Boter in witte wijn – Van aroma tot textuur

Enige tijd geleden kreeg ik een mail met een eenvoudige vraag. Waarom smaken sommige wijnen zo duidelijk naar boter, terwijl andere daar geen spoor van vertonen. Het leek me een perfecte aanleiding om dieper te graven. Want ja, je kan daar snel een kort antwoord op formuleren, maar wie zich een beetje verdiept in wat er in de kelder gebeurt, merkt al gauw dat het verhaal rijker en boeiender is dan dat eerste antwoord doet vermoeden.

De botersmaak in wijn is een aroma dat bijna iedereen herkent, maar zelden onverschillig laat. Voor de ene wijnliefhebber is ze warm, rond en verleidelijk, voor de andere net te zwaar of zelfs storend. Wat vaak gemakshalve als ƩƩn smaak wordt benoemd, blijkt in werkelijkheid het resultaat van meerdere bewuste keuzes in de kelder.

Achter dat romige, soms licht popcornachtige karakter schuilt een samenspel van processen. Diacetyl speelt daarin een centrale rol, maar het verhaal stopt daar niet. Ook rijping sur lies en houtlagering kunnen bijdragen aan een boterachtige indruk. Elk van die elementen doet dat op zijn eigen manier. Soms zit boter vooral in het aroma, soms eerder in het mondgevoel, soms subtiel op de achtergrond, soms nadrukkelijk aanwezig.

Wie begrijpt waar die verschillen vandaan komen, proeft wijn anders. Niet technischer, maar bewuster. Want boter in wijn heeft geen vaste betekenis. Ze is het resultaat van keuzes, timing en stijl. En precies dat maakt dit onderwerp zo interessant om verder uit te pluizen.

Diacetyl als chemische en sensorische sleutel

Diacetyl is de stof die verantwoordelijk is voor het herkenbare boteraroma in wijn. Het is die geur die kan doen denken aan room, warme boter of zelfs een vleugje popcorn. In gefermenteerde zuivel speelt diacetyl een hoofdrol en is het aroma vaak uitgesproken aanwezig. In wijn ligt dat gevoeliger. De hoeveelheden zijn meestal veel kleiner en bevinden zich soms zelfs rond de grens van wat we kunnen waarnemen. Toch kan diacetyl een wijn opvallend sturen in hoe rond, zacht of romig hij wordt ervaren.

Wie het technisch wil benoemen, kan zeggen dat diacetyl ook bekendstaat als 2,3 butaandion. Maar belangrijker dan de naam is het effect in het glas. Zelfs in kleine hoeveelheden kan diacetyl een disproportioneel grote invloed hebben op de stijl en beleving van een wijn.

Bij lage concentraties herken je diacetyl zelden meteen als boter. Het uit zich dan eerder als een zachte, romige indruk, met nuances van notig, licht toast of iets gistachtigs. Pas wanneer de hoeveelheid toeneemt, wordt het aroma duidelijk boterachtig en krijgt het een uitgesproken lactisch karakter. Die verschuiving gebeurt niet plots. Ze hangt af van de wijnstijl en van wat er nog meer in het glas aanwezig is. Wat in een volle Chardonnay als rond en aangenaam wordt ervaren, kan in een lichtere wijn al snel te zwaar of overheersend aanvoelen.

De oorsprong van diacetyl ligt in een biologisch proces dat veel wijnen doormaken, de malolactaatomzetting. Hoe dat proces verloopt en hoe ermee wordt omgegaan, bepaalt in grote mate of boter slechts een nuance blijft of een duidelijke stijlkeuze wordt.

Dat maakt diacetyl tot een bijzonder aroma. Het ligt nooit vast, maar reageert op timing, omgeving en intentie. Soms blijft het discreet op de achtergrond, soms drukt het een duidelijke stempel op de wijn. Precies die beweeglijkheid verklaart waarom boter in wijn zo sterk met stijl verbonden is, en waarom ze bij de ene wijnmaker bewust wordt opgezocht en bij de andere net wordt vermeden.

Malolactaatomzetting als instrument

In wijn is diacetyl onlosmakelijk verbonden met de malolactaatomzetting. Tijdens dit proces wordt het frisse en vaak scherpe appelzuur omgezet in zachter melkzuur. Sensorisch vertaalt zich dat van groene appel naar een ronder en zachter geheel. In diezelfde beweging ontstaat diacetyl, de stof die verantwoordelijk is voor het boteraroma.

Bij witte wijnen is deze omzetting geen vanzelfsprekendheid. Ze wordt bewust ingezet wanneer een wijnmaker meer rondheid of een boterachtig accent nastreeft. Veel witte wijnen behouden net hun frisheid door de malolactaatomzetting te vermijden. Dat maakt de keuze om ze wel toe te passen des te bepalender voor de uiteindelijke stijl.

Om die keuze ook effectief te kunnen maken, moet de malolactaatomzetting beheersbaar zijn. Ze wordt uitgevoerd door melkzuurbacteriƫn, maar dat gebeurt zelden op goed geluk. Wijnmakers willen dit proces kunnen sturen en beheersen, omdat het een duidelijke invloed heeft op smaak en stijl. Daarom wordt er gewerkt met bacteriƫn die zich betrouwbaar gedragen in wijn en voorspelbare resultaten geven. Oenococcus oeni is daarbij de meest gebruikte keuze. Ze zet appelzuur om zonder de wijn uit balans te brengen en laat de wijn toe om zachter en ronder te worden. Tegelijk speelt bij deze bacterie ook het metabolisme van citroenzuur een rol, wat mee aan de basis ligt van de vorming van diacetyl.

Wat deze fase extra boeiend maakt, is dat diacetyl geen blijvend eindpunt is. Het kan aanwezig zijn, verdwijnen en later opnieuw opduiken. Boter in wijn is dus geen vaststaand aroma, maar een moment in de evolutie van de wijn. Dat betekent dat de wijnmaker niet alleen invloed heeft op hoeveel boter ontstaat, maar ook op hoe lang die indruk blijft hangen. Tijd wordt hier een stilistisch instrument.

Hoe uitgesproken boter uiteindelijk aanwezig is, hangt af van een reeks keuzes. De gebruikte bacteriestam speelt daarbij een rol, net als het moment waarop de malolactaatomzetting wordt ingezet. Wanneer deze omzetting samenvalt met de alcoholische gisting, kan een deel van het boteraroma alweer verdwijnen. Wordt ze pas later gestart, dan krijgt diacetyl meer ruimte om zich te tonen. Ook het tempo waarin alles verloopt, maakt verschil. Een rustige en gecontroleerde omzetting bevordert doorgaans een duidelijkere boterexpressie, terwijl een snel verloop het effect kan afzwakken. Zelfs daarna blijft het boterkarakter gevoelig voor ingrepen en kan het tijdelijk naar de achtergrond verdwijnen om later opnieuw op te duiken.

In de kelder wordt vaak gesproken in culinaire beelden, en dat is niet toevallig. Brood en boter zijn meer dan metaforen. Ze verwijzen naar processen die elkaar aanvullen. Gisting, rijping en hout zorgen voor structuur en aromatische lagen, terwijl malolactaatomzetting de wijn afrondt en verzacht. Zelden staat ƩƩn element op zichzelf. Zonder die verzachtende rol kan een wijn streng of hoekig blijven, terwijl boter zonder tegengewicht al snel vlak of zwaar wordt. Het is net de wisselwerking tussen die verschillende stappen die bepaalt of een wijn spanning en harmonie vindt.

De invloed van gist en lies

Hoewel diacetyl vooral met melkzuurbacteriƫn wordt geassocieerd, speelt gist een belangrijke rol in hoe boter in wijn tot uiting komt. Tijdens de alcoholische gisting produceren gisten kleine hoeveelheden diacetyl, maar die blijven doorgaans onder de waarnemingsdrempel. Belangrijker is wat er daarna met diacetyl gebeurt. Actieve gistcellen kunnen diacetyl verder reduceren tot minder aromatische verbindingen. Dat verklaart waarom wijnen waarbij alcoholische gisting en malolactaatomzetting tegelijk verlopen, vaak minder uitgesproken boter tonen. Gist werkt hier niet als bron, maar als regulator.

Na de gisting verandert de rol van gist ingrijpend. Wanneer wijn rijpt sur lies, blijft ze in contact met de fijne gistresten. Tijdens de autolyse komen verbindingen vrij die het mondgevoel verzachten en de wijn meer volume geven. Dit vertaalt zich in een romiger, rondere textuur die vaak als boterachtig wordt ervaren, ook wanneer er weinig of geen diacetyl aanwezig is.

BĆ¢tonnage, het regelmatig oproeren van de lies, versterkt dit effect verder. Door de fijne gistresten opnieuw door de wijn te mengen, wint de wijn aan volume en mondvulling. Hij voelt breder en rijker aan, zonder noodzakelijk aan frisheid in te boeten. Het botergevoel dat hier ontstaat, verschilt duidelijk van dat van diacetyl. Het zit minder in de geur en meer in de structuur. De associaties verschuiven van gesmolten boter naar brioche, room en vers brood.

Hoewel sur lies rijping geen boteraroma creëert, beïnvloedt ze wel het kader waarin boter wordt waargenomen. Tijdens en na de malolactaatomzetting kan voorzichtig liescontact helpen om de wijn beter in evenwicht te houden. Nadien verschuift de impact volledig naar textuur. De wijn voelt voller, zachter en afgeronder aan. Zo kan een boterachtige indruk ontstaan zonder dat boter expliciet te ruiken is.

Houtlagering en aromatische context

Hout draagt zelf geen diacetyl aan, maar heeft een grote invloed op hoe boter in wijn wordt waargenomen. Door houtlagering ontstaat een aromatisch kader waarin boterachtige indrukken beter tot hun recht komen. Aroma’s van vanille, karamel en lichte toast versterken de indruk van romigheid en zorgen ervoor dat boter niet op zichzelf staat, maar deel wordt van een breder geheel.

In combinatie met malolactaatomzetting en rijping sur lies kan houtlagering bijdragen aan het klassieke profiel van een rijke, volle witte wijn, maar ze is geen voorwaarde om een boterige indruk te creëren. Boter is daarbij zelden het hoofdthema. Ze fungeert eerder als bindmiddel tussen fruit, hout en textuur. Zonder dat kader kan boter snel dominant worden. Met de juiste houttoets wordt ze geïntegreerd en gedragen. Wijnen die rijpen in inox, beton, amfoor of andere materialen missen dit houtkader, maar kunnen via malolactaatomzetting en liescontact evengoed een boterige indruk ontwikkelen, zij het met een ander accent.

Houtlagering hoeft daarbij niet uitsluitend in klassieke vaten te gebeuren. Ook andere vormen van houtgebruik kunnen, mits zorgvuldig gekozen en gedoseerd, bijdragen aan dat romige totaalbeeld. Het verschil zit minder in de vorm dan in de intentie. Te veel hout maakt een wijn log en eendimensionaal, te weinig laat boter op zichzelf staan.

Ook het type eik speelt een rol in de nuance. Franse eik legt vaak de nadruk op finesse en kruidigheid, terwijl Amerikaanse eik sneller associaties oproept met vanille en kokos. Slavonische eik bevindt zich daar vaak tussenin. Het zijn geen vaste regels, maar stijlaccenten die de wijnmaker kan inzetten om boter te sturen, te verzachten of juist iets meer profiel te geven.

Hoe zit het met boter in rode wijn?

Hoewel boter vooral met witte wijn wordt geassocieerd, is het zinvol om kort stil te staan bij wat malolactaatomzetting in rode wijn doet. In tegenstelling tot wit is deze omzetting bij rood vrijwel standaard. Ze draagt bij aan zachtheid, rondheid en een soepeler structuur. Het boteraroma zelf blijft daarbij meestal op de achtergrond. Niet omdat het afwezig is, maar omdat het zelden de kans krijgt om zich expliciet te tonen.

Rode wijn bevat een rijk palet aan fenolen en tannine die het aroma van diacetyl deels maskeren. Wat in witte wijn snel als boter wordt herkend, gaat in rode wijn op in de structuur. Het effect is vooral voelbaar in de mond. De wijn wordt minder streng, beter geĆÆntegreerd en toegankelijker, zonder zijn identiteit te verliezen.

Daarnaast is diacetyl een reactieve verbinding die kan interageren met andere bestanddelen van wijn. In rode wijn is beschreven dat diacetyl kan reageren met kleurstoffen, wat mogelijk bijdraagt aan kleurstabiliteit en structurele samenhang. Die interacties zorgen ervoor dat diacetyl minder vrij beschikbaar blijft als aroma. Het boterkarakter wordt niet uitgespeeld, maar opgenomen in het geheel.

Boter als stijlkeuze

De aantrekkingskracht van boter in wijn hangt sterk samen met verwachting en context. Voor sommige wijnliefhebbers staat een romige toets voor comfort en rijkdom. Anderen zoeken net spanning, frisheid en precisie. Voor de wijnmaker is boter geen doel op zich, maar een stijlmiddel. Een resultaat van keuzes waarin wetenschap, techniek en smaak elkaar kruisen. Precies daarom is boter in wijn geen universele norm, maar een bewuste richting.

De vraag waarmee dit artikel begon, bleek al snel minder eenvoudig dan het antwoord dat ik haar meestal geef tijdens cursussen of proeverijen. Een boterige indruk in witte wijn ontstaat niet door één ingreep, maar door een samenspel. Zoals malolactaatomzetting, rust op de fijne lies, eventueel bâtonnage en soms houtlagering. Elk element draagt bij, maar geen enkel op zichzelf vertelt het hele verhaal. Achter dat romige gevoel schuilt meer nuance dan het glas op het eerste gezicht prijsgeeft.

Wie wijn zo benadert, proeft anders. En misschien is dat wel de essentie. Wijn laat zich niet herleiden tot ƩƩn smaak of ƩƩn verklaring. Ze nodigt uit tot vragen stellen, tot blijven ontdekken en blijven proeven.

Heb je zelf een vraag die om meer vraagt dan een snel antwoord, dan hoor ik die graag. Wie weet vormt ze het vertrekpunt van een volgend artikel.

Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

ā€œVolgens Wikipedia is Lambrusco een Italiaanse wijn uit Emilia-Romagna en Lombardije, vernoemd naar de lambruscodruif. Hij bestaat in rood, rosĆ© en wit, in zowel zoetere als drogere stijlen, en is vaak licht mousserend.ā€

Met die definitie in het achterhoofd starten we onze zondagse Lambrusco-reeks. Aan jullie om na afloop te beslissen of Wikipedia het volledig bij het rechte eind heeft, of dat er nog nuances te ontdekken vallen.

Een reeks wijden aan Lambrusco is misschien gewaagd. Dit is tenslotte een naam die lang opdook in lijstjes van ā€œminst geliefde wijnenā€, vaak door zijn zoete, eenvoudige imago. En toch willen we hem opnieuw bekijken. Lambrusco is immers een wijn die de voorbije jaren opvallend vaak opnieuw opduikt bij mensen die beroepshalve veel proeven.

Lambrusco is authentiek Italiƫ in het glas. Een combinatie die prikkelt: meestal rood en bruisend, feestelijk Ʃn verrassend doordrinkbaar. De naam roept beelden op van zonnige wijngaarden, lange feestelijke tafels en het moment waarop een fles opengaat en iedereen even opkijkt. Het is een wijn met een zeldzame belofte: tegelijk licht en karaktervol, dorstlessend en toch complexer dan je op het eerste gezicht zou denken.

Een klassieker met een lange adem

Lambrusco heeft al een hele weg afgelegd in de Italiaanse wijngeschiedenis. Al eeuwenlang hoort hij bij het Italiaanse leven, als een bruisende rode wijn die niet bedoeld is om te imponeren, maar om plezier te geven: speels, lichtvoetig en uitnodigend. Het is een wijn die vanzelf op tafel komt, bij eten en gezelschap. Hij houdt het gesprek gaande en maakt gerechten net iets levendiger, alleen al door die frisse prikkel.

Die lange traditie verklaart meteen waarom Lambrusco niet in ƩƩn vakje past. Lambrusco is geen ā€œĆ©Ć©n wijnā€, maar een familie van druivenvariĆ«teiten die al generaties lang wordt aangeplant, met zijn oorsprong in ItaliĆ« en vooral in Emilia-Romagna. Dat levert een brede waaier aan expressies op, met ƩƩn duidelijke gemene deler: Lambrusco brengt sprankel in het glas.

Verderop in de reeks wordt duidelijk hoe groot die variatie kan zijn. Lambrusco kan verschillende gezichten tonen: van strak en verfrissend tot wat ronder en zachter, van droog tot soms een tikje zoeter. En ja, ook de klassieke stijl bestaat nog altijd: wijnen waarin het fruit duidelijk zoet en geconcentreerd is, gemaakt om makkelijk te behagen en vaak in grote volumes.

De herwaardering van vandaag vertrekt net van het andere uitgangspunt. Steeds meer producenten zetten in op droge en halfdroge versies, waarin het fruit jeugdig blijft en de spanning de hoofdrol speelt. Dat verschil proef je meteen, en het verklaart waarom Lambrusco vandaag opnieuw serieus genomen wordt.

De opkomst en het stigma: een wijn van zijn tijd

Buiten ItaliĆ« kende Lambrusco zijn grote moment in de jaren 1970. Het was een wijn die perfect paste bij de tijdsgeest en bij een jong publiek: bruisend en toegankelijk. Maar net dat succes had een keerzijde. Het zoetere, ā€œbubblyā€ karakter werd door wijnpuristen al snel weggezet als vrijblijvend. Leuk voor even, maar niet ernstig genoeg om echt mee te tellen.

Wat daarna volgde, is een scenario dat de wijnwereld goed kent: populariteit lokt schaalvergroting uit, en schaalvergroting duwt kwaliteit vaak naar de achtergrond. In de jaren 1980 en 1990 raakten buitenlandse markten overspoeld met flessen die vooral mikten op snelle verkoop. Veel Lambrusco’s werden overdreven zoet, soms zelfs wat artificieel van indruk, met een vlak profiel dat weinig vertelde over wat Lambrusco eigenlijk kan zijn.

ā€œVergelijk het met wat er in Frankrijk met Beaujolais Nouveau is voorgevallen. Het korte-termijnsucces gaf de regio zoveel zichtbaarheid, maar duwde tegelijk een stijl naar voren die het beeld van Beaujolais jarenlang heeft scheefgetrokken. Zelfs nu, ondanks grote vooruitgang en inspanningen, roept de naam bij velen nog altijd dat oude negatieve beeld op.ā€

Zo schoof de wijn stilaan van publiekslieveling naar clichĆ©. Consumenten begonnen Lambrusco te associĆ«ren met plakkerige zoetheid en eenvoudige etiketten, terwijl intussen de internationale smaak opschoof naar ā€œserieuzereā€ en meer gestructureerde wijnen. Lambrusco verdween daardoor steeds vaker naar de rand van de wijnkaart. Niet omdat de wijn ophield te bestaan, maar omdat het vertrouwen weg was. En dat is in wijn soms het moeilijkst terug te winnen.

De revival: hoe Lambrusco opnieuw ā€œcoolā€ werd

Het reputatieverlies van Lambrusco speelde vooral buiten ItaliĆ«. In zijn thuisregio bleef hij gewoon deel van het dagelijkse leven: een wijn die je openmaakt bij eten, zonder veel poeha. Niet omdat hij ā€œstatusā€ moet uitstralen, maar omdat hij doet wat hij moet doen aan tafel. Een wijn die past bij het ritme van het leven in ItaliĆ«.

Net dat helpt om zijn comeback te begrijpen. Lambrusco wordt vandaag opnieuw bekeken vanuit zijn bedoeling: toegankelijk, makkelijk drinkbaar en gemaakt om bij eten te schenken. Dat sluit aan bij hoe veel mensen nu wijn kiezen. Minder zwaar, minder nadruk op kracht of hout, meer focus op drinkplezier en inzetbaarheid aan tafel.

Die heropleving gaat ook samen met een nieuwe generatie wijnmakers, en met gevestigde namen die hun stijl bewuster zijn gaan sturen. De focus verschuift weg van ā€œzoet en bruisendā€ als standaardbeeld, richting een breder aanbod waarbij kwaliteit en aanpak opnieuw belangrijk worden. Bij sommige producenten zie je meer aandacht voor de manier waarop de bubbels worden gemaakt, met stijlen die fijner en verfijnder aanvoelen dan de klassieke frizzante-versies.

Ook de omgeving veranderde mee. Wijnbars en restaurants zetten Lambrusco vaker op de kaart omdat hij praktisch is: hij combineert makkelijk met allerlei gerechten. Dankzij zijn eigenschappen komt hij bijzonder goed tot zijn recht bij vettere of zoutere bereidingen. Het is geen toeval dat hij net in Emilia-Romagna, de gastronomische buik van Italiƫ, altijd is blijven scoren. Daar hoort Lambrusco gewoon bij een tafel waar smaak en eten centraal staan. En omdat de Italiaanse keuken wereldwijd zo populair is, volgt de wijn mee: Lambrusco duikt opnieuw op in restaurants en wijnbars buiten Italiƫ, dit keer met een positievere context.

Hoe drink je Lambrusco zoals hij bedoeld is?

Lambrusco drink je het best met ƩƩn simpele gedachte: behandel hem niet als een klassieke rode wijn. Hij is gemaakt om aan tafel te staan. Twee principes volstaan om hem juist te benaderen.

Ten eerste is hij op zijn sterkst wanneer hij mag doen waarvoor hij bedoeld is: eten ondersteunen, smaken opfrissen en een maaltijd vlot laten doorlopen. Dankzij zijn zuren en zijn lichte sprankel werkt hij opvallend goed bij gerechten met wat meer vet, zout of umami. Daarom voelt Lambrusco zich zo thuis in een keuken waar gulheid en smaak centraal staan, en daarom past hij ook zo goed bij hoe we vandaag vaak eten: delen, verschillende schotels op tafel, informele momenten met veel smaak.

Ten tweede: serveer hem licht gekoeld. Dat bepaalt hoe je hem ervaart. Koeler geserveerd komt Lambrusco strakker over: de zuren vallen duidelijker op, het fruit blijft fris en de sprankel oogt verfijnder. Serveer je hem te warm, dan verliest hij net die levendigheid die hem zo geschikt maakt aan tafel.

En nog ƩƩn praktische tip die je vanzelf ontdekt: Lambrusco werkt het best in gezelschap. Niet omdat het romantisch klinkt, maar omdat het simpelweg een wijn is die gemaakt is om te schenken, door te geven en opnieuw bij te vullen. Daar komt hij het best tot zijn recht.

Een vergeten icoon, eindelijk juist begrepen?

Lambrusco’s comeback lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: een wijn die te lang werd afgerekend op zijn zwakste exportversies, krijgt opnieuw aandacht voor wat hij óók kan zijn. Veel droger, preciezer, met meer aandacht in wijngaard en kelder. Het is een herwaardering die voortkomt uit betere flessen, betere keuzes en een publiek dat opnieuw bereid is te proeven zonder het oude beeld als uitgangspunt te nemen.

Maar de titel verdient ook een kritische noot. Is Lambrusco ā€œeindelijk juist begrepenā€? Door sommeliers, wijnbars en een groeiende groep liefhebbers misschien wel. Buiten die kring is het verhaal minder eenduidig. De klassieke, zoete en vaak eenvoudige stijl bestaat nog altijd, en wordt nog steeds ruim geproduceerd. Voor veel consumenten is dĆ”t nog steeds het referentiepunt. De reputatie schuift dus wel, maar ze is niet overal gekanteld. Wie ā€œLambruscoā€ zegt, zegt nog niet automatisch ā€œkwaliteitā€. Je moet nog altijd weten wat je koopt, en van wie.

Toch is er reden om optimistisch te zijn. Consumenten worden nieuwsgieriger en producenten leggen de lat hoger. Dat helpt Lambrusco, omdat zijn sterkste versie niet gebouwd is op suiker of effect, maar op balans en bruikbaarheid aan tafel.

Dus ja, Lambrusco wordt opnieuw ontdekt. Alleen is het werk nog niet af. Misschien is dat ook precies de juiste conclusie voor dit openingsartikel: Lambrusco is terug, maar of hij ā€œeindelijk juist begrepenā€ is, hangt af van welke fles je opent.

Volgende week kijken we terug: van wilde wijnstok tot klassieker, en hoe Lambrusco zich van Romeinse tijden tot vandaag ontwikkelde tot ƩƩn van Italië’s oudste wijnfamilies.

Minestrone, de Italiaanse soep voor koude dagen

Het is vroeg in de morgen en voor het eerst in lange tijd sneeuwt het buiten. Terwijl ik door de dwarrelende vlokken naar mijn schrijftafel ga, zoek ik naar een onderwerp voor een nieuw artikel. Bij het nippen van een eerste dubbele espresso wordt het plots duidelijk. De winter lijkt in het land te zijn en dan verdwijnen de klassieke, lichtvoetige soepen even naar de achtergrond. Typische comfortfoodsoepen halen de bovenhand, zoals de grote Italiaanse klassieker minestrone. Toch zou het jammer zijn om minestrone uitsluitend als winterkost te bekijken. Deze soep is een vaste waarde die zich moeiteloos aanpast aan tijd, plaats en humeur. Ze volgt geen strak recept, maar wat er op dat moment beschikbaar is. Dat maakt minestrone tegelijk herkenbaar en telkens anders.

Minestrone is stevig genoeg om als maaltijd te dienen, maar licht genoeg om niet te verzwaren. Dat evenwicht ontstaat door de combinatie van groenten, peulvruchten en vocht, langzaam gegaard in ƩƩn pot. De textuur ligt nooit vast. Soms helder en vloeibaar, soms voller en bijna lepelvast, afhankelijk van snijwijze, kooktijd en gekozen ingrediƫnten. Pasta of rijst kan worden toegevoegd, maar is geen verplichting. Precies die vrijheid maakt minestrone zo bruikbaar in de dagelijkse keuken.

Wanneer en hoe is minestrone ontstaan?

De oorsprong van minestrone ligt ver terug in de tijd, bij de dagelijkse keuken van het oude Rome. Al vanaf de tweede eeuw voor Christus veranderde het eetpatroon langzaam maar ingrijpend. Door economische groei en een beter georganiseerde landbouw kwam er een grotere variatie aan groenten beschikbaar. Die nieuwe overvloed vond haar weg naar ƩƩn pot, waarin verschillende groenten samen werden gekookt tot een voedzame soep voor velen.

In die context ontstond ook de naam. Het Latijnse minestrare betekent serveren of op tafel brengen en lag aan de basis van het woord minestra, een algemene benaming voor soep. De toevoeging ‘one’ geeft daar een extra betekenis aan. In het Italiaans duidt dit achtervoegsel op omvang en stevigheid. Minestrone betekent dus letterlijk een grote soep. Geen verfijnde bereiding, maar een royale pot die bedoeld was om te voeden, te vullen en te delen.

Dat verklaart meteen waarom er nooit ƩƩn vast recept is ontstaan. Boeren en arbeiders gebruikten restanten van eerdere maaltijden en seizoensgroenten. Minestrone was een gerecht dat zich voortdurend aanpaste aan plaats, moment en beschikbaarheid. Die flexibiliteit zit van bij het begin in het DNA van de soep.

Geleidelijk evolueerde minestrone mee met de geschiedenis. Aardappelen en tomaten verschenen pas op het toneel na de ontdekking van Amerika en werden opgenomen in de pan. In latere eeuwen volgde de verspreiding buiten Italiƫ, telkens aangepast aan lokale producten en smaken. Zelfs diepvriesgroenten deden in de twintigste eeuw hun intrede. Toch bleef de essentie onaangetast. Minestrone bleef een eenvoudige, vullende soep, geworteld in de cucina povera, betaalbaar, voedzaam en tot vandaag logisch in haar manier van koken.

De regionale varianten van minestrone

Vraag in Italiƫ naar minestrone en het antwoord verandert zodra je de volgende heuvel over bent. Dat is geen verwarring, maar net de essentie van het gerecht. Minestrone kent geen nationale standaard en geen officiƫle versie. Net zoals bij ons in Belgiƫ met stoofvlees, heeft elke regio, en vaak elke familie, haar eigen variant, en wordt die steevast als de juiste beschouwd.

In Liguriƫ krijgt minestrone een uitgesproken aromatisch karakter. Basilicum speelt er een hoofdrol en vaak wordt de soep afgewerkt met pesto, wat zorgt voor een kruidige diepte en een haast groene frisheid. De groenten blijven herkenbaar, maar het geheel krijgt een duidelijke regionale signatuur.

Toscane pakt het steviger aan. Daar schuurt minestrone tegen ribollita aan, een dikke soep waarin brood en cavolo nero, een lokale donkergroene koolsoort, zorgen voor body en structuur. Het resultaat is een geconcentreerde soep, die doorgaans traag wordt gegeten en langdurig verzadigt. Minder gericht op frisheid, meer op stevige winterkost waarvan ƩƩn kom volstaat om de honger te stillen.

In Noord ItaliĆ«, met regio’s als Lombardije en Piemonte, maakt pasta vaak plaats voor rijst. Dat levert een vollere, bijna romige textuur op die dicht tegen een risottosoep aanleunt. In berggebieden wordt de pan verder verrijkt met bonen, aardappelen of soms vleeswaren, bedoeld om warmte en energie te leveren in een streng klimaat.

Aan de kust verschijnen dan weer lichtere varianten, soms met een subtiele toevoeging van zeevruchten, terwijl het groentekarakter behouden blijft. Overal vertrekt men van hetzelfde idee, koken met wat de omgeving biedt.

Seizoensgebonden variaties

Minestrone beweegt mee met het jaar. Het seizoen bepaalt wat er in de pan belandt en hoe de soep aanvoelt.

In de lente wordt minestrone lichter en zachter van toon. Jonge tuinbonen, erwten en soms asperges zorgen voor frisheid en een groene smaak die nog voorzichtig is. De soep blijft licht en eerder vloeibaar, met een kortere kooktijd en een frisse, heldere structuur.

De zomer brengt rijpere groenten in de hoofdrol. Tomaten geven sap en diepte, courgette zorgt voor mildheid en basilicum brengt alles samen. Deze versies zijn vaak minder zwaar en draaien meer om smaak en geur dan om vulling.

In de herfst verandert het karakter opnieuw. Pompoen, prei en soms kastanjes zorgen voor rondheid en een dieper smaakprofiel. De kooktijd loopt op en de soep wordt voller.

De winter vraagt om robuustheid. Kool, aardappelen en bonen krijgen de tijd om samen te garen tot een stevige soep die voedt en verwarmt. Dit is minestrone als volwaardige maaltijd, bedoeld om koude dagen op te vangen.

Hoe licht of vol minestrone ook wordt ingevuld door het seizoen, blijft ze naar mijn gevoel vooral een soep die verwarmt. Daarom wordt minestrone, ondanks alle variatie, instinctief met de winter verbonden. Niet omdat ze daar exclusief thuishoort, maar omdat ze daar haar meest herkenbare rol speelt.

Ban de kant en klare minestrone

Minestrone kant en klaar kopen lijkt handig, maar het gemak is grotendeels schijn. Thuis maken vraagt nauwelijks meer tijd en levert een totaal ander resultaat op. Zelf koken betekent weten wat er in de pot zit, werken met verse groenten en smaak opbouwen zonder overbodige toevoegingen. Kant en klare minestrone voldoet, maar mist precies datgene wat het gerecht zijn karakter geeft.

Een huisgemaakte minestrone begint met een soffritto. Dat is de klassieke Italiaanse basis van fijn gesneden ui, wortel en selder die langzaam worden aangefruit in olijfolie. Niet om te bakken of te kleuren, maar om zacht te worden en hun aroma’s geleidelijk vrij te geven. Het huis vult zich onmiddellijk met een warme, uitnodigende geur die verwachtingen oproept.

Daarnaast is minestrone uit eigen keuken van nature voedzaam. Groenten en peulvruchten leveren vezels, vitaminen en mineralen, waardoor de soep stevig en vullend is, maar niet zwaar aanvoelt. Ze kan perfect dienen als maaltijd op zichzelf, vooral op koude dagen. Wie minestrone zelf maakt, kiest niet tegen gemak, maar voor smaak, controle en een soep die haar rol weer vol overtuiging opneemt.

Het recept, minestrone zoals ze thuis wordt gekookt

Dit recept vertrekt niet van vaste regels, maar van een eenvoudige werkwijze. EƩn pot, seizoensgroenten en de tijd om alles rustig te laten samenkomen. Het is de manier waarop minestrone al generaties lang thuis wordt gekookt, zonder afwegen op de gram en zonder strikte volgorde.

Ingrediƫnten voor 4 personen
1 grote ui
1 stengel selder
2 wortels
3 aardappelen
3 rijpe tomaten
250 g bloemkoolroosjes en witte kool samen
250 g erwten
2 courgettes
Olijfolie
Zout
Water

Bereiding

  • Was alle groenten zorgvuldig. Snijd ui, selder, wortel, aardappelen, tomaten en courgette in blokjes van ongeveer 1 cm. Verdeel de bloemkool in kleine roosjes en snijd de witte kool grof.
  • Verhit 2 tot 3 eetlepels olijfolie in een hoge, ruime pot. Fruit ui, selder en wortel ongeveer 3 minuten op matig vuur tot ze glazig zijn. Voeg vervolgens bloemkool, witte kool en aardappelen toe, of andere groenten met een stevigere structuur, en laat enkele minuten zacht meebakken.
  • Na ongeveer 5 minuten gaan de zachtere groenten erbij, courgette, tomaat en erwten. Meng alles goed en voeg kokend water toe tot de groenten net onderstaan.
  • Breng aan de kook, sluit de pot en laat de soep rustig garen zodat smaken zich verdiepen en de soep haar winterse karakter krijgt.
  • Let erop dat de groenten hun vorm behouden en niet uiteenvallen. Voeg indien nodig extra kokend water toe. Voeg zout pas op het einde toe, zodat de groenten hun smaak en structuur behouden.

Serveer de minestrone heet, eventueel afgewerkt met een scheutje olijfolie of wat geraspte kaas. Wie er een volledige maaltijd van wil maken, kan op het einde pasta of rijst toevoegen. De soep bewaart goed, wordt vaak nog beter de dag nadien en kan probleemloos worden ingevroren.

En wat eten we vanavond?

Na enkele uren schrijven krijgt het artikel over minestrone zijn definitieve vorm. Buiten is het opgehouden met sneeuwen en even later staat mijn vrouw in de deuropening. Schat, wat zullen we vanavond eten, vraagt ze.

Het antwoord laat zich raden. Een ouderwetse klassieker die past bij dit moment van het jaar. Iets dat traag mag koken, het huis vult zich met geur en precies doet waarvoor het bedoeld is. Verwarmen, vullen en de dag rustig afsluiten.

Nomacorc en de evolutie van de wijnafsluiting

Wie de wijnwereld een beetje volgt, is de naam Nomacorc vast al eens tegengekomen. Het klinkt modern, misschien zelfs wat industrieel, maar het verhaal erachter is verrassend herkenbaar. Het draait om een oude vraag met grote gevolgen: hoe sluit je een fles wijn zo af dat de inhoud zich optimaal kan ontwikkelen, zonder onaangename verrassingen.

Eeuwenlang was natuurlijke kurk de vanzelfsprekende keuze. De bast van de kurkeik, vooral afkomstig uit Zuid Europa, combineert elasticiteit met een lichte zuurstofdoorlaatbaarheid. Net dat maakte rijping op fles mogelijk en gaf kurk zijn bijna mythische status. Tegelijk blijft het een natuurproduct, met variatie van fles tot fles en een klein maar hardnekkig risico op kurksmaak.

Die onzekerheid heeft het debat over wijnafsluitingen de voorbije jaren aangewakkerd. Schroefdoppen winnen terrein omwille van hun gebruiksgemak en perfecte afsluiting. Maar ook daar klinken kanttekeningen, vooral over reductie en bewaarpotentieel.

Tussen traditie en absolute afsluiting ontstond ruimte voor een derde weg. Technisch verfijnde synthetische afsluitingen die mikken op controle, voorspelbaarheid en het vermijden van defecten, zonder het karakter van wijn te verstikken. In dat spanningsveld groeide Nomacorc uit van alternatief tot vaste waarde.

Wat is een Nomacorc afsluiting?

Nomacorc is een synthetische wijnafsluiting die werd ontwikkeld om de beperkingen van natuurlijke kurk te vermijden. Het is geen eenvoudige plastic stop, maar een technisch ontworpen afsluiting waarbij de eigenschappen vooraf vastliggen. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek.

Voor de wijn betekent dat vooral voorspelbaarheid. Nomacorc kan geen kurktoets veroorzaken en laat toe om de zuurstofdoorlaatbaarheid nauwkeurig af te stemmen op wijnstijl en bewaarpotentieel. Daardoor evolueert de wijn na botteling zoals bedoeld, zonder grote verschillen van fles tot fles.

In tegenstelling tot natuurlijke kurk, waarvan de interne structuur varieert, en tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, positioneert Nomacorc zich als een gecontroleerde tussenoplossing. Niet gebaseerd op toeval of absolute afsluiting, maar op beheersing van een cruciale factor in flesrijping.

Vanwaar komt dit en hoe is het ontstaan?

Het verhaal van Nomacorc begint aan een eettafel in Belgiƫ. Gert Noƫl, ondernemer en fervent wijnliefhebber, opende samen met zijn zoon Marc meerdere flessen die aangetast bleken door kurktoets. Die frustratie was herkenbaar voor elke wijnliefhebber, maar bij hen bleef het niet bij een zucht en een nieuwe fles.

De familie Noƫl beschikte over meer dan veertig jaar ervaring in extrusietechnologie voor synthetische materialen. In plaats van het probleem te aanvaarden, besloten ze hun technische kennis toe te passen op een zeer concrete wijnbouwkundige vraag. In 1993 startte het ontwikkelingsproject. Eind jaren negentig was de eerste Nomacorc commercieel beschikbaar.

De verdere ontwikkeling en industriĆ«le uitbouw vonden plaats in de Verenigde Staten, meer bepaald in North Carolina. Daar groeide Nomacorc in de jaren negentig uit tot een volwaardig product, met ƩƩn duidelijke ambitie. Een afsluiting creĆ«ren die eruitziet en functioneert als kurk, maar zonder de risico’s van natuurlijke variatie en TCA.

Wat wijnproducenten wereldwijd meteen overtuigde, was de eenvoud van het concept. Geen kurktoets, geen onvoorspelbare flesverschillen, geen onaangename verrassingen bij het openen. Dat bleek een antwoord op een structureel probleem in de wijnsector.

Vandaag maakt Nomacorc deel uit van de Vinventions groep, die verschillende afsluitingsoplossingen voor de wijnsector verenigt. Binnen die groep blijft Nomacorc het referentiemerk voor synthetische afsluitingen met gecontroleerd zuurstofbeheer.

Techniek achter de afsluiting

Het onderscheidende karakter van Nomacorc ligt in de productietechniek en de mate van controle die die techniek mogelijk maakt. De afsluiting wordt gemaakt via een gepatenteerd co extrusieproces, waarbij twee materialen gelijktijdig worden gevormd en samengebracht tot ƩƩn geheel. Concreet bestaat elke Nomacorc uit twee perfect op elkaar afgestemde delen. In het midden zit een kern van schuim met een uniforme celstructuur, daaromheen een soepele buitenlaag die zorgt voor een betrouwbare afdichting in de flessenhals.

Waar natuurlijke kurk afhankelijk is van groeiringen, lenticellen en toevallige dichtheidsverschillen, is de zuurstoftransmissie bij Nomacorc exact vastgelegd. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek. Dat maakt een wezenlijk verschil voor wijnmakers. Zuurstof bepaalt immers in sterke mate hoe een wijn zich ontwikkelt op fles. Te veel zuurstof kan leiden tot oxidatie, te weinig kan reductieve aroma’s in de hand werken.

Nomacorc speelt hierop in met verschillende types afsluitingen, elk met een specifiek zuurstofprofiel. Sommige laten in de eerste fase iets meer zuurstof toe en stabiliseren daarna, wat interessant is voor wijnen die jong gedronken worden maar toch wat ademruimte nodig hebben. Andere zijn strenger en constanter, geschikt voor wijnen waarbij frisheid en precisie primeren. In tegenstelling tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, biedt Nomacorc dus een gecontroleerde interactie tussen wijn en zuurstof. En in tegenstelling tot natuurlijke kurk is die interactie voorspelbaar en vrij van TCA.

Een minder zichtbaar maar essentieel onderdeel is de kwaliteitscontrole. Nomacorc test niet enkel grondstoffen en afgewerkte afsluitingen, maar ook wijnen die ermee zijn gebotteld. In speciaal ingerichte sensorische laboratoria wordt bewaakt dat de afsluitingen volledig neutraal zijn en geen invloed hebben op geur of smaak. Zelfs transport, opslag en handling van materialen worden opgevolgd om elke mogelijke contaminatie uit te sluiten.

Het productieproces zelf verloopt continu en niet in afzonderlijke batches. Grondstoffen worden gemengd, gesmolten en onder druk in vorm gebracht tot een lange schuimcilinder die de kern vormt. In een tweede stap wordt de flexibele buitenlaag aangebracht en thermisch verbonden met die kern. Na afkoeling worden de afsluitingen met grote precisie op lengte gesneden. Lasers controleren vorm en afmetingen, afwijkingen worden meteen geweerd. Het resultaat is een afsluiting die keer op keer hetzelfde presteert.

Bio door rietsuiker

De huidige generatie Nomacorc afsluitingen wordt vervaardigd uit biopolymeren op basis van suikerriet. Die keuze vervangt aardolie als grondstof en maakt de afsluitingen biobased, COā‚‚ neutraal over hun levenscyclus volgens de gangbare berekeningsmodellen.

Door efficiƫnter materiaalgebruik en optimalisatie van het productieproces werd de ecologische voetafdruk van de afsluitingen met ongeveer vijfentwintig procent verminderd. Dat sluit aan bij een wijnsector waarin duurzaamheid steeds vaker een meetbaar criterium wordt, niet alleen een intentie.

Ook na gebruik blijft de keten gesloten. Wereldwijd werden inmiddels meer dan vier miljard gebruikte afsluitingen ingezameld voor recyclage, goed voor tienduizenden tonnen materiaal. In grote wijnlanden, zoals Frankrijk, gebeurt dit via grootschalige inzamelacties waarbij miljoenen mensen betrokken zijn, vaak gekoppeld aan sociale initiatieven.

Van alternatief naar standaard

Wat ooit begon als een oplossing voor een hardnekkig probleem, is vandaag uitgegroeid tot een vaste waarde. Nomacorc is inmiddels de grootste producent van synthetische wijnsluitingen ter wereld. Jaarlijks worden meer dan twee miljard afsluitingen geproduceerd, verspreid over productiesites in Belgiƫ, de Verenigde Staten, China en Argentiniƫ. In de Verenigde Staten wordt ondertussen meer dan een derde van alle wijnen met Nomacorc afgesloten, en ook in Europa blijft het aandeel gestaag groeien.

Die opmars laat zich eenvoudig verklaren. Wijnmakers zoeken vooral zekerheid. Minder flessenverlies, meer consistentie tussen flessen en controle over hoe een wijn zich ontwikkelt na botteling. Wereldwijd gaan naar schatting dagelijks bijna een miljoen flessen verloren door defecte afsluitingen. Dat is economisch moeilijk te verantwoorden, ecologisch problematisch en voor producent Ʃn consument bijzonder frustrerend.

Ook de marktcontext speelt mee. Horeca wil geen discussies aan tafel over kurktoets bij een dure fles, consumenten zijn gevoeliger geworden voor duurzaamheid en producenten willen vermijden dat hun wijn door toeval wordt beoordeeld in plaats van op kwaliteit. In dat spanningsveld biedt Nomacorc een praktisch antwoord dat weinig aandacht vraagt en net daardoor gewaardeerd wordt.

Vandaag wordt Nomacorc gebruikt door zeven van de tien grootste wijnbedrijven in Frankrijk, Duitsland en Italiƫ, en door dertig van de veertig grootste wijnproducenten wereldwijd. In Frankrijk en Duitsland gaat het om ongeveer ƩƩn fles op vijf. Dat zijn cijfers die tonen dat de afsluiting niet langer als alternatief wordt gezien, maar als een volwaardig onderdeel van het standaardarsenaal.

Opvallend is dat gebruikers vaak dezelfde ervaring delen. Minder retourflessen, geen klachten over de afsluiting en wijnen die zich stabiel ontwikkelen. Producenten die het gebruik al jaren toepassen laten eensgezind positieve geluiden horen. Sinds de overstap kwam de afsluiting nooit meer ter sprake, terwijl oudere flessen fris bleven, met intact fruit en soepele tannine, zonder oxidatieve of reductieve afwijkingen.

Zo verschuift Nomacorc langzaam maar duidelijk van een technische keuze naar een vanzelfsprekendheid.

Zijn er dan geen kanttekeningen bij Nomacorc?

Voor een correct en geloofwaardig beeld hoort ook nuance bij het verhaal. Ondanks de technische vooruitgang en brede toepassing bestaan er duidelijke kanttekeningen bij Nomacorc, en die zijn niet louter theoretisch.

Een eerste punt blijft het rijpingspotentieel. Vooral bij iconische bewaarklassiekers leeft de vraag of synthetische afsluitingen zich al over meerdere decennia voldoende hebben bewezen. Die terughoudendheid is deels technisch, maar zeker ook cultureel. In segmenten waar lange flesrijping en verzamelwaarde centraal staan, blijft natuurlijke kurk vaak de referentie, los van rationele argumenten.

Daarnaast speelt het hardnekkige stigma van plastic. Ondanks het biobased karakter van de huidige generaties blijft voor sommige consumenten en producenten een synthetische afsluiting botsen met het idee van authenticiteit en ambacht. Dat is minder een kwestie van prestaties dan van perceptie, maar in de wijnwereld is perceptie zelden een detail.

Ook vraagt Nomacorc meer precisie van de wijnmaker. Door de uniforme zuurstoftransmissie is de afsluiting weinig vergevingsgezind. De wijn ontwikkelt zich exact zoals hij werd gebotteld. Eventuele onevenwichten in vinificatie of stabiliteit worden niet gemaskeerd door flesvariatie, maar consequent doorgetrokken. Voor sommigen is dat een voordeel, voor anderen een risico.

Tot slot speelt het verleden mee. Oudere generaties synthetische kurken kenden inderdaad problemen met oxidatie, uitdroging of afdichting. Hoewel die producten technisch niet te vergelijken zijn met de huidige Nomacorc afsluitingen, blijven zulke ervaringen lang nazinderen in een sector die traag vergeet.

Een afsluiting als bewuste keuze

De discussie over wijnafsluitingen is de voorbije jaren veranderd. Waar het vroeger ging over voor of tegen, natuur of techniek, draait het vandaag steeds vaker om context en intentie. De vraag is niet langer welke afsluiting de beste is, maar welke het meest coherent is met de stijl van de wijn en de verwachtingen van de markt.

Natuurlijke kurk behoudt daarbij zijn plaats. Voor wijnen met een uitgesproken bewaardoel en een sterke emotionele lading blijft hij cultureel verankerd. Schroefdoppen blijven voor veel producenten een efficiƫnte en praktische keuze, wat landen als Oostenrijk en Australiƫ al jaren aantonen. Tegelijk hebben technische en synthetische afsluitingen hun rol opgeƫist.

De flessenhals is daarmee geen ideologisch strijdtoneel meer, maar een plek waar keuzes worden gemaakt zoals elders in de wijnbouw, rationeel en op basis van stijl, context en intentie. De wijnwereld blijft gevoelig voor symboliek, maar ze is tegelijk pragmatisch genoeg om oplossingen te omarmen die werken.

Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago

šŸ· Inleiding – Lambrusco: van verguisd naar verfijnd

Wat is dat toch met Lambrusco de laatste tijd?
Plots hoor je overal nieuwe geluiden over deze ooit zo verguisde wijn. De naam duikt weer op in wijnbars, op kaarten van Italiaanse trattoria’s en zelfs in gesprekken tussen sommeliers. En dat terwijl ik Lambrusco zelf jarenlang heb afgedaan als ā€œpompbakwijnā€, de ā€œCoca-Cola onder de Italiaanse bubbelsā€. Een zoete, roodschuimende wijn die vooral de Amerikaanse fastfoodcultuur bediende. Tot voor kort had ik er geen goed woord voor over.

Tot die ene dag.
Tijdens mijn opleiding tot Italian Wine Ambassador verzorgde Master of Wine Gabriele Gorelli de allereerste masterclass van de cursus. Onderwerp: Lambrusco. Mijn verwachtingsniveau? Lager dan laag.
Maar nog voor Gorelli aan zijn tweede zin toe was, voelde ik mijn houding kantelen. Zijn bevlogenheid, zijn kennis, maar vooral het verhaal achter deze wijn trokken me recht uit mijn scepsis. Lambrusco bleek geen grap, geen relikwie uit de jaren ’80, maar een levende, complexe wijnfamilie met diepe wortels in de Italiaanse geschiedenis.

Wist je dat Lambrusco waarschijnlijk ƩƩn van de oudste druivenrassen van Italiƫ is, met een oorsprong als wilde wijnstok? En dat er niet ƩƩn Lambrusco bestaat, maar twaalf verschillende variƫteiten. Elk met hun eigen karakter, terroir en stijl? Tijdens de proeverij die volgde, proefde ik geen zoet plakkerig drankje, maar frisse, droge, verfijnde wijnen. Apart en niet alledaags, zeker, maar het contrast met mijn vooroordelen kon niet groter zijn.

Dat moment werkte als een vonk.
Sindsdien werd ik genoeg getriggerd om mezelf ertoe te zetten me te verdiepen in de wijn die ik nooit wist te appreciƫren, en eindelijk te begrijpen waarom hij het verdient om herontdekt te worden.

Daarom deze nieuwe zondagse reeks ‘Lambrusco op zondag – tien weken lang schaven aan het imago’: een ontdekkingsreis langs de geschiedenis, druiven, regio’s en smaken van Lambrusco.

šŸ‡ Wat mag je verwachten?

  1. Wat is Lambrusco?
    We trappen af met de comeback van een vergeten icoon. Hoe een wijn die ooit synoniem stond voor zoetigheid en eenvoud vandaag opnieuw respect afdwingt.
  2. Van wilde wijnstok tot klassieker
    De geschiedenis van Lambrusco: van Romeinse tijden tot hedendaagse heropleving. Hoe een wilde druif evolueerde tot ƩƩn van Italië’s oudste wijnfamilies.
  3. Waar groeit Lambrusco?
    We trekken naar Emilia-Romagna en Mantova, waar de wijn zijn ziel vindt in vruchtbare bodems, zachte heuvels en een uitgesproken eet- en wijncultuur.
  4. Hoe wordt Lambrusco gemaakt?
    Van Charmat tot Classico en Ancestrale: de verschillende vinificatiemethoden die de stijl, structuur en verfijning van Lambrusco bepalen.
  5. De Lambrusco-familie
    Een fascinerende stamboom van twaalf belangrijke variĆ«teiten — met een hoofdrol voor Sorbara, Salamino en Grasparossa.
  6. Sorbara & Lambrusco di Sorbara DOC
    De elegante, florale expressie van Lambrusco. Licht, levendig en verrassend verfijnd.
  7. Salamino & Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC
    De fruitige, evenwichtige middenstijl: soepel, charmant en veelzijdig aan tafel.
  8. Grasparossa & Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    De krachtigste van het trio: donker, intens en vol karakter.
  9. Meer dan de grote drie
    We ontdekken de overige appellaties, van Reggiano tot Modena, die het brede smaakpalet van Lambrusco vervolledigen.
  10. Lambrusco aan tafel
    Waarom Lambrusco zo’n uitzonderlijke gastronomische begeleider is — en hoe hij gerechten tot leven brengt.
  11. Bonus: Masterclass Lambrusco
    Een afsluitende proefsessie met 8 tot 10 wijnen, waarin we alles samenbrengen wat we onderweg hebben geleerd.

Deze reeks is er voor nieuwsgierige wijnliefhebbers, ontdekkers en fijnproevers die hun blik willen verruimen. Elke zondag schenken we je een nieuw hoofdstuk over Lambrusco: boeiend, verdiepend en vooral verfrissend anders.
Tijd om deze sprankelende Italiaan opnieuw op het schavot te plaatsen, en hem te proeven zoals hij echt bedoeld is.

šŸ· The Golden Hectare of Barolo — How Capital Is Redrawing Barolo’s Future

When I’m in the car, I almost always have a wine podcast playing. This drive was no exception. With the seatbelt fastened and the road unwinding ahead, I listened as James McNay, my friend and fellow Italian Wine Ambassador, guided the conversation on Ambassador’s Corner for the Italian Wine Podcast.
His guest was Attilio Pecchenino.

The exchange was pleasantly familiar. Terroir, tradition, Nebbiolo, Barolo as it is supposed to be discussed. I was listening closely, almost on autopilot, until James asked a question that shifted the entire frame of the conversation.

ā€œAttilio, what is a hectare of Barolo vineyard worth today?ā€

Attilio said that in 2009 he had bought a parcel in the Bussia cru for around €300,000 per hectare.
Today, he replied without a pause, it is closer to €3,000,000 per hectare.

Three million euros.
For a single hectare.

In that moment, it became unmistakably clear that this story is not only about wine. It is no longer confined to grapes, vinification, or vintages. It is about capital, structural scarcity, and the defining question of the next era in the Langhe. Who will still be able to make Barolo, and on what terms?

šŸ“ˆ Why Barolo Vineyard Land Has Become a Luxury Asset

That Barolo vineyard land now costs a fortune is no coincidence, and certainly not a passing phase. It is the result of three forces that have been moving together for years: structural scarcity, tight regulation, and a level of demand that simply holds.

To begin with, Barolo is geographically small. The appellation covers only a limited run of hills across eleven communes, and there is very little room to expand. On top of that, new plantings are tightly controlled at European level. Through the planting authorisation system, annual vineyard growth is effectively capped at around one percent. In a zone where almost every suitable slope was planted decades ago, that means something very practical. Almost no new land is added to the Barolo equation.

And yet the world’s appetite for Barolo has not eased. Year after year, production remains broadly in the same range, often estimated at around thirteen million bottles, while Barolo has only strengthened its place on international wine lists and in collectors’ cellars. It has long since broken free of the ā€œclassic Italian redā€ category. Today it is treated as a global reference, spoken of in the same context as great Burgundy or top Napa.

What is striking is that this prestige has not translated into an equivalent surge in the wine’s underlying producer-side value. The price per hectolitre of Barolo, a useful proxy for the wine’s value at origin, has remained remarkably steady in recent years, hovering around €900 to €1,000. For investors, that matters. It suggests a market that is not only prestigious, but also predictable.

Then there is Barolo’s own brand power. When someone buys a Barolo parcel today, they are still investing in a product, wine made from grapes grown on a specific slope. At the same time, they are buying into an international reputation built on origin, prestige, and historical depth. In that context, each hectare works like a lever. Limited supply, structural scarcity, and global reputation keep reinforcing one another. The outcome is hard to avoid. Land prices are not rising because farming suddenly became more expensive. They are rising because Barolo itself has become an exceptional and highly coveted possession.

šŸ”Ž What Does It Cost Today?

Translate that dynamic into real numbers and you quickly arrive at the different crus. Not every hectare of Barolo is priced the same. Location, reputation, and scarcity are decisive. Conversations with producers and recent market analysis suggest the gaps are now substantial.

Indicative market values for Barolo vineyard land (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2.5–3.0 million per hectare
    A blue-chip site with iconic producers; the reference point for Monforte.
  • Cannubi (Barolo commune): €2.0–2.5 million per hectare
    Historic cru, referenced as early as 1752; a powerful name with slightly broader availability.
  • Ravera (Novello): €1.2–1.8 million per hectare
    Rapidly rising in esteem; attractive to newer investors.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2.0–3.0 million per hectare
    Extremely limited supply; discreet transactions can exceed these levels.

Sources: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews with producers.

šŸ’¼ Case Study: Vietti

ā€œA brand can survive, but a wine style is alive.ā€

I still remember clearly how I used to drink Vietti. Their Rocche di Castiglione was, for me, the textbook example of what Barolo can be. Complex, refined, and at the same time unmistakably rooted in its place. These were wines with tension and personality, wines that seemed to hold a line between polish and stubbornness.

So when it became public in 2016 that Vietti had been sold to the Krause Group from Iowa, it landed like a shockwave in Barolo. It was one of the first times a historic Barolo estate, built and financed over generations within a family, passed entirely into foreign hands. On paper, everything looked reassuring. The winemaking team stayed. Mario Cordero, who had long been responsible for vinification, remained in place.

And yet wine is rarely only the sum of technique.

In the years after the takeover, I began to notice a shift in the glass. The wines were still undeniably good. Technically precise, clean, consistent. But for my taste, they felt different. Less inner tension, less personality. More polished, smoother, more obviously ā€œcorrectā€. As if some of the wine’s friction had been traded for international readability. It was still Barolo, but it felt less insistently Barolo.

That impression took on a human face at Vinitaly 2025. There I met Caterina Cordero, the family’s daughter, who now runs Cordero San Giorgio in Oltrepò Pavese with her brothers. She spoke openly about the changes at Vietti, about how much she missed Barolo, and about her hope of one day being active in the Langhe again. Not with bitterness, but with a visible sense of longing.

She did not come across as someone who had ā€œlost a projectā€. She came across as someone who missed a place. And that is precisely why this case matters. Behind an acquisition there is never only brand strategy or investment logic. There is also a sense of style, a family history, and a way of working that does not always travel cleanly from one context to another. Even when the winemaker remains the same, the wine can change when the world around it changes.

šŸ‡ Consequences in the Vineyard

The list of buyers in Barolo has become surprisingly diverse. Alongside the familiar family names, rooted in these hills for generations, new players are showing up more and more often. Luxury groups, private equity, even international hospitality companies are looking at Barolo as a safe and prestigious place to put their money. That flow of capital is not automatically a bad thing, but it does change the region’s rhythm.

You see it most clearly in ownership. For families who have worked the same steep slopes for decades, today’s land prices are becoming harder and harder to square with succession. When a hectare is worth millions, the estate does not only gain status. The financial pressure around handover rises as well. Inheritance tax is calculated on market value, while the cash in a wine business is often limited. The wealth sits in the vineyard, not in the bank. Add the reality of having to buy out brothers or sisters who are not active in the domaine, and the sums quickly become too heavy, even for healthy estates. Banks look at cash flow, not at heritage.

In that context, selling becomes less of a choice and more of a necessity. Not because families want to stop, but because the numbers start pushing them there. For young winemakers, the same prices create a near-impossible barrier. Barolo becomes less a place you can grow into step by step, and more a place you can only enter if serious capital is already behind you.

With new ownership also comes a shift in how winemaking is approached. In family estates, the vineyard is usually the starting point, with decisions shaped by experience, intuition, and pride in the land. In larger structures, the focus more often moves toward efficiency and control. Money goes into modern cellars, precision tools, hospitality, and international marketing. That can raise standards and professionalise the region, but it also changes what gets valued most. Winemaking becomes part of a broader business model, where consistency and scale can matter more than a personal touch.

And that has consequences for how Barolo is made today. Terroir does not disappear, but it starts playing a different role inside a tighter economic frame. The question hanging over these vineyards is not whether Barolo will lose quality. The real question is how much room will remain for identity, for interpretation, and for the kind of individual voice that made so many of us fall in love with Barolo in the first place.

šŸ‘ƒ What Does This Mean for What’s in the Glass?

For the drinker, these changes show up first on the label. In Barolo, origin is carrying more and more weight, and you see that in the rise of the Menzioni Geografiche Aggiuntive, the MGAs. Producers increasingly choose to state exactly which cru, or even which parcel, their grapes come from. Not only out of pride or conviction, but because that kind of precision now has real value. A name like Bussia, Cannubi, or Vigna Rionda is no longer just a place on a map. It has become a clear signal in the market.

That evolution mirrors the jump in vineyard prices almost directly. As hectares become rarer and more expensive, the urge to show that value openly grows stronger. MGAs are more and more used as price anchors. They help justify higher bottle prices and they create a hierarchy inside an appellation that many people used to think of as one whole. Barolo becomes less of a single category and more of a layered landscape, where origin, reputation, and scarcity keep feeding each other.

But it does not stop at the label or the price list. It reaches into how terroir is talked about, and sometimes into how it is handled. Terroir once meant accepting the limits and the character of a specific slope. Today there is a risk that it turns into a story that needs to be easy to sell. Origin still matters, but more and more for what it adds commercially. Variation, risk, and vintage moodiness, things that used to be part of proud winemaking, can give way to consistency, predictability, and a style that reads well internationally. Anything that falls outside that frame gets smoothed out.

In the end, you can taste that shift. Many wines become more correct, cleaner, technically spotless. Yet some lose a bit of their tension and their edge. Not because they are made with less skill, but because the focus changes. The wine no longer has to speak first and foremost about where it comes from, as long as it remains recognisable and sellable within an international fine-wine language.

That is why Barolo now finds itself in a delicate place between return and identity. The challenge is not quality, that part is not in doubt. The challenge is meaning. Because when origin becomes only a marketing tool, rather than a guide for decisions in the vineyard and cellar, the soul of winemaking can slowly start to fade into the background.

šŸ”® Where Barolo Goes Next

The question of where Barolo is heading is not theoretical. You can feel it today in the vineyards, in the cellar, and in the market. One possible future is already easy to imagine, and it is the one many people quietly fear. Barolo becomes even more exclusive. In that scenario, it follows the road Burgundy has been on for years. The best crus become rarer and more expensive, prices keep climbing, and the bottles slowly drift out of the everyday reach of the lover of Barolo. Real growers will still be there, but their wines increasingly become things to collect and invest in. Barolo remains great, but it becomes harder to live with.

Another direction is scale and sameness. Larger groups take a stronger and stronger position, professionalise the region even further, and lift everything toward a consistent premium level. The wines are technically perfect, reliable, and instantly recognisable on the world stage. Barolo becomes a luxury product with a clean story and a clear place in the market. The downside is obvious. Differences between producers and between slopes become less pronounced. The risk is not that Barolo loses quality, but that it loses character.

Between those two extremes sits a third path, less obvious but perhaps the one most worth fighting for. A future where capital and character can live side by side. Where investors bring stability, resources, and infrastructure, while small producers keep their place by standing out through origin, interpretation, and personality. In that model, MGAs do not become marketing stickers. They stay what they are meant to be, a true expression of terroir. There is room for diversity, even inside a more professional and better resourced region.

Which way it goes will depend on who gets to lead the conversation. On who decides what matters more: return or interpretation, scale or nuance, sellability or meaning. Barolo’s future is not fixed by rules or market models. It will be shaped by choices made now, by investors and by winemakers alike. That tension carries both danger and hope. The hope is that Barolo can hold on to both quality and character, without giving away its soul.

šŸ“Š Barolo in Numbers (2024)

  • Growth in private investment since 2015: +70%
  • Average price of Barolo vineyard land: €1.8 to €3.0 million per hectare
  • Annual production: approximately 13 million bottles
  • Average export price: €21 per 0.75 litre bottle
    Sources cited in the original context include CREA, Gambero Rosso, the Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, and Vinous.

šŸ•Æļø Epilogue

When I stepped out of the car that day, my thoughts kept circling back to Attilio Pecchenino, to the numbers, and to the look in Caterina Cordero’s eyes.
Three million euros for a single hectare of land. But how much is a piece of history worth?

Wine has always been more than a product. It is the work of people who make choices, year after year, generation after generation. The question is whether we will still taste that story in the future, now that hectares are more and more spoken of in gold, and value threatens to outweigh meaning.

This is only one way of reading a change that touches the entire region. The conversation about Barolo’s future deserves more voices than mine alone.

For me, Barolo has always been a wine to return to. A wine to spend time with, to age, to open on the moments that matter. My hope is that it can stay that way. Not as a luxury idea, but as living wine. Even in a world where Barolo is more and more treated as a brand, and less and less as a promise.

šŸ· De Gouden Hectare van Barolo – Hoe kapitaal de toekomst van Barolo hertekent

Wanneer ik in de wagen zit, staat er meestal een wijnpodcast op. Ook dit keer. Ik reed, de gordel strak om me heen, terwijl op de achtergrond James McNay, mijn vriend en mede Italian Wine Ambassador, het gesprek leidde in Ambassador’s Corner van de Italian Wine Podcast.
Zijn gast was Attilio Pecchenino.

Het gesprek kabbelde aangenaam voort. Terroir. Traditie. Druiven. Barolo zoals Barolo hoort te zijn. Ik luisterde aandachtig, bijna achteloos, tot James plots die ene vraag stelde.
Mijn adem stokte.

ā€œAttilio, wat is vandaag een hectare Barolo-wijngaard waard?ā€

Attilio vertelde hoe hij in 2009 een perceel in de cru Bussia had gekocht voor ongeveer €300.000 per hectare. En vandaag?
Het antwoord kwam zonder aarzeling: €3.000.000 per hectare.

Drie miljoen euro.
Voor ƩƩn hectare.

Op dat moment werd glashelder dat dit verhaal verder reikt dan wijn alleen. Dit gaat niet langer uitsluitend over druiven, vinificatie of jaargangen. Dit gaat over kapitaal, structurele schaarste en de fundamentele vraag wie Barolo in de toekomst nog kan, en zal, maken.

šŸ“ˆ Waarom Barolo-wijngaardgrond vandaag onbetaalbaar lijkt

Dat Barolo-wijngaardgrond vandaag een fortuin kost, is geen toeval en al zeker geen tijdelijk fenomeen. Het is het resultaat van een samenspel tussen structurele schaarste, strikte regelgeving en een vraag die al jaren standhoudt. Om te beginnen is Barolo geografisch klein. De appellatie beslaat slechts een beperkt aantal heuvels in elf gemeenten, en uitbreiding is nauwelijks mogelijk. Nieuwe aanplant wordt bovendien streng gereguleerd door de Europese Unie, die via het systeem van aanplantrechten de jaarlijkse groei van wijngaarden plafonneert op ongeveer ƩƩn procent. In een regio waar bijna elke geschikte helling al decennia geleden werd aangeplant, betekent dat in de praktijk dat er nauwelijks nog grond bijkomt.

Tegelijk blijft de wereldwijde vraag naar Barolo onverminderd hoog. Jaar na jaar schommelt de productie rond hetzelfde niveau (naar schatting zo’n dertien miljoen flessen) terwijl Barolo zijn positie op internationale wijnkaarten en in verzamelkelders alleen maar verder heeft versterkt. De wijn heeft zich definitief losgemaakt van het segment van de ā€œklassieke Italiaanse rode wijnā€ en wordt vandaag gezien als een mondiale referentie, vergelijkbaar met grote Bourgogne of top-Napa. Die status vertaalt zich niet in een evenredige stijging van de wijn zelf. De prijs per hectoliter Barolo, de feitelijke waarde van de wijn aan de productiekant, bleef de voorbije jaren opvallend stabiel rond de 900 Ć  1.000 euro. Voor investeerders is dat een cruciaal signaal. Het wijst op een markt die niet alleen prestigieus is, maar ook voorspelbaar.

Daarbovenop komt de merkwaarde van Barolo zelf. Wie vandaag een perceel Barolo koopt, investeert uiteraard nog steeds in een product: wijn, gemaakt van druiven, afkomstig van een specifieke helling. Tegelijk draagt Barolo vandaag een internationale reputatie met zich mee, gebouwd op herkomst, prestige en historische diepgang. In zo’n context werkt elke hectare als een hefboom: beperkt aanbod, structurele schaarste en wereldwijde reputatie versterken elkaar voortdurend. Het gevolg is onvermijdelijk. De prijs van de grond stijgt niet omdat wijnbouw plots duurder is geworden, maar omdat Barolo als geheel is uitgegroeid tot een uitzonderlijk en begeerd bezit.

šŸ”Ž Wat kost het vandaag?

Wie die dynamiek wil vertalen naar concrete cijfers, komt al snel uit bij de verschillende cru’s. Niet elke hectare Barolo is immers gelijk geprijsd. Ligging, reputatie en schaarste spelen een doorslaggevende rol. Gesprekken met producenten en recente marktanalyses tonen aan dat de verschillen vandaag aanzienlijk zijn.

Indicatieve marktwaardes van Barolo-wijngaardgrond (2024):

  • Bussia (Monforte d’Alba): €2,5 – 3,0 miljoen per hectare
    Toplocatie met iconische producenten; referentiepunt voor Monforte.
  • Cannubi (gemeente Barolo): €2,0 – 2,5 miljoen per hectare
    Historisch cru, al vermeld in 1752; sterke naam, iets bredere beschikbaarheid.
  • Ravera (Novello): €1,2 – 1,8 miljoen per hectare
    Sterk stijgend in aanzien; aantrekkelijk voor nieuwe investeerders.
  • Vigna Rionda (Serralunga d’Alba): €2,0 – 3,0 miljoen per hectare
    Extreem beperkt aanbod; prijzen lopen bij discrete verkopen soms hoger op.

Bronnen: CREA, Gambero Rosso (2024), interviews met producenten.

šŸ’¼ Case Study: Vietti

ā€œEen merk kan blijven bestaan, maar een wijnstijl is levend.ā€

Ik herinner me nog goed hoe ik vroeger de wijnen van Vietti dronk. Hun Rocche di Castiglione was voor mij het schoolvoorbeeld van wat Barolo kan zijn: complex, verfijnd en tegelijk diep verankerd in zijn terroir. Dit waren wijnen met spanning en persoonlijkheid.

Toen in 2016 bekend werd dat Vietti werd verkocht aan de Amerikaanse Krause Group uit Iowa, was dat een schok voor de Barolo-streek. Het was een van de eerste keren dat een historisch Barolo-domein dat generaties lang familie-gefinancierd was, volledig in buitenlandse handen kwam. Op papier bleef de continuĆÆteit verzekerd: het wijnmakersteam bleef ongewijzigd en Mario Cordero, die al jarenlang verantwoordelijk was voor de vinificatie, bleef aan boord.

En toch is wijn zelden louter het resultaat van techniek alleen. In de jaren na de overname begon ik in het glas een verschuiving te ervaren. De wijnen bleven onmiskenbaar goed. Technisch verzorgd, zuiver en consistent, maar voor mijn smaak ook anders. Minder interne spanning, minder eigenzinnigheid. Netter, gladder, commerciƫler. Alsof de wijn een deel van zijn frictie had ingeruild voor internationale leesbaarheid. Het bleef Barolo, maar minder uitgesproken Barolo-achtig.

Die indruk kreeg een menselijk gezicht tijdens Vinitaly 2025. Daar ontmoette ik Caterina Cordero, dochter van de familie, die vandaag samen met haar broers het domein Cordero San Giorgio runt in de Oltrepò Pavese. Ze sprak openhartig over de veranderingen bij Vietti, over haar heimwee naar Barolo en over haar hoop om ooit opnieuw actief te kunnen zijn in de Langhe. Niet met bitterheid, wel met zichtbare weemoed.

Ze stond daar niet als iemand die een project had verloren, maar als iemand die een plek miste. En precies daarin schuilt de relevantie van deze casus. Achter elke overname schuilt niet alleen een merkstrategie of een investeringslogica, maar ook een stijlgevoel, een familiegeschiedenis en een manier van werken die zich niet altijd probleemloos laat doorgeven. Zelfs wanneer de wijnmaker dezelfde blijft, verandert de wijn wanneer de context verandert.

šŸ‡ Gevolgen in de wijngaard

De koperslijst in Barolo is vandaag opvallend divers. Naast de vertrouwde familienamen die al generaties lang verankerd zijn in de Baroloheuvels, melden zich steeds vaker nieuwe spelers. Luxegroepen, private-equityfondsen en zelfs internationale horecagroepen zien in Barolo een veilige en prestigieuze investering. Die instroom van kapitaal is op zich niet negatief, maar ze verandert onvermijdelijk de dynamiek van de streek.

Dat wordt het duidelijkst bij het eigenaarschap. Voor families die decennialang dezelfde steile hellingen hebben bewerkt, is de huidige grondprijs steeds moeilijker te verzoenen met opvolging. Wanneer een hectare miljoenen euro’s waard wordt, stijgt niet alleen de symbolische waarde van het domein, maar ook de fiscale en financiĆ«le druk bij overdracht. Successierechten worden berekend op marktwaarde, terwijl de liquiditeit van een wijnbedrijf beperkt blijft. Het vermogen zit in de grond, niet op de bank. Wie daarbovenop broers of zussen moet uitkopen die niet actief zijn in het bedrijf, botst al snel op financieringen die zelfs gezonde domeinen nauwelijks kunnen dragen. Banken kijken naar cashflow, niet naar erfgoed.

In die context wordt verkoop steeds minder een keuze en steeds vaker een noodzaak. Niet omdat families willen stoppen, maar omdat de economische realiteit hen daartoe dwingt. Voor jonge wijnmakers vormt diezelfde waardering een bijna onneembare drempel. Barolo wordt zo steeds minder een regio waar je langzaam in kan groeien, en steeds vaker een regio waar je enkel nog kan instappen met aanzienlijk kapitaal achter je.

Met dat nieuwe eigenaarschap verschuift ook de manier waarop naar wijnmaken wordt gekeken. Waar bij familiebedrijven de wijngaard traditioneel het vertrekpunt is — met beslissingen gebaseerd op ervaring, intuĆÆtie en fierheid op het land — ligt bij grotere structuren de nadruk vaker op efficiĆ«ntie en beheersbaarheid. Er wordt geĆÆnvesteerd in moderne kelders, precisietechnologie, hospitality en internationale marketing. Dat professionaliseert de streek, maar het verandert ook de hiĆ«rarchie van waarden. Wijnmaken wordt steeds vaker onderdeel van een breder businessmodel, waarin consistentie en schaalbaarheid belangrijker worden dan eigenzinnigheid.

Die verschuiving heeft gevolgen voor hoe Barolo vandaag wordt benaderd en gemaakt. Terroir blijft aanwezig, maar krijgt een andere rol binnen een steeds strakker economisch kader. De vraag die boven de wijngaarden hangt, is dan ook niet of Barolo aan kwaliteit zal inboeten, maar in welke mate identiteit en interpretatie ruimte blijven krijgen.

šŸ‘ƒ Wat betekent dit voor wat we in het glas krijgen?

Wat die structurele veranderingen betekenen voor de drinker, wordt vandaag in de eerste plaats zichtbaar op het etiket. In Barolo krijgt herkomst steeds meer gewicht, en dat vertaalt zich concreet in het gebruik van de Menzioni Geografiche Aggiuntive (MGA). Producenten kiezen er steeds vaker voor om exact te benoemen van welke cru of welk perceel hun druiven afkomstig zijn. Niet alleen uit overtuiging, maar omdat die precisie vandaag economische waarde vertegenwoordigt. Een naam als Bussia, Cannubi of Vigna Rionda is geen louter geografische aanduiding meer, maar een duidelijke positionering in de markt.

Die evolutie weerspiegelt rechtstreeks de explosieve stijging van de waarde van wijngaardgrond. Naarmate hectaren schaarser en duurder worden, groeit de noodzaak om die waarde ook expliciet te communiceren. MGA’s functioneren daarbij steeds vaker als prijsankers: ze legitimeren hogere flesprijzen en creĆ«ren interne hiĆ«rarchie binnen een appellatie die vroeger als ƩƩn geheel werd gepercipieerd. Barolo wordt zo minder een uniforme categorie en steeds meer een gelaagd landschap, waarin herkomst, reputatie en schaarste elkaar versterken.

Maar die verfijning blijft niet beperkt tot het etiket of de prijslijst. Ze werkt door tot in de interpretatie van terroir zelf. Waar terroir ooit betekende dat men zich schikte naar de beperkingen en eigenheden van een specifieke helling, dreigt het vandaag te verworden tot een verhaal dat vooral verkoopbaar moet zijn. Herkomst blijft belangrijk, maar steeds vaker om haar commerciƫle meerwaarde. Variatie, risico en grilligheid (ooit kernbegrippen van fier wijnmaken) maken plaats voor consistentie, voorspelbaarheid en internationale leesbaarheid. Wat niet binnen dat kader past, wordt bijgestuurd.

Uiteindelijk proef je die verschuiving ook in het glas. De wijnen worden correcter, schoner en technisch onberispelijk, maar verliezen soms hun spanning en eigenheid. Niet omdat ze slechter worden gemaakt, maar omdat het accent verschuift. De wijn hoeft niet langer in de eerste plaats iets te vertellen over zijn oorsprong, zolang hij maar herkenbaar en verkoopbaar is binnen een internationaal referentiekader.

In dat spanningsveld tussen rendement en identiteit staat Barolo vandaag op een kruispunt. De uitdaging voor de regio is niet het behoud van kwaliteit — die staat buiten kijf — maar het bewaken van betekenis. Want wanneer herkomst uitsluitend een marketinginstrument wordt en niet langer een leidraad voor keuzes in wijngaard en kelder, dreigt de ziel van het wijnmaken langzaam naar de achtergrond te schuiven.

šŸ”® Waar gaat dit heen?

De vraag waar Barolo naartoe gaat, is een meer dan realistische vraag. Ze leeft vandaag in de wijngaard, in de kelder en op de markt. EĆ©n mogelijke toekomst ligt voor de hand: die van verdere exclusiviteit. In dat scenario volgt Barolo het pad dat Bourgogne al langer bewandelt. De beste cru’s worden steeds zeldzamer en duurder, de prijzen stijgen verder, en de flessen verdwijnen langzaam uit het dagelijkse bereik van de liefhebber. Authentieke wijnbouwers blijven bestaan, maar hun wijnen worden objecten van verzameling en investering. Barolo blijft groot, maar steeds minder bereikbaar.

Een andere richting is die van schaal en uniformiteit. Grotere groepen nemen een steeds dominantere positie in, professionaliseren de streek verder en tillen alles op naar een consistent premium niveau. De wijnen zijn technisch perfect, betrouwbaar en internationaal herkenbaar. Barolo wordt in dat geval een luxeproduct bij uitstek, met een strak verhaal en een duidelijke positionering. De keerzijde is dat verschillen tussen producenten en hellingen minder uitgesproken worden. Het risico is niet kwaliteitsverlies, maar karakterverlies.

Tussen die twee uitersten ligt een derde, minder evidente maar wellicht meest wenselijke weg. Een toekomst waarin kapitaal en karakter naast elkaar bestaan. Waar investeerders zorgen voor stabiliteit, middelen en infrastructuur, terwijl kleinschalige producenten hun plaats behouden door zich scherp te profileren via herkomst, interpretatie en persoonlijkheid. In zo’n model blijven MGA’s geen marketinglabels, maar werkelijke uitdrukking van terroir, en ontstaat er ruimte voor diversiteit binnen een professioneel kader.

Welke richting het uiteindelijk uitgaat, zal afhangen van wie het gesprek mag voeren. Van wie bepaalt wat belangrijker is: rendement of interpretatie, schaal of nuance, verkoopbaarheid of zeggingskracht. De toekomst van Barolo ligt niet vast in regels of marktmodellen, maar in de keuzes die vandaag worden gemaakt, door investeerders Ʃn door wijnmakers. In dat spanningsveld schuilt tegelijk het gevaar en de hoop: dat Barolo erin slaagt kwaliteit en karakter te verzoenen, zonder zijn ziel prijs te geven.

šŸ“Š Barolo in cijfers (2024)

– Groei particuliere investeringen sinds 2015: +70 %
– Gemiddelde prijs Barolo-wijngaardgrond: € 1,8 – 3 miljoen per hectare
– Jaarlijkse productie: ± 13 miljoen flessen
– Gemiddelde exportprijs: € 21 per fles (0,75 l)
Bronnen: CREA, Gambero Rosso, Consorzio Barolo Barbaresco Langhe Dogliani, Vinous

šŸ•Æļø Epiloog

Toen ik die dag uit de wagen stapte, bleef mijn gedachtenstroom hangen bij de woorden van Attilio Pecchenino, bij de cijfers, en bij de blik van Caterina Cordero.
Drie miljoen euro voor ƩƩn hectare grond — maar hoeveel is een stuk geschiedenis waard?

Wijn is altijd meer geweest dan een product. Het is het resultaat van mensen die keuzes maken, jaar na jaar, generatie na generatie. De vraag is of we dat verhaal ook in de toekomst nog zullen blijven proeven, nu hectaren steeds vaker in goud worden uitgedrukt en waarde het dreigt te halen van betekenis.

Dit is slechts ƩƩn lezing van een evolutie die de hele streek raakt, en het gesprek over de toekomst van Barolo is er ƩƩn dat meer stemmen verdient dan de mijne alleen.

Barolo is voor mij altijd een wijn geweest om naar terug te keren. Een wijn om tijd mee door te brengen, om oud te laten worden, om open te maken op momenten die ertoe doen. De hoop is dat dat zo kan blijven — niet als luxe-idee, maar als levende wijn. Ook in een wereld waarin Barolo steeds vaker als merk wordt benaderd, en steeds minder als belofte.

De allerbeste wensen voor 2026 – Cheers to a wonderful 2026!

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, LiguriĆ« of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passƩ, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ā€˜pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ā€˜boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiƫntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiĆ«nt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiĆ«nter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers Ʃn consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif Ʃn druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden Ʃn arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

HeroĆÆsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals LiguriĆ« en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In LiguriĆ« spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroĆÆsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieĆ«n die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, ƩƩn gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galiciƫ bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor AlbariƱo. In Argentiniƫ is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ā€˜grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentiniƫ en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geĆÆrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ā€˜modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

Pollo alla valdostana: comfortfood recht uit de Alpen

Het is zondag, dus zit ik achter mijn scherm te schrijven aan mijn blogs. De ochtend is al wat verder gevorderd en in gedachten dwaal ik af naar de kippenkraam die elke zondag voor onze winkeldeur staat. Ik weet dat de lokroep onvermijdelijk is, en dat ik er straks weer van zit te smikkelen. Voor wie het nog niet wist: ik ben verzot op kip.

En toch dringt het tot me door dat ik nog nooit een Italiaans kipgerecht heb beschreven. Tegelijk ben ik bezig met de voorbereiding van een Valle d’Aosta-degustatie die ik binnenkort ga geven. Waarom die twee niet combineren?

Enter: pollo alla valdostana.

Wat is pollo alla valdostana?

Pollo alla valdostana, ook wel scaloppine di pollo alla valdostana genoemd, is een klassiek Italiaans kipgerecht uit de Val d’Aosta. Dunne lapjes kip worden lichtjes met bloem bestoven, gebakken in boter en olie, overgoten met een scheutje witte wijn en vervolgens bedekt met een plakje ham en smeltende kaas. De kaas smelt tot een zachte, glanzende laag over het vlees, zonder dat het een uitgelopen massa wordt.

Het resultaat? Een gerecht dat voelt als een warme jas in de winter: hartig, zacht, rijk van smaak en toch verrassend licht verteerbaar. Pollo alla valdostana is comfort food met een zekere elegantie, zonder te pretentieus te worden. Ideaal voor een zondagse lunch waar je net iets meer van verwacht dan kip aan ’t spit.

Waar komt dit gerecht vandaan?

Zoals de naam al doet vermoeden, is pollo alla valdostana afkomstig uit de Valle d’Aosta, een kleine autonome regio in het uiterste noordwesten van ItaliĆ«, tegen de grens met Frankrijk en Zwitserland. De streek staat bekend om haar kazen, haar liefde voor stevige gerechten Ć©n haar alpine ligging.

De term alla valdostana is intussen meer dan een geografisch label geworden. Het is bijna een codewoord in de Italiaanse keuken. Zie je het op een menukaart staan, dan weet je dat je een bereiding met gesmolten kaas en ham mag verwachten, meestal in combinatie met vlees of gevogelte. De meest iconische kaas uit de regio is fontina, een halfharde kaas met een licht nootachtig aroma en een fluweelzachte smelttextuur. Deze wordt vaak gecombineerd met prosciutto cotto, een milde gekookte ham, of met prosciutto crudo, afhankelijk van de bereiding.

Die combinatie van vlees, ham en gesmolten kaas komt ook voor in andere regionale klassiekers zoals de cotoletta alla valdostana (de luxueuze neef van de schnitzel).

Recept: Petto di pollo alla valdostana

Het recept dat we meegeven zal je duidelijk maken dat dit gerecht eenvoudig te bereiden is met, zoals we in Italiƫ gewoon zijn, opvallend weinig ingrediƫnten voor veel smaak: kipfilet, ham, kaas, salie en een klein beetje vuurvast geduld. Perfect voor wie zijn kip een andere richting wil uitsturen dan het eeuwige grillpatroon.

Ingrediƫnten (voor 4 personen):

  • 700 g kipfilet, in plakken gesneden
  • 180 g gekookte ham (prosciutto cotto)
  • 200 g fontina (of fontal), in dunne plakjes
  • 2 eetlepels bloem (of rijstbloem/maĆÆszetmeel voor een glutenvrije versie)
  • ½ glas droge witte wijn
  • Enkele blaadjes verse salie (optioneel)
  • 3 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 20 g boter
  • Zout en peper, naar smaak

Bereiding:

  1. Voorbereiding van de kip:
    Snijd de kipfilets in niet te dunne plakken, maar zeker ook niet te dik. Je wil een goede balans tussen snelheid van garen en sappigheid. Bestrooi de kipplakken aan beide zijden lichtjes met bloem en schud de overtollige bloem af.
  2. Bakken:
    Verwarm de olijfolie samen met de boter in een grote antikleefpan. Zodra het vet goed heet is, leg je de kip in de pan. Bak de plakken ongeveer 1 minuut aan elke kant op middelhoog vuur tot ze goudgeel beginnen kleuren. Kruid met zout en peper.
  3. Afblussen:
    Verhoog kort het vuur en blus de pan met de witte wijn. Laat de alcohol verdampen tot het vocht een licht stroperige textuur krijgt. Zet dan het vuur weer wat lager en leg een deksel op de pan. Laat de kip 5 Ć  6 minuten verder garen, tot ze helemaal gaar is vanbinnen.
  4. De afwerking:
    Verwijder het deksel en beleg elke plak kip met een sneetje ham en daarboven een plakje fontina. Voeg eventueel een vers salieblaadje toe voor een kruidige toets. Dek de pan opnieuw af en laat het geheel nog een minuut zachtjes smelten. Niet langer, anders wordt de kip droog en je kaas rubber.
  5. Serveren:
    Zet het vuur uit, serveer de kip meteen, overgoten met een beetje van het braadvocht. Een eenvoudige groene salade of wat gestoomde aardappelen erbij en je zit goed.

Kleine tip:
Gebruik bij voorkeur fontina d’Aosta, de trots van de regio. Geen fontina in huis? Een zachte taleggio of jonge comtĆ© werkt ook prima, zolang de kaas maar vlot smelt. En indien kip niet je favoriet is kan je dit gerecht ook bereiden met kalfsvlees of kalkoen, of laat de salie weg als je het liever puur houdt. De combinatie ham-kaas blijft overeind, wat je ook kiest.

Een kip met een skihelm

Pollo alla valdostana is geen haute cuisine, maar het is ook geen simpele schnitzel met kaas. Het is een gerecht dat ontstaan is vanuit de hoogste toppen van de Valle d’Aosta. We zetten de kip een skihelm op en sturen haar de berg af, waar ze met een sierlijke sprong in de pan belandt.
Wie heeft er nu nog nood aan die zondagse kippenkraam?