Riesling Italico: de naam die misleidt

Druivenrassen en hun namen zijn soms ware valkuilen. Riesling Italico is daar een schoolvoorbeeld van. Wie de naam leest, denkt vanzelf aan de nobele Riesling uit Duitsland en verwacht aromatische wijnen met bewaarpotentieel. Niets is minder waar. Riesling Italico heeft genetisch en stijlmatig helemaal niets te maken met de beroemde Riesling, die in Italiƫ wordt aangeduid als Riesling Renano. De gelijkenis stopt bij de naam, en die zorgt al decennialang voor misverstanden en verkeerde verwachtingen.

Het is een druif die in de loop van de twintigste eeuw aan populariteit verloor, maar vandaag opnieuw aandacht krijgt van producenten en wijnliefhebbers. Daarmee verdient deze druif het om opnieuw bekeken te worden, niet door de bril van zijn naam, maar door wat hij werkelijk in de wijngaard en het glas te bieden heeft.

Wat zit er in een naam?

De aanduiding ā€œRiesling Italicoā€ heeft al sinds de 19e eeuw tot verwarring geleid. Enerzijds omdat de term ā€œRieslingā€ onmiddellijk de link legt met de Duitse klassieker, anderzijds omdat de toevoeging Italico de indruk wekt dat het gaat om een Italiaanse variant daarvan. In werkelijkheid gaat het om een volledig aparte druif met een eigen geschiedenis.

Moderne DNA-analyses hebben dit definitief bevestigd: het enige gekende ouderras van Riesling Italico is de Coccalona Nera, een weinig voorkomende druif zonder grote rol in de hedendaagse wijnbouw. Dit gegeven onderstreept hoe misleidend de naam ā€œRieslingā€ hier gebruikt is, en hoe weinig de druif gemeen heeft met zijn Duitse naamgenoot.

De naamgeving wordt nog complexer door regionale varianten. In Duitstalige gebieden staat de druif bekend als Welschriesling, letterlijk ā€œvreemde Rieslingā€. In Veneto leeft ze verder onder volksnamen als Rismi, Risii en Riesli. Bovendien laten Italiaanse registers in sommige provincies etikettering onder de naam Riesling toe, wat de verwarring bij consumenten en sommeliers in stand houdt.

Juist deze onduidelijkheid rond de naam heeft de opbouw van een eigen identiteit jarenlang afgeremd. Terwijl andere druiven hun profiel konden aanscherpen, bleef Riesling Italico worstelen met verwachtingen die ze niet kan of hoeft waar te maken. Het erkennen van de Coccalona Nera als genetische bron was daarom van enorm belang: het helpt om de druif los te maken van de verkeerde associatie met de Duitse Riesling en een eigen plaats toe te wijzen binnen de wijnbouw.

Geschiedenis en verspreiding

De precieze oorsprong van Riesling Italico is al meer dan een eeuw onderwerp van discussie. Verschillende theorieƫn circuleren:

  • In 1876 suggereerde Goethe dat de druif zijn wortels had in de Champagne, waar hij bekend zou zijn geweest als Meslier, en later als Welschriesling naar Duitsland zou zijn overgewaaid.
  • In 1906 ontkrachtte de ampelograaf Molon dit, omdat hij in de Franse literatuur geen enkel spoor vond van de druif. Een Italiaanse oorsprong leek hem waarschijnlijker.
  • Een derde hypothese koppelt Riesling Italico aan de Aminea gemella uit de Romeinse tijd, een variĆ«teit waarmee de Falerner-wijnen werden gemaakt.

Zekerheid over de oorsprong ontbreekt nog steeds. Wat wel vaststaat, is dat moderne DNA-analyses geen verwantschap hebben gevonden met Pignoletto of Verdicchio, druiven waarmee Riesling Italico in de loop van de tijd geregeld werd verward.

Binnen Italië kreeg de druif in de twintigste eeuw een vaste plaats, vooral in Lombardije. In de Oltrepò Pavese beslaat hij vandaag ongeveer 95 procent van de nationale aanplant. Daarnaast zijn er kleinere oppervlaktes in Veneto, Friuli en Trentino-Alto Adige, waar de druif vaak Welschriesling wordt genoemd. Sporadisch duikt hij ook op in Emilia, onder meer in de Colli Bolognesi.

De officiĆ«le erkenning van Riesling Italico binnen de Italiaanse wijnwetgeving is breed. Hij is toegelaten in meerdere provincies, zoals Verona, Vicenza, Treviso en Udine, en maakt deel uit van talrijke DOC’s waaronder Oltrepò Pavese, Collio, Garda, Custoza en Friuli Isonzo. Ook binnen de IGT-categorie komt zijn naam vaak voor, van Terre di Chieti tot Veneto en Vigneti delle Dolomiti.

Buiten Italië is Riesling Italico vooral bekend in Centraal-Europa. Daar wordt hij Welschriesling genoemd en speelt hij een belangrijke rol in Oostenrijk, Slovenië en Hongarije. In Slovenië staat hij bekend als LaŔki Rizling, in Hongarije als Olaszrizling, en in Kroatië als GraŔevina. Daarnaast duiken in historische bronnen en lokale tradities nog andere namen op, zoals Crouchen en Rieling Oslas. In deze landen geniet de druif meer aanzien dan in Italië zelf, met stijlen die variëren van lichte, frisse wijnen tot complexere versies met bewaarpotentieel.

Een druif op de dool

Riesling Italico heeft in Italiƫ een bewogen traject achter de rug. In de jaren negentig stond er nog ruim 2.300 hectare aangeplant, maar sindsdien is de oppervlakte gestaag geslonken tot ongeveer 1.200 Ơ 1.300 hectare vandaag. Die terugval weerspiegelt het geringe aanzien dat de druif decennialang genoot. Lange tijd werd ze beschouwd als een tweede keuze, een variƫteit die zelden bewust werd gepositioneerd of gecommuniceerd.

Die situatie had ook gevolgen voor de markt. Het Consorzio van Oltrepò Pavese, waar het gros van de aanplant zich bevindt, heeft nooit een helder communicatief kader ontwikkeld om Italico van Renano te onderscheiden. Daardoor bleef de druif voor velen in een grijze zone hangen: aanwezig, maar niet erkend.

Toch tekenen zich de laatste jaren signalen van verandering af. Kleine producenten in Oltrepò Pavese kiezen ervoor om Riesling Italico opnieuw in de kijker te zetten, ditmaal met een focus op kwaliteit. Ook internationale initiatieven zoals het concours Grow du Monde hebben bijgedragen aan een herwaardering: ze tonen dat Italico, mits de juiste vinificatie, frisse en minerale wijnen kan leveren die perfect inspelen op de huidige vraag naar lichtvoetige, doordrinkbare stijlen.

Eigenschappen van de wijnstok

Riesling Italico is een wijnstok met een middelmatige groeikracht en een betrouwbare, vrij consistente productie. Op heuvelhellingen met klei-kalkrijke bodems, een goede drainage en een relatief droog klimaat presteert hij het best. In zulke omstandigheden behoudt de druif zijn frisse zuren, waardoor de wijnen levendig en evenwichtig blijven. In vlakke of vochtige wijngaarden is hij gevoeliger voor rot, waardoor de keuze van de locatie een doorslaggevende rol speelt in de kwaliteit.

Ampelografisch valt de plant op door zijn middelgrote bladeren, meestal gaaf of licht gelobd, met een heldergroene, bijna metaalachtige glans aan de bovenzijde. De trossen zijn klein, compact en vaak cilindrisch van vorm, soms met een korte vleugel. De bessen zijn middelgroot, goudgeel met een lichte groene tint en bedekt met een dunne maar stevige schil. Het vruchtvlees is sappig en zoet, eerder neutraal van karakter, maar daardoor juist geschikt om bij vinificatie frisse en subtiele aroma’s naar voren te laten komen.

De groeicyclus van Riesling Italico verloopt gemiddeld in tempo. Knopzetting, bloei en vĆ©raison volgen elkaar in een normaal ritme, en de druif bereikt zijn rijpheid in de derde tijdsperiode, doorgaans in de tweede helft van september. Dit geeft de wijnmaker de mogelijkheid om een goed evenwicht te vinden tussen rijpheid en behoud van natuurlijke aciditeit. Bij een nauwgezette oogstplanning kunnen de aroma’s zich optimaal ontwikkelen zonder dat de frisheid verloren gaat.

Het wijnprofiel

Riesling Italico levert wijnen met een lichte tot medium body en een bleke strogele kleur die vaak groene reflecties vertoont. Het aromatische profiel is ingetogen maar verfijnd, waarbij vinificatie doorgaans frisse tonen van citrus, kweepeer en abrikoos naar voren brengt, vaak ondersteund door een minerale ondertoon die de wijn een zekere spanning geeft.

In de mond proef je frisse zuren die zorgen voor levendigheid en een droge, evenwichtige stijl. Kenmerkend is een subtiel bittertje in de afdronk dat de wijnen een eigen signatuur meegeeft. Deze combinatie maakt Riesling Italico bijzonder geschikt om jong te drinken, wanneer de fruitigheid en de frisheid op hun hoogtepunt zijn.

Naast stille wijnen wordt de druif steeds vaker gebruikt voor mousserende vinificaties. De natuurlijke aciditeit en de delicate aroma’s lenen zich uitstekend voor frizzante en spumante stijlen, die vooral overtuigen in wijngaarden met heuvelachtige ligging en drogere klimaten. Daar komt de frisheid het best tot uiting en ontstaan wijnen die lichtvoetig maar karaktervol zijn. Het profiel van Riesling Italico sluit zo goed aan bij de huidige voorkeur voor toegankelijke, verteerbare wijnen die niet in kracht maar in zuiverheid en doordrinkbaarheid uitblinken.

Riesling Italico versus Riesling Renano

De verwarring tussen beide druiven is hardnekkig, maar in werkelijkheid gaat het om twee volledig verschillende druiven die zowel qua oorsprong, stijl als marktpositie weinig met elkaar gemeen hebben. Riesling Renano, de klassieke Duitse Riesling, staat internationaal bekend om zijn aromatische intensiteit en de veelzijdigheid waarmee hij uiteenlopende stijlen kan voortbrengen, van strakdroog tot edelzoet. Kenmerkend zijn de uitgesproken citrus- en steenvruchtaroma’s, florale tonen en een hoge zuurgraad die de basis vormt voor een uitzonderlijk bewaarpotentieel. Grote wijnen van Renano ontwikkelen zich in de fles vaak tientallen jaren en krijgen daarbij complexe tertiaire aroma’s zoals petroleum, honing en gedroogd fruit, eigenschappen die de druif tot een icoon van de wereldwijde wijnbouw hebben gemaakt.

Riesling Italico heeft een totaal ander profiel. De wijnen zijn lichter, minder aromatisch uitgesproken en bedoeld om jong te drinken. Het accent ligt op frisheid en toegankelijkheid, met subtiele fruittonen en een levendige maar niet overdreven hoge aciditeit. Waar Renano vaak aanzien en prestige uitstraalt, positioneert Italico zich eerder als een druif voor dagelijks drinkplezier en veelzijdige toepassingen. Juist dankzij zijn frisse karakter en doordrinkbaarheid is hij geschikt voor mousserende vinificatie, een domein waarin hij steeds vaker wordt ingezet.

Het fundamentele onderscheid tussen beide zit dus niet enkel in de genetische achtergrond, maar vooral in stijl, gebruik en perceptie. Riesling Renano is de druif van de lange adem en de grote bewaarwijnen, Riesling Italico die van de directe drinkbaarheid en de moderne trend naar lichtere, verfrissende wijnen. Beide druiven beantwoorden aan heel andere verwachtingen en markten, en precies daarom is het essentieel ze duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Een blik op de toekomst

Riesling Italico staat op een kruispunt. Aan de ene kant blijven de officiƫle aanplantcijfers dalen en ontbreekt er nog altijd een eenduidige strategie van consortia of appellaties om de druif stevig te positioneren. Aan de andere kant groeit de belangstelling vanuit nichekringen, zowel bij producenten die experimenteren met nieuwe vinificatiestijlen als bij een publiek dat meer openstaat voor frisse, lichte en minder voor de hand liggende wijnen. Internationale initiatieven spelen hierbij een belangrijke rol. Het concours Grow du Monde heeft de druif zichtbaar gemaakt op een niveau waar Italiƫ tot 2023 nauwelijks aanwezig was. De eerste inzendingen in 2024 werden positief onthaald en toonden dat Italico, mits zorgvuldig gemaakt, kan overtuigen naast voorbeelden uit Centraal-Europa.

Ook de digitale gemeenschap draagt bij aan de herwaardering. Online fora en sociale media laten zien dat er een generatie wijnliefhebbers opstaat die bewust buiten de klassieke paden kijkt en Italico prijst om mineraliteit, frisse zuren en toegankelijkheid. In die kringen wordt de druif omschreven als een onderschat alternatief, vooral geschikt voor wie een Italiaanse witte wijn zoekt met karakter maar zonder zwaarte. Dit enthousiasme onderstreept dat Italico zich in een markt kan nestelen die steeds meer waarde hecht aan verteerbaarheid en authenticiteit.

De grote uitdaging blijft communicatie. Zolang de naam verwarring zaait en er geen gecoƶrdineerde inspanning is om de druif een eigen profiel te geven, zal Riesling Italico niet de zichtbaarheid krijgen die hij verdient. Toch zijn er tekenen van verandering: kleine producenten die het voortouw nemen, internationale erkenning die toeneemt en een consument die klaar lijkt voor iets nieuws. Als deze lijnen worden doorgetrokken, kan de druif uitgroeien tot een verrassend relevant uithangbord van hedendaagse Italiaanse wijnbouw, niet door te wedijveren met de grote Riesling Renano, maar door zijn eigen plaats te claimen in het spectrum van frisse en authentieke wijnen.

Tabula rasa

Riesling Italico verdient een nieuwe kans, maar dan zonder de ballast van een misleidende naam. Noch Riesling noch Italico weerspiegelt zijn echte identiteit. Een herstart met een andere benaming, zoals GraŔevina die in de Balkanlanden stevig is ingeburgerd, kan de druif de duidelijke positionering geven die ze nodig heeft. De bal ligt bij consortia en producenten: enkel door die stap te durven zetten kan deze druif uitgroeien tot een volwaardige speler in de moderne Italiaanse wijnbouw.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Het afsluitende artikel in onze reeks over de Valpolicella-wijnen is zonder twijfel het stuk waarvoor het meeste opzoekwerk nodig was. Er zijn namelijk talloze druivenrassen toegestaan in de wijnen van deze appellatie. De hoofdrolspelers hebben we al besproken, net als de meest voorkomende figuranten. Wat resteert zijn piepkleine bijrollen voor soms obscure, bijna vergeten namen, maar ook voor rassen die wereldwijd bekendstaan om hun klassewijnen. Denk aan Sangiovese en Nebbiolo, maar ook aan enkele grote Franse namen. Op het etiket zal je ze zelden afzonderlijk vermeld zien, vaak verdwijnen ze onder de noemer ā€˜overige toegelaten druiven – 10%’. In dit artikel proberen we daar wat licht op te werpen.

De overige toegelaten druiven in de Valpolicella blend

Om een beter beeld te krijgen van welke druivenrassen een plek mogen krijgen in een Valpolicella-wijn, is het zinvol eerst naar de wetgeving te kijken. Artikel 2 van het disciplinare voor Valpolicella DOC zegt in essentie het volgende:

De Valpolicella wijnen moeten worden gemaakt van druiven die afkomstig zijn van wijngaarden met deze samenstelling:

  • Corvina Veronese (ook Cruina of Corvina genoemd): tussen 45% en 95%. Binnen dat percentage mag maximaal 50% Corvina vervangen worden door Corvinone.
  • Rondinella: tussen 5% en 30%.
  • Daarnaast mogen er tot maximaal 25% andere druiven gebruikt worden, mits ze voldoen aan deze voorwaarden:
    • Niet-aromatische rode druiven die toegelaten zijn voor de provincie Verona (zoals vastgelegd in het nationale register), tot maximaal 15% totaal, met per afzonderlijk druivenras een limiet van 10%.
    • Italiaanse autochtone rode druiven (volgens wet 82/06) die zijn toegelaten in de provincie Verona, tot het resterende maximum van 10%.

Wie het nationale register van Italiaanse druivenrassen bekijkt voor de IGT Veronese, vindt een lijst van ongeveer vijfenveertig toegelaten rode variëteiten. Filter je daaruit de niet-aromatische rassen, dan blijft nog altijd een indrukwekkend aantal over. Namen als Ancelotta, Barbera, Cabernet Sauvignon, Carmenère, Casetta, Corvina, Corvinone, Croatina, Dindarella, Forsellina, Gamay, Lagrein, Marselan, Marzemino, Merlot, Molinara, Negrara, Oseleta, Petit Verdot, Pinot Nero, Raboso Veronese, Rebo, Regent, Rondinella, Rossignola, Sangiovese, Schiava, Syrah en Teroldego passeren de revue. Het is echter geen sluitende lijst. In de praktijk blijkt dat ook druivenrassen als Cabernet Franc en Nebbiolo hun weg naar Valpolicella vinden, zoals bij de meesterlijke wijnen van Giuseppe Quintarelli. Spigamonti, gebruikt door Tedeschi, is eveneens een voorbeeld van een variëteit die niet in de standaardoverzichten voorkomt, maar wel degelijk een rol speelt. Elders zoals bij Tenuta Santa Maria zie je dan weer namen als Enantio en Turchetta.

Het is duidelijk dat een volledig overzicht van toegelaten en daadwerkelijk gebruikte druiven vrijwel onhaalbaar is. De keuzemogelijkheden zijn simpelweg te groot. Daarom beperken we ons in het vervolg tot een handvol oude inheemse rassen. Ze worden zelden gebruikt, maar dragen bij aan het rijke verhaal van Valpolicella en geven een glimp van de diversiteit die schuilgaat achter de bekende namen op het etiket.

Dindarella

Dindarella is een oud inheems ras uit het Veneto dat ooit veel wijngaarden sierde, maar in de loop van de twintigste eeuw bijna volledig verdween. De naam zou volgens sommige bronnen komen van het dialectwoord ā€˜dindare’, dat ā€˜trillen’ of ā€˜wiegen’ betekent, mogelijk een verwijzing naar de losse trossen die gemakkelijk in de wind bewegen. Na de bloei zijn de trossen vaak open en de bessen gedeeltelijk bloot, wat de opbrengst beperkt. Juist die losse structuur, samen met de dikke, bedauwde schil, stevige structuur en het vermogen om goed te drogen, maakt Dindarella geschikt voor appassimento en dus inzetbaar in Amarone en vooral in aromatisch rijke Recioto.

De aanplant bevindt zich voornamelijk in Valpolicella, met kleinere percelen bij het Gardameer en in de Valdadige. De bessen zijn middelgroot, onregelmatig van vorm en blauw van kleur. De rijping vindt plaats in het midden van het seizoen, waarna de druif uitstekend indroogt zonder haar frisheid te verliezen.

Forsellina

Ook Forsellina is een oud inheems ras uit de provincie Verona dat vandaag nog maar op ongeveer vijftien hectare wordt aangeplant. De eerste vermelding dateert uit 1824 in de catalogus van Veronese druivenrassen van de botanicus Ciro Pollini. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd ze door verschillende auteurs beschreven, tot ze in 1971 officieel werd opgenomen in het nationale druivenregister.

De plant groeit rechtop en vertoont gelijkenissen met Molinara, maar de kwaliteit van de opbrengst wordt lager ingeschat. De middelgrote, compacte trossen zijn cilindrisch en soms licht gevleugeld. De bessen zijn onregelmatig ovaal, met een dunne, bedauwde schil en kleurloos sap met een neutrale smaak. Door de compacte trossen leent Forsellina zich niet goed voor droging, waardoor ze zelden wordt gebruikt in passito-wijnen zoals Amarone of Recioto.

Forsellina rijpt in het middenseizoen en past zich goed aan aan minder ideale omstandigheden. Ze wordt toegestaan in de DOC’s Valpolicella en Bardolino, evenals in de IGT’s Verona, Vallagarina en Trevenezie. In de blend geeft ze een heldere, lichte robijnrode kleur, florale en fruitige aroma’s en een evenwichtige smaak waarin zachtheid en frisheid mooi samenkomen.

Negrara

Negrara Veronese behoort tot de bredere familie van Negrare, waartoe ook de beter bekende Negrara Trentina behoort. Hoewel de namen vaak door elkaar worden gebruikt, hebben ze duidelijke verschillen in bladstructuur en bessen. De eerste vermelding van Negrara gaat terug tot 1824 in het werk van Ciro Pollini, waarin hij meerdere typen onderscheidde, waaronder de Negrara bastarda, die waarschijnlijk overeenkomt met de huidige Negrara Veronese. In het begin van de twintigste eeuw besloeg de Negrare-familie zo’n twintig procent van de aanplant in de provincie Verona. Sinds 1970 staat Negrara officieel in het nationale druivenregister.

De aanplant is vandaag beperkt en verspreid, met aanwezigheid in Valpolicella, Bardolino, Breganze Rosso en Valdadige, en in kleine percelen in Padova en Vicenza. De trossen zijn middelgroot tot groot, cilindrisch, vaak gevleugeld en matig compact. De bessen zijn vrij groot, blauwzwart en sterk bedauwd, met een dikke, leerachtige en licht wrange schil. De rijping valt laat in het seizoen, terwijl de knopontplooiing eveneens later plaatsvindt.

Negrara levert constant goede opbrengsten, maar is gevoelig voor valse meeldauw, echte meeldauw, mijten en trosschimmels. In de kelder geeft ze een robijnrode kleur met violette schakeringen, aroma’s van zure kers, een kruidige toets en soms een vleug groene peper die met rijping milder wordt. In de mond presenteert de wijn zich licht van body maar verfijnd, met een frisse, sappige aanzet en een goede balans tussen tannine en kleurstoffen. In blends voor Valpolicella, Amarone en Recioto mag ze tot tien procent worden gebruikt, waar ze kruidigheid, frisheid en een subtiel gespannen structuur toevoegt.

Spigamonti

Spigamonti is een zeldzaam en recent herontdekt druivenras dat in Valpolicella slechts op enkele plekken voorkomt, onder andere in Tedeschi’s wijngaard Maternigo. Opvallend aan de plant zijn de bladeren met een rood-koperkleurige gloed en de dieprode kleur van de bloemstelen. Het is een teinturier, wat betekent dat ook het vruchtvlees rood is. Daardoor levert Spigamonti extra kleurintensiteit en structuur in blends, zowel voor Valpolicella als voor Amarone.

Het ras is van oorsprong Frans en staat ook bekend onder de naam Aspiran Bouschet. Het werd in 1865 door Henri Bouschet gekweekt uit een kruising tussen Aspiran Noir en Bouschet Gros, familie van de bekende Alicante Bouschet. In Italiƫ werd Spigamonti pas in 2013 officieel toegelaten. De ontdekking in Valpolicella gebeurde door een teler nabij Montecchio di Negrar, die de druif aanleverde aan Cantina Negrar.

De teelt is uiterst kleinschalig en beperkt tot enkele percelen. De trossen zijn compact en het vruchtvlees is rijk aan anthocyanen. In kleine hoeveelheden kan Spigamonti een blend spanning, kleurkracht en kruidigheid meegeven.

Op uitstap!

Met deze laatste etappe ronden we onze reis door de Valpolicella-wijngaarden af. Nu is het aftellen tot de echte reis kan beginnen, samen met Amici. Want niets is mooier dan theorie omzetten in praktijk. De voorbije twaalf etappes hebben de kiemen gelegd, en de tijd van de floraison is aangebroken. Op naar de proeftochten bij wijnboeren, om ons te laven aan de vele gezichten en smaken van de Valpolicella-wijnen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst
  12. Croatina: Het koppige buitenbeentje

Croatina: Het koppige buitenbeentje

Omtrent de ontleding van de blend van de Valpolicella-wijnen en de bespreking van de druiven hebben we eerlijk gezegd even getwijfeld: verdient Croatina een eigen artikel of nemen we haar op in de laatste aflevering onder de noemer ā€˜overige toegestane druiven’? Die laatste aflevering volgt volgende week zondag, en zal zich richten op minder bekende druivengoden zoals Dindarella, Spigamonti en consoorten.

De twijfel was terecht. Croatina duikt zelden op in de samenstelling van een Valpolicella-wijn. Het is en blijft een buitenbeentje. Maar tegelijk is het een druif die op zichzelf misschien net te belangrijk is om in de marge te verdwijnen.

Begrijp ons dus goed: Croatina speelt vandaag zelden mee in Valpolicella. Maar wanneer dat wel gebeurt, is haar impact voelbaar. En vooral: haar verhaal speelt zich grotendeels elders in Italiƫ af. DƔƔr wordt ze echt au sƩrieux genomen. Precies daarom verdient ze hier een eigen plaats. Geen hoofdrol in Valpolicella, wel een karakterrol in het grotere wijnverhaal.

Van Kroatiƫ tot Casteggio

Croatina is een druif die tot vandaag met een zekere identiteitstwijfel kampt. In officiƫle documenten wordt ze aangeduid als Croatina N. 071, een erkenning die ze sinds 1970 draagt. Maar wie de wijngaarden van Noord-Italiƫ doorkruist, stuit op een bont gezelschap aan synoniemen: Crovattina, Croattina, Croatino, Croata en Crovettina, om er enkele te noemen. Elk van die namen zegt iets over lokale dialecten, historische transcripties en hardnekkige gewoonte.

De grootste bron van verwarring is zonder twijfel de naam Bonarda. In Oltrepò Pavese en in de Colli Piacentini is dat een erkend synoniem voor Croatina. Maar elders in Piemonte verwijst Bonarda naar andere, volledig verschillende druiven zoals Bonarda Piemontese en Bonarda Novarese (ook wel bekend als Uva Rara). Deze zijn genetisch niet verwant aan Croatina, al doen de namen anders vermoeden. Dat leidt tot misverstanden, zelfs onder doorgewinterde wijnliefhebbers.

Nog verwarrender wordt het wanneer Croatina opduikt onder namen als Dolcetto, Nebbiolo di Gattinara of Freisa. Die foutieve benamingen kwamen vroeger vooral voor in kleinere gemeenten zoals Gattico of Sizzano in het Novarese gebied. Daar werd ze soms ook Borgogna of zelfs Uva dello zio genoemd. Het toont aan hoe diepgeworteld en lokaal deze druif was en hoe weinig uniformiteit er bestond in naamgeving.

Over haar geografische oorsprong bestaan verschillende theorieƫn. Een plausibele hypothese stelt dat Croatina afkomstig is uit de kustregio Primorska Hrvatska in het huidige Kroatiƫ. Van daaruit zou ze via Sloveniƫ haar weg gevonden hebben naar Emilia-Romagna en vervolgens naar Lombardije en Piemonte. Die migratie wordt versterkt door andere gelijkaardige druifroutes, zoals die van Primitivo, en door de betekenis van de naam zelf: Croatina wijst duidelijk op een Kroatische link.

Vanuit die hypothetische oorsprong komt de druif uiteindelijk terecht in het hart van Lombardije, waar ze haar vaste voet aan de grond vindt in Casteggio, Oltrepò Pavese. Casteggio is niet alleen een belangrijk productiegebied, het was ook een van de plaatsen waar de officiële ampelografische beschrijving van Croatina werd opgesteld. Samen met Boca in de provincie Novara geldt het als een referentie voor de moderne teelt van de druif.

Kortom, Croatina is een druif met een complexe naamgeschiedenis, een diffuse verspreiding en een migratieverhaal dat nog steeds onderwerp van discussie is.

Geschiedenis van een grensganger

Croatina kent een lange geschiedenis in Noord-Italiƫ, met sporen die teruggaan tot de middeleeuwen. Ze werd verbouwd in Piemonte, Lombardije en delen van Emilia-Romagna, lang voor ze een officiƫle status kreeg. Toch bleef haar aanwezigheid eerder lokaal en versnipperd.

De eerste formele vermelding van Croatina in wijnbouwkundige literatuur dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. In publicaties uit Novara en Rovescala wordt de druif voor het eerst systematisch beschreven.

In het dorp Rovescala, op de grens van Pavia en Piacenza, groeide Croatina uit tot een regionale trots. Daar werd ze traditioneel Bonarda genoemd en kreeg ze een duidelijke plaats in de lokale wijnbouwidentiteit. Tot op vandaag geldt Rovescala als het historische hart van Croatina.

In Novara, verder naar het noorden, bleef Croatina eveneens stevig verankerd. Daar wordt ze beschouwd als het belangrijkste rode ras van de streek. De wijnbouwers onderscheiden er verschillende types van de druif op basis van internodi (de knopen op de scheut), waarbij de kortere variant als consistenter wordt gezien in opbrengst en kwaliteit.

In Pavia was de relatie met Croatina grilliger. Haar weerstand tegen oĆÆdium en haar degelijke opbrengst maakten haar aanvankelijk populair, maar haar neiging tot onregelmatige productie zorgde ook voor scepsis. Vooral bij natte jaren bleek ze kwetsbaar. Toch hielden veel wijnbouwers vast aan de druif omdat ze wisten wat ze eraan hadden: body, kleur en structuur.

Verspreiding en cultivering

Met een aanplant van minder dan 3.700 hectare is Croatina verrassend genoeg stabiel Ʃn geografisch breed verankerd in Noord-Italiƫ. De meeste aanplantingen bevinden zich in Lombardije, Piemonte en delen van Emilia-Romagna, met hier en daar uitlopers naar Veneto (Valpolicella) en tot zelfs in Sardiniƫ.

In Lombardije speelt Croatina een hoofdrol in het zuidelijke wijngebied Oltrepò Pavese, ten zuiden van de rivier de Po. Hier vormt ze het hart van de DOC Oltrepò Pavese Bonarda, waar de wet voorschrijft dat ze minstens 85% van de wijn moet uitmaken. De overige 15% mag bestaan uit druiven zoals Barbera, Vespolina of Uva Rara. Binnen dit gebied is ze dé lokale druif bij uitstek. Croatina is er synoniem met identiteit.

In Emilia-Romagna maakt ze deel uit van de assemblages in de DOC Gutturnio, vooral in het gebied rond Ziano Piacentino. Daar wordt ze gekoppeld aan Barbera, die het grootste aandeel in de blend inneemt. Croatina zorgt voor de structuur, de zuurtegraad en een extra laag tannine. Ze mag tot 45% van de wijn uitmaken, afhankelijk van het type (Basis, Superiore of Riserva). De meeste Gutturnio-wijnen zijn blends, maar de aanwezigheid van Croatina is er essentieel om de stijl te definiƫren.

In Piemonte komt Croatina voor in een reeks appellaties, waaronder Colli Tortonesi, Colline Novaresi, Coste della Sesia en Bramaterra. Vooral in het noorden, rond Novara en Vercelli, heeft ze een historische voetafdruk. Ze speelt er een bescheiden maar constante rol in blends, vaak samen met Nebbiolo, Vespolina of Uva Rara. Op het etiket wordt haar bijdrage echter zelden expliciet vermeld.

Daarnaast is Croatina opgenomen in diverse DOC’s en IGT’s, waaronder San Colombano al Lambro, Buttafuoco, Casteggio, Piemonte DOC, Valli Ossolane en enkele kleinere benamingen in Veneto en op SardiniĆ«. In die laatste twee regio’s gaat het eerder om experimentele of marginale aanplant, zonder noemenswaardige productievolumes.

De hernieuwde aandacht voor Croatina heeft alles te maken met haar aanpassingsvermogen. Ze gedijt op uiteenlopende bodems en klimaten, zolang ze voldoende zon krijgt in het naseizoen. Die flexibiliteit, gecombineerd met haar kleur, zuivere fruitaroma’s en brede inzetbaarheid in blends, maakt haar voor veel wijnmakers opnieuw interessant. Vooral producenten die bewust kiezen voor lokale druiven boven internationale variĆ«teiten, vinden in Croatina een bondgenoot die authenticiteit koppelt aan potentieel.

De wijnstok

Croatina is een druif met een uitgesproken groeikracht en karakter, maar ook met duidelijke eisen. De wijnstok vertoont een krachtige maar beheersbare vegetatieve groei, waarbij lange snoei noodzakelijk is om haar productie in toom te houden. In traditionele wijngaarden wordt Croatina vaak op ruime afstand van elkaar geplant, met druivenranken die breed uitwaaieren. Ook moderne snoeisystemen zoals Guyot of cordon worden gebruikt, op voorwaarde dat de plant voldoende ruimte krijgt om zich uit te spreiden.

De bloei begint meestal in de tweede helft van juni, gevolgd door de kleurverandering van de bessen midden augustus (invaiatura). De rijping is laat, doorgaans in de eerste helft van oktober. Cruciaal hierbij is het weerbeeld in de nazomer: een warm en droog najaar zorgt voor rijpe trossen met voldoende fenolische ontwikkeling, terwijl regen en vochtigheid het risico op rot vergroten. In veel appellaties wordt daarom gekozen om Croatina slechts deels in de blend op te nemen, als buffer of verzekeringspolis bij onzeker weer.

De trossen zijn groot, kegelvormig en vrij compact, met een gemiddelde lengte van 20 tot 25 cm. Binnen eenzelfde perceel kunnen er aanzienlijke verschillen voorkomen in trosgrootte en bessenverdeling, wat een zorgvuldige selectie bij de oogst vereist. De bessen zijn middelgroot, bolvormig tot licht ovaal, en bedekt met een dikke blauwzwarte schil met een dunne, blauwachtige waas. Het sap is kleurloos, het vruchtvlees is sappig maar neutraal van smaak.

Ampelografisch onderscheidt de plant zich met haar donkergroene, dof glanzende bladeren, meestal vijflobbig, soms drielobbig. De bladeren zijn gemiddeld van formaat en licht komvormig, met fijne nerven en niet-uitgesproken tanden. In de herfst kleurt het blad eerst rood met groene vlekken, om vervolgens over te gaan naar een warm geel-rood palet.

Croatina is relatief goed bestand tegen oĆÆdium en botrytis in droge jaren, maar vatbaar voor valse meeldauw en insecten zoals de tignola (de druivenmot, waarvan de rupsen schade toebrengen aan de trossen). Ook vertoont ze in sommige lentes een beperkte bloei, met minder bloemknoppen dan verwacht. De vruchtbaarheid zit meestal geconcentreerd op de derde tot vijfde knop, met gemiddeld twee (soms drie) trossen per scheut. De zijscheuten dragen zelden vruchtbare trossen die volledig rijpen.

Wat de bodem betreft, doet Croatina het goed op hellende, goed drainerende klei- of leemgronden met voldoende diepte. De wijnstok heeft baat bij goed doorlatende bodems met frisse ondergrond en zonlicht op het loof. In te rijke bodems kan ze te uitbundig groeien, met verwaterde bessen tot gevolg.

De complexiteit van Croatina als wijnstok verklaart waarom ze vaak een ondersteunende rol speelt in blends. Maar voor wie de druif door en door kent en weet hoe ze te behandelen, biedt ze meer dan louter volume en kleur en kan ze schitterende monocƩpage wijnen opleveren.

Wat te verwachten in het glas

Wanneer Croatina als enige druif wordt gevinifieerd, levert ze een wijn met een diepe robijnrode tot paarse kleur. Het aroma is expressief, met tonen van rijpe frambozen, zwarte bessen, amandel, kruiden en florale accenten. In de mond is ze vol en vaak zacht, met een fluwelig mondgevoel en een stevige alcoholgraad. De zuren zijn meestal gematigd, de tannine merkbaar maar niet dominant, tenzij de oogst onrijp is of het rendement te hoog lag. In dat geval kan de wijn hard en groen overkomen. Goed gemaakte Croatina blijft echter soepel en evenwichtig, met net genoeg grip om interessant te blijven. In de jeugd komt de wijn doorgaans wat ‘hoekig’ over en is er geduld nodig om een versmolten gevoel te bereiken.

In blends toont Croatina zich als een druif die diepte, grip en herkenbaarheid toevoegt. Ze neemt zelden genoegen met een figurantenrol, en dat merk je ook in het glas. Ze brengt kleur, body en een stevige onderbouw, zonder het aromatische profiel van de andere druiven te verstikken.

In Oltrepò Pavese bepaalt Croatina de toon. Hier geeft ze de wijn zijn robijnrode kleur, sappige textuur en karakteristieke combinatie van rijp rood fruit met een vleugje amandel en kruidigheid. Zelfs in de mousserende en lichtzoete varianten blijft haar handtekening voelbaar: een zekere breedte in de mond, een warme ruggengraat en een verrassend fluwelig mondgevoel. Croatina zorgt er niet voor complexiteit in de neus, maar voor draagkracht en balans in het geheel.

In Gutturnio is haar rol complementair. Barbera brengt fruit en zuren, Croatina zorgt voor de structuur. Het is die balans die Gutturnio karakter geeft: de Croatina voegt grip, lengte en een licht drogend randje toe, waardoor het fruit van Barbera strakker omlijnd wordt. Je herkent haar aan de diepte van het middenpalet en aan de iets steviger tannine, die nooit brutaal is maar wel aanwezig.

In het noorden van Piemonte speelt ze een subtielere rol. De blends met Vespolina of Bonarda Piemontese zijn aromatischer, maar het is Croatina die voor de ruggengraat zorgt. Ze voegt net voldoende volume toe om de florale en kruidige componenten te dragen. Zonder haar zouden deze wijnen eerder lichtvoetig en diffuus zijn. Met haar krijgen ze contouren en stevigheid.

Wat al deze wijnen gemeen hebben, is dat je met Croatina nooit op veilig speelt. Ze is niet vanzelfsprekend toegankelijk, maar wie haar juist gebruikt, krijgt een wijn die zich onderscheidt door kleur, fruit, ronding en een fijnkorrelige grip. Slechte jaren laten zich voelen, maar goede jaren leveren een karaktervolle wijn op.

Croatina in Valpolicella: een stil experiment

Tijdens de inleiding hebben we er al gewag van gemaakt: binnen de traditionele Valpolicella-blend speelt Croatina zo goed als geen rol. Corvina, Corvinone, Rondinella en Molinara vormen al decennia het vertrouwde viertal dat de stijl van de wijn bepaalt. Toch merken we onder de wijnbouwers een groeiende interesse in Croatina als aanvulling. Weliswaar voorlopig voorzichtig en kleinschalig als een gedeeltelijk alternatief in de samenstelling.

De aantrekkingskracht ligt in haar vermogen om kleur, sappigheid en zachtheid toe te voegen zonder het karakter van Valpolicella te overschaduwen. In tegenstelling tot sommige internationale rassen is ze niet te dominant en complementeert ze de blend door net genoeg gewicht mee om Corvina’s zuren en Rondinella’s neutraliteit te compenseren. Vooral in warmere jaren, waarin Corvina de neiging heeft om wat uitdrogend of hoekig te worden, biedt Croatina soelaas. Ze houdt het middenpalet vol en zorgt voor ronding waar dat anders verloren dreigt te gaan.

In koelere jaargangen is haar bijdrage anders: dan is het haar structuur die telt. Croatina rijpt later en bezit voldoende natuurlijke kracht om een blend die anders flets zou blijven, diepte en grip te geven. Het is net die flexibiliteit die haar interessant maakt voor wijnmakers die het klassieke kader willen uitdagen zonder de regionale stijl te verlaten.

Voorlopig blijft het bij experimenten. Er is geen officiĆ«le erkenning binnen de Valpolicella DOC-voorschriften en de druif wordt niet algemeen aangeplant. Maar wie de moeite neemt om goed te kijken, ontdekt hier en daar flessen waarin Croatina een discreet maar duidelijk verschil maakt. In ripasso’s is haar rol minimaal, in amarone nog experimenteel, maar de eerste resultaten tonen aan dat haar concentratievermogen en zachte tannine perfect inpasbaar zijn in deze rijkere stijlen.

Een blijvende toekomst

Hoewel de druif op diverse locaties een vaste voet aan de grond heeft, kan je je terecht vragen stellen bij haar toekomst. Croatina is veeleisend, vraagt aandacht in de wijngaard, levert niet altijd constante opbrengsten en krijgt zelden de commerciƫle aandacht die andere rassen wƩl genieten. Dat maakt haar niet meteen de meest aanlokkelijke van de bende.

Toch blijft ze overeind, net omdat ze iets brengt wat moeilijk te vervangen is: karakter, kleur en structuur. Haar rol in blends wordt belangrijker, en ook als monocepage wint ze mondjesmaat terrein. Ze past bij een wijnwereld die opnieuw zoekt naar identiteit, herkomst en nuance.

Laat ons hopen dat ze nog lang blijft opduiken in het glas.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico, Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatus 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella 
  10. Molinara: In het verdomhoekje
  11. Oseleta: Een druif met toekomst

Oseleta: Een druif met toekomst

Ik weet niet exact waarom, maar ik heb een zwak voor Oseleta. Misschien omdat de eerste die ik ooit proefde – die van Zýmē – meteen raak was? Feit is: als ik de kans krijg om een wijn van 100% Oseleta te proeven, dan bestel ik die ook. Helaas komt dat niet vaak voor. Er zijn nog maar weinig wijnmakers die de druif solo bottelen, al verandert dat stilaan. Steeds meer producenten wagen zich eraan, en dat wekt nieuwsgierigheid en waardering op. Ik kijk er alvast naar uit om te zien waar deze druif nog allemaal toe in staat is.

Tijdens het schrijven van deze reeks over Valpolicella, zijn wijnen en de samenstelling van de blend vind ik het best grappig dat ook de naam Oseleta in verband wordt gebracht met onze gevederde vrienden. Het lijkt er wel op dat de inspiratie in Valpolicella om hun regio-eigen druiven een naam te geven in handen is gegeven van een ornitholoog.

Een naam met veren

Hoewel Oseleta voor velen onbekend zal klinken kan je de druif moeilijk een nieuwkomer noemen in Valpolicella. De druif heeft er een eerder bizarre levenscyclus op zitten. Lange tijd is ze onder de radar gebleven. Ze was op een gegeven moment zelfs amper nog te vinden en zo goed als uitgestorven. Terwijl ze nu stilaan opnieuw opduikt in de wijngaarden van wijnmakers met zin voor karakter en identiteit.

De naam Oseleta komt van osei, het Venetiaanse woord voor vogel. Die link is geen toeval. De druif dankt haar bijnaam aan haar aantrekkingskracht voor vogels, die dol waren op haar kleine, suikerrijke bessen. Nog vóór ze door wijnmakers werd gewaardeerd, was ze dus al geliefd in de lucht.

Maar de druif is dus niet nieuw. In ampelografische bronnen uit de 19e eeuw duikt ze op onder verschillende namen. In Verona en Treviso sprak men van Oselina, in Brescia van uva ozilina, en in Cremona zelfs van uva passerina (niet te verwarren met de witte Passerina uit Marche en Abruzzo). Het ging hier om verwante of verwilderde druiven die aan de rand van de wijngaard groeiden en vaak dienden als voedsel voor vogels.

Pas veel later, in de jaren 70, kreeg Oseleta een tweede kans. Het was het wijnhuis Masi dat haar potentieel opnieuw onder de aandacht bracht. In een oude wijngaard vonden ze nog enkele overlevende stokken. Men besloot de druif niet alleen te bewaren, maar haar opnieuw een volwaardige plaats te geven. Een gewaagde zet, maar wel eentje die loonde.

Beperkte maar groeiende verspreiding

Vandaag is Oseleta nog altijd relatief zeldzaam. Je vindt haar voornamelijk in de heuvels van de Valpolicella Classica. Buiten deze kernzone is haar aanwezigheid eerder beperkt, en buiten Veneto is ze quasi onbestaand. Dat maakt wijnen op basis van Oseleta meteen schaars Ʃn interessant voor wie op zoek is naar authenticiteit.

Hoewel ze zelden als monocƩpage wordt gebotteld, wint de druif aan terrein. Meestal verschijnt ze als ondersteunende component in wijnen onder Rosso del Veronese IGT of Valpolicella DOC.

Dat de belangstelling toeneemt, is geen toeval. Producenten zoals Masi, Tedeschi en Zýmē geloven in het potentieel van Oseleta en investeren bewust in deze druif. Dit doen ze niet uit nostalgie, maar omdat ze kwaliteit en onderscheid kan bieden. Jaar na jaar groeit ook het aantal stekken en jonge aanplanten, een teken dat Oseleta meer is dan een curiositeit.

De plant: klein, krachtig, geconcentreerd

Oseleta is compact opgebouwd: kleine vijf-lobbige bladeren, korte internodiƫn en een opgerichte groeiwijze met veel vrouwelijke scheuten. Ze geeft relatief weinig trossen per stok en de opbrengst is structureel laag. Wie haar aanplant, doet dat niet voor volume, maar voor intensiteit.

De trossen zijn kort, klein en opvallend compact, vaak met een klein zijvleugeltje. De bessen zijn blauwzwart, klein, met een dikke schil en hebben die kenmerkende, iets gezwollen vorm die niet perfect rond is, maar eerder als een omgekeerde druppel of een stompe kegel oogt. Hun dikke huid zit vol kleurstoffen en tannine, het vruchtvlees is neutraal van smaak maar sappig en stevig van structuur. Het sap is opvallend gekleurd, zelfs vóór vergisting. Oseleta is geen echte teinturier, maar ze komt er qua pigmentatie verrassend dicht bij in de buurt.

De rijping gebeurt gemiddeld laat, doorgaans rond eind september. Oseleta bouwt snel suiker op, wat betekent dat ze potentieel krachtige wijnen oplevert. Dankzij de robuuste schil en de compacte trosstructuur blijft ze lang gezond aan de plant. Dat maakt haar bijzonder geschikt voor appassimento of een late pluk.

In de wijngaard gedijt ze het best op droge, goed drainerende bodems met een hoog aandeel grind of zand. Ze heeft een degelijke weerstand tegen botrytis en andere rot, waardoor ze zich goed leent voor een minimale interventieaanpak.

De lage opbrengst, in combinatie met haar uitgesproken fenolische rijkdom, maakt van Oseleta een veeleisende maar dankbare druif. Niet eenvoudig te telen, maar een wijnmaker met kennis van zaken, beschikt over een ras met zeldzame concentratie en structuur.

De wijn: donker, diep en gespierd

Een pure Oseleta-wijn is een zeldzaam maar krachtig beestje. In het glas vinden we een wijn met een diepe robijnrode kleur, vaak met een paarse rand. Die kleurintensiteit is niet enkel optisch: ze weerspiegelt het krachtige karakter dat deze druif van nature bezit.

Het aromaprofiel is uitgesproken en gelaagd. In de neus domineren donker fruit en florale toetsen: zwarte bosbessen, viooltjes, pruimen, vaak aangevuld met kruidigheid, leder en een vleugje teer. Bij rijping treden aroma’s van specerijen zoals kruidnagel, kaneel en zelfs wat wilde kruiden naar voren. De geur is compact, nooit vluchtig, en ontwikkelt zich traag maar trefzeker in het glas.

De mondstructuur is fors, maar niet log. Oseleta levert een volle body met een medium aciditeit en opvallend stevige tannine. Die tannine is robuust, maar zelden ruw, en draagt bij aan de lengte en de bewaarkracht van de wijn. Jong kan de wijn wat gesloten of stroef ogen, met inktachtige trekken en een nadruk op structuur. Met flesrijping verzacht ze en opent ze zich naar een complex en evenwichtig geheel, met meer finesse en diepgang.

Wie een wijn zoekt met persoonlijkheid, bewaarkracht en een uitgesproken structuur, vindt in Oseleta een overtuigende partner.

Wat brengt Oseleta bij in de blend?

We zien Oseleta nog maar sporadisch optreden in Valpolicella wijnen, maar haar bijdrage aan de klassieke blend is intussen moeilijk te negeren. Ze wordt vooral toegevoegd in wijnen als Valpolicella Superiore, Ripasso en Amarone, waar haar specifieke eigenschappen het profiel van de blend verrijken en versterken.

In een assemblage met Corvina, Corvinone, Rondinella en eventueel Molinara levert Oseleta een duidelijke meerwaarde: ze voegt kleurintensiteit toe, verhoogt de structuur en verstevigt het tanninegehalte. Dat maakt de wijn niet per se zwaarder, maar wel stabieler, complexer en langer houdbaar.

Haar rol is ondersteunend maar fundamenteel. Denk aan de baslijn in een muziekstuk: je hoort haar niet altijd expliciet, maar als ze wegvalt, mist het lied de grip. Ze legt als het ware een fundament onder het luchtigere fruit van Corvina en de florale toets van Rondinella. Zeker in krachtige stijlen zoals Amarone, waar de wijn concentratie moet dragen zonder te verzanden in logheid, bewijst Oseleta haar nut.

Wat ook meespeelt: haar dikke schil en hoge fenolische intensiteit zorgen voor wijnen met meer extract en rijpingscapaciteit. Dat komt vooral van pas in warme jaren, waarin andere druiven aan frisheid inboeten. Oseleta houdt de structuur overeind, zonder dominant te worden.

Wijnmakers gebruiken haar dus met mate, vaak in percentages tussen 5 en 10 procent. Maar die kleine toevoeging maakt een merkbaar verschil. In een blend die vaak wordt geprezen om haar elegantie, voegt Oseleta precisie en diepte toe.

Waarom ze een toekomst heeft

Het is niet omdat ik fan ben van deze druif en van de wijnen die ze geeft dat Oseleta misschien een mooie toekomst te wachten staat. De herontdekking past in een bredere tendens: Oseleta past immers naadloos in de hedendaagse zoektocht van wijnmakers naar druiven met karakter, authenticiteit en klimaatresistentie. In een tijd waarin klassieke rassen onder druk staan door hitte, droogte en ziektedruk, biedt deze oude Veronese variƫteit precies die eigenschappen waar de toekomst om vraagt.

Haar dikke schil beschermt tegen de brandende zon, uitdroging en rot. De compacte trossen rijpen traag maar krachtig, met een opmerkelijk behoud van fenolische rijkdom. De lage en onvoorspelbare opbrengst maakt haar misschien minder aantrekkelijk voor volumeproducenten, maar net dat dwingt tot een meer selectieve, kwaliteitsgerichte aanpak. In de handen van wijnmakers met visie wordt dat geen beperking, maar een troef.

Oseleta is lokaal verankerd en draagt bij aan de identiteit van Valpolicella. Ze vult de blend aan met structuur, kleur en bewaarpotentieel. Maar ze heeft ook het potentieel om zelfstandig te schitteren, zij het in kleine oplages.

Bovendien spreekt Oseleta een publiek aan dat verder kijkt dan het voorspelbare. Haar uitgesproken stijl trekt liefhebbers aan die zoeken naar spanning, concentratie en raszuivere identiteit in hun glas. Geen allemansvriend, maar wel een druif die indruk maakt en beklijft. Het is dan ook waarschijnlijk dat meer producenten het voorbeeld van Masi, Tedeschi en Zýmē zullen volgen.

Oseleta komt van ver, maar ze is er nog. En alles wijst erop dat ze niet terug zal verdwijnen. Integendeel: in de juiste handen groeit ze uit tot een van de meest markante stemmen in het koor van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uitĀ boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatusĀ 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de ValpolicellaĀ 
  10. Molinara: In het verdomhoekje

Molinara: In het verdomhoekje

Alvorens we van start gaan met de ontleding van de minder bekende druivenrassen in de Valpolicella-blend, blijven we eerst nog even stilstaan bij het raadsel dat Molinara heet. Wat is er precies aan de hand met deze druif die ooit verplicht deel uitmaakte van de assemblage, maar vandaag volledig optioneel is? Dat ze hierdoor aan populariteit heeft verloren, is als een open deur intrappen. De druif wordt door heel wat wijnbouwers in de regio bewust gemeden. Vraag je hen waarom, dan halen ze smalend de schouders op.

Toch zijn er ook andere geluiden. Sommige traditionele wijnmakers blijven Molinara trouw, niet uit nostalgie, maar misschien omdat ze iets zien wat anderen over het hoofd lijken te zien. De toekomst zal uitwijzen of Molinara haar plaats terugvindt, of verder wegglijdt in de schaduw van haar krachtigere collega’s.

Een naam met meel aan de handen

Molinara is een blauwe druif uit de provincie Verona. Haar naam verwijst naar het meest kenmerkende visuele detail: een dikke laag pruina op de schil, een witachtig waasje dat doet denken aan bloem. Alsof de druifbes net uit een molen is gerold. Die vergelijking ligt aan de basis van de naam Molinara, afgeleid van het Italiaanse molino, of molen. Ze kreeg ooit ook de bijnaam Uva del Mulino, de molendruif, als eerbetoon aan dat bloemige waasje dat haar eigen maakt.

In het lokale dialect werd ze ook aangeduid als Mulinara, terwijl ze in verschillende regio’s andere namen kreeg die telkens verwijzen naar dezelfde eigenschap. Zo sprak men in de morenische gebieden rond het Gardameer van Rossanella, en langs de oevers van het meer van Rossara (niet te verwarren met de gelijknamige Trentino-variant, dat een totaal ander ras is). In de valleien van Illasi en Tramigna klonk dan weer de naam Brepon molinaro, een oud synoniem dat door botanicus Acerbi in 1825 werd gekoppeld aan de Molinara. Hij maakte een eind aan de verwarring en toonde aan dat het om ƩƩn en hetzelfde ras ging.

De afkomst van Molinara is een blinde vlek in de druivenstamboom. Maar hoewel haar precieze oorsprong niet met zekerheid te bepalen is, staat vast dat Molinara al eeuwen een vaste waarde is in de wijnbouw van Verona. We gaan er dan ook vanuit dat haar geboorte daar ergens ten velde heeft plaats gevonden.

Een wortel in de Veronese geschiedenis

Dat de geschiedenis van Molinara stevig verankerd is met de wijnbouwtraditie van Verona is voldoende bewezen in geschiedkundige geschriften. De eerste gedocumenteerde vermeldingen dateren uit het begin van de 19e eeuw. In zijn catalogus van druivenrassen uit de provincie Verona (1818–1823) onderscheidde Ciro Pollini Molinara en Brepon molinara nog als afzonderlijke variĆ«teiten. Enkele jaren later, in 1825, bracht botanist Acerbi duidelijkheid: het ging om ƩƩn en hetzelfde ras. Hij prees haar vruchtbaarheid en haar geschiktheid voor zware gronden. De wijn die ze opleverde was volgens hem ā€œniet erg zwart, maar wel duurzaamā€.

In de loop van de 19e eeuw bevestigde de druif haar aanwezigheid in meerdere gezaghebbende bronnen. Ze werd opgenomen in het Catalogo delle varietĆ  di viti del Regno Veneto van graaf Pietro di Maniago (1823) en later door Zantedeschi (1862). Volgens een verslag van G.P. Perez uit 1900 was Molinara verspreid over vrijwel alle wijnbouwzones van Verona. In 1901 noteerde Zava zelfs aanplant in de provincie Padua.

Tijdens de wederopbouw van de wijngaarden na de vernietigende druifluisepidemie in de late 19e eeuw werd Molinara door vooraanstaande onderzoekers zoals Dalmasso, Cosmo en Dall’Olio erkend als een van de lokale rassen waarop opnieuw ingezet moest worden. Haar betrouwbaarheid, opbrengst en regionale verankering speelden daarin een cruciale rol.

In de jaren 1950 werd haar belang opnieuw bevestigd door Montanari en Ceccarelli, die haar als essentieel beschouwden voor de productie in Bardolino, Custoza, Valpolicella en de omliggende valleien. Volgens hun analyse leverde Molinara, samen met Corvina, tot wel 90% van de druiven in deze zones.

Deze historische documenten schetsen een duidelijk beeld: Molinara was geen randfiguur, maar een spil in de ontwikkeling van de wijnbouw rond Verona. Ze was jarenlang een vanzelfsprekend onderdeel van de streek, zichtbaar in de rijen wijngaarden maar zelden benoemd in de fles.

Aanwezig maar op de achtergrond

Hoewel Molinara vandaag een bescheiden rol speelt in de wijngaarden van de Veneto, is ze nog altijd aanwezig. Binnen de DOC Valpolicella neemt ze ongeveer 5 tot 7 procent van de aanplant voor haar rekening. In blends voor de diverse Valpolicella wijnen mag ze tot 25% van de assemblage uitmaken. In Bardolino, inclusief Chiaretto en spumante-versies, varieert haar toegelaten aandeel doorgaans tussen 10% en 20%.

Buiten de klassieke zones van Valpolicella duikt ze nog op in het zuidelijker gelegen Garda-gebied, meer bepaald in de Garda Orientale. In enkele delen van Trentino is ze ook terug te vinden. In de provincie Mantua werd ze tot voor kort zelfs verplicht opgenomen in de DOC Colli Morenici Mantovani del Garda – met een aandeel van 40 tot 80% in de rode en rosĆ©wijnen. Vandaag is haar gebruik daar echter sterk teruggelopen.

Ze maakt ook deel uit van diverse IGT-zones, zoals Veneto, Veronese en Alto Mincio.

In een handvol wijnkelders duikt Molinara vandaag opnieuw op in een glansrol, zij het in een andere vorm: als basis voor rosƩwijnen. Dankzij haar uitgesproken zuren en zilte mineraliteit leent ze zich uitstekend voor elegante, verfrissende wijnen met laag alcoholgehalte en subtiele fruitigheid. Het is een bescheiden comeback, maar een die aantoont dat de druif nog niet volledig is uitgeklonken.

Groei, vorm en gevoeligheid van de Molinara-rank

Molinara is een druif die krachtig groeit, maar die tegelijk ook om ruimte vraagt. De plant ontwikkelt lange, licht gebogen scheuten en voelt zich het best thuis in de pergola veronese, de traditionele opleidingsvorm van Verona die haar toelaat breed uit te waaieren. Het eerste vruchtbare oog bevindt zich pas vanaf de vierde of vijfde knoop, waardoor een langere snoei noodzakelijk is. Ze doet het goed op zwaardere bodems, die rijk zijn aan klei en leem, waar haar groeidrang zich gecontroleerd kan ontwikkelen.

De bladeren vertellen hun eigen verhaal. Jong blad toont een witgroene kleur met zacht rosƩ aan de randen, vaak fijn behaard met spinachtige draden. Naarmate het blad ouder wordt, ontwikkelt het een herkenbare trilobale vorm en een doffe, grijsgroene kleur. De onderzijde is licht behaard langs de nerven, terwijl de bovenzijde glad en mat blijft. De bladstructuur is vrij regelmatig, met stompe tanden en een uitgesproken V-vormige uitsparing aan de bladsteel.

De trossen zijn middelgroot tot groot, los van structuur en meestal piramidaal opgebouwd, met twee korte zijvleugels. Deze luchtige opbouw maakt haar minder gevoelig voor rot. De bessen zijn gemiddeld van grootte, vaak iets ovaal, met een opvallend blauwviolette kleur en een dikke laag pruina. De schil is stevig, de pulp kleurloos en zoet, zonder uitgesproken aroma’s. Elke bes bevat doorgaans twee pitten.

De fenologische cyclus van Molinara is uitgesproken laat. De bloei valt meestal begin juni, de verkleuring van de bessen volgt in de tweede helft van augustus en de rijping is pas volledig tussen 10 en 30 oktober. Dat maakt haar gevoelig voor het grillige herfstweer. Toch is ze opvallend resistent tegen rot, een eigenschap die uitstekend van pas komt bij het nadrogen van druiven voor Amarone of Recioto.

De productie is overvloedig en doorgaans stabiel, maar Molinara is niet zonder eigenaardigheden. Ze is gevoelig voor vruchtval en onregelmatige vruchtzetting, wat bij stressvolle jaren kan leiden tot ongelijke rijping of opbrengstverlies. Tegen ziekten zoals echte en valse meeldauw is ze redelijk bestand. Ze trekt bovendien minder druivenmotten aan dan veel andere Veronese rassen.

Wat brengt ze in het glas?

Molinara is zelden een solist, maar wie haar als enige druif vinifieert, krijgt een opvallend resultaat. 100% Molinara toont een heldere, robijnrode kleur met schakeringen van rode kers. De neus is fris en delicaat, met aroma’s van framboos, wilde aardbei en een lichte toets van bosbes. Soms duiken er subtiele kruidige nuances op, zoals rozemarijn of laurier. In de mond valt vooral het frisse, speelse karakter op. De wijn is licht van body, laag in alcohol en heeft een uitgesproken zuurgraad. Wat ze mist aan structuur, compenseert ze met een ziltige mineraliteit die lang blijft hangen.

Net omwille van dat profiel wordt Molinara door enkele producenten herontdekt als basis voor rosĆ©. Wijnmakers zoals de Fratelli Vogadori kiezen ervoor om de schillen slechts kort te laten weken, net genoeg om kleur en aroma’s op te vangen zonder bitterstoffen te extraheren. Het resultaat is een rosĆ© met spanning, elegantie en een uitgesproken droge finale.

Toch ligt haar belangrijkste rol niet in solo-optredens, maar in de harmonie van blends. In de klassieke Valpolicella-samenstelling voegt Molinara iets toe wat haar partners vaak missen: levendigheid en spanning. Corvina brengt de ruggengraat en het fruit, Rondinella vult aan met zachte rondingen, maar het is Molinara die zuur, frisheid en structuur binnenbrengt. Die eigenschappen zijn cruciaal, zeker bij wijnen die bedoeld zijn om te rijpen.

In krachtige stijlen zoals Amarone della Valpolicella en Recioto speelt Molinara een verfrissende bijrol. Ze brengt zuur en finesse tegenover de intensiteit van Corvina en de neutraliteit van Rondinella. Die balans zorgt ervoor dat Amarone niet log wordt, maar elegant blijft, zelfs na jaren kelderrust. In Recioto ondersteunt ze het zoete profiel met een backbone van aciditeit, waardoor de wijn levendig en verteerbaar blijft.

Tot 2003 was Molinara verplicht in deze blends. Nadien werd haar rol facultatief, en haar aanplant daalde snel. Veel producenten kozen voor andere druiven met meer kleur en extractie. Toch blijft haar bijdrage in sommige wijnen van onschatbare waarde omdat ze alles samenbrengt zonder op de voorgrond te treden.

Van sleutelras tot schaduwbestaan

Molinara werd decennialang beschouwd als een vaste waarde binnen de Valpolicella-blends. Ze bleef weliswaar steeds op de achtergrond, maar haar rol in de samenstelling van Valpolicella, Ripasso, Amarone en Recioto stond buiten kijf. Tot 2003 was haar aanwezigheid zelfs verplicht. Met de wijziging van de regelgeving werd haar aandeel facultatief. En dat bracht een grote wijzing in het gebruik en toekomst van de druif.

De reden ligt in haar profiel. Molinara is lichtvoetig, zuurhoudend en bescheiden van aroma. In een tijd waarin de wijnmarkt hunkerde naar concentratie, kleur en alcohol, werd dat geen voordeel maar een minpunt. Haar zachte structuur, haar bleke kleur in vergelijking met Corvina, en haar delicate karakter pasten niet bij de stijlen die internationaal succes oogstten. Wijnmakers kozen steeds vaker voor rassen die krachtiger presteerden in de kelder Ʃn in de marketing.

Daar kwam bij dat Molinara makkelijk hoge opbrengsten geeft, wat bij gebrek aan zorgvuldige vinificatie tot vlakke, weinig gelaagde wijnen kan leiden. Haar ster doofde geleidelijk. In de wijngaarden werd ze vervangen, blendpercentages werden aangepast, en haar aanwezigheid in de fles raakte op de achtergrond.

En vandaag?

De dominantie van geconcentreerde, alcoholrijke wijnen vertoont barsten. Producenten en wijnliefhebbers keren zich steeds vaker af van overdaad, op zoek naar elegantie, spanning en verteerbaarheid. Molinara past onverwacht goed in dat veranderende landschap.

Haar kwaliteiten zijn precies de elementen waar moderne blends vaak naar verlangen. In rosƩwijnen speelt ze zelfs een hoofdrol: lichtvoetig, dorstlessend, met karakter. In Valpolicella-blends, waar ze nog altijd is toegestaan, durven sommige wijnbouwers haar opnieuw inschakelen om evenwicht te brengen tussen rijp fruit en structuur.

Molinara is misschien geen druif die een wijn vanzelf naar grote hoogten tilt. Maar om haar dan in het verdomhoekje te zetten? Dat is een brug te ver. Haar bescheiden comeback zegt veel over de evolutie van smaak, Ʃn over het belang van druiven die niet zijn ontworpen voor impact, maar voor samenhang. Haar terugkeer is geen nostalgisch gebaar, maar een bewuste keuze voor balans, souplesse en terroir.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uitĀ boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatusĀ 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella
  9. Rondinella – De stille kracht van de ValpolicellaĀ 

Rondinella – De stille kracht van de Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella wijnen hebben we eerder al de hoofdrolspelers Corvina en Corvinone belicht. Terecht, want zij dragen de stijl, het karakter en het fundament van de blend. Ze staan op het hoogste schavotje, met reden.

Maar wat dan met Rondinella, de druif die zelden het woord krijgt, maar wƩl verplicht aanwezig is in de assemblage? Vaak wordt ze nog net mee opgesomd, en dan begint de motor te sputteren. We weten dat ze erbij hoort, maar wat ze precies bijdraagt of waarin ze uitblinkt, blijft vaag. Ze is een naam die bekend klinkt, maar zelden tot leven komt. Known by name, not by character.

Over de oorsprong van haar naam bestaan twee theorieĆ«n. De eerste verwijst naar de zwarte, glanzende schil van de druif, die doet denken aan het verenkleed van de zwaluw, of ā€˜rondine’. De tweede legt het verband met diezelfde vogels, die zich graag tegoed doen aan de rijpe bessen. In beide gevallen is de link met de fauna van de Veneto poĆ«tisch.

Een geschiedenis tussen gemak en veerkracht

De precieze oorsprong van Rondinella is onbekend, maar haar eerste vermeldingen in officiĆ«le bronnen dateren uit het einde van de 19e eeuw. In 1882 dook haar naam op in landbouwverslagen uit Verona, en sindsdien is haar aanwezigheid in de streek onafgebroken gebleven. Rondinella werd op 25 mei 1970 officieel erkend als toegelaten druivenras in ItaliĆ« en staat sindsdien geregistreerd als ā€˜Rondinella N. (Nera)’.

Genetisch onderzoek wijst uit dat Rondinella een nakomeling is van Corvina, de centrale druif van de Valpolicella. Die verwantschap verklaart deels haar affiniteit met de regio, maar haar populariteit dankt ze vooral aan haar praktische kwaliteiten in de wijngaard.

Na de verwoestende doortocht van phylloxera, die het Europese wijngaardlandschap aan het einde van de 19e eeuw zwaar trof, gingen wijnbouwers op zoek naar robuuste variƫteiten die zich snel konden aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Rondinella bleek een schot in de roos. Ze liet zich vlot enten op Amerikaanse onderstammen, toonde zich bestand tegen kou, droogte en ziektes, en leverde stabiele opbrengsten.

Die combinatie van veerkracht en betrouwbaarheid maakte haar tot een geliefde keuze in de heropbouw van de wijngaarden in de Veneto. Bovendien bleek ze bijzonder geschikt voor het drogen van druiven: haar bessen hebben een dikke schil, behouden hun vorm tijdens het indrogen en slaan makkelijk suikers op. Dat maakt haar tot een ideale partner in de productie van wijnen volgens de appassimento-techniek, zoals Amarone en Recioto della Valpolicella.

Het is belangrijk om Rondinella Nera niet te verwarren met Rondinella Rosa RS. Deze laatste is een kleurmutatie van Rondinella Nera. De druif onderscheidt zich door haar rozige schil, lichtere expressie en wijnen met een bleke kleur en subtiel florale aroma’s. Hoewel genetisch verwant, wordt ze apart beheerd en blijft haar aanplant voorlopig beperkt tot enkele proefvelden in de provincie Verona. Ze werd ontdekt in een wijngaard van het wijnhuis ZymĆØ in Illasi, waar enkele stokken opvallend lichtere bessen vertoonden.

Verspreiding: een vertrouwd gezicht in de Veneto

Rondinella is sterk verankerd in de provincie Verona en is haast onlosmakelijk verbonden met de Valpolicella-regio. Hoewel ze zelden buiten Veneto voorkomt, is haar rol binnen deze zone niet te onderschatten. De druif speelde lange tijd een dominante rol in de wijngaarden van Valpolicella, met een aandeel dat ooit de helft van de aanplant benaderde. Hoewel haar aandeel sindsdien is teruggelopen, blijft ze een vaste waarde dankzij haar betrouwbaarheid, weerstand tegen ziektes en voorspelbare opbrengst. Haar rol mag dan minder prominent zijn geworden, ze blijft essentieel in het evenwicht van de Valpolicella-blend.

In de praktijk vinden we Rondinella terug in vrijwel alle belangrijke appellaties van de streek: Valpolicella DOC, Valpolicella Superiore Ripasso DOC, Amarone della Valpolicella DOCG en Recioto della Valpolicella DOCG. Haar aandeel in de blends varieert doorgaans tussen 5 en 30 procent, waarbij ze een ondersteunende rol speelt naast Corvina en Corvinone.

Ook in de Bardolino DOC en Bardolino Superiore DOCG is Rondinella prominent aanwezig, met een aandeel dat kan oplopen tot 40 procent. In deze appellatie wordt ze soms ook ingezet voor het maken van rosato, al blijft ze, net als elders, zelden als monocepage gevinifieerd.

Buiten Verona is Rondinella erkend in Lombardia, en toegelaten in diverse IGT’s zoals Trevenezie, Veneto, en Provincia di Verona. Toch blijft haar verspreiding buiten de Veneto zeer beperkt, wat haar regionale identiteit des te sterker maakt. Ze is dus niet de druif die verre horizonten opzoekt, maar wel een vaste waarde in haar thuisgebied.

De wijnstok: betrouwbaar en efficiƫnt

Rondinella is een druivenras dat wijnbouwers vertrouwen inboezemt. Ze is voorspelbaar, bezit veerkracht en belangrijk, een constante kwaliteit. Wat ze mist aan expressieve flair in de wijngaard, maakt ze ruimschoots goed door haar praktische kwaliteiten.

De plant vertoont een stevige groeikracht en voelt zich thuis op uiteenlopende bodems. Ze verdraagt zowel droogte als kou en toont een hoge natuurlijke weerstand tegen ziektes, schimmels en rot. Dit maakt haar uitermate geschikt voor duurzame teelt, zonder overmatige afhankelijkheid van chemische tussenkomst.

Rondinella heeft gemiddeld twee tot drie bloemtrossen per scheut, soms zelfs vier, wat bijdraagt aan haar stabiele productie. De trossen zelf zijn middelgroot, piramidaal van vorm en vaak voorzien van een of twee kleine zijarmen. Ze zijn eerder compact en hangen aan korte, stevige steeltjes.

De bessen zijn rond, gemiddeld van grootte, met een dikke, donkerblauw tot zwart-violette schil die bedekt is met een fijne waslaag. Deze schil beschermt niet alleen tegen rot, maar maakt de druif ook bijzonder geschikt voor het drogen, wat essentieel is voor appassimento-wijnen.

De pulp is sappig, met een zoete, neutrale smaak, wat ze ideaal maakt als ondersteunende component in blends. De rijping verloopt vrij regelmatig en vindt doorgaans plaats in de tweede helft van september, wat haar tot een laatrijpende variƫteit maakt.

Rondinella vraagt doorgaans om een langere snoei en gedijt goed in ruime, open geleidingssystemen. Ze is dus geen lastige druif om te telen, maar ze vraagt wel wat ruimte om haar potentieel volledig te benutten. Kortom, Rondinella is de metronoom van de wijngaard: discreet, precies en betrouwbaar. Ze groeit regelmatig, geeft stabiele opbrengsten en vraagt zelden om extra aandacht. In die zin sluit haar gedrag mooi aan bij de vermoedelijke oorsprong van haar naam: de zwaluw (rondine), een vogel die beweeglijk en standvastig is, maar zelden op de voorgrond treedt.

De wijn: steunpilaar in de blend

Hoewel we zelden tot nooit een monocƩpage wijn van Rondinella zullen tegenkomen kenmerkt de wijn op basis van deze druif zich door een heldere tot diepe robijnrode kleur. In de neus duiken vooral tonen op van rode kersen, viooltjes en subtiele kruidigheid. Het aroma is niet uitgesproken complex, maar wel zuiver.

In de mond toont Rondinella zich evenwichtig: medium van body, met frisse zuren, lage tannine en een zachte, toegankelijke structuur. Die combinatie maakt haar wijnen licht verteerbaar, levendig en bijzonder stabiel.

Rondinella is dus zelden de ster van het podium. Haar kracht ligt in de blend, waar ze zelden meer dan een ondersteunende rol speelt. In de Valpolicella-blends staat ze naast Corvina, Corvinone en soms Molinara, waarbij ze kleur, zuren en een zekere frisheid toevoegt, zonder de expressie van de hoofdvariƫteiten te overschaduwen.

Diezelfde eigenschappen maken haar ook geschikt voor appassimento-wijnen zoals Recioto della Valpolicella, waar haar vermogen om suiker op te slaan van cruciaal belang is. In deze stijl draagt ze bij aan de balans tussen zoetheid, zuren en structuur.

Rondinella is zelden opvallend aanwezig in het glas, maar wel essentieel voor het evenwicht. Ze biedt precies wat een blend nodig heeft: stabiliteit, frisheid en draagkracht, zonder de ambitie om zelf te domineren.

Waarom geen monocƩpage wijnen?

Het is een vraag die zich bijna opdringt: waarom wordt van de ene druif wel een monocƩpage gemaakt en van de andere niet? Rondinella, bijvoorbeeld, kom je zelden of nooit solo tegen in het schap. En eerlijk gezegd, een sluitend antwoord is moeilijk te geven.

Misschien is het omdat ze op zichzelf te weinig expressie heeft, of omdat haar profiel te lineair wordt zonder de steun van Corvina of Corvinone. Misschien ook omdat ze juist zó goed werkt in een blend, dat niemand ooit echt behoefte gevoeld heeft om haar alleen in de schijnwerper te plaatsen. Je proeft haar meestal enkel op vat of uit de tank, in het overgangsmoment tussen druif en assemblage. Dat maakt het moeilijk om haar als individu volledig te doorgronden.

Is ze te neutraal? Te correct? Of net te dienstbaar? Dat is voer voor discussie. Er zal ongetwijfeld een goede reden achter zitten, en misschien is het niet eens ƩƩn reden, maar een optelsom van technische keuzes, historische gewoontes en marktlogica.

Met de Amici-reis naar Valpolicella in het vooruitzicht lijkt dit het uitgelezen moment om daar eindelijk eens een goed gesprek over te voeren. Op de plek zelf, met de mensen die er dagelijks mee werken. Want als er ƩƩn plek is waar Rondinella wƩl volwaardig aan tafel zit, dan is het daar.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uitĀ boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatusĀ 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella
  8. Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Corvinone ontbolstert: de stille kracht achter moderne Valpolicella

Dat er behoorlijk wat druiven zijn toegelaten in de blend van Valpolicella wijnen, is nog zacht uitgedrukt. Naast de gebruikelijke verdachten duiken ook minder bekende namen op. Zo was tot voor kort ook Corvinone een nobele onbekende. Maar wat moeten we eigenlijk denken van deze Corvinone? Lange tijd werd ze gezien als een variant van Corvina, en waren het vooral blends met Corvina, Rondinella en Molinara die de dienst uitmaakten. Vandaag is Corvinone niet alleen een erkende variƫteit, maar ook een vanzelfsprekend onderdeel van het team. Het is maar weinige druiven gegeven om zo snel en overtuigend binnen te dringen in wat jarenlang gold als een perfect uitgebalanceerde ploeg.

Van naam tot identiteit

De naam Corvinone laat weinig aan de verbeelding over. Het achtervoegsel -one betekent in het Italiaans ā€˜groot’ of ā€˜groter’, waardoor de term letterlijk vertaald kan worden als ā€˜grote Corvina’. Die benaming heeft geleid tot een hardnekkige veronderstelling: dat Corvinone een grotere variant of mutatie van Corvina zou zijn. En toegegeven, die aanname lag voor de hand.

Beide druiven worden vaak samen aangeplant, delen gelijkaardige aroma’s van kersen en kruiden, en vertonen op het eerste gezicht fysieke gelijkenissen in trosstructuur en kleur. Bovendien was het gebruik van Corvinone in blends lange tijd ondergeschikt aan Corvina, wat de indruk versterkte van een ondersteunende, eerder afgeleide rol.

Toch bleek die verwantschap slechts schijn. In de jaren 1980 werd in Italiƫ genetisch onderzoek opgestart, onder andere door het Istituto Sperimentale per la Viticoltura di Conegliano en zijn afdeling in Verona. De conclusie liet weinig ruimte voor twijfel: Corvinone is gƩƩn mutatie of kloon van Corvina, maar een genetisch afzonderlijke druivensoort.

De officiƫle erkenning liet nog enkele jaren op zich wachten. Op 15 juli 1993 werd Corvinone opgenomen in het Italiaanse nationale druivenregister. Daarmee kreeg de druif een symbolische rehabilitatie als volwaardige variƫteit. Vandaag is duidelijk dat Corvinone een eigen identiteit heeft, zowel in de wijngaard als in het glas. Haar naam mag dan nog verwijzen naar een vermeende familieband, de druif staat stevig op eigen benen.

De stille revolutie van Corvinone

Corvinone kende jarenlang een bescheiden bestaan in de schaduw van grotere namen binnen Valpolicella. Vandaag is dat beeld grondig bijgesteld. De plots toegenomen belangstelling voor deze druif is niet te verklaren door ƩƩn enkele eigenschap, maar door een samenspel van kwaliteiten die net nu bijzonder relevant zijn.

Voor wijnbouwers biedt Corvinone zekerheid. De plant is relatief sterk en minder vatbaar voor ziekten, wat belangrijk is in een regio waar de herfstmaanden het verschil maken tussen een degelijk en een groot wijnjaar. De trossen zijn stevig en compact, maar tegelijk luchtig genoeg om gecontroleerd te kunnen indrogen, wat cruciaal is voor appassimento. Die geschiktheid voor droging heeft ertoe geleid dat Corvinone snel terrein won in de productie van Amarone en Recioto, twee wijnen die internationaal aanzien genieten en waar de druk op kwaliteit bijzonder hoog ligt.

Ook in termen van smaakprofiel biedt Corvinone precies wat veel wijnmakers zoeken. De druif levert niet alleen volume, maar ook frisheid en een herkenbare kruidigheid die voor spanning zorgt in het smaakprofiel. Wie Amarone maakt, weet dat structuur belangrijk is, maar dat overextractie het risico met zich meebrengt van vermoeiende wijnen. Corvinone weet daarin het midden te vinden: kracht met behoud van finesse.

De keuze voor Corvinone is dus zelden louter technisch. Ze is een manier geworden om Valpolicella opnieuw te definiƫren, met wijnen die expressief en gastronomisch inzetbaar zijn, maar die tegelijk trouw blijven aan hun oorsprong. De druif past in een evolutie die gericht is op zuiverheid, balans en regionale identiteit. Precies dat maakt haar op vandaag zo gegeerd, niet enkel bij producenten die mikken op volume, maar net zo goed bij wie inzet op finesse.

De snelle verspreiding van Corvinone is niet het resultaat van toeval of trends. Ze is het logische gevolg van een zoektocht naar druiven die zowel wijngaard als kelder aankunnen, die technische kwaliteit koppelen aan stijl, en die kunnen meegroeien met een publiek dat geen genoegen meer neemt met generiek of voorspelbaar. In dat verhaal speelt Corvinone geen bijrol meer. Ze is uitgegroeid tot een discreet maar doorslaggevend hoofdpersonage.

Een grillige groeier met potentieel

Wie Corvinone in de wijngaard observeert, merkt al snel dat het geen alledaagse druif is, maar wel een die duidelijk potentieel toont De wijnstok combineert een uitgesproken morfologie met eigenschappen die haar zowel uitdagend als aantrekkelijk maken voor wijnbouwers met oog voor detail.

De bladeren zijn groot, vijflobbig en hebben een uitgesproken V-vormige bladsteelinsnijding. De onderzijde is kaal en licht bobbelig, wat typisch is voor deze variƫteit. De jonge scheuten zijn groen, met een licht behaard topje. Ook fenologisch is Corvinone wat vertraagd: de knopbreuk is laat, de bloei valt gemiddeld, en de rijping gebeurt pas in de tweede helft van oktober.

De trossen zijn robuust, groot en piramidaal, vaak met ƩƩn of twee zijvleugels. Ondanks hun volume zijn ze compact gebouwd, wat een dubbel effect heeft. Enerzijds is er voldoende bescherming van de bessen, anderzijds zorgt de dichte structuur voor een ongelijke rijping. Die asynchroniciteit dwingt de wijnbouwer tot zorgvuldige selectie, vooral als de druiven bestemd zijn voor directe vinificatie in plaats van droging. Wie daar onvoldoende op anticipeert, riskeert ruwe tannine of groene tonen in het eindproduct.

De bessen zelf zijn ellipsvormig, middelgroot tot groot, met een dikke, blauwzwarte schil die rijk is aan pruĆÆna. Dit maakt Corvinone minder gevoelig voor schimmels en bevordert haar geschiktheid voor appassimento. De robuuste schil vertraagt oxidatie en beschermt de druif tijdens het indrogingsproces, een troef die ze deelt met Corvina maar in grotere mate bezit.

Op agronomisch vlak is Corvinone betrouwbaar, maar veeleisend. Ze vraagt een geschikte bodemstructuur, voldoende ventilatie in de troszone en een oogst die niet uitsluitend op rendement is gericht. Wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, levert de plant druiven die rijpheid, aromatische diepte en technische stabiliteit combineren.

Wortels in Verona, vleugels in Valpolicella

De aanwezigheid van Corvinone is vandaag onlosmakelijk verbonden met de regio Veneto, en meer bepaald met de provincie Verona. Daar ligt haar oorsprong, daar ontwikkelde ze zich, en daar beleeft ze vandaag haar tweede jeugd. Met ongeveer 900 hectare aangeplante oppervlakte in 2023 is ze nog steeds bescheidener dan Corvina, maar de kloof wordt kleiner. Rond 1990 telde men nog amper 90 hectare, wat haar heropleving des te opvallender maakt.

Binnen Verona concentreert Corvinone zich vooral in de oostelijke delen van Valpolicella, waar de heuvels, de ventilatie en het verschil in dag- en nachttemperaturen haar eigenschappen ten volle tot uiting laten komen. Op de vlaktes doet ze het minder goed: de luchtcirculatie is er beperkter, de bodem vaak te rijk, en de druif verliest er haar focus.

In de DOC-gebieden van Valpolicella, Valpolicella Superiore, Valpolicella Ripasso en Bardolino is Corvinone vandaag een vast onderdeel van het toegestane druivenpakket. Ook in de prestigieuze DOCG’s zoals Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore is ze wettelijk erkend. Binnen deze appellaties mag Corvinone tot 50 procent van de blend uitmaken, naast onder andere Corvina, Rondinella en Molinara. Buiten de klassieke zones komt ze voor in enkele IGT-wijnen, zoals Veneto, Trevenezie en Verona, waar haar naam zelfs expliciet op het etiket vermeld mag worden.

Corvinone wordt vrijwel nooit als monocepage gevinifieerd, maar is een vaste waarde in blends. Ze wordt vaak samen met Corvina aangeplant, wat de timing van de oogst vereenvoudigt en het vinificatieproces stroomlijnt.

Karakter in de blend

Het potentieel van Corvinone is groot, maar komt pas echt tot uiting onder de juiste omstandigheden. Dat verklaart waarom ze zelden als monocepage op de markt verschijnt. Wie het toch probeert, stuit vaak op een complex profiel dat krachtig maar stroef kan uitvallen, zeker wanneer de bessen niet homogeen rijpen. Zonder strikte selectie in de wijngaard ontstaat het risico op te groene of hoekige toetsen die het fruit overschaduwen.

Binnen blends ligt haar ware kracht. In combinatie met Corvina brengt Corvinone een opvallende hoeveelheid structuur, zuur en kruidigheid in het glas. Ze biedt een tegengewicht voor de zachte rondingen van Corvina, zonder de balans te verstoren. De hogere zuurtegraad zorgt voor spanning en een langere, frissere afdronk. In een warm klimaat als dat van de Valpolicella is dat een absolute troef.

De kleur van een wijn met Corvinone is doorgaans diep robijnrood, een gevolg van de dikke, intens gekleurde schil. Het aromatische profiel draait rond zwarte kers, zwarte bes en specerijen, met vaak een herkenbare toets van zwarte peper. Die laatste is het resultaat van een verhoogde concentratie rotundone, een molecule die ook in Syrah druiven voorkomt. Het geeft de wijn een herkenbaar en gelaagd karakter.

De tannine van Corvinone is merkbaar hoger dan die van Corvina. In jeugdige wijnen kan dat voor wat stroefheid zorgen, maar met flesrijping ontwikkelt zich een fijne, dragende structuur. Vooral in Amarone en Ripasso vormt ze daardoor een cruciale schakel. Zonder haar zouden veel van deze wijnen aan grip verliezen.

Corvinone is dus geen solist, maar wel een onmisbare stem in het ensemble. Ze zorgt voor basiskracht, aromatische diepte en technische stabiliteit. Mits zorgvuldige vinificatie levert ze wijnen met een gelaagdheid die in de Valpolicella vandaag als een kwaliteitskenmerk geldt.

De vraag is niet óf Corvinone een belangrijkere rol zal spelen, maar hoe snel die evolutie zich voltrekt in de definitieve signatuur van Valpolicella.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uitĀ boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatusĀ 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse
  7. Corvina, het fundament van Valpolicella

Corvina, het fundament van Valpolicella

In onze reeks over de Valpolicella-wijnen zijn we aan de ontleding van de blend toegekomen. De belangrijkste druiven die deel moeten of kunnen uitmaken van de Valpolicella-samenstelling, nemen we onder het vergrootglas. Uiteraard starten we met Corvina. Wie Valpolicella zegt, zegt Corvina. Deze blauwe druif is zonder twijfel de belangrijkste variƫteit van de streek rond Verona. Ze vormt de ruggengraat van wijnen als Valpolicella Classico, Ripasso, Recioto en Amarone. Zonder Corvina geen Valpolicella, althans niet in zijn klassieke vorm.

De druif is wijdverspreid in het westen van Verona, van de heuvels rond het Gardameer tot diep in de Valpolicella. Haar rol gaat echter verder dan geografische aanwezigheid. Corvina geeft structuur, zuren, aromatische verfijning en de nodige spanning aan de wijnen van de regio. Ze bezit bovendien de zeldzame eigenschap om goed te gedijen in zowel frisse als warme omstandigheden, en leent zich uitstekend tot het indrogen van de druiven, een essentiƫle techniek voor de productie van Recioto en Amarone.

Toch blijft Corvina een druif met schakeringen. Doorheen de geschiedenis zijn verschillende biotypen en synoniemen opgetekend. Sommige zijn vrijwel verdwenen, andere leven voort in oude wijngaarden of zijn recent herontdekt. Wat ze allemaal gemeen hebben is hun bijdrage aan het unieke profiel van Valpolicella-wijnen: geurige finesse, zachte tannine en een haast moeiteloze elegantie, zelfs in de krachtigste expressies.

Ook de wijnwereld ontsnapt niet aan trends. Vernieuwing is al enige tijd aan de gang, en Corvina ontsnapt daar niet aan. Tijdens onze volgende wijnreis met Amici, komende lente, zullen we ongetwijfeld wijnbouwers ontmoeten die monocƩpage Corvina op de markt brengen. Enkele jaren geleden nog een uitzondering, vandaag een bon-ton keuze bij veel moderne producenten. Hetzelfde gebeurt met andere protagonisten uit de blend, zoals Oseleta of Croatina. Uiteraard vallen deze wijnen niet langer onder de Valpolicella-appellatie maar onder de bredere Veneto IGT. Een evolutie om met open blik te volgen, al blijft de klassieke blend voorlopig onaantastbaar in haar balans.

De schaduw van de raaf

Hoewel we vaak kortweg spreken over Corvina, is de officiƫle benaming van deze druif Corvina Veronese. In sommige documenten verschijnt ook de aanduiding Corvina N, waarbij de N staat voor nero, een verwijzing naar de blauwe kleur van de druif.

De herkomst van de naam Corvina wordt meestal verklaard vanuit het Italiaanse woord corvo, wat raaf betekent. Dat verwijst naar de intens blauwzwarte kleur van de rijpe bessen. Er bestaat echter ook een alternatieve verklaring die verwijst naar het lokale dialect uit Verona. Het woord cruina betekent daar ā€˜onrijp’ of ā€˜laat rijpend’, wat perfect aansluit bij het feit dat Corvina een laatrijpende druif is, doorgaans pas geoogst in de derde tot vierde rijpingsperiode van het seizoen.

In de loop der tijd dook Corvina onder allerlei verschillende namen op. Soms ging het echt om dezelfde druif, soms om iets anders. Namen zoals Cruina, Corbina en Cassabria kwamen geregeld voor. Daarnaast zijn er ook varianten met gelijkaardige namen zoals Corvina Gentile, Corvinella, Corvina Rizza en Corvinone. Lange tijd dacht men dat dit allemaal verschillende druiven waren, of hoogstens variaties op ƩƩnzelfde soort.

Pas recent, dankzij DNA-onderzoek en gedetailleerde druivenstudies, is er duidelijkheid gekomen. Corvina Veronese blijkt een op zichzelf staande druif te zijn, genetisch verschillend van bijvoorbeeld Corvinone. De andere namen verwijzen meestal naar kleine verschillen in uitzicht of groeiwijze van planten binnen dezelfde familie, en worden tegenwoordig beschouwd als variaties of natuurlijke afsplitsingen van het originele type.

Van bijrol naar hoofdrol

De geschiedenis van Corvina gaat niet zo heel ver terug. Slechts mondjesmaat is er geschiedkundige informatie over te vinden. De oudste bekende verwijzing komt uit de zeventiende eeuw, toen Zerveri de Gatto melding maakte van een druif die opvallend veel gelijkenissen vertoont met wat we vandaag herkennen als Corvina Veronese. Toch bleef de druif lange tijd in de schaduw van andere lokale rassen en werd ze zelden afzonderlijk benoemd. Ze maakte deel uit van een bredere familie van rode druiven die in de regio rond Verona samen werden aangeplant en verwerkt, vaak zonder strikte naamgeving of duidelijke variƫteitsherkenning.

Pas in de achttiende en negentiende eeuw verschenen er meer gestructureerde ampelografische beschrijvingen. Landbouwkundigen en botanici begonnen de druivensoorten nauwkeuriger te onderscheiden, waarbij Corvina geleidelijk een herkenbaar profiel kreeg. Toch duurde het tot de twintigste eeuw vooraleer haar identiteit als afzonderlijke variƫteit formeel werd vastgelegd. In 1970 werd Corvina Veronese officieel opgenomen in het Italiaanse druivenregister.

De ware doorbraak kwam er met de evolutie van de Valpolicella-regio zelf. In de loop van de twintigste eeuw groeide de vraag naar kwaliteitswijnen en daarmee de behoefte aan druiven met karakter, structuur en bewaarpotentieel. Corvina bleek perfect aan die verwachtingen te voldoen. Haar frisse zuren, zachte tannine, aromatische precisie en geschiktheid voor appassimento-technieken maakten haar tot de logische ruggengraat van wijnen als Amarone, Recioto en later ook Ripasso.

Wat aanvankelijk een druif was onder velen, groeide uit tot het fundament van een van Italië’s bekendste wijngebieden. Vandaag wordt Corvina erkend als een sleutelvariĆ«teit die bovendien ook een verdere toekomst mogelijk maakt, zowel in blends als in pure vorm.

Veneto rules

Corvina wordt vrijwel uitsluitend geteeld in de regio Veneto, met een sterke concentratie in de provincie Verona. Binnen deze provincie is de druif vooral aanwezig in het westen, op de heuvels tussen het Gardameer en de klassieke zone van Valpolicella. Hier, in de Valpolicella Classica, bereikt ze haar hoogste expressie. Ook in de uitgebreidere zones van Valpolicella is Corvina aanwezig, zij het iets minder prominent.

In het Bardolino-gebied, aan de zuidoostelijke kant van het Gardameer, speelt Corvina eveneens een hoofdrol. Ze vormt daar de basis van zowel rode als rosĆ©wijnen, vaak in lichtere stijl dan in Valpolicella. Ook in andere kleine DOC’s rond Verona duikt Corvina geregeld op, meestal in blends.

De aanplant van Corvina is in de voorbije decennia sterk gegroeid. In 1970 werd nog minder dan 4.000 hectare geregistreerd. Vandaag staat de teller op meer dan 7.500 hectare, waarvan het overgrote deel zich situeert binnen de appellaties Valpolicella en Bardolino.

Binnen die appellaties gelden duidelijke regels. In Bardolino moet Corvina minimaal 35 procent van de blend uitmaken, en dat aandeel kan oplopen tot 95 procent. Voor Valpolicella gelden gelijkaardige cijfers: een minimum van 45 procent en een maximum van 95 procent Corvina in de assemblage. In praktijk is het aandeel vaak nog hoger, zeker bij kwaliteitsgerichte producenten.

Corvina is vandaag officieel toegelaten binnen meerdere herkomstbenamingen. Onder de DOCG’s zijn dat Amarone della Valpolicella, Recioto della Valpolicella en Bardolino Superiore. Binnen de DOC’s zijn Valpolicella, Valpolicella Ripasso, Bardolino en Garda de voornaamste gebieden. Buiten deze beschermde oorsprongsbenamingen is Corvina ook erkend in diverse IGT’s, zoals Veneto, Trevenezie en Veronese, waar ze vaak als monocĆ©page op de markt wordt gebracht.

Daarnaast is Corvina in beperkte mate toegestaan in enkele IGT’s buiten de provincie Verona. Zo laat de IGT Vallagarina, gelegen op de grens tussen Veneto en Trentino, formeel de aanplant van Corvina toe. Ook in enkele IGT-zones van Lombardije, zoals Alpi Retiche in de provincie Sondrio, is Corvina wettelijk toegelaten, al wordt ze daar in de praktijk nauwelijks aangeplant. In deze gebieden blijft de aanwezigheid van Corvina vooral symbolisch en beperkt tot kleinschalige of experimentele projecten.

Karakter in de wijngaard

Corvina is een krachtige groeier met een uitgesproken profiel in de wijngaard. De wijnstok is stevig opgebouwd, met een robuuste houtstructuur, opvallend lange tussenstukken tussen de knopen en krachtige knoppen. Het blad is middelgroot, vijf-lobbig met scherpe tanden, donkergroen aan de bovenzijde en licht behaard aan de onderkant. In de herfst kleuren de bladeren opvallend rood, een visueel kenmerk dat haar onderscheidt van andere variƫteiten.

De trossen zijn middelgroot, compact en lopen licht taps toe. Vaak dragen ze een extra vleugel, wat in de volksmond Corvina doppia wordt genoemd. De bessen zijn middelgroot, ovaal en blauw-violet van kleur. Hun schil is dik en bezit een natuurlijke waslaag die bescherming biedt tegen uitdroging. Deze stevige schil is essentieel voor appassimento: ze voorkomt rot tijdens het drogen en draagt bij aan het behoud van aroma’s en zuren.

De pulp is sappig, zachtzoet en bevat meestal twee tot drie pitten. In de schil bevinden zich hoge concentraties aan polyfenolen en antioxidanten zoals resveratrol. Die maken de druif niet alleen resistenter tegen schimmels, maar ook interessanter voor producenten die zoeken naar structuur en bewaarpotentieel in hun wijn.

Corvina rijpt laat, doorgaans pas eind september of begin oktober. Dat betekent dat ze gevoelig is voor weersomstandigheden in de laatste groeifase. Om dit op te vangen, maken veel producenten gebruik van het traditionele Veronese pergola-systeem. Deze teeltwijze biedt schaduw, betere ventilatie en extra ondersteuning voor de relatief zware trossen. Ze helpt de rijping te vertragen en verhoogt tegelijk het gehalte aan kleurstoffen en fenolische stoffen in de druif. Het systeem vraagt wel meer arbeid en dus hogere productiekosten, maar wordt om zijn effectiviteit nog altijd veel toegepast.

Kortom Corvina staat er als een stevig geheel: een robuuste wijnstok met laat rijpende trossen, dikke schillen en een natuurlijke balans tussen aromatische finesse en structurele kracht. In de wijngaard toont ze geduld, maar wie dat geduld opbrengt, wordt beloond met een druif die bestand is tegen droogte, geschikt is voor droging en garant staat voor complexe, evenwichtige wijnen.

Stijl en expressie

Corvina levert een opvallend breed scala aan wijnstijlen, van lichtvoetige rosato tot krachtige Amarone. Haar ware kracht ligt in haar veelzijdigheid: ze past zich aan de vinificatiestijl aan, zonder haar karakter te verliezen.

Als zuivere variĆ«teit of in frisse blends geeft Corvina een wijn met een helder robijnrode kleur. In de neus komen florale en kruidige aroma’s naar voren, met viooltjes, rozemarijn en een toets van balsamico. Op het palet domineren rijpe en zure kersen, soms aangevuld met braambes, kaneel of zwarte peper. De wijn is doorgaans hoog in zuren, met zachte tot medium tannine, en daardoor bijzonder geschikt voor wijnen met een zekere elegantie en lengte.

In haar jeugd toont Corvina zich vooral fruitig en levendig. Met wat flesrijping komen meer aardse en kruidige nuances naar boven, soms zelfs minerale of tertiaire aroma’s. Goed gemaakte Corvina’s kunnen verrassend goed ouderen, zeker wanneer ze met concentratie en zorg gevinifieerd zijn. Dit geldt zowel voor blends als voor monocĆ©pagewijnen.

De appassimento-techniek, waarbij de druiven worden ingedroogd, opent een heel ander spectrum. Tijdens dit gecontroleerde proces stijgt het gehalte aan glycerine en gluconzuur in de druif, wat zorgt voor een fluwelige structuur en een bijna romige mondgevoel. ā€œWithering is not a simple dehydration,ā€ zoals de literatuur het kernachtig samenvatte. Het is een geleidelijke metamorfose die rijkdom, diepte en souplesse oplevert.

Uit ingedroogde Corvina ontstaan twee iconische stijlen: Recioto en Amarone. Recioto is intens geurig, zachtzoet en fluweelachtig, met aroma’s van gedroogde bloemen, krenten, kruiden en cacao. Amarone is de gespierde tegenhanger: droog, vol, krachtig en complex, maar dankzij Corvina’s frisse zuren en zachte textuur nooit log. Beide stijlen hebben een indrukwekkend verouderingspotentieel en behoren tot de absolute top van wat ItaliĆ« in rood te bieden heeft.

Naast deze grote wijnen zijn er ook lichtere stijlen waarin Corvina haar finesse toont. In Bardolino bijvoorbeeld speelt ze een hoofdrol in frisse rosato’s met knapperig rood fruit en levendige zuren. Ook mousserende versies bestaan, al blijven die zeldzaam en eerder regionaal van belang.

Wat al deze stijlen bindt, is de rol van Corvina als bron van spanning, elegantie en aromatische verfijning. Of ze nu jong, droog, zoet, krachtig of luchtig gevinifieerd wordt, haar signatuur blijft herkenbaar: kers, zuren, zachte tannine en een zekere ingetogenheid die met tijd alleen maar aan diepgang wint.

Een stille verschuiving

Laat ons het glas heffen met een heerlijke La Poja van Allegrini en klinken op de toekomst van Corvina: een druif met een dubbele ziel, tegelijk delicaat en krachtig, stevig verankerd in de Valpolicella, maar open voor de toekomst.

Toch plaatsen we een kanttekening waarmee we de brug maken naar ons volgende artikel. Terwijl Corvina terecht wordt gevierd als ruggengraat van Valpolicella, zien we dat Corvinone steeds vaker opduikt als interessante aanvulling binnen de blend.

Is er een machtsverschuiving aan de gang in de wijngaarden rond Verona? Niet meteen. Maar wie goed oplet in de kelders en proeverijen van vandaag, merkt dat Corvinone in stilte aan invloed wint. Misschien geen paleisrevolutie, maar wel een stille herwaardering.

Volgende keer nemen we Corvinone onder de loep: de druif die ooit in de schaduw van Corvina leefde, en stilaan haar eigen stempel begint te drukken.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore
  4. Valpolicella Ripasso: Ontstaan uitĀ boerenvernuft
  5. Amarone della Valpolicella DOCG: Van kelderfout tot cultstatusĀ 
  6. Recioto della Valpolicella DOCG: Zoet met klasse

Fiano di Avellino: Een onverwachte liefde

Tot voor kort dacht ik stellig dat Greco mijn favoriete witte druif uit Campania was. Karaktervol, met pit en een duidelijke signatuur. Fiano leek me altijd net iets te gereserveerd. Tot ik in Irpinia belandde. Daar proefde ik de Fiano in zijn natuurlijke habitat, en eerlijk, het was een openbaring. Fiano bleek veel meer dan ik verwacht had: verfijnd, gelaagd en allesbehalve terughoudend.

Een oude nobele dame, diep geworteld in Irpinia

Fiano behoort tot de oudste druivenrassen van Italiƫ. De oorsprong ligt in de heuvelachtige streek rond het dorp Lapio, in het hart van Irpinia. Daar, op de kleirijke bodems en onder invloed van het koele binnenlandse klimaat, ontwikkelde de druif het profiel waarmee ze vandaag nog altijd uitblinkt: elegant, complex en nooit overdadig.

De eerste schriftelijke vermeldingen van Fiano dateren al uit de 12de eeuw. Haar naam zou afgeleid zijn van ā€˜Apiana’, een verwijzing naar de bijen die zich aangetrokken voelden tot het zoete sap van de bessen. Andere bronnen spreken dan weer over ā€˜Latina’, wat mee verklaart waarom ze ook opdook onder synoniemen als Latina Bianca, Uva Latina of Santa Sofia. Die variatie aan benamingen, gecombineerd met haar genetische verwantschap aan andere oude rassen zoals Greco, heeft lang voor verwarring gezorgd. Maar recent genetisch onderzoek laat weinig twijfel: Fiano heeft een duidelijk eigen identiteit.

Toch hing haar voortbestaan aan een zijden draadje. De druifluis, twee wereldoorlogen en een tanende belangstelling voor traditionele druivenrassen deden Fiano bijna verdwijnen. Het was Antonio Mastroberardino die haar na de Tweede Wereldoorlog uit de vergeethoek haalde. Hij herplantte haar op de oorspronkelijke gronden rond Avellino en legde zo de basis voor wat vandaag bekendstaat als Fiano di Avellino DOCG. Dankzij zijn visie en volharding kreeg deze vergeten druif opnieuw een toekomst.

Binnen die appellatie zijn enkele gemeenten en wijngaardzones uitgegroeid tot referentie. Montefredane, Summonte en natuurlijk Lapio zelf leveren steevast wijnen met precisie en diepgang. Maar het is het kleine gehucht Arianiello, net boven Lapio, dat door kenners vaak als het ultieme Fiano-terroir wordt gezien. Niet toevallig liggen hier de wijngaarden van topproducenten zoals Colli di Lapio. De combinatie van grote hoogte, een oostelijke expositie, sterk kleihoudende bodems en constante luchtcirculatie zorgt er voor een optimale rijping. De druiven krijgen er overdag voldoende zon en koelen ’s nachts sterk af, wat de aroma’s scherp houdt en de zuren bewaart. Die spanning tussen rijpheid en frisheid levert Fiano op zijn best.

Dankzij dat microklimaat en de ondergrond ontwikkelt Arianiello-Fiano een uitgesproken structuur, met aroma’s die van florale subtiliteit evolueren naar vuursteen en bijenwas na enkele jaren op fles. Het zijn wijnen die zowel jong als gerijpt indruk maken, met een transparantie en lengte die zelden geĆ«venaard worden.

Wispelturig maar weerbaar in de wijngaard

Deze druif is best een nukkige dame en wie Fiano in de wijngaard wil temmen, moet van goede huize zijn. Fiano is een laatbloeier, met een groeicyclus die zich uitstrekt tot laat in september of zelfs oktober. Ze gedijt bij voorkeur op hoogte, zoals in de heuvelachtige zones van Irpinia. Daar zorgen de combinatie van vulkanische bodems, koele nachten en warme dagen voor een langzame en gelijkmatige rijping. Ideaal voor de ontwikkeling van haar aromatische precisie.

De standplaats is cruciaal: oriĆ«ntatie, luchtcirculatie en drainage maken het verschil tussen een vlakke wijn en een dragende wijn. In regio’s zoals Lapio en specifiek het gehucht Arianiello, komt Fiano volledig tot haar recht. Kleihoudende gronden zorgen daar voor grip en structuur, terwijl het frisse microklimaat haar elegantie bewaart.

De plant zelf is krachtig en expansief. De vegetatie groeit fors, met lange ranken en stevige houtstructuren. Een doordachte snoei is essentieel om haar groeikracht te temperen en de kwaliteit te bewaken.
De druif is best wel gevoelig voor ziektes als peronospora en oidium, vooral rond de bloei, wanneer de jonge trossen bescherming nodig hebben. Ze vraagt dus om een zorgvuldige aanpak in de wijngaard.

Gelukkig heeft ze ook troeven. De druiven hebben een stevige, leerachtige schil, die bescherming biedt tegen botrytis en helpt om de trossen gezond te houden tijdens de lange rijpingsperiode. Dat maakt Fiano opmerkelijk geschikt voor laat geoogste stijlen, zonder risico op rot of verlies aan frisheid. In droge, goed doorlatende bodems produceert ze minder fruit, maar wel druiven met meer concentratie en aromatische kracht.

Fiano levert compacte trossen van kleine tot middelgrote omvang, meestal piramidaal van vorm met een uitgesproken zijvleugel. De bessen zijn middelgroot, ovaal en goudgeel met een vleugje amber aan de zonzijde. Het sap is kleurloos, de smaak mild zoet met een licht krokante textuur. In de kelder betekent dit: veel vrijheid. Fiano laat zich vinifiƫren in uiteenlopende stijlen, van strak mineraal tot rijk en romig, zelfs houtgelagerd of als passito. Zonder haar kern te verliezen.

Fiano is dus wispelturig in de wijngaard, maar wie haar leert kennen en begrijpt wat ze nodig heeft, wordt beloond met wijnen die mƩƩr doen dan plezieren. Ze weerspiegelen het landschap waaruit ze komen: precies, complex en altijd met karakter. En dat maakt haar tot een van de meest intrigerende witte druiven van Zuid-Italiƫ.

In het glas: ingetogen complexiteit

Verwacht geen tropische fruitbom, geen overdreven aromatische intensiteit. Wat je wƩl krijgt, is een verfijnde structuur, een subtiel geurenspectrum en een opmerkelijke evolutie in het glas Ʃn in de fles.

Bij het inschenken toont Fiano zich lichtgeel, vaak met een wat groenige schijn. De eerste indrukken in de neus zijn floraal: acacia, jasmijn en lindebloesem domineren. Daaronder ligt een laagje fris wit fruit, meestal peer en groene appel, dat de wijn een jeugdige levendigheid geeft.

Fiano bezit een vermogen om zich fantastisch te ontwikkelen. Met wat flesrijping schuiven de aroma’s langzaam op richting amandel, hazelnoot, bijenwas en acaciahoning. Die aromatische verdieping gaat samen met een verandering in textuur: het mondgevoel wordt zachter, voller, romiger, zelfs licht olieachtig, maar zonder in logheid te vervallen. De wijn behoudt haar frisheid dankzij haar natuurlijke zuren, die haar ruggengraat vormen.

Bij oudere Fiano’s treden tertiaire tonen op de voorgrond. Rook, vuursteen, een hint van toast. Weliswaar nooit dominant, altijd in balans. Deze evolutie maakt Fiano niet alleen verrassend complex, maar ook geschikt voor flesrijping. Tien jaar is geen uitzondering, en wie geduld heeft, wordt beloond met een witte wijn die spanning, gelaagdheid en finesse combineert.

De hazelnoottoets: signatuur of subtiele schim?

Elk artikel dat je er over Fiano op naslaat komt terug op dat ene aspect dat typisch zou zijn voor een Fiano wijn, namelijk hazelnoot. Meer bepaald zou er bij gerijpte exemplaren een subtiele hazelnoottoets kunnen optreden. Deze aanwezigheid van geroosterde hazelnoot zit dan vooral in het aromaprofiel. Er zijn, zoals dat dan gaat, onderzoeken naar gevoerd en tijdens een sensorische analyse van tien Fiano-wijnen door zestig ervaren proefpanelleden, werd hazelnoot als geurcomponent consistent waargenomen. Weliswaar niet als dominant kenmerk, maar als element van complexiteit.

Die toets van ā€˜nocciola tostata’ is wat Fiano onderscheidt van veel andere witte druivenrassen. Ze verschijnt vaak samen met tertiaire aroma’s zoals bijenwas, honing en vuursteen, en draagt bij aan de herkenbaarheid van de druif na flesrijping. Voor sommigen is het net die hazelnoottoets die Fiano zijn typisch ā€˜volwassen’ karakter geeft.

Veelzijdigheid op tafel Ʃn in stijl

Fiano is niet in ƩƩn stijl te vatten. Hoewel ze doorgaans droog en stil gevinifieerd wordt, vertoont ze een indrukwekkend palet aan stijlen. Afhankelijk van terroir, rijpingsgraad en vinificatietechniek beweegt Fiano zich moeiteloos tussen fris en lineair tot vol, gestructureerd en krachtig. Wat haar verbindt over die variatie heen, is een zekere ingetogen klasse die steeds de nodige complexiteit zal vertonen.

De jeugdige Fiano toont zich levendig en verteerbaar. Hier draait het om mineraliteit, frisse zuren en citrusachtige spanning, ideaal bij lichte mediterrane gerechten zoals vis, schaal- en schelpdieren, zomerse salades of antipasti met een zuurtje. Dankzij haar florale kant en haar gecontroleerde fruitigheid voelt ze zich ook prima thuis bij gerechten op basis van tomaat of met een kruidige toets. Zelfs een pittige bouillabaisse krijgt er een elegante partner bij.

Wanneer de wijn wat ouder is of afkomstig uit meer kleihoudende terroirs zoals Lapio of Arianiello, verandert haar rol aan tafel. Dan schuift Fiano op richting gevogelte, kalfsvlees of zelfs een sappige varkenskarbonade. De extra textuur, een vettiger mondgevoel en tertiaire aroma’s zoals hazelnoot, bijenwas en rook maken haar tot een witte wijn met de draagkracht van een rode.

Naast de droge varianten zijn er ook zoetere interpretaties. Zowel laat geoogste Fiano als passito wijnen, waarbij de druiven ingedroogd worden, leveren een geconcentreerd resultaat met honingachtige tonen, maar zonder hun elegantie te verliezen. Deze stijlen zijn zeldzamer, maar tonen des te meer de mogelijkheden van de druif.

DOCG Fiano di Avellino en verder

Hoewel Fiano di Avellino het bekendst is, wordt de druif ook elders in Italiƫ aangeplant. Daar, in het heuvelachtige hart van Irpinia, liggen zowel haar historische wortels als haar hoogste expressie. De herkomstbenaming Fiano di Avellino DOCG geldt dan ook terecht als het referentiepunt.

Ook buiten de DOCG duikt Fiano op in diverse appellaties in Campaniƫ, zoals Irpinia DOC, Cilento DOC en Sannio DOC. In Puglia wordt ze verbouwd onder de naam Fiano Minutolo. Deze is genetisch verwant, maar aromatisch heel anders, vaak expressiever en floraler van stijl. Op Siciliƫ wordt Fiano ingezet in onder meer Contessa Entellina DOC en Sicilia DOC, waar ze in een rijpere, warmere gedaante verschijnt.

Toch blijft Fiano di Avellino dƩ maatstaf. Niet alleen vanwege het terroir, maar ook door de wijnmakers die er de afgelopen decennia hun stempel op hebben gedrukt. Namen als Mastroberardino, Ciro Picariello, Pietracupa, Villa Diamante, Villa Raiano en Feudi di San Gregorio hebben elk hun eigen interpretatie, van strak mineraal tot rijp en houtgelagerd. Aan dat rijtje mogen zonder twijfel ook Colli di Lapio en Rocca del Principe worden toegevoegd. Beide producenten leveren jaar na jaar wijnen met precisie, diepgang. Hun wijngaarden liggen in het centrum van Arianiello en dat proef je gewoonweg. De kwaliteit spat ervan af.

Tot slot: een druif herbekeken

Mijn bezoek aan Irpinia heeft mijn kijk op Fiano grondig veranderd. Waar ik jarenlang zonder veel twijfel naar Greco greep, heeft Fiano zich daar van een andere, rijkere kant laten zien. Het is duidelijk een druif met een eigen profiel: zuiver, genuanceerd en met een opmerkelijk verouderingspotentieel.

Wat me vooral is bijgebleven, is hoe scherp de rol van terroir tot uiting komt. De hoogte, de bodems, het microklimaat. Dit blijken geen losse elementen te zijn maar bouwstenen die Fiano maken tot wat ze kan zijn. En dan heb je nog de wijnmakers die haar potentieel lezen en vormgeven, elk op hun manier.

Fiano is voor mij geen ontdekking in de zin van iets nieuws, maar een correctie van een onderschatting. Vanaf nu krijgt deze druif de aandacht die ze verdient. En ja, die fles Fiano di Avellino zal voortaan niet meer onopgemerkt naast de Greco blijven staan. Integendeel.

Lagrein: Als ik een druif was, was ik deze

Tijdens een lesmoment in onze opleiding tot Italian Wine Ambassador kregen we plots die onschuldige maar alleszeggende vraag: “Als je een druif was, welke zou je dan zijn?” Sommigen speelden op veilig met een Nebbiolo of Sangiovese. Begrijpelijk. Grote namen, iconisch bijna. Maar ik niet. Voor mij was het meteen duidelijk: Lagrein. Geen twijfel mogelijk. Niet de populairste, niet de makkelijkste, maar eentje met karakter. Een druif die geduld vraagt, koppig kan zijn, en zich alleen laat kennen aan wie moeite doet.

Niet overtuigd? Een oude vriend schreef ooit een gedicht over deze druif. Licht absurd, maar verrassend raak. Het bleef me altijd bij. Misschien omdat het onbedoeld precies vangt wat Lagrein is: tegendraads, uitgesproken en verrassend veelzijdig.

(de man, argeloze amateur)
-Zei de man, de stem vol venijn-:
ā€œWat rijmt er op Migraine?
Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!ā€

(het koor, boos):
Ach man, stop dat gedaas, zo vilein:
Lagrein, da’s pas goede wijn!
Geschikt voor feest of festijn
Het marineren van een konijn
Een ree of een everzwijn
Maar geenszins brasem of tonijn!
Ga heen, los op of verdwijn
En sidder thans van spijt en chagrijn!

(de man, ontzet en berouwvol)
Komaan, komaan, ’t was maar voor de gein
Schenk vol die pul en wel met wijn
Niet met Pinot Blanc, Pinot Noir noch Savagnin
Maar wel met Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!

Een karakterdruif die vraagt om geduld

Lagrein is geen allemansvriend. Hij vraagt de nodige aandacht en een benadering die rekening houdt met zijn eigen ritme. Zijn uitgesproken karakter komt pas echt tot zijn recht wanneer zowel de wijngaard als de wijnmaker hem de juiste condities bieden. In rijke, vochtige bodems verliest hij zijn focus. In warme, stenige hellingen met een goede drainage zoals de grindrijke terrassen van Gries in Bolzano voelt hij zich wƩl thuis. Daar groeit hij beheerst, met diepe wortels en een natuurlijke beperking in opbrengst, wat resulteert in compacte trossen en fruit dat niet alleen intens is, maar ook gebalanceerd.

Maar ook in de kelder moet je hem ruimte geven. Lagrein laat zich niet dwingen. Een te harde hand bij de extractie maakt hem stroef en onvriendelijk. Wordt hij te licht aangepakt, dan mist hij structuur en expressie. Bottel je hem te vroeg, dan krijg je brute kracht zonder finesse. De sleutel ligt bij wijnmakers die weten wanneer ze moeten ingrijpen en wanneer net niet. Geen trucjes of technologie, maar ervaring, vakmanschap en vooral: geduld.

Dat geduld wordt beloond. Wie Lagrein de tijd geeft om te rijpen, ontdekt een wijn die van hoekig naar harmonieus evolueert. In zijn jeugd kan hij ruw overkomen, koppig bijna. Maar geef hem wat jaren in hout en fles, en je proeft een fluweelzachte gelaagdheid die contrasteert met zijn donkere kracht. Het is die combinatie van densiteit en finesse die Lagrein zo fascinerend maakt. Hij is niet direct verleidelijk, maar op de lange termijn vaak onvergetelijk.

Juist omdat hij niet makkelijk is, past Lagrein ook niet in elke stijltrend of marketingverhaal. Hij is een druif met een uitgesproken identiteit, met een zekere onverzettelijkheid. En net daarom wordt hij gewaardeerd door wie zoekt naar wijnen met inhoud, die nieuwsgierig blijven naar alternatieven voor de bekende paden.

Lagrein blijft trouw aan zijn oorsprong, aan zijn temperament en aan zijn traagheid. Hij is geen wijn voor ongeduldige mensen, maar voor wie durft te wachten. Geen vluchtige flirt, maar een volwaardige relatie.

Een druif van goede komaf

Lagrein draagt zijn geschiedenis met trots, en die geschiedenis reikt verder dan vaak wordt gedacht. De oudst bekende schriftelijke vermeldingen dateren uit de 16e eeuw, toen de druif al duidelijk aanwezig was in Zuid-Tirol. Maar zijn verhaal begon mogelijk nog veel eerder. Sommige bronnen suggereren een etymologische link met Lagaria, een antieke Griekse nederzetting in Zuid-Italiƫ. Of dat effectief de oorsprong is, blijft onzeker, maar de suggestie alleen al wijst op een lange, bijna mythische voorgeschiedenis. In elk geval is het duidelijk: Lagrein is geen nieuwkomer in het Italiaanse wijnlandschap, maar een vaste waarde met diepe wortels in de alpine cultuur.

Wat we intussen met meer zekerheid kunnen stellen, is dat Lagrein thuishoort in een cluster van oude Noord-Italiaanse druivenrassen die genetisch met elkaar verbonden zijn. Hij wordt beschouwd als een afstammeling van Teroldego, een krachtige, aromatische druif uit Trentino, en vertoont genetische verwantschap met onder meer Marzemino, Schiava Gentile en zelfs Pinot Nero en Syrah. Het is een indrukwekkende afstamming, die meteen ook de complexiteit, kracht en structuur van Lagrein verklaart. Maar zijn precieze familiegeschiedenis, inclusief onverwachte connecties, behandelen we later in dit artikel in een apart hoofdstuk over zijn stamboom.

Lagrein was in zijn thuisstreek altijd al een wijn van aanzien. Zo wordt in historische documenten uit 1370 vermeld dat keizer Karel IV het schenken van Lagrein aan soldaten verbood. Niet uit bezorgdheid over hun gezondheid, maar omdat de wijn als te kostbaar en verfijnd werd beschouwd voor het gewone voetvolk. Alleen geestelijken en de elite mochten zich eraan tegoed doen. Een vroeg bewijs van zijn status als wijn van kwaliteit.

Door de eeuwen heen bleef Lagrein een vaste waarde in Zuid-Tirol, met Bolzano, en in het bijzonder de wijk Gries, als centrum van zijn reputatie. Zijn populariteit kende ups en downs, met een heropleving in de late 20e eeuw, toen men opnieuw aandacht kreeg voor authentieke, lokale rassen met karakter en historie.

Zijn plaats in het Italiaanse wijnlandschap

Lagrein is stevig verankerd in het noorden van Italiƫ, en dan vooral in de regio Trentino-Alto Adige. Binnen dat gebied zijn het voornamelijk Bolzano, Gries, Mezzolombardo, Cembra en de Valle dei Laghi die uitgroeiden tot kernzones voor zijn aanplant. Vooral Gries, een wijk in Bolzano, wordt nog steeds beschouwd als het epicentrum van kwaliteit. Daar, op rivierterrassen langs de Talvera, met een bodem vol grind en stenen, voelt Lagrein zich perfect thuis. De warme dagen en koele nachten zorgen voor een langzame, evenwichtige rijping. Maar terroir alleen is niet genoeg: het zijn de generaties wijnbouwers die hem hebben grootgebracht met geduld, precisie en een scherp oog voor detail, die het verschil maken.

Met ongeveer 650 hectare aanplant is Lagrein vandaag, met 9% van de aanplant, de tweede meest aangeplante rode druif in Alto Adige, net na Pinot Nero. Hij wordt zowel als monocƩpage gebruikt als in blends, vaak met Schiava, om zijn kracht te verzachten en zijn toegankelijkheid te vergroten. Toch staat hij ook op zichzelf sterk, met een herkenbare signatuur die nergens anders in Italiƫ zo uitgesproken tot uiting komt.

Lagrein is erkend in meerdere herkomstbenamingen. Hij is officieel opgenomen in de DOC’s Alto Adige Lagrein, Trentino Lagrein, Valdadige/Etschtaler en Casteller. Daarnaast is hij toegestaan in diverse IGT’s, verspreid over Noord-ItaliĆ«, waaronder Vigneti delle Dolomiti, Vallagarina, Mitterberg, Sebino, Alto Mincio, en zelfs delen van Lombardije en Veneto. Deze aanwezigheid buiten zijn kernregio is vaak beperkt in schaal en blijft doorgaans experimenteel of nichegericht, maar bevestigt wel zijn potentieel in verschillende microklimaten.

Ampelografie: het portret van een druif

Voor wie houdt van de details achter het glas: Lagrein is niet alleen een wijn met karakter, maar ook een druif met een uitgesproken profiel in de wijngaard. Zijn morfologische en fenologische eigenschappen maken hem zowel uitdagend als fascinerend voor wijnbouwers.

Lagrein is een vitale, krachtig groeiende druif met een robuuste stam en lange, weinig vertakte scheuten. Hij wordt vaak geleid volgens traditionele systemen zoals de pergola, en vraagt om langere snoei. De productie kan royaal zijn, maar is allesbehalve stabiel. In vochtige lentes is hij gevoelig voor colatura (bloesemval) en filatura (onvolledige vruchtzetting), wat de opbrengst grillig maakt. Ook waterbeheer speelt een grote rol: hij verdraagt matige droogte goed, maar vraagt controle om te vermijden dat de groeikracht ten koste gaat van de druifkwaliteit.

Lagrein stelt duidelijke eisen aan zijn omgeving. Hij houdt van warmte, maar niet van overdaad. Zijn voorkeur gaat uit naar stenige, goed drainerende bodems met lage vruchtbaarheid. Zoals de alluviale terrassen van Gries in Bolzano. Die arme gronden zorgen voor natuurlijke opbrengstbeperking, waardoor de plant zich concentreert op kleine, intens smakende druiven. In combinatie met warme dagen en koele nachten ontwikkelen de bessen hun typische frisheid en krachtige structuur.

In zijn vegetatieve cyclus behoort Lagrein tot de later ontwikkelende rassen. Hij loopt gemiddeld laat uit, bloeit rond het midden van het seizoen, en bereikt zijn rijpheid meestal half oktober. Die lange rijpingstijd vraagt om een stabiel klimaat met voldoende nazomerse warmte. De herfstkleur van de bladeren is opvallend roodbruin, wat hem in het najaar ook visueel onderscheidt in de wijngaard.

Het blad is middelgroot tot groot, pentagonaal en meestal trilobaat, met een donkergroene, matte bovenzijde en een licht behaarde onderzijde. De trossen zijn klein tot middelgroot, piramidaal van vorm, meestal compact en vaak met ƩƩn of twee kleine ā€˜vleugels’. De bessen zelf zijn ovaal, gemiddeld van grootte, met een dikke, blauwzwarte schil. De pulp is neutraal van smaak, licht zuur en kleurloos, maar de schil is rijk aan anthocyanen zoals malvin en delphin. Deze hoge kleurintensiteit is wat Lagrein zijn iconisch diepe kleur geeft, die soms bijna inktachtig overkomt.

Lagrein is volledig zelfbestuivend, wat de opbrengst onder ideale omstandigheden voorspelbaarder maakt. Zijn weerstand tegen ziektes is gematigd: hij is gevoelig voor echte en valse meeldauw, maar relatief goed bestand tegen botrytis. Een aandachtige wijngaardzorg is dus onmisbaar.

Herkomst: een familie vol karakter

Wie Lagrein zegt, zegt Zuid-Tirol of Trentino. Maar achter deze druif schuilt meer dan een geografische oorsprong. Dankzij modern DNA-onderzoek en ampelografische studies weten we vandaag dat Lagrein geen geïsoleerde variëteit is, maar het product van een rijke, genetisch verweven familiegeschiedenis.

Centraal in die stamboom staat Teroldego, een nobele druif uit Trentino, bekend om zijn donkere kleur, aromatische kracht en robuuste structuur. Teroldego wordt algemeen erkend als een van de directe ouders van Lagrein, en verklaart een groot deel van zijn krachtige profiel. De tweede ouder is minder precies geïdentificeerd, maar er zijn sterke vermoedens dat het gaat om een variëteit verwant aan Marzemino. Eveneens een historische druif uit Noord-Italië.

De genetische verwantschap stopt daar niet. Lagrein blijkt ook verbonden met druiven als Schiava Gentile en Pinot Nero, wat zijn aromatische finesse en zuurgraad mee helpt verklaren. Verder in zijn uitgebreide stamboom duiken verrassend genoeg ook internationale namen op zoals Syrah, Refosco dal Peduncolo Rosso en zelfs Dureza, ƩƩn van de ouders van Syrah. Dit wijst op genetische raakvlakken tussen Lagrein en enkele van de belangrijkste Europese druivenrassen.

Lagrein is dus geen toeval, geen vergeten druif die uit het niets opdook. Hij is het resultaat van eeuwen natuurlijke kruisingen tussen druiven met karakter, die samen een ras hebben voortgebracht dat stevig, diep en complex is. Geen wonder dus dat hij zich niet meteen blootgeeft. Maar wie bereid is om hem te leren kennen, ontdekt een druif met een stamboom waar je u tegen zegt.

De K3 van Lagrein bestaat uit: Kracht, kleur en karakter

Lagrein is geen makkelijke druif. Hij laat zich niet dwingen en straft ongeduld onverbiddelijk af. Wie hem te snel vinifieert, krijgt een rustieke wijn met scherpe randjes, hoekig en onevenwichtig. Maar wie zijn tijd neemt, zijn ritme respecteert en de juiste aanpak kiest, wordt beloond met iets zeldzaams: een wijn die kracht en finesse combineert, intens is zonder zwaar te worden, gelaagd zonder ondoorgrondelijk te zijn.

De Lagrein Dunkel is het vlaggenschip van de variƫteit. Deze donkerrode wijn is vol, vlezig en stevig van structuur. Zijn tannine zijn uitgesproken aanwezig, maar goed rijpend en bij de juiste vinificatie fluwelig in plaats van stroef. In het glas toont hij zich krachtig: robijn tot paars van kleur, met een sappige textuur, een uitgesproken zuurtegraad en een lange afdronk. Dit is geen wijn voor tussendoor, maar een met inhoud, die zich traag opent en lang blijft hangen.

Weinig druiven hebben zo’n opvallend visueel profiel als Lagrein. De schil is rijk aan anthocyanen, wat de iconisch diepe kleur van Lagrein verklaart. Die hoge concentratie anthocyanen zorgt voor een diepe, haast inktachtige kleur. Zelfs bij beperkte schilweking blijft de wijn intens gekleurd, wat hem niet alleen visueel aantrekkelijk maakt, maar ook stevig en structuurvol. De kleur is dus geen faƧade, maar een voorbode van wat nog komt.

Wat Lagrein Ć©cht uniek maakt, is zijn aromatisch profiel. In de Dunkel vinden we aroma’s van viooltjes, zure kersen, rode pruimen, cassis, laurier, cacao, drop en bosgrond. In gerijpte versies kunnen daar toetsen van vanille of zelfs pure chocolade bij komen. De stijl varieert van krachtig en gespierd tot complex en elegant, afhankelijk van de vinificatie en rijping. Maar altijd is er die herkenbare combinatie van zuren, tannine en diepgang.

En dan is er nog zijn lichtere kant: de Lagrein Kretzer. Dit is de rosƩversie van Lagrein, traditioneel gemaakt via korte schilweking. Kretzer is minder complex, maar allerminst banaal. Hij legt de nadruk op fruit, fraƮcheur en levendigheid, met tonen van aardbei, rode bes en soms een kruidige toets. Lichtvoetiger dan de Dunkel, maar met dezelfde herkenbare signatuur.

Riserva: the best of the best!

Lagrein is op zichzelf al een wijn met kracht en karakter, maar wanneer je een fles Riserva in handen hebt, weet je dat je een niveau hoger speelt. Dit zijn geen snelle flessen voor impulsieve drinkmomenten, maar doordachte wijnen waar de producent zijn beste druiven, grootste zorg en langste rijpingstijd aan heeft toevertrouwd.

Wat een Lagrein Riserva onderscheidt, begint al in de wijngaard. Voor deze wijnen worden bijna uitsluitend druiven van oudere stokken gebruikt. Die wortelen dieper, leveren minder maar geconcentreerder fruit, en geven druiven met meer diepgang en balans. De trossen zijn kleiner, de bessen dikker, met een rijkere schilstructuur en meer fenolische kracht. Dat proef je onmiddellijk: het sap is intenser, complexer en krachtiger.

Ook in de kelder wordt niets aan het toeval overgelaten. Riserva-wijnen ondergaan doorgaans een langere rijping, vaak op grote houten fusten of barriques. Die extra tijd op hout en later op fles zorgt voor zachtere tannine, een betere integratie van aroma’s en een gelaagde structuur die pas na enkele jaren volledig tot zijn recht komt. De stijl verschuift van uitbundig fruit naar diepte en nuance: rijpe pruimen, donkere chocolade, grafiet, balsamico en een minerale ondertoon die lang blijft hangen.

Een Lagrein Riserva is geen drinkwijn voor elke dag, maar een begeleider van gerechten met inhoud: wild, stoofpotten met paddenstoelen, bosduifjes of een stevig stuk lamsvlees. Gerechten met structuur, weerhaakjes en kracht, net als de wijn zelf.

Een druif voor de doorzetter

Lagrein is koppig, intens en heeft tijd nodig om te bloeien. Maar geef hem die tijd, en je krijgt er rijkdom en finesse voor terug. Het is een druif voor mensen die geen zin hebben in oppervlakkige pleasers. Voor wie gelooft dat karakter boven charme gaat. En dat een goed gesprek pas begint nadat de eerste indruk is weggeƫbd.

Dus ja, als ik een druif was, dan was ik Lagrein. Geen allemansvriend, maar wel eentje waar je op kunt bouwen.