Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago

šŸ· Inleiding – Lambrusco: van verguisd naar verfijnd

Wat is dat toch met Lambrusco de laatste tijd?
Plots hoor je overal nieuwe geluiden over deze ooit zo verguisde wijn. De naam duikt weer op in wijnbars, op kaarten van Italiaanse trattoria’s en zelfs in gesprekken tussen sommeliers. En dat terwijl ik Lambrusco zelf jarenlang heb afgedaan als ā€œpompbakwijnā€, de ā€œCoca-Cola onder de Italiaanse bubbelsā€. Een zoete, roodschuimende wijn die vooral de Amerikaanse fastfoodcultuur bediende. Tot voor kort had ik er geen goed woord voor over.

Tot die ene dag.
Tijdens mijn opleiding tot Italian Wine Ambassador verzorgde Master of Wine Gabriele Gorelli de allereerste masterclass van de cursus. Onderwerp: Lambrusco. Mijn verwachtingsniveau? Lager dan laag.
Maar nog voor Gorelli aan zijn tweede zin toe was, voelde ik mijn houding kantelen. Zijn bevlogenheid, zijn kennis, maar vooral het verhaal achter deze wijn trokken me recht uit mijn scepsis. Lambrusco bleek geen grap, geen relikwie uit de jaren ’80, maar een levende, complexe wijnfamilie met diepe wortels in de Italiaanse geschiedenis.

Wist je dat Lambrusco waarschijnlijk ƩƩn van de oudste druivenrassen van Italiƫ is, met een oorsprong als wilde wijnstok? En dat er niet ƩƩn Lambrusco bestaat, maar twaalf verschillende variƫteiten. Elk met hun eigen karakter, terroir en stijl? Tijdens de proeverij die volgde, proefde ik geen zoet plakkerig drankje, maar frisse, droge, verfijnde wijnen. Apart en niet alledaags, zeker, maar het contrast met mijn vooroordelen kon niet groter zijn.

Dat moment werkte als een vonk.
Sindsdien werd ik genoeg getriggerd om mezelf ertoe te zetten me te verdiepen in de wijn die ik nooit wist te appreciƫren, en eindelijk te begrijpen waarom hij het verdient om herontdekt te worden.

Daarom deze nieuwe zondagse reeks ‘Lambrusco op zondag – tien weken lang schaven aan het imago’: een ontdekkingsreis langs de geschiedenis, druiven, regio’s en smaken van Lambrusco.

šŸ‡ Wat mag je verwachten?

  1. Wat is Lambrusco?
    We trappen af met de comeback van een vergeten icoon. Hoe een wijn die ooit synoniem stond voor zoetigheid en eenvoud vandaag opnieuw respect afdwingt.
  2. Van wilde wijnstok tot klassieker
    De geschiedenis van Lambrusco: van Romeinse tijden tot hedendaagse heropleving. Hoe een wilde druif evolueerde tot ƩƩn van Italië’s oudste wijnfamilies.
  3. Waar groeit Lambrusco?
    We trekken naar Emilia-Romagna en Mantova, waar de wijn zijn ziel vindt in vruchtbare bodems, zachte heuvels en een uitgesproken eet- en wijncultuur.
  4. Hoe wordt Lambrusco gemaakt?
    Van Charmat tot Classico en Ancestrale: de verschillende vinificatiemethoden die de stijl, structuur en verfijning van Lambrusco bepalen.
  5. De Lambrusco-familie
    Een fascinerende stamboom van twaalf belangrijke variĆ«teiten — met een hoofdrol voor Sorbara, Salamino en Grasparossa.
  6. Sorbara & Lambrusco di Sorbara DOC
    De elegante, florale expressie van Lambrusco. Licht, levendig en verrassend verfijnd.
  7. Salamino & Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC
    De fruitige, evenwichtige middenstijl: soepel, charmant en veelzijdig aan tafel.
  8. Grasparossa & Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    De krachtigste van het trio: donker, intens en vol karakter.
  9. Meer dan de grote drie
    We ontdekken de overige appellaties, van Reggiano tot Modena, die het brede smaakpalet van Lambrusco vervolledigen.
  10. Lambrusco aan tafel
    Waarom Lambrusco zo’n uitzonderlijke gastronomische begeleider is — en hoe hij gerechten tot leven brengt.
  11. Bonus: Masterclass Lambrusco
    Een afsluitende proefsessie met 8 tot 10 wijnen, waarin we alles samenbrengen wat we onderweg hebben geleerd.

Deze reeks is er voor nieuwsgierige wijnliefhebbers, ontdekkers en fijnproevers die hun blik willen verruimen. Elke zondag schenken we je een nieuw hoofdstuk over Lambrusco: boeiend, verdiepend en vooral verfrissend anders.
Tijd om deze sprankelende Italiaan opnieuw op het schavot te plaatsen, en hem te proeven zoals hij echt bedoeld is.

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, LiguriĆ« of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passƩ, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ā€˜pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ā€˜boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiƫntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiĆ«nt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiĆ«nter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers Ʃn consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif Ʃn druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden Ʃn arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

HeroĆÆsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals LiguriĆ« en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In LiguriĆ« spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroĆÆsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieĆ«n die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, ƩƩn gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galiciƫ bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor AlbariƱo. In Argentiniƫ is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ā€˜grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentiniƫ en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geĆÆrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ā€˜modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

Aciditeit in wijn: ruggengraat, smaakmaker en hoeder van kwaliteit

We zijn al jarenlang actief in verschillende wijnclubs en geven intussen meer dan twintig jaar wijnopleidingen, waaronder de basiscursus wijnproeven. En telkens opnieuw laait dezelfde discussie op: de zuurtegraad van wijn. Of het nu over wit of rood gaat, de aanwezigheid van zuren blijft een bron van meningsverschillen.

Proeven is geen exacte wetenschap, maar wie zich wil verdiepen in het onderwerp, vindt net in die exacte wetenschap de nodige helderheid. Tijdens het proeven lijkt het eenvoudig: speekselaanmaak in de mond betekent dat er zuren aanwezig zijn. In werkelijkheid ligt het een stuk complexer.

Zuur: meer dan een bijsmaak

In het dagelijks taalgebruik klinkt zuur vaak negatief: zuurpruim, iemand het leven zuur maken, zure regen. Ook aan tafel roept het woord soms weerstand op. Een gerecht dat ā€œzuurā€ wordt genoemd, lijkt plots minder verfijnd, alsof zuur gelijkstaat aan fout. Toch is dat een misvatting. In wijn is zuur geen tegenstander maar een essentieel onderdeel van het geheel.

Zuur geeft spanning en richting aan een wijn. Het is de structuur die de aroma’s draagt, het ritme waarop smaak en textuur zich ontvouwen. Het maakt een wijn levendig, zuiver en doordrinkbaar. Een wijn zonder zuur is als muziek zonder maat, een schilderij zonder contrast. Zonder zuur verliest wijn zijn spanning en drinkbaarheid.

Zuren wekken speeksel op, prikkelen de tong en doen de mond licht samentrekken, waardoor de wijn dynamiek krijgt. Dat kleine moment van weerstand maakt de proever alert en prikkelt tot aandacht.

In evenwicht zijn zuren een teken van vitaliteit. Ze accentueren fruit, verlengen de afdronk en laten een wijn groeien in de fles. Een goed gemaakte wijn toont zuur niet als scherpte, maar als spanning.

pH: de kern van zuurbegrip

De zuurgraad van wijn drukken we uit in pH, een begrip dat op het eerste gezicht wat abstract klinkt, maar in de praktijk veel vertelt over de persoonlijkheid van een wijn. De pH meet de concentratie vrije waterstofionen (H+) in een vloeistof. Hoe meer van die ionen aanwezig zijn, hoe lager de pH, en hoe zuurder de vloeistof aanvoelt. Zuiver water heeft een pH van 7 en is neutraal. Wijn bevindt zich meestal tussen 2,8 en 4, en zit dus duidelijk in het zure gebied.

Om dat in perspectief te plaatsen: cola heeft een pH rond 2,5 en is dus nog iets zuurder, terwijl fruitsap ongeveer 3,5 haalt. Toch smaakt wijn frisser en levendiger dan cola, omdat smaak niet enkel afhangt van de pH. Suiker, koolzuur, temperatuur en aroma’s spelen mee in de manier waarop zuur ervaren wordt.

Voor de wijnmaker is pH geen theoretisch cijfer maar een praktische leidraad. Een kleine wijziging van 0,1 op de pH-schaal kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit en de smaak van de wijn. Een nuance die nauwlettend wordt opgevolgd tijdens de vinificatie.

De pH beĆÆnvloedt onder meer:

  • De microbiologische stabiliteit: bij een lage pH hebben ongewenste bacteriĆ«n en gisten veel minder kans om zich te ontwikkelen.
  • De kleur en frisheid van rode wijn: anthocyanen, de kleurstoffen uit druivenschillen, blijven stabieler bij lagere pH-waarden.
  • De werking van zwaveldioxide (SOā‚‚): dit natuurlijke conserveermiddel is veel effectiever bij lage pH, waardoor minder hoeft te worden toegevoegd.
  • Oxidatie en bruining: bij een hogere pH oxideert wijn sneller, wat vooral bij witte wijn kan leiden tot kleurverandering en doffe aroma’s.
  • De klaring en eiwitstabiliteit: de pH beĆÆnvloedt hoe goed stoffen zoals bentoniet onzuiverheden kunnen binden en verwijderen.

Een wijn met lage pH is dus frisser, stabieler en doorgaans beter bewaarbaar. Een hogere pH maakt de wijn zachter, ronder en toegankelijker, maar ook gevoeliger voor oxidatie en bederf. Het is de taak van de wijnmaker om dat evenwicht te vinden: genoeg zuur voor levendigheid, niet te veel om scherpte te vermijden.

Daarom wordt pH vaak al tijdens de oogst gecontroleerd. Ze is als een kompas dat de wijnmaker vertelt waar de balans tussen frisheid, kracht en stabiliteit ligt.

Zuur en SOā‚‚: de beschermers van het evenwicht

Zuur en zwaveldioxide (SOā‚‚) zijn twee natuurlijke pijlers die samen de stabiliteit van wijn ondersteunen. Zuren zorgen voor frisheid en spanning, terwijl SOā‚‚ een beschermende rol speelt tegen oxidatie en ongewenste micro-organismen.

Dit hoofdstuk gaat niet over de overtuiging van een wijnmaker om al dan niet SOā‚‚ toe te voegen, en evenmin over het debat rond het nut of de wenselijkheid van die toevoeging. Het is een eenvoudige, neutrale weergave van hoe SOā‚‚ functioneert binnen het natuurlijke evenwicht van wijn.

Zwaveldioxide is namelijk niet louter een toevoeging. Het ontstaat ook spontaan tijdens de gisting, als natuurlijk bijproduct van gistactiviteit. In elke wijn is dus van nature een kleine hoeveelheid aanwezig, zelfs wanneer men niets extra toevoegt.

Wanneer een wijnmaker wél extra SO₂ gebruikt, doet hij dat doorgaans om een fragiel evenwicht te beschermen. De effectiviteit ervan hangt sterk af van de pH van de wijn. Bij een lage pH is het actieve, beschermende deel van SO₂ sterker aanwezig. Naarmate de pH stijgt, vermindert dat effect en is er meer nodig om dezelfde bescherming te bieden.

Het gebruik van SOā‚‚ is geen zwart-witverhaal, maar een kwestie van nuance en ervaring. Te veel kan de wijn afsluiten of ruwer maken, te weinig maakt hem kwetsbaar voor oxidatie en bederf. In warme jaren, waarin druiven vaak een hogere pH hebben, vraagt dit om bijzonder fijngevoelig werk.

Goed gebruikt fungeert SOā‚‚ als een stille wachter: onzichtbaar, maar cruciaal in het bewaren van evenwicht, frisheid en zuiverheid. Dat gebeurt niet tegen de natuur in, maar in samenwerking ermee.

Titratie en pH: twee verschillende meetschalen

Om de zuurtegraad van wijn goed te begrijpen, volstaat ƩƩn meting niet. Naast de pH gebruiken wijnmakers ook de titratie van zuren, uitgedrukt als titratable acidity (TA). Beide cijfers zeggen iets over het zuur in wijn, maar ze meten niet hetzelfde.

De pH vertelt hoeveel van de aanwezige zuren actief zijn, of met andere woorden: hoeveel vrije waterstofionen (H⁺) op dat moment in de wijn rondzweven. Die ionen bepalen de scherpte, de frisheid en de microbiologische stabiliteit van de wijn.

De titratable acidity (TA) daarentegen drukt uit hoeveel zuur er in totaal aanwezig is, of het nu actief is of niet. Ze meet de totale potentiƫle hoeveelheid protonen die vrijkomt als men het zuur zou neutraliseren. De waarde wordt meestal weergegeven in gram wijnsteenzuur per liter.

Daarom kunnen twee wijnen met dezelfde TA heel verschillend smaken. Een wijn met hoge pH en hoge TA kan zacht en rond overkomen, terwijl een wijn met lage pH en gelijke TA juist levendiger en strakker smaakt. Het gaat dus niet alleen om hoeveel zuur er is, maar vooral om hoe dat zuur zich gedraagt in de wijn.

Voor wijnmakers is het samenspel van pH en TA cruciaal bij het sturen van stijl en stabiliteit. De pH geeft directe informatie over hoe de wijn zich gedraagt tijdens de gisting, rijping en bewaring. TA helpt vooral bij het vergelijken van wijnen of bij het beoordelen van balans in smaak.

Schommelingen van TA tijdens de gisting
Tijdens de gisting daalt de totale zuurgraad (TA) doorgaans licht, omdat wijnsteenzuur zich bindt tot kalium en neerslaat als kaliumbitartraat. In sommige rode wijnen kan de TA echter tijdelijk stijgen door de vorming van succinzuur, een natuurlijk bijproduct van de gisting dat door bepaalde giststammen in hogere concentraties wordt geproduceerd.

Vorming van wijnsteenzuurkristallen (kaliumbitartraat)

Zuur is in wijn geen vaststaand gegeven. Ook na de gisting blijft het in beweging. Een van de meest zichtbare gevolgen daarvan is het neerslaan van wijnsteenkristallen, in de kelder beter bekend als kaliumwaterstoftartraat of kaliumbitartraat (KHT).

Deze kristallen ontstaan wanneer wijnsteenzuur, het meest stabiele en dominante zuur in wijn, gedeeltelijk reageert met kaliumionen die van nature in druiven aanwezig zijn. In oplossing blijft dit kaliumwaterstoftartraat nog zuur van aard, maar zodra de wijn wordt blootgesteld aan lagere temperaturen of veranderingen in samenstelling, kan het uitkristalliseren en neerslaan.

Pas op dat moment verdwijnt dit zout effectief uit de wijn, wat een subtiele maar meetbare invloed heeft op zowel de pH als de titratable acidity (TA):

  • Bij een lage pH (onder 3,65) daalt de pH nog iets verder, samen met de TA.
  • Bij een hogere pH (boven 3,65) stijgt de pH licht, terwijl de TA toch afneemt.

Voor de wijnmaker is dit proces belangrijk om te begrijpen, omdat het natuurlijke zuur-evenwicht van de wijn ook na de gisting kan blijven evolueren. Wanneer wijnsteen neerslaat, vermindert het effectieve zuurgehalte van de wijn licht, waardoor de smaak iets ronder en zachter wordt. In zeldzame gevallen waarin de zuurbalans bewust werd bijgestuurd (bijvoorbeeld in warme oogstjaren) kan een deel van die correctie later deels worden geneutraliseerd door deze kristalvorming.

Om dit gecontroleerd te laten verlopen, passen wijnmakers vaak koude stabilisatie toe. Daarbij wordt de wijn gekoeld zodat overtollige wijnsteen zich in het vat afzet en niet later in de fles verschijnt.

Voor de consument zijn deze kristallen volkomen onschadelijk, al worden ze soms verward met glasdeeltjes of fouten. In werkelijkheid zijn ze een natuurlijk teken van een weinig bewerkte wijn.

De oorsprong en rol van zuren in wijn

Zuren zijn geen toevalstreffers in wijn, maar het natuurlijke resultaat van wat in de druif gebeurt vóór en tijdens de gisting. Hun concentratie en samenstelling worden bepaald door het druivenras, het klimaat en de rijpheid bij de oogst.

De belangrijkste zuren zijn wijnsteenzuur en appelzuur.

  • Wijnsteenzuur is het meest stabiele en karakteristieke wijnzuur. Het vormt de ruggengraat van de zuurgraad en blijft nagenoeg onveranderd tijdens de gisting.
  • Appelzuur is levendiger en scherper van smaak. Tijdens de zogenaamde malolactische gisting zetten melkzuurbacteriĆ«n het om in melkzuur, dat zachter en romiger aanvoelt. Rode wijnen ondergaan dit proces meestal volledig, waardoor ze ronder en stabieler worden. Bij witte wijnen wordt het vaak bewust vermeden om hun frisse spanning te bewaren.

Naast deze twee hoofdrolspelers komen er ook kleinere hoeveelheden citroenzuur en succinezuur voor. Citroenzuur draagt subtiel bij aan frisheid, terwijl succinezuur, gevormd tijdens de alcoholische gisting, een licht ziltig of bitter accent kan toevoegen dat de complexiteit verhoogt.

In zoete witte wijnen, zoals Sauternes of Trockenbeerenauslese, krijgt zuur een andere betekenis. Daar fungeert het als tegengewicht voor de suikers. Zonder voldoende zuur zouden deze wijnen log of plakkerig aanvoelen. Met de juiste dosis zuurgraad blijven ze fris, spannend en elegant.

Klimaat en rijpheid

Niet alleen de chemie, ook de natuur bepaalt hoeveel zuur in een wijn aanwezig is. De hoeveelheid zuur in wijn wordt al bepaald lang vóór de oogst. Tijdens de groei slaan druiven zuren op in hun bessen. In het vroege stadium zijn die zuren, vooral wijnsteenzuur en appelzuur, in hoge concentraties aanwezig. Naarmate de druif rijpt en de temperatuur stijgt, beginnen die zuren langzaam af te breken door natuurlijke ademhaling.

In warme klimaten verloopt dat proces sneller. De druif ademt haar zuur uit, terwijl ze tegelijk meer suikers opbouwt. Het resultaat is een wijn met rijp fruit, hogere alcohol en lagere zuurgraad. Zulke wijnen kunnen rond en zwoel aanvoelen, maar missen soms spanning. Wijnmakers grijpen daar soms in door wat wijnsteenzuur toe te voegen of door vroeger te oogsten om het evenwicht te bewaren.

In koelere regio’s gebeurt net het omgekeerde. De druif rijpt trager, houdt meer zuur vast, maar produceert minder suiker. Dat levert frissere, levendigere wijnen op met een lager alcoholgehalte. Het risico daar is dat de zuren te dominant worden, waardoor de wijn streng of onrijp kan smaken.

De kunst van de wijnmaker zit precies in het kiezen van het juiste oogstmoment, wanneer suiker en zuur in evenwicht zijn. Dat moment kan per perceel of druivenras verschillen, en vraagt ervaring, kennis en soms ook durf.

Hoe proeven we zuur?

Zuur is een van de eerste smaaksensaties die we waarnemen wanneer wijn de mond raakt. Zodra de wijn zich vermengt met speeksel, komen de vrije waterstofionen in contact met de smaakreceptoren op de tong en het zachte gehemelte. Deze receptoren sturen elektrische signalen naar de hersenen, waar ze worden gecombineerd met indrukken van zoetheid, bitterheid, aroma en textuur.

Zuur voelen we niet alleen als een smaak, maar ook als een fysieke prikkel: het doet de speekselklieren werken, laat de tong licht samentrekken en wekt een gevoel van spanning in de mond. Die reactie is een verdedigingsmechanisme van het lichaam tegen te sterke zuren, maar in wijn zorgt het juist voor levendigheid en verfrissing.

Niet iedereen ervaart zuur even sterk. Leeftijd, speekselproductie, temperatuur van de wijn en zelfs het moment van de dag kunnen de gevoeligheid beĆÆnvloeden. Wie veel frisse wijnen proeft, ontwikkelt een zekere gewenning, waardoor dezelfde wijn voor een beginnende proever veel scherper kan lijken dan voor een ervaren degustator.

De zuursensatie wordt bovendien nooit op zichzelf beleefd. Zoet (uit suiker, alcohol of glycerol) verzacht het zuur en maakt het ronder. Bitterheid en tannine versterken het tegenovergestelde effect en laten de wijn strakker en pittiger overkomen. Daarom kan een wijn met identieke pH totaal anders aanvoelen afhankelijk van zijn restsuiker, textuur of houtlagering.

Wijnproevers gebruiken woorden als fris, levendig, pittig of verkwikkend voor goed geĆÆntegreerd zuur. Bij overdaad spreken ze van scherp, agressief of groen, terwijl een gebrek aan zuur de wijn vlak of log maakt. Het geheim van een grote wijn ligt vaak precies in die fragiele grens: genoeg zuur om spanning te geven, maar niet zoveel dat het het geheel overheerst.

Conclusie

Aciditeit is geen detail, maar de ruggengraat van wijn. Ze bepaalt frisheid, balans, aromaprofiel, microbiologische stabiliteit en bewaarpotentieel. pH en TA samen geven inzicht in het zuur-evenwicht, maar in de praktijk is pH vaak de doorslaggevende graadmeter voor kwaliteit en levensduur.

Cola mag dan op papier zuurder zijn, in wijn is zuur geen toevallig bijproduct maar een zorgvuldig bewaakte structuurdrager. Het houdt de wijn levend, zuiver en spannend. Een wijn zonder zuur verliest zijn ziel, een wijn met goed geĆÆntegreerd zuur blijft groeien, verleiden en verrassen.

De onderstok: wortels met een buitenlands paspoort

Wie door een wijngaard slentert, denkt al snel aan zon, druiven en wijn. Weinigen staan stil bij wat daar eigenlijk groeit. Want die ogenschijnlijk eenvoudige stokken bestaan meestal uit twee delen, netjes op elkaar gezet als een botanisch duo. Bovenaan: een Europees druivenras dat sappige besjes voortbrengt. Onderin: een Amerikaanse onderstok die met beide voeten stevig in de grond staat Ʃn ongewenste beestjes buitenhoudt.

Dat samengestelde bestaan is vandaag de norm, maar het is er niet gekomen uit liefde op het eerste gezicht. Het had meer weg van een verstandshuwelijk, gesloten onder druk van een gemeenschappelijke vijand. Die vijand? Een minuscuul luisje dat zich in de 19de eeuw door de Europese wortels werkte: phylloxera. De druifluis veroorzaakte een ware catastrofe in de wijngaarden en bracht de wijnbouw tot op de knieƫn.

De redding kwam van overzee. Amerikaanse stokken, die deze druifluis al langer kenden en overleefden, boden de oplossing. Europese druivenrassen werden op deze onderstokken geƫnt. Geen romantisch sprookje, eerder een verplichte blind date, maar wel eentje dat werkte. En tot op vandaag standhoudt.

We willen wel volledig zijn: niet elke wijnstok is gedwongen in het huwelijksbootje gestapt. Er bestaan nog altijd uitzonderingen, stokken die fier op eigen wortels staan en niet geƫnt zijn op een Amerikaanse onderstam. Die noemen we franc de pied. Een zeldzaam soort eigenzinnige vrijgezel in een wereld vol verstandshuwelijken. Laten we hopen dat ze resistent blijven tegen toekomstige plagen, want plan B is intussen druk bezet.

Meer dan alleen een schild tegen phylloxera

Door Amerikaanse stokken als onderstam te gebruiken en daarop Europese druivenrassen te enten, kon men de plaag ontwijken zonder afscheid te nemen van vertrouwde druiven als Riesling, Tempranillo of Chardonnay. Een biologisch huzarenstukje, dat niet alleen de wijnbouw redde maar ook nieuwe fundamenten legde voor hoe wijnstokken vandaag functioneren.

Want vanaf dat moment werd de wijnstok niet langer als ƩƩn ondeelbaar geheel beschouwd. Wat boven de grond groeit en wat zich daaronder afspeelt, zijn sindsdien twee afzonderlijke componenten geworden, elk met hun eigen kenmerken, sterktes en zwakheden. De onderstok werd een selecteerbaar, stuurbaar element. Hij is een bepalende factor in hoe een wijnstok zich ontwikkelt en hoe hij zich aanpast aan zijn omgeving.

Dat inzicht heeft de manier van aanplanten drastisch veranderd. De bodem werd geen neutraal gegeven meer, maar een bepalende factor in het plantplan. Want niet alleen de druivensoort moest passen bij het terroir, ook de onderstok moest afgestemd worden op het profiel van de grond. Kalkrijk of zuur? Diep of juist oppervlakkig? Droog of net vochtig? De juiste onderstokkeuze werd een soort ondergrondse architectuur, waarop het hele groeiproces voortbouwt.

Enten: chirurgische precisie met toekomstimpact

Enten is in essentie een subtiel spel van samenvoegen en laten vergroeien. Het edele druivenras, dat verantwoordelijk is voor de smaak en kwaliteit van de wijn, wordt als jonge ent samengebracht met een zorgvuldig gekozen onderstok. Die onderstok vormt de wortelstructuur van de plant en bepaalt in grote mate hoe de stok zich zal gedragen in de bodem.

Hoewel het principe al eeuwenlang wordt toegepast – ook bij fruitbomen bijvoorbeeld – is de uitvoering in de wijnbouw vandaag bijzonder verfijnd. De inkepingen waarmee ent en onderstok in elkaar worden geschoven, zijn tot op de millimeter afgemeten. Het contactoppervlak moet perfect aansluiten om een vlotte vergroeiing mogelijk te maken. Die vergroeiing gebeurt op celniveau, en elk detail telt: de snijhoek, de vochtigheidsgraad, de temperatuur, en zelfs het moment van de dag waarop geĆ«nt wordt.

De handeling zelf gebeurt manueel of machinaal, vaak met een toestel dat inderdaad verdacht veel weg heeft van een naaimachine, maar dan voor planten. Na het enten worden de jonge stokken in een warme, vochtige omgeving geplaatst, waar ent en onderstok rustig kunnen samengroeien. Pas als de ent en de onderstok als ƩƩn geheel functioneren, mogen de planten naar buiten, richting serre of tijdelijk veld, waar ze verder uitgroeien tot meer robuuste stokken.

Het enten vraagt niet alleen technische vaardigheid, maar ook vooruitziendheid. Want de keuze van ent en onderstok gebeurt met het oog op wat de wijnbouwer wil bereiken: bepaalde aroma’s, beheersing van groeikracht, aanpassing aan de bodem. Wat hier op het snijvlak gebeurt, bepaalt de komende decennia hoe een wijnstok zich zal gedragen.

Bodem en onderstok: een dynamisch duo

Een onderstok mag dan resistent zijn tegen phylloxera, dat betekent nog niet dat hij overal tot zijn recht komt. De relatie tussen onderstok en bodem is een spannend gegeven. Bodemtype, zuurgraad, kalkgehalte, drainage, hoeveelheid organisch materiaal en de aanwezigheid van een harde onderlaag: al deze factoren bepalen in welke mate een onderstok zich thuisvoelt en hoe hij zich ontwikkelt.

Hoewel de meeste wijnstokwortels zich bevinden in de bovenste zestig centimeter van de bodem, kunnen ze, als de omstandigheden het toelaten, tot meerdere meters diep reiken. Dat hangt sterk af van de bodemstructuur. In losse, goed doorlaatbare gronden gaan wortels vlot de diepte in, terwijl compacte of natte onderlagen hen dwingen dichter bij het oppervlak te blijven. En net dan is het van belang welke onderstok je gaat gebruiken: sommige types wortelen krachtig en diep, andere blijven oppervlakkiger of ontwikkelen meer zijdelingse vertakkingen.

Opvallend genoeg blijkt uit onderzoek dat onderstokken niet zozeer verschillen in waar hun wortels groeien, maar vooral in hoeveel wortels ze vormen. Die worteldichtheid blijkt cruciaal. Onderstokken die een rijker wortelnetwerk aanmaken, geven de wijnstok meer toegang tot water en voedingsstoffen, wat leidt tot meer bladmassa en doorgaans ook hogere opbrengsten. In proeven uit onder meer Californiƫ en Zuid-Afrika werd een duidelijke correlatie vastgesteld tussen worteldichtheid, scheutgroei en vruchtproductie.

Die inzichten onderstrepen dat de keuze van een onderstok niet in een vacuüm gebeurt. Een onderstok die uitstekend presteert op kalkrijke klei, doet dat niet per se op zure zandgrond. En omgekeerd. Daarom is de juiste match tussen bodem en onderstok een van de meest bepalende keuzes in de wijngaard.

Geen eenheidsworst dus

Er bestaan tientallen variƫteiten, elk met hun eigen karakter, voorkeuren en temperament. Natuurlijk zijn ze allemaal resistent tegen phylloxera maar hun invloed reikt veel verder. Sommige onderstokken zijn dorstig, andere juist zuinig. De ene houdt van kalk, de andere krijgt er spontaan bladvergeling van. Sommige stuwen de groeikracht van de plant vooruit, anderen houden ze net in toom.

Onderstokken dragen namen die eerder aan laboratoria doen denken dan aan wijngaarden: 3309 Couderc, SO4, 110R, Riparia Gloire de Montpellier… De meeste stammen uit de late 19de of vroege 20ste eeuw en zijn het resultaat van kruisingen tussen Amerikaanse soorten zoals Vitis riparia, Vitis rupestris en Vitis berlandieri.

Die genetische diversiteit maakt het mogelijk om de onderstok af te stemmen op de specifieke noden van elk perceel. Niet alleen weerstand tegen phylloxera telt, ook de beoogde wijnstijl en de match met het druivenras spelen een rol. Een onderstok die floreert op droge zandgrond met irrigatie, zoals Ramsey of 99R, zakt mogelijk door het ijs op een natte, zure kleibodem. Daar komt dan weer een robuuste 1103P beter tot zijn recht.

Ook de druivensoort zelf heeft een stem in het verhaal. Een onderstok die perfect matcht met Grenache hoeft dat niet te doen met Pinot Noir. Wat op het ene perceel een droomhuwelijk is, leidt elders tot koppige onenigheid. Daarom is lokale ervaring goud waard. Wijnbouwers die hun bodem tot op de vierkante meter kennen, maken betere keuzes. Ze kijken naar actieve kalk, zuurtegraad, drainage, bodemdiepte en het doel dat ze voor ogen hebben, of dat nu rendement, concentratie of rijpingstijd is. Al die factoren zijn beĆÆnvloedbaar via de juiste onderstok.

Uit het oog, maar niet uit het hart

Wortels blijven onzichtbaar onder de grond, maar bepalen in grote mate de gezondheid, groeikracht en productiviteit van de wijnstok. Een onderstok die zorgt voor een vitaal wortelstelsel is goud waard. Wie wijnstokken plant zonder goed na te denken over de ondergrondse helft van de plant, loopt het risico om later met een zwakke of onevenwichtige wingerd te zitten.

Een doordachte keuze van de onderstok, afgestemd op bodem en klimaat, is geen detail. Het is het fundament waarop decennialang wijn zal groeien.

De densiteit van de most: een moderne blik op een beproefde parameter

Binnen de wijnvinificatie zijn er tal van factoren die de uiteindelijke kwaliteit van een wijn beĆÆnvloeden. Voor de wijnmaker zijn die parameters vaak van cruciaal belang, terwijl de consument er doorgaans geen weet van heeft, laat staan er belang aan hecht.

Een treffend voorbeeld is de densiteit van de most. Voor wie aan de basis van de wijn staat, is dit een essentieel meetpunt. Voor de buitenstaander klinkt het vooral technisch. En toch: deze meting speelt een sleutelrol vanaf het moment dat de druiven geoogst zijn.

Wat ooit begon als een eenvoudige indicatie van het suikergehalte is vandaag uitgegroeid tot een verfijnd instrument binnen precisie-viticultuur. De densiteit laat niet enkel toe om het alcoholpotentieel in te schatten, maar dient ook als kompas tijdens fermentatie, gisting en zelfs stilistische keuzes bij het bottelen. Dankzij moderne technologieƫn kunnen wijnmakers deze parameter niet alleen accurater meten, maar ook veel gerichter inzetten.

Voor de oogst: meten is weten

De pluk begint lang voor de schaar de tros raakt. De wijnbouwer proeft, kijkt en meet. De densiteit van de most zet daarbij de toon, want die volgt het natuurlijke suikergehalte in de druif en geeft dus zicht op alcoholpotentieel en stijl.

Elk wijnverhaal start in het blad. Zonlicht wekt suikers tot leven via fotosynthese. Die suikers reizen als saccharose door de plant en worden in de bessen omgezet in glucose en fructose. In het begin van het seizoen is glucose de baas, dichter bij de oogst groeien beide naar elkaar toe, wat later de gisting beĆÆnvloedt omdat sommige gisten fructose trager verwerken. Wie deze verschuiving volgt, maakt gerichtere en dus betere keuzes.

Meten gebeurt niet ƩƩn keer, maar als een reeks die een ritme blootlegt. De refractometer blijft een trouwe compagnon tussen de rijen. Hij is snel, eenvoudig en precies genoeg, op voorwaarde dat je zorgvuldig staalneemt. Pluk bessen aan zon en schaduwzijde, uit kop en hart van de rij, laat gekneusd fruit links liggen, meng tot een homogeen sap. Noteer tijdstip en temperatuur, want warm sap leest anders dan koel sap. Spoel en kalibreer regelmatig met water op twintig graden, zo blijft de hele meetreeks betrouwbaar.

Moderne technologie tilt dit dagelijkse werk naar een hoger plan. Draagbare digitale meters registreren automatisch temperatuur en correctie. Infrarood meet niet alleen suikers, maar geeft ook informatie over bladtemperatuur en verdamping, een vroege waarschuwing bij waterstress. Drones vliegen boven het perceel en leveren kaartbeelden die verschillen in groei en bladbedekking tonen. Op zo’n vegetatiekaart zie je meteen welke hoek achterloopt of juist vooruit snelt. Bodemvochtsensoren en slimme weerstations geven daar context bij. Samen vormen ze een dashboard dat het veldwerk niet vervangt, maar wel uitvergroot. De emmer en de meter blijven, alleen komt er technologisch inzicht bovenop.

Cijfers krijgen betekenis zodra je ze naast elkaar legt. Afhankelijk van druivenras, perceel en klimaat bevat een rijpe druif meestal tussen honderdzeventig en tweehonderdvijftig gram vergistbare suikers per kilo. Dat geeft richting voor alcohol, maar zegt ook iets over rijpheid. Regen kan de most kortstondig verdunnen, een droge noordenwind concentreert, hitte kan de suikeropbouw doen haperen terwijl zuren sneller dalen. Daarom lees je de densiteit samen met zuurmetingen en met wat de druif zelf vertelt, frisheid van het sap, stevigheid van de schil, kleur en smaak van de pitten. Dronebeelden en infrarood vullen dat beeld aan met waar en waarom.

Daaruit groeit een planning die rust brengt in de drukste weken van het jaar. Het perceel dat vroeg piekt en gezonde zuren houdt, komt als eerste aan de beurt. Het koelere hoekje dat nog wat tijd vraagt, volgt later. Gefaseerd oogsten is intussen een vaste praktijk geworden.

Tijdens de fermentatie: de dans van suikers en alcohol

Zodra de gisting op gang komt, verandert de densiteit van de most bijna dagelijks. Suikers worden stap voor stap omgezet in ethanol en koolzuurgas. Omdat ethanol lichter is dan water, zakt de gemeten densiteit sneller naarmate de alcoholproductie vordert. Die daling is geen bijzaak, maar een signaal dat de wijnmaker vertelt hoe ver de fermentatie staat.

Vroeger werd dit proces uitsluitend gevolgd met een aerometer of mustimeter. De wijnmaker vulde een cilinder met most, liet het instrument drijven en las de waarde af. Het werkte, maar vroeg handwerk en tijd. Vandaag voegen digitale dichtheidsmeters daar snelheid en precisie aan toe. Ze leveren real-time data en zijn vaak verbonden met fermentatiemanagementsystemen. Zo kan de keldermeester rechtstreeks ingrijpen op temperatuur, zuurstoftoevoer of remontage zodra de metingen daar aanleiding toe geven.

Die koppeling tussen meten en sturen maakt fermentatie veel beter beheersbaar. Een plots afvlakkende curve kan wijzen op een gisting die vertraagt of dreigt stil te vallen, zodat er tijdig kan worden bijgestuurd. Een stabiele, gelijkmatige daling wijst op een gezonde vergisting zonder nood aan interventie.

Bij witte wijnen is de rol van densiteitsmeting extra groot. Het moment waarop de gisting wordt gestopt, bepaalt het restsuikerniveau en daarmee de stijl van de wijn: van strak droog tot zijdezacht zoet. In mousserende basiswijnen ligt de nadruk op het bereiken van een zeer laag restsuikergehalte, terwijl bij edelzoete wijnen juist een aanzienlijk deel behouden blijft.

Densiteit tijdens de gisting is dus meer dan een getal. Het is een dagboek van het fermentatieproces, waarin elke meting een nieuwe regel toevoegt. Wie dat dagboek goed leest, kan niet alleen de afloop voorspellen, maar ook ingrijpen om het verhaal precies zo te laten eindigen als gepland.

Plantdichtheid: de wijngaard als basis voor mostdensiteit.

De densiteit van de most wordt in de kelder gemeten, maar haar basis wordt al in de wijngaard gelegd. Een van de minder zichtbare schakels daarin is de plantdichtheid, het aantal stokken per hectare, bepaald door de afstand tussen de rijen en tussen de planten in de rij.

De keuze voor die dichtheid beĆÆnvloedt hoe de druiven rijpen en hoeveel suikers ze opbouwen. In een dicht beplante wijngaard concurreren de stokken sterker om water en voedingsstoffen. Dat kan leiden tot kleinere bessen met minder sap en een hogere concentratie aan vergistbare suikers, wat zich later vertaalt in een hogere densiteit van de most. Op vruchtbare bodems of in koelere klimaten helpt extra competitie om de groeikracht te temperen, terwijl in droge of arme bodems een te hoge dichtheid juist de rijping kan vertragen en de suikeropbouw beperken.

Plantdichtheid is dus geen louter agronomische keuze, maar ook een instrument om indirect te sturen op de waarden die later bij de densiteitsmeting zichtbaar worden. De afstand tussen de stokken bepaalt mee het tempo van de rijping, de concentratie van suikers in de bes en uiteindelijk het cijfer dat de wijnmaker in de kelder op zijn meter afleest. Wie de link tussen wijngaard en most begrijpt, kan al voor de oogst beginnen bijsturen naar het gewenste resultaat in het glas.

Meetschalen voor suikergehalte en mostdensiteit

Het suikergehalte van most kan op verschillende manieren worden weergegeven. Niet overal gebruikt men dezelfde schaal, maar in veel wijnregio’s heeft zich door traditie of regelgeving een voorkeursmethode ontwikkeld.

In Duitstalige wijngebieden zoals Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg vergelijkt de Oeschlé-schaal de soortelijke massa van most met water. Een most met een soortelijk gewicht van 1,090 komt overeen met 90° Oeschlé. Hoe hoger de waarde, hoe meer suikers en hoe hoger het potentiële alcoholgehalte.

Frankrijk en Spanje werken eerder met graden Baumé. Deze schaal is gebaseerd op de concentratie opgeloste stoffen, voornamelijk suikers, en wordt berekend via een vaste formule. Een most van 1,090 komt uit op ongeveer 11,97° Baumé. In veel Franse appellaties is Baumé ook opgenomen in de regelgeving rond minimumrijpheid bij de oogst.

In Engelstalige landen is Brix de standaard. EƩn graad Brix staat voor ƩƩn gram saccharose per 100 gram oplossing. De omzetting van BaumƩ naar Brix is eenvoudig: deel de BaumƩ-waarde door 0,55. Brix wordt breed toegepast, niet alleen in de wijnbouw, maar ook in andere dranken- en voedingssectoren.

In Italiƫ werkt men doorgaans met graden Babo, een schaal vergelijkbaar met Brix, vooral in gebruik binnen de nationale wijnbouwpraktijk.

Daarnaast bestaan er regionale varianten zoals de Klosterneuburger Mostwaage (KMW) in Oostenrijk, vooral gebruikt voor kwaliteitsclassificaties zoals Prädikatswein. Eén graad KMW komt grofweg overeen met 5° Oeschlé. Moderne digitale meetapparatuur kan vaak meerdere schalen tegelijk weergeven, zodat wijnmakers altijd in hun vertrouwde eenheid kunnen werken.

Welke schaal men ook hanteert, de bedoeling blijft dezelfde: het suikergehalte meten om het alcoholpotentieel in te schatten en de oogst- en vinificatiebeslissingen gericht te sturen. De gekozen schaal is dus vooral de taal waarin de wijnmaker zijn most leest.

Van most tot markt

De densiteit van de most is het startpunt, een eerste blik op wat de wijn kan worden. Maar tussen die meting en het openen van de fles ligt een keten van keuzes. Elke beslissing, in de wijngaard en in de kelder, geeft richting aan het eindresultaat. Suiker- en alcoholpotentieel bieden houvast, maar pas in samenhang met factoren als plantdichtheid, oogstmoment, gistkeuze en rijping krijgt de wijn zijn eigen karakter.

In elk wijngebied spelen andere spelregels. Een koel perceel in Marlborough vraagt om een ander oogstvenster dan een zonovergoten helling in de Douro. Bodem, klimaat, druivenras en stijlambitie komen samen in een reeks afwegingen waarbij techniek en intuĆÆtie elkaar aanvullen.

Wie de densiteit van de most meet, focust zich op een geheel, dat begint in het blad, verder groeit in de bes, doorloopt in de tank en eindigt in het glas. De wijnmaker die dit alles begrijpt Ʃn durft te sturen, is degene die de stap zet van potentieel naar persoonlijkheid. Want uiteindelijk is het niet de meter die de wijn maakt, maar de handen en de geest die ermee werken.

De kleur van karakter: anthocyanen in wijn

Een rode wijn krijgt zijn kleur doordat het sap in contact komt met de schil van de druif. Dat lijkt vanzelfsprekend. Geen schilcontact, geen kleur. Het sap van een druif, of die nu wit of blauw is, is immers kleurloos. Alleen bij uitzonderlijke rassen, de zogenaamde teinturiers, zit de kleur ook in het vruchtvlees.

Toch zijn er opvallende verschillen in kleur tussen rode wijnen. Zet tien glazen naast elkaar en je krijgt tien tinten: van doorschijnend robijnrood tot bijna ondoorzichtig paars. Daar zijn meerdere verklaringen voor. De rijpheid van de schil speelt een rol, net als de duur van het schilcontact tijdens de vinificatie. Maar de grootste bepalende factor is het druivenras zelf. Want elke druif bevat een ander type en hoeveelheid anthocyanen.

Een Pinot Noir bijvoorbeeld bevat beduidend minder anthocyanen dan een Syrah. En het zijn precies die anthocyanen, natuurlijke kleurstoffen uit de schil, die de kleur van de wijn bepalen.

Wat zijn anthocyanen eigenlijk?

Anthocyanen zijn wateroplosbare kleurstoffen die behoren tot de groep van polyfenolen, en meer specifiek tot de flavonoĆÆden. Ze bevinden zich in de schil van blauwe druiven en zijn grotendeels verantwoordelijk voor de kleur van rode wijn. Zonder anthocyanen zou wijn er bleek, flets of zelfs kleurloos uitzien. Het dieprood, robijn of purper in het glas begint bij deze pigmenten.

Tijdens de gisting komen anthocyanen vrij uit de schil en lossen ze op in het druivensap. Hoeveel ervan in de wijn terechtkomt, hangt af van verschillende factoren: het druivenras, de rijpheid van de schil en hoe lang het sap contact heeft gehad met de vaste delen. Sommige druivenrassen, zoals Syrah, Aglianico of Sagrantino, bevatten van nature veel anthocyanen. Andere, zoals Nebbiolo, geven ondanks hun krachtige structuur een opvallend bleke wijn. In jonge rode wijnen kan het gehalte aan anthocyanen oplopen tot 2000 milligram per liter, al ligt het gemiddelde dichter bij 500 milligram.

De kleur die anthocyanen aan wijn geven, is niet vast. Ze verandert onder invloed van de zuurtegraad. In een zure omgeving, zoals dat meestal het geval is bij wijn, kleuren anthocyanen intens rood. Bij een hogere pH, bijvoorbeeld in warmere klimaten of bij bepaalde vinificatietechnieken, verschuift de tint richting blauw of paars. Dat verklaart waarom eenzelfde druif er anders kan uitzien naargelang de regio.

Niet alle druiven bevatten evenveel anthocyanen. Witte druiven bevatten amper anthocyanen, en als ze er al zijn, dan zitten ze enkel in de schil. Omdat bij witte wijn de schillen meestal niet mee vergisten, blijft het sap kleurloos. Bij teinturierdruiven, een zeldzame groep binnen de blauwe rassen, zit het pigment ook in het vruchtvlees. Deze druiven worden vooral gebruikt om kleur toe te voegen aan blends.

De hoeveelheid anthocyanen bepaalt niet alleen hoe donker een wijn is, maar ook de nuance. Het verschil tussen een jonge Barbera en een stevige Cahors zit deels in de verhouding tussen de verschillende types anthocyanen. Die beĆÆnvloeden hoe helder, diep of doorschijnend een wijn eruitziet. Bovendien reageren anthocyanen met andere stoffen in de wijn, zoals tannine en andere fenolen. Die interacties zorgen ervoor dat de kleur zich verder ontwikkelt tijdens de rijping.

Anthocyanen zijn dus meer dan kleurstoffen. Ze zijn actief, veranderlijk en vormen een belangrijk deel van het verhaal dat wijn vertelt. Wat begint als een fel pigment in een jonge wijn, groeit uit tot een complexe kleurstructuur in een gerijpte wijn. Het is chemie met visueel karakter.

Waarom zijn ze belangrijk in wijn?

Anthocyanen zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de kleur van rode wijn. Die kleur is niet alleen decoratief, ze vormt vaak de eerste indruk die een wijn nalaat, nog voor hij wordt geroken of geproefd. Van doorschijnend robijnrood tot ondoorzichtig paars, het kleurbeeld vertelt iets over druif, leeftijd en stijl. Maar de rol van anthocyanen gaat verder dan dat visuele visitekaartje.

Tijdens de eerste fase van de vinificatie komen anthocyanen geleidelijk vrij uit de schil en lossen ze op in het sap. In dat stadium zijn het losse moleculen, relatief instabiel en gevoelig voor zuurstof, pH en temperatuur. Zodra de alcoholische gisting op gang komt, gaan deze moleculen verbindingen aan met andere stoffen in de wijn, zoals tannine en flavonolen. Zo ontstaan stevigere kleurstructuren die minder snel afbreken. Tijdens de rijping gaan sommige van deze pigmenten nog een stap verder en vormen ze nieuwe kleurstoffen, zoals pyranoanthocyanen. Die ontstaan wanneer anthocyanen zich binden met kleine moleculen (zoals pyruvaat of acetaldehyde). Pyranoanthocyanen zijn veel stabieler en zorgen ervoor dat wijn zijn kleur behoudt, zelfs wanneer de oorspronkelijke pigmenten afnemen. Ze dragen bij aan de warmere, baksteenrode tinten die je vaak ziet in oudere wijnen.

Deze omzettingen zijn essentieel voor de kleurstabiliteit. Zonder die reacties zouden de meeste jonge wijnen hun kleur binnen enkele maanden verliezen. Naarmate de wijn ouder wordt, daalt de hoeveelheid vrije anthocyanen, maar in de plaats ontstaan stabielere verbindingen die zorgen voor een diepere, warmere kleur. Wat je in een oudere wijn ziet, is dus niet meer het oorspronkelijke pigment, maar het resultaat van chemische samenwerking in de fles.

Anthocyanen beĆÆnvloeden ook hoe we een wijn ervaren. Ze dragen niet rechtstreeks bij aan geur of smaak, maar kunnen zich binden aan aromastoffen of ze stabiliseren. Dat kan een rol spelen in hoe fruitig, fris of rijp een wijn overkomt, zelfs als de pigmenten zelf geurloos zijn.

Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar mogelijke gezondheidsvoordelen. In laboratoriumomstandigheden vertonen anthocyanen antioxidatieve werking en lijken ze een beschermend effect te hebben op cellen en bloedvaten. Al moet daar meteen aan toegevoegd worden dat de meeste van deze bevindingen voorlopig niet zijn bevestigd in robuuste klinische studies.

Wat wel zeker is: zonder anthocyanen verliest rode wijn zijn identiteit. Ze vormen de brug tussen druif en stijl, tussen kleur en beleving. Hun gedrag tijdens fermentatie en rijping is bepalend voor de visuele, en indirect ook de zintuiglijke gelaagdheid van wijn.

De belangrijkste anthocyanen en wat ze doen

De kleur van rode wijn wordt grotendeels bepaald door een beperkt aantal anthocyanen. In druiven van Vitis vinifera gaat het vooral om vijf tot zes pigmenten, die chemisch gezien 3-O-glucosiden zijn: kleurmoleculen die van nature aan een suikergroep gekoppeld zijn. In de praktijk spreken we kortweg van malvidine, delphinidine, petunidine en enkele andere. Elk type anthocyaan heeft zijn eigen kleur, stabiliteit en gedrag tijdens het rijpen van de wijn.

  • Malvidine-3-O-glucoside (oenin)
    Dit is veruit de meest dominante anthocyaan in de meeste klassieke druivenrassen. In sommige wijnen, zoals Merlot of Grenache, kan het meer dan 80 procent van het totale anthocyaangehalte uitmaken. Malvidine zorgt voor een diepe paars-rode kleur en is relatief stabiel: ze houdt goed stand tijdens de rijping en is minder gevoelig voor afbraak door zuurstof. In veel jonge Bordeauxwijnen is de geconcentreerde kleur voor een groot deel aan dit pigment te danken.
  • Delphinidine-3-O-glucoside (myrtilline)
    Kleurt wijn eerder blauw-paars en komt veel voor in druiven met een intens kleurprofiel, zoals Syrah of Aglianico. Deze anthocyaan is chemisch minder stabiel dan malvidine en wordt sneller afgebroken tenzij ze gebonden wordt in stabiele kleurstructuren. Toch draagt delphinidine duidelijk bij aan het koele, donkere uiterlijk van veel mediterrane rode wijnen.
  • Petunidine-3-O-glucoside (petunine)
    Deze bevindt zich qua kleur en gedrag tussen malvidine en delphinidine. Ze levert zowel blauwe als rode tinten en zorgt zo voor extra diepte. Dit pigment komt vaak voor in druiven zoals Malbec, waar het mee instaat voor de robuuste paarse kleur die typisch is voor jonge wijnen van dat ras.
  • Peonidine-3-O-glucoside (peonine)
    Neigt meer naar helder rood en komt veel voor in rassen met een fijnere kleurstructuur, zoals Pinot Noir of Gamay. Peonidine is minder dominant in hoeveelheid, maar haar aanwezigheid zorgt voor nuance in lichtere, elegantere wijnen. Ze draagt bij tot een zachtere en meer toegankelijke visuele stijl.
  • Cyanidine-3-O-glucoside (kuromanine)
    Levert een opvallend fris, rood accent maar is minder stabiel en verdwijnt vaak sneller tijdens het rijpingsproces. Ze komt voor in druiven met een bescheiden kleurcapaciteit en speelt vooral een rol in de jeugd van de wijn. Hoewel tijdelijk, kan haar aanwezigheid visueel verfrissend zijn.
  • Pelargonidine-3-O-glucoside (callistefine)
    Is zelden aanwezig in Vitis vinifera en wordt meestal alleen in kleine sporen aangetroffen. Ze komt eerder voor in hybride of niet-Europese druivensoorten. Indien aanwezig, geeft ze een oranjerode tint, maar haar invloed op klassieke Europese rode wijn is minimaal.

De precieze mix van deze anthocyanen verschilt per druivenras en wordt genetisch bepaald. Elke druif maakt een eigen combinatie aan op basis van haar DNA, dat bepaalt welke enzymen actief zijn in de aanmaak van pigmenten. Zo bevatten Sangiovese en Nebbiolo relatief weinig malvidine, wat hun lichtere kleur helpt verklaren ondanks hun stevige tanninestructuur. Aglianico en Syrah daarentegen bevatten grote hoeveelheden malvidine en delphinidine, wat leidt tot diepdonkere, ondoorzichtige wijnen.

De impact van elk type anthocyaan is dus niet alleen visueel, maar ook stilistisch. Wat we zien in het glas is het resultaat van een chemisch samenspel van deze pigmenten, elk met hun eigen karakter en gedrag.

Zelfassociatie en copigmentatie: kleurversterking van binnenuit

Anthocyanen zijn van nature instabiele kleurstoffen. Als ze los in de wijn aanwezig zijn, zijn ze gevoelig voor invloeden van buitenaf zoals zuurstof, temperatuur en pH. Om hun kleur te behouden en te versterken, gaan ze verbindingen aan met zichzelf of met andere moleculen in de wijn. Die samenwerking helpt om de kleur niet alleen intenser te maken, maar ook stabieler. Er zijn twee belangrijke manieren waarop dit gebeurt: zelfassociatie en copigmentatie.

Bij zelfassociatie gaan verschillende anthocyaanmoleculen samenklonteren, zonder dat er echte chemische bindingen ontstaan. Ze stapelen zich als het ware op elkaar, wat verhindert dat watermoleculen toegang krijgen tot het gevoelige deel van de kleurstof. Daardoor blijven de anthocyanen langer in hun gekleurde vorm. Dit leidt tot een intensere kleur (het zogenoemde hyperchromisch effect) en soms tot een lichte verschuiving naar meer paarse tinten (bathochromisch effect). Zelfassociatie gebeurt vooral in jonge rode wijnen met een hoge concentratie anthocyanen, zoals bij malvidine in een geconcentreerde wijn van Syrah of Aglianico.

Copigmentatie werkt volgens een gelijkaardig principe, maar hier vormen anthocyanen tijdelijke complexen met andere kleurloze stoffen in de wijn. Deze hulpstoffen, of ‘copigmenten’, kunnen bijvoorbeeld flavonolen zijn, of flavan-3-olen zoals catechine. Ook bepaalde zuren (zoals caffeĆÆnezuur en ferulinezuur), aminozuren en zelfs metaalionen kunnen als copigment functioneren. De copigmenten gaan vlakbij het gekleurde deel van de anthocyaan liggen en vormen als het ware een beschermend schild. Zo voorkomen ze dat de kleur verdwijnt of vervaagt. Het resultaat is een intensere, vaak ook blauwere kleur met meer diepte.

Copigmentatie speelt vooral een rol in jonge rode wijn, waar het verantwoordelijk kan zijn voor 30 tot 50 procent van de zichtbare kleur. Hoe sterk dit effect is, hangt af van de soort anthocyaan, het type copigment en hun onderlinge verhouding. Sommige moleculen, zoals flavonolen, zijn bijzonder effectieve copigmenten. Anthocyanen die op specifieke plaatsen een extra groep dragen (zoals acylgroepen) kunnen deze binding nog versterken. In sommige gevallen gebeurt copigmentatie zelfs binnen ƩƩn molecule, als bijvoorbeeld een anthocyaan al gebonden is aan een aromatisch zuur: dat noemen we intramoleculaire copigmentatie.

In tegenstelling tot polymerisatie, die eerder optreedt in oudere wijn, is copigmentatie een fenomeen dat vooral zichtbaar is in jonge rode wijnen. In rosƩ is het effect minimaal: daar zijn simpelweg te weinig anthocyanen aanwezig om deze kleurversterkende reacties op gang te brengen. De kleur blijft daar lichter, vaak zonder de paarse reflexen die je in jonge rode wijnen ziet.

Zelfassociatie en copigmentatie zijn dus de eerste verdedigingslinie van een wijnkleur. Ze helpen om de fragiele pigmenten uit de druif te beschermen en zichtbaar te houden in het glas. Wijnmakers kunnen dit mee ondersteunen via technieken die zorgen voor een optimale extractie van zowel anthocyanen als copigmenten, zoals koude schilinweking of het gebruik van specifieke enzymen.

Uiteindelijk zijn deze interacties geen detail, maar essentieel voor het kleurverloop en de stijl van een wijn. Ze bepalen of een wijn er jong, strak en levendig uitziet, of eerder dof en futloos. En dat is geen chemisch toeval, maar het resultaat van een subtiel samenspel tussen moleculen.

Factoren die de kleur beĆÆnvloeden

De kleur van wijn hangt niet alleen af van het soort en de hoeveelheid anthocyanen, maar ook van de omstandigheden waarin deze kleurstoffen zich bevinden. Verschillende chemische en omgevingsfactoren bepalen of de kleur behouden blijft, versterkt wordt of juist vervaagt. Deze invloed begint al tijdens de gisting en loopt door tot in de fles.

Een van de belangrijkste factoren is de zuurtegraad van de wijn. Anthocyanen kunnen verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de pH. Bij lage pH-waarden, typisch voor jonge rode wijn, nemen anthocyanen hun meest gekleurde vorm aan: een rode, stabiele structuur die flavyliumion wordt genoemd. Als de pH stijgt, verschuift het evenwicht naar minder gekleurde of zelfs kleurloze vormen. Daardoor kan een wijn met een iets hogere pH lichter ogen of een blauwere schijn vertonen. Zelfs kleine verschillen in zuurtegraad kunnen dus merkbaar zijn in het glas.

Een andere invloedrijke factor is zwaveldioxide, een stof die vaak wordt toegevoegd om wijn te beschermen tegen oxidatie en bederf. Zwavel kan zich tijdelijk binden aan het flavyliumion van anthocyanen, waardoor deze kleurstoffen onzichtbaar worden. Die binding is omkeerbaar, maar zolang ze aanwezig is, ziet de wijn er minder intens uit. Bij normaal gebruik is dat geen probleem, maar een overdosis kan de kleur flatter afdoen lijken.

Ook zuurstof speelt een rol. Anthocyanen zijn gevoelig voor oxidatie, vooral wanneer ze nog vrij in de wijn aanwezig zijn. Blootstelling aan lucht kan leiden tot de afbraak van pigmenten of tot chemische omzettingen die de kleur bruiner of doffer maken. Sommige anthocyanen, zoals malvidine en peonidine, zijn beter bestand tegen oxidatie dan bijvoorbeeld cyanidine of delphinidine. Daarom behouden wijnen met een hoger aandeel aan stabielere anthocyanen doorgaans langer hun kleur.

Licht is een andere vijand van wijnkleur. Vooral UV-licht versnelt de afbraak van pigmenten, zeker als dat gepaard gaat met warmte of zuurstof. Donkere flessen en koele opslag zijn dus geen overbodige luxe, maar een bewuste keuze om kleurverlies te vermijden.

Ook temperatuur heeft een effect. Hoe warmer de omstandigheden, hoe sneller chemische reacties verlopen, inclusief de afbraak van kleurstoffen. Wijnen die aan hitte zijn blootgesteld, verliezen sneller hun levendige tint en neigen naar bruinere schakeringen. Daarom is het belangrijk om wijn koel te bewaren, zowel in het magazijn als in de distributie.

Ten slotte zijn er nog enzymen en micro-organismen die de kleur kunnen aantasten. Een schimmel zoals Botrytis cinerea produceert het enzym laccase, dat anthocyanen kan oxideren nog voor ze goed en wel opgelost zijn. Ook bepaalde gisten en bacteriƫn kunnen pigmenten opnemen of chemisch veranderen. Dat gebeurt vooral bij beschadigde druiven of als er tijdens de vinificatie onvoldoende hygiƫnisch wordt gewerkt.

Kortom, de kleur van wijn is geen vaststaand gegeven. Ze is het resultaat van een voortdurend evenwicht tussen pigmenten en invloeden van buitenaf. Wijnmakers kunnen niet alles controleren, maar inzicht in deze factoren helpt om de visuele kwaliteit van wijn te behouden of zelfs te versterken.

Tot slot

Anthocyanen zijn geen simpele kleurstoffen. Ze zijn chemisch actief, gevoelig voor hun omgeving en bepalen mee het karakter van rode wijn. Wat we in het glas zien, is niet enkel kleur, maar een weerspiegeling van druif, techniek en tijd.

Dit artikel is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten over anthocyanen en hun rol in wijn.

Nieuwe druiven, nieuwe wijnen: ItaliĆ« en de PIWI-revolutie

Wat me opviel dit jaar op Vinitaly, de grootste wijnbeurs van ItaliĆ«? Het opvallende aantal wijnen van druiven zoals Bronner, Solaris, Souvignier Gris… Die zag je vroeger ook wel, maar dan vaak weggedrumd in een hoekzaaltje waar de ‘speciallekes’ stonden. Dit jaar niet meer. Ze stonden gewoon tussen de anderen op degelijke standen, als volwaardige wijndruiven. Wat ze uiteraard ook zijn.

Wijnen van PIWI-stokken lijken stilaan ingeburgerd. De info is niet langer schaars en de kwaliteit steeds overtuigender. Toch zijn PIWI-wijnen voor het grote publiek nog relatief onbekend. Hoewel ik er zelf niet altijd wild van word, is het hoog tijd om deze categorie onder de loep te nemen, zeker wat de Italiaanse evolutie betreft.

PIWI. Geen klassieke afkorting, maar een vakterm die in Duitsland werd bedacht als verkorte aanduiding voor pilzwiderstandsfƤhige Rebsorten. Oftewel: schimmelresistente druivenrassen. Een hele brok Duits voor ā€˜schimmelresistent’. Klinkt technisch, maar achter dat onuitspreekbare woord schuilt een kleine revolutie. Want deze wijnstokken hebben nauwelijks chemische hulp nodig, zijn beter bestand tegen ziektes en leveren wijnen die verrassend lekker kunnen zijn. En dĆ”t maakt PIWI plots wel erg interessant.

Wat zijn PIWI-druiven en hoe zijn ze ontstaan?

PIWI-druiven zijn het resultaat van doordachte en langdurige kruisingen tussen de klassieke Europese wijnstok, Vitis vinifera, en andere druivensoorten die van nature sterker zijn. Denk aan Amerikaanse soorten zoals Vitis labrusca of Vitis rupestris, of Aziatische varianten die al eeuwenlang resistent zijn tegen schimmels zoals echte meeldauw (oidium) en valse meeldauw (peronospora).

Die schimmelziektes zijn trouwens geen lokaal probleem, maar een wereldwijd fenomeen. In de 19de eeuw veroorzaakten ze regelrechte ravages in de Europese wijngaarden. Druifluis (phylloxera) was destijds de grote boeman, maar ook de meeldauwen kwamen mee over vanuit Amerika, en de Europese wijnstok bleek er hopeloos vatbaar voor.

In reactie daarop zijn onderzoekers decennialang bezig geweest met het ontwikkelen van hybriden: druivenrassen die de resistentie van de niet-Europese soorten combineren met de wijnkwaliteit van Vitis vinifera. En nee, we spreken hier niet over genetische manipulatie in een laboratorium. Dit is klassieke veredeling: soorten kruisen, nakomelingen testen, de besten selecteren, en opnieuw kruisen. Een traag en secuur proces dat soms tientallen jaren duurt.

In de eerste fases, grofweg begin tot midden 20ste eeuw, lagen de resultaten meestal ver van wat men wijnwaardig vond. De druiven leverden sappen op met rare aroma’s, vreemde zuren of gebrekkige structuur. Veel van deze vroege hybriden verdwenen dan ook snel in de vergeethoek of belandden in bulkwijnen zonder veel identiteit.

Maar sinds de jaren 90 is er een echte doorbraak gekomen. Dankzij moderne selectietechnieken, genetisch inzicht en betere testmethodes slagen veredelaars er steeds beter in om PIWI-druiven te ontwikkelen die niet alleen resistent zijn, maar ook Ʃcht goede wijn opleveren. Ze behouden het typische aroma, de balans, de finesse en het terroirgevoel dat we van een goede wijn verwachten. En ze vragen veel minder chemische behandeling onderweg.

Vandaag bestaan er tientallen PIWI-rassen die erkend zijn voor professionele wijnbouw, elk met hun eigen smaakprofiel en agronomische eigenschappen. Ze worden geteeld van Zwitserland tot Zweden, maar vooral in Duitsland, Oostenrijk en Noord-Italiƫ vindt men een vruchtbare bodem voor hun ontwikkeling.

Tijd voor een andere wijngaardlogica

Dat PIWI-druiven minder vatbaar zijn voor schimmels is bekend. Maar de Ʃchte reden waarom deze rassen nu in een stroomversnelling zitten, zit dieper: PIWI dwingt ons om anders naar wijnbouw te kijken. Niet alleen duurzamer, maar ook strategischer. Niet langer romantisch terugblikken, maar realistisch vooruitkijken.

Klimaatverandering zorgt voor langere, hetere groeiseizoenen, maar ook voor extremere weersomstandigheden. Meer piekregen, meer vochtige warmte: ideaal voor meeldauw en andere schimmelziekten. Wie vandaag nog vertrouwt op frequente chemische behandelingen, loopt morgen tegen zijn grenzen aan: financieel, ecologisch Ʃn juridisch.

PIWI-druiven bieden in dat kader een vorm van klimaatadaptatie. Minder sproeibeurten betekent minder COā‚‚-uitstoot, minder bodemverdichting, minder schade aan de biodiversiteit. En ja, minder kopzorgen voor de wijnbouwer.

Wat vaak vergeten wordt: ook in de biologische wijnbouw zijn sproeistoffen toegestaan. Koper en zwavel zijn bijvoorbeeld courant, maar ze moeten wĆ©l regelmatig worden ingezet, en laten sporen na in bodem en water. PIWI-druiven verminderen ook hier drastisch de afhankelijkheid van ingrijpen. Ze zijn dus niet alleen interessant voor de ā€˜gangbare’ producent, maar net zo goed voor de bioboer die op zoek is naar een schonere toekomst.

Bovendien: PIWI-druiven zijn niet enkel een verhaal van duurzaamheid, maar ook van vrijheid. Doordat het om relatief jonge rassen gaat, zijn ze zelden gebonden aan strikte DOC-voorschriften of historische verwachtingspatronen. Wijnmakers kunnen experimenteren met stijlen, vinificatiemethodes en blends. Sommige kiezen voor inox en frisheid, anderen gaan de diepte in met houtlagering of lange schilweking. PIWI betekent dus niet alleen ā€˜minder sproeien’, maar ook: meer speelruimte.

In Italiƫ sluit dit perfect aan bij een nieuwe generatie wijnmakers, die duurzaamheid belangrijk vinden maar zich tegelijk willen losmaken van het keurslijf van traditionele appellaties. De PIWI-beweging past in een bredere evolutie waarin terroir nog steeds telt, maar niet langer alles dicteert.

De Italiaanse PIWI-opmars

Italiƫ heeft een reputatie hoog te houden als het gaat om druivenverscheidenheid en lokale identiteit. Elke heuvel lijkt er zijn eigen inheemse ras te hebben. Toch is het net in dit land, met zijn diepgewortelde wijntradities, dat PIWI-wijnen een opvallende doorbraak maken.

In regio’s als Trentino-Alto Adige, Friuli-Venezia Giulia en Veneto spelen meerdere factoren tegelijk in het voordeel van PIWI. Er is uiteraard het klimaat: zomers met plotse regenval, mistige valleien, en temperatuurschommelingen die schimmeldruk verhogen. Maar er is meer.

Deze regio’s hebben ook een sterke coƶperatieve traditie, wat innovatie versnelt. Wijnbouwers staan er minder alleen: ze delen kennis, installaties en risico’s. Dat maakt het makkelijker om nieuwe druivenrassen op grotere schaal te testen, te vinifiĆ«ren en te vermarkten. PIWI is daar niet langer een individueel experiment, maar een collectieve evolutie.

Ook de nabijheid van de Duitstalige wijncultuur speelt een rol. In Zuid-Tirol spreken veel wijnbouwers even vlot Duits als Italiaans. Ze volgen de ontwikkelingen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland op de voet, en pikken sneller nieuwe trends op. De samenwerking met onderzoeksinstellingen zoals het Laimburg-instituut zorgt bovendien voor wetenschappelijke onderbouw, proefvelden en lange termijnstudies. PIWI is hier niet enkel een ideaal, maar een onderbouwde strategie.

In Friuli-Venezia Giulia zien we een andere benadering: daar omarmen kleine, vaak natuurlijke of biodynamische producenten de PIWI-variƫteiten als een verlengde van hun filosofie. Ze hebben geen zin om met koper door hun wijngaarden te lopen, maar willen ook geen concessies doen aan kwaliteit. Voor hen zijn PIWI-druiven geen noodgreep, maar een logische stap in een zoektocht naar evenwicht tussen natuur en ambacht.

Ook op educatief vlak beweegt er veel. Opleidingen voor jonge wijnbouwers besteden intussen aandacht aan PIWI in hun curriculum. Dat is een subtiele maar belangrijke verandering: wie opgeleid wordt met deze druiven als volwaardige optie, zal er ook sneller mee aan de slag gaan zonder vooroordelen.

Wat ooit begon als een randfenomeen op alternatieve wijnbeurzen, krijgt vandaag dus een eigen plaats in het hart van de Italiaanse wijnbouw. PIWI is geen rebellie meer, maar een aanvulling op het bestaande palet. En voor wie met een frisse blik naar wijn kijkt, is dat goed nieuws. Want het betekent dat we niet moeten kiezen tussen traditie en vernieuwing, maar beide kunnen combineren in ƩƩn glas.

Toch blijft de beweging voorlopig grotendeels beperkt tot het noorden van Italiƫ. En dat is niet alleen een kwestie van klimaat. In het zuiden en het centrum van het land is de schimmeldruk gemiddeld veel lager. Het warmere, drogere klimaat zorgt ervoor dat klassieke druivenrassen er minder vatbaar zijn voor meeldauw en aanverwante plagen. Omdat er minder gesproeid hoeft te worden, is de noodzaak voor PIWI minder acuut.

De economische factor mag bovendien niet onderschat worden. In het zuiden zijn veel domeinen kleinschalig en familiegericht, vaak met beperkte middelen. De overstap naar PIWI vraagt investering: nieuwe aanplant, aangepaste vinificatie, marketing… In het noorden, waar coƶperaties, onderzoeksinstellingen en exportgericht denken sterker ingebed zijn, is de drempel om te experimenteren veel lager.

Samengevat: PIWI past nu vooral bij het noorden van Italiƫ omdat het daar tegelijk een ecologische noodzaak, een technologische mogelijkheid en een culturele ruimte vindt. In het zuiden is die driehoek voorlopig minder aanwezig, maar de toekomst is lang, en de wijnstok blijft een meester in aanpassing.

Welke PIWI-druiven moet je kennen?

De wereld van PIWI-druiven is in volle ontwikkeling, maar er zijn inmiddels enkele variƫteiten die zich onderscheiden als kwalitatief Ʃn commercieel levensvatbaar, zeker in de context van de Italiaanse wijnbouw. Het zijn rassen die niet alleen goed presteren in de wijngaard, maar ook in het glas.

Hieronder een overzicht van de PIWI-sterren die in Italiƫ aan terrein winnen:

Bronner
Een stille kracht onder de PIWI-druiven, ontwikkeld in Duitsland en genoemd naar de botanicus Julius Bronner. Bronner is een kruising tussen Merzling en een genetische lijn met onder meer Pinot en Riesling in de achtergrond. Het resultaat? Een witte druif met een verrassend klassiek profiel: appel, witte bloemen, citrus en een lichte mineraliteit.

In ItaliĆ« wordt hij vooral in Alto Adige en Veneto aangeplant, vaak als monocĆ©page of als onderdeel van frisse blends. Hij rijpt relatief laat, heeft een mooie zuurgraad en laat zich goed vinifiĆ«ren met een zekere elegantie. Geen uitslover, maar eerder het type ā€˜degelijk met diepgang’.

Souvignier Gris
Misschien wel de meest veelzijdige PIWI-witte druif van het moment. Deze kruising tussen Cabernet Sauvignon en Bronner levert wijnen op met aroma’s van perzik, limoen, bloesem en een lichte kruidigheid. Denk aan een kruising tussen Pinot Gris en Sauvignon Blanc, maar dan met minder zorgen in de wijngaard. In Trentino wordt hij steeds vaker op inox gevinifieerd om zijn frisheid te behouden, maar sommige producenten experimenteren ook met hout voor extra textuur.

Solaris
Een vroegrijpe druif die perfect geschikt is voor koelere zones zoals de hoger gelegen wijngaarden in Alto Adige of de heuvels rond Belluno. Solaris geeft wijnen met rijpe, bijna tropische aroma’s van ananas, mango en honingmeloen, met een stevige body en voldoende zuren. Door zijn suikerpotentieel wordt hij ook gebruikt voor zoetere stijlen, maar droge Solaris komt steeds vaker voor en doet denken aan een rijpe Chardonnay met wat extra punch.

Muscaris
Voor wie houdt van aromatische wijnen is Muscaris een schot in de roos. Deze druif, verwant aan Muskateller, geeft intense florale aroma’s, citrus, lychee en een lichte kruidigheid. Ideaal voor liefhebbers van Gewürztraminer of Moscato, maar dan zonder de hoge schimmelgevoeligheid. In Friuli wordt hij vaak gebruikt voor lichte, droge aperitiefwijnen, of voor geurige blends.

Cabernet Cortis
EĆ©n van de PIWI-initiatieven om ook op het vlak van rode wijn een stevig profiel neer te zetten. Cabernet Cortis combineert de structuur en kruidigheid van zijn Cabernet-ouders met de resistentie van moderne hybriden. De wijnen zijn diep gekleurd, met aroma’s van zwarte bes, groene paprika, peper en kruidnagel. In warme jaren kan hij verrassend complex worden, al blijft hij voorlopig vooral in blends populair.

Regent
Een klassieker onder de resistente rassen. Regent is geen nieuweling meer, maar wel een betrouwbare kracht. Hij rijpt vroeg, geeft kleur en donker fruit, en is makkelijk in de omgang. Regent levert soepele, toegankelijke wijnen met zachte tannine en veel fruitexpressie.

Waarom makkelijker voor wit dan rood?


Het is geen toeval dat witte PIWI-wijnen de voorlopers zijn in deze jonge categorie. Ze sluiten qua stijl en profiel moeiteloos aan bij wat consumenten vandaag zoeken: frisheid, aromatische helderheid, een zuivere structuur en een directe drinkbaarheid. En net dat is wat veel witte PIWI-druiven van nature bieden. Denk aan citrus, wit steenfruit, florale toetsen en levendige zuren. Allemaal troeven die in witte vinificatie goed tot hun recht komen.

Toch is het belangrijk om te begrijpen waarom rode PIWI-wijnen minder vanzelfsprekend zijn. Waar witte wijnen vaak floreren op frisheid en directheid, moeten rode wijnen meer lagen tonen. Bij rode PIWI’s ligt dat complexer. De uitdaging zit niet zozeer in de teelt, maar in de vinificatie en expressie. Een goede rode wijn vraagt om meer: rijpheid, concentratie, structuur, een mooi opgebouwde tannine, en vaak ook rijpingspotentieel. Dat zijn allemaal eigenschappen die sterk beĆÆnvloed worden door druivensoort, terroir, opbrengstcontrole Ć©n vinificatiekeuzes.

PIWI-druiven met een rood profiel hebben vaak lichtere schillen, minder kleurstoffen, en een tanninestructuur die sneller ā€˜droog’ of vlak kan overkomen als ze niet goed begeleid wordt. Daar komt nog bij dat jonge rassen, hoe zorgvuldig ook geselecteerd, nog niet altijd volledig ā€˜uitgeĆ«volueerd’ zijn qua balans tussen resistentie en aromatische diepte. Waar witte PIWI’s dus als het ware recht uit de wijngaard kunnen schitteren, vraagt rood meer technische aandacht Ć©n meer tijd in de kelder.

Daarom experimenteren veel producenten met verlengde schilweking, houtlagering (bij voorkeur in grotere vaten of gebruikte barriques om het fruit niet te overstemmen) en zelfs met co-fermentaties van meerdere PIWI-rassen om extra dimensie toe te voegen. In sommige gevallen worden PIWI-variƫteiten ook geblend met kleine hoeveelheden klassieke druiven zoals Pinot Nero of Lagrein, al laat de wetgeving dit niet altijd toe binnen bepaalde kwaliteitsbenamingen.

Toch is er evolutie. Rassen zoals Cabernet Cortis, Pinotin of Divico (meer Zwitsers, maar wel relevant) laten zien dat rode PIWI’s potentieel hebben, vooral in de handen van wijnmakers die durven zoeken en niet terugdeinzen voor atypische assemblages of nieuwe vinificatietechnieken.

In Italiƫ zijn er dan ook al pioniers bezig met het verleggen van die grenzen: langere rijping op de droesem, gebruik van amforen of betonnen eieren om meer structuur op te bouwen, of blends die een brug slaan tussen elegantie en extractie.

De toekomst van rode PIWI ligt dus niet vast, maar wordt letterlijk gevinifieerd terwijl je dit leest.

Omarm het onbekende

PIWI-wijnen zijn geen tijdelijke hype of ideologisch statement. Ze zijn het resultaat van decennialang onderzoek naar hoe wijnbouw toekomstbestendiger kan worden. In een wereld waarin sproeistoffen steeds meer onder druk staan en het klimaat zich grillig gedraagt, zijn PIWI-druiven geen luxe, maar een noodzakelijke evolutie.

ItaliĆ« blijkt daarvoor een vruchtbare bodem, letterlijk Ć©n figuurlijk. Het land combineert een immense wijntraditie met een opmerkelijk innovatieve geest. Noordelijke regio’s zoals Trentino-Alto Adige en Friuli tonen dat je respect voor terroir perfect kunt koppelen aan experiment en vooruitdenken. PIWI-druiven zijn hier geen breuk met het verleden, maar een nieuwe bladzijde in hetzelfde boek.

Dat deze beweging nog niet door iedereen wordt omarmd, is logisch. Verandering in de wijnwereld gebeurt traag. Maar ze komt wel. Zelfs Attilio Scienza, dƩ professor wijnbouwkunde van Italiƫ en een levende legende in het vakgebied, laat daar geen twijfel over bestaan. En dat terwijl hij met zijn tachtig jaar gerust wat conservatisme zou mogen tonen. Toch stelt hij duidelijk: de klimaatopwarming zal ertoe leiden dat sommige klassieke druivenrassen zullen verdwijnen, en dat nieuwe rassen, waaronder PIWI, hun plek zullen innemen. Een revolutie in schuifelpas, maar onvermijdelijk.

Voor ons als wijnliefhebbers ligt hier net de charme: we hebben de tijd om die verandering te volgen, stap voor stap. Om nieuwe druiven te leren kennen, onbekende etiketten te ontdekken, en stilaan ook ons smaakpalet aan te passen. En wat is er mooier dan later, bij een glas Bronner of Cabernet Cortis, te kunnen zeggen: ā€œIk herinner me nog mijn eerste proeverij met PIWI-wijnen, ergens aan een keukentafel of in een kelder in de Dolomietenā€?

De toekomst van wijn ligt niet in het vasthouden aan het bekende, maar in het nieuwsgierig omarmen van het onbekende. Gelukkig smaakt dat onbekende steeds beter.

Zo behoud je de bubbel: Inschenken speelt een grotere rol dan je denkt

Belletjes verliezen, daar draait het in dit artikel om. Een schuimwijn zonder bubbels is als Romeo zonder Juliet: ondenkbaar. De pareling is geen detail, maar een essentie. We moeten er dus alles aan doen om die bubbels ook effectief in het glas te houden.

En daar wringt soms het schoentje. Want wist je dat je met een paar eenvoudige ingrepen het COā‚‚-verlies, en dus de bubbelkracht, drastisch kan beperken? Jawel: door simpelweg te letten op de temperatuur en de manier van inschenken, maak je al een wereld van verschil.

We gaan er al te vaak van uit dat schuimwijn inschenken een achteloze handeling is. In werkelijkheid grijpt dit moment rechtstreeks in op een van de belangrijkste eigenschappen van de wijn: het gehalte aan opgeloste koolstofdioxide (CO₂). Deze bruisende component beïnvloedt niet alleen het karakter van de bubbels, maar ook het mondgevoel én het aroma van de schuimwijn.

Het risico van inschenken: Twee technieken, twee uitkomsten

We gaan even technisch worden. Een fles champagne bevat ongeveer 11,4 gram opgeloste COā‚‚ per liter, goed voor zo’n 5 liter gas dat moet ontsnappen zodra de kurk knalt. Dat ontsnappen gebeurt op twee manieren. Enerzijds zijn er de zichtbare bubbels die opstijgen vanuit kleine krasjes, stofdeeltjes of luchtbelletjes aan de binnenkant van het glas. Op die plekjes verzamelt zich gas, en dat vormt het startpunt van een bel. Anderzijds is er een veel discretere vijand: onzichtbare diffusie. Voor elke COā‚‚-molecule die zichtbaar opstijgt als bubbel, verdwijnen er naar schatting vier stilletjes via het vloeistofoppervlak. Met andere woorden, het gros van de COā‚‚ verdwijnt zonder dat we het merken.

En daar komt de serveertechniek in beeld. De manier waarop champagne wordt ingeschonken, beĆÆnvloedt het oppervlak en de turbulentie van de wijn in het glas. En dat heeft directe gevolgen voor het behoud van koolzuur. De manier van inschenken is niet eindeloos variabel. In de praktijk komt het neer op twee opties: de klassieke champagnestijl en de zachtere bierstijl.

De champagnestijl is de klassieke methode: de wijn valt verticaal in het glas en raakt de bodem met volle kracht. Het resultaat kan spectaculair zijn. Een bruisende fontein en een schuimkraag die snel opbouwt. Wat minder zichtbaar is: het enorme verlies aan opgeloste CO₂. De impact van de stroom veroorzaakt turbulentie, luchtinsluiting en menging in de vloeistof, wat de ontsnapping van CO₂ sterk versnelt. Deze methode, hoe feestelijk ook, is een efficiënt afschudmechanisme voor koolzuur.

Bij de bierstijl stroomt de wijn zachtjes langs de schuine wand van het glas. De turbulentie wordt beperkt, het contactoppervlak met de lucht blijft kleiner en de schuimvorming is minimaal. Het resultaat: een veel rustiger inschenkproces én beduidend minder CO₂-verlies.

Ik heb de vakliteratuur er even bijgehaald en de cijfers spreken boekdelen. Bij een temperatuur van 4 °C verliest champagne bij de champagnestijl 3,0 gram COā‚‚ per liter. Bij de bierstijl zakt dat verlies tot slechts 1,6 gram per liter. Bij een temperatuur van 12 °C loopt het verschil verder op: 3,3 gram verlies bij klassiek inschenken versus 2,0 gram bij de zachte methode. En bij een temperatuur van 18 °C (ik weet het wel, geen kat die een bubbel aan deze temperatuur zal schenken) wordt het verschil dramatisch: 4,0 gram tegenover 3,7 gram. De cijfers tonen hoe turbulentie en temperatuur elkaar versterken in hun effect op het COā‚‚-verlies.

Nice to know maar waarom is dit belangrijk?

Opgeloste COā‚‚ is veel meer dan een visueel spektakel. Het is de drijvende kracht achter wat schuimwijn zo uniek maakt. Zonder bruis geen lift. De aroma’s blijven hangen, het mondgevoel wordt vlakker, en het feestgevoel verdwijnt.

De koolzuurbelletjes werken als minuscule transporteurs. Bij het opstijgen nemen ze vluchtige aromacomponenten mee naar het oppervlak, waar ze vrijkomen en ons reukorgaan prikkelen. Dit effect zorgt voor die kenmerkende ā€˜lift’ van fruitige, florale of brioche-achtige tonen net boven het glas. Minder bubbels betekent minder aromatische intensiteit. En dat maakt een wereld van verschil, zeker bij verfijnde champagnes of mousserende wijnen met rijping.

Ook in de mond speelt COā‚‚ een rol. Het bruisen veroorzaakt een lichte druk, tinteling en een verfrissende sensatie die het gehemelte opwekt en de wijn levendig houdt. Bovendien reageert het koolzuur met speeksel, waarbij koolzuur omgezet wordt in een lichte zuurgraad die het geheel spannender maakt. Neem dat weg, en je blijft achter met iets wat, hoe goed ook, minder elegant en minder prikkelend aanvoelt.

Daarom is het niet zomaar een academische oefening om stil te staan bij het inschenken. De manier waarop je inschenkt, bepaalt mee wat je uiteindelijk ervaart. De bierstijl mag er misschien wat gewoontjes uitzien, maar ze respecteert de structuur van de wijn. Ze voorkomt overdreven schuimvorming, houdt het COā‚‚-niveau hoger, en laat zo de wijn in zijn meest expressieve vorm tot zijn recht komen.

Temperatuur als sleutelvariabele

Temperatuur beĆÆnvloedt schuimwijn op fundamenteel niveau. Niet alleen tijdens het schenken, maar ook in het glas zelf. Wanneer een schuimwijn warmer wordt, neemt de bewegingsvrijheid van COā‚‚-moleculen toe. Ze worden letterlijk actiever, minder gebonden aan de vloeistof, en dus ook sneller geneigd om te ontsnappen. Warmte geeft het gas als het ware een duwtje richting de uitgang.

Maar er speelt nog iets mee: de perceptie van de wijn. Bij hogere temperaturen komt niet alleen meer COā‚‚ vrij, ook aroma’s ontwikkelen zich anders. Wat in sommige stille wijnen gewenst is, leidt bij schuimwijnen tot een vervaging van het evenwicht. De frisheid neemt af, zuren worden minder strak en de wijn kan wat logger. De subtiele spanning tussen zuur, mousse en aroma wordt vlakker.

Een ander punt is het effect op de beleving van bubbels. Bij een koude schuimwijn zijn de belletjes fijner, strakker en eleganter. Naarmate de temperatuur stijgt, worden ze grover en agressiever. Dat heeft invloed op het mondgevoel: wat eerst fluweelzacht tintelde, kan bij hogere temperaturen plots prikken of zelfs bijten. Dat is geen toeval, maar een direct gevolg van de veranderende oplosbaarheid en gasdruk in de wijn.

Daarnaast vertraagt een koele temperatuur de evolutie in het glas. Een koude schuimwijn houdt zijn COā‚‚ beter vast, blijft langer levendig en behoudt zijn structuur over meerdere minuten. In een warmer glas neemt het verval sneller toe. Zelfs de beste fles verliest dan zijn magie vóór het glas leeg is.

Kortom: temperatuur is niet alleen een technisch aspect, maar een bepalende factor voor finesse, balans en timing. Wie de serveertemperatuur respecteert, rekt het ideale drinkvenster maximaal uit en gunt zichzelf meer tijd om van de schuimwijn te genieten zoals hij bedoeld is.

Zien wat normaal verborgen blijft: schuimwijn in infrarood

Hoe weet je nu zeker wat er allemaal verloren gaat bij het inschenken? Hoe toon je iets aan dat je met het blote oog niet ziet? Het antwoord komt verrassend genoeg uit de hoek van de technologie: infraroodthermografie.

Een mondvol, maar het idee is eenvoudig én spectaculair. Onderzoekers maakten gebruik van een infraroodcamera, uitgerust met een filter die specifiek gevoelig is voor CO₂. Die gasmoleculen zenden namelijk een klein beetje infraroodstraling uit, onzichtbaar voor ons, maar perfect op te vangen met de juiste apparatuur. En plots wordt het onzichtbare zichtbaar.

De beelden die dat oplevert zijn ronduit fascinerend: zodra de schuimwijn wordt ingeschonken, zie je een nevel van koud gas zich uit het glas storten. Geen stijgende damp zoals bij warmte, maar een sluier die langzaam naar beneden glijdt. Dat komt omdat COā‚‚ ongeveer anderhalve keer zwaarder is dan lucht. Het stroomt niet weg, maar zakt als een stille waterval langs de glaswand.

Nog interessanter is dat het verschil tussen warme en koude schuimwijn letterlijk zichtbaar wordt. Bij hogere temperaturen is de uitstroom van COā‚‚ massaal. Dikke, dichte wolken van gas rollen over de rand van het glas. Bij koele schuimwijn blijft de uitstoot beperkt en eleganter. Hetzelfde geldt voor de manier van schenken: bij de klassieke champagnestijl gutst de COā‚‚ eruit, bij de bierstijl blijft de uitstroom veel bescheidener.

Deze visuele bevestiging laat geen ruimte voor twijfel. Wat eerder louter meetbaar was via chemische analyses, wordt nu tastbaar in beeld gebracht. De sluier van COā‚‚ verraadt alles: de temperatuur, de techniek, het verlies. Geen theorie, maar een zichtbaar verhaal.

En misschien is dat wel het mooiste aan deze technologie: ze onthult de kwetsbaarheid van schuimwijn. Wat je niet ziet, doet er wƩl toe. En als je het eenmaal gezien hebt, schenk je nooit meer gedachteloos in.

Conclusie

De manier waarop schuimwijn in het glas belandt, is allesbehalve banaal. Serveerstijl en temperatuur hebben een meetbare én merkbare invloed op het behoud van CO₂, en dus op de totale beleving van de wijn. Wie het bruisende karakter wil behouden, kiest best voor koel schenken en een rustige, schuine inschenkhoek.

Wat ik bijzonder fijn vond aan dit onderzoek, is dat het wetenschappelijk bevestigt wat ik al jaren verkondig: Schenk uw champagne zoals een goed getapt biertje. Minder spektakel misschien, maar des te meer genot.

Irrigatie in ItaliĆ«: Van taboe tot hulpmiddel in tijden van droogte

In een recent beluisterde podcast liet Aldo Clerico z’n stem klinken over een onderwerp dat in Piemonte lang als heiligschennis werd beschouwd: irrigatie in Barolo. Waar het vroeger ronduit verboden was om de wijngaarden water toe te dienen, is dat vandaag niet langer ondenkbaar. Sterker nog, het mag nu gewoon. Maar wie denkt dat hiermee meteen alle problemen van de baan zijn, heeft nog geen schop in de Piemontese grond gestoken. Want ja, irrigeren mag dan wel toegestaan zijn, het water vinden om dat effectief te doen is een ander paar mouwen.

De klimaatverandering laat zich intussen steeds nadrukkelijker voelen. Lange droge periodes, zinderende zomers en een grillige neerslagverdeling dwingen wijnbouwers tot het herdenken van eeuwenoude methodes. Irrigatie is niet langer een taboe, maar eerder een noodzaak geworden. Tijd dus om de irrigatiekwestie van dichterbij te bekijken.

Wat is irrigatie eigenlijk?

Simpel gezegd: irrigatie is het kunstmatig bevochtigen van landbouwgrond. Of in het geval van wijnbouw, het geven van water aan wijnstokken op momenten dat de natuur het laat afweten. Dat klinkt eenvoudig, maar het is een wereld op zich.

In de wijngaard betekent irrigatie niet dat men zomaar de slang openzet en de boel natspuit. De moderne wijnbouw hanteert verfijnde technieken die de hoeveelheid water doseren tot op de druppel nauwkeurig. De bekendste methode is druppelirrigatie: kleine slangetjes, aangelegd tussen de rijen wijnstokken, geven via minuscule gaatjes langzaam water af. Niet over het hele veld, maar precies daar waar het telt: aan de wortelzone van de wijnstok. Dit systeem laat toe om zeer gericht en spaarzaam te werken, zonder onnodige verspilling.

Daarnaast bestaan er ondergrondse systemen waarbij leidingen onder de oppervlakte liggen en het water nog dichter bij de wortels wordt afgegeven. Die methode is duurder, maar voorkomt verdamping en verstoring van het bodemleven. Tot slot zijn er ook sproeisystemen, maar die worden in kwaliteitswijnbouw eerder vermeden. Ze zijn minder precies en verhogen het risico op ziektes door natte bladeren en druiven.

Waarom is irrigatie nodig? Omdat wijnstokken, hoe taai ze ook zijn, grenzen hebben. Bij langdurige droogte sluiten ze hun huidmondjes om vochtverlies te beperken. Maar dat betekent ook dat de fotosynthese stilvalt en de groei stokt. Te veel stress leidt tot mislukte bloei, gekreukte trossen of druiven die te snel suikers opbouwen zonder voldoende aromatische rijping. Geen prettig vooruitzicht als je mikt op een gebalanceerde wijn.

Een vaak gehoord misverstand is dat irrigatie altijd leidt tot overproductie of fletse wijn. Dat kan gebeuren bij verkeerd gebruik, maar een goed beheerde irrigatie kan net helpen om stress te beperken en de plant in balans te houden. Het draait om precisie, timing en beperking. Niet alle wijnjaren vragen om water, maar in tijden van extreme hitte of onvoorspelbare neerslag is het een vangnet geworden dat de kwaliteit kan redden.

Interessant is ook dat irrigatie niet alleen over water gaat. Het is een hefboom geworden in het beheer van de volledige wijngaard. Door irrigatie slim te combineren met snoei, bladbeheer en bodemverzorging kan de wijnbouwer subtiel sturen op groeikracht, druivenvolume en aromatische concentratie. Geen toverstaf, wel een instrument. En in een wereld met steeds warmere jaren een steeds belangrijker instrument.

Waarom is irrigatie soms verboden?

In veel Europese wijnregio’s, en zeker in gebieden met een beschermde herkomstbenaming (DOC, DOCG, AOC, enzovoort), is wijn maken niet zomaar een kwestie van druiven telen en flessen vullen. Het is een een eeuwenoud gebruik waarbij elke ingreep in de wijngaard als een ingreep in de identiteit van de wijn wordt beschouwd. En net daarom lag irrigatie zo lang onder vuur.

Het basisidee achter het verbod is eenvoudig: terroir moet spreken. De wijn moet de afdruk dragen van zijn natuurlijke omgeving: bodem, klimaat, ligging, druivenras én de jaargang. Als je kunstmatig water toevoegt, tast je dat evenwicht aan. Je geeft de plant iets wat de natuur haar niet voorziet, en dat kan volgens de klassieke leer de authenticiteit van de wijn beïnvloeden. Zeker bij druivenrassen die sterk reageren op stress, zoals Nebbiolo of Sangiovese, kan een teveel aan water leiden tot verwaterde smaken, verlies van concentratie en een afgevlakt aromatisch profiel.

Daarbovenop komt nog het juridisch-technische verhaal. Veel Europese appellaties hebben strikte regels over toegestane technieken. Irrigatie was lange tijd ronduit verboden in de meeste kwaliteitszones, behalve in uitzonderlijke omstandigheden zoals langdurige droogte. Zelfs dan moest men officiƫle toestemming aanvragen. Het idee daarachter was niet alleen filosofisch, maar ook praktisch: irrigatie vergroot het risico op overproductie, en Europa heeft zijn wijnoverschotten al vaker moeten indammen.

Maar er speelt ook een ecologische en economische component. Water is in veel regio’s een schaars goed. Als iedere wijnboer plots massaal gaat irrigeren, krijg je conflicten met andere landbouwers, stijgende kosten en druk op natuurlijke waterbronnen. Zeker in zuidelijke regio’s waar landbouw, toerisme en huishoudens allemaal vissen uit dezelfde vijver, is dat geen detail.

En toch is het verbod de laatste jaren aan erosie onderhevig. De reden? Klimaatverandering. De zomers worden heter, de regen valt onvoorspelbaar, en de stress op de wijnstokken neemt toe. Wat ooit gold als een luxeprobleem, wordt stilaan een overlevingskwestie. Meer en meer regio’s passen hun reglementen aan, en laten beperkte irrigatie toe, mits controle en met oog voor duurzaamheid.

Het is dus geen carte blanche, maar een noodmaatregel die toelaat om kwaliteit te behouden zonder de fundamenten van het terroir te ondergraven. Een waterige wijn blijft not done, maar een wijn die door slim en verantwoord watergebruik zijn karakter behoudt, is intussen wel bespreekbaar geworden. Traditionele waarden worden niet overboord gegooid, maar ze worden herbekeken in het licht van een veranderende realiteit.

Italiƫ en irrigatie: een complex huwelijk

De podcast met Aldo Clerico raakte een gevoelige snaar. Niet alleen omdat hij met kennis van zaken praat over Barolo, maar ook omdat hij iets durfde te benoemen wat lang onuitgesproken bleef: dat zelfs in de meest iconische wijnregio’s van ItaliĆ«, irrigatie niet langer een taboe is. Clerico, zelf actief in het hart van de Langhe, stelde vast dat de regels veranderd zijn. Wat decennialang verboden terrein was, is nu, onder voorwaarden, toegestaan. Maar wie denkt dat dit gelijkstaat aan een vrije waterkraan op de Nebbiolo, zit er flink naast.

Italiƫ is namelijk allesbehalve eenvoudig als het over irrigatie gaat. Het land is een lappendeken van microklimaten, druivenrassen en, vooral, wijnwetgeving. Wat in Alto Adige een gangbare praktijk is, blijft in Montalcino of Montepulciano voorlopig nog een gevoelig onderwerp. In veel DOCG- en DOC-gebieden geldt nog steeds een irrigatieverbod tijdens het groeiseizoen, behalve bij uitzonderlijke droogte. Dan kan men, na een aanvraag bij de bevoegde instanties, noodirrigatie toepassen. Maar zelfs dat gebeurt onder het wakende oog van de controleorganen en met een dosis papierwerk waar Dante zelf nog een extra cirkel van de hel voor had kunnen verzinnen.

Toch heeft de praktijk de regels ingehaald. In Barolo bijvoorbeeld, waar men tot voor kort liever een hete zomer doorstond dan water toe te dienen, wordt irrigatie vandaag in specifieke gevallen toegestaan. Clerico benoemt treffend hoe dit eerder noodzaak dan keuze is geworden. De klimaatverandering laat zich niet langer negeren, en de wijnstokken trekken steeds vaker aan de alarmbel. Geen water betekent geen druiven, of druiven die in de stress veel suikers maar weinig aroma’s opbouwen. En dus grijpt men, met de nodige aarzeling, naar het water.

In Alto Adige is irrigatie al langer ingeburgerd, deels door de geografische omstandigheden. De stenige gronden en het bergklimaat vragen om ondersteuning tijdens droge periodes. Daar wordt het waterbeleid georganiseerd, efficiƫnt en breed gedragen. In Toscane is dat een ander verhaal: in klassiek beladen zones zoals Chianti Classico of Brunello di Montalcino wordt irrigatie nog met argwaan bekeken. De angst om het terroirverhaal te verzwakken zit diep, en men vreest reputatieschade als water de wijngaard binnenkomt.

Zuidelijker, zoals in Puglia en op SiciliĆ«, is irrigatie een overlevingsstrategie. In regio’s waar zomers lijken op ovenstanden, en de bodem elke druppel water door de vingers laat glippen, experimenteert men al jaren met efficiĆ«nte irrigatiesystemen. Op de Etna bijvoorbeeld, wordt onder de rook van de actieve vulkaan gewerkt met druppelirrigatie die gevoed wordt door gesmolten sneeuw en regenwater uit traditionele, stenen waterreservoirs die al generaties lang worden gebruikt.

De Italiaanse wijnwetgeving, notoir traag maar niet blind, begint te reageren op deze realiteit. Proefprojecten met ondergrondse leidingen, streng gereguleerde volumes en gecontroleerde gebruiksmomenten maken hun opmars. De praktijk van vandaag is niet langer puur reactionair, maar wordt proactief doordacht. Dat betekent niet dat de sluizen openstaan, wel dat men eindelijk erkent dat klimaatadaptatie geen zwaktebod is, maar een vorm van verantwoordelijkheid.

En zo komen we terug bij Clerico. Zijn vaststelling is geen louter technocratisch detail, maar een teken van een bredere shift in mentaliteit. Waar de wijnbouwer vroeger vooral de seizoenen onderging, is hij vandaag verplicht om zich te wapenen. Water is daarbij geen vijand meer, maar een hulpmiddel om het karakter van een wijnjaar te bewaren zonder het terroir te verloochenen.

Het huwelijk tussen Italiƫ en irrigatie is nog steeds complex, maar zoals elk goed huwelijk: het leert met de tijd. En soms is een beetje water bij de wijn doen precies wat nodig is om tot een oplossing te komen.

Waar halen wijnbouwers hun water vandaan?

Water zomaar uit de lucht plukken, dat lukt nog net niet en dat is precies het probleem waar Aldo Clerico in zijn podcast de vinger op legt. ā€œIrrigatie is nu toegestaan,ā€ zegt hij, ā€œmaar waar haal je in godsnaam het water vandaan?ā€ Daarmee raakt hij aan de kern van de kwestie: de wet mag versoepeld zijn, de natuur doet niet automatisch mee.

Want het echte knelpunt zit niet in de regelgeving, maar in de bron. Italiƫ kampt, net als veel Zuid-Europese landen, met toenemende waterschaarste. Regen valt er onregelmatiger, vaak buiten het groeiseizoen, en verdwijnt razendsnel uit de bodem. Gletsjers trekken zich terug, bronnen drogen op en grondwaterniveaus zakken elk jaar dieper. De toegang tot water is dus allesbehalve vanzelfsprekend.

Wijnbouwers proberen creatief te zijn. Sommige domeinen leggen reservoirs aan. Grote bassins waarin ze tijdens de winter en lente regenwater opvangen. Dat vraagt niet alleen ruimte, maar ook infrastructuur, geld en vooral: regen. En laat dat nu net steeds minder vanzelfsprekend worden.

In bepaalde gebieden wordt samengewerkt met landbouwverenigingen om aan te sluiten op collectieve irrigatienetwerken. Dat werkt redelijk goed in vlakke gebieden zoals de Po-vlakte, maar in heuvelachtige regio’s zoals de Langhe, waar Clerico zelf actief is, is dat een logistieke nachtmerrie. Buizen aanleggen over hellingen, pompen installeren, druk behouden op de leidingen… het vergt een investering die niet elk domein kan of wil dragen. Al mogen ze in Barolo niet klagen wat dat betreft natuurlijk.

In andere regio’s, zoals Trentino en delen van Veneto, zet men in op precisie-irrigatie. Slimme sensoren meten de vochtigheidsgraad in de bodem en geven alleen water als het Ć©cht nodig is. Zo vermijdt men verspilling en houdt men de wijnstokken net onder de stressgrens, zonder de plant te verwennen. Deze technologie is veelbelovend, maar ook kostelijk en eerder weggelegd voor grotere of technologisch vooruitstrevende domeinen.

Een andere piste is hergebruik van gezuiverd afvalwater uit dorpen of agrarische installaties. In Siciliƫ worden hiermee al kleinschalige proeven gedaan. Het klinkt futuristisch, maar het is vooral een kwestie van noodzaak. Want wanneer de regen uitblijft, moet je het hebben van wat er al is.

En dan is er nog het juridisch kader. In veel regio’s mag je wel irrigeren, maar niet zomaar eender welk water gebruiken. Grondwaterputten moeten geregistreerd worden, sommige bronnen zijn beschermd, en de verdeling van water is vaak een politiek mijnenveld. Wie te veel pompt, krijgt al snel de buren over zich heen en soms ook inspecteurs aan de deur.

Aldo Clerico’s punt is dan ook geen detail, maar een harde realiteit: het echte debat is niet of we mogen irrigeren, maar hoe en waarmee. Een reglement dat toelaat om water te geven zonder dat er water Ć­s, is even bruikbaar als een wijnpers zonder druiven.

En de smaak dan?

De grote vraag blijft natuurlijk: verandert irrigatie de smaak van de wijn? Want uiteindelijk draait het daar allemaal om. Het karakter van een wijn, zijn balans, zijn intensiteit.

Het korte antwoord is: ja, irrigatie kan invloed hebben op de smaak. Maar het lange antwoord is veel genuanceerder. Het hangt allemaal af van hoe, wanneer en hoeveel water je geeft.

Wanneer wijnstokken te veel water krijgen, worden ze gemakzuchtig. Ze stoppen met zoeken, wortelen minder diep, en produceren druiven die veel sap bevatten maar weinig concentratie. Het resultaat? Een wijn met flauwe aroma’s, een vlak mondgevoel en een gebrek aan structuur. Dit is de reden waarom irrigatie in veel traditionele wijnregio’s jarenlang als vijand werd gezien.

Maar het andere uiterste is ook geen feest. Te weinig water en de wijnstok komt in overlevingsmodus. De fotosynthese valt stil, de trossen blijven klein en ongelijk, de druiven drogen uit. In plaats van finesse krijg je bitterheid, wrange tannine en vaak een overdaad aan suiker, omdat de druif zich concentreert zonder Ʃcht te rijpen. De balans is zoek, en de wijn wordt log of niet harmonieus. Zeker in hete jaren is dit geen zeldzaam scenario meer.

De sleutel zit in precisie. Een goed getimede en gedoseerde irrigatie kan net bijdragen aan een gezonde groei, een gelijkmatige rijping en een betere aromatische ontwikkeling. In de viticultuur spreekt men dan van deficit irrigation: een gecontroleerde watergift die de wijnstok net genoeg geeft om functioneel te blijven, maar niet genoeg om lui te worden. Het is een vorm van microsturing waarbij de wijnmaker het groeitempo, de trosgrootte en de fenolische rijping probeert te balanceren.

In Barolo bijvoorbeeld, waar Nebbiolo bekendstaat om zijn dunne schil en gevoeligheid voor droogtestress, kan een beperkte irrigatie tijdens kritieke fases zoals vƩraison (het moment waarop de druif begint te kleuren) net het verschil maken tussen elegante zuren en vermoeide druiven. Aldo Clerico hint daar ook op in zijn podcast: irrigatie is geen comfort, maar een noodinstrument om finesse te bewaren. Niet om meer wijn te maken, maar om betere wijn te redden.

Irrigatie vereist dus kennis van zaken. Het is geen wondermiddel, maar een instrument. En zoals elk instrument kan het ontroeren of vals klinken, afhankelijk van wie het hanteert. In de handen van een doordachte wijnbouwer kan irrigatie een bondgenoot zijn om elegantie te behouden, zelfs in uitdagende jaren. In de handen van een onzorgvuldige producent kan het leiden tot banale wijnen met weinig ziel.

Tot slot
Wat ooit een dogma was, wordt vandaag steeds vaker herzien onder druk van extreme weersomstandigheden. Irrigatie is in Italiƫ niet langer een keuze tussen traditie of technologie, maar een balans tussen behoud en aanpassing. En zoals Aldo Clerico het treffend zegt: het gaat niet om meer wijn maken, maar om de juiste wijn te kunnen blijven maken.

Additieven in wijn: tussen noodzaak, technologie en transparantie

Wijn staat al eeuwenlang symbool voor natuur, vakmanschap en cultuur. Toch is wijn vandaag niet zomaar een product dat vanzelf ontstaat. Het is een levend en veranderlijk goedje dat tijdens zijn reis van druif tot fles vaak begeleiding nodig heeft. Enter de additieven.

Dat werd me op een ontnuchterende manier duidelijk tijdens een bezoek, jaren terug weliswaar, aan een wijnbedrijf in Alentejo Portugal. Daar kwam ’s nachts de machinale oogst binnen: karren vol witte druiven voor een frisse, toegankelijke huiswijn. Maar tussen de druiven zat ook een kleine, nog bewegende nachtmuis. ā€œValt wel vaker voorā€, zei de wijnmaker schouderophalend. De muis verdween zonder veel ceremonie mee de pers in. Het beeld bleef hangen, niet als afschrikking, maar als herinnering dat wijn maken ook gewoon boerenwerk is.

Additieven worden dan ineens geen kunstmatige trucjes meer, maar noodzakelijke tussenstappen om een stabiel en veilig product te garanderen. En aangezien de aanwezigheid van die stoffen zelden op het etiket staat, is het hoog tijd voor een heldere blik op wat er werkelijk in je glas zit.

Let wel: dit artikel focust op de technische, stabiliserende en wettelijk toegelaten additieven in wijn. Het gaat dus niet primair over smaakversterkende of aromatische hulpstoffen, al komen die kort aan bod.

Wat moet (niet) op het etiket?

Wijn bevat alcohol, en dat verandert de spelregels. Waar producenten van voedingsmiddelen verplicht zijn om een volledige ingrediƫntenlijst te vermelden, genieten alcoholhoudende dranken, vanaf 1,2% vol., een uitzonderingspositie. Tot voor kort was het perfect mogelijk om een fles wijn te kopen zonder enig idee van wat er, behalve druivensap, nog in zat. Geen vermelding van klaringsmiddelen, stabilisatoren, zuren of toegevoegde gisten. Enkel het alcoholpercentage, de oorsprong, en sinds 2005: de waarschuwing voor sulfiet.

Maar stilaan verandert dat. Onder Europese druk moeten wijnproducenten sinds eind 2023 mƩƩr open kaart spelen. Concreet betekent dat:

  • De vermelding van allergenen blijft verplicht, zoals sulfieten, melkeiwitten of ei.
  • Een digitale ingrediĆ«ntenlijst is nu verplicht, doorgaans ontsloten via een QR-code op het etiket. Die leidt naar een online overzicht van additieven, voedingswaarde en technische ingrepen.

Toch roept deze nieuwe regelgeving meer vragen op dan ze beantwoordt. Want hoewel dit transparanter lijkt, blijkt in de praktijk dat we deze elementen tot op heden nog maar zelden terug kunnen vinden op de backlabels van de flessen. Het fysieke etiket blijft grotendeels onaangeroerd. Ironisch genoeg mag een wijn dus claimen “geen toegevoegde suikers” te bevatten, terwijl hij wel suikers bevat van chaptalisatie of geconcentreerd druivensap. En een wijn met een batterij aan proceshulpstoffen kan zich nog steeds presenteren als puur natuur of onbewerkt, zolang dat niet letterlijk op een controleerbare manier gelogen is.

De nieuwe regelgeving is dus een stap in de goede richting, maar geen revolutie. Eerder een diplomatiek compromis tussen transparantie en commerciƫle haalbaarheid. Voor wie Ʃcht wil weten wat er in een wijn zit, blijft het voorlopig zoeken, klikken, en tussen de regels doorlezen.

Zwaveldioxide: het klassieke werkpaard

Geen enkel additief is zo bepalend in de wijnbouw als zwaveldioxide, chemisch aangeduid als SO₂. Het wordt al eeuwen gebruikt en geldt vandaag nog steeds als een hoeksteen in het wijnmaken. Hoewel de naam eerder industrieel klinkt, is het in de wijnwereld een van de meest doeltreffende hulpmiddelen. Zwaveldioxide vervult een dubbele rol: het beschermt wijn tegen oxidatie en voorkomt microbiële infecties door ongewenste gisten, bacteriën of schimmels af te remmen. Zonder deze bescherming zou wijn, zeker tijdens transport of bewaring, snel bederven of een andere richting uitgaan dan de wijnmaker voor ogen had.

In vrijwel elke wijn zit van nature al een kleine hoeveelheid sulfiet, gevormd tijdens de alcoholische fermentatie. Toch wordt er vaak extra SO₂ toegevoegd, op verschillende momenten in het proces: bij het binnenkomen van de oogst, tijdens de persing, bij het klaren of net voor het bottelen. Het helpt om oxidatieve schade te beperken, vooral bij witte en roséwijnen, en biedt een vorm van gemoedsrust voor wijnmakers die hun product over lange afstanden moeten vervoeren of enkele jaren willen laten rijpen.

De aanduiding ā€˜bevat sulfieten’ op het etiket is wettelijk verplicht vanaf een concentratie van 10 mg/l. Dat is bij het overgrote merendeel van de wijnen het geval. Toch heerst er veel verwarring over de terminologie. Zwaveldioxide en sulfiet worden vaak door elkaar gebruikt, hoewel het in essentie over hetzelfde gaat. ā€˜Sulfiet’ is het afbraakproduct dat ontstaat in ons lichaam na contact met SOā‚‚. Omdat die term verplicht op het etiket moet verschijnen, klinkt het voor sommigen al snel als iets onnatuurlijks of gevaarlijks, wat de perceptie vertroebelt.

Het gebruik van zwavel is dus wijdverspreid, maar zeker geen vrijgeleide om te overdoseren. Te veel zwaveldioxide kan een wijn een scherpe geur geven, doet fragiele aroma’s verdwijnen en kan bij gevoelige personen hoofdpijn of ademhalingsproblemen veroorzaken. Daarom bestaan er sinds 2005 duidelijke EU-grenswaarden voor het gebruik van SOā‚‚, afhankelijk van het type wijn. Witte wijnen mogen tot 200 mg/l bevatten, rode doorgaans iets minder, en biologische wijnen zitten onder nog strengere limieten. Toch zijn zelfs wijnen met het label ā€˜natuurwijn’ zelden volledig zwavelvrij, al zijn er uitzonderingen die dat wel nastreven.

Dat het gebruik van sulfieten niet per se een breuk met natuurlijkheid hoeft te betekenen, werd mooi verwoord door Sebastiano Cossia Castiglioni, voormalig eigenaar van het Toscaanse wijnhuis Querciabella. Hoewel dit domein bekendstaat om zijn zuiverheid, veganistische wijnbouw en minimale interventie, schuwt men daar het gebruik van SOā‚‚ niet volledig. Integendeel, met de nodige nuance en vakkennis wordt het juist als onderdeel van de natuurlijke wijnbouw beschouwd.

ā€œGod made sulphite as a natural ingredient while fermenting grapes into wine,
why should we not believe nature and don’t add, yet as less as possible, of sulphites into wine.ā€

Een uitspraak die de essentie raakt: vertrouwen op wat de natuur zelf al doet, en daar met terughoudendheid en respect op voortbouwen. Zwaveldioxide is geen vijand van echte wijn, zolang het niet de hoofdrol opeist bij het vermijden van additieven, maar bij het helder communiceren over waarom ze gebruikt worden.

Wat mag er nog meer in de wijn?

De lijst van toegestane additieven en hulpstoffen is verrassend lang. De Internationale OIV-codex beschrijft nauwkeurig wat wanneer en waarvoor gebruikt mag worden. We onderscheiden grofweg vijf categorieƫn:

  1. Additieven voor de gisting
    Denk aan geselecteerde gisten zoals Saccharomyces cerevisiae, en aan voedingsstoffen zoals thiamine of stikstofbronnen die een gezonde fermentatie bevorderen.
  2. Correctiemiddelen voor de most
    Dit zijn hulpmiddelen om de balans te vinden: toevoeging van suiker (chaptalisatie), zuren (zoals wijnsteenzuur), of omgekeerd het verwijderen van overtollige zuren.
  3. Klaar- en filtermiddelen
    Om wijn helder en stabiel te maken worden producten gebruikt zoals bentoniet (klei), eiwitten uit melk of eiwit (gelatine, albumine) en plantaardige alternatieven. Sommigen hiervan kunnen allergenen bevatten, al verdwijnen ze meestal uit de uiteindelijke wijn.
  4. Stabiliserende stoffen
    Stoffen zoals kaliumbitartraat, metatartraat, ascorbinezuur of zelfs geselecteerde tannine-extracten zorgen ervoor dat de wijn stabiel blijft bij transport of opslag.
  5. Aromabehoud en oxidatiecontrole
    Behalve SOā‚‚ worden ook enzymen en antioxidanten gebruikt om fruitige aroma’s te bewaren en oxidatie tegen te gaan.

De noodzaak van sommige van deze stoffen wordt pas echt duidelijk wanneer je een oogst van nabij hebt gezien. Bij machinale nachtoogst, vaak gebruikt voor toegankelijke, prijsvriendelijke wijnen, komt meer binnen dan enkel druiven. Bladeren, takjes, insecten en af en toe een klein nachtdier worden mee de pers in geleid. Het klinkt onaangenaam, maar het is een realiteit in grootschalige productie. Hier bewijzen additieven zoals zwaveldioxide hun waarde: ze beschermen het sap tegen bacteriële activiteit, rotting of ongewenste geurontwikkeling nog vóór het fermentatieproces begonnen is.

šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚

Kadertekst: Mag het ietsje meer zijn?
Additieven die meer doen dan beschermen alleen

Hoewel dit artikel zich hoofdzakelijk richt op functionele additieven, zijn er ook stoffen toegelaten die meer gericht zijn op smaak, textuur of mondgevoel. Ze zijn niet noodzakelijk ā€˜slecht’, maar wel het vermelden waard:

Arabische gom: afkomstig van de acaciaboom, verzacht tannine en geeft een ronder mondgevoel.

Glycerol: een natuurlijk bijproduct van de gisting dat soms extra toegevoegd wordt om een voller, zachter effect te bekomen.

MannoproteĆÆnen: afkomstig uit gistcellen, verbeteren de structuur en bevorderen de aroma-integratie.

Eikextracten: zorgen voor houttonen zoals vanille of toast zonder vatrijping, vooral gebruikt in goedkopere wijnen.

Deze toevoegingen zijn wettelijk toegelaten en vallen binnen de marges van moderne wijnbouw. Maar ze openen wel de deur naar de vraag: waar eindigt vakmanschap, en waar begint wijn op bestelling?

Later zullen we hier in een ander artikel op terugkomen en dit in detail uitdiepen.

šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚šŸ·šŸ„‚

Wat is er verboden?

De Europese Unie hanteert een heldere basisregel: wat niet expliciet is toegestaan, is verboden. Die regel moet de consument beschermen en de kwaliteit van wijn waarborgen. Additieven, hulpstoffen en procƩdƩs worden enkel toegelaten als ze wetenschappelijk onderbouwd Ʃn oenologisch relevant zijn. De officiƫle lijst van toegestane praktijken wordt opgesteld door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) en overgenomen in de Europese wetgeving.

In theorie lijkt dat een strak gereguleerd systeem. In de praktijk liggen de kaarten genuanceerder.

Zo bestaan er grijze zones in de wijnwetgeving. Bepaalde technieken of stoffen zijn formeel verboden, maar worden op experimentele basis toch gebruikt in een beperkt aantal wijnbedrijven, vaak met toestemming van lokale autoriteiten. Denk aan moderne filtratiemethoden, bacteriƫle stabilisatie via ultrasoon geluid, of het toevoegen van nieuwe giststammen met specifieke aroma-eigenschappen. Deze experimenten vinden vaak plaats in samenwerking met onderzoeksinstituten of in het kader van EU-gefinancierde innovatieprojecten.

Daarnaast ontstaan verschillen doordat de implementatie en handhaving per lidstaat kunnen variĆ«ren. Niet elke controle-instantie werkt even streng of met dezelfde prioriteiten. Bovendien bestaat er in de EU een apart statuut voor wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming (zoals AOP of DOCG), waarbij strengere regels gelden dan voor ā€˜generieke’ tafelwijnen. Een wijn die legaal gemaakt wordt onder een IGP-label in Spanje, zou binnen een Franse AOC-regio volledig afgekeurd kunnen worden.

Buiten Europa zijn de verschillen vaak nog groter. In de Verenigde Staten is het gebruik van bepaalde aroma-extracten, enzymcocktails of concentratietechnieken (zoals spinning cone columns om alcohol te verwijderen) veel breder toegestaan. In Australiƫ en Nieuw-Zeeland zijn regels doorgaans pragmatischer, gericht op voedselveiligheid en marktconsistentie, minder op traditionele vinificatienormen.

Dat leidt tot vreemde situaties: een wijn die in CaliforniĆ« perfect legaal is, mag in Europa niet worden ingevoerd met het label ā€˜wijn’ tenzij hij aan de EU-regels voldoet.

Ook binnen de opkomende natuurwijnbeweging is de discussie over verboden producten levendig. Officieel bestaan er geen wettelijk vastgelegde regels voor ā€˜natuurwijn’ in de EU, maar binnen onafhankelijke netwerken zoals Vin MĆ©thode Nature of Raw Wine worden wel duidelijke beperkingen opgelegd. Daar zijn niet alleen additieven verboden, maar ook technieken als thermovinificatie, cryo-extractie of omgekeerde osmose. In die wereld geldt: hoe minder manipulatie, hoe hoger het moreel gehalte van de wijn.

Toch blijven grijze zones ook daar bestaan. Wat doe je bijvoorbeeld met een wijn die spontaan fermenteert, zonder toegevoegde sulfiet, maar nadien toch door een keramisch filter wordt gestuurd? Of met een natuurwijn die uit een laboratorium opgekweekte ā€˜natuurlijke’ gist bevat?

De grens tussen toegestaan en verboden ligt dus zelden in steen gebeiteld. Ze schuift mee met de technologie, de marktverwachtingen Ʃn het ethisch kompas van de wijnmaker.

Een slot zonder additieven?

Wijn zónder enige vorm van toevoeging bestaat, maar is een zeldzaam en fragiel product. Natuurwijnen zijn vaak ongefilterd, spontaan vergist en bevatten weinig of geen sulfiet. Dat vraagt om compromisloze zorg van druif tot botteling en een consument die bereid is een beetje risico én variatie te aanvaarden.

Wijnmaken blijft, ook vandaag, een delicate dans tussen controle en vertrouwen. Additieven kunnen als hulpmiddelen dienen, niet als maskers. De toekomst ligt in transparantie en nuance, niet in zwart-witdenken. Misschien moeten we dus niet alleen vragen wat er in onze wijn zit, maar vooral waarom.