Lambrusco was vroeger misschien een wijn die je eenvoudig kon definiëren, maar vandaag is dat helemaal niet meer zo. De veelheid aan vinificatiemogelijkheden heeft Lambrusco intussen ook bereikt en legt daardoor telkens andere accenten in het glas. Het is een wijn met vele gezichten geworden, en voor de consument is het dus opletten geblazen bij de aankoop. Het etiket vertelt je veel, op voorwaarde dat je het wijnjargon kan vertalen naar mensentaal. In dit vierde artikel van onze zondagse Lambrusco-reeks proberen we die diversiteit te ontrafelen en helder te maken welke stijlen vandaag mogelijk zijn. Van fizzy naar sparkling en van secco naar amabile: de vinificatie stuurt het eindresultaat.
Twee types Lambrusco: frizzante en spumante
Los van de vinificatiemethodes kan je Lambrusco in twee categorieën plaatsen op basis van het type bubbel dat je in het glas krijgt. Enerzijds is er Lambrusco frizzante, de “fizzy” stijl: licht bruisend, speels en direct, gemaakt om frisheid en onmiddellijke drinkbaarheid te leveren. Anderzijds is er Lambrusco spumante, de “sparkling” stijl: volwaardig schuimend, met hogere druk, een duidelijker schuimkraag bij het inschenken en doorgaans ook meer ambitie qua structuur en verfijning. Voor de consument is dit meteen een eerste sleutel om een etiket te lezen, want frizzante en spumante zeggen in de eerste plaats iets over hoe de wijn zich zal gedragen in het glas.
Frizzante en spumante verschillen immers vooral in intensiteit. Frizzante parelt zachter en voelt in de mond lichter en losser aan. Spumante zit hoger in druk en geeft vooral een fijnere en nadrukkelijkere pareling in het glas. Dat is niet alleen een verschil in bubbels, maar ook in stijl: frizzante draagt vaak het sappige, fruitgedreven en dorstlessende karakter van Lambrusco, terwijl spumante sneller richting finesse en gastronomische inzetbaarheid schuift.
Vanaf hier wordt het interessant, want het type bubbel en de vinificatiemethode zijn niet exact hetzelfde, al hangen ze wel nauw samen. Laat me dat zo eenvoudig mogelijk kaderen. Metodo ancestrale levert in de praktijk bijna altijd frizzante op, omdat de hergisting in de fles gebeurt op basis van natuurlijke restsuikers en actieve gisten. De drukopbouw blijft daardoor doorgaans gematigder, de pareling subtieler en het resultaat kan licht troebel zijn door de aanwezige gistresten. Dat is precies waarom ancestrale Lambrusco zo herkenbaar is: levend, direct en ambachtelijk, met een beperkte pareling.
Metodo classico is het andere uiterste en resulteert bij Lambrusco vrijwel altijd in spumante. Hier wordt de tweede gisting in de fles doelbewust en gecontroleerd opgestart en volgt er een traject waarbij druk, pareling en rijping centraal staan. De belletjes zijn doorgaans fijner, talrijker en langduriger aanwezig. De rijping op de lies bouwt extra structuur en complexiteit op, waardoor de wijn minder op onmiddellijk fruit speelt en meer op draagkracht aan tafel.
Metodo Martinotti, oftewel Charmat, zit ertussenin en is daarom de flexibele schakel. Deze methode kan zowel frizzante als spumante opleveren, omdat de tweede gisting in een drukbestendige tank plaatsvindt en de producent daar de drukopbouw technisch kan sturen. In deze autoclave kan men bewust op lagere druk mikken om een frizzante stijl te maken, of verder laten opbouwen tot een hogere druk voor een volwaardige spumante. Ook keuzes rond duur, temperatuur en botteling onder druk bepalen hoe intens de pareling aanvoelt. Dat verklaart meteen waarom Martinotti in Lambrusco zo’n dominante rol speelt: het is de methode die, vertrekkend van hetzelfde fruitgedreven DNA, zowel een lichtvoetige frizzante als een voller spumante profiel mogelijk maakt.
Terug zoals het ooit was: Metodo ancestrale of col fondo
Wie Lambrusco in zijn meest “oorspronkelijke” gedaante wil proeven, komt al snel uit bij metodo ancestrale. Niet omdat dit per se een romantische terugblik op vroeger is, maar omdat het perfect aansluit bij wat Lambrusco kan zijn: licht, levendig, dorstwekkend en vooral erg direct. In plaats van bubbels technisch op te bouwen tot een strak, uniform schuimwijnprofiel, laat men de wijn in deze stijl op een natuurlijke manier verder vergisten in de fles. Dat resulteert vrijwel altijd in een frizzante beleving: beperktere pareling, minder druk, en een wijn die meer “wijn” blijft dan “schuimwijn”.
Concreet betekent ancestrale bij Lambrusco dat men bottelt terwijl er nog een beetje vergisting in de wijn zit. De resterende suikers en de aanwezige gisten doen in de fles het werk verder, waardoor koolzuur ontstaat dat in de wijn wordt vastgehouden. Omdat men doorgaans niet dégorgeert, blijven gistresten aanwezig. Dat is meteen de reden waarom je deze flessen vaak licht troebel ziet en waarom het mondgevoel anders aanvoelt dan bij een helder gefilterde Martinotti-versie. De zuren komen vaak puurder en strakker door, met een levendige spanning en soms een licht gistige, korrelige toets. Aromatisch kleuren die gisten het profiel mee: naast het fruit verschijnen vaker brooddeegachtige, gistige en soms licht kruidige of reductieve accenten. Dit zijn bovendien flessen die je vaak met een kroonkurk afgesloten ziet.
Een benaming die je de laatste jaren steeds vaker op het etiket tegenkomt, is col fondo, letterlijk “met bezinksel”. In Lambrusco-context duidt dat op wijnen waarbij het depot bewust in de fles blijft. Het is verwant aan wat je internationaal soms als pét-nat-stijl ziet, al blijft de lokale terminologie hier belangrijker dan het modewoord. Sommige producenten raden aan om de fles voorzichtig rechtop te bewaren en helder uit te schenken, zodat het laatste glas troebeler en gistrijker blijft. Anderen vragen net om de fles vóór het serveren even voorzichtig te schudden, zodat het depot weer mee loskomt en je het volledige, meer “rustieke” profiel ervaart. Beide serveerstijlen bestaan naast elkaar, en ze geven effectief een andere ervaring: helder uitgeschonken is de wijn strakker en fruitiger, volledig gemengd wordt hij ronder, gistrijker en vaak iets complexer.
In het glas herken je ancestrale/col fondo Lambrusco vooral aan zijn ongedwongen karakter. De pareling is beperkter dan bij metodo classico, maar het drinkt vaak gevaarlijk vlot. Fruit blijft een kerncomponent, met kers en aardbei op kop, soms aangevuld met een florale toets die aan viooltjes doet denken, maar de omlijsting wordt aardser en puurder door die gisten. Dat kan prachtig werken bij de lokale keuken, omdat het niet alleen verfrist maar ook textuur en hartigheid kan oppikken. Het vraagt wel precisie van de producent: als de basiswijn niet zuiver is, valt dat sneller op in deze minimalistische stijl.
De standaardaanpak: Metodo Martinotti (Charmat)
Hoe populair de andere methodes de laatste jaren ook worden, Metodo Martinotti blijft de meest gebruikte en herkenbare manier om Lambrusco te maken. Dat is in principe volkomen logisch: dit is de techniek die het fruit, de florale toetsen en het jeugdige temperament van Lambrusco het best intact houdt. Je krijgt Lambrusco zoals veel locals hem het liefst drinken: toegankelijk, aromatisch en gemaakt om meteen aan tafel te zetten.
Bij Martinotti ontstaan de bubbels niet in de fles maar in een drukbestendige tank. Daardoor kan de wijnmaker veel preciezer sturen op het eindresultaat. Het grote voordeel is niet alleen controle, maar ook zuivere aromatiek: primaire aroma’s blijven helder en herkenbaar, zonder dat ze overschaduwd worden door uitgesproken gist- of rijpingstonen. Denk aan kers, aardbei en braam, soms met een florale toets van viooltjes, aangevuld met dat typische kruidige randje dat je bij Lambrusco vaak tegenkomt. De wijn blijft geurig en fris, met een mondgevoel dat vooral op sappigheid en vaart speelt.
Martinotti kan, afhankelijk van de gekozen druk, zowel frizzante als spumante opleveren. In het glas blijft de stijl echter herkenbaar: een sappige aanzet, zuren die het geheel verfrissen en een pareling die de mond zuivert. Het is geen methode die bedoeld is om jaren rijpingscomplexiteit op te bouwen; de charme zit in directe expressie en onmiddellijke drinkbaarheid.
Tegelijk moeten we eerlijk blijven over het marktbeeld. Hoezeer Lambrusco de laatste jaren een kwaliteitsboost kent en hoe boeiend de nieuwe, drogere stijlen ook zijn, het merendeel van de flessen die je vandaag nog tegenkomt blijft eenvoudig van stijl. En vooral: vaak (te) zoet. Dat is precies de stijl die bij veel consumenten nog altijd het “frisdrank-idee” oproept. Je kan zoetheid bij verschillende methodes terugvinden, maar in de praktijk zal je die associatie het vaakst tegenkomen bij Martinotti, omdat dit nu eenmaal de methode is waarmee het grootste volume wordt gemaakt en waarmee producenten heel consistent kunnen mikken op een zacht, toegankelijk profiel. Voor de lezer is dit het belangrijkste waarschuwingslampje: een Lambrusco met bubbels is niet automatisch droog of gastronomisch; het etiket moet het je vertellen.
Metodo Classico: met uitgesproken ambitie
“The sky is the limit” is misschien wel het verwachtingspatroon dat vandaag rond Lambrusco ontstaat, zeker als je kijkt naar de opvallende toename van metodo classico-versies. Deze vinificatie zag je vroeger slechts sporadisch bij Lambrusco, en wie het toch probeerde, kreeg er niet zelden hoongelach bovenop. Dat is vandaag niet langer het geval. Er is een nieuwe Lambrusco-wereld opengegaan waarin steeds meer kwaliteitsproducenten óf al minstens één metodo classico in hun gamma hebben, óf er zichtbaar mee experimenteren.
Bij metodo classico gebeurt de tweede gisting in de fles en rijpt de wijn op zijn gistcellen, zoals bij Champagne. Dat verandert het spel, vooral in de manier waarop de bubbels zich gedragen. De pareling wordt doorgaans fijner, talrijker en langduriger, en het mondgevoel krijgt meer draagkracht. Lambrusco behoudt daarbij zijn kernsmaak, maar de rijping op de lies schuift het aromatische spectrum subtiel op. Naast fruit duiken sneller nuances op die aan brooddeeg of broodkorst kunnen doen denken, soms met een nootachtige of licht geroosterde rand, afhankelijk van de rijpingsduur.
Dat deze stijl zo sterk in de lift zit, vind ik persoonlijk volkomen terecht. Tenzij men bewust anders kiest, zetten veel producenten hier een stap naar een drogere stijl. Weg van het zeemzoete, frisdrankachtige segment en richting verfijning, zonder het Lambrusco-eigen karakter te ontkennen. Classico is het visitekaartje van ambitie: meer tijd, meer werk en meer keuzes in de kelder, maar ook een Lambrusco die minder op eenvoud mikt en het imago van de regio mee optilt. Voor de consument is dit vaak een nieuwe ontdekking van een drogere, serieuzere Lambrusco. En bovendien eentje die ook echt aan tafel hoort.
De afwerking: kleur, zoetheid, druk en keuze
Los van de vinificatiemethode sturen producenten de uiteindelijke Lambrusco-stijl met drie praktische knoppen: kleur, zoetheid en druk. Dat is niets uitzonderlijks: dit is simpelweg de laatste afstelling die bij elke schuimwijn bepaalt hoe hij in het glas overkomt.
De meeste consumenten herkennen Lambrusco makkelijk omdat hij beroemd is om zijn roodpaarse gloed. Maar hij is niet altijd rood. Je vindt evengoed lichtere versies met een transparantere, frissere uitstraling. Bovendien kent het rosato-segment een groeiende interesse, en Lambrusco surft mee op die golf. Zelfs witte Lambrusco’s, waarbij men zeer beperkt of geen schilcontact gebruikt, duiken op de markt op. Onthoud dus: kleur zegt vooral iets over extractie, niet automatisch over zoetheid of kwaliteit.
De tweede knop is de zoetheid, en die herken je meestal aan termen op het etiket. Bij Lambrusco kom je vaak aanduidingen tegen zoals extra brut, brut, secco, (extra) dry, amabile en dolce. Extra brut en brut staan doorgaans voor de droogste interpretaties; je ziet die termen vandaag ook vaker opduiken bij de meer ambitieuze stijlen. Klassiek ging men in Lambrusco echter vaak voor secco: rosso secco of frizzante secco lees je geregeld op het etiket. Hoewel het letterlijk “droog” betekent, kan secco in de praktijk wat ronder aanvoelen dan brut, maar het blijft bedoeld als niet-zoete stijl. Daarna kom je bij de zachtere categorieën: (extra) dry zit meestal tussen droog en duidelijk zoet in, terwijl amabile echt op charme speelt, met meer restsuiker die fruit benadrukt en bittertjes of grip kan verzachten. Dolce is uitgesproken zoet en wordt meestal gekozen voor een duidelijk zachtere, fruitige stijl of voor een bewust contrast met zoute of pittige gerechten.
De derde knop hebben we al uitgebreid besproken: de druk bepaalt de intensiteit van de pareling. Frizzante voelt lichter en losser, spumante nadrukkelijker en voller.
De Lambrusco die je uiteindelijk in het glas wil, kan je zo perfect afstemmen op je eigen smaakprofiel. Persoonlijk ga ik resoluut voor de droge stijlen, zoals col fondo, of nog liever metodo classico extra brut. Veel consumenten die die richting ontdekken, blijven er verrassend snel aan hangen. Kies je voor de meer gekende en herkenbare zoetere Lambrusco, dan is daar niets mis mee: geniet met volle teugen van je amabile.
Zijn reeds verschenen in deze reeks:
- Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
- Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
- Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
- Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Filed under: Vini Italiani | Tagged: col fondo, Emilia-Romagna, frizzante, Italian wine ambassador, Lambrusco, metodo ancestrale, Metodo classico, metodo martinotti, spumante, wijn, wijnkennis | Leave a comment »










