Giro d’Italia 2026, rit 6: Cilento DOC, van Paestum naar Napoli

In de Giro maken de renners de oversteek van de heuvels van Basilicata naar de kust van Campania. Rit 6 gaat van Paestum naar Napoli, de hoofdstad van Campania. De rit volgt eerst de mooie kustlijn tot aan Salerno en trekt daarna het binnenland in, om uiteindelijk langs de haven richting Piazza del Plebiscito te eindigen. Met slechts 500 hoogtemeters voor de boeg zouden de sprinters wel eens aan zet kunnen zijn, al lopen de laatste 5 kilometer nog stevig op. In Napoli krijg je bovendien zelden iets cadeau, dus enkel de sterkste beren zullen hier helemaal vooraan overleven.

Onze keuze voor de minder bekende DOC valt vandaag dan ook logisch op Cilento DOC. Paestum ligt in Capaccio Paestum, een gemeente die deel uitmaakt van de productiezone van deze appellatie. De rit doorkruist niet het volledige wijngebied van Cilento, maar het is wel een mooie aanleiding om Cilento DOC eindelijk eens wat meer te belichten. Zeker omdat Cilento zelf, net ten zuiden van de Amalfikust, een prachtige maar vaak ondergewaardeerde kustregio is. Rustiger, ruwer en minder drukbezocht dan zijn beroemde buur.

Cilento DOC

Met een goede 82 hectare aan wijngaarden en een gemiddelde productie van ongeveer 2.000 hectoliter is Cilento DOC toch iets meer uit de kluiten gewassen dan de vorige appellaties die we bespraken. Het blijft wel een relatief jonge appellatie, die pas in 1989 officieel erkend werd als DOC.

De productiezone ligt in Campania, in de provincie Salerno, en is opvallend ruim. Ze omvat 58 gemeenten, van Agropoli tot Sapri en van de Tyrreense kust tot het meer heuvelachtige binnenland richting Basilicata. De wijngaarden mogen binnen die zone niet zomaar overal aangeplant worden. Stranden, zandige kuststroken en vlakke valleibodems zijn uitgesloten. De maximale hoogte bedraagt 450 meter boven zeeniveau. Alleen in Moio della Civitella mag men tot 550 meter gaan.

Ook historisch past Paestum mooi in dit verhaal. De wijnbouwgeschiedenis gaat in deze streek tot diep in de oudheid terug. Het waren immers de Griekse kolonisten die hier wijnstokken introduceerden, onder meer in Elea en Paestum. Dat zet de verbondenheid met de startplaats van de rit extra in de verf.

Bodem en klimaat

Het landschap van Cilento is zeer divers. Je vindt er ruige heuvels, bergkammen en steile flanken, maar ook zachtere hellingen die het landschap wat minder streng maken. Daartussen snijden waterlopen diep in het reliëf. Kleine kustvlaktes en het Vallo di Diano, een oude meerbodem, zorgen voor extra afwisseling in het landschap.

Geologisch maakt Cilento deel uit van de zuidelijke Apennijnen. De ondergrond werd gevormd door tektonische bewegingen uit het Mioceen en Plioceen, waarbij gesteentelagen geplooid, verschoven en over elkaar geschoven werden. Later kwamen daar jongere afzettingen bovenop. Het resultaat is een landschap dat niet meteen makkelijk wijnbouwgebied lijkt, maar net daarin zit een deel van zijn karakter.

Ook de bodems zijn niet overal identiek, maar ze hebben wel een duidelijk gemeenschappelijk karakter. Ze zijn over het algemeen arm aan organisch materiaal en hebben vaak een basis van klei, met mergel en schist in de ondergrond. Dat zijn geen makkelijke bodems, maar net daardoor blijven de wijnstokken beter in toom.

Voor wijnbouw zijn vooral de heuvelachtige percelen met een goede ligging interessant. Daar vinden we vaker kiezelhoudende en kalkrijke gronden, die voor meer drainage, spanning en structuur kunnen zorgen. Klei geeft dan weer wat meer vulling en draagkracht. Zo krijg je een bodemprofiel dat de wijnen niet alleen rijpheid geeft, maar ook voldoende grip en frisheid.

Het klimaat is duidelijk zuiders, maar door de combinatie van zee, heuvels en binnenland is het minder eenduidig dan je op het eerste gezicht zou denken. De Tyrreense Zee zorgt voor mediterrane invloed, terwijl hoogte, hellingen en ventilatie helpen om de warmte te temperen.

Witte wijnen

Cilento DOC kent twee witte types: Cilento Bianco en Cilento Fiano. Fiano speelt daarin de hoofdrol. Bij Cilento Bianco moet Fiano 60 tot 65 procent van de blend uitmaken. Trebbiano Toscano vult aan met 20 tot 30 procent, terwijl Greco Bianco en of Malvasia Bianca samen 10 tot 15 procent mogen leveren. Andere toegelaten witte druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.

Cilento Fiano moet voor minstens 85 procent uit Fiano bestaan. De rest mag worden aangevuld met andere toegelaten, niet aromatische witte druiven uit de provincie Salerno.

Voor de witte wijnen is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. De focus ligt dus vooral op druivensamenstelling, herkomst en minimum alcoholgehalte. Voor Cilento Bianco ligt dat minimum op 11 procent. Voor Cilento Fiano is dat 12 procent.

Cilento Bianco mogen we vooral zien als de frisse, toegankelijke witte blend van de appellatie. Strogeel van kleur, met een delicaat aroma en een frisse, harmonieuze smaak. Cilento Fiano kan iets meer intensiteit en herkenbaarheid van Fiano tonen. Ook hier blijft de kleur strogeel, maar de wijn zal droog, voller en meer uitgesproken aanvoelen.

Rode wijnen

Bij de rode wijnen draait het vooral rond Aglianico. Cilento Rosso moet voor 60 tot 75 procent uit Aglianico bestaan. Piedirosso en of Primitivo vullen aan met 15 tot 20 procent. Andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno mogen maximaal 25 procent van de blend uitmaken.

Cilento Aglianico moet voor minstens 85 procent uit Aglianico bestaan. De resterende 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten blauwe druiven uit de provincie Salerno.

Voor Cilento Rosso is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11,5 procent. In het glas gaat het om een robijnrode wijn, met een herkenbaar profiel van rood fruit, rijpe kers, lichte kruidigheid en een aardse toets. De smaak is droog, eerder delicaat en minder uitgesproken dan bij Cilento Aglianico.

toont wat meer kracht. Ook hier gaat het om een robijnrode wijn, maar het profiel is duidelijk steviger dan bij de gewone Rosso. Verwacht meer donker fruit, rijpe kers, pruim, kruidigheid en een hartige toets. De smaak is droog, vol en voldoende sappig. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 12 procent. De wijn moet minstens één jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. Voor de Riserva geldt een langere rijpingsperiode van minimaal drie jaar, waarvan twee jaar in houten vaten, vanaf 1 januari na de oogst.

Rosato

De basis voor Cilento Rosato is Sangiovese. Die moet 70 tot 80 procent van de blend uitmaken. Aglianico is goed voor 10 tot 15 procent en Primitivo en of Piedirosso vullen eveneens aan met 10 tot 15 procent. Andere toegelaten druiven uit de provincie Salerno mogen tot maximaal 10 procent worden gebruikt.

Voor Cilento Rosato is geen verplichte rijpingsperiode voorzien. Het minimum alcoholgehalte bedraagt 11 procent. De wijn krijgt zijn roze kleur door een korte schilweking van de gekneusde druiven. Zodra de most voldoende kleur heeft opgenomen, wordt hij afgetapt en verder als rosato gevinifieerd.

In het glas kan Cilento Rosato variëren van licht tot iets intenser roze. De blend geeft hem op papier best wat inhoud. Sangiovese zorgt voor frisheid en rood fruit, Aglianico brengt wat meer structuur, terwijl Primitivo en Piedirosso extra rijpheid en een zuiders accent kunnen toevoegen. Uiteraard is de uiteindelijke samenstelling van de blend bepalend voor het karakter van de wijn.

Giro d’Italia 2026, rit 5: Terre dell’Alta Val d’Agri DOC in Basilicata

Rit 5 van de Giro trekt van Praia a Mare naar Potenza. Op papier start de dag nog heerlijk aan zee, maar wie naar het profiel kijkt, ziet al snel dat dit geen rustig kustverhaal wordt. De renners rijden Basilicata binnen, zoeken het binnenland op en krijgen onderweg een typisch Italiaans heuvelachtig parcours voorgeschoteld.

Een diepere blik op de route leert ons dat de renners in de buurt van Viggiano, Grumento Nova en de Val d’Agri passeren, om vervolgens in Potenza uit te maken wie met de ritzege aan de haal gaat. Aangezien de productiezone van Terre dell’Alta Val d’Agri DOC precies in dit deel van Basilicata ligt, is dit de meest logische appellatie om aan deze rit te koppelen.

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC werd officieel erkend in 2003. Het is helemaal geen grote appellatie, met ongeveer 16 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van amper 100 hectoliter. Zoals de naam aangeeft, vinden we de wijngaarden voor deze DOC in de bovenloop van de Val d’Agri. Dat is een vruchtbare vallei die zich ontvouwt tussen heuvels en calanchi, de typische uitgesleten kleiheuvels die het landschap op sommige plaatsen bijna maanachtig maken.

De productiezone ligt volledig in Basilicata, in de provincie Potenza, en omvat de gemeenten Viggiano, Grumento Nova en Moliterno. Het is een binnenlands, hooggelegen gebied waar wijnbouw veel sterker door hoogte, expositie en temperatuurverschillen wordt bepaald dan door nabijheid van de zee. Dat maakt deze DOC meteen anders dan veel zuidelijke appellaties die vooral op warmte en mediterrane invloed steunen.

De wijngaarden mogen volgens het disciplinare aangeplant zijn tot 800 meter hoogte. Ze zijn aangeplant met blauwe druivenrassen, grotendeels van Bordeaux origine, want de DOC geldt enkel voor rode en roséwijnen.

Bodem en klimaat

De wijnbouw profiteert hier van een omgeving die natuurlijk en relatief ongerept aanvoelt. De bodems zijn alluviaal van oorsprong en bevatten veel zand en klei, met weinig leem. Die samenstelling is belangrijk voor de stijl van de wijnen. Zand kan de structuur wat toegankelijker maken, terwijl klei bijdraagt aan volume, kleur en mondgevoel. Het resultaat zijn wijnen die niet alleen op fruit drijven, maar ook voldoende vulling en draagkracht krijgen.

Het klimaat heeft een uitgesproken bergkarakter. Dat compenseert de zuidelijke warmte van Basilicata. De druiven rijpen in een omgeving die zonnig genoeg is om volledige rijpheid te bereiken, maar tegelijk fris genoeg blijft om zuren en aroma’s te bewaren. Dat is precies de balans die Merlot en Cabernet Sauvignon hier nodig hebben.

Een belangrijk element zijn de grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Vanaf augustus tot aan de oogst, die meestal in de tweede helft van oktober valt, begeleiden die thermische schommelingen de rijping van de druiven. Overdag krijgen ze zon en warmte, ’s nachts koelt het sterk af. Daardoor kunnen de druiven rijpen zonder hun frisheid te verliezen.

Rode wijnen

Terre dell’Alta Val d’Agri DOC is in de eerste plaats een rode wijnappellatie. De basis is een bordeauxblend, met een hoofdrol voor Merlot. Voor de Rosso en de Rosso Riserva moet minstens 50 procent Merlot worden gebruikt. Cabernet Sauvignon moet minstens 30 procent van de blend uitmaken. Andere toegelaten blauwe en witte, niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.

De maximale opbrengst bedraagt 12 ton druiven per hectare. De druiven voor de Rosso en Rosso Riserva moeten minstens 12 procent natuurlijk alcoholpotentieel halen. Voor de Rosso is een rijping van minstens 12 maanden voorzien, gerekend vanaf 1 december na de oogst. Daarna volgt nog een verplichte flesrijping van 3 maanden voor de wijn op de markt mag komen. De Riserva gaat duidelijk verder. Die moet minstens 24 maanden rijpen, waarvan minstens 6 maanden in hout, gevolgd door een verplichte flesrijping van 4 maanden.

In het glas kleurt de Rosso robijnrood. De wijn is aangenaam, fruitig en voldoende dragend. Denk aan rijp rood en donker fruit, pruim, kers, cassis, kruidigheid en een zekere aardse toets. Bij de Riserva komen daar sneller hout, specerijen, tabak en een steviger mondgevoel bij.

Rosato

Ook voor de roséwijn vormt Merlot de basis, met minstens 50 procent. Cabernet Sauvignon moet minstens 20 procent uitmaken en Malvasia Nera di Basilicata minstens 10 procent. Andere toegelaten blauwe en witte niet aromatische druivenrassen van de provincie Potenza mogen aanvullen tot maximaal 20 procent.

Merlot zorgt voor sappig fruit en ronding, Cabernet Sauvignon geeft wat meer structuur en kruidigheid. Malvasia Nera di Basilicata brengt het lokale accent in de blend en kan zorgen voor extra aromatische nuance, florale toetsen, rood fruit en een licht kruidige ondertoon. Daardoor krijgt de wijn meer persoonlijkheid.

Hij verschijnt op de markt vanaf 1 maart van het jaar na de oogst. Het is een wijn met een karakteristieke en aangename geur. Verwacht een diversiteit aan rood fruit, een lichte kruidigheid en een subtiel floraal accent. In de mond blijft hij droog, fris en voldoende smaakvol, met net wat meer beet dan een eenvoudige zomerrosé.

Giro d’Italia 2026, rit 4: Lamezia DOC in Calabria

Enkele dagen geleden is de 109de Giro d’Italia van start gegaan in Bulgarije. We volgen deze koers steeds met de nodige aandacht en breien er dit jaar een blogreeks aan vast. We doen dat vanaf het moment waarop de Giro Bulgarije achter zich laat en Italië binnenkomt. Per rit proberen we een minder bekende appellatie uit de omgeving in de kijker te zetten.

Wij pikken in bij rit 4, op dinsdag 12 mei. De etappe brengt ons van Catanzaro naar Cosenza. We zitten dus in Calabria, helemaal in de teen van de laars. De rit gaat vanuit Catanzaro richting Lamezia Terme en volgt daarna een flink stuk de Tyrreense kust. Daarmee komen we vanzelf uit bij een appellatie die perfect in deze reeks past: Lamezia DOC.

Lamezia DOC

Lamezia DOC werd officieel erkend in 1978. Het is een kleine appellatie van amper 10 hectare wijngaard en een gemiddelde productie van ongeveer 700 hectoliter. Omgerekend gaat het om ongeveer 93.000 flessen.

De appellatie ligt in een bijzonder smal deel van Calabria. Aan de westkant ligt de Tyrreense Zee, terwijl de Ionische Zee aan de andere kant van de regio relatief dichtbij blijft. Zee, wind en heuvels zitten hier dus dicht op elkaar.

De DOC ligt in de provincie Catanzaro en omvat delen van negen gemeenten: Curinga, Falerna, Feroleto Antico, Gizzeria, Francavilla Angitola, Maida, Pianopoli, Lamezia Terme en San Pietro a Maida. De naam verwijst naar Lamezia Terme, de stad die pas in 1968 ontstond door de samenvoeging van Sambiase, Nicastro en Sant’Eufemia.

Het productiegebied strekt zich uit rond de Piana di Sant’Eufemia, aan de zuidelijke voet van het Massiccio del Reventino. Een deel van de wijngaarden ligt in de vlakkere kustzone en op de alluviale gronden langs de waterlopen. Andere wijngaarden liggen hoger, op de heuvels rond Lamezia Terme, Falerna, Gizzeria, Maida en Curinga. De hoogteligging loopt daardoor van bijna zeeniveau in de vlakte tot enkele honderden meters in de heuvels. Binnen de afbakening van de DOC worden zelfs punten boven 600 meter vermeld.

Bodem en klimaat

Geologisch gaat het vooral om sedimentaire bodems. In grote lijnen kan je twee omgevingen onderscheiden. Enerzijds zijn er de jonge afzettingen van de kustvlakte en de alluviale bodems langs de waterlopen. Anderzijds zijn er de hoger gelegen, terrasvormige afzettingen rond de vlakte. Die hoger gelegen percelen zijn vaak beter gedraineerd en kunnen voor kwaliteitswijnbouw interessanter zijn.

Het klimaat is mediterraan, met duidelijke invloed van zee en wind. De regen valt vooral in de winter, met december als natste periode. Juli is doorgaans de droogste maand. De gemiddelde jaartemperatuur ligt rond 16 graden. In de zomer kan de warmte stevig zijn, maar de nabijheid van de Tyrreense Zee, de luchtstromen door de smalle doorgang tussen zee en reliëf en de hoger gelegen wijngaarden helpen om de druiven gezond te houden en voldoende frisheid te bewaren.

Rode wijnen

De rode wijnen vormen in de praktijk het zwaartepunt van Lamezia DOC. De gewone Lamezia rosso vertrekt vooral van Gaglioppo, Magliocco, Greco Nero en Marsigliana. Voor Lamezia rosso moeten Gaglioppo en Magliocco, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend uitmaken. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk goed zijn voor 25 tot 45 procent. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

Daarnaast bestaan er ook twee rode wijnen met druifvermelding: Lamezia Gaglioppo en Lamezia Greco Nero. In beide gevallen moet minstens 85 procent van het vermelde druivenras worden gebruikt. Gaglioppo brengt vaak rood fruit, kruidigheid, structuur en duidelijke tannine. Greco Nero kan de wijn wat donkerder, voller en kruidiger maken. Marsigliana is minder bekend, maar geeft de blend een uitgesproken lokaal accent.

De rosso riserva moet minstens 18 maanden rijpen. Daarvan gebeuren minstens 12 maanden in houten vaten, gevolgd door 6 maanden flesrijping. De rijping wordt gerekend vanaf 1 december van het oogstjaar. Dit type wijn zoekt meer structuur, rijpheid en bewaarpotentieel op dan de gewone rosso.

Witte wijnen

De witte wijnen van Lamezia DOC zijn minder bekend. De basis ligt vooral bij Greco Bianco en Montonico Bianco, lokaal Mantonico genoemd. Voor Lamezia bianco moet Greco Bianco minstens 50 procent van de blend vormen. Voor Lamezia Greco loopt dat op tot minstens 85 procent Greco Bianco.

Greco Bianco kan wijnen geven met geel fruit, mediterrane kruiden, soms wat amandel en een zekere hartigheid. De naam zorgt soms voor verwarring, want dit is niet dezelfde Greco als de druif die we kennen van Greco di Tufo in Campania. In Lamezia gaat het om Greco Bianco, een druif die in Calabria een eigen plaats inneemt en hier de basis vormt voor verschillende witte wijnen. De wijnen zijn doorgaans droog en combineren rijpheid met frisheid en een smaakvolle afdronk. Lamezia Greco, met minstens 85 procent Greco Bianco, zet die druif nog duidelijker centraal.

Voor Lamezia Mantonico moet minstens 85 procent van dit druivenras worden gebruikt. Het kan wijnen opleveren met body, kruidigheid, een hartige toets en soms een licht bittertje in de afdronk.

Rosato, novello, passito en spumante

Rosato wordt binnen Lamezia DOC gemaakt op basis van dezelfde druivenstructuur als de rode wijnen. Gaglioppo en Magliocco vormen, samen of afzonderlijk, 35 tot 45 procent van de blend. Greco Nero en Marsigliana moeten samen of afzonderlijk 25 tot 45 procent uitmaken. Andere blauwe druivenrassen die in Calabria zijn toegelaten, mogen aanvullen tot maximaal 40 procent.

De DOC voorziet ook een novello. Dat is de jonge, fruitige rode variant binnen de appellatie. Hij wordt gemaakt volgens de regels voor vino novello en mikt vooral op frisheid, sappig fruit en snel drinkplezier.

Aan de andere kant van het spectrum staat passito, op basis van witte druiven. Daarvoor schrijft de DOC minstens 50 procent Greco Bianco en minstens 35 procent Mantonico voor. De overige 15 procent mag bestaan uit andere toegelaten witte druivenrassen. Dit is de zoete, geconcentreerde kant van Lamezia DOC.

Daarnaast zijn ook spumante en spumante rosato toegelaten. De witte spumante wordt gemaakt op basis van minstens 85 procent Greco Bianco, Mantonico of een combinatie van beide. Voor spumante rosato bestaat de basis uit minstens 85 procent Gaglioppo, Greco Bianco, Mantonico of een combinatie daarvan. Belangrijk detail: deze mousserende wijnen moeten via tweede gisting op fles worden gemaakt, dus volgens de metodo classico. Ze rijpen minstens negen maanden op de gisten en kunnen gaan van extra brut tot dry.

Hoogteligging als architect van de wijnstijl

We hebben lang geworsteld om dit artikel af te ronden. Altitude, ofwel de hoogteligging van wijngaarden, is in de hedendaagse wijnbouw steeds belangrijker geworden. Het is, laat dat duidelijk zijn, geen kwaliteitsstempel. Het is een klimaatknop waarmee wijnbouwers rijping kunnen vertragen en balans kunnen bewaren.

Meer en meer zie je de woorden “high altitude” opduiken op een etiket, met een verkooppraatje erbij, bijvoorbeeld “heroic winemaking”. Vaak is dat om een hoog prijskaartje goed te praten. Soms is het gewoon een correcte technische samenvatting van wat er in de wijngaard gebeurt.

In dit artikel willen we vooral tonen wat hoogteligging concreet doet met temperatuur, licht, rijping en uiteindelijk met de stijl van de wijn in je glas.

Wat is “hoog” eigenlijk?

Er bestaat geen wereldwijde definitie die overal logisch werkt. Een grens van 500 meter boven zeeniveau duikt vaak op, maar die zegt alleen iets binnen een regio. In Europa klinkt 500 meter al stevig, terwijl dat in Mendoza eerder normaal is. In die Argentijnse regio liggen veel wijngaarden tussen ongeveer 600 en 1.100 meter. “Hoog” blijft dus relatief, en je moet het altijd lezen in functie van breedtegraad, expositie en de invloed van zee of vallei.

Hoogteligging werkt pas echt wanneer je het samen leest met hellingsgraad, afstand tot water, vochtigheid, wind en de manier waarop het landschap wolken en neerslag stuurt. Een hoger perceel kan door een warme expositie toch warmer uitvallen dan een lager perceel. Daarom is het correcter om te spreken over hoogteligging binnen een specifiek microklimaat.

Voor de wijn betekent dit dat hoogteligging pas iets zegt wanneer je weet hoe het perceel ligt, hoe het afkoelt en hoeveel zon en wind het werkelijk krijgt.

Waarom het onderwerp nu overal opduikt

De praktische reden is klimaat. In veel gebieden schuiven nieuwe aanplantingen op naar hogere zones om opwarming te temperen en frisheid te behouden. Opwarming kan het groeiseizoen versnellen. Studies tonen oogstmomenten die opschuiven naar vroeger, met voorbeelden van 4 tot 11 dagen oogstvervroeging in warmere groeiseizoenen. Hoogte kan die versnelling afremmen.

Dat geeft vaak minder alcoholische druk en meer frisheid in de zuurstructuur, op voorwaarde dat de druiven volledig kunnen rijpen.

Temperatuur & dag en nacht contrast: de basislaag

Het meest directe effect van hoogteligging is koelte, en vooral het verschil tussen dag en nacht. Hoger betekent gemiddeld lagere temperaturen, en zodra de zon zakt koelt de lucht sneller af. Overdag kan er nog altijd genoeg warmte en zon zijn om rijping vooruit te duwen. ’s Nachts krijg je net de rem, waardoor druiven trager evolueren en hun zuren beter vasthouden. Biochemisch is dat simpel: in koelere omstandigheden wordt appelzuur trager afgebroken, waardoor de zuurstructuur makkelijker overeind blijft.

Een vuistregel maakt het concreet. In veel klassieke wijnstreken wordt het gemiddeld ongeveer 0,6°C koeler per 80 à 85 meter stijging. Over 300 meter is dat dus al ruim 2°C verschil. Op zich lijken die verschillen miniem, maar in een groeiseizoen is het vaak precies het verschil tussen snel rijp worden en rustig tot een optimale rijpheid komen.

Bergen sturen ook het weer: regen, mist en regenschaduw

Als we het over hoogteligging hebben, denken we meteen aan wijngaarden in berggebied. Dat is niet altijd zo, denk aan Ribera del Duero dat vooral op een hoogteplateau ligt. Maar als er bergketens in de buurt zijn, kunnen die wél zeer bepalend zijn. Bergen zorgen immers voor meer dan koeling. Ze werken als een soort verkeersleider voor luchtmassa’s. Lucht die tegen een bergwand botst, wordt omhoog geduwd. Tijdens die stijging koelt ze af, waterdamp condenseert en je krijgt neerslag aan de windzijde. Dat verklaart waarom sommige hellingen opvallend natter en groener zijn dan de vallei ernaast, en waarom wijnbouw soms aan de ene flank vanzelfsprekender is dan aan de andere.

Aan de andere kant van de berg krijg je vaak net het omgekeerde. De lucht is haar vocht al kwijt en daalt opnieuw, warmer en droger. Dat is de regenschaduw. In zo’n zone kan wijnbouw perfect mogelijk zijn, maar water wordt plots een sleutelthema. Irrigatie kan nodig worden, of je moet zoeken naar bodems die water beter vasthouden, of je past je onderstam en canopy management daarop aan. Het is ook waarom twee wijngaarden op vergelijkbare hoogte, maar aan een andere kant van dezelfde keten, een totaal ander groeiseizoen kunnen hebben.

Bergketens kunnen ook koelte aanvoeren. Door valleien en doorgangen kan mist en koele lucht het binnenland in worden gezogen, soms elke ochtend opnieuw. Dat drukt de temperatuur in de eerste helft van de dag en verlaagt de effectieve zoninstraling. Het resultaat is koeling die niet alleen van hoogte komt, maar ook van luchtcirculatie.

Je merkt al onmiddellijk dat hoogteligging niet allesbepalend is. Het wordt pas interessant als je ook snapt wat de bergen met wind, regen en mist doen.

Licht en UV: meer straling, andere schil, andere concentratie

Tijdens het opzoeken rond dit onderwerp botste ik ook op lichtintensiteit en UV straling. Dat komt simpel gezegd hierop neer. Hoe hoger je gaat, hoe minder het zonlicht onderweg wordt gefilterd. Minder filter, dus het licht komt feller binnen. Niet per se warmer, wel intenser, met ook wat meer UV. Er wordt vaak gewerkt met een vuistregel van grofweg 1 tot 1,3 procent meer UV per 100 meter stijging.

De druivenstok reageert daarop zoals elke plant. Hij probeert zich te beschermen, en bij druiven gebeurt dat vooral via de schil, het enige deel van de bes dat zon en straling rechtstreeks opvangt. Bij fellere zon gaat de plant daar extra beschermende stoffen opbouwen, onder andere meer anthocyanen. Daardoor wordt de schil vaak steviger en dikker. Tegelijk kunnen bessen kleiner blijven, waardoor je automatisch meer schil krijgt in verhouding tot sap.

Bij rode rassen betekent dat potentieel meer kleur en meer tannine. Bij witte rassen kan het effect subtieler zijn, maar je ziet vaak wel een intensere aromatische expressie, tenminste als het seizoen lang genoeg is om mooi te rijpen en niet te koel wordt op het einde.

Er zit ook een keerzijde aan vast. Fellere zon en meer straling kunnen de plant wat voorzichtiger maken. Minder bladontwikkeling en kleinere bessen betekenen dan ook potentieel minder kilo’s.

Meer schil en meer kleurstoffen betekenen niet alleen meer concentratie. In rode wijn geeft het ook meer structuur, want tannine zit vooral in de schil. Maar daar zit meteen ook de valkuil. Als het seizoen te kort is of de herfst te bruusk binnenvalt, kan die tannine onrijp blijven, met een strengere indruk als gevolg.

Hoogte vertraagt de kalender

Naarmate een wijngaard hoger ligt, schuift het groeiseizoen meestal op. De knoppen lopen later uit, de bessen kleuren later, en ook de oogst valt later. Vaak krijgt de wijngaard daardoor meer tijd om tot een volledige rijpheid te komen. Die extra tijd geeft de bessen meer kans om aroma’s en schilcomponenten op te bouwen, zonder dat het suikergehalte al te snel stijgt.

Dat komt niet alleen door lagere temperaturen. Op hoogte reageert de wijnstok ook anders op zijn omgeving. Door fellere zon, meer wind en vaak drogere lucht gaat hij zuiniger om met water en energie. Dat beïnvloedt mee hoe gelijkmatig de rijping verloopt en hoe suiker, aroma en schilrijpheid zich opbouwen.

Een Italiaanse studie maakte die vertraging heel concreet. De oogst lag gemiddeld 6,27 tot 7,16 dagen later per 100 meter stijging, en het uitlopen van de knoppen 0,85 tot 2,88 dagen later per 100 meter.

Die verlenging is tegelijk het risico. Jonge scheuten staan langer bloot aan vorst en hagel, zeker in het voorjaar wanneer de plant het meest kwetsbaar is. Bovendien gaat hoogte vaak samen met grotere temperatuurschommelingen tussen dag en nacht. Daardoor krijgen extremen meer kans, van abnormaal warme winterdagen tot vrieskou in late winter of vroege lente.

Wind: vriend én vijand op hoogte

Bij wijnbouw op hoogte kwamen al heel wat factoren aan bod, en dan hebben we het nog niet over de invloed van de wind gehad.
Het is eigenlijk vrij logisch: hoogte gaat vaak samen met een opener landschap en dus met meer wind. En wind werkt dubbel. Het meest gunstige effect is dat trossen na regen of dauw sneller opdrogen, waardoor schimmeldruk vaak lager ligt en ziektes beperkter blijven.

Maar tegelijk kan diezelfde wind de verdamping opdrijven. Bessen blijven kleiner, de schilfractie stijgt, en dat kan concentratie versterken. Alleen, als wind en droogte te hard beginnen te wegen, slaat dat om in stress. Te veel wind en te weinig water remmen de rijping af, en dan wordt altitude plots geen voordeel maar een extra uitdaging om alles mooi en gelijkmatig te laten rijpen.

Hoogte beïnvloedt dus niet alleen temperatuur en licht. Ze bepaalt ook hoe droog en hoe winderig de wijngaard rond de tros aanvoelt, en dat weegt mee op het verloop van het seizoen.

De prijs, meestal mee omhoog

Als ik spreek met wijnproducenten met hooggelegen wijngaarden, moet ik soms glimlachen. Onlangs bezochten we nog verschillende producenten in Valtellina, en het was opvallend hoe vaak dezelfde uitleg terugkwam: hoog gelegen wijngaarden, steile hellingen, alles manueel, dus hogere kosten. Op zich is daar niets mis mee, het klopt ook. Alleen merk je dat het verhaal soms wel erg nadrukkelijk wordt ingezet om een hoger prijskaartje meteen te kaderen.

En inderdaad, hoogteligging gaat vaak samen met steile hellingen, en die zijn moeilijk te mechaniseren. Meer handwerk betekent automatisch hogere kosten. Daarbovenop komen risico’s zoals vorst, hagel, zware regen, harde wind en soms erosie. Binnen één helling kan rijping verschillen tussen voet en top, wat selectie en timing lastiger maakt. Opbrengst ligt vaak lager, deels door stress, deels door strengere selectie. Soms is water beschikbaar via smeltwater in droge maanden, maar ook dat is geen gratis voordeel. In sommige kwaliteitsgebieden is irrigatie beperkt of verboden.

Vandaar ook dat de melding van “high altitude” zo graag mee op het etiket wordt geplaatst. Die twee korte woordjes zijn vaak een handige samenvatting van hogere kosten en meer risico, en dus ook van een prijskaartje dat meestal mee omhoog klimt.

We hebben nu een duidelijk beeld geschetst van het belang van hoogteligging. Wat we nog niet gezegd hebben, en wat toch belangrijk is om mee te geven: hoogte heeft grenzen. Je kan niet eindeloos omhoog blijven schuiven en verwachten dat wijnbouw zomaar blijft werken. Op een bepaald punt wordt het groeiseizoen te kort, is de kans op vorstschade te groot, en krijg je onvoldoende warmte om tot volledige rijpheid te komen. Ook de bloei en vruchtzetting worden kwetsbaarder, net als de oogstperiode. Daarom blijven extreme hoogtes uitzonderingen.

Waar die grens ligt, verschilt sterk per regio. In veel Europese contexten wordt het ergens tussen 700 en 900 meter een stuk moeilijker om elk jaar betrouwbaar tot volledige rijpheid te komen, terwijl uitzonderingen zoals Valle d’Aosta of Etna tonen dat je met de juiste ligging en omstandigheden ook boven 1.000 meter nog kan werken. Mondiaal zijn er uiteraard nog andere regio’s die dat verhaal bevestigen.

Dus ja, “high altitude” kan een mooi excuus zijn voor een prijskaartje. Maar de klimaatomstandigheden duwen de wijnbouw ook gewoon die richting uit, en we gaan die verschuiving naar hoger gelegen percelen steeds vaker zien. Ga er zelf maar eens aanstaan. In die contexten mag “heroïsche wijnbouw” van mij gerust gebruikt worden. Maar goed, daar zetten we later nog wel eens een ander boompje over op.

Monte Conero: waar natuur, zee en wijn elkaar vinden

In het rood aangeduid op mijn wishlist voor onze Marche reis stond een bezoek aan het Parco Naturale del Conero, de Conero Riviera en Le Due Sorelle. Hoewel het dus bovenaan mijn lijstje stond, heb ik het bezoek bewust niet tijdens de start van onze reis geplaatst. Je hebt dan altijd nog iets om naar uit te kijken. Het was één van de kortste verplaatsingen die we moesten maken. Monte Conero ligt immers net ten zuiden van Ancona.

Tussen Ancona en Numana rijst Monte Conero op als een markante witte kalkmassa, met kliffen, baaien, bos en dorpen die mooi in dat decor lijken te zijn neergelegd. Je merkt het vlug als je er naartoe rijdt. Het landschap krijgt al snel een ander gezicht. Alles wordt er ruwer en steiler zodra je de kaap nadert. Het Parco del Conero strekt zich uit over ruim 6.000 hectare in de zones van Ancona, Camerano, Numana en Sirolo, met een kustlijn van witte rotsen en een groen binnenland dat mee het karakter van dit gebied bepaalt.

Je kan hier gerust een volledige daguitstap van maken. Wie ten volle van de schoonheid wil genieten, inclusief wandeling en tijd op het strand van Le Due Sorelle, heeft er misschien wel twee dagen voor nodig.

Het ruwe gezicht van de kust

Ik vind het opmerkelijk hoe weinig bekend Monte Conero is wanneer je erover vertelt tegen mensen die zelf al in Marche geweest zijn. Dat is zonde natuurlijk, want het beeld van de kustlijn verandert hier helemaal. Plots krijg je steile kalkrotsen, bos, kliffen en wandelpaden, op een stuk Adriatische kust dat elders meestal veel vlakker oogt. Met zijn 572 meter is Monte Conero hier een unieke verschijning.

Geologisch ontstond Monte Conero uit mariene sedimentatie die al in het Jura begon. Pas in het Plioceen kwam de berg boven water. Het park zelf werd in 1987 opgericht om de rijkdom aan flora, fauna en cultureel erfgoed te beschermen, en dat voel je ook wanneer je er rondloopt. Wij waren er in juli en hoewel het er dan zeer warm kan zijn, is dit een heerlijke plek om rond te trekken. Er zijn verschillende goed aangeduide wandelroutes, ook voor mountainbike en paardrijden. Je merkt onderweg hoe sterk zee en landschap hier in elkaar grijpen. Achter bijna elke bocht verandert het uitzicht. Het ene moment wandel je tussen groen en kalksteen, wat later kijk je ineens uit over de Adriatische kust en sta je toch weer even stil bij die mooie vergezichten.

Passo del Lupo, volg het pad van de wolf

Als je er zin in hebt neem je best je wandelschoenen en wandelstokken mee. De Passo del Lupo is een van de bekendste wandelroutes van het park. Vanuit Sirolo, met start aan het kerkhof op ongeveer een kilometer van het centrale plein, wandel je hier over de zuidelijke kalkflanken van Monte Conero naar een uitzichtpunt dat je niet snel meer vergeet. De route volgt wandelpad 302 en is goed bewegwijzerd. De wandeling zelf is technisch niet bijzonder zwaar en het hoogteverschil blijft vrij beperkt, al vraagt het laatste stuk wel wat voorzichtigheid. Zeker wie last heeft van hoogtevrees blijft daar beter attent.

Onderweg wandel je door een afwisselend landschap van bos, kalkrotsen en mediterrane vegetatie. Geregeld trekt het uitzicht open en krijg je dat typische samenspel van groen, wit en blauw dat deze kust zo herkenbaar maakt. Na ongeveer een uur stappen bereik je het uitzichtpunt boven Le Due Sorelle. Dat is zo’n plek waar iedereen automatisch even stilvalt. Voor je ligt de besloten baai met het witte strand, het heldere water en natuurlijk de twee rotsen die als twee wachters uit zee oprijzen. Dat beeld is intussen zowat het icoon van de Conero Riviera geworden, en terecht. Het is gewoon indrukwekkend.

Sirolo en Numana, twee parels van de Riviera del Conero

Ben je niet zo’n liefhebber van avontuurlijke wandelingen, dan kan je hier ook gewoon heerlijk flaneren langs de Riviera del Conero. Hier liggen immers enkele van de mooiste kustplaatsen van Marche. Sirolo en Numana zijn dan de ideale haltes.

Sirolo is zonder twijfel een van de mooiste kustplaatsen van de Conero Riviera. Het oude middeleeuwse centrum ligt hoog boven zee en kijkt uit over een van de fraaiste stukken Adriatische kust van Marche. Je wandelt er door smalle straatjes en kleine steegjes die nog duidelijk de sfeer van het oude vestingdorp bewaren. Sirolo combineert dat historische karakter ook nog eens met de ligging aan enkele van de bekendste stranden van de streek, zoals Spiaggia Urbani, San Michele en natuurlijk Le Due Sorelle. De witte rotsen van Monte Conero duiken hier de zee in en vormen baaien en inhammen. Ook het centrale plein speelt een belangrijke rol. Dat is in de zomer echt een ontmoetingsplek, met zicht op zee, een ijsje of aperitief binnen handbereik en net genoeg leven om het gezellig te houden.

Amper een kilometer verder, en perfect te voet te doen, ligt Numana. Het hogere deel is Numana Alta. Hier voel je nog duidelijk de oorsprong van het oude vissersdorp. Alles oogt er kleiner, intiemer en wat rustiger. Van daaruit daal je via de Costarella, de oude trap die vissers vroeger gebruikten, af naar de haven. Beneden verandert de sfeer. Daar zit je dichter bij het strand, de bars, de promenade en dat typische kustleven dat in de zomer volop draait.

Le Due Sorelle, het beeld van Conero

We hebben al een paar keer verwezen naar Le Due Sorelle, het indrukwekkende visitekaartje van de regio. Die twee witte rotspunten die uit zee oprijzen voor de kust zijn intussen uitgegroeid tot een echt symbool van dit gebied. En eerlijk, dat is volkomen begrijpelijk.

Deze baai ligt voor de kust van Sirolo en officieel spreken we over Spiaggia delle Velare. Maar zowat iedereen kent ze gewoon als het strand van Le Due Sorelle. Het strand zelf bestaat uit witte kiezel, rotsachtige uitlopers en helder water. Je gaat online ongetwijfeld heel mooie foto’s van Le Due Sorelle vinden, maar in werkelijkheid maakt deze plek nog meer indruk. Vroeger kon je Le Due Sorelle ook te voet bereiken via de Passo del Lupo, maar deze toegangsweg is al geruime tijd afgesloten. Vandaag geraak je er enkel over zee, met een boot of shuttle. Je moet er dus wat moeite voor doen om deze schoonheid van dichtbij te bewonderen.

Rond Le Due Sorelle hangt ook een oude legende. Men vertelt dat in deze wateren ooit een verleidelijke sirene leefde die met haar gezang zeelieden lokte en hen vervolgens in een grot gevangen hield. Een zeedemon zou haar daarbij geholpen hebben. Volgens het verhaal werd dat monster door de goden gestraft en in steen veranderd, waarbij het in twee delen brak. Zo zouden de twee rotsen ontstaan zijn. Vergeet dus zeker je waterpistool niet om deze demonen af te schrikken.

De baai van Portonovo

Aan de noordkant van de Conero, op ongeveer 15 kilometer van Sirolo, richting Ancona, ligt Portonovo. Deze baai ligt verscholen in het groen van het Parco del Conero, helemaal tegen de flanken van Monte Conero aan, en heeft een heel eigen sfeer. Zodra je er aankomt voel je dat dit geen gewone badplaats is. Alles oogt hier natuurlijker, rustiger en ook net dat tikkeltje ruiger.

De baai zelf bestaat uit grind, stenen en helder water. Je hebt er publieke stukken strand en een aantal beach clubs, maar zelfs dan blijft het geheel vrij ongerept aanvoelen. Je zit hier midden in het groen, met de berg bijna in je rug en de zee vlak voor je. Veel dichter op elkaar kan natuur en kust bijna niet zitten.

Portonovo heeft ook nog wat extra’s. Het witte Fortino Napoleonico springt in het oog. Dat militaire verleden voel je hier nog wel een beetje. Verder ligt er ook nog de Torre Clementina, ooit gebouwd om de kust te bewaken. En uiteraard kom je in Portonovo ook voor wat er uit die zee op tafel belandt. Dan kom je automatisch uit bij een van de bekendste specialiteiten van de streek: de mosciolo di Portonovo.

Dit is een erkende en beschermde term die specifiek verwijst naar wilde mosselen die zich vasthechten aan de rotsen van Monte Conero. Ze worden niet gekweekt, maar groeien volledig natuurlijk in het heldere zeewater van dit natuurgebied. Dankzij de uitzonderlijke waterkwaliteit, die tot de zuiverste van Italië behoort, krijgen de moscioli het label ‘Categorie A’, de hoogste classificatie voor consumptieschelpdieren. In 2004 werden ze erkend als Slow Food Presidium, een eer die enkel is weggelegd voor producten met een uitgesproken identiteit en sterke regionale verankering.

We schreven er eerder al uitgebreid over. Wie er meer over wil weten, kan ook ons artikel ‘De wilde mossel van Portonovo‘ lezen.

Camerano, het kloppend hart van Rosso Conero

De wijnliefhebbers zijn misschien wat op hun honger blijven zitten maar als je ervan uitging dat er rond Monte Conero geen wijn te vinden is, dan heb je het goed fout. Camerano ligt tussen de heuvels van de Conero Riviera en wordt niet voor niets gezien als een van de echte wijnplaatsen van dit gebied. Dit is immers het hart van Rosso Conero, de rode wijn die hier al sinds 1967 een eigen DOC heeft. Sinds 2004 kreeg de riserva het DOCG statuut onder de naam Conero DOCG. Sinds 26 september 2024 zijn binnen die DOCG ook de rosé wijnen, inclusief een spumante, officieel toegelaten.

Die wijnen steunen in hoofdzaak op Montepulciano, goed voor minstens 85 procent van de blend. Voor de DOCG mag Sangiovese nog een aanvullende rol spelen, maar slechts tot maximaal 15 procent. Bij Rosso Conero DOC ligt dat iets ruimer. Ook daar moet Montepulciano minstens 85 procent halen, maar de resterende 15 procent mag bestaan uit andere niet aromatische blauwe druivenrassen die in Marche toegelaten zijn. In het glas levert dat rode wijnen op met kleur, kracht, rijp donker fruit, kruidigheid en duidelijke tannine.

Voor Rosso Conero DOC is geen verplichte rijping vastgelegd vooraleer de wijn op de markt komt. Bij Conero DOCG ligt dat anders: de riserva moet minstens twee jaar rijpen, te rekenen vanaf 1 november van het oogstjaar. De rosato binnen de DOCG mag dan weer pas vanaf 1 januari van het jaar na de oogst in de handel worden gebracht. Voor de rosato spumante ligt het nog strikter, want die moet via een verplichte tweede gisting op fles volgens de metodo classico worden gemaakt en minstens 18 maanden op de gisten rijpen.

Het productiegebied omvat onder meer Ancona, Offagna, Camerano, Sirolo en Numana, met ook delen van Castelfidardo en Osimo. De wijngaarden liggen op de heuvels rond de kaap, waar de Adriatische Zee nooit ver weg is. Dat samenspel van reliëf, zeebries en zon geeft deze wijnen hun eigen profiel.

Staat de wijn voor je centraal, dan kan je perfect de Strada del Rosso Conero volgen. Je kan onderweg niet alleen een stop maken bij een of meerdere van de 22 wijnbouwers die hier actief zijn. Je zal ook langs de meeste plaatsen komen die we in dit artikel beschreven. Inclusief Camerano zelf, want dit dorpje is evenzeer een bezoek waard. Het dorp heeft een eigen sfeer en staat ook bekend om zijn ondergrondse gangen en ruimtes. Ook geschiedenis en cultuur zijn hier nooit ver weg. Camerano kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie en groeide in de middeleeuwen uit tot een onafhankelijk kasteel.

Culinaire tips

Tijdens je bezoek aan de Monte Conero, de Riviera del Conero of onderweg op de Strada del Rosso Conero zal je zonder moeite heel wat culinaire stops kunnen inlassen. Je kan er zelfs perfect een extra bezoek aan Ancona aan breien, waardoor de culinaire mogelijkheden nog breder gaan.

Graag geven we ter afronding van dit artikel nog enkele adressen mee waar het goed tafelen is.

In Portonovo springt Clandestino Susci Bar eruit als een van de meest uitgesproken adressen. Voor wie aan de baai een echt gastronomisch moment wil inbouwen, zit daar goed. Wie het liever iets minder uitgesproken maar nog altijd bijzonder smaakvol houdt, kan in Portonovo ook terecht bij Marcello. Iets verder van de kustdrukte, maar nog altijd helemaal in de sfeer van het gebied, is Trattoria Mafalda een adres om te onthouden.

In Sirolo is L’Officina een aanrader voor wie verfijnd wil eten in een hedendaagse setting. Wie daarnaast ook een meer verborgen adres zoekt, kan Da Silvio meenemen. Dat is zo’n plek die minder nadrukkelijk in de spotlights staat, maar net daarom extra interessant blijft.

In Numana zijn In Riva a Numana en Casa Rapisarda twee adressen om te onthouden. Het eerste mikt duidelijk op een meer gastronomische ervaring, het tweede voelt iets intiemer aan maar blijft culinair bijzonder interessant. Daarnaast zijn ook La Spiaggiola en La Torre twee mooie tips voor wie in Numana graag wat verder kijkt dan de meest voor de hand liggende namen.

Wie nog een kleine omweg wil maken buiten de directe kuststrook kan ook Andreina in Loreto meenemen. Dat is een mooie extra halte voor wie de regio graag ook via het bord verder verkent. En wil je je culinaire uitstap doortrekken tot in Ancona zelf, dan is Ginevra het Michelinsteradres van de stad. Wie liever wat minder formeel tafelt maar nog altijd bijzonder goed wil eten, kan in Ancona ook Sot’Ajarchi meenemen, dat met een Bib Gourmand in de Michelingids is opgenomen..

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
  2. Offida DOCG en de charme van zuidelijke Marche

Hagel in de wijngaard: schade, herstel en bescherming

Het is begin april wanneer we aan dit artikel beginnen. Binnen enkele weken kijken heel wat wijnbouwers opnieuw met argusogen naar de weerberichten. Niet zonder reden. De stevige hagelbuien waarmee we de voorbije jaren almaar vaker geconfronteerd worden, kunnen in enkele minuten een wijngaard zwaar toetakelen. Wie de berichten uit het voorjaar van de laatste jaren erbij neemt, merkt al snel dat de invloed van hagel op de wijnbouw veel groter is geworden en in sommige periodes echt cruciaal is.

Hagel blijft dan ook een van de meest gevreesde fenomenen in de wijngaard. Dat was vroeger al zo, en dat is vandaag niet anders. Alleen is de manier waarop wijnbouwers ermee omgaan grondig veranderd. Hagel ontstaat in krachtige onweerscellen waarin waterdruppels door opstijgende luchtstromen herhaaldelijk bevriezen en aangroeien, tot ze uiteindelijk als ijsklompen naar beneden vallen. Voor een wijngaard vol jong en kwetsbaar groen weefsel is dat zowat het laatste wat je wil zien aankomen.

Met de alsmaar grilligere weersomstandigheden van de voorbije jaren is dit onderwerp relevanter dan ooit. De wijnbouwer volgt de weersmodellen dan ook met de nodige onrust op, in de hoop dat zijn wijngaard bij dreigend noodweer buiten schot blijft.

Hagelschade, vandaag maar ook morgen

Wie hagel enkel bekijkt als een risico op wat beschadigde trossen, onderschat grondig wat er in de wijngaard kan gebeuren. De impact hangt sterk af van het moment waarop de bui toeslaat. Vroeg in het seizoen worden vooral jonge scheuten, bladeren en bloeiwijzen geraakt. Dat zorgt voor direct verlies van groen weefsel, voor wonden op de plant en voor een verzwakking van de hele vegetatieve opbouw. De wijnstok verliest bladoppervlak, wordt gevoeliger voor infecties en ziet zijn groeicyclus fors verstoord.

Op dat moment is er gelukkig wel nog een zeker herstelpotentieel. Gezonde volwassen wijnstokken kunnen zich verrassend goed herpakken, omdat secundaire of latente knoppen opnieuw kunnen uitlopen. Dat betekent dat een vroege hagelbui, hoe hard die ook aankomt, nog ruimte laat om opnieuw functioneel blad op te bouwen en een deel van het seizoen te redden.

Complexer wordt het tussen bloei en vruchtzetting, doorgaans van juni tot in juli. In die periode raakt hagel vaak tegelijk het bladerdek en de jonge trossen. De hergroei verloopt minder gelijkmatig en het opbrengstverlies loopt sneller op. Slaagt de plant erin opnieuw voldoende functioneel blad op te bouwen, dan kan zij nog reserves aanleggen die nodig zijn voor het volgende seizoen. Lukt dat onvoldoende, dan blijft de schade langer doorwerken dan alleen in het lopende jaar.

Nog gevoeliger wordt het na de verkleuring van de druiven, meestal vanaf augustus, en in de aanloop naar de oogst. Dan zijn de bladeren de motor van de rijping en van de reserveopbouw in stam en wortels. Als in die fase een groot deel van het bladerdek verloren gaat, vertraagt de rijping en komt ook de knopvruchtbaarheid van het volgende jaar onder druk te staan. Tegelijk zijn het dan vooral de trossen zelf die zwaar lijden. Bessen kunnen kneuzen, openscheuren, beginnen rotten of gewoon voortijdig afvallen.

Daar zit net de angel in de schade die hagel kan aanrichten. De schade is zichtbaar in volume, in kwaliteit en kan zelfs gevolgen hebben voor de volgende jaren. Zware schade kan de reserves van de plant aantasten en de basis leggen voor een zwakker volgend jaar. Wie meerdere jaren na elkaar met stevige hagelschade te maken krijgt, ziet soms ook de algemene veerkracht van een perceel afnemen.

De eerste dagen na de bui

Is de wijngaard getroffen door een hagelbui, weet dan dat de eerste 24 tot 48 uur nadien vaak doorslaggevend zijn. Net in dat korte tijdsvenster moet duidelijk worden hoe zwaar de schade werkelijk is, waar snel ingrijpen nodig is en welke delen van de plant nog levensvatbaar zijn. Bij warm en vochtig weer kan een wijnstok vrij snel opnieuw beginnen uitlopen, waardoor de schade aan scheuten, vaatweefsel of blijvend hout minder zichtbaar wordt dan ze werkelijk is. Tegelijk stijgt vanaf dat moment ook het risico op infecties via open wonden. Daarom volstaat een snelle blik op een gehavend perceel niet.

Voor een goede evaluatie moet de wijnbouwer kijken naar afgebroken toppen, beschadigde bladstelen, gekneusde of opengebarsten bessen en vooral ook naar letsels aan stam of dragende ranken. Net daar zit soms schade die op het eerste gezicht minder spectaculair oogt, maar later veel zwaarder kan doorwegen.

Wie voor dergelijke schade verzekerd is, weet bovendien dat ook de eerste foto’s cruciaal kunnen zijn om een mogelijk financieel verlies later nog te verhalen via die polis.

Dan is het heropbouwen geblazen. Beschadigde percelen vragen snelle wondzorg, opvolging van het bladerdek en een nuchtere inschatting van wat nog levensvatbaar is. Het doel is dubbel: zoveel mogelijk van de huidige oogst redden waar dat nog zinvol is, en tegelijk de architectuur en de reserves van de wijnstok beschermen voor het volgende seizoen.

Als dit fenomeen zich enkele jaren na elkaar herhaalt, is het trouwens niet alleen een technische en economische belasting, maar ook een mentale. Niet elke wijnbouwer is actief in een economisch bijzonder rendabel gebied zoals Barolo, Brunello, Bourgogne of Champagne, waar een deel van de schade makkelijker kan worden opgevangen via hogere prijzen. Voor veel andere wijnboeren ligt dat compleet anders. Daar kan herhaalde hagelschade het voortbestaan van het domein echt onder druk zetten.

Herstel vraagt gericht sturen

Dat de wijnstok een opmerkelijk stukje natuur is, weten we al langer. Bovendien beschikt hij over een sterk herstelvermogen. Zelfs na zware bladschade kan hij via nieuwe scheuten en lateralen opnieuw fotosynthese opbouwen. Daardoor kan bij een goede opvolging soms nog een deel van de productie gered worden en kan de plant opvallend veel van haar functie herstellen.

Toch leert de logica ons ook dat beschadigd vaatweefsel niet zomaar weer dichtgroeit alsof er niets gebeurd is. Wonden worden afgegrendeld en overgroeid, maar niet echt ongedaan gemaakt. Hoe goed dat proces verloopt, hangt af van de energiereserves van de plant, van de keuzes die de wijnbouwer maakt en van de omstandigheden na de bui.

Een belangrijk onderdeel van dat herstel is strategisch snoeien. Bij zwaar beschadigde groene scheuten is het vaak verstandiger om terug te snoeien tot dicht bij de basis van de scheut, zodat de energie naar sterke en goed geplaatste nieuwe uitloop gaat. Zulke hergroei is doorgaans veel bruikbaarder voor de opbouw van het volgende seizoen dan zwakke lateralen die ontstaan wanneer men half beschadigde scheuten ergens in het midden terugknipt.

Half beschadigde scheuten laten staan lijkt soms geruststellend, omdat er nog iets groen hangt, maar in de praktijk levert dat vaak rommelige en weinig bruikbare hergroei op. Doelgericht terugwerken naar een sterke basis geeft de wijnstok meer kans om opnieuw orde in zijn vegetatie te brengen. Wanneer ook ranken of stam schade vertonen, wordt het ernstiger. Zeker bij jonge wijnstokken kan het dan nodig zijn om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden. Dat is soms gewoon de verstandigste keuze op lange termijn, hoe ingrijpend die beslissing ook is.

Ook voeding en waterbeheer vragen na hagelschade meer finesse dan kracht. Er bestaat soms de neiging om de wijnstok na zulke schade te willen overbehandelen: veel voeding, veel stimulans, veel goede bedoelingen. Alleen werkt het zo niet helemaal. Overmatig gebruik van stikstof kan leiden tot te uitbundige vegetatieve groei, en daar is de plant lang niet altijd mee geholpen. Wat nodig is, is zoals steeds evenwicht. Een verzorgde ondersteuning van de plant, met aandacht voor weefselsterkte en wondheling, is meestal verstandiger dan een groeispurt proberen forceren.

Hetzelfde geldt voor waterbeheer. De wijnstok moet functioneel blijven, maar overmatige stimulering van laterale groei helpt niet altijd. De bedoeling is niet om zoveel mogelijk nieuw groen te produceren, wel om de plant opnieuw stabiel en werkbaar te krijgen.

Wonden, infecties en de invloed op kwaliteit

Hagelwonden vergroten het risico op infecties, en die hebben op hun beurt hun invloed op de uiteindelijke kwaliteit in het glas. Vooral bij beschadigde bessen kan rot zich snel ontwikkelen. Ernstig getroffen trossen verwijderen is dan vaak gewoon noodzakelijk, liefst zo snel mogelijk, zodat de kans op verdere aantasting niet toeneemt.

Zelfs wanneer rot uitblijft, blijft beschadigd fruit een risico voor de uiteindelijke wijnkwaliteit. Ongelijkmatige rijping, verlies aan frisheid of minder zuivere aroma’s kunnen later mee het gevolg zijn wanneer te veel geraakt fruit toch in de oogst terechtkomt. Extra frustrerend voor onze wijnbouwer uiteraard. Je bent dan al blij dat er nog iets te oogsten valt, om vervolgens te merken dat ook de homogeniteit van het fruit onder druk staat.

Daarnaast schuilt er nog een minder zichtbaar gevaar in houtwonden. Beschadigingen aan blijvend hout kunnen later toegangspoorten worden voor houtziekten (zoals eutypa, botryosphaeria of esca). Net daarom vraagt schade aan stam of blijvend hout een propere en doordachte aanpak. Loshangend of zwaar beschadigd weefsel moet netjes worden weggewerkt, gereedschap hoort ontsmet te zijn en ook in de wijngaard laat je beschadigd materiaal best niet zomaar liggen. Is de stam echt gespleten of lijkt het blijvende hout zwaar geraakt, dan is het op langere termijn vaak verstandiger om een krachtige scheut van onderaan te selecteren en de plant opnieuw op te leiden, dan te rekenen op volledig herstel van zwaar beschadigd hout.

Preventief beschermen?

Het hagelkanon spreekt nog altijd tot de verbeelding. Zo’n installatie oogt indrukwekkend en suggereert daadkracht. Alleen is de realiteit minder heroïsch. Het basisidee is bekend: via schokgolven probeert men de vorming of aangroei van hagel te verstoren. De werking blijft wetenschappelijk echter zwak onderbouwd en de kans op succes is hoogst onzeker. Met dit kanon moet je dus anticiperen op wat mogelijks komen gaat. Bovendien maakt het extreem veel lawaai, wat voor irritatie bij de omgeving zorgt. Populair is dit dus niet, of beter niet langer.

Veel vaker zie je vandaag anti hagelnetten. Die zijn de voorbije jaren uitgegroeid tot de meest geloofwaardige vorm van actieve bescherming in de wijngaard. Ze vormen een echte barrière tussen hagel en tros. Ze beïnvloeden het licht, de luchtcirculatie en soms ook de algemene werking van het perceel. Ze vragen bovendien een investering, onderhoud en aanpassing in de manier van werken. Toch wegen die nadelen in veel situaties niet op tegen het voordeel van daadwerkelijke bescherming. In risicovolle zones zijn ze steeds vaker een rationele keuze geworden.

De echte vernieuwing in het hagelverhaal zit misschien wel in de manier waarop wijnbouwers informatie gebruiken. Lokale radar, gerichte weerapps, waarschuwingen per perceel en snellere communicatie hebben de voorbereiding sterk verbeterd. Hagel blijft onvoorspelbaar, maar hij komt minder vaak volledig uit het niets dan vroeger. Daardoor kan de wijnbouwer sneller reageren, sneller mensen en materiaal inzetten en na de bui ook gerichter beslissen waar eerst moet worden ingegrepen.

Verzekering blijft daarnaast voor veel domeinen de laatste verdedigingslijn. Alleen is ook dat verhaal minder eenvoudig geworden. Schade door extreme weersomstandigheden weegt steeds zwaarder door, waardoor verzekeringen duurder, selectiever of complexer worden. Voor wijnbouwers betekent dat dat een polis belangrijk blijft, maar niet langer volstaat als enige antwoord.

Een weesgegroetje bidden zal dus niet helpen, evenmin als hopen dat je buiten schot blijft. Al blijft dat laatste, alle technologie ten spijt, nog altijd een stille wens van elke wijnbouwer.

Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio

Met de situering van Marche trappen we onze nieuwe zondagse reeks officieel op gang. Beetje bij beetje pellen we deze regio verder af en duiken we dieper in een werkelijk fascinerend stuk Italië. Hoewel het ondertussen al enige tijd geleden is dat we zelf op ontdekkingstocht trokken door Marche, staan de beelden me nog scherp voor de geest. Het was een instant crush, die intussen is uitgegroeid tot een diepe genegenheid voor deze minder toeristische, maar ronduit bloedmooie regio.

En waar het hart van vol is, daar komen vroeg of laat vragen van. Zo wilden goede vrienden van ons weten wat ze absoluut moeten bezoeken wanneer ze hun jaarlijkse vakantie in Marche doorbrengen. Vermits ik beter schrijf dan spreek, kom ik op deze wijze graag tegemoet aan hun verzoek.

Sommige regio’s in Italië zijn zo bekend dat je er nauwelijks nog iets over hoeft te zeggen. Marche hoort daar niet bij. Gelukkig maar. Wie hierheen reist, krijgt niet het gevoel in een decor terecht te komen dat al eindeloos is opgevoerd. Marche voelt echt. Menselijk ook. Eens je er bent, kom je ogen tekort, proef je gulzig van al het goede dat de regio te bieden heeft, rijd je van de ene bestemming naar de andere, trek je de natuur in en neem je af en toe bewust de tijd om alles rustig te laten bezinken.

Maak je dus klaar voor veel Marche. Tegen het einde van deze reeks heb je wellicht al een vliegticket geboekt en een verblijf vastgelegd. Gewoon, omdat je het met eigen ogen wilt zien. Marche: een parel tussen de Adriatische kust en de Apennijnen.

Eerst even de kaart erbij

We openen met saaie geografische kost. Marche ligt aan de oostkant van Midden Italië, aan de Adriatische Zee. Ten noorden grenst de regio aan Emilia Romagna en San Marino. Ten westen liggen Toscane en Umbrië. In het zuiden sluiten Lazio en Abruzzo aan. Op de kaart oogt Marche misschien niet als de grootste regio van Italië, maar ze heeft wel een indrukwekkende rijkdom aan landschappen. Dat heeft alles te maken met haar langgerekte vorm tussen zee en bergketen. De Adriatische kust tekent de oostelijke grens. De Apennijnen vormen in het westen een stevige ruggengraat. Daartussen ligt een golvend heuvelland dat traag reizen als de normaalste zaak van de wereld beschouwt. Na enige tijd pas je je vanzelf aan dat ritme aan en lijkt de ratrace van bij ons plots heel ver weg.

Vanuit België heb je in de praktijk twee logische opties om naar Marche te reizen: met de wagen of met het vliegtuig. Die keuze is vooral persoonlijk en hangt af van het soort reis dat je wilt maken. Wij kozen voor het vliegtuig. Hoewel Ancona wel degelijk een luchthaven heeft, bleek die voor ons niet de meest evidente optie. Bologna werd uiteindelijk ons aankomstpunt, en dat was allerminst een slechte keuze. Daar huurden we een wagen, die tijdens onze veertiendaagse ontdekkingsreis een onmisbare compagnon werd.

Vanuit Bologna reden we richting Rimini en vervolgens de snelweg op die langs de Adriatische kust loopt, helemaal zuidwaarts, tot diep in Puglia. Aanvankelijk zijn dat brede, vlot berijdbare wegen. Hoe verder je zuidwaarts trekt, hoe minder ruim alles aanvoelt. De snelweg wordt smaller, het traject bochtiger en het comfort wat minder vanzelfsprekend. Echt onveilig wordt het gelukkig nooit. Zelf moesten we niet zo ver doorrijden, want vlak voor Ancona gaf onze gps aan dat we de snelweg moesten verlaten.

Voor wie wil rondtrekken, blijft een wagen ter plaatse echt wel onmisbaar. Op de kaart lijken veel afstanden best mee te vallen, maar in werkelijkheid ben je vaak langer onderweg dan je zou denken. Voor heel wat verplaatsingen rij je eerst richting de snelweg langs de Adriatische kust, om daarna opnieuw landinwaarts te trekken.

Federico II, Stupor Mundi

Wat doet de geschiedenis van Marche ter zake, zal je je misschien wel afvragen. Dit heeft toch weinig te maken met wat er vandaag te bezoeken valt in de regio. Toch wel. Zoals in haast elke Italiaanse regio is het verleden ook hier een blijvend hangijzer. Marche vormt daarop geen uitzondering. Zeker niet wanneer we later ook nog wat dieper in de wijnen willen duiken.

De aanwezigheid van de Picenen, de Romeinen en de ontwikkeling van handelsroutes hebben allemaal hun belang gehad, maar voor ons verhaal moeten we vrij snel richting middeleeuwen kijken. Daar begint Marche zich echt te tonen als een gebied met sterke steden, lokale machtscentra en een ingewikkeld kluwen van pauselijke, keizerlijke en regionale invloeden. Precies in die context duikt Federico II op, een van de meest fascinerende figuren uit de middeleeuwse Europese geschiedenis, geboren in 1194 in Jesi. Jawel, Jesi, het hart van de Verdicchio.

Dat we net hem hier extra in de verf zetten, is geen toeval. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Sicilië combineerde Federico II politieke macht met een opvallende intellectuele nieuwsgierigheid. Hij hield zich bezig met recht, wetenschap, talen, filosofie en natuurstudie. Die zeldzame combinatie bezorgde hem de bijnaam Stupor Mundi, verwondering van de wereld. Laat ons zeggen dat de man zijn tijd op veel vlakken vooruit was en in heel Italië zijn sporen heeft nagelaten. Als valkenier trok hij er geregeld op uit, en volgens de overlevering zou ook Montefalco in het naburige Umbrië zijn naam aan die passie te danken hebben. Of dat historisch tot op de letter waterdicht is, laten we hier even in het midden.

Helemaal tastbaar wordt Federico II in het noorden van Puglia, bij Castel del Monte. Dat kasteel, hoog op een heuvel bij Andria gelegen en uitkijkend over het landschap richting Adriatische kust, is een van de meest markante bouwwerken die met zijn naam verbonden zijn. De strakke, achthoekige vorm was voor die tijd bijzonder vernieuwend. Vandaag is het een van de meest bezochte plaatsen van Puglia en nog altijd een indrukwekkende herinnering aan de visionaire kant van Federico II.

De eenmaking van Italië werd pas in 1861 werkelijkheid, met Victor Emmanuel II, Cavour en Garibaldi als de grote namen. Naar persoonlijke interpretatie en met enige zin voor overdrijving zou je kunnen stellen dat Federico II al veel eerder een soort voorgevoel belichaamde van wat Italië ooit zou kunnen worden. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en als koning van Sicilië had hij macht over een enorm gebied en stond hij dichter bij een politieke samenhang op het Italiaanse schiereiland dan veel anderen voor hem. Dat is uiteraard geen letterlijke voorafname op het latere Italië, maar het zegt wel iets over de reikwijdte van zijn ambitie en zijn historische gewicht.

En hier raken we stilaan ook aan de band tussen Federico II en de wijn van Marche. De verwijzing naar de Castelli di Jesi roept niet alleen een geografische zone op, maar ook een historisch verhaal. Die castelli, de versterkte nederzettingen rond Jesi, zouden onder zijn invloed, of minstens binnen die bredere keizerlijke context, mee zijn uitgegroeid als bescherming van de stad en haar territorium. Vandaag zijn die plaatsen nog altijd zichtbaar aanwezig in het landschap.

Ancona, de hoofdstad van Marche

Ancona is de hoofdstad van Marche, en veel reizigers beschouwen de stad vooral als toegangspoort, als plek van aankomst of vertrek. Dat is begrijpelijk, want Ancona is een havenstad en speelt logistiek een belangrijke rol.

De stad ligt prachtig aan de Adriatische kust en heeft van oudsher een sterke band met de zee. Dat voel je nog altijd. Ancona kijkt niet alleen landinwaarts naar de regio, maar ook over het water naar de bredere wereld. Die maritieme gerichtheid gaf haar doorheen de geschiedenis een heel eigen karakter. Ze was een handelsstad, een strategisch punt en een plek waar invloeden samenkwamen. Daardoor heeft Ancona een ander profiel dan veel charmante binnenlandse steden van Marche. Ze is levendiger en voelt mondialer aan.

Ancona is zeker de moeite om te bezoeken, maar het is wellicht niet de stad die het langst nazindert na een verblijf in Marche. Dat neemt niet weg dat ze cultureel wel degelijk haar waarde heeft. Voor reizigers die net dat culturele willen opzoeken, is Ancona zeker een bezoek waard. Tijdens onze reis bleef de stad zelf uiteindelijk eerder een voetnoot.

De omgeving van Jesi als ideale uitvalsbasis

Op de Verdicchio wijngebieden rond Jesi en Matelica komen we in het slotartikel van deze reeks, naar aanleiding van onze masterclass, uitgebreid terug. Hier willen we het vooral hebben over de omgeving van Jesi, die voor ons tijdens deze reis een ideale uitvalsbasis bleek om Marche te verkennen.

De zone rond Jesi ligt centraal in Marche, op een half uurtje rijden van Ancona en de kust. Het is dus een bijzonder geschikte uitvalsbasis om zowel de noordelijke als de zuidelijke Marche te verkennen. Je zit er bovendien in een aantrekkelijk heuvellandschap met wijngaarden, charmante dorpjes en, voor de sportievelingen, een sterke aanwezigheid van strade bianche. Dat betekent dat je hier gemakkelijk dagen kunt afwisselen tussen wijndomeinen, stadsbezoek, lunches in het binnenland en uitstappen naar zee. Dat soort evenwicht maakt reizen gewoon aangenaam.

Wij verbleven tijdens onze reis in San Marcello en kozen, zoals we bijna altijd doen, voor een rustig wine resort. Filodivino is veel meer dan zomaar een verblijfplaats. Je vindt er rust, er is slechts een beperkt aantal kamers en dat is voor ons ideaal. Tijdens onze vakantie zijn we niet meteen op zoek naar sociaal contact. Je vindt er alle luxe en comfort, met een vriendelijke gastheer en gastvrouw. Je verblijft er midden in een wine resort, wat betekent dat de wijn, Verdicchio in dit geval, altijd aanwezig is. Voor ons was het de perfecte plek om de dag af te sluiten met een spannend boek en een lekker glas wijn, gewoon met zicht op de weidse wijngaarden terwijl de zon stilaan onderging.

Uitkijken naar wat komen gaat

Met deze eerste situering hebben we Marche eigenlijk nog maar amper aangeraakt. De regio ligt nu op tafel, de grote lijnen zijn uitgezet, maar het echte werk moet nog beginnen. In het verdere verloop van de reeks gaan we op zoek naar de vele gezichten, de vele mooie hoeken, de verrassende diversiteit op wijngebied en veel te veel plekken waar je net iets langer wilt blijven hangen dan je vooraf had gepland.

Voor onze vrienden is hiermee hopelijk een eerste aanzet gegeven. Voor ons, en vooral voor mezelf, is dit een terugblik op onze beleving ginds. Eentje die nog altijd helder voor de geest staat en die me tijdens het schrijven constant een smile bezorgde. Memories like they were only from yesterday!

Durella, van schaduwrol naar eigen stijl

Stel je het landschap van oostelijk Verona voor, zoals het er zo’n 50 miljoen jaar geleden uitzag. Waar nu heuvels, weiden en wijngaarden liggen, bevond zich toen een ondiepe zee met warm, tropisch water. Rond die zee groeide een weelderige vegetatie en leefde een fauna die intussen al lang verdwenen is. Af en toe werd dat rustige landschap verstoord door vulkanische activiteit onder water.

Vandaag is dat landschap uiteraard verdwenen, maar het verleden ervan werkt nog altijd door in de streek. De zee heeft plaatsgemaakt voor heuvels en landbouwgronden, en de vulkanische activiteit is al lang tot rust gekomen. Wat bleef, is een gebied met een bijzondere geologische opbouw en een opvallende rijkdom aan fossielen.

In die omgeving groeit Durella. Het is een authentiek en opvallend ras uit het grensgebied van Verona en Vicenza. De druif staat niet bekend om uitbundige aromatiek of een zacht profiel, maar om frisheid, spanning en een uitgesproken zuurstructuur.

De populariteit van Durella is de voorbije jaren duidelijk toegenomen. Als ik alleen al naar mezelf kijk, dan moet ik toegeven dat ik enkele jaren geleden heel bewust op zoek ben gegaan naar de wijnen, en vooral de bubbels, die deze druif kan voortbrengen. En ik ben daarin zeker niet de enige. Durella heeft stilaan heel wat wijnliefhebbers nieuwsgierig gemaakt.

Opmerkelijk misschien, want Durella is allesbehalve een recente ontdekking. Het gaat om een oud, inheems ras met een duidelijke eigen identiteit en een lange band met de Lessinische heuvels. Lange tijd stond de druif vooral in de schaduw van eenvoudiger mousserende wijnen in Martinotti stijl. Vandaag lijkt voor Durella een nieuwe fase aangebroken: die frisse, fruitige stijl blijft bestaan, maar daarnaast ontwikkelt Durella zich steeds nadrukkelijker in de richting van complexere metodo classico wijnen.

Geschiedenis en naamgeving

Durella is een oud ras dat al eeuwen voorkomt in het oosten van Veneto. Op basis van historische verwijzingen wordt aangenomen dat ze mogelijk verband houdt met de Uva Durasena, die al in 1292 vermeld werd in de statuten van Costozza, in de Colli Berici. Helemaal sluitend is die identificatie niet, maar ze wijst wel op een zeer oude aanwezigheid van dit type druif in de regio.

Een eerste meer zekere vermelding van het ras zelf duikt op in 1825, in het werk van Giuseppe Acerbi over Italiaanse druiven. Daarmee krijgt Durella een duidelijke plaats in de geschreven wijnhistorie.

De officiële naam is Durella Bianca, maar op het etiket verschijnt ze zowel als Durella als Durello. In essentie gaat het om dezelfde druif. Durella verwijst in de eerste plaats naar de druif zelf, terwijl Durello vaker opduikt in de benaming van de wijn. Het verschil is dus vooral een kwestie van gebruik en taal, niet van een ander ras. De naam zelf verwijst naar iets hards of stevigs, een duidelijke verwijzing naar de dikke en taaie schil van de bes, een van de meest kenmerkende eigenschappen van deze druif.

Daarnaast circuleren lokaal nog andere benamingen. In de heuvels van Asolo werd ze ook Rabiosa of Rabbiosa genoemd. In een hoger gelegen deel van de heuvels ten westen van Schio, in de provincie Vicenza, dook ook de naam Cagnina op. Die benaming mag niet verward worden met de blauwe Cagnina uit de vlakte van Ravenna, want het gaat hier wel degelijk om een witte druif. Mogelijk houdt die lokale naam verband met het nog strengere en zuurdere karakter dat de wijn op grotere hoogte kon aannemen.

Ook de bekendere druif Nosiola uit Trentino werd ooit als synoniem van Durello vermeld. Later onderzoek heeft die koppeling echter niet bevestigd. Verwarring met andere rassen, zoals een vroegere Rabiosa bianca uit de zone van Raboso Piave, werd evenmin bevestigd.

Rond Durella ontstonden in de loop van de tijd ook allerlei verhalen en overtuigingen. Zo werden de druif en haar wijn vroeger in verband gebracht met een geneeskrachtige werking, onder meer door de hoge natuurlijke zuren en het vitamine C-gehalte. Er deden zelfs verhalen de ronde dat de wijn werd ingezet tegen scheurbuik en ooit via apotheken werd verkocht. Zulke anekdotes verdienen enige nuance, maar ze tonen wel hoe sterk Durella deel uitmaakte van de lokale cultuur.

Herkomst en terroir

Het kerngebied van Durella ligt in het Lessini gebergte, op de grens van Verona en Vicenza. In dit heuvelachtige landschap, op de overgang van de Povlakte naar hoger reliëf, vindt de druif de omstandigheden waarin ze het duidelijkst tot haar recht komt. Wijngaarden liggen hier vaak tussen 400 en 600 meter hoogte, waar koelere omstandigheden en een tragere rijping helpen om de natuurlijke frisheid en strakke stijl van de wijn te behouden.

De bodems zijn hier vulkanisch van oorsprong, vaak donker van kleur en op sommige plaatsen vermengd met mariene sedimenten. In delen van de streek werden ook fossiele resten van vissen en schelpdieren gevonden, een tastbare herinnering aan een ver verleden waarin dit gebied er volledig anders uitzag. Die geologische gelaagdheid geeft het gebied een uitgesproken eigenheid en werkt mee door in het karakter van de wijnen op basis van Durella. Ook het landschap draagt daartoe bij, met wijngaarden die vaak tussen bosranden, hellingen en andere vegetatie liggen.

Waar vinden we Durella vandaag?

Veel wijnliefhebbers hebben wellicht nog nooit van Durella gehoord, en dat is niet onlogisch. Het is nooit een druif van grote volumes geweest. Meer nog, het areaal is in de loop van de voorbije decennia duidelijk teruggelopen. Waar bij de opname in het nationale register nog sprake was van 1.080 hectare, wordt vandaag meestal uitgegaan van ongeveer 430 tot 450 hectare.

Tegelijk is het interessant om te kijken welke richting de toekomst uitgaat. De hernieuwde belangstelling voor Durella, en vooral voor de meer ambitieuze mousserende wijnen die ze kan voortbrengen, zou op termijn opnieuw tot extra aanplant kunnen leiden. Zeker nu mousserende wijn ook bij jongere Italiaanse consumenten aan populariteit blijft winnen, valt dat scenario niet uit te sluiten.

Wie Durella in het glas wil ontdekken, komt in de eerste plaats uit bij Lessini Durello DOC en Monti Lessini DOC. Lessini Durello verwijst naar schuimwijnen volgens de metodo Martinotti, terwijl Monti Lessini de benaming is voor schuimwijnen volgens de metodo classico.

Daarnaast blijft de druif ook aanwezig binnen bredere IGT benamingen zoals Veneto, Verona of Veronese, en Trevenezie. Daar duikt ze vooral op in droge, stille wijnen, meestal als blendpartner en slechts zelden als monocépage wijn.
Buiten Veneto komt Durella zelden voor, en ook buiten Italië is er vandaag geen noemenswaardige verspreiding van de druif.

Ampelografie

Durella heeft in de wijngaard een duidelijk herkenbaar profiel. De wijnstok is krachtig en robuust. De scheuttop is behaard en de jonge blaadjes tonen groene tot goudachtige tinten. De volwassen bladeren zijn middelgroot, meestal licht drielobbig of soms bijna gaaf, met een open V-vormige bladsteelinsnijding. Aan de onderzijde is het blad kaal, terwijl het in de herfst geel verkleurt.

De tros is klein tot middelgroot, kort en gedrongen, vaak met een vleugel. De bessen zijn middelgroot en ovaal. Hun schil is geelgroen tot goudkleurig, duidelijk bedekt met een waslaag, dik en taai. Net die stevige schil is een van de meest kenmerkende eigenschappen van de druif. Ook het vruchtvlees is vrij eenvoudig van smaak, maar duidelijk zuur.

Durella is bovendien een laat ras in al zijn facetten. Ze loopt laat uit, ook de verkleuring komt laat op gang, en de oogst valt meestal in de tweede helft van september of begin oktober. De groeikracht is groot en de productie wordt als constant en overvloedig omschreven. Opvallend is dat de druif haar zuren goed weet te behouden, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. In natte voorjaren kan er wel gevoeligheid zijn voor coulure.

We hebben al verschillende keren aangegeven dat Durella wijnen voortbrengt met een hoge aciditeit, ook wanneer ze langer aan de stok blijft hangen. Dat hoge zuurgehalte is in de eerste plaats eigen aan het ras zelf, dat van nature rijk is aan appelzuur en zijn zuren tijdens de rijping goed weet te behouden. De dikke, harde schil, waaraan de druif haar naam dankt, is bovendien een eigenschap die mee helpt verklaren waarom Durella haar aciditeit zo goed weet vast te houden tijdens de rijping.

Durella in het glas

Dat hoge zuurgehalte proef je ook letterlijk in het glas: een strakke, frisse wijn zonder veel overbodige franjes. In de bubbels komt dat profiel het scherpst naar voren. Jonge wijnen tonen vaak aroma’s van grapefruit en witte bloesem, met een mondgevoel dat slank, energiek en uitgesproken levendig is. De zuren geven de wijn draagkracht en lengte.

Met langere rijping wint Durella duidelijk aan complexiteit. Dan verschuift het profiel van puur citrusgedreven frisheid naar meer gelaagde aroma’s, met florale toetsen, kamille, lichte broodtoetsen, vuursteen, ziltigheid en soms ook een subtiele amandeltoets. Ook de mineraliteit treedt dan duidelijker op de voorgrond. De beste voorbeelden combineren die extra complexiteit met dezelfde strakke ruggengraat die de druif van nature meebrengt.

Ook in stille wijn blijft dat karakter herkenbaar. Durella geeft doorgaans bleek strogele wijnen, vaak met licht groenige reflecties, en een eerder ingetogen aromatisch profiel. Ook daar draait het om frisheid, citrus en spanning. Toch ligt haar sterkste expressie vandaag zonder twijfel bij de schuimwijnen.

Laat je verrassen

Durella is dus nog altijd een relatief onbekende druif. De volgende keer dat je een wijnkaart bekijkt of bij een wijnhandel tussen de flessen snuistert, kijk dan eens of je een Monti Lessini op de kaart of in het schap ziet staan. Laat je dus gerust verleiden om eens een glas Durello te proberen.

Als schuimwijn toont ze zich van haar beste kant. Een brut werkt uitstekend als aperitief, terwijl een extra brut moeiteloos aansluiting vindt bij oesters en andere ziltige gerechten. Enfin, met de veelzijdigheid van deze druif begeleid je moeiteloos een hele maaltijd. Durella bewijst zo dat onbekend in wijn lang niet altijd onbemind hoeft te blijven. Misschien word je ook wel, net als ik, een aanhanger van deze druif.

Vegan wijn: helder label, troebele werkelijkheid

Het gaat snel, dat is wel het minste wat je kan zeggen. Plots zie je ook in de wijnwereld flessen opduiken met het bekende V label op het rugetiket. In de food- en non-foodwereld was dat al veel langer ingeburgerd, maar intussen heeft het label ook duidelijk zijn plaats gevonden in wijn.

Dat het fenomeen niet meer weg te denken is, lijkt me duidelijk. Toch stel ik me daar wel de nodige vragen bij. Niet zozeer omdat ik het belang van duidelijke informatie voor de consument in twijfel trek, wel omdat ik me afvraag wat de echte meerwaarde van zo’n label in wijn precies is. Zeker in een sector waar de fles vandaag al omringd wordt door een hele stoet aan andere keurmerken en claims: Ecocert, Biodyvin, Demeter, Terra Vitis, Fairtrade, VIVA, Equalitas en nog heel wat meer. Op de duur zie je de bomen door het bos niet meer.

Wie wat dieper graaft, merkt bovendien al snel dat vegan allerminst een eenduidig begrip is. Zodra je achter het etiket kijkt, kom je terecht in een wereld van verschillende definities, overtuigingen en grijze zones. Voor de ene producent betekent vegan eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Voor de ene consument volstaat dat. Voor de andere begint de discussie daar pas echt.

Op het eerste gezicht lijkt vegan wijn zelfs een bijna overbodige term. Wijn wordt tenslotte gemaakt van druiven, en druiven groeien aan een plant. Maar tussen druif en fles schuilt een hele reeks keuzes, handelingen en materialen die het verhaal minder vanzelfsprekend maken. Mag er bijenwas op een capsule zitten? Is een wijn nog vegan als een paard de wijngaard ploegt? En wat met biodynamische domeinen die dierlijke onderdelen gebruiken in hun preparaten? Daarom lijkt het me de moeite om verder te kijken dan het logo alleen.

Wat bedoelen we eigenlijk met vegan wijn?

Wie zich in vegan wijn verdiept, merkt al snel dat het begrip minder eenduidig is dan het etiket doet vermoeden. In de praktijk circuleren namelijk twee lezingen naast elkaar.

De meest gangbare en beperkte invulling is technisch van aard. Daarbij betekent vegan wijn eenvoudigweg dat er tijdens de vinificatie geen dierlijke producten zijn gebruikt. Dat is ook de definitie waarop veel wijnbedrijven zich in de praktijk baseren. Wanneer zij op hun website of etiket vermelden dat hun wijn vegan is, bedoelen ze meestal precies dit, niet meer en niet minder.

Voor een deel van het publiek ligt de lat echter hoger. Daar volstaat het niet dat de wijn in de kelder zonder dierlijke hulpmiddelen is gemaakt. In die strengere lezing moet in de volledige productieketen elke vorm van dierlijk gebruik worden vermeden, voor zover dat mogelijk en praktisch haalbaar is.

Precies daar begint de verwarring. Veel consumenten denken nog altijd in één brede categorie van plantaardig of diervrij, terwijl in de praktijk verschillende definities, gevoeligheden en overtuigingen naast elkaar bestaan. Wie het echt nauw neemt, wil dus niet alleen weten of een wijn vegan is, maar ook volgens welke lezing dat precies wordt bedoeld.

Waarom klaring het klassieke discussiepunt werd

De bekendste discussie rond vegan wijn draait nog altijd om de klaring. Daarbij worden stoffen toegevoegd die zich binden aan kleine deeltjes in de wijn, zodat die nadien verwijderd kunnen worden. Traditioneel gebeurde dat met dierlijke stoffen zoals eiwit, caseïne of vislijm.

Vanuit klassiek oenologisch standpunt is dat niets uitzonderlijks. Het gaat om een technische ingreep die helpt om de wijn helderder en stabieler te maken. Precies daar wringt het voor vegan consumenten. Ook al blijft er in theorie niets of nauwelijks iets achter in de uiteindelijke wijn, het dierlijke product is wel gebruikt tijdens het proces.

Daarom kiezen veel producenten die vegan willen werken voor alternatieven zoals bentoniet of plantaardige eiwitten, bijvoorbeeld op basis van erwten. Anderen laten klaring volledig achterwege. Vooral bij rode wijnen is dat geen uitzondering. Het resultaat hoeft daar niet onder te lijden. Een zorgvuldig gemaakte wijn kan perfect zonder dierlijke klaringsmiddelen tot een zuiver en aantrekkelijk eindresultaat komen.

Voor veel producenten en consumenten eindigt de discussie ook precies daar. Zodra er in de kelder geen dierlijke hulpmiddelen zijn gebruikt, geldt de wijn voor hen als vegan.

De wijngaard als moreel terrein

Als we de advocaat van de duivel mogen spelen, dan is het heel eenvoudig: het debat stopt niet bij de klassieke klaring. Wie het onderwerp consequent doordenkt, komt onvermijdelijk uit bij minder voor de hand liggende vragen. Wat betekent vegan eigenlijk in een landbouwproduct dat midden in de natuur ontstaat? Zodra je het debat volledig opentrekt, kom je al snel uit bij allerlei vraagtekens, en misschien ook bij echte twistpunten. Ik pik er, eerder willekeurig, alvast enkele uit.

Ten eerste komt er bij mechanische oogst soms meer dan alleen druiven binnen op het domein. Wie ooit een sorteertafel van dichtbij heeft gezien, weet dat tussen het fruit ook blaadjes, takjes en af en toe kleine dieren of insecten kunnen opduiken. Muizen, slakken en hagedissen horen daar uiteraard evenmin thuis: het valt allemaal onder wat men wel eens ‘matter other than grapes’ noemt. Bij handmatige pluk is die kans kleiner, maar volledig uitsluiten kan je het nooit. Moderne sorteertechnieken, zoals optische sortering, kunnen veel ongewenst materiaal eruit halen, maar ook dat is geen absolute garantie. Moeten we dan zover gaan dat voor vegan wijn enkel handmatige oogst nog aanvaardbaar zou zijn?

Ten tweede kunnen er vragen worden gesteld bij de dierlijke hulpmiddelen die wijnbouwers inzetten bij het beheer van hun wijngaarden. Sommige producenten gebruiken paarden om te ploegen, schapen om begroeiing te beheren of eenden als natuurlijke hulp in het ecosysteem van de wijngaard. Dat kan je zien als een mooi voorbeeld van gemengde landbouw en respectvolle samenwerking met dieren. Je kan het ook bekijken als functioneel gebruik van dieren binnen een productiesysteem. En precies daar wordt het voor een deel van het vegan publiek moeilijker te verantwoorden.

Ten derde duikt ook bemesting op als een gevoelig punt. Sommige wijnbouwers gebruiken organische meststoffen van dierlijke oorsprong, terwijl anderen overschakelen op plantaardige alternatieven, niet alleen om praktische redenen, maar ook om het vegan vraagstuk te vermijden. Meststof komt natuurlijk niet rechtstreeks in het glas terecht, maar wel in de bodem waarin de wijnstok groeit. Voor sommigen is dat geen probleem. Voor anderen hoort ook dat bij de ethische beoordeling van de wijn.

Net daar wordt ook duidelijk hoe breed de discussie is geworden. In een absolute filosofische lezing van veganisme kan zelfs dierlijke mest problematisch zijn. In de landbouwpraktijk blijkt een totaalverbod daarop echter nauwelijks werkbaar. Veel systemen, ook duurzame, biologische en regeneratieve, steunen nog altijd op organische bemesting waarin dierlijke mest een plaats heeft. Precies daarom kiezen sommige vegan standaarden voor een pragmatische aanpak. Ze aanvaarden dierlijke mest, omdat een volledig verbod in de praktijk een groot deel van de landbouwproductie zou uitsluiten. Dat is begrijpelijk, maar het toont ook hoe zelfs strenge definities niet altijd volledig consequent kunnen zijn.

Trek je de redenering nog verder door, dan kom je bovendien uit bij alles wat rond de fles gebeurt. Ook een capsule op basis van bijenwas lijkt op het eerste gezicht een detail, maar kan in een strikte vegan lezing problematisch worden. Zo verschuift het debat steeds verder weg van wat in het glas zit, naar de volledige keten errond. En dan mag je je toch stilaan de vraag stellen waar de grens precies ligt.

Die vraag is dus niet alleen technisch, maar ook filosofisch. Gaat vegan wijn enkel over wat rechtstreeks in contact komt met de wijn, of ook over elk onderdeel van het systeem waarin die wijn ontstaat? Op dat punt bestaat vandaag geen universeel aanvaard antwoord.

Biodynamie, natuur en de onverwachte botsing

Nu we toch op dreef zijn, mogen we ook die vraag stellen: is biodynamie eigenlijk wel verenigbaar met vegan wijn? Het is een van de boeiendste spanningsvelden binnen dit debat. Op het eerste gezicht lijken beide werelden elkaar namelijk te vinden in hun zoektocht naar een meer bewuste omgang met natuur en landbouw. Toch lopen ze op cruciale punten uit elkaar.

Biodynamische wijnbouw maakt gebruik van preparaten waarin dierlijke onderdelen, zoals koehoorns, een rol spelen. Voor veel strikte vegan interpretaties is dat onverenigbaar met het basisprincipe. En precies daar ontstaat een opvallende paradox: sommige domeinen die bijzonder zorgvuldig, ecologisch en nauwkeurig met hun bodem en biodiversiteit omgaan, vallen daardoor toch buiten een strenge vegan lezing.

Dat maakt één zaak meteen duidelijk: vegan is geen synoniem voor biologisch, duurzaam of regenererend. Er kan overlap zijn, zeker, maar het blijven verschillende kaders. Een wijn kan vegan zijn zonder uitgesproken duurzaam te zijn. En een biodynamische wijn kan op ecologisch vlak bijzonder sterk staan, maar toch niet als vegan gelden.

Dat levert een bijna ironische spanning op. Een producent kan biodynamisch werken, de biodiversiteit in de wijngaard verhogen, synthetische ingrepen vermijden en tegelijk toch niet als vegan gecertificeerd worden. Omgekeerd kan een wijn perfect vegan gelabeld zijn in technische zin, terwijl de bredere duurzaamheidsbalans minder overtuigend is.

De echte les: transparantie boven slogans

Misschien is dat wel de kern van het hele debat. Niet dat elke wijnproducent plots een moreel filosoof moet worden, wel dat er minder mysterie en meer openheid mag zijn over hoe wijn wordt gemaakt.

Veel consumenten kennen enkel het verhaal van klaring met eiwit of vislijm. Maar wie iets dieper kijkt, merkt al snel dat de discussie veel verder reikt: van accidenteel contact tijdens de oogst tot meststoffen, biodynamische preparaten, werkdieren, capsulewas, kurk en lijm. Wie dat alles ernstig neemt, beseft snel dat vegan wijn geen simpele aan of uit knop is.

Precies daarom is een transparante producent vandaag geloofwaardiger dan een vage claim. Niet de slogan “vegan friendly” op zich is doorslaggevend, wel de uitleg erachter. Tegelijk schuilt daar ook een risico. Want zodra het debat herleid wordt tot een logo op het rugetiket, dreig je in een vorm van holle frasering terecht te komen. Dan lijken duidelijk afgebakende systemen zoals bio of biodynamie plots minder relevant, terwijl een overduidelijk conventioneel gemaakte wijn met een vegan label veel te gemakkelijk een moreel geloofwaardig imago kan krijgen, zelfs wanneer de wijngaard intussen zonder veel scrupules chemisch wordt bewerkt.

En precies daar wringt het voor mij. Vegan kan een nuttige aanduiding zijn, maar het mag geen alibi worden dat alle andere vragen overstemt. Niet over landbouw, niet over duurzaamheid, en niet over de bredere manier waarop een wijn tot stand komt.

Tegelijk heeft de realiteit het debat misschien al deels ingehaald. De klant die vandaag bij mij in de winkel binnenstapt en op een fles het woord vegan ziet staan, neemt die vaak ook mee naar huis en voelt zich goed bij die keuze. Zo eenvoudig werkt het soms ook.


Marche op zondag – Op ontdekking met de levensgenieter

De komende weken duiken we op zondag de Marche in. De aanleiding voor deze nieuwe zondagse reeks kwam van goede vrienden van ons. “Wim, wij trekken komende zomer naar de Marche”, kreeg ik te horen. “Jij gaat ons toch wel kunnen zeggen wat we daar absoluut moeten zien en doen?”

Dat zette meteen iets in gang. Marche is namelijk zo’n boeiende, aangename en mooie regio dat ze, eens je er geweest bent, onder je huid kruipt. Geen seconde hebben we ons er verveeld. Van noord tot zuid trokken we er elke dag op uit, telkens op zoek naar een ander stukje Marche dat ons wist te verrassen.

Mijn antwoord kon dus moeilijk anders luiden: ik ga die tips niet alleen aan jullie vertellen, ik ga ze uitschrijven in een blogreeks.

Zo kunnen ook jullie mee genieten van alles wat Marche te bieden heeft. En misschien begint het dan ook bij jullie te kriebelen om er zelf vakantie te plannen.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
    We openen met de regio zelf: waar ligt Marche precies, hoe geraak je er, welke grote lijnen uit de geschiedenis zijn relevant, en waarom is Verdicchio de ideale eerste sleutel om dit verhaal te beginnen?
  2. Offida DOCG: zuidelijke Marche in het glas
    In het zuiden van Marche ontdekken we een nog te weinig bekende DOCG die perfect weergeeft hoe veelzijdig deze regio eigenlijk is. Offida toont zich hier niet alleen met expressieve witte wijnen van Pecorino en Passerina, maar ook met een stevige rode zijde waarin Montepulciano bepalend is.
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en rode wijn elkaar vinden
    Rond de Monte Conero toont Marche zich van een van zijn meest markante kanten. Het Parco Naturale del Conero zorgt voor een spectaculair decor, Conero DOCG voor karaktervolle rode wijn, en de mosciolo di Portonovo verbindt het geheel met de zilte keuken van de kust.
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en stadjes met karakter
    Wie Marche alleen met heuvels en wijn associeert, mist een belangrijk deel van het verhaal. Langs de Adriatische kust liggen badplaatsen, vissersstadjes en elegante zeepromenades die de regio een heel eigen dynamiek en uitstraling geven.
  5. Hidden gems van Marche, deel 1
    We kiezen niet voor de meest voor de hand liggende plekken, maar voor plaatsjes die je onverwacht raken: charmant, authentiek en veelzeggend voor het karakter van de regio.
  6. Hidden gems van Marche, deel 2
    We verlaten de meer voor de hand liggende routes en trekken dieper het binnenland in, naar dorpen, kleine steden en de Monti Sibillini, waar Marche zich van een ruigere, stillere en minstens even boeiende kant laat zien.
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi
    Hoewel de keuken van Marche minder naam heeft dan die van sommige andere Italiaanse regio’s, is ze bijzonder boeiend. Ze is vaak sober van uitstraling, maar rijk aan smaak, stevig verankerd in het landschap en vol gerechten die meer indruk maken dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.
  8. De rode veelzijdigheid van Marche
    Marche wordt vaak in de eerste plaats met witte wijn geassocieerd, maar daarmee is lang niet alles gezegd. Rosso Piceno, Lacrima di Morro d’Alba en Vernaccia di Serrapetrona tonen samen hoe veelzijdig, eigenzinnig en boeiend de rode kant van deze regio eigenlijk is.
  9. Bonus – Masterclass Marche
    We sluiten af met een van de boeiendste proeverijen die ik de voorbije tijd deed. We plaatsen Castelli di Jesi Verdicchio, in Superiore en Riserva, naast Verdicchio di Matelica, in de gewone versie en in Riserva, en gaan op zoek naar de subtiele verschillen tussen deze wijnen.

In deze reeks houden we het bewust ruimer en beperken we ons niet tot wijn en gastronomie alleen. Tegen het einde ligt er zo een alternatieve minireisgids door Marche op tafel. Kerken, musea en andere klassieke cultuurstops laten we doelbewust buiten beeld. Daarvoor bestaan al genoeg klassieke reisgidsen. Wij trekken vanaf volgende zondag op ontdekking vanuit het perspectief van de levensgenieter. Soms leidt het glas. Soms het bord. Soms het landschap. Meestal vloeit alles mooi in elkaar over, zoals dat in Italië wel vaker gebeurt.