Nomacorc en de evolutie van de wijnafsluiting

Wie de wijnwereld een beetje volgt, is de naam Nomacorc vast al eens tegengekomen. Het klinkt modern, misschien zelfs wat industrieel, maar het verhaal erachter is verrassend herkenbaar. Het draait om een oude vraag met grote gevolgen: hoe sluit je een fles wijn zo af dat de inhoud zich optimaal kan ontwikkelen, zonder onaangename verrassingen.

Eeuwenlang was natuurlijke kurk de vanzelfsprekende keuze. De bast van de kurkeik, vooral afkomstig uit Zuid Europa, combineert elasticiteit met een lichte zuurstofdoorlaatbaarheid. Net dat maakte rijping op fles mogelijk en gaf kurk zijn bijna mythische status. Tegelijk blijft het een natuurproduct, met variatie van fles tot fles en een klein maar hardnekkig risico op kurksmaak.

Die onzekerheid heeft het debat over wijnafsluitingen de voorbije jaren aangewakkerd. Schroefdoppen winnen terrein omwille van hun gebruiksgemak en perfecte afsluiting. Maar ook daar klinken kanttekeningen, vooral over reductie en bewaarpotentieel.

Tussen traditie en absolute afsluiting ontstond ruimte voor een derde weg. Technisch verfijnde synthetische afsluitingen die mikken op controle, voorspelbaarheid en het vermijden van defecten, zonder het karakter van wijn te verstikken. In dat spanningsveld groeide Nomacorc uit van alternatief tot vaste waarde.

Wat is een Nomacorc afsluiting?

Nomacorc is een synthetische wijnafsluiting die werd ontwikkeld om de beperkingen van natuurlijke kurk te vermijden. Het is geen eenvoudige plastic stop, maar een technisch ontworpen afsluiting waarbij de eigenschappen vooraf vastliggen. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek.

Voor de wijn betekent dat vooral voorspelbaarheid. Nomacorc kan geen kurktoets veroorzaken en laat toe om de zuurstofdoorlaatbaarheid nauwkeurig af te stemmen op wijnstijl en bewaarpotentieel. Daardoor evolueert de wijn na botteling zoals bedoeld, zonder grote verschillen van fles tot fles.

In tegenstelling tot natuurlijke kurk, waarvan de interne structuur varieert, en tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, positioneert Nomacorc zich als een gecontroleerde tussenoplossing. Niet gebaseerd op toeval of absolute afsluiting, maar op beheersing van een cruciale factor in flesrijping.

Vanwaar komt dit en hoe is het ontstaan?

Het verhaal van Nomacorc begint aan een eettafel in België. Gert Noël, ondernemer en fervent wijnliefhebber, opende samen met zijn zoon Marc meerdere flessen die aangetast bleken door kurktoets. Die frustratie was herkenbaar voor elke wijnliefhebber, maar bij hen bleef het niet bij een zucht en een nieuwe fles.

De familie Noël beschikte over meer dan veertig jaar ervaring in extrusietechnologie voor synthetische materialen. In plaats van het probleem te aanvaarden, besloten ze hun technische kennis toe te passen op een zeer concrete wijnbouwkundige vraag. In 1993 startte het ontwikkelingsproject. Eind jaren negentig was de eerste Nomacorc commercieel beschikbaar.

De verdere ontwikkeling en industriële uitbouw vonden plaats in de Verenigde Staten, meer bepaald in North Carolina. Daar groeide Nomacorc in de jaren negentig uit tot een volwaardig product, met één duidelijke ambitie. Een afsluiting creëren die eruitziet en functioneert als kurk, maar zonder de risico’s van natuurlijke variatie en TCA.

Wat wijnproducenten wereldwijd meteen overtuigde, was de eenvoud van het concept. Geen kurktoets, geen onvoorspelbare flesverschillen, geen onaangename verrassingen bij het openen. Dat bleek een antwoord op een structureel probleem in de wijnsector.

Vandaag maakt Nomacorc deel uit van de Vinventions groep, die verschillende afsluitingsoplossingen voor de wijnsector verenigt. Binnen die groep blijft Nomacorc het referentiemerk voor synthetische afsluitingen met gecontroleerd zuurstofbeheer.

Techniek achter de afsluiting

Het onderscheidende karakter van Nomacorc ligt in de productietechniek en de mate van controle die die techniek mogelijk maakt. De afsluiting wordt gemaakt via een gepatenteerd co extrusieproces, waarbij twee materialen gelijktijdig worden gevormd en samengebracht tot één geheel. Concreet bestaat elke Nomacorc uit twee perfect op elkaar afgestemde delen. In het midden zit een kern van schuim met een uniforme celstructuur, daaromheen een soepele buitenlaag die zorgt voor een betrouwbare afdichting in de flessenhals.

Waar natuurlijke kurk afhankelijk is van groeiringen, lenticellen en toevallige dichtheidsverschillen, is de zuurstoftransmissie bij Nomacorc exact vastgelegd. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek. Dat maakt een wezenlijk verschil voor wijnmakers. Zuurstof bepaalt immers in sterke mate hoe een wijn zich ontwikkelt op fles. Te veel zuurstof kan leiden tot oxidatie, te weinig kan reductieve aroma’s in de hand werken.

Nomacorc speelt hierop in met verschillende types afsluitingen, elk met een specifiek zuurstofprofiel. Sommige laten in de eerste fase iets meer zuurstof toe en stabiliseren daarna, wat interessant is voor wijnen die jong gedronken worden maar toch wat ademruimte nodig hebben. Andere zijn strenger en constanter, geschikt voor wijnen waarbij frisheid en precisie primeren. In tegenstelling tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, biedt Nomacorc dus een gecontroleerde interactie tussen wijn en zuurstof. En in tegenstelling tot natuurlijke kurk is die interactie voorspelbaar en vrij van TCA.

Een minder zichtbaar maar essentieel onderdeel is de kwaliteitscontrole. Nomacorc test niet enkel grondstoffen en afgewerkte afsluitingen, maar ook wijnen die ermee zijn gebotteld. In speciaal ingerichte sensorische laboratoria wordt bewaakt dat de afsluitingen volledig neutraal zijn en geen invloed hebben op geur of smaak. Zelfs transport, opslag en handling van materialen worden opgevolgd om elke mogelijke contaminatie uit te sluiten.

Het productieproces zelf verloopt continu en niet in afzonderlijke batches. Grondstoffen worden gemengd, gesmolten en onder druk in vorm gebracht tot een lange schuimcilinder die de kern vormt. In een tweede stap wordt de flexibele buitenlaag aangebracht en thermisch verbonden met die kern. Na afkoeling worden de afsluitingen met grote precisie op lengte gesneden. Lasers controleren vorm en afmetingen, afwijkingen worden meteen geweerd. Het resultaat is een afsluiting die keer op keer hetzelfde presteert.

Bio door rietsuiker

De huidige generatie Nomacorc afsluitingen wordt vervaardigd uit biopolymeren op basis van suikerriet. Die keuze vervangt aardolie als grondstof en maakt de afsluitingen biobased, CO₂ neutraal over hun levenscyclus volgens de gangbare berekeningsmodellen.

Door efficiënter materiaalgebruik en optimalisatie van het productieproces werd de ecologische voetafdruk van de afsluitingen met ongeveer vijfentwintig procent verminderd. Dat sluit aan bij een wijnsector waarin duurzaamheid steeds vaker een meetbaar criterium wordt, niet alleen een intentie.

Ook na gebruik blijft de keten gesloten. Wereldwijd werden inmiddels meer dan vier miljard gebruikte afsluitingen ingezameld voor recyclage, goed voor tienduizenden tonnen materiaal. In grote wijnlanden, zoals Frankrijk, gebeurt dit via grootschalige inzamelacties waarbij miljoenen mensen betrokken zijn, vaak gekoppeld aan sociale initiatieven.

Van alternatief naar standaard

Wat ooit begon als een oplossing voor een hardnekkig probleem, is vandaag uitgegroeid tot een vaste waarde. Nomacorc is inmiddels de grootste producent van synthetische wijnsluitingen ter wereld. Jaarlijks worden meer dan twee miljard afsluitingen geproduceerd, verspreid over productiesites in België, de Verenigde Staten, China en Argentinië. In de Verenigde Staten wordt ondertussen meer dan een derde van alle wijnen met Nomacorc afgesloten, en ook in Europa blijft het aandeel gestaag groeien.

Die opmars laat zich eenvoudig verklaren. Wijnmakers zoeken vooral zekerheid. Minder flessenverlies, meer consistentie tussen flessen en controle over hoe een wijn zich ontwikkelt na botteling. Wereldwijd gaan naar schatting dagelijks bijna een miljoen flessen verloren door defecte afsluitingen. Dat is economisch moeilijk te verantwoorden, ecologisch problematisch en voor producent én consument bijzonder frustrerend.

Ook de marktcontext speelt mee. Horeca wil geen discussies aan tafel over kurktoets bij een dure fles, consumenten zijn gevoeliger geworden voor duurzaamheid en producenten willen vermijden dat hun wijn door toeval wordt beoordeeld in plaats van op kwaliteit. In dat spanningsveld biedt Nomacorc een praktisch antwoord dat weinig aandacht vraagt en net daardoor gewaardeerd wordt.

Vandaag wordt Nomacorc gebruikt door zeven van de tien grootste wijnbedrijven in Frankrijk, Duitsland en Italië, en door dertig van de veertig grootste wijnproducenten wereldwijd. In Frankrijk en Duitsland gaat het om ongeveer één fles op vijf. Dat zijn cijfers die tonen dat de afsluiting niet langer als alternatief wordt gezien, maar als een volwaardig onderdeel van het standaardarsenaal.

Opvallend is dat gebruikers vaak dezelfde ervaring delen. Minder retourflessen, geen klachten over de afsluiting en wijnen die zich stabiel ontwikkelen. Producenten die het gebruik al jaren toepassen laten eensgezind positieve geluiden horen. Sinds de overstap kwam de afsluiting nooit meer ter sprake, terwijl oudere flessen fris bleven, met intact fruit en soepele tannine, zonder oxidatieve of reductieve afwijkingen.

Zo verschuift Nomacorc langzaam maar duidelijk van een technische keuze naar een vanzelfsprekendheid.

Zijn er dan geen kanttekeningen bij Nomacorc?

Voor een correct en geloofwaardig beeld hoort ook nuance bij het verhaal. Ondanks de technische vooruitgang en brede toepassing bestaan er duidelijke kanttekeningen bij Nomacorc, en die zijn niet louter theoretisch.

Een eerste punt blijft het rijpingspotentieel. Vooral bij iconische bewaarklassiekers leeft de vraag of synthetische afsluitingen zich al over meerdere decennia voldoende hebben bewezen. Die terughoudendheid is deels technisch, maar zeker ook cultureel. In segmenten waar lange flesrijping en verzamelwaarde centraal staan, blijft natuurlijke kurk vaak de referentie, los van rationele argumenten.

Daarnaast speelt het hardnekkige stigma van plastic. Ondanks het biobased karakter van de huidige generaties blijft voor sommige consumenten en producenten een synthetische afsluiting botsen met het idee van authenticiteit en ambacht. Dat is minder een kwestie van prestaties dan van perceptie, maar in de wijnwereld is perceptie zelden een detail.

Ook vraagt Nomacorc meer precisie van de wijnmaker. Door de uniforme zuurstoftransmissie is de afsluiting weinig vergevingsgezind. De wijn ontwikkelt zich exact zoals hij werd gebotteld. Eventuele onevenwichten in vinificatie of stabiliteit worden niet gemaskeerd door flesvariatie, maar consequent doorgetrokken. Voor sommigen is dat een voordeel, voor anderen een risico.

Tot slot speelt het verleden mee. Oudere generaties synthetische kurken kenden inderdaad problemen met oxidatie, uitdroging of afdichting. Hoewel die producten technisch niet te vergelijken zijn met de huidige Nomacorc afsluitingen, blijven zulke ervaringen lang nazinderen in een sector die traag vergeet.

Een afsluiting als bewuste keuze

De discussie over wijnafsluitingen is de voorbije jaren veranderd. Waar het vroeger ging over voor of tegen, natuur of techniek, draait het vandaag steeds vaker om context en intentie. De vraag is niet langer welke afsluiting de beste is, maar welke het meest coherent is met de stijl van de wijn en de verwachtingen van de markt.

Natuurlijke kurk behoudt daarbij zijn plaats. Voor wijnen met een uitgesproken bewaardoel en een sterke emotionele lading blijft hij cultureel verankerd. Schroefdoppen blijven voor veel producenten een efficiënte en praktische keuze, wat landen als Oostenrijk en Australië al jaren aantonen. Tegelijk hebben technische en synthetische afsluitingen hun rol opgeëist.

De flessenhals is daarmee geen ideologisch strijdtoneel meer, maar een plek waar keuzes worden gemaakt zoals elders in de wijnbouw, rationeel en op basis van stijl, context en intentie. De wijnwereld blijft gevoelig voor symboliek, maar ze is tegelijk pragmatisch genoeg om oplossingen te omarmen die werken.

Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago

🍷 Inleiding – Lambrusco: van verguisd naar verfijnd

Wat is dat toch met Lambrusco de laatste tijd?
Plots hoor je overal nieuwe geluiden over deze ooit zo verguisde wijn. De naam duikt weer op in wijnbars, op kaarten van Italiaanse trattoria’s en zelfs in gesprekken tussen sommeliers. En dat terwijl ik Lambrusco zelf jarenlang heb afgedaan als “pompbakwijn”, de “Coca-Cola onder de Italiaanse bubbels”. Een zoete, roodschuimende wijn die vooral de Amerikaanse fastfoodcultuur bediende. Tot voor kort had ik er geen goed woord voor over.

Tot die ene dag.
Tijdens mijn opleiding tot Italian Wine Ambassador verzorgde Master of Wine Gabriele Gorelli de allereerste masterclass van de cursus. Onderwerp: Lambrusco. Mijn verwachtingsniveau? Lager dan laag.
Maar nog voor Gorelli aan zijn tweede zin toe was, voelde ik mijn houding kantelen. Zijn bevlogenheid, zijn kennis, maar vooral het verhaal achter deze wijn trokken me recht uit mijn scepsis. Lambrusco bleek geen grap, geen relikwie uit de jaren ’80, maar een levende, complexe wijnfamilie met diepe wortels in de Italiaanse geschiedenis.

Wist je dat Lambrusco waarschijnlijk één van de oudste druivenrassen van Italië is, met een oorsprong als wilde wijnstok? En dat er niet één Lambrusco bestaat, maar twaalf verschillende variëteiten. Elk met hun eigen karakter, terroir en stijl? Tijdens de proeverij die volgde, proefde ik geen zoet plakkerig drankje, maar frisse, droge, verfijnde wijnen. Apart en niet alledaags, zeker, maar het contrast met mijn vooroordelen kon niet groter zijn.

Dat moment werkte als een vonk.
Sindsdien werd ik genoeg getriggerd om mezelf ertoe te zetten me te verdiepen in de wijn die ik nooit wist te appreciëren, en eindelijk te begrijpen waarom hij het verdient om herontdekt te worden.

Daarom deze nieuwe zondagse reeks ‘Lambrusco op zondag – tien weken lang schaven aan het imago’: een ontdekkingsreis langs de geschiedenis, druiven, regio’s en smaken van Lambrusco.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Wat is Lambrusco?
    We trappen af met de comeback van een vergeten icoon. Hoe een wijn die ooit synoniem stond voor zoetigheid en eenvoud vandaag opnieuw respect afdwingt.
  2. Van wilde wijnstok tot klassieker
    De geschiedenis van Lambrusco: van Romeinse tijden tot hedendaagse heropleving. Hoe een wilde druif evolueerde tot één van Italië’s oudste wijnfamilies.
  3. Waar groeit Lambrusco?
    We trekken naar Emilia-Romagna en Mantova, waar de wijn zijn ziel vindt in vruchtbare bodems, zachte heuvels en een uitgesproken eet- en wijncultuur.
  4. Hoe wordt Lambrusco gemaakt?
    Van Charmat tot Classico en Ancestrale: de verschillende vinificatiemethoden die de stijl, structuur en verfijning van Lambrusco bepalen.
  5. De Lambrusco-familie
    Een fascinerende stamboom van twaalf belangrijke variëteiten — met een hoofdrol voor Sorbara, Salamino en Grasparossa.
  6. Sorbara & Lambrusco di Sorbara DOC
    De elegante, florale expressie van Lambrusco. Licht, levendig en verrassend verfijnd.
  7. Salamino & Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC
    De fruitige, evenwichtige middenstijl: soepel, charmant en veelzijdig aan tafel.
  8. Grasparossa & Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    De krachtigste van het trio: donker, intens en vol karakter.
  9. Meer dan de grote drie
    We ontdekken de overige appellaties, van Reggiano tot Modena, die het brede smaakpalet van Lambrusco vervolledigen.
  10. Lambrusco aan tafel
    Waarom Lambrusco zo’n uitzonderlijke gastronomische begeleider is — en hoe hij gerechten tot leven brengt.
  11. Bonus: Masterclass Lambrusco
    Een afsluitende proefsessie met 8 tot 10 wijnen, waarin we alles samenbrengen wat we onderweg hebben geleerd.

Deze reeks is er voor nieuwsgierige wijnliefhebbers, ontdekkers en fijnproevers die hun blik willen verruimen. Elke zondag schenken we je een nieuw hoofdstuk over Lambrusco: boeiend, verdiepend en vooral verfrissend anders.
Tijd om deze sprankelende Italiaan opnieuw op het schavot te plaatsen, en hem te proeven zoals hij echt bedoeld is.

🍷 The Golden Hectare of Barolo — How Capital Is Redrawing Barolo’s Future

When I’m in the car, I almost always have a wine podcast playing. This drive was no exception. With the seatbelt fastened and the road unwinding ahead, I listened as James McNay, my friend and fellow Italian Wine Ambassador, guided the conversation on Ambassador’s Corner for the Italian Wine Podcast.
His guest was Attilio Pecchenino.

The exchange was pleasantly familiar. Terroir, tradition, Nebbiolo, Barolo as it is supposed to be discussed. I was listening closely, almost on autopilot, until James asked a question that shifted the entire frame of the conversation.

“Attilio, what is a hectare of Barolo vineyard worth today?”

Attilio said that in 2009 he had bought a parcel in the Bussia cru for around €300,000 per hectare.
Today, he replied without a pause, it is closer to €3,000,000 per hectare.

Three million euros.
For a single hectare.

In that moment, it became unmistakably clear that this story is not only about wine. It is no longer confined to grapes, vinification, or vintages. It is about capital, structural scarcity, and the defining question of the next era in the Langhe. Who will still be able to make Barolo, and on what terms?

📈 Why Barolo Vineyard Land Has Become a Luxury Asset

That Barolo vineyard land now costs a fortune is no coincidence, and certainly not a passing phase. It is the result of three forces that have been moving together for years: structural scarcity, tight regulation, and a level of demand that simply holds.

To begin with, Barolo is geographically small. The appellation covers only a limited run of hills across eleven communes, and there is very little room to expand. On top of that, new plantings are tightly controlled at European level. Through the planting authorisation system, annual vineyard growth is effectively capped at around one percent. In a zone where almost every suitable slope was planted decades ago, that means something very practical. Almost no new land is added to the Barolo equation.

And yet the world’s appetite for Barolo has not eased. Year after year, production remains broadly in the same range, often estimated at around thirteen million bottles, while Barolo has only strengthened its place on international wine lists and in collectors’ cellars. It has long since broken free of the “classic Italian red” category. Today it is treated as a global reference, spoken of in the same context as great Burgundy or top Napa.

What is striking is that this prestige has not translated into an equivalent surge in the wine’s underlying producer-side value. The price per hectolitre of Barolo, a useful proxy for the wine’s value at origin, has remained remarkably steady in recent years, hovering around €900 to €1,000. For investors, that matters. It suggests a market that is not only prestigious, but also predictable.

Then there is Barolo’s own brand power. When someone buys a Barolo parcel today, they are still investing in a product, wine made from grapes grown on a specific slope. At the same time, they are buying into an international reputation built on origin, prestige, and historical depth. In that context, each hectare works like a lever. Limited supply, structural scarcity, and global reputation keep reinforcing one another. The outcome is hard to avoid. Land prices are not rising because farming suddenly became more expensive. They are rising because Barolo itself has become an exceptional and highly coveted possession.

🔎 What Does It Cost Today?

Translate that dynamic into real numbers and you quickly arrive at the different crus. Not every hectare of Barolo is priced the same. Location, reputation, and scarcity are decisive. Conversations with producers and recent market analysis suggest the gaps are now substantial.

Indicative market values for Barolo vineyard land (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2.5–3.0 million per hectare
    A blue-chip site with iconic producers; the reference point for Monforte.
  • Cannubi (Barolo commune): €2.0–2.5 million per hectare
    Historic cru, referenced as early as 1752; a powerful name with slightly broader availability.
  • Ravera (Novello): €1.2–1.8 million per hectare
    Rapidly rising in esteem; attractive to newer investors.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2.0–3.0 million per hectare
    Extremely limited supply; discreet transactions can exceed these levels.

Sources: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews with producers.

💼 Case Study: Vietti

“A brand can survive, but a wine style is alive.”

I still remember clearly how I used to drink Vietti. Their Rocche di Castiglione was, for me, the textbook example of what Barolo can be. Complex, refined, and at the same time unmistakably rooted in its place. These were wines with tension and personality, wines that seemed to hold a line between polish and stubbornness.

So when it became public in 2016 that Vietti had been sold to the Krause Group from Iowa, it landed like a shockwave in Barolo. It was one of the first times a historic Barolo estate, built and financed over generations within a family, passed entirely into foreign hands. On paper, everything looked reassuring. The winemaking team stayed. Mario Cordero, who had long been responsible for vinification, remained in place.

And yet wine is rarely only the sum of technique.

In the years after the takeover, I began to notice a shift in the glass. The wines were still undeniably good. Technically precise, clean, consistent. But for my taste, they felt different. Less inner tension, less personality. More polished, smoother, more obviously “correct”. As if some of the wine’s friction had been traded for international readability. It was still Barolo, but it felt less insistently Barolo.

That impression took on a human face at Vinitaly 2025. There I met Caterina Cordero, the family’s daughter, who now runs Cordero San Giorgio in Oltrepò Pavese with her brothers. She spoke openly about the changes at Vietti, about how much she missed Barolo, and about her hope of one day being active in the Langhe again. Not with bitterness, but with a visible sense of longing.

She did not come across as someone who had “lost a project”. She came across as someone who missed a place. And that is precisely why this case matters. Behind an acquisition there is never only brand strategy or investment logic. There is also a sense of style, a family history, and a way of working that does not always travel cleanly from one context to another. Even when the winemaker remains the same, the wine can change when the world around it changes.

🍇 Consequences in the Vineyard

The list of buyers in Barolo has become surprisingly diverse. Alongside the familiar family names, rooted in these hills for generations, new players are showing up more and more often. Luxury groups, private equity, even international hospitality companies are looking at Barolo as a safe and prestigious place to put their money. That flow of capital is not automatically a bad thing, but it does change the region’s rhythm.

You see it most clearly in ownership. For families who have worked the same steep slopes for decades, today’s land prices are becoming harder and harder to square with succession. When a hectare is worth millions, the estate does not only gain status. The financial pressure around handover rises as well. Inheritance tax is calculated on market value, while the cash in a wine business is often limited. The wealth sits in the vineyard, not in the bank. Add the reality of having to buy out brothers or sisters who are not active in the domaine, and the sums quickly become too heavy, even for healthy estates. Banks look at cash flow, not at heritage.

In that context, selling becomes less of a choice and more of a necessity. Not because families want to stop, but because the numbers start pushing them there. For young winemakers, the same prices create a near-impossible barrier. Barolo becomes less a place you can grow into step by step, and more a place you can only enter if serious capital is already behind you.

With new ownership also comes a shift in how winemaking is approached. In family estates, the vineyard is usually the starting point, with decisions shaped by experience, intuition, and pride in the land. In larger structures, the focus more often moves toward efficiency and control. Money goes into modern cellars, precision tools, hospitality, and international marketing. That can raise standards and professionalise the region, but it also changes what gets valued most. Winemaking becomes part of a broader business model, where consistency and scale can matter more than a personal touch.

And that has consequences for how Barolo is made today. Terroir does not disappear, but it starts playing a different role inside a tighter economic frame. The question hanging over these vineyards is not whether Barolo will lose quality. The real question is how much room will remain for identity, for interpretation, and for the kind of individual voice that made so many of us fall in love with Barolo in the first place.

👃 What Does This Mean for What’s in the Glass?

For the drinker, these changes show up first on the label. In Barolo, origin is carrying more and more weight, and you see that in the rise of the Menzioni Geografiche Aggiuntive, the MGAs. Producers increasingly choose to state exactly which cru, or even which parcel, their grapes come from. Not only out of pride or conviction, but because that kind of precision now has real value. A name like Bussia, Cannubi, or Vigna Rionda is no longer just a place on a map. It has become a clear signal in the market.

That evolution mirrors the jump in vineyard prices almost directly. As hectares become rarer and more expensive, the urge to show that value openly grows stronger. MGAs are more and more used as price anchors. They help justify higher bottle prices and they create a hierarchy inside an appellation that many people used to think of as one whole. Barolo becomes less of a single category and more of a layered landscape, where origin, reputation, and scarcity keep feeding each other.

But it does not stop at the label or the price list. It reaches into how terroir is talked about, and sometimes into how it is handled. Terroir once meant accepting the limits and the character of a specific slope. Today there is a risk that it turns into a story that needs to be easy to sell. Origin still matters, but more and more for what it adds commercially. Variation, risk, and vintage moodiness, things that used to be part of proud winemaking, can give way to consistency, predictability, and a style that reads well internationally. Anything that falls outside that frame gets smoothed out.

In the end, you can taste that shift. Many wines become more correct, cleaner, technically spotless. Yet some lose a bit of their tension and their edge. Not because they are made with less skill, but because the focus changes. The wine no longer has to speak first and foremost about where it comes from, as long as it remains recognisable and sellable within an international fine-wine language.

That is why Barolo now finds itself in a delicate place between return and identity. The challenge is not quality, that part is not in doubt. The challenge is meaning. Because when origin becomes only a marketing tool, rather than a guide for decisions in the vineyard and cellar, the soul of winemaking can slowly start to fade into the background.

🔮 Where Barolo Goes Next

The question of where Barolo is heading is not theoretical. You can feel it today in the vineyards, in the cellar, and in the market. One possible future is already easy to imagine, and it is the one many people quietly fear. Barolo becomes even more exclusive. In that scenario, it follows the road Burgundy has been on for years. The best crus become rarer and more expensive, prices keep climbing, and the bottles slowly drift out of the everyday reach of the lover of Barolo. Real growers will still be there, but their wines increasingly become things to collect and invest in. Barolo remains great, but it becomes harder to live with.

Another direction is scale and sameness. Larger groups take a stronger and stronger position, professionalise the region even further, and lift everything toward a consistent premium level. The wines are technically perfect, reliable, and instantly recognisable on the world stage. Barolo becomes a luxury product with a clean story and a clear place in the market. The downside is obvious. Differences between producers and between slopes become less pronounced. The risk is not that Barolo loses quality, but that it loses character.

Between those two extremes sits a third path, less obvious but perhaps the one most worth fighting for. A future where capital and character can live side by side. Where investors bring stability, resources, and infrastructure, while small producers keep their place by standing out through origin, interpretation, and personality. In that model, MGAs do not become marketing stickers. They stay what they are meant to be, a true expression of terroir. There is room for diversity, even inside a more professional and better resourced region.

Which way it goes will depend on who gets to lead the conversation. On who decides what matters more: return or interpretation, scale or nuance, sellability or meaning. Barolo’s future is not fixed by rules or market models. It will be shaped by choices made now, by investors and by winemakers alike. That tension carries both danger and hope. The hope is that Barolo can hold on to both quality and character, without giving away its soul.

📊 Barolo in Numbers (2024)

  • Growth in private investment since 2015: +70%
  • Average price of Barolo vineyard land: €1.8 to €3.0 million per hectare
  • Annual production: approximately 13 million bottles
  • Average export price: €21 per 0.75 litre bottle
    Sources cited in the original context include CREA, Gambero Rosso, the Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, and Vinous.

🕯️ Epilogue

When I stepped out of the car that day, my thoughts kept circling back to Attilio Pecchenino, to the numbers, and to the look in Caterina Cordero’s eyes.
Three million euros for a single hectare of land. But how much is a piece of history worth?

Wine has always been more than a product. It is the work of people who make choices, year after year, generation after generation. The question is whether we will still taste that story in the future, now that hectares are more and more spoken of in gold, and value threatens to outweigh meaning.

This is only one way of reading a change that touches the entire region. The conversation about Barolo’s future deserves more voices than mine alone.

For me, Barolo has always been a wine to return to. A wine to spend time with, to age, to open on the moments that matter. My hope is that it can stay that way. Not as a luxury idea, but as living wine. Even in a world where Barolo is more and more treated as a brand, and less and less as a promise.

🍷 De Gouden Hectare van Barolo – Hoe kapitaal de toekomst van Barolo hertekent

Wanneer ik in de wagen zit, staat er meestal een wijnpodcast op. Ook dit keer. Ik reed, de gordel strak om me heen, terwijl op de achtergrond James McNay, mijn vriend en mede Italian Wine Ambassador, het gesprek leidde in Ambassador’s Corner van de Italian Wine Podcast.
Zijn gast was Attilio Pecchenino.

Het gesprek kabbelde aangenaam voort. Terroir. Traditie. Druiven. Barolo zoals Barolo hoort te zijn. Ik luisterde aandachtig, bijna achteloos, tot James plots die ene vraag stelde.
Mijn adem stokte.

“Attilio, wat is vandaag een hectare Barolo-wijngaard waard?”

Attilio vertelde hoe hij in 2009 een perceel in de cru Bussia had gekocht voor ongeveer €300.000 per hectare. En vandaag?
Het antwoord kwam zonder aarzeling: €3.000.000 per hectare.

Drie miljoen euro.
Voor één hectare.

Op dat moment werd glashelder dat dit verhaal verder reikt dan wijn alleen. Dit gaat niet langer uitsluitend over druiven, vinificatie of jaargangen. Dit gaat over kapitaal, structurele schaarste en de fundamentele vraag wie Barolo in de toekomst nog kan, en zal, maken.

📈 Waarom Barolo-wijngaardgrond vandaag onbetaalbaar lijkt

Dat Barolo-wijngaardgrond vandaag een fortuin kost, is geen toeval en al zeker geen tijdelijk fenomeen. Het is het resultaat van een samenspel tussen structurele schaarste, strikte regelgeving en een vraag die al jaren standhoudt. Om te beginnen is Barolo geografisch klein. De appellatie beslaat slechts een beperkt aantal heuvels in elf gemeenten, en uitbreiding is nauwelijks mogelijk. Nieuwe aanplant wordt bovendien streng gereguleerd door de Europese Unie, die via het systeem van aanplantrechten de jaarlijkse groei van wijngaarden plafonneert op ongeveer één procent. In een regio waar bijna elke geschikte helling al decennia geleden werd aangeplant, betekent dat in de praktijk dat er nauwelijks nog grond bijkomt.

Tegelijk blijft de wereldwijde vraag naar Barolo onverminderd hoog. Jaar na jaar schommelt de productie rond hetzelfde niveau (naar schatting zo’n dertien miljoen flessen) terwijl Barolo zijn positie op internationale wijnkaarten en in verzamelkelders alleen maar verder heeft versterkt. De wijn heeft zich definitief losgemaakt van het segment van de “klassieke Italiaanse rode wijn” en wordt vandaag gezien als een mondiale referentie, vergelijkbaar met grote Bourgogne of top-Napa. Die status vertaalt zich niet in een evenredige stijging van de wijn zelf. De prijs per hectoliter Barolo, de feitelijke waarde van de wijn aan de productiekant, bleef de voorbije jaren opvallend stabiel rond de 900 à 1.000 euro. Voor investeerders is dat een cruciaal signaal. Het wijst op een markt die niet alleen prestigieus is, maar ook voorspelbaar.

Daarbovenop komt de merkwaarde van Barolo zelf. Wie vandaag een perceel Barolo koopt, investeert uiteraard nog steeds in een product: wijn, gemaakt van druiven, afkomstig van een specifieke helling. Tegelijk draagt Barolo vandaag een internationale reputatie met zich mee, gebouwd op herkomst, prestige en historische diepgang. In zo’n context werkt elke hectare als een hefboom: beperkt aanbod, structurele schaarste en wereldwijde reputatie versterken elkaar voortdurend. Het gevolg is onvermijdelijk. De prijs van de grond stijgt niet omdat wijnbouw plots duurder is geworden, maar omdat Barolo als geheel is uitgegroeid tot een uitzonderlijk en begeerd bezit.

🔎 Wat kost het vandaag?

Wie die dynamiek wil vertalen naar concrete cijfers, komt al snel uit bij de verschillende cru’s. Niet elke hectare Barolo is immers gelijk geprijsd. Ligging, reputatie en schaarste spelen een doorslaggevende rol. Gesprekken met producenten en recente marktanalyses tonen aan dat de verschillen vandaag aanzienlijk zijn.

Indicatieve marktwaardes van Barolo-wijngaardgrond (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2,5 – 3,0 miljoen per hectare
    Toplocatie met iconische producenten; referentiepunt voor Monforte.
  • Cannubi (gemeente Barolo): €2,0 – 2,5 miljoen per hectare
    Historisch cru, al vermeld in 1752; sterke naam, iets bredere beschikbaarheid.
  • Ravera (Novello): €1,2 – 1,8 miljoen per hectare
    Sterk stijgend in aanzien; aantrekkelijk voor nieuwe investeerders.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2,0 – 3,0 miljoen per hectare
    Extreem beperkt aanbod; prijzen lopen bij discrete verkopen soms hoger op.

Bronnen: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews met producenten.

💼 Case Study: Vietti

“Een merk kan blijven bestaan, maar een wijnstijl is levend.”

Ik herinner me nog goed hoe ik vroeger de wijnen van Vietti dronk. Hun Rocche di Castiglione was voor mij het schoolvoorbeeld van wat Barolo kan zijn: complex, verfijnd en tegelijk diep verankerd in zijn terroir. Dit waren wijnen met spanning en persoonlijkheid.

Toen in 2016 bekend werd dat Vietti werd verkocht aan de Amerikaanse Krause Group uit Iowa, was dat een schok voor de Barolo-streek. Het was een van de eerste keren dat een historisch Barolo-domein dat generaties lang familie-gefinancierd was, volledig in buitenlandse handen kwam. Op papier bleef de continuïteit verzekerd: het wijnmakersteam bleef ongewijzigd en Mario Cordero, die al jarenlang verantwoordelijk was voor de vinificatie, bleef aan boord.

En toch is wijn zelden louter het resultaat van techniek alleen. In de jaren na de overname begon ik in het glas een verschuiving te ervaren. De wijnen bleven onmiskenbaar goed. Technisch verzorgd, zuiver en consistent, maar voor mijn smaak ook anders. Minder interne spanning, minder eigenzinnigheid. Netter, gladder, commerciëler. Alsof de wijn een deel van zijn frictie had ingeruild voor internationale leesbaarheid. Het bleef Barolo, maar minder uitgesproken Barolo-achtig.

Die indruk kreeg een menselijk gezicht tijdens Vinitaly 2025. Daar ontmoette ik Caterina Cordero, dochter van de familie, die vandaag samen met haar broers het domein Cordero San Giorgio runt in de Oltrepò Pavese. Ze sprak openhartig over de veranderingen bij Vietti, over haar heimwee naar Barolo en over haar hoop om ooit opnieuw actief te kunnen zijn in de Langhe. Niet met bitterheid, wel met zichtbare weemoed.

Ze stond daar niet als iemand die een project had verloren, maar als iemand die een plek miste. En precies daarin schuilt de relevantie van deze casus. Achter elke overname schuilt niet alleen een merkstrategie of een investeringslogica, maar ook een stijlgevoel, een familiegeschiedenis en een manier van werken die zich niet altijd probleemloos laat doorgeven. Zelfs wanneer de wijnmaker dezelfde blijft, verandert de wijn wanneer de context verandert.

🍇 Gevolgen in de wijngaard

De koperslijst in Barolo is vandaag opvallend divers. Naast de vertrouwde familienamen die al generaties lang verankerd zijn in de Baroloheuvels, melden zich steeds vaker nieuwe spelers. Luxegroepen, private-equityfondsen en zelfs internationale horecagroepen zien in Barolo een veilige en prestigieuze investering. Die instroom van kapitaal is op zich niet negatief, maar ze verandert onvermijdelijk de dynamiek van de streek.

Dat wordt het duidelijkst bij het eigenaarschap. Voor families die decennialang dezelfde steile hellingen hebben bewerkt, is de huidige grondprijs steeds moeilijker te verzoenen met opvolging. Wanneer een hectare miljoenen euro’s waard wordt, stijgt niet alleen de symbolische waarde van het domein, maar ook de fiscale en financiële druk bij overdracht. Successierechten worden berekend op marktwaarde, terwijl de liquiditeit van een wijnbedrijf beperkt blijft. Het vermogen zit in de grond, niet op de bank. Wie daarbovenop broers of zussen moet uitkopen die niet actief zijn in het bedrijf, botst al snel op financieringen die zelfs gezonde domeinen nauwelijks kunnen dragen. Banken kijken naar cashflow, niet naar erfgoed.

In die context wordt verkoop steeds minder een keuze en steeds vaker een noodzaak. Niet omdat families willen stoppen, maar omdat de economische realiteit hen daartoe dwingt. Voor jonge wijnmakers vormt diezelfde waardering een bijna onneembare drempel. Barolo wordt zo steeds minder een regio waar je langzaam in kan groeien, en steeds vaker een regio waar je enkel nog kan instappen met aanzienlijk kapitaal achter je.

Met dat nieuwe eigenaarschap verschuift ook de manier waarop naar wijnmaken wordt gekeken. Waar bij familiebedrijven de wijngaard traditioneel het vertrekpunt is — met beslissingen gebaseerd op ervaring, intuïtie en fierheid op het land — ligt bij grotere structuren de nadruk vaker op efficiëntie en beheersbaarheid. Er wordt geïnvesteerd in moderne kelders, precisietechnologie, hospitality en internationale marketing. Dat professionaliseert de streek, maar het verandert ook de hiërarchie van waarden. Wijnmaken wordt steeds vaker onderdeel van een breder businessmodel, waarin consistentie en schaalbaarheid belangrijker worden dan eigenzinnigheid.

Die verschuiving heeft gevolgen voor hoe Barolo vandaag wordt benaderd en gemaakt. Terroir blijft aanwezig, maar krijgt een andere rol binnen een steeds strakker economisch kader. De vraag die boven de wijngaarden hangt, is dan ook niet of Barolo aan kwaliteit zal inboeten, maar in welke mate identiteit en interpretatie ruimte blijven krijgen.

👃 Wat betekent dit voor wat we in het glas krijgen?

Wat die structurele veranderingen betekenen voor de drinker, wordt vandaag in de eerste plaats zichtbaar op het etiket. In Barolo krijgt herkomst steeds meer gewicht, en dat vertaalt zich concreet in het gebruik van de Menzioni Geografiche Aggiuntive (MGA). Producenten kiezen er steeds vaker voor om exact te benoemen van welke cru of welk perceel hun druiven afkomstig zijn. Niet alleen uit overtuiging, maar omdat die precisie vandaag economische waarde vertegenwoordigt. Een naam als Bussia, Cannubi of Vigna Rionda is geen louter geografische aanduiding meer, maar een duidelijke positionering in de markt.

Die evolutie weerspiegelt rechtstreeks de explosieve stijging van de waarde van wijngaardgrond. Naarmate hectaren schaarser en duurder worden, groeit de noodzaak om die waarde ook expliciet te communiceren. MGA’s functioneren daarbij steeds vaker als prijsankers: ze legitimeren hogere flesprijzen en creëren interne hiërarchie binnen een appellatie die vroeger als één geheel werd gepercipieerd. Barolo wordt zo minder een uniforme categorie en steeds meer een gelaagd landschap, waarin herkomst, reputatie en schaarste elkaar versterken.

Maar die verfijning blijft niet beperkt tot het etiket of de prijslijst. Ze werkt door tot in de interpretatie van terroir zelf. Waar terroir ooit betekende dat men zich schikte naar de beperkingen en eigenheden van een specifieke helling, dreigt het vandaag te verworden tot een verhaal dat vooral verkoopbaar moet zijn. Herkomst blijft belangrijk, maar steeds vaker om haar commerciële meerwaarde. Variatie, risico en grilligheid (ooit kernbegrippen van fier wijnmaken) maken plaats voor consistentie, voorspelbaarheid en internationale leesbaarheid. Wat niet binnen dat kader past, wordt bijgestuurd.

Uiteindelijk proef je die verschuiving ook in het glas. De wijnen worden correcter, schoner en technisch onberispelijk, maar verliezen soms hun spanning en eigenheid. Niet omdat ze slechter worden gemaakt, maar omdat het accent verschuift. De wijn hoeft niet langer in de eerste plaats iets te vertellen over zijn oorsprong, zolang hij maar herkenbaar en verkoopbaar is binnen een internationaal referentiekader.

In dat spanningsveld tussen rendement en identiteit staat Barolo vandaag op een kruispunt. De uitdaging voor de regio is niet het behoud van kwaliteit — die staat buiten kijf — maar het bewaken van betekenis. Want wanneer herkomst uitsluitend een marketinginstrument wordt en niet langer een leidraad voor keuzes in wijngaard en kelder, dreigt de ziel van het wijnmaken langzaam naar de achtergrond te schuiven.

🔮 Waar gaat dit heen?

De vraag waar Barolo naartoe gaat, is een meer dan realistische vraag. Ze leeft vandaag in de wijngaard, in de kelder en op de markt. Eén mogelijke toekomst ligt voor de hand: die van verdere exclusiviteit. In dat scenario volgt Barolo het pad dat Bourgogne al langer bewandelt. De beste cru’s worden steeds zeldzamer en duurder, de prijzen stijgen verder, en de flessen verdwijnen langzaam uit het dagelijkse bereik van de liefhebber. Authentieke wijnbouwers blijven bestaan, maar hun wijnen worden objecten van verzameling en investering. Barolo blijft groot, maar steeds minder bereikbaar.

Een andere richting is die van schaal en uniformiteit. Grotere groepen nemen een steeds dominantere positie in, professionaliseren de streek verder en tillen alles op naar een consistent premium niveau. De wijnen zijn technisch perfect, betrouwbaar en internationaal herkenbaar. Barolo wordt in dat geval een luxeproduct bij uitstek, met een strak verhaal en een duidelijke positionering. De keerzijde is dat verschillen tussen producenten en hellingen minder uitgesproken worden. Het risico is niet kwaliteitsverlies, maar karakterverlies.

Tussen die twee uitersten ligt een derde, minder evidente maar wellicht meest wenselijke weg. Een toekomst waarin kapitaal en karakter naast elkaar bestaan. Waar investeerders zorgen voor stabiliteit, middelen en infrastructuur, terwijl kleinschalige producenten hun plaats behouden door zich scherp te profileren via herkomst, interpretatie en persoonlijkheid. In zo’n model blijven MGA’s geen marketinglabels, maar werkelijke uitdrukking van terroir, en ontstaat er ruimte voor diversiteit binnen een professioneel kader.

Welke richting het uiteindelijk uitgaat, zal afhangen van wie het gesprek mag voeren. Van wie bepaalt wat belangrijker is: rendement of interpretatie, schaal of nuance, verkoopbaarheid of zeggingskracht. De toekomst van Barolo ligt niet vast in regels of marktmodellen, maar in de keuzes die vandaag worden gemaakt, door investeerders én door wijnmakers. In dat spanningsveld schuilt tegelijk het gevaar en de hoop: dat Barolo erin slaagt kwaliteit en karakter te verzoenen, zonder zijn ziel prijs te geven.

📊 Barolo in cijfers (2024)

– Groei particuliere investeringen sinds 2015: +70 %
– Gemiddelde prijs Barolo-wijngaardgrond: € 1,8 – 3 miljoen per hectare
– Jaarlijkse productie: ± 13 miljoen flessen
– Gemiddelde exportprijs: € 21 per fles (0,75 l)
Bronnen: CREA, Gambero Rosso, Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, Vinous

🕯️ Epiloog

Toen ik die dag uit de wagen stapte, bleef mijn gedachtenstroom hangen bij de woorden van Attilio Pecchenino, bij de cijfers, en bij de blik van Caterina Cordero.
Drie miljoen euro voor één hectare grond — maar hoeveel is een stuk geschiedenis waard?

Wijn is altijd meer geweest dan een product. Het is het resultaat van mensen die keuzes maken, jaar na jaar, generatie na generatie. De vraag is of we dat verhaal ook in de toekomst nog zullen blijven proeven, nu hectaren steeds vaker in goud worden uitgedrukt en waarde het dreigt te halen van betekenis.

Dit is slechts één lezing van een evolutie die de hele streek raakt, en het gesprek over de toekomst van Barolo is er één dat meer stemmen verdient dan de mijne alleen.

Barolo is voor mij altijd een wijn geweest om naar terug te keren. Een wijn om tijd mee door te brengen, om oud te laten worden, om open te maken op momenten die ertoe doen. De hoop is dat dat zo kan blijven — niet als luxe-idee, maar als levende wijn. Ook in een wereld waarin Barolo steeds vaker als merk wordt benaderd, en steeds minder als belofte.

De allerbeste wensen voor 2026 – Cheers to a wonderful 2026!

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, Ligurië of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passé, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ‘pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ‘boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiëntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiënt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiënter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers én consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif én druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden én arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

Heroïsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals Ligurië en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In Ligurië spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroïsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieën die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, één gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galicië bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor Albariño. In Argentinië is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ‘grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentinië en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geïrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ‘modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

Pollo alla valdostana: comfortfood recht uit de Alpen

Het is zondag, dus zit ik achter mijn scherm te schrijven aan mijn blogs. De ochtend is al wat verder gevorderd en in gedachten dwaal ik af naar de kippenkraam die elke zondag voor onze winkeldeur staat. Ik weet dat de lokroep onvermijdelijk is, en dat ik er straks weer van zit te smikkelen. Voor wie het nog niet wist: ik ben verzot op kip.

En toch dringt het tot me door dat ik nog nooit een Italiaans kipgerecht heb beschreven. Tegelijk ben ik bezig met de voorbereiding van een Valle d’Aosta-degustatie die ik binnenkort ga geven. Waarom die twee niet combineren?

Enter: pollo alla valdostana.

Wat is pollo alla valdostana?

Pollo alla valdostana, ook wel scaloppine di pollo alla valdostana genoemd, is een klassiek Italiaans kipgerecht uit de Val d’Aosta. Dunne lapjes kip worden lichtjes met bloem bestoven, gebakken in boter en olie, overgoten met een scheutje witte wijn en vervolgens bedekt met een plakje ham en smeltende kaas. De kaas smelt tot een zachte, glanzende laag over het vlees, zonder dat het een uitgelopen massa wordt.

Het resultaat? Een gerecht dat voelt als een warme jas in de winter: hartig, zacht, rijk van smaak en toch verrassend licht verteerbaar. Pollo alla valdostana is comfort food met een zekere elegantie, zonder te pretentieus te worden. Ideaal voor een zondagse lunch waar je net iets meer van verwacht dan kip aan ’t spit.

Waar komt dit gerecht vandaan?

Zoals de naam al doet vermoeden, is pollo alla valdostana afkomstig uit de Valle d’Aosta, een kleine autonome regio in het uiterste noordwesten van Italië, tegen de grens met Frankrijk en Zwitserland. De streek staat bekend om haar kazen, haar liefde voor stevige gerechten én haar alpine ligging.

De term alla valdostana is intussen meer dan een geografisch label geworden. Het is bijna een codewoord in de Italiaanse keuken. Zie je het op een menukaart staan, dan weet je dat je een bereiding met gesmolten kaas en ham mag verwachten, meestal in combinatie met vlees of gevogelte. De meest iconische kaas uit de regio is fontina, een halfharde kaas met een licht nootachtig aroma en een fluweelzachte smelttextuur. Deze wordt vaak gecombineerd met prosciutto cotto, een milde gekookte ham, of met prosciutto crudo, afhankelijk van de bereiding.

Die combinatie van vlees, ham en gesmolten kaas komt ook voor in andere regionale klassiekers zoals de cotoletta alla valdostana (de luxueuze neef van de schnitzel).

Recept: Petto di pollo alla valdostana

Het recept dat we meegeven zal je duidelijk maken dat dit gerecht eenvoudig te bereiden is met, zoals we in Italië gewoon zijn, opvallend weinig ingrediënten voor veel smaak: kipfilet, ham, kaas, salie en een klein beetje vuurvast geduld. Perfect voor wie zijn kip een andere richting wil uitsturen dan het eeuwige grillpatroon.

Ingrediënten (voor 4 personen):

  • 700 g kipfilet, in plakken gesneden
  • 180 g gekookte ham (prosciutto cotto)
  • 200 g fontina (of fontal), in dunne plakjes
  • 2 eetlepels bloem (of rijstbloem/maïszetmeel voor een glutenvrije versie)
  • ½ glas droge witte wijn
  • Enkele blaadjes verse salie (optioneel)
  • 3 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 20 g boter
  • Zout en peper, naar smaak

Bereiding:

  1. Voorbereiding van de kip:
    Snijd de kipfilets in niet te dunne plakken, maar zeker ook niet te dik. Je wil een goede balans tussen snelheid van garen en sappigheid. Bestrooi de kipplakken aan beide zijden lichtjes met bloem en schud de overtollige bloem af.
  2. Bakken:
    Verwarm de olijfolie samen met de boter in een grote antikleefpan. Zodra het vet goed heet is, leg je de kip in de pan. Bak de plakken ongeveer 1 minuut aan elke kant op middelhoog vuur tot ze goudgeel beginnen kleuren. Kruid met zout en peper.
  3. Afblussen:
    Verhoog kort het vuur en blus de pan met de witte wijn. Laat de alcohol verdampen tot het vocht een licht stroperige textuur krijgt. Zet dan het vuur weer wat lager en leg een deksel op de pan. Laat de kip 5 à 6 minuten verder garen, tot ze helemaal gaar is vanbinnen.
  4. De afwerking:
    Verwijder het deksel en beleg elke plak kip met een sneetje ham en daarboven een plakje fontina. Voeg eventueel een vers salieblaadje toe voor een kruidige toets. Dek de pan opnieuw af en laat het geheel nog een minuut zachtjes smelten. Niet langer, anders wordt de kip droog en je kaas rubber.
  5. Serveren:
    Zet het vuur uit, serveer de kip meteen, overgoten met een beetje van het braadvocht. Een eenvoudige groene salade of wat gestoomde aardappelen erbij en je zit goed.

Kleine tip:
Gebruik bij voorkeur fontina d’Aosta, de trots van de regio. Geen fontina in huis? Een zachte taleggio of jonge comté werkt ook prima, zolang de kaas maar vlot smelt. En indien kip niet je favoriet is kan je dit gerecht ook bereiden met kalfsvlees of kalkoen, of laat de salie weg als je het liever puur houdt. De combinatie ham-kaas blijft overeind, wat je ook kiest.

Een kip met een skihelm

Pollo alla valdostana is geen haute cuisine, maar het is ook geen simpele schnitzel met kaas. Het is een gerecht dat ontstaan is vanuit de hoogste toppen van de Valle d’Aosta. We zetten de kip een skihelm op en sturen haar de berg af, waar ze met een sierlijke sprong in de pan belandt.
Wie heeft er nu nog nood aan die zondagse kippenkraam?

Aciditeit in wijn: ruggengraat, smaakmaker en hoeder van kwaliteit

We zijn al jarenlang actief in verschillende wijnclubs en geven intussen meer dan twintig jaar wijnopleidingen, waaronder de basiscursus wijnproeven. En telkens opnieuw laait dezelfde discussie op: de zuurtegraad van wijn. Of het nu over wit of rood gaat, de aanwezigheid van zuren blijft een bron van meningsverschillen.

Proeven is geen exacte wetenschap, maar wie zich wil verdiepen in het onderwerp, vindt net in die exacte wetenschap de nodige helderheid. Tijdens het proeven lijkt het eenvoudig: speekselaanmaak in de mond betekent dat er zuren aanwezig zijn. In werkelijkheid ligt het een stuk complexer.

Zuur: meer dan een bijsmaak

In het dagelijks taalgebruik klinkt zuur vaak negatief: zuurpruim, iemand het leven zuur maken, zure regen. Ook aan tafel roept het woord soms weerstand op. Een gerecht dat “zuur” wordt genoemd, lijkt plots minder verfijnd, alsof zuur gelijkstaat aan fout. Toch is dat een misvatting. In wijn is zuur geen tegenstander maar een essentieel onderdeel van het geheel.

Zuur geeft spanning en richting aan een wijn. Het is de structuur die de aroma’s draagt, het ritme waarop smaak en textuur zich ontvouwen. Het maakt een wijn levendig, zuiver en doordrinkbaar. Een wijn zonder zuur is als muziek zonder maat, een schilderij zonder contrast. Zonder zuur verliest wijn zijn spanning en drinkbaarheid.

Zuren wekken speeksel op, prikkelen de tong en doen de mond licht samentrekken, waardoor de wijn dynamiek krijgt. Dat kleine moment van weerstand maakt de proever alert en prikkelt tot aandacht.

In evenwicht zijn zuren een teken van vitaliteit. Ze accentueren fruit, verlengen de afdronk en laten een wijn groeien in de fles. Een goed gemaakte wijn toont zuur niet als scherpte, maar als spanning.

pH: de kern van zuurbegrip

De zuurgraad van wijn drukken we uit in pH, een begrip dat op het eerste gezicht wat abstract klinkt, maar in de praktijk veel vertelt over de persoonlijkheid van een wijn. De pH meet de concentratie vrije waterstofionen (H+) in een vloeistof. Hoe meer van die ionen aanwezig zijn, hoe lager de pH, en hoe zuurder de vloeistof aanvoelt. Zuiver water heeft een pH van 7 en is neutraal. Wijn bevindt zich meestal tussen 2,8 en 4, en zit dus duidelijk in het zure gebied.

Om dat in perspectief te plaatsen: cola heeft een pH rond 2,5 en is dus nog iets zuurder, terwijl fruitsap ongeveer 3,5 haalt. Toch smaakt wijn frisser en levendiger dan cola, omdat smaak niet enkel afhangt van de pH. Suiker, koolzuur, temperatuur en aroma’s spelen mee in de manier waarop zuur ervaren wordt.

Voor de wijnmaker is pH geen theoretisch cijfer maar een praktische leidraad. Een kleine wijziging van 0,1 op de pH-schaal kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit en de smaak van de wijn. Een nuance die nauwlettend wordt opgevolgd tijdens de vinificatie.

De pH beïnvloedt onder meer:

  • De microbiologische stabiliteit: bij een lage pH hebben ongewenste bacteriën en gisten veel minder kans om zich te ontwikkelen.
  • De kleur en frisheid van rode wijn: anthocyanen, de kleurstoffen uit druivenschillen, blijven stabieler bij lagere pH-waarden.
  • De werking van zwaveldioxide (SO₂): dit natuurlijke conserveermiddel is veel effectiever bij lage pH, waardoor minder hoeft te worden toegevoegd.
  • Oxidatie en bruining: bij een hogere pH oxideert wijn sneller, wat vooral bij witte wijn kan leiden tot kleurverandering en doffe aroma’s.
  • De klaring en eiwitstabiliteit: de pH beïnvloedt hoe goed stoffen zoals bentoniet onzuiverheden kunnen binden en verwijderen.

Een wijn met lage pH is dus frisser, stabieler en doorgaans beter bewaarbaar. Een hogere pH maakt de wijn zachter, ronder en toegankelijker, maar ook gevoeliger voor oxidatie en bederf. Het is de taak van de wijnmaker om dat evenwicht te vinden: genoeg zuur voor levendigheid, niet te veel om scherpte te vermijden.

Daarom wordt pH vaak al tijdens de oogst gecontroleerd. Ze is als een kompas dat de wijnmaker vertelt waar de balans tussen frisheid, kracht en stabiliteit ligt.

Zuur en SO₂: de beschermers van het evenwicht

Zuur en zwaveldioxide (SO₂) zijn twee natuurlijke pijlers die samen de stabiliteit van wijn ondersteunen. Zuren zorgen voor frisheid en spanning, terwijl SO₂ een beschermende rol speelt tegen oxidatie en ongewenste micro-organismen.

Dit hoofdstuk gaat niet over de overtuiging van een wijnmaker om al dan niet SO₂ toe te voegen, en evenmin over het debat rond het nut of de wenselijkheid van die toevoeging. Het is een eenvoudige, neutrale weergave van hoe SO₂ functioneert binnen het natuurlijke evenwicht van wijn.

Zwaveldioxide is namelijk niet louter een toevoeging. Het ontstaat ook spontaan tijdens de gisting, als natuurlijk bijproduct van gistactiviteit. In elke wijn is dus van nature een kleine hoeveelheid aanwezig, zelfs wanneer men niets extra toevoegt.

Wanneer een wijnmaker wél extra SO₂ gebruikt, doet hij dat doorgaans om een fragiel evenwicht te beschermen. De effectiviteit ervan hangt sterk af van de pH van de wijn. Bij een lage pH is het actieve, beschermende deel van SO₂ sterker aanwezig. Naarmate de pH stijgt, vermindert dat effect en is er meer nodig om dezelfde bescherming te bieden.

Het gebruik van SO₂ is geen zwart-witverhaal, maar een kwestie van nuance en ervaring. Te veel kan de wijn afsluiten of ruwer maken, te weinig maakt hem kwetsbaar voor oxidatie en bederf. In warme jaren, waarin druiven vaak een hogere pH hebben, vraagt dit om bijzonder fijngevoelig werk.

Goed gebruikt fungeert SO₂ als een stille wachter: onzichtbaar, maar cruciaal in het bewaren van evenwicht, frisheid en zuiverheid. Dat gebeurt niet tegen de natuur in, maar in samenwerking ermee.

Titratie en pH: twee verschillende meetschalen

Om de zuurtegraad van wijn goed te begrijpen, volstaat één meting niet. Naast de pH gebruiken wijnmakers ook de titratie van zuren, uitgedrukt als titratable acidity (TA). Beide cijfers zeggen iets over het zuur in wijn, maar ze meten niet hetzelfde.

De pH vertelt hoeveel van de aanwezige zuren actief zijn, of met andere woorden: hoeveel vrije waterstofionen (H⁺) op dat moment in de wijn rondzweven. Die ionen bepalen de scherpte, de frisheid en de microbiologische stabiliteit van de wijn.

De titratable acidity (TA) daarentegen drukt uit hoeveel zuur er in totaal aanwezig is, of het nu actief is of niet. Ze meet de totale potentiële hoeveelheid protonen die vrijkomt als men het zuur zou neutraliseren. De waarde wordt meestal weergegeven in gram wijnsteenzuur per liter.

Daarom kunnen twee wijnen met dezelfde TA heel verschillend smaken. Een wijn met hoge pH en hoge TA kan zacht en rond overkomen, terwijl een wijn met lage pH en gelijke TA juist levendiger en strakker smaakt. Het gaat dus niet alleen om hoeveel zuur er is, maar vooral om hoe dat zuur zich gedraagt in de wijn.

Voor wijnmakers is het samenspel van pH en TA cruciaal bij het sturen van stijl en stabiliteit. De pH geeft directe informatie over hoe de wijn zich gedraagt tijdens de gisting, rijping en bewaring. TA helpt vooral bij het vergelijken van wijnen of bij het beoordelen van balans in smaak.

Schommelingen van TA tijdens de gisting
Tijdens de gisting daalt de totale zuurgraad (TA) doorgaans licht, omdat wijnsteenzuur zich bindt tot kalium en neerslaat als kaliumbitartraat. In sommige rode wijnen kan de TA echter tijdelijk stijgen door de vorming van succinzuur, een natuurlijk bijproduct van de gisting dat door bepaalde giststammen in hogere concentraties wordt geproduceerd.

Vorming van wijnsteenzuurkristallen (kaliumbitartraat)

Zuur is in wijn geen vaststaand gegeven. Ook na de gisting blijft het in beweging. Een van de meest zichtbare gevolgen daarvan is het neerslaan van wijnsteenkristallen, in de kelder beter bekend als kaliumwaterstoftartraat of kaliumbitartraat (KHT).

Deze kristallen ontstaan wanneer wijnsteenzuur, het meest stabiele en dominante zuur in wijn, gedeeltelijk reageert met kaliumionen die van nature in druiven aanwezig zijn. In oplossing blijft dit kaliumwaterstoftartraat nog zuur van aard, maar zodra de wijn wordt blootgesteld aan lagere temperaturen of veranderingen in samenstelling, kan het uitkristalliseren en neerslaan.

Pas op dat moment verdwijnt dit zout effectief uit de wijn, wat een subtiele maar meetbare invloed heeft op zowel de pH als de titratable acidity (TA):

  • Bij een lage pH (onder 3,65) daalt de pH nog iets verder, samen met de TA.
  • Bij een hogere pH (boven 3,65) stijgt de pH licht, terwijl de TA toch afneemt.

Voor de wijnmaker is dit proces belangrijk om te begrijpen, omdat het natuurlijke zuur-evenwicht van de wijn ook na de gisting kan blijven evolueren. Wanneer wijnsteen neerslaat, vermindert het effectieve zuurgehalte van de wijn licht, waardoor de smaak iets ronder en zachter wordt. In zeldzame gevallen waarin de zuurbalans bewust werd bijgestuurd (bijvoorbeeld in warme oogstjaren) kan een deel van die correctie later deels worden geneutraliseerd door deze kristalvorming.

Om dit gecontroleerd te laten verlopen, passen wijnmakers vaak koude stabilisatie toe. Daarbij wordt de wijn gekoeld zodat overtollige wijnsteen zich in het vat afzet en niet later in de fles verschijnt.

Voor de consument zijn deze kristallen volkomen onschadelijk, al worden ze soms verward met glasdeeltjes of fouten. In werkelijkheid zijn ze een natuurlijk teken van een weinig bewerkte wijn.

De oorsprong en rol van zuren in wijn

Zuren zijn geen toevalstreffers in wijn, maar het natuurlijke resultaat van wat in de druif gebeurt vóór en tijdens de gisting. Hun concentratie en samenstelling worden bepaald door het druivenras, het klimaat en de rijpheid bij de oogst.

De belangrijkste zuren zijn wijnsteenzuur en appelzuur.

  • Wijnsteenzuur is het meest stabiele en karakteristieke wijnzuur. Het vormt de ruggengraat van de zuurgraad en blijft nagenoeg onveranderd tijdens de gisting.
  • Appelzuur is levendiger en scherper van smaak. Tijdens de zogenaamde malolactische gisting zetten melkzuurbacteriën het om in melkzuur, dat zachter en romiger aanvoelt. Rode wijnen ondergaan dit proces meestal volledig, waardoor ze ronder en stabieler worden. Bij witte wijnen wordt het vaak bewust vermeden om hun frisse spanning te bewaren.

Naast deze twee hoofdrolspelers komen er ook kleinere hoeveelheden citroenzuur en succinezuur voor. Citroenzuur draagt subtiel bij aan frisheid, terwijl succinezuur, gevormd tijdens de alcoholische gisting, een licht ziltig of bitter accent kan toevoegen dat de complexiteit verhoogt.

In zoete witte wijnen, zoals Sauternes of Trockenbeerenauslese, krijgt zuur een andere betekenis. Daar fungeert het als tegengewicht voor de suikers. Zonder voldoende zuur zouden deze wijnen log of plakkerig aanvoelen. Met de juiste dosis zuurgraad blijven ze fris, spannend en elegant.

Klimaat en rijpheid

Niet alleen de chemie, ook de natuur bepaalt hoeveel zuur in een wijn aanwezig is. De hoeveelheid zuur in wijn wordt al bepaald lang vóór de oogst. Tijdens de groei slaan druiven zuren op in hun bessen. In het vroege stadium zijn die zuren, vooral wijnsteenzuur en appelzuur, in hoge concentraties aanwezig. Naarmate de druif rijpt en de temperatuur stijgt, beginnen die zuren langzaam af te breken door natuurlijke ademhaling.

In warme klimaten verloopt dat proces sneller. De druif ademt haar zuur uit, terwijl ze tegelijk meer suikers opbouwt. Het resultaat is een wijn met rijp fruit, hogere alcohol en lagere zuurgraad. Zulke wijnen kunnen rond en zwoel aanvoelen, maar missen soms spanning. Wijnmakers grijpen daar soms in door wat wijnsteenzuur toe te voegen of door vroeger te oogsten om het evenwicht te bewaren.

In koelere regio’s gebeurt net het omgekeerde. De druif rijpt trager, houdt meer zuur vast, maar produceert minder suiker. Dat levert frissere, levendigere wijnen op met een lager alcoholgehalte. Het risico daar is dat de zuren te dominant worden, waardoor de wijn streng of onrijp kan smaken.

De kunst van de wijnmaker zit precies in het kiezen van het juiste oogstmoment, wanneer suiker en zuur in evenwicht zijn. Dat moment kan per perceel of druivenras verschillen, en vraagt ervaring, kennis en soms ook durf.

Hoe proeven we zuur?

Zuur is een van de eerste smaaksensaties die we waarnemen wanneer wijn de mond raakt. Zodra de wijn zich vermengt met speeksel, komen de vrije waterstofionen in contact met de smaakreceptoren op de tong en het zachte gehemelte. Deze receptoren sturen elektrische signalen naar de hersenen, waar ze worden gecombineerd met indrukken van zoetheid, bitterheid, aroma en textuur.

Zuur voelen we niet alleen als een smaak, maar ook als een fysieke prikkel: het doet de speekselklieren werken, laat de tong licht samentrekken en wekt een gevoel van spanning in de mond. Die reactie is een verdedigingsmechanisme van het lichaam tegen te sterke zuren, maar in wijn zorgt het juist voor levendigheid en verfrissing.

Niet iedereen ervaart zuur even sterk. Leeftijd, speekselproductie, temperatuur van de wijn en zelfs het moment van de dag kunnen de gevoeligheid beïnvloeden. Wie veel frisse wijnen proeft, ontwikkelt een zekere gewenning, waardoor dezelfde wijn voor een beginnende proever veel scherper kan lijken dan voor een ervaren degustator.

De zuursensatie wordt bovendien nooit op zichzelf beleefd. Zoet (uit suiker, alcohol of glycerol) verzacht het zuur en maakt het ronder. Bitterheid en tannine versterken het tegenovergestelde effect en laten de wijn strakker en pittiger overkomen. Daarom kan een wijn met identieke pH totaal anders aanvoelen afhankelijk van zijn restsuiker, textuur of houtlagering.

Wijnproevers gebruiken woorden als fris, levendig, pittig of verkwikkend voor goed geïntegreerd zuur. Bij overdaad spreken ze van scherp, agressief of groen, terwijl een gebrek aan zuur de wijn vlak of log maakt. Het geheim van een grote wijn ligt vaak precies in die fragiele grens: genoeg zuur om spanning te geven, maar niet zoveel dat het het geheel overheerst.

Conclusie

Aciditeit is geen detail, maar de ruggengraat van wijn. Ze bepaalt frisheid, balans, aromaprofiel, microbiologische stabiliteit en bewaarpotentieel. pH en TA samen geven inzicht in het zuur-evenwicht, maar in de praktijk is pH vaak de doorslaggevende graadmeter voor kwaliteit en levensduur.

Cola mag dan op papier zuurder zijn, in wijn is zuur geen toevallig bijproduct maar een zorgvuldig bewaakte structuurdrager. Het houdt de wijn levend, zuiver en spannend. Een wijn zonder zuur verliest zijn ziel, een wijn met goed geïntegreerd zuur blijft groeien, verleiden en verrassen.

Cognac, het verhaal achter de geest van Charente

Is de geest van Charente achterhaald, of ontwaakt hij juist opnieuw? Cognac draagt een grote reputatie mee, tegelijk kleeft er voor sommigen een oubollig imago aan. Whisky lijkt de wereldspeler van het moment. Zonde, want een echte cognac is een hemels digestief, en meer dan dat. Jonge drinkers ontdekken hem opnieuw via bars, cocktails en verfijnde pairings.

Je kan het verhaal van cognac ook vertellen als een dialoog tussen geschiedenis en toekomst. Ja, het is een eeuwenoud product, geworteld in traditie. Maar tegelijk is het een levende, veranderende categorie waarin terroir, druivenrassen en vakmanschap elkaar blijven beïnvloeden.

Van de krijtrijke hellingen van Grande Champagne tot de zandige kuststroken van Bois Ordinaires, elk terroir geeft zijn stempel mee. De keuze voor druiven bepaalt mee de frisheid en de zuiverheid van de basiswijn. Die basiswijn, in de streek bekend als Vin de Chaudière, is geen pronkwijn voor aan tafel: laag in alcohol, hoog in zuren, discreet in aroma. Maar precies die eigenschappen maken hem ideaal voor de dubbele distillatie in de iconische koperen alambic charentais.

Herkomst en afbakening

Cognac is een strikt beschermde herkomstbenaming (Appellation d’Origine Contrôlée) met nauwkeurig vastgelegde geografische grenzen. De contouren van het productiegebied werden in 1909 bepaald op basis van geologische en bodemkundige studies, en in 1936 wettelijk verankerd. Het gebied strekt zich uit over delen van vier departementen in het zuidwesten van Frankrijk: Charente, Charente-Maritime (inclusief de eilanden Île de Ré en Île d’Oléron), een deel van Deux-Sèvres en het noorden van de Dordogne.

Binnen deze AOC worden zes officiële crus onderscheiden, elk met een eigen terroir en smaakprofiel: Grande Champagne, Petite Champagne, Borderies, Fins Bois, Bons Bois en Bois Ordinaires. Ze liggen als concentrische zones rond de stad Cognac, met Grande Champagne in het centrum als hoogst gewaardeerde herkomst. De aanduiding Fine Champagne verwijst naar een blend van Grande en Petite Champagne, met minimaal 50% Grande Champagne in de assemblage.

Bodem en geologie

De ondergrond van de Cognacstreek is gevarieerd en beïnvloedt rechtstreeks de stijl van de geproduceerde soorten cognac.

  • Grande Champagne & Petite Champagne: bodems rijk aan kalk en klei, met een krijtachtige kalkonderlaag die water vasthoudt en de wortels diep laat reiken. In Grande Champagne is deze krijtlaag dikker, wat resulteert in wijnen met groot rijpingspotentieel en een uitgesproken finesse.
  • Borderies: zanderige en kleiige bodems met een hoog gehalte aan vuursteen (silex). Dit terroir geeft ronde, florale aroma’s die sneller tot ontwikkeling komen.
  • Fins Bois: gedomineerd door groies – klei-kalkbodems met veel keien op een harde kalkondergrond – en delen met Pays-Bas-gronden, rijk aan klei. De eaux-de-vie zijn hier fruitig, met een kortere rijpingstijd.
  • Bons Bois & Bois Ordinaires: lichte, vaak vrijwel zuivere zandbodems (sables), vooral in kuststreken. Ze leveren aromatisch eenvoudige distillaten die sneller op dronk zijn.

Deze combinatie van klimaat, bodem en ligging maakt dat elke cru een eigen bijdrage levert aan de diversiteit van cognac. Die bodemeigenschappen bepalen niet alleen de druivengroei, maar ook hoe de basiswijn zich tijdens distillatie en rijping ontwikkelt. Een distillaat uit kalkrijke bodems zal bijvoorbeeld anders verouderen dan een distillaat uit zandgronden. Voor producenten is de keuze van herkomst en verhoudingen in de blend een essentieel instrument om stijl en kwaliteit te sturen.

Van druif tot Vin de Chaudière

De belangrijkste druif van de cognacproductie is Ugni Blanc. Deze druif rijpt laat, heeft een hoge natuurlijke zuurtegraad en levert wijnen met een laag alcoholpercentage, eigenschappen die essentieel zijn voor een zuivere distillatie. Daarnaast zijn ook Colombard, Folle Blanche, Montils en Sémillon toegestaan, maar hun aandeel in de aanplant is beperkt. Folle Blanche en Colombard geven aromatischere distillaten, maar zijn gevoeliger voor ziekten en minder productief, waardoor ze vooral bij kleinere producenten voorkomen die op zoek zijn naar specifieke stijlen.

De wijn die bestemd is voor distillatie wordt in de streek Vin de Chaudière genoemd. Het is geen wijn die bedoeld is om te drinken. Het alcoholgehalte ligt rond de 8 à 9%, de zuren zijn uitgesproken en de aroma’s bescheiden. Juist deze bescheidenheid is gewenst: een te uitgesproken basiswijn zou tijdens distillatie te dominante smaken ontwikkelen.

De wet schrijft voor dat de basiswijn volledig natuurlijk moet zijn. Het toevoegen van suiker, zuurcorrectie, smaakstoffen of conserveermiddelen is verboden. Sulfiet is uitgesloten, omdat het tijdens de dubbele distillatie zou concentreren en storende aroma’s kan veroorzaken. Deze strikte benadering zorgt ervoor dat de uiteindelijke eau-de-vie puur het resultaat is van druif, terroir en vergisting.

De oogst vindt doorgaans in oktober plaats, afhankelijk van druivenras en klimaat in het oogstjaar. Meteen na de pluk worden de druiven geperst. De most vergist vervolgens één tot twee weken, vaak bij relatief lage temperaturen en zonder ingrijpen van de wijnmaker. Het resultaat is een jonge, levendige wijn, zuur en laag in alcohol, klaar om getransformeerd te worden in de volgende fase: de distillatie tot cognac.

Distillatie: het hart van de creatie

Na de oogst en gisting volgt de fase waarin wijn wordt omgevormd tot eau-de-vie: de dubbele distillatie in de alambic charentais. Dit traditionele koperen apparaat bestaat uit vier hoofdonderdelen:

  • Ketel (chaudière) waar de basiswijn wordt verwarmd.
  • Kap (chapiteau) die de opstijgende alcoholdampen opvangt.
  • Zwanenhals (col de cygne) die de dampen naar de condensor leidt.
  • Condensor waarin de dampen afkoelen en terug vloeibaar worden.

Sommige distilleerders gebruiken ook een chauffe-vin, een warmtewisselaar die de wijn voorverwarmt met restwarmte uit de condensor. Dit bespaart energie en zorgt voor een gelijkmatigere opwarming. De capaciteit van de ketels is wettelijk beperkt tot 30 hectoliter, met een maximale vulling van 25 hectoliter per distillatie. Vorm, afmetingen en materiaal zijn strikt gereglementeerd.

De methode à repasse bestaat uit twee opeenvolgende distillaties. De eerste distillatie duurt 8 tot 10 uur en levert de brouillis op: een troebele vloeistof van 28 tot 32% alcohol. Deze bevat alle basisaroma’s, maar is nog ruw en ongeraffineerd.

In de tweede distillatie, bonne chauffe, wordt de brouillis opnieuw verhit. De distillateur scheidt drie fracties:

  • Têtes: het eerste deel, rond 80-85% alcohol, rijk aan vluchtige stoffen zoals methanol en esters; wordt apart gehouden.
  • Coeur: het hart van de distillatie, met 60–70% alcohol, zuiver van geur en smaak; dit is de toekomstige cognac.
  • Queues: het laatste deel, met zware, minder gewenste componenten.

Têtes en queues worden samen met nieuwe brouillis of wijn opnieuw gedistilleerd, zodat geen waardevolle aroma’s verloren gaan.

Na de bonne chauffe is de eau-de-vie kleurloos, met een scherpe maar frisse geur die vaak wordt vergeleken met vochtige wijngaardgrond na regen. Het alcoholpercentage ligt rond de 70%, ideaal voor verdere rijping.

De distillatieperiode loopt van de oogst tot uiterlijk 31 maart van het daaropvolgende jaar. Tijdens deze maanden is de activiteit intensief: ketels draaien vaak 24 uur per dag, en distillateurs blijven op locatie om het proces voortdurend te controleren. Elke stap vraagt aandacht: van de kwaliteit en helderheid van de basiswijn tot de beheersing van de verhitting, de snelheid van destillatie en de precieze selectie van het hart. Deze combinatie van techniek en ervaring bepaalt in hoge mate de kwaliteit en stijl van de uiteindelijke cognac.

Rijping en het werk van de keldermeester

Na de distillatie wordt de jonge eau-de-vie overgebracht in eikenhouten vaten van 270 tot 450 liter. Alleen hout uit de Franse bossen van Limousin en Tronçais is toegestaan. Limousin-eik heeft een grove nerf waardoor de extractie van tannine en aromatische stoffen sneller verloopt, wat krachtigere, robuustere cognacs oplevert. Tronçais-eik is fijner van structuur en geeft een subtielere, meer verfijnde houtinvloed.

Nieuwe vaten worden vaak slechts 12 tot 18 maanden gebruikt voor de eerste rijping. In deze periode vindt de meest intense overdracht van kleur- en smaakstoffen plaats. Daarna wordt de cognac overgestoken naar oudere vaten om verdere rijping trager en evenwichtiger te laten verlopen.

Het rijpingsproces kent drie kernfases:

  1. Extractie: fenolen, kleurstoffen en aroma’s lossen uit het hout in de eau-de-vie, waardoor de kleur van kleurloos naar licht goudgeel evolueert.
  2. Oxidatie: onder invloed van zuurstof ontwikkelt de spirit complexere aroma’s, de kleur verdiept richting amber en mahonie, en de eerste tonen van rancio verschijnen.
  3. Polymerisatie en versmelting: tannine breken af en binden zich aan aromacomponenten, wat de cognac zachter, ronder en homogener maakt.

Jaarlijks verdampt ongeveer 3% van het volume, la part des anges, wat zowel alcohol als water betreft. De verhouding tussen beide verdampingen wordt mede bepaald door de vochtigheid van de kelder: droge kelders laten vooral water verdampen en verhogen zo het alcoholgehalte, vochtige kelders doen het omgekeerde.

De keldermeester (maître de chai) bewaakt elk detail van dit proces. Hij beslist wanneer een cognac wordt overgestoken naar een ander vat, of verplaatst wordt naar een andere kelder met een ander microklimaat. Soms kiest hij voor hout met een specifieke doorlaatbaarheid om de verdamping te sturen. Hij kan ook experimenteren met vaten van verschillende leeftijden om het rijpingsprofiel te beïnvloeden.

Tijdens de rijping reduceert de keldermeester geleidelijk het alcoholgehalte. Dit gebeurt door kleine hoeveelheden gedistilleerd of gedemineraliseerd water toe te voegen, zodat de sterkte langzaam daalt tot het wettelijke minimum van 40% alcohol, of iets hoger indien gewenst voor stijl en balans.

Pas wanneer de keldermeester van mening is dat de eau-de-vie het gewenste aromatische en texturale evenwicht heeft bereikt, besluit hij tot botteling. Dat kan als single vintage of na assemblage met andere jaargangen, afhankelijk van het beoogde karakter. Zo begeleidt hij de cognac van ruwe jeugd tot volwassenheid, totdat het moment komt om te bepalen of verdere rijping op vat nog zinvol is.

Leeftijd en classificaties

Wettelijk moet cognac minimaal twee jaar op eikenhouten vaten rijpen voordat hij mag worden verkocht. Die rijping verloopt traag. De inwoners van de streek worden niet voor niets les cagouillards genoemd, “de slakken”, een verwijzing naar hun geduld. Tijdens deze periode neemt de eau-de-vie tannine en aroma’s op uit het hout, wordt de kleur dieper, daalt het alcoholgehalte met gemiddeld één graad per jaar en ontstaan door oxidatie nieuwe geuren en smaken.

In de regio geldt de overtuiging dat een cognac na ongeveer vijftig jaar op vat zijn natuurlijke evolutie voltooit. Dan wordt hij overgebracht naar grote glazen flessen (dame-jeannes), afgesloten van lucht. In deze vorm blijft hij stabiel, zonder verdere ontwikkeling. Vanaf dat moment wordt hij bewaard voor toekomstige assemblages of als zeldzame, op zichzelf staande botteling. Vanwege de hoge kosten is het tegenwoordig zeldzaam dat producenten een cognac zo lang laten rijpen, al zijn er huizen zoals Frapin, Ragnaud-Sabourin, Martell en Rémy Martin die aanzienlijke voorraden in dame-jeannes bewaren.

De leeftijd van een cognac wordt weergegeven met officiële classificaties:

  • VS (Very Special) of ***: minimaal 2 jaar rijping.
  • VSOP (Very Superior Old Pale): minimaal 4 jaar rijping.
  • Napoléon: minimaal 6 jaar rijping.
  • XO (Extra Old): minimaal 10 jaar rijping.
  • XXO (Extra Extra Old): minimaal 14 jaar rijping.
  • Hors d’Âge: geen wettelijke definitie boven XO, maar in de praktijk vaak 30 tot 50 jaar oud.
  • Millésimé (Vintage): cognac uit één oogstjaar, met het jaartal op het etiket.

Hoewel sommige uitzonderlijke cognacs ouder zijn dan vijftig jaar, bereikt het merendeel zijn optimale balans veel eerder. Het is de taak van de keldermeester om het ideale moment te bepalen waarop de cognac zijn beoogde stijl en karakter heeft bereikt.

Blenden of single cru

Het merendeel van de cognacs die op de markt komen, is het resultaat van een zorgvuldig samengestelde blend (assemblage) van verschillende eaux-de-vie. Daarbij kan het gaan om distillaten uit meerdere cru’s, verschillende oogstjaren of zelfs diverse percelen binnen één wijngaard. Het doel is steeds hetzelfde: een stabiele huisstijl creëren die van jaar tot jaar herkenbaar blijft. Voor prestigieuze XO’s gebruiken grote huizen soms meer dan 150 afzonderlijke eaux-de-vie, waarbij elke component een specifieke rol speelt in geur, smaak en textuur.

Het samenstellen van een blend vraagt encyclopedische kennis van de inhoud van de vaten én een fijnzinnig gevoel voor balans. Een maître de chai werkt vaak tientallen jaren onder begeleiding van een ervaren voorganger voordat hij zelfstandig verantwoordelijk is voor de assemblages. Hij moet niet alleen weten hoe elke eau-de-vie zich ontwikkelt, maar ook hoe zij op elkaar reageren in een blend.

Niet alle producenten mengen distillaten van verschillende herkomst. Bij een single cru komt alle eau-de-vie uit één erkende cru, zoals Grande Champagne of Borderies. Soms worden wel verschillende jaren of percelen gecombineerd, maar het terroirkarakter blijft volledig behouden. Deze stijl benadrukt de specifieke aroma’s van het gebied: florale finesse in Grande Champagne, de meer fruitige en toegankelijke varianten van Petite Champagne, ronde parfums in Borderies, rijp fruit in Fins Bois en een vleugje ziltigheid in Bons Bois.

Kleur en misverstanden

De kleur van cognac is geen vanzelfsprekende graadmeter voor leeftijd of kwaliteit. Jonge eau-de-vie is volledig kleurloos. Pas tijdens de rijping in eiken vaten ontwikkelt zij tinten die variëren van licht strogeel tot diep mahonie.

De kleur ontstaat hoofdzakelijk door extractie van houtcomponenten. Nieuwe vaten geven sneller kleur en meer tannine dan gebruikte vaten. Ook de toastgraad van het hout speelt een rol: licht getoast eikenhout geeft subtielere tinten, zwaar getoast hout zorgt voor diepere kleuren, maar kan aanvankelijk ook bitterheid meebrengen die tijd nodig heeft om te verzachten. Veel keldermeesters laten cognac daarom slechts kort in nieuwe, eventueel sterker getoaste vaten rijpen (12 tot 18 maanden) en zetten de verdere rijping voort in oudere vaten.

Kleinere vaten hebben een groter contactoppervlak tussen hout en eau-de-vie, wat de kleurontwikkeling versnelt. Limousin-eik, met zijn grove nerf, geeft doorgaans sneller kleur en smaak af dan het fijnere Tronçais-eikenhout.

Naast natuurlijke extractie mag een keldermeester binnen de AOC-regels bepaalde toevoegingen gebruiken om de kleur subtiel te corrigeren:

  • Boisé: een donkere infusie van eikenhout, vooral bedoeld om structuur en tannine te beïnvloeden, en kan als bijkomend effect ook de kleur verdiepen.
  • Caramel E150a: vrijwel smaakloos en alleen gebruikt om kleurverschillen tussen vaten of batches te egaliseren.

Het gebruik van deze middelen verschilt per producent. Sommige huizen vermijden toevoegingen volledig, anderen gebruiken ze met mate om consistentie te waarborgen.

Hoewel langere rijping vaak samengaat met een diepere kleur, is dit geen vaste regel. Vatkeuze, toastgraad, vatgrootte, opslagomstandigheden en eventuele kleurcorrectie spelen allemaal een rol. Een jonge cognac kan door rijping in kleine, nieuwe, zwaar getoaste vaten opvallend donker zijn, terwijl een oudere cognac uit grote, gebruikte vaten juist lichter van kleur blijft.

Het is daarom verstandiger om bij de beoordeling van cognac te vertrouwen op geur, smaak en balans, in plaats van op kleur alleen.

Traditie en toekomst

Cognac blijft een van de meest verfijnde distillaten ter wereld. Van de stille wijngaarden in de Charente tot de donkere kelders waar eaux-de-vie decennialang rusten, draait alles om geduld, precisie en kennis die vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Vandaag staat cognac op een kruispunt. De grote huizen blijven het wereldbeeld bepalen, maar kleinschalige producenten tonen dat authenticiteit en terroir net zo goed een publiek vinden. Innovatie en traditie bestaan er naast elkaar: klassieke blends worden niet alleen puur genoten, maar ook verwerkt in verfijnde cocktails, terwijl liefhebbers ontdekken dat cask strength en single cru expressies een heel ander spectrum aan smaken openen.

De toekomst van cognac zal afhangen van hoe de sector inspeelt op veranderende klimaatomstandigheden en nieuwe smaakvoorkeuren, zonder het evenwicht te verliezen tussen traditie en vernieuwing. Eén ding blijft zeker: een goed gemaakte cognac is geen modetrend, maar een tijdloze expressie van plaats, vakmanschap en geduld.

Pinot Noir – De wijn van het jaar 2025

Pinot Noir als wijn van het jaar. Zo zou men zonder veel overdrijving ons persoonlijk wijnjaar kunnen samenvatten. Wie even terugblikt op de flessen die de voorbije maanden over onze proeftafel passeerden, kan niet anders dan vaststellen dat Pinot Noir in al haar gedaanten: Pinot Nero, Spätburgunder, Blauburgunder een opvallende hoofdrol opeiste. En vooral de laatste maanden van het jaar groeide die aanwezigheid uit tot wat men gerust een orgelpunt mag noemen.

Ook binnen onze clubactiviteiten was dat niet anders. De Südtirol / Alto Adige Deep Dive stond dit jaar nadrukkelijk in het teken van Pinot Noir. In november organiseerde ik met wijnclub Het Negende Vat een uitgebreide Pinot Noir-degustatie, en bij wijnclub Amici vormde deze druif de afsluiter van het proefjaar.

Bij Amici beperkte wijnmeester Peter zich gelukkig niet tot ons, terecht geliefde wijnland Italië. Er werd breder gekeken, en dat was een verstandige keuze. Als er één Franse druif is die werkelijk internationale erkenning verdient, dan is het Pinot Noir. Ze doet de andere Franse soortgenoten verbleken, paradoxaal genoeg terwijl ze zelf de lichtste is, althans wat kleur betreft. Tijdens de degustatie werd meermaals verwezen naar whole cluster fermentation, een vinificatietechniek die de voorbije jaren steeds vaker opduikt bij kwaliteitsgerichte wijnmakers. Daarover later meer — dit thema verdient een afzonderlijke, diepgravende bespreking, en ik werk al enige tijd aan een artikel over dat onderwerp.

Dat Pinot Noir een nukkige en veeleisende druif is, hoeft nauwelijks nog betoog. Haar notoire reputatie is al eeuwen gevestigd. Feit is dat Pinot Noir de ouder is van vele andere druivenrassen. Denken we maar aan Chardonnay, Pinot Blanc, Pinot Gris, naast tal van andere mutaties. Al in de Romeinse tijd stond ze bekend als Helvenacia Minor, en haar historische thuisbasis is Bourgogne, waar ze al sinds de vierde eeuw vóór Christus wordt gecultiveerd. Wie dagelijks tussen Fixin en Santenay mag paraderen, zou zelf ook weinig reden tot klagen hebben.

Toch is Pinot Noir allesbehalve vergevingsgezind. Een behoorlijke kleurextractie is moeilijk door het lage gehalte aan anthocyanen, wat resulteert in die kenmerkende, lichte robijnkleur, al van jongs af aan zichtbaar. Voor de wijnbouwer is deze druif een genadeloze toetssteen: wie haar niet beheerst, valt onverbiddelijk door de mand. De lijst van uitdagingen is indrukwekkend. Pinot Noir is vroeg rijp, maar heeft baat bij een lange rijpingsperiode; ze is gevoelig voor warmte, maar heeft die tegelijk nodig; ze houdt niet van natte voeten, maar prefereert wel een vochtig klimaat; ze bot vroeg en is daardoor kwetsbaar voor lentevorst. Tijdens de vinificatie kan de gisting heftig en moeilijk controleerbaar zijn, aroma’s gaan snel verloren, en zowel te rijp als te onrijp geoogst fruit leidt vaak tot onevenwichtige wijn. Oxidatie ligt voortdurend op de loer, houtgebruik vergt uiterste voorzichtigheid, en eenmaal gebotteld kan Pinot Noir ronduit wispelturig zijn.

En toch, of misschien juist daarom, blijft ze fascineren. Want wanneer alles samenvalt, wanneer kunde, terroir en timing elkaar vinden, levert Pinot Noir wijnen op die ongeëvenaard zijn in verfijning, nuance en emotionele duidingskracht. Aan sommige exemplaren beleef ik dubbel zoveel genot aan de geurfase dan aan de proeffase.

Dat ze bovendien resveratrol en saponines bevat, nemen we graag mee als voetnoot. Gezondheid is nooit de hoofdreden om Pinot Noir te drinken, maar het is een aangename bijkomstigheid.

Met die gedachte in het achterhoofd doken we bij wijnclub Amici de proefglazen in. Wat volgt zijn mijn proefnotities van een degustatie die perfect illustreert waarom Pinot Noir tegelijk vloek en zegen blijft.

Proefnotities van de Amici Pinot Noir tasting:

  1. Shannon Vineyards Rockn Rolla Pinot Noir 2020 – Elgin (Zuid-Afrika)
    Pinot Noir die een houtlagering krijgt van 12 maanden in Franse eiken vaten.
    Granaatrood van kleur. De neus is zuiver en aantrekkelijk, met aroma’s van aardbei, kers, framboos en rode bes. Daarbovenop komen florale toetsen van roos, gevolgd door kruidige accenten van peper en laurier. Na het walsen ontwikkelen zich aroma’s van sigarenkistje, mokka en tabak, ondersteund door een lichte aardse ondertoon. De neus neigt naar complexiteit, maar behoudt tegelijk een speels en open karakter. In de mond is de wijn mooi in evenwicht, met een perfecte aciditeit die voor frisheid en spanning zorgt. De structuur is verfijnd, met weinig aanwezige tannine en rijp, zuiver fruit dat de wijn een licht belegen indruk geeft zonder aan levendigheid in te boeten. De mond blijft fris en speels tot in de afdronk. Geen grote Pinot Noir in termen van kracht of concentratie, maar wel een bijzonder aangename en harmonieus opgebouwde wijn.
    Punten: 85/100 – Te koop bij Cape & Grapes (richtprijs 40,20 €)
  2. Grosjean Pinot Noir Vigne Tzeriat 2021 – Vallée d’Aosta DOC (Italië)
    Pinot Noir die 15 tot 18 maanden rijpt in barriques en vervolgens nog 12 maanden op fles.
    Licht robijnrood van kleur. De neus is complex en uitgesproken terroirgedreven. Typisch rood fruit zoals bosaardbei, kers en framboos vormt de kern, aangevuld met nuances van zwart fruit, met name braam. Florale toetsen van viooltjes zijn duidelijk aanwezig en bovendien heeft de wijn een licht vlezige indruk. Daarnaast ontvouwen zich aardse aroma’s van champignon, sous-bois en bosgrond, gevolgd door accenten van koffie, tabak, peper en laurier. Opvallend is dat na elke stilstand in het glas de bosgrond telkens opnieuw als eerste naar voren komt, wat de wijn een zeer herkenbare signatuur geeft. In de mond is het profiel steviger dan gemiddeld voor Pinot Noir, zowel wat tanninestructuur als aciditeit betreft. De zuren zijn uitgesproken maar goed geïntegreerd. In de smaak komen zeer duidelijk florale indrukken naar voren die doen denken aan viooltjessnoepjes (de paarse sjabbekes), wat contrasteert met het aardse karakter van de neus. Naar de afdronk toe neemt het boskarakter opnieuw de bovenhand, met bosaardbei, bospaddenstoel en bosgrond als leidraad. Dit is een karaktervolle Pinot Noir waarin finesse en structuur elkaar ontmoeten. Duidelijk geen allemansvriend.
    Punten: 87/100 – Te koop bij Licata (richtprijs: 30,00 €)
  3. Weingut Nelles Spätburgunder B-48 Grosses Gewächs 2020 – Ahr (Duitsland)
    Spätburgunder, specifiek afkomstig van het perceel B-48, waar steile hellingen en leisteenrijke bodems zorgen voor rijper fruit. De wijn kreeg een opvoeding in Franse eiken vaten, deels nieuw en deels gebruikt.
    De neus is breed en uitgesproken, met aroma’s die variëren van klein rood fruit zoals kriek, kers, aardbei en framboos tot een stevig en expressief rozenboeket. Daarbovenop komen frisse kruidige accenten van munt, peper en salie. Na het walsen ontwikkelen zich duidelijke tertiaire aroma’s van sigarenkistje, mokka en tabak, omkaderd door een aangename staltoets en een fijn verweven houtinvloed. In de mond volgt een duidelijk contrast met het uitbundige geurpalet. Hier toont de wijn zich rijper en zwoeler van stijl dan de neus doet vermoeden, met een uitgesproken indruk van vlierbes die het smaakbeeld domineert. De tannine zijn soepel en afgerond, de zuren net voldoende fris om het geheel in balans te houden. Het mondgevoel is zacht, fruitig en kruidig, met minder spanning dan verwacht, maar wel met een zekere rondheid en comfort. Dit is een Spätburgunder die meer inzet op rijpheid en toegankelijkheid dan op strakheid of finesse.
    Punten: 85/100 – Te koop bij Langbeen (richtprijs: 35,00 €)
  4. Domaine Louis Boillot & Fils Volnay 1er Cru Les Brouillards 2017 – Bourgogne (Frankrijk)
    Pinot Noir die een opvoeding kreeg van 18 maanden in Franse eiken vaten, waarvan 30% nieuw.
    Helder robijnrood van kleur, met een lichte evolutie passend bij de jaargang. De neus blijft almaar boeien: bij aanzet is het aromatisch palet al opvallend breed, en hoe langer de wijn openstaat, hoe complexer het bouquet zich ontvouwt. In willekeurige volgorde komen aroma’s naar voren van bosaardbei, framboos en kriek, viooltjes, peper en kaneel, gevolgd door koffie, ceder en tabak. Verder ook thee, laurier, humus, boschampignon en uitgesproken sous-bois. Het geheel is complex, harmonieus en verveelt geen enkele seconde. In de mond zet de wijn deze veelbelovende geurfase moeiteloos verder. De tannine zijn mooi en zuiver, voldoende krachtig maar fijn van textuur. De zuren zijn levendig en dragen de wijn over de volledige lengte van de smaak. Alles valt hier voorbeeldig op zijn plaats: sappig = acide = heeft voldoende tannine = super in balans = mineraal = bovenal subliem lekker!
    Punten: 93/100 – Niet te koop in België (richtprijs 75,00 €)
  5. Kellerei Girlan Pinot Noir Riserva Trattmann 2016 – Südtirol/Alto Adige DOC (Italië)
    Deze Pinot Noir ondergaat verscheidene lageringen alvorens hij op de markt komt. Vooreerst krijgt hij een opvoeding, deels in barriques (225 liter) en grote botti van 12 hectoliter voor 12 maanden. Nadien volgt een rijping van 8 maanden in 70 hectoliter vaten en tenslotte rust de wijn verder in de fles gedurende 8 maanden.
    Dit complex rijpingsproces uit zich al onmiddellijk als je een eerste snuif doet aan het glas. We geven voor de volledigheid nog mee dat de wijn een mooie volle kersenrode kleur heeft. De neus is rijp, diep en complex, met een fantastisch mooie roodfruitmelange van voornamelijk (bos)aardbei, kers en framboos. Bovendien is de wijn heerlijk geparfumeerd. Zowel de geurige roosjes als de diepere florale toetsen van viooltjes komen opzetten. Fijn kruidig met een initiële aanzet van tertiaire aroma’s van tabak, sigarenkistje, en cederhout, met nuances van mokka, koffie en op de achtergrond een subtiele aardse toets van humus en bosgrond. Alles is mooi geïntegreerd en straalt een levendige rijkheid en complexiteit. De verwachtingen bij het proeven zijn alvast hoog! Hoewel wijnmeester Peter 2 van de vier flessen (terecht) heeft afgekeurd en we als gevolg hiervan maar een mierenlek in het glas kregen stelde dit wijnplasje totaal niet teleur. Integendeel, deze Pinot Noir toont zich met een zachte maar toch krachtige, serieuze en vooral uitgebalanceerde stijl. De tannine zijn rijp, aanwezig en geven de wijn een duidelijke structuur. De zuren zijn nog steeds levendig genoeg om het geheel fris te houden, en staan volledig in dienst van balans en lengte. Het fruit is wat rijper wat het geheel een wat ronder mondgevoel geeft. De afdronk is lang, sappig en gedragen, met minerale en kruidige accenten. Dit is geen speelse Pinot Noir, maar een volwassen, vlotte, geconcentreerde en harmonieus opgebouwde wijn.
    Punten: 90/100 – Te koop bij Het Wijnsalon (richtprijs: 38,50 €)
  6. Weingut Dr. Wehrheim Sonnenschein Spätburgunder Grosses Gewächs 2020 – Pfalz (Duitsland)
    Spätburgunder die gedurende 12 tot 14 maanden rijpt in eiken barriques.
    Helder robijnrood van kleur met een frisse, nog vrij jeugdige glans. Hoewel er wat donkerder fruit in de geur aanwezig is, zonder echt zwart fruit te worden, staat het rode fruit centraal met aroma’s van zure kers, kriek, rode bes en bosaardbei. Daarbovenop komen duidelijke florale toetsen van viooltjes, gevolgd door een verfijnde kruidigheid van witte peper en een hint van laurier. Na het walsen ontwikkelen zich zelfs wat meer balsamische toetsen maar ook meer aardse en minerale nuances. Het aromatische profiel is eerder ingetogen dan uitbundig. In de mond toont deze Spätburgunder zich strak en energiek, met een stevige doorzetting van de kers/kriek. Dit zorgt voor een uitgesproken aciditeit die de wijn lengte en spanning geeft. De tannine zijn fijn maar licht nerveus aanwezig. Voldoende lange lengte. Al bij al is dit een zeer aangename wijn die nog wat jong overkomt maar die het niveau van de vorige twee wijnen niet kan bereiken. Een kleine terugval.
    Punten: 87/100 – Te koop bij Langbeen (richtprijs 49,60 €)
  7. Cristom Vineyards Pinot Noir Mt. Jefferson Cuvée 2023 – Eola Amity Hills Willamette Valley (VS)
    Deze Pinot Noir, die een rijping krijgt van 11 maanden in barriques, kreeg een mooie notering (11e plaats) in de Wine Spectator top 100 van 2025. Ik geef graag even mee wat de WS commentaar is over deze wijn: ‘This impressive Pinot is polished and detailed, offering dynamic flavors of raspberry and blueberry, with mineral and brown baking spice hints that build richness toward fine-grained tannins.’ Ik toets deze even af met mijn proefnotitie.
    Zuivere kersenrode kleur met een frisse, jeugdige glans en mooi tranend. De neus is open en expressief, met een duidelijke focus op het aardse, bosaspect (boschampignon, sousbois, potgrond). Nadien volgt er een ware kruidenexplosie (peper, kaneel, jeneverbes, salie, munt, laurier…). Koffie en thee volgen snel. Het fruit laat echt wel op zich wachten. Even walsen, ruiken, wat heviger walsen. Het glas wegzetten en wat laten rusten en uiteindelijk is het daar: rood fruit van voornamelijk kers, kriek, framboos en rode bes, aangevuld met frisse toetsen van bosaardbei. Gelukkig is het fruit van bij de eerste slok wel aanwezig. Het mondgevoel is fris en levendig, met een uitgesproken maar stevig evenwichtige aciditeit die meteen voor spanning zorgt. Jeugdig, te jeugdig momenteel waardoor de wijn lichtjes nerveus overkomt. Mocht het thema niet als Pinot Noir gekend zijn, ik had op een blinde proef de wijn nooit als een Pinot Noir omschreven. Misschien leest dit net iets te negatief en dat is niet de bedoeling want ik kon de wijn wel zeer appreciëren.
    Punten: 89/100 – Niet te koop in België (richtprijs: 45,00 €)
  8. Domaine Fourrier Vieilles Vignes Pinot Noir 2012 – Gevrey Chambertin (Frankrijk)
    Pinot Noir die 18 maanden rijpt in Franse eiken vaten met een beperkt aandeel (20%) nieuw hout.
    Granaatrood van kleur met duidelijke evolutie en licht troebel. De neus is uitgesproken Bourgondisch met uiteraard wat oudere geuren en volop tertiaire aroma’s. Maar desondanks staat het rode fruit nog steeds centraal met aroma’s van kers, kriek maar ook gedroogde framboos. Florale toetsen zijn aanwezig maar ingetogen, richting gedroogde roos. Daaronder ontvouwt zich een complex tertiair palet van sous-bois, humus, natte bladeren en bospaddenstoel, gevolgd door accenten van thee, tabak, cederhout en een lichte kruidigheid van peper en laurier. Alles is perfect versmolten. In de mond is de wijn zacht en harmonieus opgebouwd. De tannine zijn volledig afgerond, de zuren nog levendig maar subtiel geïntegreerd. Het fruit is geëvolueerd maar nog mooi aanwezig. De afdronk is lang, verfijnd en aangenaam. Dit is geen expressieve of opulente Pinot Noir, maar een klassiek, mature Gevrey-Chambertin die inzet op balans, diepgang en sereniteit. Wat mij betreft dan ook een heerlijke afsluiter van een zeer mooie proeverij!
    Punten: 90/100 – Niet te koop in België (richtprijs 75,00 €)