadeau kreeg van een heel bijzondere plek. Bij ons bezoek aan Urbino kon ik deze belofte dan ook eindelijk inlossen. Ik troonde haar mee tot iets buiten de stad, naar Schieti di Urbino. Hier vind je de factory store van het bekende handtassenmerk Piero Guidi. Ik had ook simpelweg in Urbino kunnen blijven en de handtas kunnen kopen in de plaatselijke winkel in de Via Veneto, maar dit was net iets charmanter. Ons bezoek aan Urbino kreeg daardoor een ander cachet. Eerst Renaissance, daarna sjakossen. En daarmee had ik weer vele goede punten gescoord en kon ik deze reis niets meer misdoen.

Urbania: mummies, majolica en visciola

Urbania ligt niet zo ver van Urbino en kan je dus perfect combineren. Urbania voelt trouwens helemaal anders aan. Minder groots, minder bekend en vooral minder druk. Urbania heette vroeger Casteldurante en die oude naam kom je nog geregeld tegen, zeker wanneer het over keramiek gaat. Vanaf de vijftiende eeuw groeide Casteldurante uit tot een belangrijk centrum voor majolica, beschilderd aardewerk dat zijn weg vond naar klanten ver buiten de regio.

Het stadje zelf is aangenaam om door te wandelen. Zeker wanneer er markt is, komt Urbania helemaal tot leven. Dan slingeren de kraampjes door de straten en vind je er brood, kazen, olijven, fruit, keramiek en allerlei lokale producten. Rond Piazza San Cristoforo vind je bars, bakkerijen, restaurants en het Teatro Bramante. Dat theater is vernoemd naar Bramante, de grote renaissancearchitect die in de omgeving werd geboren. Geniet van een koffie bij Caffè del Teatro en je bent alweer paraat om het volgende straatje te verkennen.

Een van de meest eigenzinnige plekken van Urbania is de Chiesa dei Morti, bekend om haar mummies. Ik ben geen kerkganger en neem dit soort bezoeken ook bewust niet op in de blogs, maar hier maak ik wel een uitzondering. Je bezoekt deze chiesa omdat het iets vertelt over de manier waarop een kleine gemeenschap met dood, zorg en herinnering omging. Het Broederschap van de Dood bekommerde zich ooit om de uitvaarten van armen en hulpbehoevenden. De geconserveerde lichamen die later werden opgegraven, kregen hier een opvallende plaats. Je moet er zin in hebben, maar vergeten doe je dit bezoek niet snel.

Je kan in Urbania niet om de keramiek heen. Je merkt het bijna overal in de stad en het hoort dan ook tot de stadsidentiteit. Je vindt er nog enkele ateliers waar het oude ambacht wordt voortgezet, al zijn het er veel minder dan vroeger. In juli wordt die keramiektraditie extra in de kijker gezet tijdens het jaarlijkse keramiekfestival.

Voor een aperitivo kunnen we zeker Enoteca Vin Italy aan Piazza del Duomo aanraden. En als je ergens visciola tegenkomt, een lokale drank op basis van wijn en zure kersen, proef die dan zeker. Net zoals wij deden. We waren er eerlijk gezegd niet wild van, maar we kunnen het nu wel beter plaatsen wanneer erover gesproken wordt. Want in Marche zal je visciola vaak op de lokale drankenkaarten zien staan.

Acqualagna: truffel staat hier centraal

Ben je een truffelliefhebber, dan is een bezoek aan Acqualagna niet te missen. Want wie truffel zegt in Marche, zegt Acqualagna. Het is dan ook de truffelhoofdstad van de regio en dat merk je snel genoeg. In de winkels, op de menukaarten, in de straten. Alles geurt en kleurt er naar deze lekkernij.

In het najaar worden er speciale truffelzoektochten georganiseerd en wie de kans krijgt om met een truffeljager mee op pad te gaan, moet dat zeker doen. Vaak gebeurt dat met een Lagotto Romagnolo, een hondenras dat perfect geschikt is om truffels op te sporen. Zo’n tocht maakt meteen duidelijk hoeveel vakkennis erbij komt kijken. De hond zoekt, de truffeljager kijkt, luistert en grijpt pas in wanneer het nodig is. De truffel moet immers voorzichtig uit de grond gehaald worden. In de omgeving van Acqualagna liggen uiteraard ook de tartufaie, stukken grond waar truffels groeien en die zorgvuldig worden beheerd.

Bij een bezoek aan dit dorpje kan je niet anders dan je ook tegoed doen aan een gerecht op basis van truffel. Een crostino met truffel, een crescia sfogliata met ei en truffel, een eenvoudige pasta met vers geschaafde truffel: je kan het er allemaal vinden in lokale restaurantjes die zich duidelijk op truffel richten. Ristorante Lampino is daar een voorbeeld van, net als Il Tartufo centraal in het dorp.

Centraal in het dorp vind je de winkel van Acqualagna Tartufi. Dit is uiteraard een interessante stop wanneer je producten op basis van truffel wil ontdekken of meenemen.

Furlo: tussen kalksteen, water en Romeinse wegen

Heb je na al dat lekkers in Acqualagna behoefte om de opgenomen calorieën te verbranden, dan kan je iets verder doorrijden naar Furlo. Je zit er midden in de natuur, met heel wat wandelmogelijkheden tussen kalksteen, water, rotswanden en een weg die zich door de Gola del Furlo wringt.

De kloof van Furlo maakt deel uit van het Riserva Naturale Statale della Gola del Furlo. De rivier Candigliano heeft zich hier een weg gebaand door de kalkstenen rotsen, tussen Monte Pietralata en Monte Paganuccio. Dat levert een indrukwekkend zicht op. Het wordt niet voor niets een van de mooiste natuurgebieden van dit deel van Marche genoemd.

In de Gola del Furlo zelf loopt de oude Via Flaminia, de Romeinse weg die Rome met Rimini verbond. Ter hoogte van Furlo kom je voorbij de Romeinse tunnel die in opdracht van keizer Vespasianus in 76 na Christus door de rots werd uitgehakt. Bijna tweeduizend jaar later passeert er nog altijd verkeer door dat kleine gat in de rots. Furlo komt trouwens van het Latijnse forulum, wat klein gat betekent.

Je kan de kloof eenvoudig beleven vanop de weg langs het water, maar wie wat meer tijd heeft, kan ook wandelen. Langs de Candigliano zijn er rustige stukken waar je de rotsen, het water en de dammen van dichtbij ziet.

Ook van bovenaf kan je de kloof bekijken, al vraagt dat wel een stevige inspanning richting de Terrazza del Furlo. Zeker als je de weg omhoog neemt richting de rifugio en daarna het laatste stuk te voet doet. Boven kijk je neer op de kloof en zie je pas goed hoe de rivier zich tussen de bergen heeft ingesneden.

Wie vanuit Fossombrone komt of daarna nog wat extra natuur wil meepikken, kan ook langs de Marmitte dei Giganti bij San Lazzaro. Daar heeft het water in de loop van miljoenen jaren diepe kommen en grillige vormen uitgesleten in de kalksteen van de Metauro. Vanaf de Ponte dei Saltelli heb je er al een mooi zicht op. Wie dichter bij het water wil komen, moet wat klauteren. Dat kan prachtig zijn bij droog weer, maar bij regen zou ik mijn enthousiasme toch even in de wagen laten liggen. Natte stenen en zelfvertrouwen zijn niet altijd de beste combinatie.

Cagli: een stadje dat meer in huis heeft dan je verwacht

Eerlijk gezegd hadden we onze twijfels of we Cagli zouden opzoeken. Ik had Gradara bijvoorbeeld hoger op het verlanglijstje staan, maar die plaats zou ons te ver hebben afgeleid van onze daguitstap en dus werd het alsnog Cagli. Hoewel we niet echt hoge verwachtingen hadden, werd het toch een mooie meevaller. Alleen al het onderweg zijn en de route langs de oude Via Flaminia maken het de moeite. Je wordt omringd door bergen als Monte Petrano, Monte Nerone, Monte Catria en Monte Paganuccio. Je voelt hier als het ware de berglucht.

Eens aangekomen in Cagli kan je de wagen rustig parkeren en aangenaam rondwandelen in het centrum. Zoals op zoveel plaatsen is het hoofdplein nog altijd de plek waar het dagelijkse leven passeert en waar je de stramme benen van de autorit even kan laten bekomen met een espresso doppio.

Een van de opvallendste monumenten van Cagli is de Torrione, een versterkte toren die ooit deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de stad. De toren was verbonden met de hoger gelegen rocca via een overdekte geheime doorgang met honderden treden. Alleen al dat idee maakt het verhaal van Cagli meteen wat spannender. Je ziet de stad niet alleen als rustig historisch centrum, maar ook als plek die ooit verdedigd moest worden.

Ook de Romeinse brug, de Ponte Mallio, is de moeite om op te zoeken. Ze ligt langs het oude traject van de Via Flaminia en is ondanks de eeuwen en aardbevingen nog altijd grotendeels bewaard gebleven. Je kan er in één adem een bezoek aan het Teatro Comunale aan koppelen. Dat is een mooi theater, gebouwd in de negentiende eeuw. Vooral de binnenkant is de moeite. Rode zaal, loges, hoefijzervorm, dat soort werk.

Wie liever de natuur intrekt, zit rond Cagli goed. Monte Petrano is populair voor wandelingen, picknicks en buitensporten. Monte Catria en Monte Nerone bieden nog meer mogelijkheden voor wie graag wat hoger gaat. Wandelen, fietsen of mountainbiken, keuze genoeg.

De eigenlijke reden waarom ik Cagli op onze lijst met te bezoeken plekken had geplaatst, kwam echter uit een totaal andere interesse. Hoewel we er niet waren op het moment van dat evenement en er dus ook geen deel van konden uitmaken, hoopte ik alsnog een lekker stukje vlees te vinden. De verwachtingen waren hoog, want die bouwen ze natuurlijk zelf op als ze er een heus evenement aan besteden. In juni is er immers de Grigliata in Piazza, waarbij gegrild vlees centraal staat. Een pranzo met een tagliata mocht dus niet ontbreken. Daarvoor kwamen we uit bij Il Poggio, net buiten het centrum, waar carne alla griglia en tagliata duidelijk mee op de kaart staan.

Montelupone: smullen van artisjokken

Ook in de omgeving van Macerata kan je kleine, leuke plaatsjes ontdekken. Montelupone is er zo eentje. Het is opgenomen in de lijst van I Borghi più Belli d’Italia. Het is een compacte borgo die haar verleden opvallend goed heeft bewaard. De robuuste ommuring en de vier oude toegangspoorten geven het stadje nog altijd de nodige allure. Vroeger gingen die poorten bij zonsondergang dicht en pas na zonsopkomst opnieuw open. Dit zal ongetwijfeld goed gewerkt hebben tegen ongewenste bezoekers.

Het centrale piazza vormt ook hier het hart van het stadje. Daar staat het Palazzetto del Podestà met de Torre Civica, waarop je het oudste wapenschild van Montelupone terugvindt. Daarnaast heeft het stadje enkele andere leuke verrassingen in huis, zoals het Palazzo Comunale. Hier vind je het Teatro Storico Nicola degli Angeli, een klein historisch theater dat de nodige indruk maakt. In de ondergrondse ruimtes van het Palazzo Comunale is het Museo d’Arti e Mestieri Antichi ondergebracht, waar oude werktuigen en voorwerpen tonen hoe men hier vroeger leefde en werkte.

Dat is allemaal leuk en benadrukt vooral het historisch belang van Montelupone, maar ik genoot meer door gewoon door de straatjes te wandelen. Je passeert mooie palazzi, stille hoekjes en verborgen pleintjes. Het stadje voelt verzorgd aan, zonder dat het zijn landelijke karakter verliest. Ik keek vooral of die band met het platteland ook zichtbaar werd op de lokale menukaarten. De scarciofeno is immers de trots van de stad. Het is de plaatselijke artisjok, de carciofo di Montelupone, kleiner dan veel gewone artisjokken, violetgroen van kleur, zonder stekels en zonder harige binnenkant. Hij is mals, zacht van smaak en wordt hier terecht als lokale specialiteit gekoesterd. Zie je hem ergens op de kaart staan, dan zou ik niet te lang twijfelen om hiermee kennis te maken.

Montecassiano: de charme van de ronde beweging

Vergelijkbaar met Montelupone, en eveneens in de omgeving van Macerata, ligt Montecassiano. Je zou het zomaar voorbijrijden en er geen aandacht aan besteden. Dat zou jammer zijn, want Montecassiano heeft precies dat aangename ritme waardoor het er leuk toeven is. Het historische centrum lijkt zich als een kleine kring rond zijn centrale plein te plooien. Je wandelt omhoog, draait een straatje in, daalt weer wat af en komt uiteindelijk toch opnieuw uit bij het hart van het stadje. Alle wegen mogen dan naar Rome leiden, in deze borgo van I Borghi più Belli d’Italia brengen ze je vooral terug naar die centrale plek.

Dat centrale plein wordt bepaald door het Palazzo dei Priori en de trap die omhoog voert richting Santa Maria Assunta. Struin verder door de mooie klimmende en dalende straatjes. Zoek af en toe een terrasje om wat uit te blazen en rond je bezoek af met een wandeling naar het Parco del Cerreto, net buiten de stadsmuren. Daar krijg je een mooi zicht over de omgeving. Doe vooraf wat inkopen, zoals een flesje wijn, wat salumi en een crescia sfogliata. Zoek een plekje waar je rustig kan zitten en geniet van de wijdse schoonheid.

En ook hier is er een lokale gastronomische specialiteit. Bij een bezoek moet je eigenlijk sughitti proberen, een lokale dolce die wat doet denken aan zoete polenta. Ze wordt gemaakt met maïsmeel, druivenmost, suiker en walnoten. In oktober staat sughitti centraal tijdens een dorpsfeest. Dan wordt deze zoete specialiteit volop gemaakt en geproefd. Wie er dan passeert, heeft geluk.

Recanati: de stad van de oneindigheid

We ronden onze aanraders in de omgeving van Macerata af met een bezoek aan Recanati. Het is alweer zo’n typisch stadje dat je al van ver bovenaan de heuvel ziet liggen. In Italië hebben ze het dan over een città balcone, waar je onderweg telkens beloond wordt met mooie uitzichten over het omliggende landschap. Bij helder weer kijk je van de Monti Sibillini tot richting Adriatische Zee.

Wanneer je door Recanati wandelt, kom je onvermijdelijk op Piazza Giacomo Leopardi terecht. Het standbeeld van de man naar wie het plein is genoemd staat er centraal, vlak bij de Torre del Borgo. Giacomo Leopardi is een van de grote Italiaanse dichters, schrijvers en filosofen. Hij werd hier in 1798 geboren en zijn aanwezigheid hangt nog altijd over de stad.

De heuvels rond Recanati worden ook wel de Colli dell’Infinito genoemd. Die naam verwijst uiteraard naar L’infinito, het bekendste gedicht van Leopardi. Hij liet zich inspireren door Monte Tabor en door het landschap dat zich rond Recanati uitstrekt. De eerste regel van het gedicht prijkt trots op een van de muren van Recanati. Wie wil, mag zich gerust zelf even aan een vertaling wagen.

Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.

Een wandeling richting Colle dell’Infinito is dan ook sterk aangeraden. Daar kijk je uit over de heuvels die Leopardi mee inspireerden. Je hoeft daarom geen kenner van Italiaanse poëzie te zijn. Gewoon even blijven staan en kijken volstaat. De schoonheid van Marche zal je alweer verbazen.

En wie na al dat mijmeren opnieuw met beide voeten op de grond wil staan, zoekt een terras of een eenvoudige aperitivo. Dat mag ook. Zelfs in de stad van de oneindigheid moet een mens af en toe iets drinken.

Lago di Fiastra en Lame Rosse: eindigen tussen water en rode rotsen

Als we het over oneindigheid en Marche hebben, kunnen we niet anders dan ook de Monti Sibillini te melden. We sluiten deze tweede reeks hidden gems dan ook af in deze onwaarschijnlijk mooie omgeving. Het Nationaal Park Monti Sibillini is ongeveer 70.000 hectare groot en ligt deels in Marche en deels in Umbria. Aan de kant van Marche kiezen we voor Lago di Fiastra en Lame Rosse in het noordelijke deel van het nationaal park. Hier zijn het water, bos, rotsen en wandelschoenen de hoofdingrediënten. Een goede conditie is er een grote troefkaart.

Lago di Fiastra is een helder bergmeer dat ontstond door de bouw van een dam op de rivier Fiastrone. Het water kan er bijna onwerkelijk blauw kleuren, afhankelijk van het licht. Turkoois, donkerblauw, groenblauw, soms zelfs een beetje smaragd. Dat klinkt bizar, maar wie er ooit was, weet dat het meer effectief voortdurend van kleur lijkt te veranderen.

Je kan hier gewoon langs het water wandelen, zeker vanaf San Lorenzo al Lago richting de dam. Het pad is niet te moeilijk en geeft je onderweg mooie zichten over het meer. Wandelen minder je ding? Dan kan je er ook zwemmen, suppen, kanoën of gewoon ergens aan de oever gaan zitten en doen alsof je een zeer actieve vakantiedag hebt gepland.

Voor wie iets meer inspanning wil, is de wandeling naar Lame Rosse de echte reden om hierheen te rijden. De tocht vertrekt aan de dam van Lago di Fiastra. Je wandelt over de dam, gaat door een tunnel en klimt daarna verder door bos en langs de kloof. De route heen en terug is ongeveer zeven kilometer lang, met een hoogteverschil van ongeveer tweehonderdvijftig meter. Dat is haalbaar voor de meeste wandelaars, maar goede schoenen en voldoende water zijn geen overbodige luxe. Zeker in de zomer vertrek je beter vroeg.

Na het bos kom je in een drogere bedding terecht en dan verschijnen plots de rode rotsformaties. Lame Rosse wordt weleens de canyon van Marche genoemd. De rotsen bestaan uit grind, klei en slib en zijn door erosie uitgesleten tot spitsen, torens en grillige wanden. Rood, oker, droog en scherp afgetekend tegen de lucht.

Maak er gerust een volle dag van. Eerst vroeg wandelen naar Lame Rosse, daarna iets eten in de buurt van San Lorenzo al Lago of langs het meer. Osteria del Lago is een klassieke optie voor wie stevig wil lunchen. Wie het eenvoudiger wil houden, kan kijken of Il Solengo open is, een foodtruck aan het meer waar je broodjes en craft beer vindt. Daarna nog even het water in of gewoon met zicht op Lago di Fiastra blijven zitten.

Daar kan je nog wat turen in de verte, misschien ook een beetje denkend aan Gradara, de stop die we uiteindelijk niet opnamen omdat ze ons te ver van deze route zou brengen. Het verhaal van Paolo en Francesca, een verboden liefde die je gerust een voorloper van Romeo en Julia zou kunnen noemen, wordt traditioneel met Gradara verbonden en kreeg een onsterfelijke plaats in Dantes Inferno, Canto V.

Galeotto fu ’l libro e chi lo scrisse:
quel giorno più non vi leggemmo avante.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter
  5. Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland

Hoogteligging als architect van de wijnstijl

We hebben lang geworsteld om dit artikel af te ronden. Altitude, ofwel de hoogteligging van wijngaarden, is in de hedendaagse wijnbouw steeds belangrijker geworden. Het is, laat dat duidelijk zijn, geen kwaliteitsstempel. Het is een klimaatknop waarmee wijnbouwers rijping kunnen vertragen en balans kunnen bewaren.

Meer en meer zie je de woorden “high altitude” opduiken op een etiket, met een verkooppraatje erbij, bijvoorbeeld “heroic winemaking”. Vaak is dat om een hoog prijskaartje goed te praten. Soms is het gewoon een correcte technische samenvatting van wat er in de wijngaard gebeurt.

In dit artikel willen we vooral tonen wat hoogteligging concreet doet met temperatuur, licht, rijping en uiteindelijk met de stijl van de wijn in je glas.

Wat is “hoog” eigenlijk?

Er bestaat geen wereldwijde definitie die overal logisch werkt. Een grens van 500 meter boven zeeniveau duikt vaak op, maar die zegt alleen iets binnen een regio. In Europa klinkt 500 meter al stevig, terwijl dat in Mendoza eerder normaal is. In die Argentijnse regio liggen veel wijngaarden tussen ongeveer 600 en 1.100 meter. “Hoog” blijft dus relatief, en je moet het altijd lezen in functie van breedtegraad, expositie en de invloed van zee of vallei.

Hoogteligging werkt pas echt wanneer je het samen leest met hellingsgraad, afstand tot water, vochtigheid, wind en de manier waarop het landschap wolken en neerslag stuurt. Een hoger perceel kan door een warme expositie toch warmer uitvallen dan een lager perceel. Daarom is het correcter om te spreken over hoogteligging binnen een specifiek microklimaat.

Voor de wijn betekent dit dat hoogteligging pas iets zegt wanneer je weet hoe het perceel ligt, hoe het afkoelt en hoeveel zon en wind het werkelijk krijgt.

Waarom het onderwerp nu overal opduikt

De praktische reden is klimaat. In veel gebieden schuiven nieuwe aanplantingen op naar hogere zones om opwarming te temperen en frisheid te behouden. Opwarming kan het groeiseizoen versnellen. Studies tonen oogstmomenten die opschuiven naar vroeger, met voorbeelden van 4 tot 11 dagen oogstvervroeging in warmere groeiseizoenen. Hoogte kan die versnelling afremmen.

Dat geeft vaak minder alcoholische druk en meer frisheid in de zuurstructuur, op voorwaarde dat de druiven volledig kunnen rijpen.

Temperatuur & dag en nacht contrast: de basislaag

Het meest directe effect van hoogteligging is koelte, en vooral het verschil tussen dag en nacht. Hoger betekent gemiddeld lagere temperaturen, en zodra de zon zakt koelt de lucht sneller af. Overdag kan er nog altijd genoeg warmte en zon zijn om rijping vooruit te duwen. ’s Nachts krijg je net de rem, waardoor druiven trager evolueren en hun zuren beter vasthouden. Biochemisch is dat simpel: in koelere omstandigheden wordt appelzuur trager afgebroken, waardoor de zuurstructuur makkelijker overeind blijft.

Een vuistregel maakt het concreet. In veel klassieke wijnstreken wordt het gemiddeld ongeveer 0,6°C koeler per 80 à 85 meter stijging. Over 300 meter is dat dus al ruim 2°C verschil. Op zich lijken die verschillen miniem, maar in een groeiseizoen is het vaak precies het verschil tussen snel rijp worden en rustig tot een optimale rijpheid komen.

Bergen sturen ook het weer: regen, mist en regenschaduw

Als we het over hoogteligging hebben, denken we meteen aan wijngaarden in berggebied. Dat is niet altijd zo, denk aan Ribera del Duero dat vooral op een hoogteplateau ligt. Maar als er bergketens in de buurt zijn, kunnen die wél zeer bepalend zijn. Bergen zorgen immers voor meer dan koeling. Ze werken als een soort verkeersleider voor luchtmassa’s. Lucht die tegen een bergwand botst, wordt omhoog geduwd. Tijdens die stijging koelt ze af, waterdamp condenseert en je krijgt neerslag aan de windzijde. Dat verklaart waarom sommige hellingen opvallend natter en groener zijn dan de vallei ernaast, en waarom wijnbouw soms aan de ene flank vanzelfsprekender is dan aan de andere.

Aan de andere kant van de berg krijg je vaak net het omgekeerde. De lucht is haar vocht al kwijt en daalt opnieuw, warmer en droger. Dat is de regenschaduw. In zo’n zone kan wijnbouw perfect mogelijk zijn, maar water wordt plots een sleutelthema. Irrigatie kan nodig worden, of je moet zoeken naar bodems die water beter vasthouden, of je past je onderstam en canopy management daarop aan. Het is ook waarom twee wijngaarden op vergelijkbare hoogte, maar aan een andere kant van dezelfde keten, een totaal ander groeiseizoen kunnen hebben.

Bergketens kunnen ook koelte aanvoeren. Door valleien en doorgangen kan mist en koele lucht het binnenland in worden gezogen, soms elke ochtend opnieuw. Dat drukt de temperatuur in de eerste helft van de dag en verlaagt de effectieve zoninstraling. Het resultaat is koeling die niet alleen van hoogte komt, maar ook van luchtcirculatie.

Je merkt al onmiddellijk dat hoogteligging niet allesbepalend is. Het wordt pas interessant als je ook snapt wat de bergen met wind, regen en mist doen.

Licht en UV: meer straling, andere schil, andere concentratie

Tijdens het opzoeken rond dit onderwerp botste ik ook op lichtintensiteit en UV straling. Dat komt simpel gezegd hierop neer. Hoe hoger je gaat, hoe minder het zonlicht onderweg wordt gefilterd. Minder filter, dus het licht komt feller binnen. Niet per se warmer, wel intenser, met ook wat meer UV. Er wordt vaak gewerkt met een vuistregel van grofweg 1 tot 1,3 procent meer UV per 100 meter stijging.

De druivenstok reageert daarop zoals elke plant. Hij probeert zich te beschermen, en bij druiven gebeurt dat vooral via de schil, het enige deel van de bes dat zon en straling rechtstreeks opvangt. Bij fellere zon gaat de plant daar extra beschermende stoffen opbouwen, onder andere meer anthocyanen. Daardoor wordt de schil vaak steviger en dikker. Tegelijk kunnen bessen kleiner blijven, waardoor je automatisch meer schil krijgt in verhouding tot sap.

Bij rode rassen betekent dat potentieel meer kleur en meer tannine. Bij witte rassen kan het effect subtieler zijn, maar je ziet vaak wel een intensere aromatische expressie, tenminste als het seizoen lang genoeg is om mooi te rijpen en niet te koel wordt op het einde.

Er zit ook een keerzijde aan vast. Fellere zon en meer straling kunnen de plant wat voorzichtiger maken. Minder bladontwikkeling en kleinere bessen betekenen dan ook potentieel minder kilo’s.

Meer schil en meer kleurstoffen betekenen niet alleen meer concentratie. In rode wijn geeft het ook meer structuur, want tannine zit vooral in de schil. Maar daar zit meteen ook de valkuil. Als het seizoen te kort is of de herfst te bruusk binnenvalt, kan die tannine onrijp blijven, met een strengere indruk als gevolg.

Hoogte vertraagt de kalender

Naarmate een wijngaard hoger ligt, schuift het groeiseizoen meestal op. De knoppen lopen later uit, de bessen kleuren later, en ook de oogst valt later. Vaak krijgt de wijngaard daardoor meer tijd om tot een volledige rijpheid te komen. Die extra tijd geeft de bessen meer kans om aroma’s en schilcomponenten op te bouwen, zonder dat het suikergehalte al te snel stijgt.

Dat komt niet alleen door lagere temperaturen. Op hoogte reageert de wijnstok ook anders op zijn omgeving. Door fellere zon, meer wind en vaak drogere lucht gaat hij zuiniger om met water en energie. Dat beïnvloedt mee hoe gelijkmatig de rijping verloopt en hoe suiker, aroma en schilrijpheid zich opbouwen.

Een Italiaanse studie maakte die vertraging heel concreet. De oogst lag gemiddeld 6,27 tot 7,16 dagen later per 100 meter stijging, en het uitlopen van de knoppen 0,85 tot 2,88 dagen later per 100 meter.

Die verlenging is tegelijk het risico. Jonge scheuten staan langer bloot aan vorst en hagel, zeker in het voorjaar wanneer de plant het meest kwetsbaar is. Bovendien gaat hoogte vaak samen met grotere temperatuurschommelingen tussen dag en nacht. Daardoor krijgen extremen meer kans, van abnormaal warme winterdagen tot vrieskou in late winter of vroege lente.

Wind: vriend én vijand op hoogte

Bij wijnbouw op hoogte kwamen al heel wat factoren aan bod, en dan hebben we het nog niet over de invloed van de wind gehad.
Het is eigenlijk vrij logisch: hoogte gaat vaak samen met een opener landschap en dus met meer wind. En wind werkt dubbel. Het meest gunstige effect is dat trossen na regen of dauw sneller opdrogen, waardoor schimmeldruk vaak lager ligt en ziektes beperkter blijven.

Maar tegelijk kan diezelfde wind de verdamping opdrijven. Bessen blijven kleiner, de schilfractie stijgt, en dat kan concentratie versterken. Alleen, als wind en droogte te hard beginnen te wegen, slaat dat om in stress. Te veel wind en te weinig water remmen de rijping af, en dan wordt altitude plots geen voordeel maar een extra uitdaging om alles mooi en gelijkmatig te laten rijpen.

Hoogte beïnvloedt dus niet alleen temperatuur en licht. Ze bepaalt ook hoe droog en hoe winderig de wijngaard rond de tros aanvoelt, en dat weegt mee op het verloop van het seizoen.

De prijs, meestal mee omhoog

Als ik spreek met wijnproducenten met hooggelegen wijngaarden, moet ik soms glimlachen. Onlangs bezochten we nog verschillende producenten in Valtellina, en het was opvallend hoe vaak dezelfde uitleg terugkwam: hoog gelegen wijngaarden, steile hellingen, alles manueel, dus hogere kosten. Op zich is daar niets mis mee, het klopt ook. Alleen merk je dat het verhaal soms wel erg nadrukkelijk wordt ingezet om een hoger prijskaartje meteen te kaderen.

En inderdaad, hoogteligging gaat vaak samen met steile hellingen, en die zijn moeilijk te mechaniseren. Meer handwerk betekent automatisch hogere kosten. Daarbovenop komen risico’s zoals vorst, hagel, zware regen, harde wind en soms erosie. Binnen één helling kan rijping verschillen tussen voet en top, wat selectie en timing lastiger maakt. Opbrengst ligt vaak lager, deels door stress, deels door strengere selectie. Soms is water beschikbaar via smeltwater in droge maanden, maar ook dat is geen gratis voordeel. In sommige kwaliteitsgebieden is irrigatie beperkt of verboden.

Vandaar ook dat de melding van “high altitude” zo graag mee op het etiket wordt geplaatst. Die twee korte woordjes zijn vaak een handige samenvatting van hogere kosten en meer risico, en dus ook van een prijskaartje dat meestal mee omhoog klimt.

We hebben nu een duidelijk beeld geschetst van het belang van hoogteligging. Wat we nog niet gezegd hebben, en wat toch belangrijk is om mee te geven: hoogte heeft grenzen. Je kan niet eindeloos omhoog blijven schuiven en verwachten dat wijnbouw zomaar blijft werken. Op een bepaald punt wordt het groeiseizoen te kort, is de kans op vorstschade te groot, en krijg je onvoldoende warmte om tot volledige rijpheid te komen. Ook de bloei en vruchtzetting worden kwetsbaarder, net als de oogstperiode. Daarom blijven extreme hoogtes uitzonderingen.

Waar die grens ligt, verschilt sterk per regio. In veel Europese contexten wordt het ergens tussen 700 en 900 meter een stuk moeilijker om elk jaar betrouwbaar tot volledige rijpheid te komen, terwijl uitzonderingen zoals Valle d’Aosta of Etna tonen dat je met de juiste ligging en omstandigheden ook boven 1.000 meter nog kan werken. Mondiaal zijn er uiteraard nog andere regio’s die dat verhaal bevestigen.

Dus ja, “high altitude” kan een mooi excuus zijn voor een prijskaartje. Maar de klimaatomstandigheden duwen de wijnbouw ook gewoon die richting uit, en we gaan die verschuiving naar hoger gelegen percelen steeds vaker zien. Ga er zelf maar eens aanstaan. In die contexten mag “heroïsche wijnbouw” van mij gerust gebruikt worden. Maar goed, daar zetten we later nog wel eens een ander boompje over op.

Marche: hidden gems, deel 1, tussen Frasassi en Verdicchioland

Via de vorige artikels zal je al wel gemerkt hebben dat mijn goesting om Marche te verkennen enorm was. Thuis had ik mijn huiswerk dan ook zeer grondig gedaan en een, toegegeven, veel te lang lijstje opgemaakt van wat er allemaal bezocht moest worden.

Marche kent immers heel wat verborgen plekjes die je onverwacht raken door hun schoonheid, hun ligging of gewoon door de sfeer die er hangt. Hidden gems dus. En omdat het er zoveel zijn, splits ik ze op in twee artikels. In dit eerste deel blijven we vooral in en rond de Vallesina, het land van Verdicchio, grotten, middeleeuwse dorpen, muren en prachtige uitzichten.

Met onderweg uiteraard ruimte voor een goed glas wijn.

Genga: kalksteen, grotten en stilte

Wandelen stond uiteraard op onze lijst, al hielden we daarvoor de weersvoorspellingen nauwgezet in het oog. De temperatuur mocht niet te hoog oplopen, want een zomerse klim in Marche kan behoorlijk stevig aanvoelen. Voor onze eerste wandeltocht trokken we naar Genga, en wie Genga zegt, komt bijna vanzelf bij de Gola di Frasassi terecht.

Het dorp ligt in een landschap van kalksteen, rotswanden en nauwe doorgangen, met de rivier de Sentino die zich door de Gola di Frasassi heeft gewerkt. Die kloof werd vroeger de Gola del Sentino genoemd en is ongeveer drie kilometer lang. Aan de ene kant rijst Monte Frasassi op, aan de andere kant Monte Valmontagnana.

De grotten van Frasassi zijn natuurlijk de grote trekpleister. Terecht ook. Vooral de Abisso Ancona, de enorme eerste zaal, zet je meteen op scherp. Plots sta je in een ondergrondse ruimte waar je gevoel voor hoogte, afstand en verhouding even overhoop wordt gehaald. Stalactieten, stalagmieten en grillige kalkformaties maken het beeld compleet, maar het is vooral die combinatie van stilte, omvang en ligging in de Gola di Frasassi die indruk maakt.

Tijdens onze wandeling namen we ook het pad omhoog naar de Tempio del Valadier. Dat is geen lange afstand, maar onderschat ze niet en neem toch maar een flesje water mee. Zeker in de warmte voel je die klim wel in de benen. Je volgt het pad tussen de rotsen, met onderweg steeds mooiere zichten op de kloof en de omgeving.

Boven wordt de inspanning beloond. In de grot liggen twee heiligdommen op korte afstand van elkaar. Santa Maria infra Saxa is de oudste van de twee en ligt letterlijk onder de rotsen. De plek gaat terug op een vroegere religieuze aanwezigheid in de bergwand. Enkele meters verder staat het eigenlijke eindpunt van de wandeling: de Tempio del Valadier, gebouwd in opdracht van Annibale della Genga, de latere paus Leo XII, die zelf uit Genga afkomstig was.

De tempel ligt indrukwekkend tegen de rotswand, bijna verscholen in de grot. Je hoeft er geen uitgebreid kunsthistorisch verhaal bij te vertellen om te voelen dat dit een bijzondere plek is.

Serra San Quirico: onder de copertelle

Serra San Quirico kan je perfect combineren met een bezoek aan Genga. Het dorp ligt op een kleine 15 kilometer daarvandaan.
Als je het nadert, lijkt het stevig tegen de heuvelrug genesteld. Eenmaal aangekomen merk je onmiddellijk het gesloten, middeleeuwse karakter. De naam serra verwijst trouwens naar een omsloten of moeilijk bereikbaar gebied. Het dorp is compact, overzichtelijk en bijzonder aangenaam om gewoon in rond te dwalen.

Het mooiste aan Serra San Quirico zijn zonder twijfel de copertelle. Dat zijn overdekte doorgangen in de oude stadsmuren, die vroeger gebruikt werden als verdediging en als schuilplaats. Vandaag vormen ze vooral een heerlijke wandelplek. Je loopt beschut door de muren, met telkens weer een ander uitzicht door de openingen. Het ene moment kijk je naar daken en stenen gevels, even later naar de heuvels en de vallei rondom het dorp. Het leuke is dat sommige doorgangen op verschillende niveaus liggen. Daardoor krijg je niet zomaar één rondgang, maar een klein netwerk van gangen, trappen en doorkijkjes.

Vanaf Piazza della Libertà krijg je bovendien een mooi zicht op de Valle dell’Esino, de vallei die onlosmakelijk verbonden is met Verdicchio. Je hoeft geen uren uit te trekken voor Serra San Quirico. Het is vooral een plek die mooi in een dagtrip past: even rondwandelen, de copertelle meepikken, naar de vallei kijken en daarna weer verder.

Cupramontana en Poggio Cupro: midden in Verdicchioland

Het mooie zicht op de Valle dell’Esino ruilen we in voor een plek midden in het hart van Verdicchio dei Castelli di Jesi. Als wijnliefhebber zijn er hier een paar stops die je niet mag missen. Cupramontana is er daar alvast eentje van. Het wordt gezien als de hoofdstad van Verdicchio en dat merk je al vlug. Het dorp, de heuvels, de kronkelende wegen en de rijen wijnstokken lopen mooi in elkaar over.

Parkeren doe je makkelijk langs Viale Vittoria. Van daaruit krijg je meteen een mooi uitzicht richting de Apennijnen en, bij helder weer, zelfs richting zee. Dat is typisch voor dit stuk Marche. Je staat in een wijndorp, kijkt naar de bergen en merkt tegelijk dat de Adriatische kust nooit echt ver weg is.

Je zoektocht naar een goed glas kan je best aanvatten vanuit het centrale plein. Als je goed oplet, zie je er op de grond nog de lijnen die aangeven waar vroeger huizen en steegjes stonden. Tot in de vorige eeuw was dit plein immers nog volgebouwd. Vandaag is het een open plek waar feesten, ontmoetingen en het dagelijkse dorpsleven samenkomen. Ook het rode bankje op het plein valt op. Het werd geplaatst op 8 maart, tijdens La Festa della Donna, als duidelijk signaal tegen geweld op vrouwen.

In Cupramontana moet je natuurlijk ook iets met Verdicchio doen. Daarvoor is EnoCupra de meest logische plek. In deze enoteca komen de wijnen van lokale producenten samen en kan je gericht proeven hoe Verdicchio uit Cupramontana smaakt. Als aperitivo is dit ideaal.

Wil je er lunchen, dan zou ik eerder richting Da Fiorina kijken. Deze trattoria ligt net buiten Cupramontana en maakt deel uit van het wijndomein Sparapani Frati Bianchi. Trattoria Anita is een goed alternatief voor wie gewoon zin heeft in een eenvoudige, lokale maaltijd in het dorp.

Vlak bij Cupramontana ligt Poggio Cupro, eigenlijk het kleine zusje van het dorp. Je betreedt het via een oude stadspoort en komt meteen terecht in een compacte wirwar van steegjes, muren en stille hoekjes. Poggio Cupro was ooit een versterkte kern en dat voel je nog altijd. Een bezoek neemt hooguit een kwartiertje van je tijd in, maar is wel een echte aanrader.

Staffolo: het balkon van de Vallesina

Het is logisch dat je na Cupramontana ook halt houdt in Staffolo en nadien nog Jesi zelf. Staffolo zou ik vooral aanraden als wijn je interessepunt is. Het is één van de castelli waarnaar het wijngebied is genoemd. Het dorp ligt op ongeveer 400 meter hoogte boven de Esino vallei en wordt niet toevallig het balkon van de Vallesina genoemd. Hoewel de ligging prachtig is, met dat typische heuvelachtige en golvende landschap, overgoten met wijngaarden, is de enoteca van het dorp voor mij de enige echte reden om hier halt te houden.

Vineritage, zoals de enoteca heet, is tegelijk ook een wijnmuseum. Je vindt er oude wijnwerktuigen, persen en allerlei andere vintage spullen die eigen zijn aan zo’n plek. Je ruikt er de geschiedenis van Verdicchio voor je ze nadien ook effectief in het glas krijgt. Want uiteraard kan je er ook proeven van de diversiteit van de wijnen uit de omgeving van Jesi.

Nice to know en een extra troef als je er in de juiste periode bent: in augustus wordt hier ook de Festa del Verdicchio georganiseerd, met proeverijen, muziek en ontmoetingen rond de wijn die Staffolo mee op de kaart heeft gezet. Wij waren er in juli en hebben dit dus niet kunnen meepikken. Anders stonden we daar zeker op de eerste rij. Met een glas in de hand, dat spreekt voor zich.

Jesi: de stad achter de Verdicchio

Jesi een hidden gem noemen is waarschijnlijk wat overdreven, maar als we op verkenning zijn in Verdicchioland, dan mag een bezoek aan deze stad absoluut niet ontbreken. Wel opmerkelijk is dat Jesi zelf niet één van de castelli is waarnaar het gebied is genoemd. Nu, eerlijk is eerlijk, Marche doorkruisen en Jesi links laten liggen is zonde, want de stad heeft heel wat te bieden en het is er eenvoudigweg aangenaam vertoeven.

De stad ligt op de linkeroever van de Esino en is bijzonder handig gelegen. Je zit hier tussen binnenland en kust, tussen de heuvels van Verdicchio en de richting Ancona, Senigallia of Fabriano. Je hoeft hier geen halve dag in musea te verdwijnen om de stad te waarderen. Gewoon te voet het historische centrum in, dat zal je zonder enige twijfel waarderen.

Jesi heeft nog een groot deel van haar middeleeuwse stadsmuren bewaard en dat geeft de stad meteen karakter. Binnen die muren krijg je een compact centrum met pleinen, palazzi, poorten en straatjes. Op zich heb je zelfs geen plan nodig om op ontdekking te gaan. Piazza Federico II is misschien het ideale vertrekpunt. Volgens de overlevering werd keizer Federico II hier in 1194 geboren. Gezien het belang van deze man geeft dat Jesi toch wat extra uitstraling.

Ook Piazza della Repubblica mag je niet overslaan. Het is de ideale plek om je op een terrasje te nestelen en de mensen die passeren gade te slaan. Aan te raden is om dit na 16 uur te doen, wanneer de zon wat naar de achtergrond verdwijnt en de lokale bevolking als mieren uit de grond tevoorschijn komt.

Voor wie graag wat meer wandelt, zijn de oude muren en de toegangspoorten misschien het fijnste deel van de stad. Je krijgt onderweg mooie doorkijkjes en voelt hoe Jesi vroeger als versterkte kern boven de vallei lag. Porta Valle en de omgeving rond de muren geven de stad dat beetje extra stevigheid.

Morro d’Alba: klein dorp, grote geur

Vanuit Jesi kan je perfect verder richting Morro d’Alba. Het dorp ligt op een heuvel, op korte afstand van de Adriatische kust, en is nog altijd mooi omsloten door zijn oude muren. Dit is een behapbare stop, maar wel eentje met karakter, met smalle straatjes, bakstenen gevels en kleine pleinen.

Het leukste aan Morro d’Alba is de wandeling over en langs de oude omwalling. De zogenaamde Scarpa is een overdekte rondgang die het dorp een heel eigen gezicht geeft. Je loopt er beschut rond de oude kern, met aan de ene kant het dorp en aan de andere kant het landschap. In een kwartier ben je in principe al rond.

Toch is Morro d’Alba vooral bekend door zijn wijn. Lacrima di Morro d’Alba is een van die wijnen die je blind bijna meteen herkent. De geur is uitbundig, met rozen, viooltjes, rood fruit, kruiden en soms iets dat bijna aan druivensap doet denken, maar dan met meer sérieux. Ik ga hier nog niet te veel palaveren over deze wijn, want in een later artikel zullen we er uitgebreider op terugkomen. Toch nog even dit: ook al is Morro d’Alba bekend om zijn rode Lacrima, het is tegelijk ook één van de Castelli di Jesi. Verdicchio zal je hier dus ook nog vinden.

Naast gewone wijn kom je hier ook vino di visciola tegen, een zoete wijnachtige drank op basis van rode wijn en zure kersen. Ideaal voor wie na de maaltijd nog iets kleins in het glas wil.

Wij hebben Morro d’Alba enkele keren bezocht tijdens ons verblijf omdat het, al is dat relatief in Marche, niet zo ver van ons logeeradres lag en we er een zeer aangenaam restaurantje hadden ontdekt. Osteria DeGustibus kunnen we iedereen zonder probleem aanraden. Dit restaurant ligt in het dorp zelf, in Via Roma, en past mooi bij wat de lokale keuken te bieden heeft. Er wordt mooi gewerkt met seizoensproducten en reserveren is zeer aan te raden.

Corinaldo: muren, trappen en een put vol verhalen

Voor een bezoek aan Corinaldo maakten we graag de nodige tijd. Ik had gelezen dat een bezoek aan dit dorp de moeite zou zijn, en dus was het koste wat kost dit dorp zou bezocht worden. Geen seconde heb ik het me beklaagd! Het ligt strategisch tussen Urbino en Ancona en is vooral bekend om zijn bijna volledig bewaarde middeleeuwse muren, waarover je een volledige wandeling kan maken. Goed voor 912 meter rond het dorp. Een bonus: bij helder weer kijk je zelfs tot aan Monte Conero.

Binnen die stevige muren krijg je een bijzonder charmant dorp. Het kloppend hart is La Piaggia, een brede trappartij van honderd treden, met rode bakstenen huizen die er mooi tegenaan liggen. Als je ervoor staat denk je bij jezelf: mmm, ga ik die trappen wel oplopen? Doen is mijn enige advies.

Halverwege La Piaggia hou je eigenlijk verplicht halt bij Il Pozzo della Polenta, de waterput waaraan een hele legende vasthangt. Volgens die legende kwam een man met een zware zak graan het dorp binnen. Bij de put zette hij de zak even neer om op adem te komen, maar die tuimelde naar beneden. Toen hij probeerde het graan te redden, belandde hij zelf ook in de put. Niet veel later ging het verhaal rond dat hij daar beneden rustig polenta zat te eten, gemaakt van het gevallen graan en het water uit de put. Vandaar dus Il Pozzo della Polenta.

Dit verhaal is vandaag nog steeds springlevend tijdens La Contesa del Pozzo della Polenta, een historisch feest dat op de derde zondag van juli wordt gevierd. Dan komt het verhaal opnieuw tot leven met kostuums, optochten en natuurlijk polenta.

Verder dwaal je door het rustige dorpje. Links en rechts is er altijd wel een terrasje waar je even kan neerploffen of waar je bijna een dutje kan doen, dromend van het moment dat je zelf in de waterput tuimelt met een zak graan.

Tot slot een culinaire ‘hidden gem’

Het was pas op het einde van onze reis dat we deze culinaire parel ontdekten. Ik heb even gefoeterd dat dit niet vroeger was gebeurd, want Taverna degli Archi in Belvedere Ostrense is exact wat ik zoek telkens ik in Italië ben. Een kleine osteria waar de sfeer heerlijk ongedwongen is en waar het duimen en vingers aflikken is.

Om mijn schade in te halen zijn we er liefst drie dagen op rij gaan eten. Ik kan jullie maar één ding meegeven: je bent een grote stommeling als je deze plek links laat liggen. Verwacht geen chique bedoening. Het zoontje fietst er met zijn speelgoedfietsje tussen de tafels, dat zal hij vandaag wel ontgroeid zijn, en je wordt er met een brede glimlach ontvangen.

Antonio Ciotola en Manola Mariani staan er aan het roer en hier wordt gewoonweg uitstekend gekookt. Met verve de beste carbonara ever gegeten, een tagliata di manzo tot in de perfectie en de grootste wijnen, zoals bijvoorbeeld Gaja of Tignanello, staan er, zoals wel vaker in Italië, net iets te warm in houten kistjes tegen de muur. De zever drupt uit mijn mond als ik eraan terugdenk.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en kustplaatsen met karakter