Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco was vroeger misschien een wijn die je eenvoudig kon definiëren, maar vandaag is dat helemaal niet meer zo. De veelheid aan vinificatiemogelijkheden heeft Lambrusco intussen ook bereikt en legt daardoor telkens andere accenten in het glas. Het is een wijn met vele gezichten geworden, en voor de consument is het dus opletten geblazen bij de aankoop. Het etiket vertelt je veel, op voorwaarde dat je het wijnjargon kan vertalen naar mensentaal. In dit vierde artikel van onze zondagse Lambrusco-reeks proberen we die diversiteit te ontrafelen en helder te maken welke stijlen vandaag mogelijk zijn. Van fizzy naar sparkling en van secco naar amabile: de vinificatie stuurt het eindresultaat.

Twee types Lambrusco: frizzante en spumante

Los van de vinificatiemethodes kan je Lambrusco in twee categorieën plaatsen op basis van het type bubbel dat je in het glas krijgt. Enerzijds is er Lambrusco frizzante, de “fizzy” stijl: licht bruisend, speels en direct, gemaakt om frisheid en onmiddellijke drinkbaarheid te leveren. Anderzijds is er Lambrusco spumante, de “sparkling” stijl: volwaardig schuimend, met hogere druk, een duidelijker schuimkraag bij het inschenken en doorgaans ook meer ambitie qua structuur en verfijning. Voor de consument is dit meteen een eerste sleutel om een etiket te lezen, want frizzante en spumante zeggen in de eerste plaats iets over hoe de wijn zich zal gedragen in het glas.

Frizzante en spumante verschillen immers vooral in intensiteit. Frizzante parelt zachter en voelt in de mond lichter en losser aan. Spumante zit hoger in druk en geeft vooral een fijnere en nadrukkelijkere pareling in het glas. Dat is niet alleen een verschil in bubbels, maar ook in stijl: frizzante draagt vaak het sappige, fruitgedreven en dorstlessende karakter van Lambrusco, terwijl spumante sneller richting finesse en gastronomische inzetbaarheid schuift.

Vanaf hier wordt het interessant, want het type bubbel en de vinificatiemethode zijn niet exact hetzelfde, al hangen ze wel nauw samen. Laat me dat zo eenvoudig mogelijk kaderen. Metodo ancestrale levert in de praktijk bijna altijd frizzante op, omdat de hergisting in de fles gebeurt op basis van natuurlijke restsuikers en actieve gisten. De drukopbouw blijft daardoor doorgaans gematigder, de pareling subtieler en het resultaat kan licht troebel zijn door de aanwezige gistresten. Dat is precies waarom ancestrale Lambrusco zo herkenbaar is: levend, direct en ambachtelijk, met een beperkte pareling.

Metodo classico is het andere uiterste en resulteert bij Lambrusco vrijwel altijd in spumante. Hier wordt de tweede gisting in de fles doelbewust en gecontroleerd opgestart en volgt er een traject waarbij druk, pareling en rijping centraal staan. De belletjes zijn doorgaans fijner, talrijker en langduriger aanwezig. De rijping op de lies bouwt extra structuur en complexiteit op, waardoor de wijn minder op onmiddellijk fruit speelt en meer op draagkracht aan tafel.

Metodo Martinotti, oftewel Charmat, zit ertussenin en is daarom de flexibele schakel. Deze methode kan zowel frizzante als spumante opleveren, omdat de tweede gisting in een drukbestendige tank plaatsvindt en de producent daar de drukopbouw technisch kan sturen. In deze autoclave kan men bewust op lagere druk mikken om een frizzante stijl te maken, of verder laten opbouwen tot een hogere druk voor een volwaardige spumante. Ook keuzes rond duur, temperatuur en botteling onder druk bepalen hoe intens de pareling aanvoelt. Dat verklaart meteen waarom Martinotti in Lambrusco zo’n dominante rol speelt: het is de methode die, vertrekkend van hetzelfde fruitgedreven DNA, zowel een lichtvoetige frizzante als een voller spumante profiel mogelijk maakt.

Terug zoals het ooit was: Metodo ancestrale of col fondo

Wie Lambrusco in zijn meest “oorspronkelijke” gedaante wil proeven, komt al snel uit bij metodo ancestrale. Niet omdat dit per se een romantische terugblik op vroeger is, maar omdat het perfect aansluit bij wat Lambrusco kan zijn: licht, levendig, dorstwekkend en vooral erg direct. In plaats van bubbels technisch op te bouwen tot een strak, uniform schuimwijnprofiel, laat men de wijn in deze stijl op een natuurlijke manier verder vergisten in de fles. Dat resulteert vrijwel altijd in een frizzante beleving: beperktere pareling, minder druk, en een wijn die meer “wijn” blijft dan “schuimwijn”.

Concreet betekent ancestrale bij Lambrusco dat men bottelt terwijl er nog een beetje vergisting in de wijn zit. De resterende suikers en de aanwezige gisten doen in de fles het werk verder, waardoor koolzuur ontstaat dat in de wijn wordt vastgehouden. Omdat men doorgaans niet dégorgeert, blijven gistresten aanwezig. Dat is meteen de reden waarom je deze flessen vaak licht troebel ziet en waarom het mondgevoel anders aanvoelt dan bij een helder gefilterde Martinotti-versie. De zuren komen vaak puurder en strakker door, met een levendige spanning en soms een licht gistige, korrelige toets. Aromatisch kleuren die gisten het profiel mee: naast het fruit verschijnen vaker brooddeegachtige, gistige en soms licht kruidige of reductieve accenten. Dit zijn bovendien flessen die je vaak met een kroonkurk afgesloten ziet.

Een benaming die je de laatste jaren steeds vaker op het etiket tegenkomt, is col fondo, letterlijk “met bezinksel”. In Lambrusco-context duidt dat op wijnen waarbij het depot bewust in de fles blijft. Het is verwant aan wat je internationaal soms als pét-nat-stijl ziet, al blijft de lokale terminologie hier belangrijker dan het modewoord. Sommige producenten raden aan om de fles voorzichtig rechtop te bewaren en helder uit te schenken, zodat het laatste glas troebeler en gistrijker blijft. Anderen vragen net om de fles vóór het serveren even voorzichtig te schudden, zodat het depot weer mee loskomt en je het volledige, meer “rustieke” profiel ervaart. Beide serveerstijlen bestaan naast elkaar, en ze geven effectief een andere ervaring: helder uitgeschonken is de wijn strakker en fruitiger, volledig gemengd wordt hij ronder, gistrijker en vaak iets complexer.

In het glas herken je ancestrale/col fondo Lambrusco vooral aan zijn ongedwongen karakter. De pareling is beperkter dan bij metodo classico, maar het drinkt vaak gevaarlijk vlot. Fruit blijft een kerncomponent, met kers en aardbei op kop, soms aangevuld met een florale toets die aan viooltjes doet denken, maar de omlijsting wordt aardser en puurder door die gisten. Dat kan prachtig werken bij de lokale keuken, omdat het niet alleen verfrist maar ook textuur en hartigheid kan oppikken. Het vraagt wel precisie van de producent: als de basiswijn niet zuiver is, valt dat sneller op in deze minimalistische stijl.

De standaardaanpak: Metodo Martinotti (Charmat)

Hoe populair de andere methodes de laatste jaren ook worden, Metodo Martinotti blijft de meest gebruikte en herkenbare manier om Lambrusco te maken. Dat is in principe volkomen logisch: dit is de techniek die het fruit, de florale toetsen en het jeugdige temperament van Lambrusco het best intact houdt. Je krijgt Lambrusco zoals veel locals hem het liefst drinken: toegankelijk, aromatisch en gemaakt om meteen aan tafel te zetten.

Bij Martinotti ontstaan de bubbels niet in de fles maar in een drukbestendige tank. Daardoor kan de wijnmaker veel preciezer sturen op het eindresultaat. Het grote voordeel is niet alleen controle, maar ook zuivere aromatiek: primaire aroma’s blijven helder en herkenbaar, zonder dat ze overschaduwd worden door uitgesproken gist- of rijpingstonen. Denk aan kers, aardbei en braam, soms met een florale toets van viooltjes, aangevuld met dat typische kruidige randje dat je bij Lambrusco vaak tegenkomt. De wijn blijft geurig en fris, met een mondgevoel dat vooral op sappigheid en vaart speelt.

Martinotti kan, afhankelijk van de gekozen druk, zowel frizzante als spumante opleveren. In het glas blijft de stijl echter herkenbaar: een sappige aanzet, zuren die het geheel verfrissen en een pareling die de mond zuivert. Het is geen methode die bedoeld is om jaren rijpingscomplexiteit op te bouwen; de charme zit in directe expressie en onmiddellijke drinkbaarheid.

Tegelijk moeten we eerlijk blijven over het marktbeeld. Hoezeer Lambrusco de laatste jaren een kwaliteitsboost kent en hoe boeiend de nieuwe, drogere stijlen ook zijn, het merendeel van de flessen die je vandaag nog tegenkomt blijft eenvoudig van stijl. En vooral: vaak (te) zoet. Dat is precies de stijl die bij veel consumenten nog altijd het “frisdrank-idee” oproept. Je kan zoetheid bij verschillende methodes terugvinden, maar in de praktijk zal je die associatie het vaakst tegenkomen bij Martinotti, omdat dit nu eenmaal de methode is waarmee het grootste volume wordt gemaakt en waarmee producenten heel consistent kunnen mikken op een zacht, toegankelijk profiel. Voor de lezer is dit het belangrijkste waarschuwingslampje: een Lambrusco met bubbels is niet automatisch droog of gastronomisch; het etiket moet het je vertellen.

Metodo Classico: met uitgesproken ambitie

“The sky is the limit” is misschien wel het verwachtingspatroon dat vandaag rond Lambrusco ontstaat, zeker als je kijkt naar de opvallende toename van metodo classico-versies. Deze vinificatie zag je vroeger slechts sporadisch bij Lambrusco, en wie het toch probeerde, kreeg er niet zelden hoongelach bovenop. Dat is vandaag niet langer het geval. Er is een nieuwe Lambrusco-wereld opengegaan waarin steeds meer kwaliteitsproducenten óf al minstens één metodo classico in hun gamma hebben, óf er zichtbaar mee experimenteren.

Bij metodo classico gebeurt de tweede gisting in de fles en rijpt de wijn op zijn gistcellen, zoals bij Champagne. Dat verandert het spel, vooral in de manier waarop de bubbels zich gedragen. De pareling wordt doorgaans fijner, talrijker en langduriger, en het mondgevoel krijgt meer draagkracht. Lambrusco behoudt daarbij zijn kernsmaak, maar de rijping op de lies schuift het aromatische spectrum subtiel op. Naast fruit duiken sneller nuances op die aan brooddeeg of broodkorst kunnen doen denken, soms met een nootachtige of licht geroosterde rand, afhankelijk van de rijpingsduur.

Dat deze stijl zo sterk in de lift zit, vind ik persoonlijk volkomen terecht. Tenzij men bewust anders kiest, zetten veel producenten hier een stap naar een drogere stijl. Weg van het zeemzoete, frisdrankachtige segment en richting verfijning, zonder het Lambrusco-eigen karakter te ontkennen. Classico is het visitekaartje van ambitie: meer tijd, meer werk en meer keuzes in de kelder, maar ook een Lambrusco die minder op eenvoud mikt en het imago van de regio mee optilt. Voor de consument is dit vaak een nieuwe ontdekking van een drogere, serieuzere Lambrusco. En bovendien eentje die ook echt aan tafel hoort.

De afwerking: kleur, zoetheid, druk en keuze

Los van de vinificatiemethode sturen producenten de uiteindelijke Lambrusco-stijl met drie praktische knoppen: kleur, zoetheid en druk. Dat is niets uitzonderlijks: dit is simpelweg de laatste afstelling die bij elke schuimwijn bepaalt hoe hij in het glas overkomt.

De meeste consumenten herkennen Lambrusco makkelijk omdat hij beroemd is om zijn roodpaarse gloed. Maar hij is niet altijd rood. Je vindt evengoed lichtere versies met een transparantere, frissere uitstraling. Bovendien kent het rosato-segment een groeiende interesse, en Lambrusco surft mee op die golf. Zelfs witte Lambrusco’s, waarbij men zeer beperkt of geen schilcontact gebruikt, duiken op de markt op. Onthoud dus: kleur zegt vooral iets over extractie, niet automatisch over zoetheid of kwaliteit.

De tweede knop is de zoetheid, en die herken je meestal aan termen op het etiket. Bij Lambrusco kom je vaak aanduidingen tegen zoals extra brut, brut, secco, (extra) dry, amabile en dolce. Extra brut en brut staan doorgaans voor de droogste interpretaties; je ziet die termen vandaag ook vaker opduiken bij de meer ambitieuze stijlen. Klassiek ging men in Lambrusco echter vaak voor secco: rosso secco of frizzante secco lees je geregeld op het etiket. Hoewel het letterlijk “droog” betekent, kan secco in de praktijk wat ronder aanvoelen dan brut, maar het blijft bedoeld als niet-zoete stijl. Daarna kom je bij de zachtere categorieën: (extra) dry zit meestal tussen droog en duidelijk zoet in, terwijl amabile echt op charme speelt, met meer restsuiker die fruit benadrukt en bittertjes of grip kan verzachten. Dolce is uitgesproken zoet en wordt meestal gekozen voor een duidelijk zachtere, fruitige stijl of voor een bewust contrast met zoute of pittige gerechten.

De derde knop hebben we al uitgebreid besproken: de druk bepaalt de intensiteit van de pareling. Frizzante voelt lichter en losser, spumante nadrukkelijker en voller.

De Lambrusco die je uiteindelijk in het glas wil, kan je zo perfect afstemmen op je eigen smaakprofiel. Persoonlijk ga ik resoluut voor de droge stijlen, zoals col fondo, of nog liever metodo classico extra brut. Veel consumenten die die richting ontdekken, blijven er verrassend snel aan hangen. Kies je voor de meer gekende en herkenbare zoetere Lambrusco, dan is daar niets mis mee: geniet met volle teugen van je amabile.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Whole cluster fermentation ontrafeld

Whole cluster fermentation, heb je daar al eens van gehoord? En zo ja, weet je ook wat men hier eigenlijk mee bedoelt? Als ik daar zelf eerlijk op moet antwoorden, dan kan ik volmondig ja zeggen op het eerste deel van de vraag. Hoe kan je dit begrip de afgelopen jaren ook maar negeren? Het lijkt wel alsof de hele wijnmakende wereld plots in de ban is van whole cluster fermentation. Het duikt steeds vaker op in technische fiches en in vakartikelen, en het lijkt niet meer weg te denken uit het hedendaagse kelderjargon. Zelfs onze wijnmeester Peter bij Amici begon onlangs, bij de introductie van een Pinot Noir degustatie, uitgebreid te vertellen over whole cluster fermentation en het belang ervan voor deze druif.

Met het tweede deel van de vraag heb ik het lange tijd moeilijker gehad. Misschien juist omdat ik er aanvankelijk te weinig bij stil stond. In mijn hoofd leek het een vrij evidente vertaling van koolzuurmaceratie, maceration carbonique, waarbij een deel van de gisting binnenin de druif plaatsvindt, intracellulaire gisting dus. Tot het me enkele jaren geleden begon te dagen dat die gelijkstelling te kort door de bocht was. Whole cluster fermentation bleek geen synoniem, maar een veel ruimer begrip, met andere doelen, andere effecten en vooral veel meer nuances.

Als je er even op doorvraagt, kom je al snel tot een opmerkelijke vaststelling. Whole cluster fermentation is in wezen geen moderne uitvinding, maar een eeuwenoude vinificatiewerkwijze die vandaag opnieuw in de belangstelling staat. Niet uit nostalgie, maar omdat ze antwoorden lijkt te bieden op hedendaagse uitdagingen rond rijpheid, alcohol, frisheid en ook op de opwarming van het klimaat. Voor we naar die hedendaagse redenen kijken, helpt het om kort te weten waar deze werkwijze vandaan komt.

Pas in de negentiende eeuw werden machines ontwikkeld om druiven efficiënt te ontstelen. Daarvoor gingen druiventrossen vanzelfsprekend in hun geheel het gistvat in. In regio’s als Beaujolais en Rioja bleef die aanpak zelfs daarna gedeeltelijk behouden. Vandaag zien we dat wijnmakers opnieuw bewust kiezen voor hele trossen, niet omdat het vroeger vanzelfsprekend was, maar omdat deze werkwijze een heel eigen wijnstijl oplevert.

Wat bedoelen we met whole cluster fermentation

Whole cluster fermentation wordt vaak als één techniek voorgesteld, terwijl het dat in wezen niet is. De term beschrijft vooral wat er in het gistvat gaat, en niet hoe de vergisting exact verloopt. Whole cluster betekent simpelweg dat druiventrossen in hun geheel, inclusief steeltjes, in het gistvat terechtkomen. Wat er daarna gebeurt, ligt niet vast maar is het resultaat van keuzes die de wijnmaker in de kelder maakt.

Zodra volledige trossen in het gistvat liggen, opent zich een spectrum aan mogelijkheden. Druiven kunnen intact blijven of gekneusd worden, bewust of door hun eigen gewicht. Het gistvat kan open zijn of afgesloten, en de wijn kan vroeg of pas later geperst worden. Al die beslissingen bepalen of de vergisting vooral klassiek verloopt, of dat er daarnaast ook intracellulaire gisting optreedt. In de praktijk is het zelden alles of niets. Veel wijnmakers werken met een beperkt whole cluster aandeel, vaak tussen ongeveer 20 en 40 procent van de oogst, precies omdat je met zulke percentages al effect krijgt terwijl je de risico’s beter beheersbaar houdt. Let wel, ook wanneer men spreekt over het fermenteren van hele trossen, betekent dat niet automatisch dat alles vooraf gekneusd wordt. Sommige producenten laden de trossen zo intact mogelijk en laten kneuzing grotendeels door gewicht en verloop ontstaan.

In heel wat gevallen wordt gewerkt met een gedeeltelijke kneuzing van de trossen. Onderaan ontstaat dan sap dat klassiek begint te vergisten met gist, terwijl hogerop intacte bessen tijdelijk intracellulair vergisten. Die combinatie levert wijnen op die zowel fruitigheid als structuur tonen. De aanwezigheid van steeltjes beïnvloedt daarbij textuur, tannine en mondgevoel, zonder dat dit per se tot uitgesproken groene aroma’s hoeft te leiden. Dit type whole cluster fermentation vormt voor veel wijnmakers de gulden middenweg tussen expressie en balans.

Worden de druiven volledig gekneusd, dan overheerst de klassieke alcoholische vergisting. De steeltjes blijven wel aanwezig en oefenen hun invloed uit op structuur, tannine en zuurgraad, maar intracellulaire gisting speelt nauwelijks nog een rol. In dat geval draait whole cluster fermentation vooral om het effect van de steeltjes en niet om wat zich binnenin de bes afspeelt.

Pas wanneer druiven intact blijven en men bewust een koolzuurrijke, zuurstofarme omgeving creëert, spreken we van koolzuurmaceratie, in de strikte zin. Hier is whole cluster fermentation geen middel tot structuur of complexiteit, maar een manier om intracellulaire gisting maximaal te laten plaatsvinden. De vergisting gebeurt hoofdzakelijk binnenin de druif, extractie blijft beperkt en de wijn wordt doorgaans vroeg geperst. Het resultaat zijn uitgesproken fruitige, lichtvoetige wijnen waarbij steeltjes wel aanwezig zijn, maar niet het doel vormen en doorgaans weinig bijdragen aan extractie en structuur.

Waarom wijnmakers vandaag voor whole cluster fermentation kiezen

Die vraag is terecht. In de praktijk zie je vooral vijf redenen waarom wijnmakers, meestal in beperkte mate, voor whole cluster fermentation kiezen.

Ten eerste is er de confrontatie met de realiteit van warmere oogstjaren. In heel wat regio’s schuift het rijpheidsvenster op. Suikers lopen sneller op, zuren zakken sneller en het evenwicht tussen rijp fruit, matig alcohol en voldoende frisheid wordt moeilijker te treffen. Whole cluster fermentation biedt wijnmakers extra speelruimte om net dat evenwicht te bewaren, zonder automatisch naar zwaardere extractie of meer hout te moeten grijpen.

Een tweede reden is de gewenste stijl. Whole cluster fermentation kan wijnen meer spanning geven, meer aromatische frisheid, meer nuance en meer textuur. Dat komt doordat vergisting en extractie zich anders gedragen wanneer trossen intact blijven en steeltjes mee in het vat zitten. De wijn voelt daardoor vaak minder log, ook wanneer het fruit rijp is.

Een derde reden is de veranderende vraag vanuit het jongere marksegment. De wijnwereld maakt zich zorgen over een generatie die minder wijn drinkt en andere verwachtingen heeft, met onder meer een duidelijke voorkeur voor wijnen met minder alcohol. Zelf heb ik met 15 procent geen probleem, maar producenten kijken nu eenmaal naar waar de vraag naartoe schuift. Whole cluster fermentation past in dat verhaal, omdat ze wijnmakers de mogelijkheid geeft om iets vroeger te oogsten, zo wordt de suikeropbouw, en dus het potentiële alcoholpercentage, afgeremd, zonder dat de wijn daardoor meteen structuur of complexiteit verliest. Doordat steeltjes mee vergisten en de extractie anders verloopt, bouwt de wijn toch grip en textuur op, ook wanneer het fruit net iets minder ver in rijpheid werd geduwd. Het gevolg is dat het alcoholpercentage soms effectief lager uitvalt, en dat de wijn bovendien vaak minder warm aanvoelt door een lichter extractieprofiel en een strakkere ruggengraat.

Een vierde reden is frisheid, en hier zit vaak de verwarring. Op papier kunnen de zuren bij whole cluster fermentation dalen, vooral omdat een deel van het appelzuur in de intacte bessen al vroeg wordt afgebroken en omdat kalium uit steeltjes de pH kan doen stijgen. Toch kan de wijn frisser aanvoelen. Frisheid is namelijk meer dan zuur alleen. Aromatische lift, een minder zwaar extractieprofiel en een strakkere, fijnere structuur geven spanning in het mondgevoel. Die spanning wordt vaak als frisheid ervaren, zelfs wanneer de meetbare zuurgraad iets lager ligt. Met andere woorden, de zuren kunnen in analyse wat lager uitvallen, maar de wijn kan toch frisser aanvoelen.

Een vijfde en laatste reden is doseerbaarheid en risicobeheer. Whole cluster fermentation werkt als een ingrediënt. Met een beperkte inzet kan men het effect precies afstemmen op perceel, jaargang en gewenste stijl. Dat verklaart meteen waarom technische fiches zo vaak spreken over gedeeltelijke whole cluster. Met pakweg twintig tot veertig procent kan een wijnmaker al merkbare textuur en complexiteit opbouwen, terwijl de risico’s van groen karakter, hogere pH, kleurverlies of microbiologische risico’s beter beheersbaar blijven. Volledig werken met hele trossen kan prachtig zijn, maar vraagt perfect fruit, rijpe steeltjes en een zeer nauwkeurige sturing van zuurstof, temperatuur en persmoment.

Whole cluster fermentation is dus geen hype door het woord alleen. Het is vooral een hedendaags antwoord op een veranderend klimaat en op een markt die vaker finesse verkiest boven zwaarte, met als kernvraag steeds dezelfde: welke dosis en welke aanpak leveren de meeste finesse op, zonder dat de wijn zijn evenwicht verliest.

Wat er in het bij de vergisting anders loopt

Bij whole cluster fermentation blijft de motor van het proces dezelfde als bij een klassieke rode vinificatie: gist zet suiker om in alcohol, en tijdens de maceratie worden kleur en tannine uit de schillen geëxtraheerd. Het grote verschil zit dus niet in een “ander soort” vergisting, maar in hoe de druivenmassa zich gedraagt zodra je met volledige trossen werkt. Je werkt minder met één uniforme massa sap en schillen, en meer met een gelaagd geheel waarin bessen, schillen en steeltjes elkaar letterlijk ruimte geven.

Onderaan ontstaat vrij snel sap, deels door het gewicht van de trossen en deels door een eventuele lichte kneuzing tijdens het vullen. Dat sap start de klassieke alcoholische vergisting en begint warmte en koolzuurgas te produceren. Hoger in het vat blijven bessen vaak langer intact of half intact. Daardoor komt het sap niet overal tegelijk vrij, maar in stappen. Eerst vergist het sap dat al aanwezig is, daarna komt er extra sap bij wanneer bessen open gaan door warmte, druk en toenemende alcohol. Dat geeft vaak een ander ritme dan bij volledig ontsteelde en gekneusde druiven, al blijft de vergisting in essentie klassiek.

Omdat bessen niet allemaal tegelijk openscheuren, komen kleur en tannine geleidelijk vrij. Tegelijk vormt zich bovenaan, zoals bij elke rode vinificatie, een drijvende bovenlaag van schillen en trossen, meestal de hoed genoemd. Steeltjes geven die bovenlaag meer structuur en houden haar minder compact. Daardoor kan warmte zich gelijkmatiger verspreiden en kan het vergistende sap makkelijker door die bovenlaag bewegen. Wanneer de wijnmaker de hoed zachtjes nat houdt en mengt, bijvoorbeeld door sap over de bovenkant te laten lopen (remontage) of de massa voorzichtig naar beneden te duwen (pigéage). Zo verloopt de extractie vaak rustiger, met minder plotse pieken.

Belangrijk is ook wat je als wijnmaker doet. Bij een laag tot matig aandeel whole cluster en een actievere aanpak, met regelmatige remontage of pigéage, komt het geheel snel dicht bij een klassieke vinificatie. Het grootste verschil blijft dan vooral de invloed van de steeltjes op structuur en pH. Ga je hoger in percentage en werk je zachter, dan bouwt de wijn zich trager en meer in fases op. In beide gevallen geldt dezelfde conclusie: whole cluster fermentation is geen totaal andere wereld, maar een manier om stijl te sturen via de manier waarop trossen zich in het gistvat stapelen en openscheuren.

Steeltjes: meerwaarde en risico

Bij whole cluster fermentation zijn steeltjes een bewuste keuze. Ze doen meer dan alleen “meegaan” met de tros. Ze sturen het mondgevoel, ze kunnen de pH beïnvloeden en ze kunnen het aromaprofiel een kruidige, theeachtige toets geven, of net te groen worden als ze niet rijp genoeg zijn. Daarom draait dit hoofdstuk in essentie om één vraag: wanneer zijn steeltjes een meerwaarde, en wanneer worden ze een risico.

Daarnaast hebben steeltjes ook een chemische invloed. Ze brengen kalium in het vergistende sap, wat een deel van de zuren kan binden en zo de pH licht kan doen stijgen. Bovendien bevatten ze aromatische componenten die zich kunnen uiten in kruidige of groenige toetsen. Ook leveren ze tannine, die anders aanvoelt dan schiltannine. Bij druivenrassen met een van nature zachtere tanninestructuur, zoals Pinot Noir, kan dat zorgen voor meer structuur en een strakkere tannineruggengraat. Steeltjes kunnen bovendien de kleur wat temperen. Enerzijds kunnen kleurstoffen zich deels aan het stengelweefsel hechten, waardoor er minder kleur in de wijn achterblijft. Anderzijds speelt diezelfde pH-verschuiving mee: bij een hogere pH oogt rood doorgaans minder intens en wordt kleur minder stabiel. Daarom lijken wijnen met een hogere whole cluster inzet soms sneller lichter van kleur.

Cruciaal in dit verhaal is de rijpheid van de steeltjes. In de praktijk kijken veel wijnmakers naar lignificatie, het verharden van het stengelweefsel, en een bruiner, houtachtiger uitzicht is daarbij vaak een duidelijke aanwijzing dat de steeltjes voldoende afgerijpt zijn. Onvoldoende rijpe steeltjes geven harde, groene tannine die zich moeilijk laat integreren, ongeacht hoe zorgvuldig de vinificatie gebeurt. Bij vroeg geplukte druiven kunnen steeltjes nog groen en soepel aanvoelen, en net dan is de kans groter dat kruidig groene of vegetale tonen gaan domineren. Daarmee komen we bij het belangrijkste risico van whole cluster fermentation: als steeltjes niet rijp genoeg zijn, kan het profiel doorslaan naar tomatenblad, groene bonen of broccoli. Of whole cluster fermentation hier een meerwaarde is, hangt dus sterk af van het oogstmoment en de gekozen dosis whole cluster.

Praktijk en druivenkeuze

Of wijnmakers voor whole cluster fermentation kiezen, hangt vooral af van wat ze willen bereiken. Het kan een wijn verfijnen of verzachten, versterken of temperen. Het succes zit niet in het percentage hele trossen op zich, maar in het consequent uitvoeren van de juiste keuzes in de kelder.

Die keuze vraagt doorgaans meer discipline dan een klassieke vinificatie. De druiven moeten perfect gezond en zo intact mogelijk zijn. Bij ontsteelde en gekneusde druiven komt de vergisting snel op gang in een bad van sap en alcohol. Met hele trossen kan die beschermende omgeving trager ontstaan, waardoor beschadigde bessen sneller ruimte geven aan ongewenste microorganismen en azijnachtige tonen.

Ook praktisch weegt het door. Hele trossen nemen meer plaats in dan ontsteelde druiven, waardoor vatkeuze en capaciteit belangrijk worden, vooral tijdens de gisting. Whole cluster fermentation gebeurt zelden in een klassiek 225 liter eiken vat. Niet omdat hout fout is, maar omdat je in zo’n klein volume weinig marge hebt voor temperatuur en beweging tijdens de gisting, terwijl trossen veel plaats vragen. Voeg daarbij dat het eindvolume moeilijker te voorspellen is, en je begrijpt waarom toevoegingen met voorzichtigheid gebeuren. Bij het persen komt bovendien vaak extra suiker vrij, vooral in het perssap, wat actieve gist en voldoende warmte vereist om alles netjes te laten uitgisten. Tot slot moeten de zuren secuur opgevolgd worden, omdat whole cluster fermentation geregeld leidt tot een hogere pH en een lagere aciditeit.

Niet elke druif leent zich even gemakkelijk tot deze aanpak. Whole cluster fermentation werkt het vlotst bij rassen waar aromatische finesse en textuur belangrijk zijn en waar je met een beperkte dosis al verschil proeft. Daarom duikt Pinot Noir zo vaak op als referentie: het ras reageert sterk op kleine verschuivingen in mondgevoel en structuur, en steeltjes kunnen daar snel extra spanning en definitie geven. Gamay sluit daar logisch bij aan, omdat het ras traditioneel vaak met trossen wordt verwerkt en omdat het evenzeer gevoelig is voor de balans tussen fruit, grip en frisheid. Bij Grenache, Syrah en Mourvèdre kan het ook bijzonder goed werken, maar daar wordt de dosis vaak nog bewuster gekozen omdat rijpheid en stengel karakter sneller het profiel bepalen. Zelfs bij Nebbiolo kan het interessant zijn, al vraagt dat doorgaans een zeer precieze regie omdat het ras van nature al veel structuur meebrengt.

Omgekeerd zijn rassen met een uitgesproken groenkruidig of vegetaal profiel in de basis vaker lastiger kandidaten, omdat steeltjes dat accent sneller kunnen versterken. Denk bijvoorbeeld aan klassiek Bordeaux geïnspireerde variëteiten zoals Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en in mindere mate Merlot, waar paprika, groene kruiden of grafiet nuances al van nature deel van het aromaspectrum kunnen zijn. Dat betekent niet dat whole cluster fermentation onmogelijk is, maar het vraagt meer voorzichtigheid in dosis en oogstmoment, net om te vermijden dat het profiel doorslaat naar te groen. Uiteindelijk hangt het vooral af van rijpheid, schilstructuur en de begeleiding van de gisting. Eén aanpak voor alle rassen bestaat niet.

Daarom zie je op technische fiches veel vaker een gedeeltelijke inzet dan een volledige. Met beperkte percentages kan een wijnmaker het effect doseren, net genoeg extra definitie in textuur en spanning, zonder dat steeltjes of intacte trossen het profiel gaan overheersen. Wanneer alles klopt, levert whole cluster fermentation wijnen op met spanning, geurcomplexiteit en een eigenzinnig karakter. Dat verklaart waarom het onderwerp de voorbije jaren zo vaak opduikt, ook aan tafel, zoals bij onze Pinot Noir degustatie.

Melanzane al cioccolato, aubergine als dessert

Het heeft even geduurd vooraleer ik deze blog definitief heb afgewerkt. Ik kwam melanzane al cioccolato enkele maanden geleden toevallig tegen in een tijdschrift. Het trok mijn aandacht omdat ik de combinatie niet goed kon plaatsen. Bovendien had ik nog nooit van dit gerecht gehoord. Ik liet het even liggen, half onafgewerkt, tot mijn nieuwsgierigheid het uiteindelijk haalde van het gevoel dat dit toch vooral een curiositeit was. Een dessert gemaakt van aubergine met chocolade, dus.

Wat opzoekwerk leert, is dat melanzane al cioccolato vandaag bekendstaat als een van de meest eigenzinnige desserts van Zuid Italië. Tegelijk is het in Campania al eeuwenlang een vanzelfsprekendheid. In Napels noemen ze het zelfs mulignan ca’ ciucculat. Probeer dat één keer uit te spreken en het lijkt alsof je mond al gevuld is met dit dessert.

Chocolate eggplant dus. Het klinkt als een grap, maar melanzane al cioccolato is gewoon een klassieker uit Campania, meer bepaald van de Costiera Amalfitana. Het wordt traditioneel gemaakt rond Ferragosto, op 15 augustus, en hoort bij de zomerse feestkeuken van de regio.

Van kloosterrecept tot feestdessert

Historisch onderzoek plaatst het ontstaan van melanzane al cioccolato in Campania, met een tijdskader dat teruggaat tot tussen de achtste en negende eeuw. De meest geciteerde oorsprong verwijst naar de augustinessen van het klooster Santa Maria della Misericordia. Kloosterkeukens waren in die periode plekken van noodzaak en vindingrijkheid, waar zoete bereidingen vaak ontstonden vanuit beperkte middelen en technische kennis eerder dan luxe.

Andere bronnen situeren het ontstaan bij de franciscanen van een oud klooster in Tramonti. Zij zouden gefrituurde aubergines hebben overgoten met een zoet en licht alcoholisch mengsel. Chocolade was toen nog geen vast onderdeel en werd pas later toegevoegd, wanneer cacao in Zuid Italië beter beschikbaar raakte.

Beide pistes verwijzen naar een zoete invulling waarin de aubergine cruciaal is. In Italië is melanzane al lang geen onbekende meer in de keuken. De klassieke keuken zet haar vooral in met tomaat en kaas. De monniken die mee aan de wieg lagen van het recept kozen resoluut voor een andere weg, en die leidde uiteindelijk naar chocolade.

Melanzane al cioccolato verankerde zich stevig in de keuken van de Costiera Amalfitana en het Sorrentijnse schiereiland. Het werd een vaste waarde in de feestkeuken en bleef dat tot vandaag. De vorm waarin het gerecht verschijnt, varieert. Soms wordt het opgebouwd als een zoete parmigiana, soms als individuele porties of kleine tortini.

Als we het gerecht wat dieper ontleden, zit de sleutel tot het succes in het evenwicht. De licht bitterzoete toets van de aubergine sluit verrassend goed aan bij het uitgesproken aroma van pure chocolade. De bereiding werd eeuwenlang mondeling doorgegeven, van moeder op dochter. Elke familie bracht haar eigen accenten aan met gekonfijt fruit, rum, citrusschillen of cacao. De kern bleef echter altijd herkenbaar.

De aubergine wordt eerst zacht gebakken en daarna, na passage door bloem en ei, opnieuw gefrituurd. Dat procédé sluit aan bij een oudere kooklogica waarin dubbele garing gebruikelijk was. In sommige vroege versies werden de aubergines bovendien geweekt in Concerto, een kruidenrosolio geproduceerd door de franciscanen van Tramonti. Daarna werden ze laag per laag opgebouwd met chocoladeroom, gekonfijte sinaasappel en cedro, en noten, duidelijke sporen van Arabisch Siciliaanse invloeden. Deze uitgesproken exotische bereiding is verspreid over de hele Costiera Amalfitana, van Vietri sul Mare tot Sorrento.

Melanzane al cioccolato, klassiek recept volgens Campania

Onderstaand recept sluit aan bij de oude Campaniaanse traditie waarin gevulde aubergineplakken centraal staan, gecombineerd met chocolade, amarena en gekonfijte citrus.

Ingrediënten

Voor ongeveer 4 personen

500 g aubergines
bloem
2 eieren, losgeklopt
olie om te frituren

Voor de vulling
200 g pure chocolade, in kleine stukjes
200 g amarena confituur
150 g gekonfijte cedro, gekonfijte citrusschil of andere gekonfijte citrus

Voor de saus
40 g cacaopoeder
200 g pure chocolade
50 g suiker
1,5 dl vermout
water, indien nodig

Bereidingswijze

  • Schil de aubergines en snijd ze in dunne plakken in de lengte. Verhit voldoende olie in een ruime pan en frituur de plakken in porties kort, net tot ze soepel worden en een heel lichte goudtoon krijgen, een diepe kleur is hier niet het doel. Laat uitlekken op keukenpapier.
  • Neem telkens twee plakken aubergine en beleg ze met enkele stukjes chocolade, een beetje amarena confituur en wat fijngehakte gekonfijte cedro (of alternatief). Leg de plakken op elkaar zodat kleine pakketjes ontstaan.
  • Haal deze pakketjes eerst door de bloem en vervolgens door het losgeklopte ei. Frituur ze opnieuw in hete olie tot ze goudbruin zijn. Laat zorgvuldig uitlekken.
  • Voor de saus laat je de pure chocolade au bain-marie smelten. Meng in een steelpan het cacaopoeder met de suiker en voeg beetje bij beetje wat water toe tot een gladde massa ontstaat. Voeg de gesmolten chocolade en de vermout toe, breng aan de kook en laat zachtjes indikken tot een vrij dichte saus.
  • Dompel de auberginepakketjes kort in de warme saus, laat ze uitlekken en schik ze op een serveerschaal. Laat minstens drie uur rusten in de koelkast.
  • Haal het gerecht kort voor het serveren uit de koeling en laat enkele minuten op temperatuur komen.

Eerlijk gezegd

Ben ik tijdens het schrijven van dit artikel overtuigd geraakt dat ik dit gerecht absoluut een keer moet klaarmaken? Niet onmiddellijk. Ik stel me tevreden met er meer over te weten, zonder dat ik meteen in de potten begin te roeren. Misschien is dit bij jullie anders en is het boodschappenlijstje al gemaakt om aan de slag te gaan.

Ik rond dan ook graag af met de vaststelling dat melanzane al cioccolato een dessert is met een lange geschiedenis en een uitgesproken identiteit. Het is Campania op zijn meest eigenzinnige wijze. Alleen daarom al heeft het een bestaansrecht.

Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Hoe kronkelig de geschiedenis van Lambrusco ook is, geografisch is zijn echte habitat opvallend afgebakend. Je vindt hem in Noord-Italië, aan de voet van de Apennijnen en in de invloedssfeer van de Povlakte, meer bepaald in Emilia-Romagna en Lombardije. En zelfs daar blijft het, binnen die grote wijnregio’s, vaak bij een relatief klein kerngebied waar Lambrusco echt thuis is.

Je zou Trentino nog kunnen noemen. Ook daar staat Lambrusco aangeplant, meestal onder de naam Enantio. Die wijn is niet te vergelijken met de Lambrusco zoals we die kennen. Het is een wijn met een eigen karakter en context. We houden het bij deze eervolle vermelding en parkeren Trentino voor een andere gelegenheid.

Tijdens mijn laatste bezoek aan Emilia-Romagna maakte ik bovendien een grote vergissing. Ik focuste vooral op Romagna, waar Sangiovese en Albana de toon zetten. Het Emilia-gedeelte ging grotendeels op aan een andere zoektocht, naar Aceto Balsamico di Modena, Prosciutto di Parma en Parmigiano Reggiano. Ik gaf Lambrusco toen niet de aandacht die hij verdiende (ik was op dat moment nog een non-believer). Vandaag zou ik het helemaal anders aanpakken. Niet getreurd, de reden voor een volgend bezoek ligt hiermee alvast op tafel.

Een wijn van de Povlakte

De Povlakte is het brede, laaggelegen hart van Noord-Italië. Ze strekt zich uit van de Alpenrand in het westen tot aan de Adriatische Zee in het oosten, met de rivier de Po als centrale slagader. Op de kaart oogt ze als een rustige, vlakke massa, maar wie erdoor reist merkt snel dat dit landschap voortdurend door water is gevormd: door de Po zelf, door haar zijrivieren en door oude rivierarmen die zich als littekens door de bodem tekenen.

Het kerngebied van Lambrusco ligt precies daar waar de Povlakte de voet van de Apennijnen raakt. Op de plek waar het vlakke land langzaam begint te golven, waar beken en riviertjes uit de heuvels komen en hun afzettingen uitwaaieren. Geen heroïsche bergterrassen, maar vruchtbare gronden die eeuwenlang als landbouwmotor hebben gefunctioneerd, en waar wijn altijd deel is geweest van het dagelijkse ritme. Daar is Lambrusco thuis.

Emilia-Romagna: waar Lambrusco een ziel krijgt

Het is in Emilia-Romagna waar Lambrusco zijn identiteit heeft gevormd, maar het zwaartepunt ligt niet verspreid over de hele regio. Het ligt in Emilia, en binnen Emilia vooral rond Modena. Deze stad, bekend om haar balsamico en als geboorteplaats van Pavarotti, fungeert als het geografische en culturele knooppunt waar Lambrusco het duidelijkst geconcentreerd is. Ook de meest geciteerde referentiezones groeperen zich hier als een krans rond de stad.

Wie dit geografisch wil plaatsen, neemt best de Via Emilia als leidraad. Die oude route loopt door het Emilia-gedeelte en verbindt de steden die als bakens werken. In het middensegment van die as ligt Modena bijna centraal, tussen Parma en Bologna, en precies daar merk je hoe Lambrusco zich in het landschap begint af te tekenen.

Binnen dat brede, licht golvende Emilia-landschap kun je drie kernzones benoemen die vaak als referentiepunten terugkeren en die alle drie in de Modenese invloedssfeer liggen. Sorbara ligt net ten noorden van Modena, in de vlakkere zone richting Carpi. Castelvetro ligt ten zuiden van Modena, waar het terrein zichtbaar begint te golven en je de overgang naar het heuvelland voelt. Santa Croce (bij Carpi) situeer je opnieuw ten noorden van Modena, als een vaste kapstok in het noordelijke deel van de provincie.

Binnen enkele weken zoomen we in op deze kernzones met meer detail, en pas dan maken we ook het onderscheid dat de herkomstbenamingen en lokale namen echt scherp stelt.

Mantova: de oostelijke spiegel

Net over de regionale grens met Emilia-Romagna, in de provincie Mantova in Lombardije, krijg je een verwant maar net iets anders smakend Lambrusco-verhaal. Geografisch zit Mantova in het zuidoosten van Lombardije, als een soort scharnierpunt tussen drie referentiesteden: Verona ligt net oostwaarts, Modena westwaarts, en Bologna zuidelijker. De provincie leunt tegen de grote Po-as aan, en dat verklaart meteen het landschap: laag, vlak en waterrijk.

Als je Mantova op de kaart zoekt, kijk dan naar het gebied waar de rivier de Mincio (die uit het Gardameer komt) in de Po-vlakte uitwaaiert en richting de Po stroomt. De stad Mantova zelf ligt als historisch eiland in dat waterlandschap, omringd door meren en kanalen. Voor Lambrusco is vooral het zuidwestelijke deel van de provincie relevant: het brede vlakke land tussen de stad Mantova en de Po, richting de grens met Emilia-Romagna.

In het glas proef je doorgaans ook een nuanceverschil met Emilia. Lambrusco uit Emilia-Romagna, zeker rond Modena en Reggio Emilia, toont geregeld net wat meer contour en spanning. Mantova is wat eenvoudiger van smaak zonder aan identiteit in te boeten. Beide zijn lokaal heel vanzelfsprekend aan tafel.

Het landschap in één zin

De Povlakte staat bekend om haar vruchtbaarheid, en Emilia-Romagna in het bijzonder geldt niet voor niets als de “buik van Italië”, omwille van haar grote culinaire waarde. Lambrusco maakt daar integraal deel van uit en is historisch met die tafelcultuur verbonden. De aperitivo waar Italië zo beroemd om is, bereikt hier misschien wel zijn hoogtepunt.

De volgende keer dat ik de regio bezoek, zal ik dat ook zo aanpakken. Wanneer mijn wagen vanuit Langhirano, waar de beste prosciutto ligt te rijpen, verder rijdt langs de rijpingskelders van Parmigiano Reggiano richting Modena, naar Il Borgo del Balsamico, zet ik heel bewust mijn richtingaanwijzer aan. Niet om door te steken naar de volgende culinaire halte, maar om even af te slaan: langs de Lambrusco-wijngaarden, met een stop bij een van die kleine, kwalitatieve producenten, zoals Silvia Zucchi of Cantina della Volta. Een terugkeer naar deze uiterst aangename regio staat met hamer en beitel in steen gebeiteld.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Pinot Noir Mondial – Acht landen blind geproefd

Eind 2025 noemden we Pinot Noir in onze blog al “de druif van het jaar”, simpelweg omdat ze opvallend vaak op tafel kwam bij de wijnclubs waarin ik proef. Bij Het Negende Vat kreeg ik de kans om er een volledige avond rond te bouwen. Dit deed ik bewust niet volgens het klassieke stramien van één appellatie of één regio. In plaats daarvan kozen we voor een mondiale proef: Pinot Noir als wereldburger.

Het concept was even eenvoudig als verraderlijk. Acht wijnen uit acht verschillende landen werden blind geschonken. De proevers kenden wel de mogelijke landen en de jaargangen, en kregen een overzichtsformulier om hun observaties te structureren. Zeven flessen waren monocépage Pinot Noir; één wijn was een blend, met Pinot Noir als dominante druif. Dit was een bewuste toevoeging, omdat ik benieuwd was of die zich als ‘buitenbeentje’ zou verraden. Daarnaast schatten we de prijsvork in en vertaalden we onze waardering naar een puntenquotering.

Zulke opdrachten zijn vooral leuk omdat ze tegelijk relativerend werken. Zelfs ervaren proevers botsen blind al snel op de grenzen van zekerheid: stijl, herkomst en kwaliteit lopen wereldwijd niet altijd in de pas met onze verwachtingen. Wie de helft correct ‘plaatst’, heeft eigenlijk al bijzonder sterk geproefd. Net daarom doseer je dit soort avonden best: blind proeven is leerrijk, maar de puntenscores zijn zelden mild voor het ego.

Als organisator kende ik uiteraard de line-up. Daarom nam ik mezelf een andere rol aan: ik maakte voor elke wijn proefnotities, zodat we na afloop een houvast hadden om over te discussiëren. Hieronder vind je die notities.

  1. Crystallum ‘Mabalel’ Pinot Noir – Zuid-Afrika – WO Elandskloof – 2023
    Spontane vinificatie in inox cuves en 12 maanden rijping in barriques.
    Licht kersenrood van kleur, zuiver en mooi tranend in het glas. In de neus komt meteen een helder roodfruitprofiel naar voren met framboos en kers, aangevuld met florale toetsen. Daaronder ligt een subtiele kruidigheid met laurier en ceder, en een licht aardse nuance.
    De smaak is sappig en uitgesproken fruitgedreven, met een mooie fraîcheur die de wijn levendig houdt. De tannine komt wat later aanzetten en geeft een aanvullende structuur. De afdronk is voldoende lang, rond een zestal seconden, en blijft mooi in balans. Helemaal op het einde verschijnt een licht bittertje dat aan chocolade doet denken, samen met een fijne kruidige toets.
    Dit is een zeer mooie Pinot Noir die onmiddellijk bekoort.
    Punten: 82/100 – Prijs: 45,30 € – Te koop bij: Santé Wines
  2. Weingut Hartl ‘Graf Weingartl 1OTW’ Pinot Noir – Oostenrijk – Thermenregion DAC – 2022
    Spontane vergisting met natuurlijke gisten en 16 maanden rijping in barriques (30% nieuw, rest tweede en derde vulling).
    Helder kersenrood in het glas, zuiver en mooi tranend. De neus boeit onmiddellijk en schakelt vlot van fruit naar finesse: bosaardbei en kers openen het aromatische spel, gevolgd door viool en een fris, bijna etherisch accent van pepermunt. Daaronder ontvouwen zich laurier en een aardse toets van paddenstoel, waarna tabak en thee het geheel verder verdiepen. Een rokerig accent zorgt voor extra spanning en geeft het bouquet een volwassen, complex karakter.
    In de mond is de wijn smakelijk en uiterst sappig, met een voorbeeldige balans tussen fruit, fraîcheur en hout. De tannine ondersteunt de aciditeit precies genoeg, waardoor een fantastisch mondgevoel ontstaat: energiek, lichtvoetig en tegelijk stevig genoeg om lengte te bouwen. In de afdronk komt een mooie kruidigheid naar voren, zonder dat de wijn ooit aan sappigheid inboet. De finale is lang en krijgt bovendien een extra mineralige toevoeging.
    Een heerlijke, harmonieuze Pinot Noir met directe charme én serieuze diepgang, uitblinkend in sappigheid, balans en lengte.
    Punten: 89/100 – Prijs: 37,20 € – Te koop bij Wijnkennis
  3. Gump Hof ‘Praesulis’ Pinot Noir – Italië – Alto Adige DOC – 2022
    De steile wijngaarden met een hellingsgraad van 50 tot 55% liggen op een hoogte tot 550 meter. Er wordt een rendementsbeperking van 45 hl/ha toegepast. De vergisting vindt plaats in inox kuipen, gevolgd door een opvoeding van twaalf maanden op Franse eiken barriques.
    In het glas toont de wijn zich mooi en zuiver kersenrood. Het bouquet opent zich onmiddellijk. Rood fruit staat centraal, met kers en framboos op kop, maar er is meteen ook donkerder fruit aanwezig. Naarmate de wijn in het glas ademt, schuiven kruidige toetsen naar voren. Denk aan fijn gedoseerde specerijen en krijgt het geheel een meer rijpere rand met een duidelijke ledertoets. In de mond bevestigt de wijn zijn stijl: de aanzet is sappig en energiek, gedragen door een frisse, zuivere aciditeit. Het fruit is rijk aanwezig, maar blijft strak afgelijnd: rood fruit vooraan, met daaronder een kern van zwart fruit. Het geheel is verfijnd en harmonieus; tannine ondersteunt eerder dan dat ze domineert en zorgt voor een mooi mondgevoel. De finale is lang, kruidig en vooral opvallend zuiver. Hier komt alles subliem samen: een aanhoudende fruitimpressie, een verkwikkende frisheid, en een kruidig naspel.
    Dit is een charmante Pinot Noir met de nodige complexiteit en harmonie.
    Punten: 90/100 – Prijs: 35,00 € – Te koop bij Wijnkennis
  4. Rudolf May ‘Langenberg’ Spätburgunder – Duitsland – Franken – 2020
    Gisting in open houten kuipen gevolgd door een rijping van 15 maanden in barriques.
    Robijnrood, met een lichte bruine rand die op een puntje evolutie wijst. De neus is ronduit belovend en complex: bosaardbei, framboos en kers vormen de kern, omgeven door een zeer fijne kruidigheid. Daarachter volgen ceder en tabak, met een uitgesproken sous-bois toets, laurier en een subtiele aardse nuance.
    In de mond volgt de wijn dat veelbelovende aroma-profiel echter niet helemaal. De structuur zit correct: hij is in balans en de tannine weegt minstens evenveel door als de zuren, wat de wijn een stevig, licht drogend middenpalet geeft. Tegelijk blijft het fruit wat op de achtergrond, waardoor de aanzet minder sappig overkomt dan verwacht op basis van de neus. De afdronk mocht bovendien langer zijn en eindigt met een licht storend bittertje. Positief is wel de subtiele mineraliteit die doorheen het geheel schemert.
    Slotconclusie: het wat mindere mondprofiel bleek te dominant zodat we wat op onze honger bleven zitten met deze Pinot Noir.
    Punten: 77/100 – Prijs: 29,20 € – Niet te koop gevonden in België
  5. Peregrine Pinot Noir – Nieuw Zeeland – Central Otago – 2019
    Vinificatie in open-top kuipen met een combinatie van whole bunch en ontsteelde druiven, met regelmatige pigeage. Rijping van 11 maanden in Franse barriques.
    Zuiver kersenrood van kleur, helder, met duidelijke tranen langs het glas. De neus is uitgesproken aromatisch en fruitgedreven, met veel kers en rood bessenfruit, maar krijgt meteen extra dimensie door tabak en thee, gevolgd door peper, laurier en kaneel. Het hout tekent zich af via ceder, terwijl een toets potgrond voor aardse diepte zorgt. Een mooie florale nuance rondt het geheel af en geeft finesse aan het bouquet.
    In de mond biedt deze Pinot Noir voldoende fraîcheur en voldoende fruit, met tannine die netjes op hun plaats zitten en precies doen wat ze moeten doen: ondersteunen zonder te storen. Tegelijk blijft het geheel eerder correct dan meeslepend; de wijn excelleert nergens en de afdronk is net iets te kort, rond vier seconden. In die finale proeven we een licht, niet storend bittertje dat aan koffieboon doet denken.
    Een correcte, evenwichtige Pinot Noir die zijn aromatische palet mooi uitspreidt, maar qua lengte en impact net te weinig spanning biedt om echt te overtuigen.
    Punten: 79/100 – Prijs: 36,20 € – Te koop bij: Mig’s World Wines
  6. Maison Blanche – Zwitserland – Mont Sur Rolle AOC – 2019
    De mol van de tasting want de wijn bevat naast Pinot Noir eveneens Mondeuse Noire.
    Vinificatie in inox. Rijping voor 24 maanden in barriques.
    Het glas oogt zuiver kersenrood. In de neus vinden we, naast het klassieke rode fruit, ook vlier en zwart fruit. Daarbovenop komt een fraaie florale toets, gevolgd door een fijne kruidenvariatie en nuances van cederhout, leder en peper. Het aromatische profiel wordt verder uitgediept door sous-bois, verse laurier en een expressie van grafiet.
    In de mond opent hij met zeer mooie zuren en een stevige tanninestructuur. Het geheel blijft lang aanwezig, met veel fruit in de smaak dat nadrukkelijk verder reikt dan enkel rood fruit. De balans is overtuigend: strak maar niet streng, met een welgekomen sappigheid en met een smakelijke, mineraal getekende aanhoudende finale.
    Dit is een karaktervolle wijn met aromatische complexiteit en een solide ruggengraat, die nu al charme biedt maar ook nog enkele jaren mee kan.
    Punten: 89/100 – Prijs: 39,60 € – Te koop bij Vinyo Wines
  7. Michel Sarrazin – Frankrijk – Maranges Premier Cru – 2016
    Spontane vinificatie in inox. Rijping van 12 maanden in Franse eiken barriques.
    Kersenrood met een duidelijke bruine rand. De neus opent uitgesproken klassiek, in de stijl van wat oudere Bourgogne-pinot: kersenpit/putje, champignons en gedroogd pruimenfruit zetten de toon. Tegelijk komt er wel degelijk nog een kleine, jeugdigere impuls van rood fruit opzetten. Als extra ontvouwen zich nuances van tabak, ceder, koffie en cacao, met een breed kruidenregister dat zich opstapelt tot aan een fijn puntje eucalyptus.
    De smaak zet dat goede gevoel naadloos verder: fijne maar stevige zuren dragen de wijn van begin tot eind, terwijl de tannine zich consequent ondersteunend en correct gedoseerd toont. Opvallend is dat het fruit in de mond aanzienlijk jonger proeft dan de neus deed vermoeden. De afdronk blijft lang nazinderen, met opnieuw tabak en kruiden als signatuur.
    Een wijn met mooi evenwicht en karakter. Kortom: een zeer mooie Maranges Premier Cru.
    Punten: 91/100 – Prijs: 27,40 € – Uit eigen wijnkelder
  8. J. Christopher ‘Lumière’ – Oregon (USA) – AVA Eola-Amity Hills – 2012
    Vinificatie in houten kuipen, gevolgd door een rijping van 18 maanden in Franse eiken barriques.
    Helder robijnrood in het glas. De neus geeft onmiddellijk volle, sappige aroma’s van jong aandoend maar rijper fruit en ontvouwt zich daarna tot een zeer complex bouquet: florale accenten worden fraai omlijst door ceder en tabak, met verfrissende toetsen van munt en een kruidige lift van peper. Het samenspel van de geuren triggert je meteen en geven hoge verwachtingen aan het vervolg.
    Ook in de mond is dit een sappig bommetje. Het fruit blijft kernachtig en precies, gedragen door mooi onderbouwde tannine en zeer fijne, zeker niet fragiele, zuurtjes die voor frisheid zorgen. Je proeft wat je ruikt! Het geheel blijft lang dragend aanwezig, met een afdronk die uitnodigt om te blijven ontdekken: je blijft zoeken en je blijft vinden, maar uiteindelijk is het vooral gewoonweg een subliem mooi en uiterst genietbaar glas wijn. Wat mezelf betreft de beste wijn van de avond.
    Punten: 92/100 – Prijs: 47,60 € – Niet te koop gevonden in België

Negroni: bitter, briljant en onweerstaanbaar Italiaans

Negroni, wie heeft er nu nog niet genipt van deze heerlijke rode Italiaanse cocktail? Ik alleszins wel. Sterker nog: hij prijkt al jaren bovenaan mijn persoonlijke favorietenlijst. We zorgen er thuis steevast voor dat alle ingrediënten in huis zijn, en na een lange werkdag is het niet ongebruikelijk dat ik mezelf aan het keukenaanrecht terugvind, met een glas in de ene hand en een barlepel in de andere. Roeren, nippen, genieten. De dag glijdt van me af. En soms, als de goesting me overvalt, wijk ik lichtjes af van het origineel en komt er een Negrappa op tafel: een kruidige knipoog met grappa in plaats van gin.

Beneath the Negroni’s deceptively simple recipe lies a history as complex as its flavour.

Achter die drie bescheiden ingrediënten schuilt een verhaal dat zich uitstrekt van de salons van Firenze tot de cocktailbijbels van Londen. Negroni lijkt een eenvoudige cocktail, en in wezen is het dat ook. Tijd om de bitterzoete waarheid achter Italië’s meest geliefde exportproduct te ontrafelen. Geen cowboyverhalen, of toch net wel?

De cowboy, de generaal en de graaf

Zoals dat gaat met grote klassiekers, hangt er rond de oorsprong van de Negroni een fijne waas van mythe en mist. Je weet wel, het soort verhalen dat je na een tweede glas plots met grote overtuiging vertelt. En bij de Negroni heb je dan nog keuze ook, want die heeft minstens twee mogelijke achtergronden.

De eerste voert ons naar het koloniale Afrika van de 19de eeuw. Daar zou een zekere generaal Pascal Olivier, graaf van Negroni, in 1857 ergens in Senegal een feestelijke cocktail hebben gecreëerd ter gelegenheid van een huwelijk. Een mengeling van vermout en andere drankjes werd er volgens de overlevering door de brave man geserveerd. Klinkt chic, klinkt geloofwaardig, ware het niet dat Campari pas in 1860 op de markt kwam. Daardoor kan dit verhaal onmogelijk over een Negroni gaan zoals die later bekend werd.

De tweede versie is nog net iets filmischer. Denk aan cowboylaarzen, stofwolken en een saloondeur die klappert in de aanhoudende wind. Daar zou, naar verluidt, een Amerikaanse cowboy genaamd Negroni op een dag een bar zijn binnengestapt, zijn Americano te zwak bevonden hebben en kordaat om gin gevraagd hebben. Een goed verhaal voor wie al wat verder gevorderd is dan twee Negroni’s en het hele tafereel moeiteloos voor zich ziet, met net dat tikkeltje meer verbeelding dan historische basis.

Leuk? Absoluut. Waarheidsgetrouw? Niet bepaald.

De oorsprong van de Negroni ligt veel dichter bij huis. Namelijk in Toscane, in Firenze. Daar begint het meest geloofwaardige hoofdstuk van deze cocktailgeschiedenis.

Florence, 1919: het jaar en de plaats waar de Negroni werd geboren

Na de Eerste Wereldoorlog herleefde Florence. De cafés vulden zich opnieuw met schrijvers, dromers, aristocraten en oude gewoontes die langzaam weer hun plaats innamen aan de toog. Eén van die cafés was Caffè Casoni, gelegen aan de Via de’ Tornabuoni, waar een zekere graaf Camillo Negroni graag zijn vaste plek aan de bar innam.

Camillo, geboren in 1868, was van nobele afkomst en had zijn deel van de wereld al gezien. Hij leefde een tijd in de Verenigde Staten als cowboy, gokker en bon vivant, en keerde uiteindelijk terug naar Italië met een voorkeur voor stevigere drank dan het destijds populaire brouwsel van vermouth, Campari en soda: de Americano.

Volgens de overlevering vroeg hij op een avond aan zijn barman, Fosco Scarselli, om zijn Americano “wat kracht bij te zetten”. De soda verdween uit het glas, gin kwam ervoor in de plaats. En om het nieuwe drankje visueel te onderscheiden, voegde Scarselli een schijfje sinaasappel toe in plaats van het klassieke citroentje.

Het resultaat sprak aan. Andere klanten vroegen al snel om “quello del Negroni“. De naam bleef hangen. En de cocktail ook. Is er een bonnetje uit 1919 dat dit allemaal bevestigt? Nee. Maar alles aan dit verhaal klopt blijkbaar wel: de plaats, de tijd, het personage, en vooral de cocktail zelf.

Van Florentijns recept tot wereldklassieker

De Negroni mag dan geboren zijn in Florence, het idee erachter zweefde al langer door de cocktailwereld. Reeds in 1895 noteerde een Amerikaanse barman in Chicago de Dundorado, een combinatie van Old Tom Gin, Italiaanse vermouth en Calisaya, een bitterlikeur. Niet identiek, maar opvallend verwant.

In 1927 doken in Parijs de Boulevardier (met bourbon in plaats van gin) en de Old Pal (met rye en droge vermouth) op in Barflies and Cocktails van Harry MacElhone. Ook zij bewijzen dat het principe van sterke drank, vermouth en bitter op meerdere plekken tegelijk leefde. De Negroni was dus niet de eerste in zijn soort, maar wél degene die alles perfect samenbracht.

Dat een cocktail met zo’n uitgesproken bitterheid wereldwijd geliefd zou worden, was niet vanzelfsprekend. Maar net die uitgesproken smaak, gecombineerd met eenvoud en evenwicht, maakte van de Negroni een blijver. Een cocktail met ballen én balans, geliefd bij wie het weet te roeren.

De internationale doorbraak kwam geleidelijk:

  • 1929, Frankrijk: een “Campari Mixte” duikt op in een cocktailboek. In alles een Negroni, behalve in naam.
  • 1949, Spanje: voor het eerst wordt de “Negroni-Cocktail” expliciet vermeld.
  • 1955, Verenigd Koninkrijk: de UK Bartenders’ Guild neemt het recept officieel op in haar handleiding. Vanaf dan is de Negroni niet langer een lokaal fenomeen, maar een vast anker in de internationale cocktailwereld.

Van een aangepaste Americano aan een Florentijnse toog naar een wereldwijde klassieker in een tumblerglas. Soms heeft een goed idee gewoon tijd nodig.

Zelf een Negroni maken: recept voor bitter geluk

Er zijn maar weinig rituelen zo bevredigend als het maken van een Negroni. Drie gelijke delen gin, vermouth rosso en een amaro (een bitter) over een groot ijsblok. Roeren tot de kleur diep robijnrood wordt. Dan de finale toets: een zeste van sinaasappel, net boven het glas getwist zodat de oliën zich zacht over het oppervlak verspreiden.

Je hebt nodig:

  • 3 cl gin
  • 3 cl rode vermouth (bijv. Professore Rosso, Essenziale DiBaldo, Cocchi of Antica Formula Carpano)
  • 3 cl amaro (bijv. Lucano, Ramazzotti, Montenegro, Averna)
  • IJsblokjes
  • Sinaasappelschil

Schenk de drie ingrediënten in een tumbler gevuld met ijs. Roer een tiental seconden tot het glas koud aanvoelt. Werk af met een zeste van sinaasappel. Wie begint te shaken, gaat de mist in: een Negroni wordt geroerd, niet geschud.

Moderne twist? Er zijn opties.

Een klassieke Negroni laat weinig ruimte voor discussie, maar dat wil niet zeggen dat er geen speelruimte is. Zelf wijk ik soms graag af van het originele trio. Eén van mijn vaste variaties is de Negrappa waarbij ik de gin vervang door een goede grappa. Het resultaat is robuuster, droger en net iets meer gestoeld op het Italiaanse temperament.

Liever iets winters? Dan is er de Christmas Negroni. Hier krijgt de gin een feestelijke upgrade via een kruidige snaps of een infusie met specerijen. Denk aan steranijs, kaneel of kruidnagel. Ideaal bij een haardvuur, en verrassend door zijn uitgesproken smaken.

En wie zijn espresso liever in cocktailvorm krijgt: de Coffee Negroni is een serieuze kandidaat. Een koffielikeur of een heldere koffiespirit neemt de plaats in van de gin en voegt een diep geroosterde toets toe aan het bitterzoete hart van de Negroni.

Uiteraard bestaan er nog talloze andere manieren om je Negroni een twist te geven. Of we al die drankjes nog met de naam Negroni mogen aanspreken, is een ander verhaal.

De laatste roerbeweging

Als afsluiter geef ik graag nog enkele persoonlijke tips mee voor de zoektocht naar een perfecte Negroni. Ga op zoek naar een vermouth die je op zich ook kan bekoren, eentje die nét iets meer diepte brengt. Hetzelfde met de amaro. De wereld van de amaro’s is zo rijk en divers en de smaken zijn enorm verscheiden. Ga voor een amaro die het bitter strak houdt, en tegelijk een kruidige gloed achterlaat. De zoektocht naar een perfecte Negroni is minstens zo plezierig als het drinken zelf.

Eenmaal je jouw favoriete combinatie hebt gevonden, kan je thuis uitpakken. Vul een grote karaf of afsluitbare fles van 3 of 5 liter, klaar om te serveren. Hij zal niet alleen een handig voorraadje zijn, maar ook een visueel pronkstuk in je cocktailkast. Die robijnrode kleur, met enkele gedroogde sinaasappelschijfjes erin, trekt meteen de aandacht. Geloof me, vrienden of gasten zullen niet ongevoelig blijven voor de charme van zo’n imposante, gevulde karaf.

Toch blijft het opletten. Een Negroni is geen lichtgewicht. Het is een stevig drankje, met stijl. Eén glas is perfect, twee kunnen nog net, drie… is misschien het moment waarop je begint te geloven in cowboys die cocktails uitvonden.

Zondagse reeks Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Een tijdreis door het verleden van Lambrusco is niet alleen boeiend, maar ook verrassend leerrijk. Je stuit op het ontstaan van de wijnstok die we vandaag vanzelfsprekend vinden: de overgang van de wilde wijnstok (Vitis vinifera silvestris) naar de gecultiveerde wijnstok die onze wijngaarden vormt. Begrippen als domesticatie en piantata lijken op het eerste gezicht bijkomstig, maar ze blijken cruciaal. Niet alleen voor het verhaal van Lambrusco, ook voor dat van de moderne wijnbouw.

Ook voor mij was dit een ontdekking, want het is niet het eerste waar je aan denkt bij Lambrusco. Veel mensen kennen hem vooral als zoet en eenvoudig, soms bijna frisdrankachtig, terwijl het in werkelijkheid een grote druivenfamilie is met meerdere gezichten, meestal sprankelend en uitzonderlijk ook stil. Wat je wél meteen voelt, is dat Lambrusco een wijn is met een eigen temperament. Niet alleen door die levendigheid, maar vooral door de combinatie van hoge frisheid, levendige zuren en een directe, soms pittige energie. In de beste versies is die energie geen truc, maar een handtekening: Lambrusco smaakt jong, helder en doelbewust levend.

Die levendigheid is vandaag meestal geen toeval. Vaak steunt ze op een bewust gestuurde hergisting die koolzuur vasthoudt en het fruit optilt. Dat kan strak gecontroleerd (metodo Martinotti in tank, of metodo classico op fles), of losser in de fles zoals bij metodo ancestrale of col fondo. Net daarin schuilt de paradox: Lambrusco is toegankelijk en onmiddellijk, maar hij vraagt beheersing om frisheid, structuur en stabiliteit samen te laten vallen.

Lambrusco wordt soms omschreven als mogelijk een van de oudste nog levende cultivars van Italië, ontstaan uit een lokale wilde wijnstok en uitgegroeid tot een grote druivenfamilie. Wie Lambrusco wil begrijpen, moet dus terug naar het begin: naar de wilde plant waaruit hij vertrekt, en naar de eeuwenlange weg waarop die plant langzaam een klassieker werd.

Van wilde rank naar wijngaard: domesticatie als sleutel

Lang vóór Lambrusco een naam werd, groeiden langs waterlopen en bosranden van de Povlakte wilde wijnstokken. Je ziet ze niet als keurige rijen, maar als ranken die hun weg zoeken, klimmen, licht vangen, verdwijnen en weer opduiken. Die wilde wijnstok, Vitis vinifera silvestris, spreekt tot de verbeelding, maar ze draagt ook een nuchtere beperking in zich. Veel wilde wijnstokken zijn tweehuizig: er bestaan mannelijke en vrouwelijke planten. Zonder de juiste buur en zonder bestuiving, geen druiven. Dat detail lijkt klein, maar het bepaalt mee waarom de stap van wild naar wijngaard ooit nodig werd.

Wie van zo’n plant wil leven, leert al snel dat je keuzes moet maken, en vooral dat je die keuzes moet kunnen bewaren. Domesticatie begint bij iets heel concreets: je schuift op van een wijnstok die vaak een buur nodig heeft om druiven te zetten, naar stokken die jaar na jaar betrouwbaarder dragen, ook als ze niet toevallig naast de juiste buur staan. Daarom begin je met de beste planten niet telkens opnieuw uit zaad, maar je zet ze voort via stekken (of afleggen), zodat dezelfde eigenschappen terugkeren in de volgende aanplant. Zo groeien door de tijd heen lokale varianten uit tot iets herkenbaars, steeds dichter bij wat we vandaag een cultivar noemen. Een vast type dat je telkens opnieuw kunt aanplanten.

In theorie kiest de wijngaard voor voorspelbaarheid, en verdwijnt het wilde naar de rand. Maar in de Povlakte liep dat anders. Omdat langs perceelsranden en waterlopen wilde stokken bleven opduiken, werd er op verschillende plekken geselecteerd en verder gezet. Elke boer nam als het ware zijn “beste” stok mee, en doordat die via stekken werd bewaard, werden lokale keuzes blijvende types.

In Emilia bleef die overgang daardoor minder strak afgelijnd, en precies daarom werd Lambrusco geen enkelvoudige druif, maar een familie van rassen met verschillende accenten. Bij sommige types speelt die oude biologie bovendien nog mee in de wijngaard: vruchtzetting is niet altijd vanzelfsprekend en kan zonder geschikte bestuiving beperkt of onregelmatig zijn. Lambrusco di Sorbara is daarvan het bekendste voorbeeld. Hij heeft functioneel vrouwelijke bloemen, waardoor hij een bestuiver nodig heeft en daarom vaak naast een ras als Lambrusco Salamino wordt aangeplant. Precies die combinatie van familievariatie en een wilde erfenis helpt verklaren waarom Lambrusco vandaag tegelijk herkenbaar en zo divers is.

Labrusca en piantata: van wilde groei naar geleid systeem

Vandaag is het vanzelfsprekend dat “Lambrusco” op het etiket staat. In de Romeinse tijd circuleerde in de Povlakte een ander woord voor dit type wijnstok: labrusca (later ook lambrusca). Dat was geen rasnaam, maar een herkenningswoord voor stokken die men als wild of halfwild zag, én tegelijk een streekwoord dat hoorde bij dit landschap.

Die labrusca riep ook een bepaald gedrag op. Het waren ranken die in het bos hun weg zochten, zich vastgrepen aan bomen en omhoog klommen naar licht en lucht. Zodra je zulke stokken naar de wijngaard haalt, moet je ze dus begeleiden zonder hun natuur te breken. Zo ontstaat een geleidingsvorm waarbij de wijnstok opnieuw mag klimmen, maar nu in dienst van de oogst: ranken die men langs bomen leidt, vaak langs iepen of andere steunbomen, boven het vochtige, vlakke land. Later krijgt dat systeem de naam piantata. Het maakt wijnbouw zichtbaar in het landbouwweefsel zelf: de wijnstok bovenaan, het werk op het land eronder.

Wanneer Rome wegen, steden en markten sterker met elkaar verbindt, wordt die lokale praktijk niet kleiner maar steviger. Het woord labrusca blijft rondzingen, het systeem blijft bruikbaar, en de wijnstok krijgt een vaste plek in een regio die haar landbouw steeds opnieuw organiseert. Niet omdat “Lambrusco” toen al een moderne wijn was, wel omdat hier de bedding wordt gelegd waarin een plaatselijke wijnstokfamilie kan blijven bestaan.

1670: Lambrusco wordt een naam

In de eeuwen na de oudheid wordt het stiller in de bronnen over wijnbouw in de Povlakte. Niet omdat de wijnstok verdwijnt, maar omdat het verhaal zich vooral afspeelt op het erf en in het dorp: kleinschalig en lokaal. Wijnbouw blijft bestaan waar hij praktisch blijft, dichtbij woonkernen en op percelen die men kan beheren.

Die stilte op papier heeft wel gevolgen voor de manier waarop wijnbouw wordt gedragen. Boomgeleiding en open veldsystemen vragen ruimte en organisatie. In onzekere tijden krimpt dat vanzelf, om later, wanneer het leven en het land weer stabieler worden, opnieuw op te duiken. Wat wél herkenbaar blijft, is het profiel van de lokale wijn: in beschrijvingen uit de omgeving Parma–Modena duiken wijnen op die geurig zijn en soms zelfs “schuimen”.

Het beslissende moment komt in 1670. Dan verschijnt “Lambrusco” expliciet als naam voor wijn in een lijst bestemd voor de kelder van kardinaal Rinaldo d’Este, een prominent lid van het huis Este. Dat lijkt een detail, maar het is een omslagpunt: vanaf dan is Lambrusco niet langer alleen een streekwoord of een losse aanduiding voor wilde wijnstokken, maar een benoemde wijn die men onderscheidt en noteert.

Lambrusco in de 18e en 19e eeuw: de weg naar een herkenbaar profiel

In de 18e eeuw bereikt de piantata in Emilia haar hoogtepunt, een landschap van wijnstokken die langs bomen omhoog klimmen en de streek jaar na jaar van druiven voorzien. Lambrusco hoort bij dat dagelijkse ritme. De wijn is er overvloedig en vanzelfsprekend, maar precies daardoor ook grillig: rijping en opbrengst verschillen sterk per plek en per jaar. Zolang Lambrusco vooral lokaal wordt gedronken, is dat geen bezwaar. Zodra een markt regelmaat begint te verwachten, wordt het wél een probleem.

In de 19e eeuw wordt die druk tastbaar. Schimmelziekten zoals oidium en later peronospora dwingen wijnbouwers om alerter en zorgvuldiger te werken, terwijl handel en transport tegelijk minder ruimte laten voor wisselvalligheid. Wie buiten de eigen omgeving wil verkopen, heeft een wijn nodig die herkenbaar blijft en onderweg standhoudt. In de wijngaard begint men daarom bewuster te kiezen welke Lambrusco-types het best presteren. In de kelder groeit de aandacht voor proper werken en beter bewaren, zodat oxidatie en ongewenste hergisting minder vat krijgen.

Daarmee wordt Lambrusco’s profiel scherper. Je proeft stilaan een duidelijke signatuur: vaak licht abboccato (met een restje zoetheid), geregeld met een prikkelende levendigheid. Botteling met restsuiker wordt steeds vaker ingezet om dat karakter vast te houden. De echte doorbraak, wanneer die sprankel betrouwbaar stuurbaar wordt, komt pas in de 20e eeuw.

20e eeuw: Lambrusco wordt modern en herontdekt zichzelf

De 20e eeuw is het moment waarop Lambrusco een herkenbaar, modern gezicht krijgt. Niet omdat de wijn plots “anders” wordt, wel omdat hij voortaan op grotere schaal en met meer controle wordt gemaakt, bedoeld om ook buiten de eigen streek constant te blijven. Coöperaties en later ook grote bottelaars bundelen volume, kennis en investeringskracht. Wat vroeger versnipperd gebeurde in talloze kleine kelders, wordt professioneler georganiseerd: betere hygiëne, strakkere controle op basiswijn en een betrouwbaarder pad van druif naar fles. Dat maakt Lambrusco consistenter, beter verkoopbaar en vooral makkelijker te herhalen.

De technische sleutel is de autoclave, een drukvaste tank (metodo Martinotti/Charmat). Daarmee wordt hergisting controleerbaar: niet langer afhankelijk van seizoenen, maar gestuurd in drukvaste tanks. Vroeger kon gisting in koude maanden stilvallen terwijl er nog suiker in de wijn zat, om in het voorjaar opnieuw te starten. Als de wijn dan al min of meer afgesloten was, bleef koolzuur deels gevangen en kreeg ze haar parelende karakter. Dat kon prachtig uitpakken, maar het bleef riskant: troebelheid, ontsporende hergisting en instabiliteit lagen altijd op de loer. De autoclave maakt precies dát beheersbaar en legt zo de basis voor Lambrusco als massaal herkenbare, sprankelende wijn.

Net daar ontstaat later de kentering. Het commerciële succes duwt de stijl in veel gevallen richting makkelijk, zoetig en uniform, met een imago dat voor fijnproevers al snel “banaal” werd. Die associatie keert zich tegen Lambrusco: de wijnwereld begint hem niet langer ernstig te nemen, en precies dat zet een tegenrevolutie in gang. Kleinere producenten willen opnieuw tonen wat de druiven en de herkomst kunnen, en zetten zich af tegen het dominante beeld door droger te werken, preciezer te selecteren en meer spanning toe te laten in plaats van alles rond te polijsten.

Techniek wordt daarbij opnieuw een onderscheidingsmiddel, maar nu in een andere richting. Naast de herwaardering van vrijere stijlen zoals metodo ancestrale of col fondo, kiezen sommige producenten expliciet voor tweede gisting op fles, vaak met langere rijping. Dat geeft een ander soort verfijning: niet alleen “sprankel”, maar ook textuur en meer complexiteit. Precies daar groeit de ruimte voor differentiatie: drogere interpretaties, scherpere expressie per cultivar en cuvées die niet op volume maar op karakter mikken.

Parallel loopt een bredere kwaliteitsrevolutie. In de wijngaard verschuift men naar rationelere geleidingssystemen en betere wijngaardzorg, met meer aandacht voor selectie en rijpingscontrole. In de kelder worden inox en temperatuurcontrole standaard, en men leert beter bottelen zonder zuurstofinvloed en zonder dat de sprankel wegloopt. Ook de gisting en hygiëne worden strakker beheerst, waardoor oxidatie, depot en instabiliteit veel minder kans krijgen. Zo wordt Lambrusco frisser, zuiverder en duidelijker gedefinieerd, terwijl net die tegenbeweging het oude imago begint los te weken. De weg van eenvoudige, suikerrijke rode sprankelwijn naar een Lambrusco met ambitie is ingezet; de erkenning volgt, langzaam maar zichtbaar.

Een heldere toekomst in het glas

Als deze tijdreis één ding duidelijk maakt, dan is het dit: Lambrusco is veel meer dan het beeld dat velen ervan meedragen. Achter dat ene woord op het etiket schuilt een uitzonderlijk lange geschiedenis. Wat vandaag in het glas levendig en soms sprankelend aanvoelt, steunt op een ontwikkeling van ongeveer 4.000 jaar waarin een lokale wilde wijnstok stap voor stap werd gekozen, verder gezet en herkenbaar gemaakt.

Die oorsprong verklaart meteen waarom Lambrusco geen enkelvoudige druif is, maar een familie met meerdere cultivars, elk met een eigen toon. En ze verklaart ook een detail dat je zelden proeft maar dat wel mee het verhaal draagt: niet elke Lambrusco is vanzelf vruchtbaar. Lambrusco di Sorbara is het bekendste voorbeeld. Hij is autosteriel en heeft in de wijngaard een bestuiver nodig. Dat soort biologie is precies het bewijs dat die wilde erfenis nooit helemaal is gladgestreken.

Voor mij maakt dat het slotbeeld helder. Lambrusco werd een klassieker niet door zijn wilde kant te verliezen, maar door haar te leren sturen. Eerst in de wijngaard, via selectie en ervaring, later in de kelder, via hergisting en gedurfde keuzes. En precies daarom kan Lambrusco vandaag opnieuw overtuigen: niet als zoet cliché, maar als een wijn met karakter, geschiedenis en een energie die je met open vizier moet ervaren.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

Friulano, identiteit in nuance

Afgelopen weekend dook ik mijn kelder in op zoek naar een geschikte wijn voor bij een zeevruchtenpasta. Van de feestdagen waren er nog restanten kreeft en langoustine over, veel te goed om achteloos te laten verdwijnen. Het gerecht vroeg om een wijn met inhoud. Na wat wikken en wegen viel mijn oog op een Russiz Superiore Friulano 2016 Collio DOC.

De combinatie werkte perfect. De wijn gleed moeiteloos door het gerecht heen en gaf het geheel extra diepte. Om eerlijk te zijn, zelfs als de pasta was mislukt, had de wijn nog altijd overeind gebleven. Zo’n glas dus dat niet alleen ondersteunt, maar ook gerust alleen kan schitteren. Het idee om Friulano eens grondig onder de loep te nemen, liet zich op dat moment vanzelf opdringen.

Friulano is zo’n druif die je niet overdondert bij de eerste slok, maar die je wel bijblijft. In het noordoosten van Italië, vlak bij de Sloveense grens, is hij uitgegroeid tot het witte uithangbord van Friuli-Venezia Giulia. Zijn kracht zit niet in een opvallende expressie, maar in finesse, textuur en een smaak die rustig doorloopt tot in de afdronk.

Toch is Friulano allesbehalve eenvoudig. Achter dat ingetogen karakter schuilt een verhaal vol omwegen, naamswissels en identiteitsvragen die jarenlang stof deden opwaaien. Het is precies die combinatie van discretie in het glas en complexiteit in de achtergrond die Friulano zo boeiend maakt.

De naam van de druif

Vandaag heet hij gewoon Friulano op het etiket. Dat lijkt helder, maar wie iets verder kijkt, merkt al snel dat die eenvoud vooral schijn is. Jarenlang stond de druif bekend als Tocai Friulano, een naam die uiteindelijk meer problemen dan duidelijkheid opleverde. De gelijkenis met Tokaji, de beroemde Hongaarse zoete wijn, leidde tot een lange juridische strijd waarin Hongarije met succes het alleenrecht op de naam afdwong.

Sinds die Europese uitspraak verdween Tocai van Italiaanse flessen en bleef Friulano over als officiële wijnnaam. Opmerkelijk genoeg leeft de oude benaming achter de schermen verder. In technische en administratieve contexten duikt Tocai Friulano nog geregeld op, wat betekent dat we in het dagelijkse taalgebruik eigenlijk de wijn benoemen, en niet strikt de druif.

Toch is daarmee niet alle verwarring van tafel. In Italië circuleren nog steeds verschillende erkende benamingen voor dezelfde druif, afhankelijk van regio en context. Zo wordt in Veneto ook de naam Tai gebruikt. In sommige zones duikt zelfs Tuchi op, een historische variant die vandaag zelden nog buiten administratieve lijsten verschijnt.

Buiten Europa mag de historische naam in sommige gevallen zelfs nog worden gebruikt, wat het verhaal extra complex maakt. Friulano heeft zich dus niet alleen in het glas moeten bewijzen, maar ook op papier en in rechtbanken.

Franse afkomst en sauvignonasse, eenvoud bestaat hier niet

Lang werd Friulano gezien als een inheemse Italiaanse druif, of door de hardnekkige Tokaji associatie zelfs als een mogelijke import uit Hongarije. Dat beeld is de voorbije decennia grondig bijgesteld. DNA onderzoek heeft de discussie opengebroken en genetische verbanden blootgelegd met een oude, grotendeels vergeten Franse druif. Dat leidde tot de conclusie dat Friulano samenvalt met wat in Frankrijk bekendstond als sauvignonasse. Op papier lijkt dat een elegante oplossing, in de praktijk blijkt het verhaal allesbehalve rechtlijnig.

Een groot deel van de verwarring zit in historisch naamgebruik. Eeuwenlang doken woorden als Tokai, Tocai, Toccai en Tokaj op in documenten, maar zelden met een duidelijke omschrijving van de gebruikte druif. In tijden zonder strikte regelgeving kon Tokai evengoed verwijzen naar een lokale variëteit, een ingevoerde druif, een blend of zelfs een stijl. Oude vermeldingen zijn daardoor verleidelijk, maar zelden sluitend bewijs voor wat we vandaag Friulano noemen.

Ook op het niveau van uiterlijk en druifkenmerken zorgde Friulano lange tijd voor verwarring. Hij lijkt sterk op Sauvignon blanc. Genoeg om jarenlang verkeerd te worden ingedeeld, zowel in wijngaarden als in onderzoekscentra. In Frankrijk werd het verhaal nog complexer door een wirwar aan namen. Naast sauvignonasse doken ook benamingen op als Sauvignon de la Corrèze en Sauvignon à Gros Grains. Daar kwam Sauvignon Vert bovenop, een naam die in sommige landen als synoniem werd gebruikt en elders naar een heel andere druif verwees. Het gevolg was een langdurige verwarring waarin namen en identiteiten door elkaar bleven lopen.

Wat DNA onderzoek wél heeft gedaan, is de discussie verplaatsen van romantische herkomstverhalen naar genetische aannemelijkheid. Daarbij kwam nog een belangrijk argument naar voren. Sauvignonasse blijkt ouderlijk materiaal te zijn van meerdere klassieke Franse rassen met een lange geschiedenis, waaronder Chenin Blanc. Zulke ouder-kindrelaties wijzen op een langdurige aanwezigheid binnen een Franse viticulturele context en maken een Franse oorsprong waarschijnlijker dan een Italiaanse. Tegelijk blijft het mogelijk dat de druif al vroeg in Noordoost-Italië aanwezig was onder andere namen, en dat pas later een duidelijke identificatie volgde.

De meest eerlijke samenvatting is deze. De genetica wijst richting Frankrijk, maar de historische naamvoering in Italië is zo diffuus dat absolute zekerheid moeilijk blijft. Friulano heeft helaas geen eenvoudige geboorteakte.

Wat wel vaststaat, is dat de druif haar definitieve identiteit in Friuli heeft gevonden. De eeuwenlange associatie met de naam Tocai, hoe verwarrend ook, maakte deel uit van dat proces. De Europese beslissing om Tocai exclusief aan Hongarije toe te kennen betekende het einde van een tijdperk, maar tegelijk het begin van een herpositionering.

Terroir, appellaties en hedendaagse expressie

Het kloppende hart van Friulano ligt onmiskenbaar in Friuli Venezia Giulia. Hier is de druif al decennialang een vaste waarde en behoort hij tot de meest aangeplante witte rassen. Het landschap speelt daarin een sleutelrol. Heuvels, koele luchtstromen uit de Alpen en de verzachtende invloed van de Adriatische Zee zorgen samen voor een klimaat waarin Friulano zijn natuurlijke evenwicht vindt.

Binnen de regio zijn er meerdere herkomstgebieden die elk hun eigen lezing van Friulano brengen. De bekendste liggen in en rond Collio, Colli Orientali en Isonzo, maar ook twee DOCG’s spelen een belangrijke rol in het hedendaagse verhaal van de druif.

Colli Orientali, beschut door de Julische Alpen, combineert hoogte met een koeler microklimaat en arme, mineraalrijke bodems. Het resultaat zijn precieze, frisse en vaak licht zilte Friulano-wijnen met spanning en lengte. Binnen dit gebied bevindt zich ook Rosazzo DOCG, een historisch heuvelplateau rond de abdij van Rosazzo. Hier krijgt Friulano extra diepte en structuur, vaak met meer concentratie en bewaarpotentieel, zonder zijn verfijnde karakter te verliezen.

Collio, of Collio Goriziano, tegen de Sloveense grens, geldt als een van de meest dynamische wijngebieden van Italië. Duurzame wijnbouw is hier geen modewoord maar een breed gedragen overtuiging. Organische en biodynamische praktijken vormen de basis voor wijnen met uitgesproken persoonlijkheid. In Collio ontstaan ook de meest uitgesproken interpretaties van Friulano, met langere schilweking, rijping in hout of amfora en een duidelijke focus op textuur en complexiteit.

Meer naar het westen, op de overgang tussen Friuli Venezia Giulia en Veneto, ligt Lison DOCG. Deze grensoverschrijdende appellatie vormt een historische schakel tussen beide regio’s en kent een zachter, maritiem beïnvloed klimaat. Friulano speelt hier een sleutelrol en levert doorgaans rondere, soepelere wijnen met een uitgesproken aromatische finesse. Lison toont hoe Friulano ook buiten de heuvelzones verfijning kan behouden, zij het met een ander accent.

Isonzo, dichter bij de rivier en de vlaktes, levert meestal de meest directe en fruitgedreven stijlen, steeds gedragen door de frisse ondertoon die Friulano typeert.

Buiten deze kerngebieden blijft de druif relatief zeldzaam. Hij komt nog beperkt voor in delen van Veneto en Lombardije en steekt net over de grens in Slovenië, waar hij bekendstaat als jakot, een speelse omkering van de oude naam tocai. Toch blijft Friulano in essentie een kind van zijn streek. Pogingen elders leveren zelden hetzelfde resultaat op, omdat hij sterk afhankelijk is van het koele, heuvelachtige landschap en de specifieke bodems van zijn thuisregio.

Hoewel het areaal in de tweede helft van de twintigste eeuw merkbaar is afgenomen door veranderende marktvoorkeuren en de impact van de naamswijziging, blijft Friulano vandaag stevig verankerd in de regio. Voor veel wijnbouwers is hij geen nostalgisch overblijfsel, maar een bewuste keuze.

Ampelografie

Friulano is een druif met een uitgesproken groeikracht en een duidelijk eigen gedrag in de wijngaard. De wijnstok is vitaal en productief, wat hem betrouwbaar maakt voor de wijnbouwer, maar tegelijk discipline vraagt. Zonder ingrijpen neigt hij naar overvloed, en precies daar schuilt het grootste risico. Overproductie vertaalt zich snel in vlakke, weinig expressieve wijnen. Ruimte, lucht en een doordachte snoei zijn dus een noodzaak.

De trossen zijn middelgroot en meestal piramidaal van vorm. De bessen zijn ovaal en kleuren bij rijpheid goudgeel. De schil is relatief dik maar soepel, het vruchtvlees sappig en vrij neutraal van aroma. Friulano dankt zijn expressie dan ook minder aan uitgesproken geurstoffen in de druif zelf, en meer aan textuur, balans en de manier waarop hij wordt begeleid in wijngaard en kelder.

Fenologisch gezien loopt Friulano iets later uit, wat hem beschermt tegen voorjaarsvorst. De bloei verloopt gemiddeld en de rijping volgt in de tweede helft van het seizoen. Hij rijpt niet extreem laat, maar vraagt wel voldoende warmte om volledig in balans te komen. Op koelere of slecht gekozen standplaatsen kan dat leiden tot spanning tussen rijpheid en frisheid.

De opbrengsten zijn doorgaans constant en voorspelbaar, al vraagt de druif extra aandacht richting het einde van het groeiseizoen. Bij natte omstandigheden is Friulano gevoelig voor rot en kan ook echte meeldauw een rol spelen. Met gericht bladwerk, opbrengstbeperking en een open loofwand blijft dat perfect beheersbaar.

Friulano en de renaissance van Italiaanse witte wijn

Friulano speelde een sleutelrol in de herwaardering van Italiaanse witte wijn vanaf de jaren zeventig. In de decennia voordien werden witte wijnen in grote delen van Italië gekenmerkt door oxidatie, slordige wijngaardarbeid en beperkte keldertechniek. Frisheid was zeldzaam, precisie nog zeldzamer. De introductie van roestvrij staal en temperatuurgecontroleerde fermentatie betekende een kantelpunt. Friuli Venezia Giulia behoorde tot de eerste regio’s die deze nieuwe aanpak voluit omarmden en zich profileerden als referentie voor moderne, frisse witte wijnen. Friulano stond daarbij centraal, naast zowel inheemse als internationale druiven.

Die vernieuwingsdrang vertaalt zich tot vandaag in de manier waarop Friulano wordt gemaakt. In zijn meest klassieke vorm levert de druif heldere, precieze wijnen met aroma’s van peer, appel en witte bloesem. De zuren zijn rijp en verfrissend, de alcohol blijft mooi in balans. Kenmerkend is de zachte textuur en de licht bittere toets in de afdronk die aan amandel doet denken. Die bitterheid geeft spanning, lengte en maakt de wijn bijzonder gastronomisch. Van eenvoudige antipasti tot verfijnde zeevruchten, Friulano voelt zich zelden misplaatst aan tafel.

Veel Friulano wordt vandaag gemaakt met een focus op frisheid en zuiverheid. Koele fermentaties en een zorgvuldige omgang met zuurstof leveren wijnen op die helder, precies en direct zijn. Dat werkt uitstekend, al schuilt er ook een keerzijde. Wanneer iedereen dezelfde aanpak volgt, dreigt het karakter van het terroir soms wat naar de achtergrond te verdwijnen.

Daarom kiezen sommige wijnmakers voor een andere weg. Met meer tijd op de fijne lie, een vleugje hout, schilweking of zelfs amfora krijgt Friulano een ruimer spectrum. De wijnen worden voller, gelaagder en winnen aan textuur en diepte. Het fruit wordt iets minder nadrukkelijk, maar maakt plaats voor complexiteit en een stijl die rustiger evolueert in het glas en vaak ook in de fles.

Een glas dat blijft hangen

De geschiedenis van Friulano is complex en soms verwarrend. Verdere DNA studies zullen zijn dubbelzinnige afkomst misschien ooit scherper kunnen kaderen. Zijn stijl daarentegen is helder en rechtlijnig. In het glas vertaalt zich dat naar finesse, spanning en die herkenbare amandeltoets die zacht blijft nazinderen.

Desondanks zal het nooit de meest modieuze druif worden en zal Friulano buiten zijn thuisregio voor velen onder de radar blijven. Misschien is dat net zijn charme. Wijnbars, sommeliers en nieuwsgierige wijnliefhebbers kunnen hier het verschil maken, want dat Friulano een gastronomische zegen kan zijn, heb ik zelf mogen ervaren. In de juiste context kan die combinatie zorgen voor momenten die blijven hangen, lang nadat het glas leeg is.

Boter in witte wijn – Van aroma tot textuur

Enige tijd geleden kreeg ik een mail met een eenvoudige vraag. Waarom smaken sommige wijnen zo duidelijk naar boter, terwijl andere daar geen spoor van vertonen. Het leek me een perfecte aanleiding om dieper te graven. Want ja, je kan daar snel een kort antwoord op formuleren, maar wie zich een beetje verdiept in wat er in de kelder gebeurt, merkt al gauw dat het verhaal rijker en boeiender is dan dat eerste antwoord doet vermoeden.

De botersmaak in wijn is een aroma dat bijna iedereen herkent, maar zelden onverschillig laat. Voor de ene wijnliefhebber is ze warm, rond en verleidelijk, voor de andere net te zwaar of zelfs storend. Wat vaak gemakshalve als één smaak wordt benoemd, blijkt in werkelijkheid het resultaat van meerdere bewuste keuzes in de kelder.

Achter dat romige, soms licht popcornachtige karakter schuilt een samenspel van processen. Diacetyl speelt daarin een centrale rol, maar het verhaal stopt daar niet. Ook rijping sur lies en houtlagering kunnen bijdragen aan een boterachtige indruk. Elk van die elementen doet dat op zijn eigen manier. Soms zit boter vooral in het aroma, soms eerder in het mondgevoel, soms subtiel op de achtergrond, soms nadrukkelijk aanwezig.

Wie begrijpt waar die verschillen vandaan komen, proeft wijn anders. Niet technischer, maar bewuster. Want boter in wijn heeft geen vaste betekenis. Ze is het resultaat van keuzes, timing en stijl. En precies dat maakt dit onderwerp zo interessant om verder uit te pluizen.

Diacetyl als chemische en sensorische sleutel

Diacetyl is de stof die verantwoordelijk is voor het herkenbare boteraroma in wijn. Het is die geur die kan doen denken aan room, warme boter of zelfs een vleugje popcorn. In gefermenteerde zuivel speelt diacetyl een hoofdrol en is het aroma vaak uitgesproken aanwezig. In wijn ligt dat gevoeliger. De hoeveelheden zijn meestal veel kleiner en bevinden zich soms zelfs rond de grens van wat we kunnen waarnemen. Toch kan diacetyl een wijn opvallend sturen in hoe rond, zacht of romig hij wordt ervaren.

Wie het technisch wil benoemen, kan zeggen dat diacetyl ook bekendstaat als 2,3 butaandion. Maar belangrijker dan de naam is het effect in het glas. Zelfs in kleine hoeveelheden kan diacetyl een disproportioneel grote invloed hebben op de stijl en beleving van een wijn.

Bij lage concentraties herken je diacetyl zelden meteen als boter. Het uit zich dan eerder als een zachte, romige indruk, met nuances van notig, licht toast of iets gistachtigs. Pas wanneer de hoeveelheid toeneemt, wordt het aroma duidelijk boterachtig en krijgt het een uitgesproken lactisch karakter. Die verschuiving gebeurt niet plots. Ze hangt af van de wijnstijl en van wat er nog meer in het glas aanwezig is. Wat in een volle Chardonnay als rond en aangenaam wordt ervaren, kan in een lichtere wijn al snel te zwaar of overheersend aanvoelen.

De oorsprong van diacetyl ligt in een biologisch proces dat veel wijnen doormaken, de malolactaatomzetting. Hoe dat proces verloopt en hoe ermee wordt omgegaan, bepaalt in grote mate of boter slechts een nuance blijft of een duidelijke stijlkeuze wordt.

Dat maakt diacetyl tot een bijzonder aroma. Het ligt nooit vast, maar reageert op timing, omgeving en intentie. Soms blijft het discreet op de achtergrond, soms drukt het een duidelijke stempel op de wijn. Precies die beweeglijkheid verklaart waarom boter in wijn zo sterk met stijl verbonden is, en waarom ze bij de ene wijnmaker bewust wordt opgezocht en bij de andere net wordt vermeden.

Malolactaatomzetting als instrument

In wijn is diacetyl onlosmakelijk verbonden met de malolactaatomzetting. Tijdens dit proces wordt het frisse en vaak scherpe appelzuur omgezet in zachter melkzuur. Sensorisch vertaalt zich dat van groene appel naar een ronder en zachter geheel. In diezelfde beweging ontstaat diacetyl, de stof die verantwoordelijk is voor het boteraroma.

Bij witte wijnen is deze omzetting geen vanzelfsprekendheid. Ze wordt bewust ingezet wanneer een wijnmaker meer rondheid of een boterachtig accent nastreeft. Veel witte wijnen behouden net hun frisheid door de malolactaatomzetting te vermijden. Dat maakt de keuze om ze wel toe te passen des te bepalender voor de uiteindelijke stijl.

Om die keuze ook effectief te kunnen maken, moet de malolactaatomzetting beheersbaar zijn. Ze wordt uitgevoerd door melkzuurbacteriën, maar dat gebeurt zelden op goed geluk. Wijnmakers willen dit proces kunnen sturen en beheersen, omdat het een duidelijke invloed heeft op smaak en stijl. Daarom wordt er gewerkt met bacteriën die zich betrouwbaar gedragen in wijn en voorspelbare resultaten geven. Oenococcus oeni is daarbij de meest gebruikte keuze. Ze zet appelzuur om zonder de wijn uit balans te brengen en laat de wijn toe om zachter en ronder te worden. Tegelijk speelt bij deze bacterie ook het metabolisme van citroenzuur een rol, wat mee aan de basis ligt van de vorming van diacetyl.

Wat deze fase extra boeiend maakt, is dat diacetyl geen blijvend eindpunt is. Het kan aanwezig zijn, verdwijnen en later opnieuw opduiken. Boter in wijn is dus geen vaststaand aroma, maar een moment in de evolutie van de wijn. Dat betekent dat de wijnmaker niet alleen invloed heeft op hoeveel boter ontstaat, maar ook op hoe lang die indruk blijft hangen. Tijd wordt hier een stilistisch instrument.

Hoe uitgesproken boter uiteindelijk aanwezig is, hangt af van een reeks keuzes. De gebruikte bacteriestam speelt daarbij een rol, net als het moment waarop de malolactaatomzetting wordt ingezet. Wanneer deze omzetting samenvalt met de alcoholische gisting, kan een deel van het boteraroma alweer verdwijnen. Wordt ze pas later gestart, dan krijgt diacetyl meer ruimte om zich te tonen. Ook het tempo waarin alles verloopt, maakt verschil. Een rustige en gecontroleerde omzetting bevordert doorgaans een duidelijkere boterexpressie, terwijl een snel verloop het effect kan afzwakken. Zelfs daarna blijft het boterkarakter gevoelig voor ingrepen en kan het tijdelijk naar de achtergrond verdwijnen om later opnieuw op te duiken.

In de kelder wordt vaak gesproken in culinaire beelden, en dat is niet toevallig. Brood en boter zijn meer dan metaforen. Ze verwijzen naar processen die elkaar aanvullen. Gisting, rijping en hout zorgen voor structuur en aromatische lagen, terwijl malolactaatomzetting de wijn afrondt en verzacht. Zelden staat één element op zichzelf. Zonder die verzachtende rol kan een wijn streng of hoekig blijven, terwijl boter zonder tegengewicht al snel vlak of zwaar wordt. Het is net de wisselwerking tussen die verschillende stappen die bepaalt of een wijn spanning en harmonie vindt.

De invloed van gist en lies

Hoewel diacetyl vooral met melkzuurbacteriën wordt geassocieerd, speelt gist een belangrijke rol in hoe boter in wijn tot uiting komt. Tijdens de alcoholische gisting produceren gisten kleine hoeveelheden diacetyl, maar die blijven doorgaans onder de waarnemingsdrempel. Belangrijker is wat er daarna met diacetyl gebeurt. Actieve gistcellen kunnen diacetyl verder reduceren tot minder aromatische verbindingen. Dat verklaart waarom wijnen waarbij alcoholische gisting en malolactaatomzetting tegelijk verlopen, vaak minder uitgesproken boter tonen. Gist werkt hier niet als bron, maar als regulator.

Na de gisting verandert de rol van gist ingrijpend. Wanneer wijn rijpt sur lies, blijft ze in contact met de fijne gistresten. Tijdens de autolyse komen verbindingen vrij die het mondgevoel verzachten en de wijn meer volume geven. Dit vertaalt zich in een romiger, rondere textuur die vaak als boterachtig wordt ervaren, ook wanneer er weinig of geen diacetyl aanwezig is.

Bâtonnage, het regelmatig oproeren van de lies, versterkt dit effect verder. Door de fijne gistresten opnieuw door de wijn te mengen, wint de wijn aan volume en mondvulling. Hij voelt breder en rijker aan, zonder noodzakelijk aan frisheid in te boeten. Het botergevoel dat hier ontstaat, verschilt duidelijk van dat van diacetyl. Het zit minder in de geur en meer in de structuur. De associaties verschuiven van gesmolten boter naar brioche, room en vers brood.

Hoewel sur lies rijping geen boteraroma creëert, beïnvloedt ze wel het kader waarin boter wordt waargenomen. Tijdens en na de malolactaatomzetting kan voorzichtig liescontact helpen om de wijn beter in evenwicht te houden. Nadien verschuift de impact volledig naar textuur. De wijn voelt voller, zachter en afgeronder aan. Zo kan een boterachtige indruk ontstaan zonder dat boter expliciet te ruiken is.

Houtlagering en aromatische context

Hout draagt zelf geen diacetyl aan, maar heeft een grote invloed op hoe boter in wijn wordt waargenomen. Door houtlagering ontstaat een aromatisch kader waarin boterachtige indrukken beter tot hun recht komen. Aroma’s van vanille, karamel en lichte toast versterken de indruk van romigheid en zorgen ervoor dat boter niet op zichzelf staat, maar deel wordt van een breder geheel.

In combinatie met malolactaatomzetting en rijping sur lies kan houtlagering bijdragen aan het klassieke profiel van een rijke, volle witte wijn, maar ze is geen voorwaarde om een boterige indruk te creëren. Boter is daarbij zelden het hoofdthema. Ze fungeert eerder als bindmiddel tussen fruit, hout en textuur. Zonder dat kader kan boter snel dominant worden. Met de juiste houttoets wordt ze geïntegreerd en gedragen. Wijnen die rijpen in inox, beton, amfoor of andere materialen missen dit houtkader, maar kunnen via malolactaatomzetting en liescontact evengoed een boterige indruk ontwikkelen, zij het met een ander accent.

Houtlagering hoeft daarbij niet uitsluitend in klassieke vaten te gebeuren. Ook andere vormen van houtgebruik kunnen, mits zorgvuldig gekozen en gedoseerd, bijdragen aan dat romige totaalbeeld. Het verschil zit minder in de vorm dan in de intentie. Te veel hout maakt een wijn log en eendimensionaal, te weinig laat boter op zichzelf staan.

Ook het type eik speelt een rol in de nuance. Franse eik legt vaak de nadruk op finesse en kruidigheid, terwijl Amerikaanse eik sneller associaties oproept met vanille en kokos. Slavonische eik bevindt zich daar vaak tussenin. Het zijn geen vaste regels, maar stijlaccenten die de wijnmaker kan inzetten om boter te sturen, te verzachten of juist iets meer profiel te geven.

Hoe zit het met boter in rode wijn?

Hoewel boter vooral met witte wijn wordt geassocieerd, is het zinvol om kort stil te staan bij wat malolactaatomzetting in rode wijn doet. In tegenstelling tot wit is deze omzetting bij rood vrijwel standaard. Ze draagt bij aan zachtheid, rondheid en een soepeler structuur. Het boteraroma zelf blijft daarbij meestal op de achtergrond. Niet omdat het afwezig is, maar omdat het zelden de kans krijgt om zich expliciet te tonen.

Rode wijn bevat een rijk palet aan fenolen en tannine die het aroma van diacetyl deels maskeren. Wat in witte wijn snel als boter wordt herkend, gaat in rode wijn op in de structuur. Het effect is vooral voelbaar in de mond. De wijn wordt minder streng, beter geïntegreerd en toegankelijker, zonder zijn identiteit te verliezen.

Daarnaast is diacetyl een reactieve verbinding die kan interageren met andere bestanddelen van wijn. In rode wijn is beschreven dat diacetyl kan reageren met kleurstoffen, wat mogelijk bijdraagt aan kleurstabiliteit en structurele samenhang. Die interacties zorgen ervoor dat diacetyl minder vrij beschikbaar blijft als aroma. Het boterkarakter wordt niet uitgespeeld, maar opgenomen in het geheel.

Boter als stijlkeuze

De aantrekkingskracht van boter in wijn hangt sterk samen met verwachting en context. Voor sommige wijnliefhebbers staat een romige toets voor comfort en rijkdom. Anderen zoeken net spanning, frisheid en precisie. Voor de wijnmaker is boter geen doel op zich, maar een stijlmiddel. Een resultaat van keuzes waarin wetenschap, techniek en smaak elkaar kruisen. Precies daarom is boter in wijn geen universele norm, maar een bewuste richting.

De vraag waarmee dit artikel begon, bleek al snel minder eenvoudig dan het antwoord dat ik haar meestal geef tijdens cursussen of proeverijen. Een boterige indruk in witte wijn ontstaat niet door één ingreep, maar door een samenspel. Zoals malolactaatomzetting, rust op de fijne lies, eventueel bâtonnage en soms houtlagering. Elk element draagt bij, maar geen enkel op zichzelf vertelt het hele verhaal. Achter dat romige gevoel schuilt meer nuance dan het glas op het eerste gezicht prijsgeeft.

Wie wijn zo benadert, proeft anders. En misschien is dat wel de essentie. Wijn laat zich niet herleiden tot één smaak of één verklaring. Ze nodigt uit tot vragen stellen, tot blijven ontdekken en blijven proeven.

Heb je zelf een vraag die om meer vraagt dan een snel antwoord, dan hoor ik die graag. Wie weet vormt ze het vertrekpunt van een volgend artikel.

Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

“Volgens Wikipedia is Lambrusco een Italiaanse wijn uit Emilia-Romagna en Lombardije, vernoemd naar de lambruscodruif. Hij bestaat in rood, rosé en wit, in zowel zoetere als drogere stijlen, en is vaak licht mousserend.”

Met die definitie in het achterhoofd starten we onze zondagse Lambrusco-reeks. Aan jullie om na afloop te beslissen of Wikipedia het volledig bij het rechte eind heeft, of dat er nog nuances te ontdekken vallen.

Een reeks wijden aan Lambrusco is misschien gewaagd. Dit is tenslotte een naam die lang opdook in lijstjes van “minst geliefde wijnen”, vaak door zijn zoete, eenvoudige imago. En toch willen we hem opnieuw bekijken. Lambrusco is immers een wijn die de voorbije jaren opvallend vaak opnieuw opduikt bij mensen die beroepshalve veel proeven.

Lambrusco is authentiek Italië in het glas. Een combinatie die prikkelt: meestal rood en bruisend, feestelijk én verrassend doordrinkbaar. De naam roept beelden op van zonnige wijngaarden, lange feestelijke tafels en het moment waarop een fles opengaat en iedereen even opkijkt. Het is een wijn met een zeldzame belofte: tegelijk licht en karaktervol, dorstlessend en toch complexer dan je op het eerste gezicht zou denken.

Een klassieker met een lange adem

Lambrusco heeft al een hele weg afgelegd in de Italiaanse wijngeschiedenis. Al eeuwenlang hoort hij bij het Italiaanse leven, als een bruisende rode wijn die niet bedoeld is om te imponeren, maar om plezier te geven: speels, lichtvoetig en uitnodigend. Het is een wijn die vanzelf op tafel komt, bij eten en gezelschap. Hij houdt het gesprek gaande en maakt gerechten net iets levendiger, alleen al door die frisse prikkel.

Die lange traditie verklaart meteen waarom Lambrusco niet in één vakje past. Lambrusco is geen “één wijn”, maar een familie van druivenvariëteiten die al generaties lang wordt aangeplant, met zijn oorsprong in Italië en vooral in Emilia-Romagna. Dat levert een brede waaier aan expressies op, met één duidelijke gemene deler: Lambrusco brengt sprankel in het glas.

Verderop in de reeks wordt duidelijk hoe groot die variatie kan zijn. Lambrusco kan verschillende gezichten tonen: van strak en verfrissend tot wat ronder en zachter, van droog tot soms een tikje zoeter. En ja, ook de klassieke stijl bestaat nog altijd: wijnen waarin het fruit duidelijk zoet en geconcentreerd is, gemaakt om makkelijk te behagen en vaak in grote volumes.

De herwaardering van vandaag vertrekt net van het andere uitgangspunt. Steeds meer producenten zetten in op droge en halfdroge versies, waarin het fruit jeugdig blijft en de spanning de hoofdrol speelt. Dat verschil proef je meteen, en het verklaart waarom Lambrusco vandaag opnieuw serieus genomen wordt.

De opkomst en het stigma: een wijn van zijn tijd

Buiten Italië kende Lambrusco zijn grote moment in de jaren 1970. Het was een wijn die perfect paste bij de tijdsgeest en bij een jong publiek: bruisend en toegankelijk. Maar net dat succes had een keerzijde. Het zoetere, “bubbly” karakter werd door wijnpuristen al snel weggezet als vrijblijvend. Leuk voor even, maar niet ernstig genoeg om echt mee te tellen.

Wat daarna volgde, is een scenario dat de wijnwereld goed kent: populariteit lokt schaalvergroting uit, en schaalvergroting duwt kwaliteit vaak naar de achtergrond. In de jaren 1980 en 1990 raakten buitenlandse markten overspoeld met flessen die vooral mikten op snelle verkoop. Veel Lambrusco’s werden overdreven zoet, soms zelfs wat artificieel van indruk, met een vlak profiel dat weinig vertelde over wat Lambrusco eigenlijk kan zijn.

“Vergelijk het met wat er in Frankrijk met Beaujolais Nouveau is voorgevallen. Het korte-termijnsucces gaf de regio zoveel zichtbaarheid, maar duwde tegelijk een stijl naar voren die het beeld van Beaujolais jarenlang heeft scheefgetrokken. Zelfs nu, ondanks grote vooruitgang en inspanningen, roept de naam bij velen nog altijd dat oude negatieve beeld op.”

Zo schoof de wijn stilaan van publiekslieveling naar cliché. Consumenten begonnen Lambrusco te associëren met plakkerige zoetheid en eenvoudige etiketten, terwijl intussen de internationale smaak opschoof naar “serieuzere” en meer gestructureerde wijnen. Lambrusco verdween daardoor steeds vaker naar de rand van de wijnkaart. Niet omdat de wijn ophield te bestaan, maar omdat het vertrouwen weg was. En dat is in wijn soms het moeilijkst terug te winnen.

De revival: hoe Lambrusco opnieuw “cool” werd

Het reputatieverlies van Lambrusco speelde vooral buiten Italië. In zijn thuisregio bleef hij gewoon deel van het dagelijkse leven: een wijn die je openmaakt bij eten, zonder veel poeha. Niet omdat hij “status” moet uitstralen, maar omdat hij doet wat hij moet doen aan tafel. Een wijn die past bij het ritme van het leven in Italië.

Net dat helpt om zijn comeback te begrijpen. Lambrusco wordt vandaag opnieuw bekeken vanuit zijn bedoeling: toegankelijk, makkelijk drinkbaar en gemaakt om bij eten te schenken. Dat sluit aan bij hoe veel mensen nu wijn kiezen. Minder zwaar, minder nadruk op kracht of hout, meer focus op drinkplezier en inzetbaarheid aan tafel.

Die heropleving gaat ook samen met een nieuwe generatie wijnmakers, en met gevestigde namen die hun stijl bewuster zijn gaan sturen. De focus verschuift weg van “zoet en bruisend” als standaardbeeld, richting een breder aanbod waarbij kwaliteit en aanpak opnieuw belangrijk worden. Bij sommige producenten zie je meer aandacht voor de manier waarop de bubbels worden gemaakt, met stijlen die fijner en verfijnder aanvoelen dan de klassieke frizzante-versies.

Ook de omgeving veranderde mee. Wijnbars en restaurants zetten Lambrusco vaker op de kaart omdat hij praktisch is: hij combineert makkelijk met allerlei gerechten. Dankzij zijn eigenschappen komt hij bijzonder goed tot zijn recht bij vettere of zoutere bereidingen. Het is geen toeval dat hij net in Emilia-Romagna, de gastronomische buik van Italië, altijd is blijven scoren. Daar hoort Lambrusco gewoon bij een tafel waar smaak en eten centraal staan. En omdat de Italiaanse keuken wereldwijd zo populair is, volgt de wijn mee: Lambrusco duikt opnieuw op in restaurants en wijnbars buiten Italië, dit keer met een positievere context.

Hoe drink je Lambrusco zoals hij bedoeld is?

Lambrusco drink je het best met één simpele gedachte: behandel hem niet als een klassieke rode wijn. Hij is gemaakt om aan tafel te staan. Twee principes volstaan om hem juist te benaderen.

Ten eerste is hij op zijn sterkst wanneer hij mag doen waarvoor hij bedoeld is: eten ondersteunen, smaken opfrissen en een maaltijd vlot laten doorlopen. Dankzij zijn zuren en zijn lichte sprankel werkt hij opvallend goed bij gerechten met wat meer vet, zout of umami. Daarom voelt Lambrusco zich zo thuis in een keuken waar gulheid en smaak centraal staan, en daarom past hij ook zo goed bij hoe we vandaag vaak eten: delen, verschillende schotels op tafel, informele momenten met veel smaak.

Ten tweede: serveer hem licht gekoeld. Dat bepaalt hoe je hem ervaart. Koeler geserveerd komt Lambrusco strakker over: de zuren vallen duidelijker op, het fruit blijft fris en de sprankel oogt verfijnder. Serveer je hem te warm, dan verliest hij net die levendigheid die hem zo geschikt maakt aan tafel.

En nog één praktische tip die je vanzelf ontdekt: Lambrusco werkt het best in gezelschap. Niet omdat het romantisch klinkt, maar omdat het simpelweg een wijn is die gemaakt is om te schenken, door te geven en opnieuw bij te vullen. Daar komt hij het best tot zijn recht.

Een vergeten icoon, eindelijk juist begrepen?

Lambrusco’s comeback lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: een wijn die te lang werd afgerekend op zijn zwakste exportversies, krijgt opnieuw aandacht voor wat hij óók kan zijn. Veel droger, preciezer, met meer aandacht in wijngaard en kelder. Het is een herwaardering die voortkomt uit betere flessen, betere keuzes en een publiek dat opnieuw bereid is te proeven zonder het oude beeld als uitgangspunt te nemen.

Maar de titel verdient ook een kritische noot. Is Lambrusco “eindelijk juist begrepen”? Door sommeliers, wijnbars en een groeiende groep liefhebbers misschien wel. Buiten die kring is het verhaal minder eenduidig. De klassieke, zoete en vaak eenvoudige stijl bestaat nog altijd, en wordt nog steeds ruim geproduceerd. Voor veel consumenten is dát nog steeds het referentiepunt. De reputatie schuift dus wel, maar ze is niet overal gekanteld. Wie “Lambrusco” zegt, zegt nog niet automatisch “kwaliteit”. Je moet nog altijd weten wat je koopt, en van wie.

Toch is er reden om optimistisch te zijn. Consumenten worden nieuwsgieriger en producenten leggen de lat hoger. Dat helpt Lambrusco, omdat zijn sterkste versie niet gebouwd is op suiker of effect, maar op balans en bruikbaarheid aan tafel.

Dus ja, Lambrusco wordt opnieuw ontdekt. Alleen is het werk nog niet af. Misschien is dat ook precies de juiste conclusie voor dit openingsartikel: Lambrusco is terug, maar of hij “eindelijk juist begrepen” is, hangt af van welke fles je opent.

Volgende week kijken we terug: van wilde wijnstok tot klassieker, en hoe Lambrusco zich van Romeinse tijden tot vandaag ontwikkelde tot één van Italië’s oudste wijnfamilies.