Spaghetti aglio, olio e peperoncino: Middernachtspaghetti die eenvoud siert als kunst

Heb jij al gehoord van middernachtspaghetti? Ik geef eerlijk toe: de term was ook voor mij nieuw, tot ik hem tegenkwam in een artikel over Spaghetti aglio, olio e peperoncino. Deze klassieker wordt zo genoemd omdat hij de essentie van Italiaanse gezelligheid belichaamt. Na een lange aperitivo, een avond wijn proeven of simpelweg een goeie tijd met vrienden, is er niets beter dan een snelle, eenvoudige, spontane maaltijd om kleine of grote honger te stillen. Een laatste moment van samenzijn, vlak voor je elkaar buonanotte wenst.

Dat is waar Spaghetti aglio, olio e peperoncino, ofwel de middernachtspaghetti, voor staat. Ironisch genoeg is het weer zo’n gerecht dat op papier verdacht simpel lijkt, maar in de praktijk draait om precisie, gevoel en smaak. Geen bergen ingrediĆ«nten, geen ingewikkelde sauzen. Gewoon pasta, knoflook, olijfolie en chilipeper. Maar wie denkt dat daarmee de kous af is, onderschat dit schijnbaar eenvoudige bord comfort food. En ja, wie het verkeerd aanpakt, kan zomaar eindigen met een nachtshift aan het fornuis.

Een gerecht met koninklijke roots

Spaghetti aglio, olio e peperoncino is diep geworteld in het zuiden van Italiƫ, meer bepaald in Campaniƫ, waar Napels als culinair hart al eeuwenlang zijn stempel drukt op de Italiaanse eetcultuur. In deze regio ontstond het gerecht in zijn oervorm: pasta met knoflook en olijfolie. De ingrediƫnten waren goedkoop, lang houdbaar en altijd beschikbaar in huishoudens waar geld schaars was maar smaak nooit ontbrak. De chilipeper, die het gerecht vandaag zijn karakteristieke pit geeft, maakte pas later zijn intrede. Aanvankelijk was het een bord pasta dat warmte en comfort bracht met enkel olie en knoflook.

In Napels stond het bekend als vermicelli alla Borbonica, een benaming die verwees naar de heersende dynastie van het Koninkrijk Napels. Koning Ferdinand IV van Bourbon zou een uitgesproken voorkeur hebben gehad voor deze eenvoudige pasta. Zijn voorliefde voor het gerecht was zo groot dat hij een praktische innovatie liet uitvoeren die uiteindelijk culinaire geschiedenis schreef. Tot diep in de 18de eeuw at men pasta met de vingers of met een vork met slechts twee tanden. Dat werkte prima voor droge pasta of kleine porties, maar was weinig efficiƫnt bij een bord vermicelli met olie. De koning stimuleerde het gebruik van een vork met vier tanden, een innovatie die het draaien van lange slierten pasta vergemakkelijkte en uiteindelijk de standaard werd in Italiaanse tafelschikking. Het lijkt een voetnoot, maar deze aanpassing was cruciaal in de verspreiding van pasta als hoofdgerecht door heel Italiƫ. Het werd eenvoudiger om te eten, zelfs aan een koninklijk banket.

Wat het gerecht speciaal maakt in zijn historische ontwikkeling, is dat het zowel een product was van armoede als van verfijning. In arme gezinnen bracht het dagelijkse voeding, bij de elite werd het gewaardeerd voor zijn pure smaak en zijn vermogen om te verrassen zonder spektakel. Die dubbelzinnige status maakte het tot een blijver in alle lagen van de samenleving.

De toevoeging van peperoncino kwam pas later, toen de pittige peper steeds meer zijn weg vond naar Zuid-Italiaanse keukens. Met zijn scherpe, aardse toets gaf hij het gerecht een nieuwe gelaagdheid. De chili werd al snel een vaste waarde, behalve bij wie het liever zacht houdt. De naam veranderde mee: wat ooit bekend stond als vermicelli alla Borbonica of gewoon aglio e olio, kreeg een pittigere identiteit als spaghetti aglio, olio e peperoncino.

Toch blijft de basis altijd hetzelfde: een gerecht geboren uit noodzaak, groot geworden door smaak en techniek, en uitgegroeid tot een nationaal symbool van wat de Italiaanse keuken zo bijzonder maakt. Geen overdaad, geen opsmuk, maar een subtiele perfectie die generaties blijft aanspreken.

Een les in eenvoud

Aglio, olio e peperoncino. Drie woorden die geen geheimen lijken te verbergen. Dit is een recept dat recht in je gezicht zegt wat het is: knoflook, olie en chilipeper. En toch is de eenvoud maar schijn. De kracht van dit gerecht zit niet in wat je toevoegt, maar in wat je nƭƩt kunt verbergen.

Het is precies die bedrieglijke eenvoud die van spaghetti aglio, olio e peperoncino een klassieker maakt in heel Italiƫ. Het staat bekend als het gerecht dat je maakt als je nauwelijks iets in huis hebt, maar toch iets fatsoenlijks wilt eten. Binnen een kwartier staat het op tafel. Het vult, het verwarmt en het verrast telkens opnieuw.

Studenten maken het uit gemak en budget. Chef-koks zetten het op het menu om net hun techniek te tonen. Want wie denkt dat dit zomaar een snel bordje pasta is, vergist zich. De juiste knoflookkleur, de perfecte temperatuur van de olie, de juiste dosering van de chili: alles vraagt precisie. Elke fout is genadeloos zichtbaar op het bord.

Bij een gerecht dat zo weinig verbergt, komt het aan op de ingrediƫnten. Niet zomaar pasta, maar spaghetti van degelijke kwaliteit, bij voorkeur van harde tarwe met een ruwe textuur die de olie vasthoudt. Je scoort uiteraard extra pluspunten als je de spaghetti zelf hebt gemaakt in plaats van aangekocht.

De olijfolie moet fruitig zijn en extra vierge. Geen alledaagse braadolie, maar de fles die je anders bewaart voor bijzondere gelegenheden. Liefst eentje met karakter: een olie uit frantoio-olijven uit Toscane of Umbriƫ, of een nocellara del Belice uit Siciliƫ. Wie het graag iets verfijnder aanpakt, kan ervoor kiezen om slechts een deel van de olie te verhitten en op het einde nog een paar lepels rauw toe te voegen. Zo breng je diepte, spanning en frisheid samen in ƩƩn bord.

De rol van knoflook in dit gerecht wordt vaak onderschat. Toch maakt net de juiste soort een wereld van verschil in smaak en verfijning. Kies je voor een hoogwaardige variƫteit zoals de rode knoflook uit Nubia, met zijn krachtige maar gebalanceerde aroma, of Vessalico uit Liguria met zijn delicate toets, dan til je het gerecht meteen naar een hoger niveau. Wie de voorkeur geeft aan een zachter profiel, kan de tenen in hun geheel gebruiken om enkel de olie te aromatiseren en ze daarna weer verwijderen. Op die manier krijg je een subtiele achtergrond zonder dat de knoflook alles gaat domineren.

Voor de peperoncini gaat er niets boven een Spaanse peper uit Calabriƫ. Die geven niet alleen hitte, maar ook een volle, warme smaak met die kenmerkende zuiderse intensiteit. Het vuur is er, maar nooit vlak of scherp. Het bouwt op, blijft hangen en ondersteunt de andere ingrediƫnten zonder ze te overheersen.

Sommigen voegen nog wat fijngehakte peterselie toe voor kleur en frisheid. Anderen laten het weg uit principe. Beide zijn juist. Dat is het mooie aan dit gerecht: je proeft altijd de hand van de maker.

Vergeet niet dat dit puurheid in essentie is, en dat elke fout genadeloos wordt uitvergroot. Er is weinig ruimte voor vergissingen. Laat de knoflook of peterselie niet aanbranden, want een hint van bitterheid haalt het hele bord onderuit. Doseer de peperoncino met verstand, zodat het gerecht pittig blijft zonder agressief te worden. En let tenslotte op de balans tussen olie en pasta: te droog mist het smeuĆÆgheid, te vettig maakt het log en onevenwichtig.

Het is de eenvoud die overtuigt, de diepgang die verrast en het karakter dat blijft hangen. Dat maakt van deze klassieker geen bijgerecht of noodoplossing, maar een waardige hoofdrolspeler in elke Italiaanse keuken.

Het originele receptSpaghetti aglio, olio e peperoncino

Ingrediƫnten (voor 4 personen)

  • 400 g spaghetti
  • 70 ml extra vierge olijfolie van hoge kwaliteit
  • 3 gedroogde of verse rode chilipepers
  • 3 teentjes knoflook
  • Grof zeezout
  • Optioneel: fijngehakte verse peterselie voor afwerking

Bereidingstijd
Voorbereiding: 10 minuten
Koken: 12 minuten
Niveau: zeer eenvoudig

Bereidingswijze

  1. Pasta koken
    Breng een grote pot water aan de kook. Voeg grof zout toe zodra het borrelt en kook de spaghetti tot ze net al dente is. Giet niet alles af: hou een paar eetlepels kookvocht apart.
  2. De olie infuseren
    Verhit intussen de olijfolie op een laag vuur in een ruime pan. Pel de knoflook en voeg die toe aan de olie. Je kan kiezen hoe je hem gebruikt: heel, in twee gesneden of fijn in schijfjes. Hoe fijner je hem snijdt, hoe intenser de smaak. Doe hetzelfde met de chilipeper: verwijder de steeltjes, snij in dunne ringetjes en voeg toe aan de olie. Voor een minder pittige versie kun je de zaadjes verwijderen.
  3. Let op het vuur
    Laat knoflook en chilipeper zachtjes bakken op laag vuur, zodat ze een mooie goudkleur krijgen. Verbranden is uit den boze. Dit proces duurt niet langer dan twee minuten en vraagt je volle aandacht.
  4. Pasta erbij
    Zodra de pasta gaar is, voeg je ze direct toe aan de pan met olie. Meng goed door en voeg een beetje van het bewaarde kookvocht toe om de smaken te laten binden. Laat alles samen nog even kort bakken op hoog vuur, zodat de olie mooi rond de spaghetti kleeft.
  5. Afwerken en serveren
    Serveer onmiddellijk, terwijl de aroma’s nog dampend uit het bord opstijgen. Voor een frisse afwerking kan je wat fijngehakte peterselie over het bord strooien, maar dat is geen verplichting.

Klaar? Smullen maar!

Dit is een gerecht dat werkt omdat het op traditie steunt Ʃn op de kracht van basisingrediƫnten. De knoflook is niet alleen smaakmaker maar ook een natuurlijk antibioticum. Gebruik hem in zijn geheel voor een zachtere toets, of hak hem fijn als je zijn volle karakter wil benutten. Chilipeper voegt niet alleen pit toe, maar heeft ook een weldadig effect op de luchtwegen, de spijsvertering Ʃn het humeur.

Dit gerecht vraagt geen Parmezaan of room. Enkel precisie en liefde voor eenvoud. En uiteraard hoort een goed glas wijn erbij. Maar dat is een ander verhaal.

Zo behoud je de bubbel: Inschenken speelt een grotere rol dan je denkt

Belletjes verliezen, daar draait het in dit artikel om. Een schuimwijn zonder bubbels is als Romeo zonder Juliet: ondenkbaar. De pareling is geen detail, maar een essentie. We moeten er dus alles aan doen om die bubbels ook effectief in het glas te houden.

En daar wringt soms het schoentje. Want wist je dat je met een paar eenvoudige ingrepen het COā‚‚-verlies, en dus de bubbelkracht, drastisch kan beperken? Jawel: door simpelweg te letten op de temperatuur en de manier van inschenken, maak je al een wereld van verschil.

We gaan er al te vaak van uit dat schuimwijn inschenken een achteloze handeling is. In werkelijkheid grijpt dit moment rechtstreeks in op een van de belangrijkste eigenschappen van de wijn: het gehalte aan opgeloste koolstofdioxide (CO₂). Deze bruisende component beïnvloedt niet alleen het karakter van de bubbels, maar ook het mondgevoel én het aroma van de schuimwijn.

Het risico van inschenken: Twee technieken, twee uitkomsten

We gaan even technisch worden. Een fles champagne bevat ongeveer 11,4 gram opgeloste COā‚‚ per liter, goed voor zo’n 5 liter gas dat moet ontsnappen zodra de kurk knalt. Dat ontsnappen gebeurt op twee manieren. Enerzijds zijn er de zichtbare bubbels die opstijgen vanuit kleine krasjes, stofdeeltjes of luchtbelletjes aan de binnenkant van het glas. Op die plekjes verzamelt zich gas, en dat vormt het startpunt van een bel. Anderzijds is er een veel discretere vijand: onzichtbare diffusie. Voor elke COā‚‚-molecule die zichtbaar opstijgt als bubbel, verdwijnen er naar schatting vier stilletjes via het vloeistofoppervlak. Met andere woorden, het gros van de COā‚‚ verdwijnt zonder dat we het merken.

En daar komt de serveertechniek in beeld. De manier waarop champagne wordt ingeschonken, beĆÆnvloedt het oppervlak en de turbulentie van de wijn in het glas. En dat heeft directe gevolgen voor het behoud van koolzuur. De manier van inschenken is niet eindeloos variabel. In de praktijk komt het neer op twee opties: de klassieke champagnestijl en de zachtere bierstijl.

De champagnestijl is de klassieke methode: de wijn valt verticaal in het glas en raakt de bodem met volle kracht. Het resultaat kan spectaculair zijn. Een bruisende fontein en een schuimkraag die snel opbouwt. Wat minder zichtbaar is: het enorme verlies aan opgeloste CO₂. De impact van de stroom veroorzaakt turbulentie, luchtinsluiting en menging in de vloeistof, wat de ontsnapping van CO₂ sterk versnelt. Deze methode, hoe feestelijk ook, is een efficiënt afschudmechanisme voor koolzuur.

Bij de bierstijl stroomt de wijn zachtjes langs de schuine wand van het glas. De turbulentie wordt beperkt, het contactoppervlak met de lucht blijft kleiner en de schuimvorming is minimaal. Het resultaat: een veel rustiger inschenkproces én beduidend minder CO₂-verlies.

Ik heb de vakliteratuur er even bijgehaald en de cijfers spreken boekdelen. Bij een temperatuur van 4 °C verliest champagne bij de champagnestijl 3,0 gram COā‚‚ per liter. Bij de bierstijl zakt dat verlies tot slechts 1,6 gram per liter. Bij een temperatuur van 12 °C loopt het verschil verder op: 3,3 gram verlies bij klassiek inschenken versus 2,0 gram bij de zachte methode. En bij een temperatuur van 18 °C (ik weet het wel, geen kat die een bubbel aan deze temperatuur zal schenken) wordt het verschil dramatisch: 4,0 gram tegenover 3,7 gram. De cijfers tonen hoe turbulentie en temperatuur elkaar versterken in hun effect op het COā‚‚-verlies.

Nice to know maar waarom is dit belangrijk?

Opgeloste COā‚‚ is veel meer dan een visueel spektakel. Het is de drijvende kracht achter wat schuimwijn zo uniek maakt. Zonder bruis geen lift. De aroma’s blijven hangen, het mondgevoel wordt vlakker, en het feestgevoel verdwijnt.

De koolzuurbelletjes werken als minuscule transporteurs. Bij het opstijgen nemen ze vluchtige aromacomponenten mee naar het oppervlak, waar ze vrijkomen en ons reukorgaan prikkelen. Dit effect zorgt voor die kenmerkende ā€˜lift’ van fruitige, florale of brioche-achtige tonen net boven het glas. Minder bubbels betekent minder aromatische intensiteit. En dat maakt een wereld van verschil, zeker bij verfijnde champagnes of mousserende wijnen met rijping.

Ook in de mond speelt COā‚‚ een rol. Het bruisen veroorzaakt een lichte druk, tinteling en een verfrissende sensatie die het gehemelte opwekt en de wijn levendig houdt. Bovendien reageert het koolzuur met speeksel, waarbij koolzuur omgezet wordt in een lichte zuurgraad die het geheel spannender maakt. Neem dat weg, en je blijft achter met iets wat, hoe goed ook, minder elegant en minder prikkelend aanvoelt.

Daarom is het niet zomaar een academische oefening om stil te staan bij het inschenken. De manier waarop je inschenkt, bepaalt mee wat je uiteindelijk ervaart. De bierstijl mag er misschien wat gewoontjes uitzien, maar ze respecteert de structuur van de wijn. Ze voorkomt overdreven schuimvorming, houdt het COā‚‚-niveau hoger, en laat zo de wijn in zijn meest expressieve vorm tot zijn recht komen.

Temperatuur als sleutelvariabele

Temperatuur beĆÆnvloedt schuimwijn op fundamenteel niveau. Niet alleen tijdens het schenken, maar ook in het glas zelf. Wanneer een schuimwijn warmer wordt, neemt de bewegingsvrijheid van COā‚‚-moleculen toe. Ze worden letterlijk actiever, minder gebonden aan de vloeistof, en dus ook sneller geneigd om te ontsnappen. Warmte geeft het gas als het ware een duwtje richting de uitgang.

Maar er speelt nog iets mee: de perceptie van de wijn. Bij hogere temperaturen komt niet alleen meer COā‚‚ vrij, ook aroma’s ontwikkelen zich anders. Wat in sommige stille wijnen gewenst is, leidt bij schuimwijnen tot een vervaging van het evenwicht. De frisheid neemt af, zuren worden minder strak en de wijn kan wat logger. De subtiele spanning tussen zuur, mousse en aroma wordt vlakker.

Een ander punt is het effect op de beleving van bubbels. Bij een koude schuimwijn zijn de belletjes fijner, strakker en eleganter. Naarmate de temperatuur stijgt, worden ze grover en agressiever. Dat heeft invloed op het mondgevoel: wat eerst fluweelzacht tintelde, kan bij hogere temperaturen plots prikken of zelfs bijten. Dat is geen toeval, maar een direct gevolg van de veranderende oplosbaarheid en gasdruk in de wijn.

Daarnaast vertraagt een koele temperatuur de evolutie in het glas. Een koude schuimwijn houdt zijn COā‚‚ beter vast, blijft langer levendig en behoudt zijn structuur over meerdere minuten. In een warmer glas neemt het verval sneller toe. Zelfs de beste fles verliest dan zijn magie vóór het glas leeg is.

Kortom: temperatuur is niet alleen een technisch aspect, maar een bepalende factor voor finesse, balans en timing. Wie de serveertemperatuur respecteert, rekt het ideale drinkvenster maximaal uit en gunt zichzelf meer tijd om van de schuimwijn te genieten zoals hij bedoeld is.

Zien wat normaal verborgen blijft: schuimwijn in infrarood

Hoe weet je nu zeker wat er allemaal verloren gaat bij het inschenken? Hoe toon je iets aan dat je met het blote oog niet ziet? Het antwoord komt verrassend genoeg uit de hoek van de technologie: infraroodthermografie.

Een mondvol, maar het idee is eenvoudig én spectaculair. Onderzoekers maakten gebruik van een infraroodcamera, uitgerust met een filter die specifiek gevoelig is voor CO₂. Die gasmoleculen zenden namelijk een klein beetje infraroodstraling uit, onzichtbaar voor ons, maar perfect op te vangen met de juiste apparatuur. En plots wordt het onzichtbare zichtbaar.

De beelden die dat oplevert zijn ronduit fascinerend: zodra de schuimwijn wordt ingeschonken, zie je een nevel van koud gas zich uit het glas storten. Geen stijgende damp zoals bij warmte, maar een sluier die langzaam naar beneden glijdt. Dat komt omdat COā‚‚ ongeveer anderhalve keer zwaarder is dan lucht. Het stroomt niet weg, maar zakt als een stille waterval langs de glaswand.

Nog interessanter is dat het verschil tussen warme en koude schuimwijn letterlijk zichtbaar wordt. Bij hogere temperaturen is de uitstroom van COā‚‚ massaal. Dikke, dichte wolken van gas rollen over de rand van het glas. Bij koele schuimwijn blijft de uitstoot beperkt en eleganter. Hetzelfde geldt voor de manier van schenken: bij de klassieke champagnestijl gutst de COā‚‚ eruit, bij de bierstijl blijft de uitstroom veel bescheidener.

Deze visuele bevestiging laat geen ruimte voor twijfel. Wat eerder louter meetbaar was via chemische analyses, wordt nu tastbaar in beeld gebracht. De sluier van COā‚‚ verraadt alles: de temperatuur, de techniek, het verlies. Geen theorie, maar een zichtbaar verhaal.

En misschien is dat wel het mooiste aan deze technologie: ze onthult de kwetsbaarheid van schuimwijn. Wat je niet ziet, doet er wƩl toe. En als je het eenmaal gezien hebt, schenk je nooit meer gedachteloos in.

Conclusie

De manier waarop schuimwijn in het glas belandt, is allesbehalve banaal. Serveerstijl en temperatuur hebben een meetbare én merkbare invloed op het behoud van CO₂, en dus op de totale beleving van de wijn. Wie het bruisende karakter wil behouden, kiest best voor koel schenken en een rustige, schuine inschenkhoek.

Wat ik bijzonder fijn vond aan dit onderzoek, is dat het wetenschappelijk bevestigt wat ik al jaren verkondig: Schenk uw champagne zoals een goed getapt biertje. Minder spektakel misschien, maar des te meer genot.

Valpolicella Ripasso: Ontstaan uit boerenvernuft

In de Valpolicella-reeks gaan we een trapje hoger in de hiƫrarchie en trekken we op ontdekking naar de Ripasso-stijl. Hoewel je deze techniek ook elders in Italiƫ tegenkomt, is het enkel hier, in Valpolicella, dat de naam wettelijk beschermd is en officieel op het etiket mag prijken.

Ripasso betekent letterlijk ā€˜opnieuw passeren’ of ā€˜herpasseren’. Dat is precies wat er gebeurt bij deze intrigerende wijn uit het hart van de Veneto. De basis is een klassieke Valpolicella, maar daarna komt de magie: de wijn ondergaat een tweede gisting op de uitgegiste schillen van Amarone of Recioto. Zo wordt een lichte, frisse wijn omgevormd tot iets rijkers, ronder en complexer. Ripasso is de brug tussen de levendigheid van een jonge Valpolicella en de kracht van een Amarone.

Productiegebied en subzones

Valpolicella Ripasso DOC wordt geproduceerd in hetzelfde afgebakende gebied als de gewone Valpolicella DOC. Het beslaat een aanzienlijk deel van de provincie Verona en omvat volledig of gedeeltelijk de gemeenten Marano, Fumane, Negrar, Sant’Ambrogio, San Pietro in Cariano, DolcĆØ, Verona, San Martino Buon Albergo, Lavagno, Mezzane, Tregnago, Illasi, Colognola ai Colli, Cazzano di Tramigna, Grezzana, Pescantina, Cerro Veronese, San Mauro di Saline en Montecchia di Crosara.

Binnen dit gebied zijn twee geografische subzones erkend die ook op het etiket mogen worden vermeld: Classico en Valpantena.

De vermelding Valpolicella Ripasso Valpantena is voorbehouden aan wijnen waarvan alle druiven afkomstig zijn uit de Valpantena-vallei, ten noorden van Verona. Deze zone heeft een eigen, officieel afgebakend gebied binnen de bredere DOC.

De term Classico verwijst naar het historische kerngebied van Valpolicella. Deze subzone omvat de vijf gemeenten Negrar, Marano, Fumane, Sant’Ambrogio en San Pietro in Cariano. Wijnen uit deze zone mogen Valpolicella Ripasso Classico op het etiket dragen.

Samengevat kunnen we op het etiket van een Ripasso de volgende combinaties tegenkomen:

  • Valpolicella Ripasso
  • Valpolicella Ripasso Superiore
  • Valpolicella Ripasso Classico
  • Valpolicella Ripasso Classico Superiore
  • Valpolicella Ripasso Valpantena
  • Valpolicella Ripasso Valpantena Superiore

Druivenrassen

De druiven zijn identiek aan die van een gewone Valpolicella. De kern wordt gevormd door Corvina Veronese die tussen 45% en 95% van de blend moet uitmaken. Binnen die marge mag Corvinone maximaal 50% van de Corvina vervangen. Met andere woorden: Corvinone mag dus niet op zichzelf de hoofdrol spelen, maar enkel als aanvulling of gedeeltelijke vervanger van Corvina.

Rondinella is de tweede verplichte component en moet tussen 5% en 30% van de samenstelling bedragen.

Daarnaast is er ruimte voor andere druiven die tot 25% van de blend mag bestaan uit aanvullende rassen. Er geldt wel een limiet: van elk gebruikt ras mag er niet meer dan 10 procent in de wijn zitten. Voor een overzicht van de precieze samenstelling en toegestane variĆ«teiten verwijzen we naar het artikel Valpolicella – DOC, Classico, Superiore.

De unieke Ripasso-methode

De Ripasso-methode is ontstaan uit boerenvernuft. In de tijd dat de beste druiven en wijnen voorbehouden waren aan de landeigenaren, mochten de pachtboeren na de gisting de overgebleven schillen van de Recioto behouden. Wat voor de heren restafval was, werd door de boeren gebruikt om hun eigen eenvoudige Valpolicella een tweede leven te geven. Zo ontstond wat we vandaag kennen als Ripasso.

Oorspronkelijk pompten de boeren hun jonge Valpolicella over op de uitgegiste schillen van Recioto – Amarone bestond toen nog niet. Die schillen, in het jargon ā€œvinacceā€ genoemd, bevatten na de gisting nog restjes suiker, kleurstoffen, aroma’s en actieve gistcellen. Door die opnieuw te benutten, kwam een tweede gisting op gang. Zo ontstond een krachtigere en voedzamere wijn, die in het boerenleven niet alleen voor smaak, maar ook voor broodnodige energie zorgde. Wat begon als een vorm van boerenslimheid en efficiĆ«ntie is vandaag uitgegroeid tot een erkende, verfijnde techniek. De werkwijze is grotendeels dezelfde gebleven: een jonge Valpolicella wordt opnieuw vergist op de warme schillen van Amarone of Recioto, die nog voldoende suikers, tannine en aroma’s bevatten om de wijn extra diepgang, structuur en alcohol te geven.

Dit proces gebeurt meestal in februari, net nadat de Amarone of Recioto hun hoofdgisting hebben afgerond. De basiswijn wordt dan niet zomaar ā€œgemengdā€ met iets anders, maar ondergaat effectief een tweede gisting. Dankzij de nog aanwezige gistresten en restsuikers in de schillen komt de vergisting opnieuw op gang. De temperatuur loopt weer op, het alcoholpercentage stijgt, en de wijn krijgt meer extractie van kleur, aroma’s en tannine.

De hergisting duurt meestal tussen de 10 en 15 dagen, afhankelijk van de stijl van de producent en het type schillen (Amarone geeft doorgaans meer kracht, Recioto meer rondheid en restzoet). Dit proces vereist nauwkeurige temperatuurcontrole en een zorgvuldige overpomping om maximale extractie te garanderen, maar ook om oxidatie en ongewenste micro-organismen te vermijden.

Nadien wordt de wijn van de schillen gescheiden en daarna volgt een rijping van minstens 12 tot 18 maanden op eiken vaten, wat bijdraagt aan het fluwelige karakter van de wijn. Het type hout varieert: van grote Sloveense botti tot kleinere Franse barriques.

Productievoorschriften en classificatie

De productieregels voor Valpolicella Ripasso DOC zijn strikt gedefinieerd en bewaken zowel traditie als kwaliteit. De wijn moet een minimaal alcoholpercentage van 12,5% behalen en minstens 12 maanden rijpen. Pas vanaf 1 januari van het tweede jaar na de oogst mag hij op de markt komen. Bij wijnen met de vermelding Superiore gelden strengere normen: een natuurlijk alcoholpotentieel van minstens 13% en doorgaans een langere rijping, wat leidt tot een wijn met meer concentratie en bewaarpotentieel.

De vinificatie, het eigenlijke Ripasso-proces en de rijping moeten plaatsvinden binnen de afgebakende productiezone.

De wijn mag uitsluitend worden verkregen door hergisting van een jonge Valpolicella op de schillen van Amarone della Valpolicella of Recioto della Valpolicella. Dit moet gebeuren volgens de traditionele methode. Het volume aan geproduceerde Ripasso mag maximaal het dubbele bedragen van het volume wijn dat is verkregen uit de gebruikte vinacce. Er is dus een duidelijke limiet aan hoeveel Ripasso er per hoeveelheid schillen mag worden gemaakt.

Voor de wijngaarden zijn de regels eveneens scherp. Alleen hellingen en geschikte bodems komen in aanmerking, vlakke of vochtige gronden in valleien zijn uitgesloten. De aanplantdichtheid moet minstens 3.300 stokken per hectare bedragen, behalve in uitzonderlijke gevallen zoals smalle terrasvormige wijngaarden. Toegelaten snoei- en geleidingssystemen zijn de traditionele Veronese pergola en spalier, met beperkingen op het aantal knoppen per hectare. Dwingende maatregelen zoals kunstmatige rijpingsversnelling zijn verboden, al is irrigatie bij extreme droogte wel toegelaten.

De maximale opbrengst is vastgelegd op 12 ton druiven per hectare, met een rendement van maximaal 70% in wijn. Een extra nuance: onder voorwaarden is het toegestaan om tot 15% wijn die bestemd is voor Amarone toe te voegen aan Ripasso, bijvoorbeeld om de structuur of balans te verbeteren.

Een eigen identiteit

Een goede Ripasso herken je meteen aan zijn diepe robijnrode kleur, die met de jaren kan evolueren naar granaatrood. Het is een wijn met een uitgesproken en herkenbaar geurprofiel: aroma’s van gestoofd rood fruit, kersenconfituur en pruimen worden vaak vergezeld door kruidige toetsen, cacao of tabak. Soms duiken er ook florale en balsamische nuances op, afhankelijk van de stijl van de producent en het gebruik van hout.

In de mond is Ripasso vol en evenwichtig. Hij combineert een fluwelige textuur met voldoende fraƮcheur en heeft een stevig maar zacht mondgevoel, gedragen door rijpe tannine en een fijne bitterheid in de afdronk. De wijn heeft duidelijk body, zonder log of zwaar te worden.

Die combinatie van intensiteit, frisheid en extract maakt van Ripasso een wijn die zich stevig positioneert tussen de elegante Valpolicella Classico en de krachtige Amarone. Hij draagt de levendigheid van de eerste en de structuur van de tweede, maar heeft een eigen gezicht: expressief, toegankelijk Ʃn gastronomisch breed inzetbaar.

Tussen twee werelden

Ripasso is geen Amarone light en al zeker geen opgepepte Valpolicella. Het is een stijl met een eigen gezicht, ontstaan uit een eeuwenoude techniek die eenvoud en inventiviteit verenigt. De wijn combineert het sappige karakter van een jonge Valpolicella met de diepte en structuur van Amarone, zonder zich volledig aan een van beide uitersten te binden.

Zijn succes schuilt in het evenwicht: rijk maar niet log, toegankelijk maar met inhoud. Ripasso is het resultaat van een productieproces dat voortkomt uit wat we gerust gezond boerenverstand mogen noemen. En dat werpt zijn vruchten af, want deze wijn is intussen uitgegroeid tot een vaste waarde op wijnkaarten van Brussel tot Brooklyn.

Waar Ripasso elegant laveert tussen frisheid en kracht, kiest Amarone della Valpolicella DOCG voor absolute intensiteit, concentratie en diepgang. In het volgende hoofdstuk duiken we in de wereld van appassimento, lange rijping en een wijnstijl die op kracht mikt. Zet je aangepaste wijnglas alvast klaar.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders
  3. Valpolicella – DOC, Classico,Ā Superiore

Cojoni di mulo en palle del nonno: Vlezig uit Umbria met een knipoog

Nog enkele dagen geduld en dan gaat onze ontdekkingstocht door Umbriƫ eindelijk van start. Wie hier al even meeleest, weet intussen hoe hard we uitkijken naar dit verblijf in het groene hart van Italiƫ. Cruisen door de glooiende heuvels, verdwalen in middeleeuwse stadjes, stoppen bij vergeten dorpjes en, uiteraard, proeven van al dat Umbrisch lekkers.

Pancetta, strangozzi al tartufo nero, cinghiale in umido of torta al testo: allemaal klinkende namen die al op onze verlanglijst staan. En wist je trouwens dat het befaamde Chianina-rund, waar de Toscaanse bistecca alla fiorentina zo trots op is, eigenlijk zijn wortels in Umbriƫ heeft?

Maar UmbriĆ« toont zijn culinaire flair niet enkel in klassieke gerechten. De regio heeft ook een opmerkelijk gevoel voor humor, vooral als het over charcuterie gaat. Tik ā€˜macelleria umbra’ in op Google en kijk zelf: tussen de klassieke salami’s springen er ineens twee buitenbeentjes in het oog die je even doen slikken bij je ochtendespresso: cojoni di mulo en palle del nonno. Wat eerst klinkt als een grap, blijkt bij nader inzien een verhaal van smaak, vakmanschap en marketing avant la lettre.

Cojoni di mulo: geen muilezel te bespeuren

De naam cojoni di mulo betekent letterlijk ā€˜muilezelsballen’. Geen paniek: er komt helemaal geen ezel aan te pas. Wat je op je bord krijgt is een salami met een uitgesproken vorm, ovaal en wat afgeplat, robuust en compact. Met een beetje verbeelding doet die vorm inderdaad denken aan… juist. En dat is natuurlijk ook de bedoeling.

De naam is overigens niet zomaar gekozen. In het standaard Italiaans zou je zeggen coglioni di mulo, waarbij coglione het vulgaire woord is voor teelbal. Maar in UmbriĆ«, en bij uitbreiding heel Midden-ItaliĆ«, leeft het dialect sterk voort in de alledaagse omgangstaal. Cojone is zo’n dialectvorm, meer spreektaal dan scheldwoord, en net dat maakt de naam volkser, toegankelijker, met een vleugje boerenhumor.

Deze worst is nauw verbonden met Norcia, een stadje dat in heel ItaliĆ« bekendstaat om zijn vleesbereidingen. Norcia is een heuse kwaliteitsstempel en je zou kunnen zeggen dat het de Italiaanse vorm van ‘varkenskeurslager’ is. In feite is het woord norcino, een term voor een ambachtelijke slager die zich toelegt op varkensvlees, rechtstreeks afgeleid van deze plek. We mogen echter niet afleiden dat de cojoni di mulo een unicum is voor Norcia! Ook in andere delen van UmbriĆ«, zoals de Valnerina of het noorden rond Gubbio, worden ze met evenveel vakmanschap en trots gemaakt, vaak met subtiele lokale accenten.

De salami zelf wordt gemaakt van varkensvlees, vaak van lokale rassen zoals Cinta senese en nero umbro, gemengd met een beetje vet uit de lende of buik. De verhouding vlees-vet is royaal maar goed in balans. De kruiding blijft bewust sober: peper, look en soms een vleug witte wijn of muskaatnoot. Na het vullen van de darm worden de worsten per twee gebonden, met een stevige draad in het midden. Zo ontstaat het herkenbare ā€˜duoformaat’ dat de naam verklaart.

Wie een cojone di mulo opensnijdt, merkt meteen iets bijzonders: in het midden zit een witte, glanzende kern. Die ā€˜vlek’ is geen afwijking, maar een zorgvuldig ingelegd stukje vetspek. Het is een typisch kenmerk van dit product en zorgt voor zowel extra smeuĆÆgheid als visueel contrast. Tijdens het rijpen smelt het vet niet weg, maar blijft het compact, waardoor het bij het snijden als een soort ā€˜hart’ zichtbaar blijft.

Het aroma is complex en uitnodigend: licht aards, met tonen van gedroogde paddenstoelen, hazelnoten en rijpend vlees. Wie eraan ruikt, merkt meteen het verschil met meer alledaagse salami’s. De smaak is rijk, diep en licht pikant, met een lange afdronk waarin het vlees, het vet en de rijping harmonieus samenkomen.

De cojoni di mulo worden meestal dun gesneden geserveerd, op kamertemperatuur, eventueel met een snee stevig brood en een glas rode wijn uit de regio, bijvoorbeeld een Montefalco Rosso of zelfs een jonge Sagrantino. Geen mosterd, geen confituur. Deze worst heeft geen nood aan extra vertoon.

Palle del nonno: opa had smaak

Net wanneer je denkt dat het niet speelser kan, komt palle del nonno ten tonele. ā€˜De ballen van opa’, jawel, zijn op het eerste gezicht een grapje in vleesvorm. Maar achter die licht obscene naam schuilt een delicaat en heerlijk stukje charcuterie.

Qua basisrecept lijken ze op hun grotere neven, de cojoni di mulo, maar de uitvoering is fijner en geraffineerder. De palle zijn kleiner van formaat, zachter van textuur en eleganter gekruid. Naast varkensvlees wordt hier soms ook rundsvlees in verwerkt, wat zorgt voor een meer gebalanceerd aroma en de structuur iets soepeler maakt. Het geheel wordt fijner gemalen, wat bijdraagt aan die typische smeuĆÆgheid die deze worstjes zo geliefd maakt.

Het grote verschil met palle del nonno zit erin de afwerking. Na het drogen, een proces dat minder lang duurt dan bij grotere salami’s, worden ze vaak nog enkele weken bewaard in extra vergine olijfolie. Dat is geen moderne uitvinding, maar een bewaartraditie uit de bergen van UmbriĆ«, waar olie een natuurlijke conservering bood in de maanden zonder koeling. Die olie weekt niet alleen de buitenkant zacht, maar dringt langzaam door in de worst zelf. Het resultaat is een fluwelige textuur met een mondgevoel dat doet denken aan patĆ©, maar dan met de complexiteit van gedroogd vlees.

De kruiden worden door die olie afgezwakt in intensiteit, maar verdiept in toon: look, peper, soms een toets venkelzaad of rode wijn. Alles krijgt meer ronding, meer warmte. Wat aanvankelijk klinkt als een ludiek hebbeding op een markt, blijkt een verrassend verfijnde delicatesse te zijn die vraagt om traag proeven.

Hoewel de naam wat ondeugend klinkt, worden deze worstjes in Umbriƫ met een zekere tederheid gepresenteerd. Palle del nonno zijn geen product uit de grootkeuken, maar iets wat je tegenkomt bij kleine slagers of op boerenmarkten waar familiebedrijven hun beste werk tonen. De herkomst ligt, net als bij veel Umbrische vleeswaren, in Norcia. Maar terwijl cojoni di mulo het meer robuuste, stoere broertje zijn, vertegenwoordigen de palle del nonno eerder de huiselijke kant van de traditie: kleiner, zachter, maar niet minder karaktervol.

Je eet ze niet in grote hoeveelheden. EƩn of twee schijfjes, op een stuk geroosterd brood of als antipasto bij een glas jonge rode wijn, zijn al genoeg. Ze worden vaak koud gegeten, maar sommige Umbrische gezinnen serveren ze ook licht opgewarmd, bijvoorbeeld bovenop warme torta al testo of in dunne plakjes over een roerei.

De naam is misschien bedoeld om te doen lachen, maar de smaak verraadt een lange geschiedenis van weten wat lekker is. De palle del nonno zijn het bewijs dat traditie niet altijd gewichtig of ernstig hoeft te zijn. Soms is ze gewoon rond, vlezig en net een beetje ondeugend.

Enkel van Umbria?

Tijdens het schrijven van dit artikel begon ik me af te vragen of deze markante salame echt enkel in Umbria te vinden zijn. Of steken ze toch hier en daar een voet over de regionale grens, tot misschien zelfs ver buiten de regio? En dus trokken we eropuit om dit te achterhalen.

Cojoni di mulo en palle del nonno worden onmiskenbaar geassocieerd met UmbriĆ«. Ze zijn daar ontstaan, daar tot hun typische vorm gekomen, en worden in geen enkele andere regio zo vanzelfsprekend en lokaal geproduceerd als daar. Toch duiken ze her en der elders in ItaliĆ« op, zij het vooral als ambachtelijke specialiteit die is overgenomen door slagers die hun inspiratie uit UmbriĆ« halen. In Toscane, Marche, Abruzzo of Lazio kom je ze weleens tegen op markten of in gespecialiseerde winkels, maar altijd als ā€˜product uit Umbrië’, niet als lokaal verankerd goed.

De recepten worden af en toe nagebootst, soms zelfs de naam, maar de echte traditie blijft Umbrisch. Het is zoals bij een goede pecorino of een klassieke guanciale: ze kunnen elders geproduceerd worden, maar verliezen iets van hun ziel zodra ze loskomen van de streek waar ze thuis zijn.

Toch staat Italiƫ natuurlijk bekend om zijn uitgesproken streekproducten, en Umbriƫ is niet de enige regio waar men met een knipoog naar het menselijk lichaam of de volkstaal durft te grijpen. Zo stuit je in andere delen van het land op een paar even opmerkelijke namen:

  • Tette delle monache
    Een gebakje uit de regio Puglia, letterlijk vertaald als ā€˜nonnenborsten’. Het gaat om een zacht, roomgevuld cakeje met een ronde, puntige bovenkant. De vorm verklaart de naam. Het dessert is onschuldig, zij het met een dubbele bodem.
  • Piselli del nonno
    Soms opduikend als naam voor groene erwten in olie, hoewel het eerder een grap is dan een officiƫle productnaam. Het speelt met dezelfde tongval als palle del nonno en duikt af en toe op bij artisanale producenten die graag uitdagen.
  • Cazzi maritati
    In Basilicata en CampaniĆ« bestaan pasta- of deegvormen met deze naam, die letterlijk betekent ā€˜getrouwde piemels’. Ze maken deel uit van carnavaleske recepten of folklore in dorpskeukens, eerder speels dan commercieel bedoeld.
  • Salsicce del diavolo
    Soms ook speels genoemd palle del diavolo, pikante worstjes die zogezegd ā€˜duivels heet’ zijn en waarbij de naam verwijst naar het vurige karakter van de smaak. Je vindt ze in CalabriĆ« en SiciliĆ«.

Wat al deze producten verbindt, is een zekere vrijpostigheid die diep in de Italiaanse volkskeuken zit. De namen doen soms fronsen, soms lachen, maar ze maken deel uit van een traditie waarin eten geen heilige ernst is, maar een tastbare verlenging van het leven zelf. Met al zijn vormen, geuren en dubbelzinnigheden.

Dus ja, cojoni di mulo en palle del nonno zijn typisch Umbrisch, maar ze zijn niet de enigen in Italiƫ met een naam die je twee keer doet kijken. Gelukkig maar. Want in een land waar eten taal is, mag er al eens gelachen worden aan tafel. Zolang het maar goed smaakt.

Ga je toevallig ook van de zomer op reis naar Umbria, dan is de kans groot dat je ons zal treffen bij een lokale slager om de theorie om te zetten in de praktijk. Ik raad jullie aan hetzelfde te doen!

Muffa Nobile: Zeldzaam Italiaans edel rot

De zomervakantie sluipt dichterbij. Dit jaar trekken we naar UmbriĆ« om de regio in al haar facetten te ontdekken. Onze uitvalsbasis wordt Orvieto, een stad die niet alleen historisch en visueel indruk maakt, maar ook wijnbouwkundig een stevige reputatie heeft. Het gebied reikt tot in Lazio en vormt daarmee een van de boeiendste grensregio’s van het Italiaanse wijnlandschap.

Bij het voorbereiden van onze reis, en tijdens het lezen en beluisteren van info over de lokale wijnen, duikt ƩƩn term opvallend vaak op: muffa nobile. De naam zegt je misschien niets, maar wie vertrouwd is met Sauternes of andere edelzoete wijnen weet al waar het naartoe gaat. Muffa nobile is de Italiaanse versie van wat men elders edele rot noemt, maar met een eigen karakter, eigen druiven en eigen stijl. En ja, het gaat effectief over een schimmel. Geen afschrikwekkende indringer, maar eentje waarvoor wijnmakers bij het vallen van de ochtendmist stilletjes hopen dat hij toeslaat. Deze subtiele schimmeltransformatie is de drijvende kracht achter enkele van de meest complexe en verfijnde dessertwijnen van Italiƫ.

Wat is muffa nobile?

Muffa nobile is de Italiaanse benaming voor Botrytis cinerea, een schimmel die zich onder uitzonderlijke omstandigheden ontpopt tot een bondgenoot van de wijnmaker. In de wereld van de wijnbouw behoort dit organisme tot de zeldzame gevallen waarin een infectie eerder een zegen dan een ramp betekent. Het verschil zit hem in de nuance: Botrytis kan zowel desastreus als geniaal uitpakken. Pas wanneer de omstandigheden exact goed zijn, verandert deze schimmel van een ordinaire druivenvandaal in een fijnbesnaarde architect van smaak.

Wat muffa nobile onderscheidt, is de manier waarop de schimmel zich verhoudt tot de druif. Hij nestelt zich aan de buitenkant, maar dringt niet ruw binnen. Via microscopisch kleine openingen in de schil laat hij vocht ontsnappen, terwijl de essentie van de vrucht behouden blijft. Tijdens het zogenaamde ā€˜passerillage proces’ droogt de druif langzaam uit, waardoor suiker, zuren en aroma’s intens geconcentreerd raken. Maar het is niet alleen verdamping: de schimmel zelf draagt bij aan het smaakprofiel door enzymatische reacties die aroma’s vrijmaken en omvormen. Denk aan het ontstaan van geurcomponenten als gedroogde abrikoos, kamille, gember en bijenwas. Dat zijn geen toevallige bijwerkingen, het zijn signaturen van de muffa zelf.

Botrytis heeft bovendien een merkwaardig effect op de textuur van de most. De druiven worden niet alleen zoet, maar ook stroperig en rijk, met een mondgevoel dat men zelden elders aantreft. Deze consistentie is moeilijk te benaderen met andere vinificatietechnieken. Muffa nobile is dus geen trucje dat je zomaar imiteert, het is eerder een georkestreerde interactie tussen natuur en vakmanschap.

De oorzaak: een delicaat samenspel van mist, vocht en zon

Muffa nobile ontstaat niet zomaar. Ze is het resultaat van een broze harmonie tussen vochtigheid en droogte, tussen ochtendmist en middagzon. Het vraagt een klimaat dat tegelijk uitnodigend en streng is, met net genoeg vocht om de schimmel te activeren, maar niet zo veel dat alles in verrotting verzandt.

In de regio rond Orvieto speelt het Lago di Corbara een sleutelrol. Dit kunstmatige meer, ingebed tussen de heuvels van Umbriƫ, zorgt voor nevelige ochtenden waarin vocht zich zachtjes op de druivenschillen nestelt. Ook in de heuvels ten zuiden van Rome, waar de wijngaarden voor Cannellino di Frascati liggen, ontstaan onder invloed van hoogteverschillen en beschutte valleien geregeld mistbanken bij dageraad. Die vochtige lucht is exact wat Botrytis cinerea nodig heeft om zich voorzichtig te hechten aan de druiven.

Maar mist alleen volstaat niet. Zonder droge, zonnige namiddagen blijven de druiven te nat, en keert de schimmel zich tegen zijn gastheer. Dan ontstaat muffa grigia, de gewone rot, die niets achterlaat dan zurigheid en mislukking. Het is dus essentieel dat het vocht in de namiddag verdampt, zodat de schimmel zijn werk kan doen zonder uit de bocht te gaan.

De ideale omstandigheden doen zich vaak voor in september of oktober, wanneer de nachten al fris zijn maar de dagen nog warm genoeg om de luchtcirculatie op gang te houden. Het proces moet langzaam verlopen. Plotselinge weersveranderingen, zoals onweer of een koude inval, kunnen de hele cyclus onderbreken en de kwaliteit van de oogst bedreigen.

Ook de ligging van de wijngaard helpt mee. Een lichte helling zorgt voor afwatering, wat belangrijk is om plassen te vermijden. Luchtcirculatie moet voldoende zijn om de druiven overdag te drogen, maar mag niet zo krachtig zijn dat de mist meteen verdwijnt. Het komt dus aan op finesse: de juiste plek, het juiste moment, de juiste balans. En een wijnbouwer die beseft dat zijn rol niet is om te controleren, maar om te begeleiden. Want muffa nobile is geen garantie. Ze is een kans, en wie haar krijgt, moet weten hoe die te benutten.

Muffa Nobile vs Muffa Grigia: Wat doet de wijnmaker als het fout dreigt te lopen?

Het moment waarop de wijnmaker beseft dat de droom van muffa nobile aan het kantelen is richting muffa grigia, is geen moment van paniek, maar van handelen. De lucht is te vochtig, de zon blijft uit, de druiven worden week en de schimmel groeit sneller dan gewenst. Het vooruitzicht op edele rot slaat om in een strijd tegen gewone bederf. En op dat moment telt elke beslissing.

De eerste reflex is meestal: oogsten. Snel, selectief en met mankracht. De druiven die nog gezond zijn of net de juiste graad van botrytis hebben bereikt, worden meteen binnengehaald. De rest blijft hangen met het risico op volledig verlies. Vaak betekent dit dat er met man en macht gewerkt wordt, van ’s morgens vroeg tot zonsondergang, om te redden wat nog redden valt. De pluk gebeurt manueel, druif per druif, tros per tros, waarbij ervaring en inschattingsvermogen essentieel zijn.

Een andere optie, wanneer oogsten nog niet wenselijk of mogelijk is, is om de wijngaard beter te ventileren. Bladeren kunnen worden verwijderd om de luchtcirculatie rond de druiven te verbeteren, waardoor vocht sneller verdampt en de druk op de trossen afneemt. Ook een extra snoeibeurt kan de balans in het microklimaat van de wijnstok herstellen. Deze ingrepen zijn nooit zonder risico (te veel blootstelling kan de druiven beschadigen) maar in bedreigende omstandigheden zijn ze vaak het enige alternatief.

Sommige wijnmakers kiezen ervoor om selectief enkel die rijen te oogsten die het meest kwetsbaar zijn voor muffa grigia, bijvoorbeeld die in een vochtige laagte of met dichte begroeiing. De rest van de wijngaard wordt nog even gelaten, in de hoop dat het weer alsnog keert.

En als het echt uit de hand loopt? Dan moet de wijnmaker durven loslaten. Soms is muffa nobile gewoonweg niet haalbaar dat jaar. Dan kan men de druiven alsnog gebruiken voor een andere wijnstijl: een droge wijn, een passito zonder botrytis, of in het slechtste geval helemaal niet. Een pijnlijke beslissing, maar beter dan een mislukte muffa nobile die in de kelder alleen maar problemen veroorzaakt.

Het vakmanschap achter de wijn

Het maken van een muffa nobile wijn vereist een uitzonderlijk gevoel voor timing, vakkennis en vooral beheersing. In de wijngaard begint alles met geduld. Een vorm van actief wachten waarbij de wijnbouwer dagelijks met een bijna obsessieve nauwkeurigheid het weer volgt, de druiven inspecteert en intuĆÆtief aanvoelt wanneer de natuur klaar is. De druiven moeten overrijp zijn, maar nog net vitaal genoeg om de juiste concentratie aan suikers en aroma’s te ontwikkelen zonder volledig ten prooi te vallen aan muffa grigia.

De oogst gebeurt zelden in ƩƩn keer. In plaats daarvan plukt men druiven selectief, in meerdere rondes, vaak met de hand en druif per druif. Alleen die exemplaren die precies de juiste graad van botrytis hebben ontwikkeld, worden geoogst. Dit is arbeidsintensief en vereist ervaring: een schijnbaar verschrompelde druif kan ofwel pure nectar bevatten of volkomen verloren zijn. De wijnbouwer moet elke dag het risico afwegen: wachten op meer edele rot, of oogsten voor de regen alles bederft.

De verzorging van de wijngaard speelt mee in het succes. Te veel blad rond de trossen en de vochtigheid blijft hangen, wat rot stimuleert. Te weinig blad en de druiven verbranden of drogen uit. Hellingsgraad, bodemstructuur, luchtstromen en nabijheid van water bepalen samen of de juiste ochtendmist zich zal vormen. Alles moet meezitten, forceren lukt hier niet.

Zodra de druiven binnen zijn, begint een nieuw hoofdstuk van precisiewerk in de kelder. Omdat botrytisdruiven weinig sap bevatten, maar extreem rijk zijn aan suikers en zuren, verloopt de vergisting traag en lastig. De gisten krijgen het zwaar te verduren in deze stroperige omgeving. De keuze van de gistcultuur is daarom cruciaal: sommige wijnmakers vertrouwen op spontane gisting, wat extra karakter kan opleveren, anderen sturen het proces met zorgvuldig geselecteerde stammen. Altijd met het risico dat de gisten het halverwege opgeven.

Fermentatie gebeurt bij lage temperaturen om de fragiele aroma’s te bewaren, en moet continu gemonitord worden. Te veel warmte, en de wijn verliest zijn elegantie. Te weinig actie, en de gisting stokt. Na deze fase volgt vaak een lange rijping, soms in eikenhouten vaten, soms in neutrale materialen, afhankelijk van het beoogde smaakprofiel. Eikenhout kan structuur en diepgang toevoegen, maar het gevaar bestaat dat het delicate karakter van de wijn overschaduwt raakt door houttoetsen. Subtiliteit is hier het sleutelwoord.

De wijn krijgt de tijd om te rusten, te integreren, te rijpen. Sommigen blijven jarenlang op vat of op fles voordat ze überhaupt worden vrijgegeven. Want muffa nobile is geen snel of technisch trucje. Het is een wijn die gemaakt wordt door iemand die het tempo van de natuur respecteert, die weet dat controle soms betekent: niets doen. Het resultaat hangt af van duizend kleine beslissingen, waarvan de meeste niet op papier staan, maar intuïtief worden genomen. De wijnbouwer wordt zo niet alleen ambachtsman, maar ook waarnemer en vooral een beslisser.

Waar komt het voor in Italiƫ?

Muffa nobile komt in ItaliĆ« slechts op enkele plaatsen voor. Geen massaproductie, geen grote volumes, maar specifieke zones waar het microklimaat net goed genoeg is om de schimmel zijn nobele werk te laten doen. De bekendste regio’s zijn UmbriĆ« en Lazio, maar ook in Emilia-Romagna en SiciliĆ« duiken opvallende wijnen op. Hier en daar wordt ook elders geĆ«xperimenteerd met wisselend succes.

In Umbriƫ speelt de regio rond Orvieto een hoofdrol. Deze heuvelachtige streek, met zicht op het Lago di Corbara, biedt een ideale voedingsbodem voor de schimmel. In de Orvieto Classico Superiore Muffa Nobile vindt men een bijna spirituele verfijning terug. De druiven, meestal Grechetto, Procanico en Verdello, worden selectief met de hand geoogst, vaak in meerdere passages, om enkel de trossen met de juiste graad van botrytis binnen te halen. De resulterende wijnen zijn rijk, complex en verrassend fris.

Ook in Lazio, ten zuiden van Rome, laat muffa nobile zich geregeld zien. Een van de oudste en meest toonaangevende zoete wijnen is Cannellino di Frascati, gemaakt van laat geoogste Malvasia en Trebbiano. De mistige ochtenden uit de Valle dell’Aniene en de droge luchtstromen in de namiddag vormen hier een natuurlijk decor voor edele rot. Het resultaat is een zachte, elegante dessertwijn met honingtoetsen en rijp wit fruit.

In Emilia-Romagna wordt de Albana-druif gebruikt voor passito-wijnen op basis van muffa nobile, vooral rond Bertinoro. Romagna Albana Passito muffa nobile combineert een stevige zuurtegraad met aroma’s van saffraan, gekonfijte sinaasappel, amandel en kruidigheid. Sommige producenten beschouwen deze stijl inmiddels als een van de meest geslaagde Italiaanse interpretaties van pourriture noble.

Ook in Siciliƫ wordt geƫxperimenteerd met muffa nobile, vooral op basis van Grillo. Deze druif, bekend van Marsala, blijkt verrassend goed te reageren op edele rot in kustzones waar ochtendmist wordt afgewisseld met zon. Het resultaat: zonovergoten dessertwijnen met steenfruit, citrus, ziltige mineraliteit en een frisse onderbouw.

Daarnaast zijn er kleinere, minder bekende zones waar wijnmakers experimenteren met muffa nobile, bijvoorbeeld in delen van Piemonte of de Veneto. In koelere valleien of nabij meren worden druiven soms bewust op de stok gelaten tot laat in oktober of november, in de hoop op dat ene perfecte moment van edele rot. Deze projecten leveren zelden grote volumes op, maar wel ambachtelijke flessen die het potentieel van botrytis in Italiƫ verder verkennen.

Wat voor wijn krijg je van muffa nobile?

Wijnen op basis van muffa nobile onderscheiden zich door hun concentratie, diepgang en aromatische complexiteit. Ze zijn niet enkel zoet, maar combineren rijkdom met frisse zuren en een uitgesproken smaakstructuur. Het zijn wijnen die zorgvuldig worden opgebouwd, met selectieve oogst en langzame vinificatie, en die vaak bestemd zijn voor lange rijping.

De typische aroma’s zijn intens en gelaagd. Abrikozenconfituur en gekonfijte sinaasappelschil springen vaak als eerste naar voren, gevolgd door acaciahoning, gedroogde vijgen, bijenwas, saffraan, kamille en gekonfijte gember. De schimmel zelf voegt subtiele aardse tonen toe, die kunnen doen denken aan natte bladeren, herfstbos of een lichte paddenstoelentoets. Dat klinkt misschien onverwacht in een dessertwijn, maar het is precies deze spanning tussen zoet en aards die bijdraagt aan de complexiteit.

In de mond is een muffa nobile wijn doorgaans rijk en stroperig, met een textuur die aan fluweel doet denken. Toch blijft de wijn levendig, dankzij de zuren die het geheel in balans houden. Zonder die zuren zou hij log worden, maar net hun aanwezigheid zorgt voor frisheid, lengte en spanning.

De stijl kan variĆ«ren, afhankelijk van druivenras, vinificatiemethode en herkomst. Sommige wijnen zijn lichtvoetig en elegant, andere diep en krachtig. Een Cannellino di Frascati is vaak verfijnd, met florale toetsen en een meer delicate zoetheid. Een Orvieto Classico Superiore Muffa Nobile daarentegen is doorgaans krachtiger, met een meer uitgesproken structuur en een rijker smaakpalet, waarin naast fruit en kruiden ook meer rijpingsaroma’s kunnen optreden.

Muffa nobile wijnen zijn bovendien verrassend veelzijdig aan tafel. Ze passen naadloos bij blauwaderkazen zoals Gorgonzola of Roquefort, maar ook bij foie gras, amandelgebak of een tarte tatin met vijgen. Hun zoetheid en zuren maken ze geschikt voor gerechten met een hartige ondertoon of uitgesproken umami. Een gewaagde maar geslaagde combinatie is die met kruidige Aziatische keuken of gekonfijte eend.

Tot slot zijn het wijnen met bewaarpotentieel. Door hun hoge gehalte aan suiker en zuren rijpen ze traag en ontwikkelen ze steeds nieuwe lagen. Wat in de jeugd fris en bloemig is, krijgt na verloop van tijd diepte en complexiteit, met aroma’s van gekonfijte citrus, truffel, tabak of bijenwas. Een fles muffa nobile is dus een wijn die met de jaren aan karakter wint.

Enkele referentiewijnen van muffa nobile uit Orvieto

Hoewel muffa nobile geen jaarlijks gegarandeerd fenomeen is, zijn er in de regio rond Orvieto enkele wijnmakers die er meesterlijk mee weten om te gaan. Deze wijnen verschijnen vaak enkel in kleine hoeveelheden en alleen in jaren waarin de natuur het toelaat. Een greep uit de referenties:

• Barberani ā€œCalcaiaā€ Orvieto Classico Superiore Muffa Nobile – Een van de bekendste en meest consistente voorbeelden, met een elegante balans tussen zoetheid en frisheid.

• Palazzone Muffa Nobile – Gemaakt van Grechetto en Procanico, verfijnd en gelaagd, met een uitgesproken lokale signatuur.

• Decugnano dei Barbi ā€œPourriture Nobleā€ – Een wijn die zijn naam niet voor niets draagt, rijk en complex met lange rijping.

• Cantina Neri ā€œPoggio Fornoā€ – Een intens geconcentreerde wijn op basis van Grechetto en Procanico, met aroma’s van gedroogde abrikoos, honing, perzik en gekonfijte citrus.

Deze wijnen zijn geen allemansvrienden en vaak niet eenvoudig te vinden, maar wie ze weet te bemachtigen, ontdekt hoe divers en karaktervol muffa nobile in Orvieto kan zijn. Wij zullen er tijdens ons verblijf alvast naar opzoek gaan!

Muffa nobile: geschenk of gok?

Muffa nobile is geen zekerheid. Het is iets wat je niet afdwingt. Ze komt alleen voor wie durft te wachten, risico neemt en nauwgezet te werk gaat. Alles hangt af van het weer, van het geduld van de wijnbouwer en van zijn vermogen om te onderscheiden wanneer de schimmel een bondgenoot is, en wanneer niet.

Wie het spel goed speelt, wordt beloond met een wijn die zeldzaam en karaktervol is. Het resultaat is vaak beperkt in volume, maar groots in expressie. En misschien is dat net wat muffa nobile zo bijzonder maakt: het is het soort wijn dat alleen ontstaat als alles op zijn plaats valt. Geen routine, wel vakmanschap. Geen garantie, wel potentieel.

Valpolicella – DOC, Classico, Superiore

Wie Valpolicella zegt, zegt keuze. En soms net iets tƩ veel keuze. Want geef toe, er is wel degelijk een grote verscheidenheid onder de Valpolicella-wijnen. Als ik een gok mag wagen, dan zal Amarone bij een groot publiek wel een belletje doen rinkelen. Weinigen weten echter dat de gewone Valpolicella aan de basis ligt. Zelfde druivenblend, vaak dezelfde terroir zelfs, enkel de productiemethode verschilt.

In dit artikel brengen we helderheid over de basis van de familie: de Valpolicella DOC. En terwijl we toch bezig zijn, nemen we ook de Valpolicella Classico, Valpolicella Superiore, Valpolicella Classico Superiore en Valpolicella Valpantena mee onder de loep. (Bestaat daar trouwens ook een Superiore van? Of zelfs een Riserva?)

Je voelt het al aankomen: het is tijd om structuur te brengen in de wirwar van namen, zodat we weten wat we mogen verwachten in het glas.

Valpolicella DOC: De basiswijn

De benaming Valpolicella DOC bestaat sinds 1968 als een wettelijk beschermde herkomstbenaming voor rode wijnen afkomstig uit een specifieke zone in de provincie Verona. Dit is de thuisbasis van enkele van de meest herkenbare Italiaanse wijnen en tegelijk de meest toegankelijke expressie van wat Valpolicella te bieden heeft.

De productiezone beslaat een breed uitwaaierend gebied dat zich uitstrekt over 19 gemeenten in het noorden van Verona. Het gaat om:
Marano di Valpolicella, Fumane, Negrar di Valpolicella, Sant’Ambrogio di Valpolicella, San Pietro in Cariano, DolcĆØ, Verona, San Martino Buon Albergo, Lavagno, Mezzane di Sotto, Tregnago, Illasi, Colognola ai Colli, Cazzano di Tramigna, Grezzana, Pescantina, Cerro Veronese, San Mauro di Saline en Montecchia di Crosara.

Binnen deze gemeenten liggen talloze kleinere gehuchten of frazioni die een belangrijke rol spelen in de wijnbouw. Denk aan namen als Mizzole, Pian di Castagne, Quinzano, Poiano, Avesa, Montorio, Novaglie, Turano of Vigo. Deze en andere frazioni maken integraal deel uit van het productiegebied.

De DOC-regelgeving werkt met uiterste precisie en tekent de productiezone uit aan de hand van geografische coƶrdinaten, veldwegen, beekdalen en hoogtecurves. Zo kan het gebeuren dat een wijngaard in Mizzole wƩl erkend is, terwijl een ander perceel even verderop buiten de zone valt. De exacte ligging binnen de officieel afgebakende percelen is bepalend. Enkel wijn die daar wordt geproduceerd, mag de naam Valpolicella DOC dragen.

Het DOC-gebied is allesbehalve homogeen. Van de steile hellingen in Fumane tot de zacht glooiende uitlopers bij San Martino Buon Albergo, van de kalkrijke bodems in Marano tot vulkanische invloeden in Mezzane: elke wijngaard draagt bij aan het mozaĆÆek dat Valpolicella vormt. Toch is er een gemeenschappelijke stijl herkenbaar. Valpolicella DOC staat voor frisse, fruitige, elegante rode wijn met sappige zuren, fijne tannine en vooral veel drinkplezier.

Welke druiven zijn er toegelaten om een Valpolicella wijn te maken?

Valpolicella-wijnen danken hun karakter aan een zorgvuldig samengestelde blend van diverse druivenrassen, die wettelijk zijn vastgelegd, ook al gaat die regelgeving opmerkelijk ver. Deze samenstelling is van toepassing op alle types Valpolicella: van de eenvoudige Valpolicella DOC, tot Classico, Superiore, Ripasso, Amarone en Recioto. De druivenkeuze vormt dus het fundament voor de hele familie.

Het hart van elke Valpolicella-wijn wordt gevormd door Corvina Veronese en/of Corvinone. Deze twee druiven mogen samen tussen 45% en 95% van de blend uitmaken. Vaak ligt de nadruk op Corvina vanwege haar structuur en aromatische finesse, maar ook Corvinone wordt steeds meer op waarde geschat dankzij haar kracht en diepe kleur.

Daarnaast is Rondinella verplicht aanwezig in een aandeel tussen 5% en 30%. Rondinella is minder expressief op zichzelf, maar biedt kleurstabiliteit en een zekere frisheid in de assemblage.

Tot 25% van de blend mag bestaan uit andere toegelaten, niet-aromatische rode druivenrassen die erkend zijn binnen de provincie Verona. Dat zijn niet alleen lokale variƫteiten zoals Molinara, Oseleta, Croatina of Dindarella, maar ook enkele nationale en internationale rassen die verrassend genoeg wettelijk zijn toegestaan. Denk aan Sangiovese, Nebbiolo, Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc of Merlot. Deze worden zelden in grote hoeveelheden gebruikt, maar kunnen, indien zorgvuldig toegepast, finesse, structuur of een extra laag karakter toevoegen.

Deze ruime toelating laat aan wijnmakers de mogelijkheid om hun eigen stempel te drukken. Naast de vinificatiestijl kunnen ze ook via hun druivenkeuze andere accenten leggen. Dat verklaart waarom de ene Valpolicella heel klassiek en soepel kan zijn, terwijl de andere meer structuur, kruidigheid of fruitintensiteit toont.

Wat met de eigenschappen van die druiven? Daar duiken we in dit artikel nog niet diep in. Al deze elementen komen aan bod in een aparte reeks artikels waarin we elke druif onder de loep nemen. Voor nu volstaat het om te weten dat de kracht van Valpolicella niet in ƩƩn druif zit, maar in het geheel. Het zijn de combinatie en balans van deze rassen die het karakter van de wijn bepalen.

Regeltjes waaraan de wijnboer moet voldoen.

Wie een Valpolicella wijn onder deze benaming wil bottelen, moet zich houden aan een hele lijst van regels die de kwaliteit, herkomst en stijl van de wijn moeten waarborgen.

Zoals reeds gemeld moeten de druiven afkomstig zijn uit aangewezen percelen binnen de erkende productiezone, met uitsluiting van vlakke, drassige bodems in de valleien. De ligging van de wijngaard, de oriƫntatie en het microklimaat zijn bepalend, maar ook de manier waarop de wijnstokken worden geleid. De traditionele pergola veronese is nog altijd courant, al is ook de spalliera (een rijstructuur met verticale opbinding) toegestaan. Elke plantmethode heeft zijn eigen voorschriften qua snoei en opbrengstbeperking. Zo wordt er bijvoorbeeld nadruk gelegd op een traditionele snoeiwijze die de vegetatieve balans van de plant respecteert.

Elke nieuwe wijngaard moet een minimale dichtheid hebben van 3.300 stokken per hectare. In heuvelachtige zones met historische terrassen kan hiervan worden afgeweken, zolang het terrein een gelijkwaardige productie garandeert. Noodirrigatie mag in uitzonderlijke gevallen, maar elke vorm van kunstmatige groeistimulatie wordt uitgesloten.

Ook over de opbrengst laat de regelgeving weinig ruimte voor interpretatie: maximaal 12.000 kilogram druiven per hectare bij gespecialiseerde aanplant. Daarnaast moeten de geoogste druiven een natuurlijk alcoholgehalte halen van minstens 10%. In jaren met uitzonderlijk ongunstige weersomstandigheden kan dat minimum licht worden verlaagd, maar enkel bij expliciete toestemming.

Vinificatie en botteling moeten plaatsvinden binnen de afgebakende zone. Alleen onder voorwaarden mogen wijnen gebotteld worden buiten het gebied, en dan enkel binnen de provincie Verona. Deze bepaling is er om controle te houden over elke stap van het productieproces.

Wat de rijping betreft, stelt de regelgeving voor Valpolicella DOC zich opvallend soepel op. Er is geen verplichte minimumrijping. Dat betekent dat de wijn, zodra hij klaar is na de fermentatie, in principe meteen gebotteld mag worden. Veel producenten brengen hun wijn dan ook al binnen het jaar na de oogst op de markt (officieel mag dit vanaf 1 december van het oogstjaar).

Houtgebruik is evenmin verplicht. De meeste Valpolicella DOC-wijnen worden bewust niet op hout gelagerd om het fruitige, frisse karakter te behouden. Als een wijnmaker toch voor eiken vaten kiest, dan gebeurt dat meestal op grotere foeders en niet met het oog op uitgesproken houtinvloed. Dat laat men liever over aan wijnen met meer extractie en structuur zoals Ripasso of Amarone.

De stijl van Valpolicella DOC

Een klassieke Valpolicella DOC is de verpersoonlijking van jeugdige charme en directe drinkbaarheid. De wijn wordt vrijwel altijd jong op de markt gebracht, meestal zonder houtlagering of lange rijping. Hierdoor staat hij garant voor een frisse, levendige stijl die het fruit vooropstelt.

De officiƫle regelgeving, jawel, die bepaalt zelfs hoe de wijn moet ruiken en smaken, schrijft voor dat Valpolicella DOC van kleur helder robijnrood is, soms met een paarse schittering als hij piepjong is. Het aroma is herkenbaar en toegankelijk: rood fruit voert de boventoon, met sappige kersen, rode bessen en soms een vleugje viooltjes of gedroogde kruiden. In de mond is hij droog tot licht soepel, met een opvallende frisheid die gedragen wordt door levendige zuren en een zachte tanninestructuur.

Hoewel deze wijn vaak wordt beschouwd als de basis van de Valpolicella-familie, is ā€˜basis’ hier geen synoniem voor banaal. De eenvoud zit niet in een gebrek aan karakter, maar in de rechtlijnige, pure expressie van het druivenmateriaal en de streek. Sommige wijnmakers kiezen voor vinificatie in inox of cement om het fruit maximaal te behouden, anderen laten de wijn kort rusten op grote houten vaten voor wat extra diepte, zolang het eindresultaat maar binnen het opgelegde stijlprofiel blijft.

Valpolicella Classico: het historische hart van Valpolicella

Wanneer er ā€˜Classico’ op het etiket staat, betekent dat dat de druiven afkomstig zijn uit het oorspronkelijke, historisch erkende kerngebied van Valpolicella. Dit deel, gelegen ten westen van Verona, is niet alleen ouder als wijnbouwgebied, maar ook kleiner en strikter afgebakend dan de ruimere DOC-zone.

Het Classico-gebied omvat slechts vijf gemeenten: Negrar di Valpolicella, Marano di Valpolicella, Fumane, Sant’Ambrogio di Valpolicella en San Pietro in Cariano. Dit is het oude hart van de Valpolicella, waar al eeuwenlang wijn wordt gemaakt. In tegenstelling tot de uitbreiding van de DOC in de jaren ’60 naar vlakker en oostelijker gelegen gebieden, bleef de Classico-zone beperkt tot haar oorspronkelijke heuvelachtig terrein.

Regelgevingstechnisch gelden voor Valpolicella Classico dezelfde basisvoorschriften als voor een gewone Valpolicella DOC. Hetzelfde aandeel Corvina, Corvinone, Rondinella en aanvullende druiven, dezelfde toegelaten opbrengst per hectare, en dezelfde minimale alcoholgraad van 10%. Wat de wijn ā€˜Classico’ maakt, is dus niet een ander recept, maar wƔƔr dat recept wordt uitgevoerd.

Dat betekent echter niet dat het eindresultaat identiek is. De natuurlijke omstandigheden in het Classico-gebied, van bodemsamenstelling tot dag-nachttemperaturen en hellingsgraad, zorgen doorgaans voor meer geconcentreerd fruit, iets meer structuur en vaak een verfijndere balans. In het glas vertaalt zich dat in Valpolicella’s die nĆ©t wat dieper geuren, met rijpere kersen, meer florale tonen of zelfs een vleugje kruiden, en een mondgevoel dat tegelijk soepel Ć©n karaktervol is.

Betekent dit dat Classico per definitie beter is dan gewone Valpolicella DOC? Niet noodzakelijk. Er zijn uitstekende producenten buiten het Classico-gebied die prachtige wijnen maken, en er zijn ook mindere flessen met het label ā€˜Classico’. Maar het label is wĆ©l een aanwijzing van herkomst, en in Valpolicella betekent herkomst vaak ook karakter.

Superiore: een stap hoger op de ladder

De term ā€˜Superiore’ staat voor een hoger kwaliteitsniveau binnen dezelfde herkomstbenaming. Het is als het ware een verdieping van de klassieke Valpolicella-stijl, met meer nadruk op concentratie, rijping en complexiteit.

Om het label ā€˜Superiore’ te mogen dragen, moet een Valpolicella-wijn aan strengere eisen voldoen. Zo moet het natuurlijke alcoholgehalte van de wijn minstens 11% bedragen (tegenover 10% voor de gewone Valpolicella DOC), en is een verplichte rijping van ten minste ƩƩn jaar vereist. Die rijping mag plaatsvinden in inox, beton of hout, zolang het eindresultaat de nodige ontwikkeling heeft doorgemaakt. Veel producenten kiezen bewust voor grote houten vaten (botte) of gebruikte barriques, die structuur geven zonder het fruit te overheersen.

De gebruikte druiven zijn doorgaans afkomstig van beter gelegen wijngaarden, met lagere opbrengsten en rijper fruit. Hoewel het disciplinare geen specifieke droogtechniek oplegt, wordt bij sommige Superiore-wijnen een (beperkte) appassimento toegepast, waarbij de druiven enkele weken licht indrogen voor extra concentratie. Dit zorgt voor meer diepgang, een voller mondgevoel en zachtere tannine, zonder de intensiteit van een Ripasso of Amarone te benaderen.

Wat de herkomst betreft: het productiegebied voor Valpolicella Superiore is hetzelfde als dat voor de gewone Valpolicella DOC. Dit betekent dat ook een Superiore kan afkomstig zijn uit het bredere DOC-gebied. Er bestaat ook een Valpolicella Classico Superiore, wat aanduidt dat de wijn zowel uit het historische kerngebied komt als beantwoordt aan de Superiore-voorwaarden. Het is perfect mogelijk dat op het etiket zowel ā€˜Classico’ als ā€˜Superiore’ staat vermeld, mits aan beide sets regels wordt voldaan.

Valpantena: de andere Valpolicella

Naast het historische Classico-gebied bestaat er binnen de Valpolicella DOC nog een tweede officieel erkende subzone: Valpantena. Deze naam mag op het etiket worden vermeld wanneer de druiven afkomstig zijn uit deze specifieke vallei, die zich ten noordoosten van Verona uitstrekt tussen de Monte Lessini en de stad zelf.

Valpantena betekent letterlijk ā€˜vallei van alle goden’, een naam die niet bepaald bescheiden overkomt. Toch doet het landschap de eer aan zijn naam: glooiende heuvels, afgewisseld met olijfbomen, cipressen en goed georiĆ«nteerde wijngaarden die profiteren van ventilatie uit het noorden en zoninval vanuit het zuiden.

Het productiegebied van Valpantena is beperkt tot de vallei en omvat onder meer wijngaarden in de dorpen Poiano, Avesa, Quinto, Grezzana, Rosaro, Nesente, Novaglie en andere frazioni binnen deze vallei.

De wijn mag de aanduiding Valpantena dragen wanneer de gebruikte druiven volledig afkomstig zijn uit deze vallei. En wie nog een stap verder gaat in kwaliteit, kan ook kiezen voor Valpolicella Valpantena Superiore. Daarbij gelden dezelfde regels als voor elke Superiore: de wijn moet minstens ƩƩn jaar rijpen, en de druiven moeten een natuurlijke alcoholgraad van minstens 11% bereiken.

Hoewel de druivenrassen en de basisregels dezelfde zijn als elders in de Valpolicella DOC, vertonen Valpantena-wijnen vaak subtiele verschillen in stijl. Ze worden doorgaans omschreven als iets strakker, frisser en eleganter dan hun tegenhangers uit het Classico-gebied. De kalkrijke en vulkanische bodems in de vallei, gecombineerd met het microklimaat, zorgen voor een levendige zuurgraad en een precieze fruitexpressie.

De wijnen uit Valpantena hebben misschien minder naam en faam dan die uit het Classico-gebied, maar ze winnen snel aan reputatie en worden steeds vaker als volwaardig alternatief gezien. Meer zelfs: sommige producenten uit Valpantena staan vandaag in de top van wat Valpolicella te bieden heeft.

Geen Riserva!

Wie gewend is aan termen als Riserva zal op zijn honger blijven zitten bij de basis Valpolicella wijnen. Want hoe lang je ook zoekt: een Valpolicella Riserva ga je niet vinden. Niet als gewone DOC, niet als Classico, niet als Valpantena, zelfs niet in Superiore-vorm. De reden is simpel: het mag niet.

De term Riserva is binnen de Valpolicella DOC strikt gereguleerd en is niet toegestaan voor de standaard Valpolicella-wijnen. Ook niet als de wijn extra lang rijpt, of als hij kwalitatief ruimschoots aan de eisen voldoet. Een producent kan dus wel degelijk een Valpolicella Superiore maken die drie jaar op hout heeft gelegen en daarna nog twee jaar op fles, maar hij mag die niet als Riserva op de markt brengen.

De enige Valpolicella-wijnen waarvoor een Riserva-vermelding wƩl is erkend, is Amarone della Valpolicella Riserva.

Producenten met naam en faam

Een regio is maar zo sterk als haar wijnmakers. En in Valpolicella vind je een indrukwekkende waaier aan producenten die elk op hun manier de identiteit van de streek hebben mee vormgegeven. Van iconische domeinen tot vernieuwende wijnmakers die traditie herinterpreteren, Valpolicella is vandaag een boeiende lappendeken van stijlen, filosofieƫn en persoonlijkheden.

Aan de absolute top prijkt zonder discussie de naam Giuseppe Quintarelli. Voor velen belichaamt hij het summum van wat Valpolicella kan zijn: minutieus vakmanschap, eindeloos geduld in de kelder, een eigenzinnige visie en een haast mystieke aura rond elke fles. De etiketten worden nog met de hand geschreven, de wijnen soms pas jaren na de oogst vrijgegeven. Zijn Valpolicella Classico Superiore en Amarone della Valpolicella zijn cultwijnen, geliefd om hun diepte, evenwicht en indrukwekkend bewaarpotentieel.

Maar Quintarelli staat niet alleen op het podium. De regio telt meerdere zwaargewichten die elk op hun manier geschiedenis schrijven. Enkele klinkende namen:

  • Dal Forno Romano: de moderne tegenhanger van Quintarelli, beroemd om zijn ongeziene concentratie, rigoureuze selectie en krachtige stijl. Niet voor de zwakke lever.
  • Tommasi: een van de grotere familiebedrijven in de streek, met een breed gamma en een grote internationale aanwezigheid. Betrouwbare kwaliteit en terroirgetrouw werk.
  • Tedeschi: sterke vertegenwoordiger van de Classico-stijl, met elegante, fijn gestructureerde wijnen en een scherp oog voor duurzaamheid.
  • Allegrini: innovatief en invloedrijk, met een mix van traditie en moderniteit. Bekend voor hun evenwichtige Amarone en frisse, goed gemaakte Valpolicella’s.
  • Masi: pioniers van de appassimento-techniek, groot in volume maar ook met aandacht voor kwaliteit. Hun Campofiorin was lang de brug tussen Ripasso en Amarone.
  • Speri: een familiebedrijf dat zich volledig toelegt op biologische wijnbouw en een voortrekker is in terroir-expressie binnen het Classico-gebied.
  • Bertani: een van de oudste huizen in de regio, met een klassieke stijl en een indrukwekkend archief aan gerijpte wijnen die bewijzen hoe goed Valpolicella kan ouderen.

En dan zijn er nog talloze kleinere domeinen die in stilte uitzonderlijk werk leveren: Monte dall’Ora, ZymĆØ, Stefano Accorini, Corte Sant’Alda, Viviani, Tenuta Sant’Antonio, Secondo Marco… het loont om ze te ontdekken.

Om zin in te krijgen!

Valpolicella DOC is de fundering waarop de hele Valpolicella-wijndriehoek rust. Het is de wijn die je toelaat de regio te proeven zoals ze is: met haar heuvels, haar wisselende bodems, haar frisse bries uit de bergen en haar eeuwenoude wijntraditie.

Dat maakt de eenvoudige Valpolicella niet minder boeiend, integendeel. De finesse van Corvina, het nerveuze van Rondinella, het vakmanschap van de wijnmaker: ze komen allemaal samen in een wijn die soms ondergewaardeerd wordt, maar eigenlijk alles in zich heeft. Fris, elegant, drinkbaar en verrassend veelzijdig aan tafel.

In het volgende artikel ontdekken we hoe die mysterieuze hergisting op de Amarone-droesem een brug slaat tussen frisheid en kracht. Hoe de eenvoudige Valpolicella een tweede leven krijgt, met meer body, complexiteit en lengte. Of met andere woorden: hoe Ripasso het midden houdt tussen lichtvoetigheid en ernst. En waarom het een van de meest geliefde stijlen uit de regio is geworden.

Maar eerst nog ƩƩn keer klinken op de zuivere charme van de Valpolicella DOC want wie alleen Amarone kent, mist het fundament.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Valpolicella – een wijnreis in twaalf etappes
  2. Valpolicella – De vallei van de vele kelders

Spaghetti alle vongole: Pasta met zeelucht en een snufje roem

Een zeer goede vriend van me is gek op spaghetti alle vongole. Onlangs vertelde hij me, bij een goed glas wijn uiteraard, een verhaal over hoe hij dit gerecht nog eens had besteld in een restaurant en compleet verbouwereerd was toen het bord werd geserveerd. Het was namelijk overstrooid met Parmezaanse kaas. De Italianen gebruiken kaas bij het merendeel van hun pasta’s, maar op een vongole is dat, bij wijze van spreken, een doodzonde.

Opdat dit soort fouten niet meer gemaakt worden, duiken we vandaag dieper in de spaghetti alle vongole. Het is een iconisch gerecht waarin de Italiaanse eenvoud perfect tot uiting komt. Dit meesterwerkje is al lang bekend tot ver buiten de grenzen van zijn geboortestreek Campania. En terecht: het is een combinatie van smaken die recht naar de essentie gaat. Zee, knoflook, olijfolie en al dente pasta. En natuurlijk… de vongole.

Van vissersboot tot trattoria

De oorsprong van spaghetti alle vongole ligt aan de kust van Campania, meer bepaald in de omgeving van Napels. Daar, waar vissers in de vroege ochtend hun boten vol verse vangst binnenbrachten, ontstond een gerecht dat simpel oogt maar ervaring vereist. De vongole, de kleine schelpjes die bij elke aanvoer op tafel belandden, gaven het gerecht zijn naam. Volgens de overlevering waren sommige vissersboten zó trouw aan hun lading dat ze in de volksmond zelfs le vongole werden genoemd. Maar laten we duidelijk zijn: het waren de schelpen, niet de boten, die de naam op het bord brachten.

Aanvankelijk werd het gerecht klaargemaakt op vissersboten of in eenvoudige keukens vlak bij de haven. Geen menu, geen witte wijn, enkel wat er beschikbaar was: knoflook, olijfolie, chilipeper en een pan. Maar al snel vond dit bescheiden bordje zijn weg naar de trattoria’s in Napels en omstreken. De eenvoud bleef behouden, maar de presentatie werd verfijnder, en de ingrediĆ«nten iets selectiever.

Hoewel Campania algemeen erkend wordt als de bakermat van het gerecht, met Napels als spirituele thuisbasis, kent spaghetti alle vongole intussen vele regionale varianten langs de Italiaanse kust. Zo kwam Abruzzo met zijn clams di Abruzzo in beeld: kleine, karaktervolle schelpen die door vissers liefkozend ā€œde paparazziā€ werden genoemd. Niet omwille van hun nieuwsgierigheid, maar om het geluid dat ze maken wanneer ze openen, alsof een dozijn fototoestellen tegelijk afgaat.

Een schijnbaar simpel gerecht vol valkuilen

Wie ooit spaghetti alle vongole heeft geprobeerd te maken, weet dat achter de eenvoud een hoop valkuilen schuilen. Het zijn weinig ingrediƫnten, ja, maar dat maakt het net zo verraderlijk. Alles moet kloppen: de kwaliteit van de schelpen, de timing van het koken, de balans tussen zout en olie. Misschien is dat net waarom dit gerecht zo populair is geworden.

Het is ook hƩt zomergerecht bij uitstek geworden in de Italiaanse kustkeukens. Licht, fris en vol smaak van de zee. In Campania hoort het zelfs bij het kerstmenu, de cena della Vigilia: op 24 december, tijdens het traditionele visdiner, is spaghetti alle vongole een vaste waarde. Volgens sommige verhalen werd het eerste officiƫle bord zelfs geserveerd in 1762 aan het hof van koning Ferdinand IV van Bourbon in Napels. Koning of niet, hij wist duidelijk wat lekker was.

De oudste geschreven versie vinden we terug in het boek Cucina teorico-pratica van Ippolito Cavalcanti uit 1837. Daarin staat een recept voor vermicelli all’aglio con le vongole, waarin het sap van de geopende schelpen wordt gebruikt als smaakvolle bouillon voor de pasta. Klinkt bekend, niet?

Wit of rood: een twist die blijft duren

Over welke spaghetti alle vongole nu de echte is, wordt er binnen Italiƫ al decennialang gediscussieerd. Er zijn een paar essentiƫle vragen die telkens terugkomen: met of zonder tomaten? Met of zonder schelpen? Met of zonder wijn? We tackelen ze ƩƩn voor ƩƩn, te beginnen met misschien wel de meest omstreden kwestie: moet een echte spaghetti alle vongole bianco of rosso zijn?

Voor de puristen is er geen discussie: bianco, zonder tomaat. Alleen vongole, knoflook, olijfolie, chili en peterselie. Toch bestaat er ook een ā€˜vervuilde’ versie met een paar zacht geplette kerstomaatjes, die net genoeg kleur en zoetheid geven zonder het gerecht te overheersen. Maar pas op met passata of tomatensaus: dat haalt de zilte finesse van de vongole volledig onderuit. En dan kan je evengoed spaghetti allo scoglio gaan maken.

Wijn hoort erbij, maar ook als ingrediƫnt?

Moet er nu wijn in een spaghetti alle vongole of net niet? Het is een vraag die je zelfs bij Italiaanse chefs tot verhitte discussies kan leiden. Laten we meteen duidelijk zijn: als er wijn gebruikt wordt, dan is het altijd witte wijn. Maar zelfs dan is de keuze niet eenduidig.

Het gebruik van witte wijn in de bereiding voegt een subtiel zuur accent toe dat het gerecht frisheid en diepte kan geven. Voor veel koks is dat net wat de smaken openbreekt: de wijn helpt het zilte sap van de vongole te balanceren, en versterkt de aroma’s van knoflook en chili. Een goeie slok droge witte wijn verdampt tijdens het koken en laat alleen de essentie achter: frisheid, mineraliteit, spanning.

Maar er is ook een andere school van denken. Die stelt dat je met wijn net de delicate smaak van de vongole verstoort. Zeker als je echt kwalitatieve clams gebruikt, wil je net hun eigen sap centraal zetten. Dan wordt de wijn een indringer, een extra laag die het natuurlijke karakter overschaduwt. In dat geval laat je hem beter achterwege en werk je enkel met het pure kookvocht van de schelpen.

Wat is dan juist? Zoals wel vaker in de Italiaanse keuken: het hangt af van de streek, de kok en de gelegenheid. In sommige Napolitaanse recepten ontbreekt wijn volledig, terwijl het in andere versies, vaak iets noordelijker, een standaard is.

Wat je ook doet in de pan, ƩƩn ding is zeker: aan tafel hoort er wijn bij. En liefst eentje die de frisheid van de zee en de eenvoud van het gerecht ondersteunt. Ga voor een minerale en droge witte wijn, zoals een Greco di Tufo, Falanghina, Passerina, Verdicchio of een goede Vermentino. Ze zorgen niet alleen voor harmonie met het bord, maar tillen het hele moment naar een hoger niveau. Geen zware houtgerijpte krachtpatsers dus, maar levendige wijnen met zuren en finesse.

Spaghetti alle vongole… fujute?

We kunnen het niet over spaghetti alle vongole hebben zonder ook de spaghetti alle vongole fujute te vermelden, oftewel… ā€œgevluchtā€. Wat betekent dat precies? In dit gerecht zorgt de overvloedige aanwezigheid van peterselie, met zijn sterke en doordringende aroma, voor de illusie dat je de smaak van vongole proeft, ook al zitten ze er niet in.

Het is geen echt twistpunt, eerder een totaal andere interpretatie. Je zou je kunnen afvragen of je een spaghetti alle vongole zonder vongole überhaupt nog wel zo mag noemen. De Italianen hebben daar een charmante oplossing voor gevonden: ze plakken er gewoon fujute achteraan. Probleem opgelost.

De legende wil dat deze ā€˜ontschelpte’ variant werd bedacht door Eduardo De Filippo, de beroemde Napolitaanse acteur. Na een lange werkdag kwam hij thuis met reuzenhonger, maar vond niets anders dan pasta, peterselie, chili en knoflook. Hij maakte ermee wat hij kon en merkte op dat de geur en smaak hem deden denken aan vongole, ook al zaten ze er niet in.

Stadslegende of waarheid? We zullen het wellicht nooit zeker weten… Waarschijnlijker is dat het gerecht ontstond in de armere Napolitaanse wijken, waar vongole, een ogenschijnlijk alledaags maar niet goedkoop ingrediĆ«nt, niet altijd binnen handbereik waren. Peterselie nam de rol van smaakdrager over. EĆ©n ding is zeker: aan creativiteit en vindingrijkheid heeft het de Napolitanen nooit ontbroken.

Voor de duidelijkheid: in het klassieke gerecht worden de schelpen zeker niet verwijderd. Wat je wƩl doet: laat ze minstens een uur in gezouten water weken zodat al het zand eruit komt, en spoel ze daarna nog een drietal keer goed schoon. Want schelpen met een knarsje zijn allesbehalve feestelijk.

Kaas laten we liggen!

Kaas gebruiken in een spaghetti alle vongole is een regelrecht taboe. Mijn goede vriend had dus groot gelijk dat hij ontzet en verbaasd was toen zijn bordje werd geserveerd met een wolkje Parmezaan erbovenop. Het mag dan goed bedoeld zijn geweest, maar in Italiƫ is zoiets vergelijkbaar met ketchup op een ossobuco. Een regelrechte culinaire heiligschennis.

Waarom ligt dat zo gevoelig? Het antwoord zit zowel in smaaklogica als in culturele traditie.

Ten eerste: kaas en zeevruchten botsen qua smaakprofiel. Parmezaan, pecorino of grana hebben een rijke, umami-achtige zoutsmaak met een romige, ietwat zoete afdronk. Vongole daarentegen zijn zilt en mineraal, met een fijn maritiem aroma. Voeg je daar kaas aan toe, dan duw je het gerecht in een volledig andere richting. Je overrompelt de finesse van de schelpen en drukt hun subtiele karakter plat onder een deken van melkachtig vet.

Ten tweede: de Italiaanse culinaire traditie volgt geen vastgelegde regels, maar wel duidelijke gewoontes. In die traditie worden zuivelproducten bijna nooit gecombineerd met vis of schaaldieren, tenzij het om gerechten uit het noorden van het land gaat waar room en boter vaker opduiken. Maar in het zuiden is de combinatie van zeevruchten en kaas zo goed als ondenkbaar. Het wordt gezien als een disbalans, een clash tussen land en zee.

En ten derde: de eenvoud van het gerecht is precies zijn kracht. Spaghetti alle vongole draait om pure smaken, om een paar goed gekozen ingrediĆ«nten die elkaar niet overschaduwen. Elke toevoeging, of het nu kaas, truffelolie of room is, maakt het minder ā€˜vongole’ en meer ā€˜fusion’. En daar is op zich niets mis mee, maar noem het dan geen spaghetti alle vongole meer.

Wil je het gerecht echt afwerken? Dan is een drupje extra vierge olijfolie en wat verse peterselie alles wat je nodig hebt.

De schelpkeuze!

Rest er nog de hamvraag, of beter gezegd de ‘schelpvraag’! Er is een overvloed aan aanbod als het over schelpen gaat, maar welke zijn nu net gepast om als hoofdingrediĆ«nt gebruikt te worden voor onze Spaghetti alle vongole? We maken een suggestie voor de juiste schelpen die je hiervoor gebruikt:

1. Vongola verace (Ruditapes decussatus)

Deze schelp, ook bekend als de geruite tapijtschelp, is de aristocraat onder de vongole. Met een stevige, ovale schelp en een patroon van fijne ribbels, is hij niet alleen visueel aantrekkelijk maar ook culinair gewaardeerd. De vongola verace leeft in lagunes en estuaria, waar het brakke water bijdraagt aan zijn delicate, lichtzoete smaak. Bij het koken opent hij gemakkelijk en geeft een helder, geurig kookvocht af dat de basis vormt voor een sublieme saus.

2. Vongola comune (Chamelea gallina)

Deze kleinere schelp, vaak aangeduid als gestreepte venusschelp, is een favoriet in de Adriatische keuken. Met een afgeronde driehoekige vorm en een patroon van bruine strepen, biedt hij een stevige textuur en een uitgesproken zilte smaak. De vongola comune leeft in schone zandbodems en wordt vaak met hydraulische methoden geoogst. Hoewel hij iets minder verfijnd is dan de vongola verace, levert hij een robuuste smaak die goed standhoudt in eenvoudige bereidingen.

3. Tellina (Donax trunculus)

De tellina, of wigschelp, is klein maar krachtig. Met een gladde, driehoekige schelp en een lengte van slechts 10 tot 30 mm, is hij een delicate toevoeging aan pasta’s. De tellina leeft in ondiepe, schone zandstranden en staat bekend om zijn zoetige, verfijnde smaak. Vanwege zijn kleine formaat wordt hij vaak in grote hoeveelheden gebruikt, wat resulteert in een subtiele, maar complexe saus.

De keuze hangt af van persoonlijke voorkeur en beschikbaarheid. Voor een klassieke, verfijnde Spaghetti alle vongole is de vongola verace de beste keuze. Voor een meer robuuste, zilte smaak is de vongola comune ideaal. En voor een subtiele, zoetige toets is de tellina een uitstekende optie. Ongeacht de keuze, zorg ervoor dat de schelpen vers zijn en goed zijn schoongemaakt om zand en gruis te verwijderen.

Het recept: puur en krachtig

Ingrediƫnten voor 2 personen

  • 500 g verse vongole
  • 200 g spaghetti
  • 2 Ć  3 tenen knoflook, fijngehakt
  • 1 klein rood pepertje of wat gedroogde chili
  • 4 eetlepels goede olijfolie
  • 100 ml droge witte wijn (optioneel)
  • Verse peterselie, fijngehakt
  • Zout (maar wees voorzichtig, de vongole zijn al zout)

Zo maak je het

  1. Maak zeker dat je de gebroken of open schelpen verwijderd hebt uit de selectie. Spoel de resterende vongole grondig, laat ze minstens een uur in gezouten water staan zodat ze het zand uitspuwen. Geef ze nadien nog minstens 3 extra wasbeurten.
  2. Verhit ondertussen de olijfolie in een ruime pan, fruit de knoflook met het pepertje (ontdaan van de zaadjes) met een klein beetje peterselie op zacht vuur.
  3. Voeg de uitgelekte vongole toe, bak ze 1 minuut op een hoger vuur, giet eventueel de witte wijn erbij en laat die dan verdampen, dek af en laat een paar minuten koken tot de schelpen opengaan. Laat ze niet te lang op het vuur staan, anders worden ze rubberachtig en dus onsmakelijk.
  4. Gooi nog dicht gebleven schelpen weg.
  5. Zeef de schelpen en vangt het kookvocht op.
  6. Breng gezouten water aan de kook en doe daarin de spaghetti. Kook deze al dente.
  7. Verhit wat olijfolie in een pan. Voeg de overgebleven knoflook, rode peper (naar smaak) en het gezeefde sap toe.
  8. Voeg de uitgelekte pasta toe aan de pan, zet deze op een hoger vuur en laat enkele minuten nog verder koken. Voeg indien nodig nog een extra pollepel van het kookvocht toe.
  9. Haal van het vuur en roer er alle schelpen met een scheutje olijfolie door.
  10. Werk af met peterselie en serveer onmiddellijk.

Tot slot

Geen kaas. Nooit. Echt niet. Zelfs geen schaafsel uit nieuwsgierigheid hoort thuis in een spaghetti alle vongole. Je mag je bord met een gerust gemoed, en dit artikel als sluitend bewijs, teruggeven als je het geserveerd krijgt door een onwetende would-be kok.

De ingrediƫnten van een spaghetti alle vongole zijn een sacristie, en dus heilig. Alles draait om die typische Italiaanse keuken waar eenvoud en kwaliteit elkaar ontmoeten. Als je dat weet te respecteren Ʃn te combineren, zit je goed. En wie weet, hoor je dan zelfs het klikken van een paar paparazzi-schelpen in je bord.

Irrigatie in ItaliĆ«: Van taboe tot hulpmiddel in tijden van droogte

In een recent beluisterde podcast liet Aldo Clerico z’n stem klinken over een onderwerp dat in Piemonte lang als heiligschennis werd beschouwd: irrigatie in Barolo. Waar het vroeger ronduit verboden was om de wijngaarden water toe te dienen, is dat vandaag niet langer ondenkbaar. Sterker nog, het mag nu gewoon. Maar wie denkt dat hiermee meteen alle problemen van de baan zijn, heeft nog geen schop in de Piemontese grond gestoken. Want ja, irrigeren mag dan wel toegestaan zijn, het water vinden om dat effectief te doen is een ander paar mouwen.

De klimaatverandering laat zich intussen steeds nadrukkelijker voelen. Lange droge periodes, zinderende zomers en een grillige neerslagverdeling dwingen wijnbouwers tot het herdenken van eeuwenoude methodes. Irrigatie is niet langer een taboe, maar eerder een noodzaak geworden. Tijd dus om de irrigatiekwestie van dichterbij te bekijken.

Wat is irrigatie eigenlijk?

Simpel gezegd: irrigatie is het kunstmatig bevochtigen van landbouwgrond. Of in het geval van wijnbouw, het geven van water aan wijnstokken op momenten dat de natuur het laat afweten. Dat klinkt eenvoudig, maar het is een wereld op zich.

In de wijngaard betekent irrigatie niet dat men zomaar de slang openzet en de boel natspuit. De moderne wijnbouw hanteert verfijnde technieken die de hoeveelheid water doseren tot op de druppel nauwkeurig. De bekendste methode is druppelirrigatie: kleine slangetjes, aangelegd tussen de rijen wijnstokken, geven via minuscule gaatjes langzaam water af. Niet over het hele veld, maar precies daar waar het telt: aan de wortelzone van de wijnstok. Dit systeem laat toe om zeer gericht en spaarzaam te werken, zonder onnodige verspilling.

Daarnaast bestaan er ondergrondse systemen waarbij leidingen onder de oppervlakte liggen en het water nog dichter bij de wortels wordt afgegeven. Die methode is duurder, maar voorkomt verdamping en verstoring van het bodemleven. Tot slot zijn er ook sproeisystemen, maar die worden in kwaliteitswijnbouw eerder vermeden. Ze zijn minder precies en verhogen het risico op ziektes door natte bladeren en druiven.

Waarom is irrigatie nodig? Omdat wijnstokken, hoe taai ze ook zijn, grenzen hebben. Bij langdurige droogte sluiten ze hun huidmondjes om vochtverlies te beperken. Maar dat betekent ook dat de fotosynthese stilvalt en de groei stokt. Te veel stress leidt tot mislukte bloei, gekreukte trossen of druiven die te snel suikers opbouwen zonder voldoende aromatische rijping. Geen prettig vooruitzicht als je mikt op een gebalanceerde wijn.

Een vaak gehoord misverstand is dat irrigatie altijd leidt tot overproductie of fletse wijn. Dat kan gebeuren bij verkeerd gebruik, maar een goed beheerde irrigatie kan net helpen om stress te beperken en de plant in balans te houden. Het draait om precisie, timing en beperking. Niet alle wijnjaren vragen om water, maar in tijden van extreme hitte of onvoorspelbare neerslag is het een vangnet geworden dat de kwaliteit kan redden.

Interessant is ook dat irrigatie niet alleen over water gaat. Het is een hefboom geworden in het beheer van de volledige wijngaard. Door irrigatie slim te combineren met snoei, bladbeheer en bodemverzorging kan de wijnbouwer subtiel sturen op groeikracht, druivenvolume en aromatische concentratie. Geen toverstaf, wel een instrument. En in een wereld met steeds warmere jaren een steeds belangrijker instrument.

Waarom is irrigatie soms verboden?

In veel Europese wijnregio’s, en zeker in gebieden met een beschermde herkomstbenaming (DOC, DOCG, AOC, enzovoort), is wijn maken niet zomaar een kwestie van druiven telen en flessen vullen. Het is een een eeuwenoud gebruik waarbij elke ingreep in de wijngaard als een ingreep in de identiteit van de wijn wordt beschouwd. En net daarom lag irrigatie zo lang onder vuur.

Het basisidee achter het verbod is eenvoudig: terroir moet spreken. De wijn moet de afdruk dragen van zijn natuurlijke omgeving: bodem, klimaat, ligging, druivenras én de jaargang. Als je kunstmatig water toevoegt, tast je dat evenwicht aan. Je geeft de plant iets wat de natuur haar niet voorziet, en dat kan volgens de klassieke leer de authenticiteit van de wijn beïnvloeden. Zeker bij druivenrassen die sterk reageren op stress, zoals Nebbiolo of Sangiovese, kan een teveel aan water leiden tot verwaterde smaken, verlies van concentratie en een afgevlakt aromatisch profiel.

Daarbovenop komt nog het juridisch-technische verhaal. Veel Europese appellaties hebben strikte regels over toegestane technieken. Irrigatie was lange tijd ronduit verboden in de meeste kwaliteitszones, behalve in uitzonderlijke omstandigheden zoals langdurige droogte. Zelfs dan moest men officiƫle toestemming aanvragen. Het idee daarachter was niet alleen filosofisch, maar ook praktisch: irrigatie vergroot het risico op overproductie, en Europa heeft zijn wijnoverschotten al vaker moeten indammen.

Maar er speelt ook een ecologische en economische component. Water is in veel regio’s een schaars goed. Als iedere wijnboer plots massaal gaat irrigeren, krijg je conflicten met andere landbouwers, stijgende kosten en druk op natuurlijke waterbronnen. Zeker in zuidelijke regio’s waar landbouw, toerisme en huishoudens allemaal vissen uit dezelfde vijver, is dat geen detail.

En toch is het verbod de laatste jaren aan erosie onderhevig. De reden? Klimaatverandering. De zomers worden heter, de regen valt onvoorspelbaar, en de stress op de wijnstokken neemt toe. Wat ooit gold als een luxeprobleem, wordt stilaan een overlevingskwestie. Meer en meer regio’s passen hun reglementen aan, en laten beperkte irrigatie toe, mits controle en met oog voor duurzaamheid.

Het is dus geen carte blanche, maar een noodmaatregel die toelaat om kwaliteit te behouden zonder de fundamenten van het terroir te ondergraven. Een waterige wijn blijft not done, maar een wijn die door slim en verantwoord watergebruik zijn karakter behoudt, is intussen wel bespreekbaar geworden. Traditionele waarden worden niet overboord gegooid, maar ze worden herbekeken in het licht van een veranderende realiteit.

Italiƫ en irrigatie: een complex huwelijk

De podcast met Aldo Clerico raakte een gevoelige snaar. Niet alleen omdat hij met kennis van zaken praat over Barolo, maar ook omdat hij iets durfde te benoemen wat lang onuitgesproken bleef: dat zelfs in de meest iconische wijnregio’s van ItaliĆ«, irrigatie niet langer een taboe is. Clerico, zelf actief in het hart van de Langhe, stelde vast dat de regels veranderd zijn. Wat decennialang verboden terrein was, is nu, onder voorwaarden, toegestaan. Maar wie denkt dat dit gelijkstaat aan een vrije waterkraan op de Nebbiolo, zit er flink naast.

Italiƫ is namelijk allesbehalve eenvoudig als het over irrigatie gaat. Het land is een lappendeken van microklimaten, druivenrassen en, vooral, wijnwetgeving. Wat in Alto Adige een gangbare praktijk is, blijft in Montalcino of Montepulciano voorlopig nog een gevoelig onderwerp. In veel DOCG- en DOC-gebieden geldt nog steeds een irrigatieverbod tijdens het groeiseizoen, behalve bij uitzonderlijke droogte. Dan kan men, na een aanvraag bij de bevoegde instanties, noodirrigatie toepassen. Maar zelfs dat gebeurt onder het wakende oog van de controleorganen en met een dosis papierwerk waar Dante zelf nog een extra cirkel van de hel voor had kunnen verzinnen.

Toch heeft de praktijk de regels ingehaald. In Barolo bijvoorbeeld, waar men tot voor kort liever een hete zomer doorstond dan water toe te dienen, wordt irrigatie vandaag in specifieke gevallen toegestaan. Clerico benoemt treffend hoe dit eerder noodzaak dan keuze is geworden. De klimaatverandering laat zich niet langer negeren, en de wijnstokken trekken steeds vaker aan de alarmbel. Geen water betekent geen druiven, of druiven die in de stress veel suikers maar weinig aroma’s opbouwen. En dus grijpt men, met de nodige aarzeling, naar het water.

In Alto Adige is irrigatie al langer ingeburgerd, deels door de geografische omstandigheden. De stenige gronden en het bergklimaat vragen om ondersteuning tijdens droge periodes. Daar wordt het waterbeleid georganiseerd, efficiƫnt en breed gedragen. In Toscane is dat een ander verhaal: in klassiek beladen zones zoals Chianti Classico of Brunello di Montalcino wordt irrigatie nog met argwaan bekeken. De angst om het terroirverhaal te verzwakken zit diep, en men vreest reputatieschade als water de wijngaard binnenkomt.

Zuidelijker, zoals in Puglia en op SiciliĆ«, is irrigatie een overlevingsstrategie. In regio’s waar zomers lijken op ovenstanden, en de bodem elke druppel water door de vingers laat glippen, experimenteert men al jaren met efficiĆ«nte irrigatiesystemen. Op de Etna bijvoorbeeld, wordt onder de rook van de actieve vulkaan gewerkt met druppelirrigatie die gevoed wordt door gesmolten sneeuw en regenwater uit traditionele, stenen waterreservoirs die al generaties lang worden gebruikt.

De Italiaanse wijnwetgeving, notoir traag maar niet blind, begint te reageren op deze realiteit. Proefprojecten met ondergrondse leidingen, streng gereguleerde volumes en gecontroleerde gebruiksmomenten maken hun opmars. De praktijk van vandaag is niet langer puur reactionair, maar wordt proactief doordacht. Dat betekent niet dat de sluizen openstaan, wel dat men eindelijk erkent dat klimaatadaptatie geen zwaktebod is, maar een vorm van verantwoordelijkheid.

En zo komen we terug bij Clerico. Zijn vaststelling is geen louter technocratisch detail, maar een teken van een bredere shift in mentaliteit. Waar de wijnbouwer vroeger vooral de seizoenen onderging, is hij vandaag verplicht om zich te wapenen. Water is daarbij geen vijand meer, maar een hulpmiddel om het karakter van een wijnjaar te bewaren zonder het terroir te verloochenen.

Het huwelijk tussen Italiƫ en irrigatie is nog steeds complex, maar zoals elk goed huwelijk: het leert met de tijd. En soms is een beetje water bij de wijn doen precies wat nodig is om tot een oplossing te komen.

Waar halen wijnbouwers hun water vandaan?

Water zomaar uit de lucht plukken, dat lukt nog net niet en dat is precies het probleem waar Aldo Clerico in zijn podcast de vinger op legt. ā€œIrrigatie is nu toegestaan,ā€ zegt hij, ā€œmaar waar haal je in godsnaam het water vandaan?ā€ Daarmee raakt hij aan de kern van de kwestie: de wet mag versoepeld zijn, de natuur doet niet automatisch mee.

Want het echte knelpunt zit niet in de regelgeving, maar in de bron. Italiƫ kampt, net als veel Zuid-Europese landen, met toenemende waterschaarste. Regen valt er onregelmatiger, vaak buiten het groeiseizoen, en verdwijnt razendsnel uit de bodem. Gletsjers trekken zich terug, bronnen drogen op en grondwaterniveaus zakken elk jaar dieper. De toegang tot water is dus allesbehalve vanzelfsprekend.

Wijnbouwers proberen creatief te zijn. Sommige domeinen leggen reservoirs aan. Grote bassins waarin ze tijdens de winter en lente regenwater opvangen. Dat vraagt niet alleen ruimte, maar ook infrastructuur, geld en vooral: regen. En laat dat nu net steeds minder vanzelfsprekend worden.

In bepaalde gebieden wordt samengewerkt met landbouwverenigingen om aan te sluiten op collectieve irrigatienetwerken. Dat werkt redelijk goed in vlakke gebieden zoals de Po-vlakte, maar in heuvelachtige regio’s zoals de Langhe, waar Clerico zelf actief is, is dat een logistieke nachtmerrie. Buizen aanleggen over hellingen, pompen installeren, druk behouden op de leidingen… het vergt een investering die niet elk domein kan of wil dragen. Al mogen ze in Barolo niet klagen wat dat betreft natuurlijk.

In andere regio’s, zoals Trentino en delen van Veneto, zet men in op precisie-irrigatie. Slimme sensoren meten de vochtigheidsgraad in de bodem en geven alleen water als het Ć©cht nodig is. Zo vermijdt men verspilling en houdt men de wijnstokken net onder de stressgrens, zonder de plant te verwennen. Deze technologie is veelbelovend, maar ook kostelijk en eerder weggelegd voor grotere of technologisch vooruitstrevende domeinen.

Een andere piste is hergebruik van gezuiverd afvalwater uit dorpen of agrarische installaties. In Siciliƫ worden hiermee al kleinschalige proeven gedaan. Het klinkt futuristisch, maar het is vooral een kwestie van noodzaak. Want wanneer de regen uitblijft, moet je het hebben van wat er al is.

En dan is er nog het juridisch kader. In veel regio’s mag je wel irrigeren, maar niet zomaar eender welk water gebruiken. Grondwaterputten moeten geregistreerd worden, sommige bronnen zijn beschermd, en de verdeling van water is vaak een politiek mijnenveld. Wie te veel pompt, krijgt al snel de buren over zich heen en soms ook inspecteurs aan de deur.

Aldo Clerico’s punt is dan ook geen detail, maar een harde realiteit: het echte debat is niet of we mogen irrigeren, maar hoe en waarmee. Een reglement dat toelaat om water te geven zonder dat er water Ć­s, is even bruikbaar als een wijnpers zonder druiven.

En de smaak dan?

De grote vraag blijft natuurlijk: verandert irrigatie de smaak van de wijn? Want uiteindelijk draait het daar allemaal om. Het karakter van een wijn, zijn balans, zijn intensiteit.

Het korte antwoord is: ja, irrigatie kan invloed hebben op de smaak. Maar het lange antwoord is veel genuanceerder. Het hangt allemaal af van hoe, wanneer en hoeveel water je geeft.

Wanneer wijnstokken te veel water krijgen, worden ze gemakzuchtig. Ze stoppen met zoeken, wortelen minder diep, en produceren druiven die veel sap bevatten maar weinig concentratie. Het resultaat? Een wijn met flauwe aroma’s, een vlak mondgevoel en een gebrek aan structuur. Dit is de reden waarom irrigatie in veel traditionele wijnregio’s jarenlang als vijand werd gezien.

Maar het andere uiterste is ook geen feest. Te weinig water en de wijnstok komt in overlevingsmodus. De fotosynthese valt stil, de trossen blijven klein en ongelijk, de druiven drogen uit. In plaats van finesse krijg je bitterheid, wrange tannine en vaak een overdaad aan suiker, omdat de druif zich concentreert zonder Ʃcht te rijpen. De balans is zoek, en de wijn wordt log of niet harmonieus. Zeker in hete jaren is dit geen zeldzaam scenario meer.

De sleutel zit in precisie. Een goed getimede en gedoseerde irrigatie kan net bijdragen aan een gezonde groei, een gelijkmatige rijping en een betere aromatische ontwikkeling. In de viticultuur spreekt men dan van deficit irrigation: een gecontroleerde watergift die de wijnstok net genoeg geeft om functioneel te blijven, maar niet genoeg om lui te worden. Het is een vorm van microsturing waarbij de wijnmaker het groeitempo, de trosgrootte en de fenolische rijping probeert te balanceren.

In Barolo bijvoorbeeld, waar Nebbiolo bekendstaat om zijn dunne schil en gevoeligheid voor droogtestress, kan een beperkte irrigatie tijdens kritieke fases zoals vƩraison (het moment waarop de druif begint te kleuren) net het verschil maken tussen elegante zuren en vermoeide druiven. Aldo Clerico hint daar ook op in zijn podcast: irrigatie is geen comfort, maar een noodinstrument om finesse te bewaren. Niet om meer wijn te maken, maar om betere wijn te redden.

Irrigatie vereist dus kennis van zaken. Het is geen wondermiddel, maar een instrument. En zoals elk instrument kan het ontroeren of vals klinken, afhankelijk van wie het hanteert. In de handen van een doordachte wijnbouwer kan irrigatie een bondgenoot zijn om elegantie te behouden, zelfs in uitdagende jaren. In de handen van een onzorgvuldige producent kan het leiden tot banale wijnen met weinig ziel.

Tot slot
Wat ooit een dogma was, wordt vandaag steeds vaker herzien onder druk van extreme weersomstandigheden. Irrigatie is in Italiƫ niet langer een keuze tussen traditie of technologie, maar een balans tussen behoud en aanpassing. En zoals Aldo Clerico het treffend zegt: het gaat niet om meer wijn maken, maar om de juiste wijn te kunnen blijven maken.

Valpolicella – De vallei van de vele kelders

De eerste keer dat ik Valpolicella bezocht, kan ik me nog perfect voorstellen. De vlucht van Zaventem of Eindhoven naar Bergamo, een wagen huren en dan via de serenissima, de A4-snelweg, richting Verona rijden. Steeds wat vroeger de afrit nemen om een aperitief te drinken in Bardolino, dan verder de Valpolicella-heuvels in. Fumane en Negrar waren toen de bestemmingen, recht in het hart van het wijngebied. Elk bezoek werd toen steevast gecombineerd met het aanpalende Soave, daar waar rood en wit op een natuurlijke manier in elkaar overvloeien.

Vandaag is Valpolicella onze vaste uitvalsbasis geworden bij ons jaarlijks bezoek aan Vinitaly, de grootste Italiaanse wijnbeurs. Professionals van over de hele wereld zakken af naar Verona om er Italiaanse wijnen te proeven en wijnmakers persoonlijk te ontmoeten. Wij hebben er intussen ook onze vaste stek gevonden, in Mezzane di Sotto bij de familie Brusco op het relais I Tamasotti. Alessandro, Giacomo en Sabina zijn vrienden geworden, en we genieten er telkens van de echt wel buitengewone kookkunsten van moeder Louisa.

Waar exact ligt Valpolicella?

Valpolicella ligt in het noordoosten van Italiƫ, in de regio Veneto, net ten noorden van Verona. Het gebied vormt een natuurlijke overgangszone tussen de uitlopers van de Alpen en de vlakkere landschappen van de Po-vlakte. In het westen stroomt de rivier de Adige richting Adriatische Zee, terwijl het Gardameer niet veraf ligt en zijn milde invloed laat voelen. In het noorden rijzen de eerste heuvels van het Lessina-gebergte op, met kalkrijke rotsen en bossen die een natuurlijke grens vormen.

Het landschap is allesbehalve uniform: Valpolicella bestaat uit een netwerk van kleinere valleien, glooiende heuvelruggen, plateaus en terrassen. Riviertjes en beken snijden zich een weg door de heuvels en voeden zowel de bodem als het microklimaat. Die geografische variatie is essentieel, want ze zorgt ervoor dat wijnbouwers kunnen spelen met hoogte, oriƫntatie en bodemsamenstelling om druiven tot hun recht te laten komen.

Valpolicella is dus geen strak afgelijnd wijngebied, maar een levendig landschap waar wijnbouw al eeuwenlang verweven is met de natuur. Die geografische complexiteit vormt de basis van de diversiteit in stijl en expressie waarvoor het gebied vandaag zo gewaardeerd wordt.

Een geschiedenis vol gedichten

Lang voor er in Valpolicella sprake was van wijnbouw, lag de basis al in de bodem. De streek rust op een geologisch fundament dat tientallen miljoenen jaren oud is. In Bolca, aan de rand van het wijngebied, werden fossielen gevonden van Ampelophyllum noeticum, een oerplant verwant aan de wijnstok, daterend uit het Midden-Eoceen, zo’n 40 miljoen jaar geleden. Deze vondst bewijst dat de wortels van de wijn hier niet alleen cultureel, maar ook letterlijk geologisch verankerd zijn.

De introductie van wijnbouw kwam met de Etrusken, die zich tussen de 7e en 5e eeuw voor Christus in deze regio vestigden. Ze brachten Vitis vinifera sativa mee, de gecultiveerde wijnstok, samen met technieken voor wijnproductie. Bij Castelrotto zijn sporen gevonden van druivenpitten en gebruiksvoorwerpen zoals rituele lepels (simpulum), die wijzen op een vroege en goed georganiseerde wijncultuur. In dezelfde periode leefden hier de Arusnati, een lokale bevolking van vermoedelijk Rhaeto-Etruskische oorsprong. Zij organiseerden hun dorpen in zogeheten vici, kleine gemeenschappen die later als voorbeeld dienden voor de Romeinse rurale structuur.

De Romeinen erkenden het belang van het gebied en gaven het de naam Vallis Polis-cellae, wat ā€œvallei van de vele keldersā€ betekent. Het was een streek waar wijn niet alleen gemaakt werd, maar ook bewaard en verhandeld. De wijnen uit Valpolicella, zoals de befaamde vinum Raeticum, afkomstig van de eerste berghellingen tussen Verona en het Comomeer, werden alom geprezen. Vergilius schreef erover, Strabo vermeldde ze, en Cassiodorus, minister van de Ostrogotische koning Theodorik, beschreef in de 6e eeuw een wijn uit de streek, Acinatico, als ā€œkoninklijk van kleur, vlezig en ongelooflijk zoetā€. De benaming Acinatico is tot op vandaag nog steeds in gebruik.

De groei van de wijnbouw ging gepaard met juridische en maatschappelijke structuren. In 1276 vaardigde Alberto I della Scala regels uit over de wijnproductie. De oogsttijd mocht alleen in overleg bepaald worden, en het was verboden om druiven thuis op te slaan. Een aanwijzing dat het drogen van druiven toen al voorkwam, al was het formeel nog niet toegestaan. Die praktijk, aanvankelijk verdacht, zou later uitgroeien tot het fundament van Valpolicella’s iconen: Recioto en Amarone.

Maar Valpolicella is meer dan bodem en regelgeving. Vanaf de 14e eeuw bouwden adellijke families hun villa’s tussen de wijngaarden. Deze landhuizen werden verzamelplaatsen voor dichters, geleerden en humanisten. Dankzij die kruisbestuiving van wijn en cultuur kreeg het gebied de bijnaam The valley of the poems, een term die later werd gepopulariseerd door de dichter Aleardo Aleardi. In de 18e eeuw roemde Scipione Maffei de wijnen uit de streek als ā€œwijn van een bijzondere gratieā€ in zijn Verona Illustrata.

De vijf gezichten van Valpolicella

Het wijngebied Valpolicella laat zich niet vatten in ƩƩn profiel. Het ontvouwt zich als een waaier van valleien die noord-zuid lopen en zich vanaf Verona richting de Lessini-bergen uitstrekken. Die waaierstructuur is niet enkel geografisch opvallend, maar ook bepalend voor de wijnbouw. Het landschap varieert van vlakke, alluviale bodems in het zuiden tot steile kalkhellingen en vulkanisch gesteente hogerop. Dit reliƫf, samen met een uitgesproken geologische variatie en microklimaten, vormt de basis voor de opdeling in vijf hoofdzones.

1. Valpolicella Classico
De Classico-zone is het historische hart van Valpolicella en omvat de gemeenten Negrar, Fumane, Marano, San Pietro in Cariano en Sant’Ambrogio di Valpolicella. Hier begon alles, en hier liggen ook de oudste wijngaarden.

In Sant’Ambrogio, aan de westelijke rand van het gebied, verzachten milde winden van het Gardameer het klimaat. De sedimentaire, kalkrijke bodems zorgen voor elegante en verfijnde wijnen. San Pietro in Cariano sluit het zuiden van de zone af, met alluviale gronden en een relatief vlak landschap dat vooral zachte, fruitige wijnen oplevert. Toch zorgen enkele heuvels, zoals bij Castelrotto, voor reliĆ«f en nuance.

Verder noordwaarts klimt de Fumane-vallei steil omhoog richting de Corno d’Aquilino. Dit is een van de koelste zones, met uitgesproken kalkbodems die zorgen voor levendige zuren en trage rijping. In de Marano-vallei komen de bodems voornamelijk uit basalt, lokaal toari genoemd, wat resulteert in krachtigere en gestructureerde wijnen. Deze vallei vormt een natuurlijk amfitheater met terrassen in droge stenen muren (marogne). Negrar ligt centraal en kent een breed scala aan bodems en microklimaten. De vallei vernauwt zich geleidelijk, waardoor koude winden uit de bergen sterker voelbaar worden. Negrar produceert complexe wijnen die balans weten te vinden tussen finesse en kracht.

2. Valpantena
Tussen de Valpolicella Classico en de oostelijke valleien ligt de Valpantena, een vallei met een uitgesproken eigen karakter. De naam betekent letterlijk ā€œvallei van alle godenā€. De Valpantena strekt zich uit van de noordelijke rand van Verona tot diep in het Lessinia-gebergte, en wordt steeds smaller naarmate men hoger klimt richting het dorp Grezzana. Deze natuurlijke trechtervorm zorgt voor een constante luchtcirculatie, wat de wijngaarden beschermt tegen vocht en ziektes, en tegelijk een optimale rijping van de druiven ondersteunt.

Valpantena biedt een combinatie van hoogteverschillen, microklimaten en een grote variatie aan bodems. In de lager gelegen zones nabij Verona vind je voornamelijk kalkrijke sedimenten, terwijl hogerop meer klei, mergel en zelfs vulkanisch gesteente voorkomt. Die geologische schakering vertaalt zich rechtstreeks in het profiel van de wijn: enerzijds fris, floraal en elegant, anderzijds gestructureerd en kruidig, met een zekere spanning in het mondgevoel. De Valpantena subzone mag als enige buiten de Classico de naam ā€œValpantenaā€ vermelden op het etiket.

3. Val di Mezzane
De Val di Mezzane vormt het westelijk deel van de oostelijke Valpolicella zone en ligt als het ware ingebed tussen de stad Verona en de hogere uitlopers van de Monti Lessini. De vallei strekt zich uit van het dorp Lavagno, in het zuiden, tot aan San Mauro di Saline in het noorden, waar de heuvels overgaan in ruiger berggebied. De vallei heeft een uitgesproken lineair karakter en wordt gekenmerkt door een smalle maar diepe insnijding in het landschap, waardoor luchtstromen vrij spel hebben.

Geologisch is Val di Mezzane vrij complex. In het zuidelijke deel van de vallei overheersen kalkrijke bodems, vaak gemengd met klei en grind. Naarmate men noordwaarts klimt, komen er meer mergellagen en zwaardere, compacte gronden voor. Hier en daar komen ook sporen van basalt voor, wat extra warmte vasthoudt en structuur geeft aan de wijn. Die bodemsamenstelling biedt wijnbouwers een breed palet aan mogelijkheden, van lichtere, elegante stijlen tot krachtigere wijnen met bewaarpotentieel.

De wijngaarden liggen vaak op steile hellingen of in half-terrassen, met een oostelijke of zuidelijke oriƫntatie. Hierdoor vangen ze voldoende zon, maar worden ze nooit oververhit. Corvina gedijt hier bijzonder goed, net als Corvinone en in toenemende mate Oseleta, dat in de hogere zones opvalt door zijn aromatische intensiteit.

4. Val d’Illasi
De Val d’Illasi is een van de meest karaktervolle valleien in de oostelijke Valpolicella, gelegen ten oosten van de Val di Mezzane. De vallei begint bij het dorp Illasi en klimt snel noordwaarts richting de bergdorpen Tregnago en Badia Calavena. Kenmerkend is de steile opbouw in hoogte: binnen een relatief korte afstand stijgt het landschap van ongeveer 100 tot ruim 600 meter boven zeeniveau. Dit hoogteverloop creĆ«ert uitgesproken microklimaten en maakt een verfijnde selectie van druivenpercelen mogelijk.

De bodemstructuur van de Val d’Illasi is net zo gevarieerd als het reliĆ«f. In het zuiden domineren klei- en kalklagen met een goede waterretentie, ideaal voor jonge stokken en frissere wijnstijlen. Hogerop komen diepere lagen mergel en kalksteen voor, vaak afgewisseld met zand en basaltfragmenten. Deze minerale, goed drainerende bodems zijn uitermate geschikt voor het produceren van geconcentreerde druiven met veel structuur. Een ideale basis voor Amarone en Ripasso met lengte en kracht, maar zonder log te worden.

De vallei is bovendien cultuurhistorisch van belang. De aanwezigheid van oude villa’s, terrassen en marogne (droge stenen muurtjes) getuigt van eeuwen wijnbouw. Vele wijngaarden liggen op oude, door mensenhand aangelegde plateaus die de erosie tegenhouden en de zon maximaal laten invallen.

Steeds meer wijnmakers zetten in op kwaliteit in deze vallei. Moderne vinificatietechnieken worden gecombineerd met traditioneel respect voor bodem en klimaat. Illasi wordt daardoor steeds vaker genoemd als een van de nieuwe topzones binnen Valpolicella.

5. Val di Cazzano di Tramigna
De Val di Cazzano di Tramigna vormt het oostelijke sluitstuk van Valpolicella en grenst aan de wittewijnstreek van Soave. Geografisch sluit deze aan op de Val d’Alpone, die zelf buiten Valpolicella valt maar geologisch verwant is. De vallei is korter, smaller en meer gebald dan haar westelijke buren, met een compacter microklimaat en een opvallende terroirvariatie die steeds meer producenten aantrekt die op zoek zijn naar zuiverheid, typiciteit en concentratie.

Val di Cazzano di Tramigna heeft een uitgesproken vulkanisch karakter. Basalt en tufsteen domineren hier de hogere flanken, afgewisseld met kalkrijke mergel en zwaardere, kleiige bodems in de lagere zones. Deze vulkanische component geeft de wijnen vaak een donkere, minerale ondertoon en draagt bij aan hun kracht en structuur. De wortels van de wijnstokken moeten hier vaak diep zoeken naar voeding, wat leidt tot geconcentreerde druiven met dikke schillen en uitgesproken aromatische intensiteit.

De wijngaarden liggen verspreid over steile heuvels, vlaktes en oude terrassen. Dankzij de natuurlijke expositie op het zuiden en zuidoosten genieten veel percelen van een lange zoninval, wat rijping en fenolische concentratie bevordert. De meeste aanplant bestaat uit Corvina en Corvinone, maar ook Molinara, Oseleta en zelfs experimentele aanplanten komen meer en meer voor.

Zijn er cru’s te bespeuren?
Naast deze geografische onderverdeling kennen kenners ook de zogenaamde cru’s van Valpolicella. Het gaat hier niet om officieel afgebakende gebieden zoals in Bourgogne, maar om wijngaarden of zones die door hun ligging, bodem en historiek als uitzonderlijk worden beschouwd. Denk aan Monte Lodoletta in de buurt van Illasi, beroemd door Dal Forno Romano, of La Groletta in Negrar. Deze cru’s overstijgen vaak de grenzen van de vijf zones en illustreren het potentieel van Valpolicella als mozaĆÆek van unieke microterroirs.

Klimaat tussen continentaal en mediterraan

Het klimaat van Valpolicella is een subtiele evenwichtsoefening tussen verschillende krachten van de natuur. Enerzijds is er de invloed van het Gardameer, dat als een groot warmtebufferend bassin fungeert en de winters milder houdt. Anderzijds zijn er de uitlopers van de Alpen en de Monti Lessini in het noorden, die ’s avonds en ’s nachts koele lucht aanvoeren. Die dubbele invloed creĆ«ert een uniek microklimaat dat nergens in de regio exact wordt gerepliceerd.

De ligging van Valpolicella, tussen de Povlakte en de bergen, zorgt voor een duidelijke klimatologische overgangszone. Overdag profiteren de wijngaarden van veel zonlicht, vooral op de zuid- en zuidoostgerichte hellingen. Die oriĆ«ntatie bevordert een gelijkmatige rijping van de druiven, essentieel voor de ontwikkeling van suikers, kleurstoffen en aroma’s. De temperatuur kan in de zomer vlot oplopen, maar dankzij de berglucht die ’s avonds via de valleien naar beneden stroomt, daalt de temperatuur ’s nachts sterk. Dat verschil tussen dag en nacht, soms tot 15 graden, is cruciaal voor het behoud van zuren, frisheid en aromatische precisie.

Waarom de druiven hier wƩl gelukkig zijn

Wat Valpolicella zo boeiend maakt is het eigenzinnige druivenarsenaal: Corvina, Corvinone, Rondinella, Molinara, Oseleta, Croatina, Spigamonti… druiven die je nauwelijks buiten dit gebied aantreft, zelfs niet elders in Veneto. Ze zijn stuk voor stuk inheems en vormen samen een uniek ecosysteem dat nergens anders op deze manier voorkomt.

Centraal staat Corvina, de ruggengraat van vrijwel elke Valpolicella-wijn. De andere rassen vervullen elk een ondersteunende rol, maar geen enkele is toevallig of inwisselbaar. Sommige, zoals Oseleta, zijn pas recent herontdekt, andere zijn generaties lang doorgegeven omdat ze keer op keer bleken te presteren onder de lokale omstandigheden.

Die omstandigheden zijn geen detail: het microklimaat van Valpolicella, met warme dagen, frisse nachten en constante luchtstromen, biedt precies wat deze druiven nodig hebben. Ze zijn aangepast aan het landschap, bestand tegen schimmels, en perfect geschikt voor technieken als appassimento, waarbij druiven na de oogst worden ingedroogd. Vooral Corvina, met haar losse trossen en dikke schil, lijkt daarvoor uitgevonden.

De geologische rijkdom van de streek, van kalksteen en mergel tot basalt, zorgt ervoor dat elk druivenras zijn ideale niche vindt. Door eeuwenlange observatie en selectie kozen wijnbouwers telkens voor wat het beste werkte op hun stuk grond. Er was nooit reden om druiven van elders te importeren, want het beste stond al in eigen wijngaard. De rassen van Valpolicella zijn hier dus niet toevallig beland, ze zijn hier ontstaan Ʃn gebleven. Wat hier groeit, groeit dankzij deze plek.

Het startschot is gegeven!

Met deze verkenning is het startschot gegeven voor een reeks die Valpolicella laag voor laag zal ontleden. We hebben het gebied in kaart gebracht: van de geografische structuur tot de klimatologische invloeden, van de bodemsamenstelling tot het unieke druivenbestand. Valpolicella toont zich hier al als een regio vol nuance, met een sterk eigen karakter dat nergens anders te reproduceren valt.

In het volgende artikel zoomen we in op de eerste stappen in het glas: de wijnen die simpelweg ā€˜Valpolicella’ heten. We nemen je mee in de herkomstbenamingen zoals Valpolicella DOC, Valpolicella Classico DOC en de toevoeging Superiore.

Gran Bollito Misto Piemontese: Een bijzonder tafelmoment

Wie ooit in Piemonte is geweest, heeft ongetwijfeld kennisgemaakt met een van de meest opmerkelijke gerechten uit de regio: Gran bollito misto. Deze specialiteit van gekookt vlees doet velen zich afvragen of ze dit nu lekker vinden of niet.
Op de meeste menukaarten tref je het eenvoudigweg aan als bollito misto, maar achter die naam schuilt een grote traditie van Piemontese eetcultuur. Wat ooit begon als een sobere manier om vlees traag te laten sudderen, is uitgegroeid tot een rijk gevulde, feestelijke maaltijd die bol staat van ritueel en symboliek. Gran bollito misto weerspiegelt de essentie van de Piemontese keuken: eenvoudig van oorsprong, maar verfijnd in uitvoering. Vandaag blijft het een vaste waarde tijdens de koudere maanden, wanneer families en vrienden samenkomen rond een tafel vol warme smaken.

Wat is Bollito Misto en wat is het verschil met Gran Bollito Misto Piemontese?

Bollito misto is een klassieke stoofpot die zijn oorsprong vindt in de transalpijnse keukens van Noord-ItaliĆ«. Door de eeuwen heen heeft het gerecht zich verspreid over verschillende regio’s, waar het uitgroeide tot een vertrouwd tafereel in de huiskamers van grote gezinnen. De naam betekent letterlijk ā€˜gemengd gekookt vlees’ en verwijst naar de essentie van de bereiding: verschillende stukken vlees worden langzaam gegaard in een geurige bouillon op basis van water, groenten en kruiden.

De bereidingswijze is eenvoudig. Het langzaam garen maakt zelfs de taaiere delen boterzacht. Het resultaat is een hartige vleesbereiding die meestal vergezeld wordt van smaakvolle sauzen. Van oorsprong was bollito misto vooral een praktische manier om het hele dier te benutten en om tijdens de koude maanden voedzame maaltijden op tafel te zetten. Varianten van het gerecht bestaan in meerdere regio’s van Noord- en Midden-ItaliĆ«, waaronder Veneto, Lombardije en Emilia-Romagna, telkens met een eigen regionale toets.

In Piemonte kreeg het gerecht echter een heel andere status. Daar groeide de eenvoudige bollito misto uit tot een culinair ritueel onder de naam Gran bollito misto Piemontese. Deze versie wordt beschouwd als een hoogtepunt van de regionale gastronomie. Het onderscheid zit niet alleen in de rijkdom van de ingrediƫnten, maar ook in de zorgvuldige structuur van de maaltijd. Minstens zeven soorten vlees, waaronder stukken rund, kalf, kip en varken, worden gebruikt, vaak aangevuld met orgaanvlees zoals kalfstong of runderlip. Elk stuk vlees wordt afzonderlijk gegaard in een aromatische bouillon, zodat smaak en textuur optimaal behouden blijven.

De maaltijd begint traditioneel met een kopje bouillon, als opwarmer, gevolgd door de vleesgangen. De beleving draait om harmonie en contrast: het zachte vlees wordt gecombineerd met klassieke sauzen die elk hun eigen karakter meebrengen. De frisse bagnet verde op basis van peterselie en ansjovis, de licht pittige bagnet rosso met tomaat en paprika, en de zoet-pikante mostarda di frutta, waarin gekonfijte vruchten zorgen voor een verrassende toets.

In restaurants krijgt het gerecht vaak een theatrale dimensie dankzij de ā€˜carrello dei bolliti’, een serveerwagen waarop het vlees aan tafel wordt gesneden. Gasten kunnen hun portie zelf samenstellen, wat het ritueel nog persoonlijker maakt. Tot slot is er nog een bijzonder gebruik dat de maaltijd afrondt: het drinken van een kopje bouillon, aangelengd met rode wijn. Deze warme, hartige afsluiter symboliseert het idee achter Gran bollito misto: niets wordt verspild, alles wordt met aandacht beleefd.

Enige historische achtergrond

De Gran bollito misto Piemontese vindt zijn oorsprong in de landelijke traditie van Piemonte, waar grote ketels met vlees op het vuur stonden tijdens veemarkten en winterse bijeenkomsten. In een regio met een rijke veeteeltcultuur werd deze manier van bereiden vooral gebruikt om minder edele stukken vlees langzaam gaar te maken. De bereiding paste perfect bij het ritme van het boerenleven: traag, eenvoudig, voedzaam en bedoeld om gedeeld te worden.

In de 19e eeuw kreeg het gerecht een heel andere status dankzij de Savoje-dynastie. Koning Vittorio Emanuele II, de eerste koning van het eengemaakte Italiƫ, was een uitgesproken liefhebber van deze vleesbereiding. Hij liet het regelmatig serveren tijdens informele diners, weg van de officiƫle hofetikette. Ook Camillo Benso, graaf van Cavour, stond bekend als bewonderaar van dit gerecht. Beiden maakten deel uit van de politieke elite die de Italiaanse eenmaking leidde, waardoor het gerecht niet alleen culinair, maar ook een symbolische waarde kreeg als een nationaal bindmiddel.

Aan het begin van de 20e eeuw begon bollito zich te verspreiden over heel Italiƫ, met sterke regionale accenten. In Lombardije gebruikt men vooral rundvlees, aangevuld met kalfstong, kopvlees, kip en cotechino, geserveerd met bijgerechten als aardappelen, spinazie of Cremonese mosterd. In Veneto hoort er traditioneel pearƠ bij, een saus op basis van merg, oud brood, bouillon en peper. In Emilia-Romagna werd de Gran bollito alla Bolognese zelfs officieel geregistreerd bij de Kamer van Koophandel: een nauwkeurig afgewogen combinatie van rund-, kalfs- en varkensvlees, aangevuld met capoen, cotechino of zampone.

Toch blijft Piemonte het epicentrum van deze traditie. De Accademia Italiana della Cucina reconstrueerde zelfs het Gran Bollito Risorgimentale Piemontese, met de beroemde ā€œregel van zevenā€: zeven specifieke stukken rundvlees en zeven ornamenten zoals tong, staart, kip, rolletjes van buikspek en cotechino. Deze codificatie onderstreept de plechtige, bijna ceremoniĆ«le status die het gerecht heeft verworven in zijn oorspronkelijke regio.

Een ritueel van smaken en texturen

Het serveren van een gran bollito misto bezit een bijna choreografische structuur. Het is een opeenvolging van zorgvuldig opgebouwde smaken, waarin elk stuk vlees zijn eigen moment krijgt. De presentatie is bewust gescheiden: rund, kalf, kip, varken en eventuele orgaanvleesstukken worden apart gehouden, zowel om hun specifieke gaarpunten te respecteren als om hun karakter te laten spreken.

De maaltijd ontvouwt zich stap voor stap. Vaak begint men met een lichte bouillon, helder en geurig, als een manier om het gehemelte te openen en de eetlust op te wekken. Daarna volgt het vlees, uitgeserveerd in volgorde van kracht: van mild naar uitgesproken, van mager naar vetter. Deze opbouw nodigt uit tot aandachtig eten, proeven en vergelijken.

De ervaring draait niet om overvloed, maar om nuance. Textuur speelt hierin een centrale rol: het fluweelzachte van runderschouder, het steviger mondgevoel van kalfstong, het smeuĆÆge van cotechino of rolata. Elke structuur vraagt een andere snijwijze, een andere temperatuur, een ander tempo aan tafel. In die zin is het eten van Gran bollito misto bijna zintuiglijk ritueel.

De sauzen worden niet klakkeloos over het vlees gegoten, maar afzonderlijk gepresenteerd in kleine kommen. Ze zijn er niet om iets te verdoezelen, maar om accenten aan te brengen: het frisse zuur van azijn in de bagnet verde naast de romigheid van vet vlees, het licht zoete van mostarda dat contrasteert met zoutig kopvlees, het kruidige vuur van bagnet rosso dat het geheel spanning geeft. Geen enkele saus overheerst.

Aan tafel ontstaat een vorm van interactie die typisch is voor Gran bollito misto: men wijst aan, bespreekt voorkeuren, vergelijkt, ontdekt. Er wordt tijd genomen. Het tempo ligt laag, het gesprek vloeit vanzelf. Alles in de manier van serveren en eten bevordert verbondenheid: tussen gasten, tussen gast en kok, tussen verleden en heden.

Ingrediƫnten voor Gran Bollito Misto Piemontese

De kracht van Gran bollito misto Piemontese schuilt in de zorgvuldige selectie van ingrediƫnten en in de aandacht waarmee elk stuk wordt voorbereid. Zowel de keuze van het vlees als de bouillon en de sauzen dragen bij aan de rijkdom en gelaagdheid van de uiteindelijke smaak.

Vleesselectie
Voor een traditionele Gran bollito misto worden minimaal zeven soorten vlees gebruikt. Elk stuk heeft zijn eigen structuur, vetgehalte en gaartijd. Door het vlees afzonderlijk te koken of met verschillende timing toe te voegen aan dezelfde bouillon, behoudt elk stuk zijn karakter.

  • Rundvlees: borst, ribstuk en staart – sappig en stevig, met een volle smaak
  • Kalfsvlees: tong, schenkel, hoofd of kopvlees – zacht, gelatineus en rijk aan smaak
  • Varkensvlees: cotechino (gekookte verse worst) en zampone (gevulde varkenspoot) – vetter, kruidiger en romig van textuur
  • Gevogelte: kippenbout of een halve kip – mild en delicaat
  • Orgaanvlees (optioneel): kalfsuier, runderhart, runderlip – intens, met een uitgesproken textuur, vooral gewaardeerd door kenners

Bouillonbasis
De bouillon is het fundament van het gerecht. Hij zorgt voor warmte, geur en diepte. Gebruik bij voorkeur een grote pan en werk met koud water om een heldere bouillon te verkrijgen. Vermijd het toevoegen van te veel zout in het begin; dit kan beter later worden gecorrigeerd.

  • 2 wortelen
  • 2 stengels bleekselderij
  • 1 ui, in kwarten gesneden
  • 2 teentjes knoflook, licht gekneusd
  • 2 laurierblaadjes
  • Enkele takjes rozemarijn en tijm
  • Een tiental zwarte peperkorrels
  • Grof zeezout naar smaak

Laat de groenten en kruiden minstens 10 minuten zachtjes trekken voor je het vlees toevoegt. Voeg daarna het vlees toe, gespreid in tijd volgens type, en schuim regelmatig af.

De drie traditionele sauzen
De sauzen zijn geen bijzaak, maar een essentieel onderdeel van de smaakbeleving. Elke saus brengt een andere nuance: kruidig, pittig, zuur, zoet of zelfs een combinatie daarvan. Ze worden altijd apart bereid en koel of op kamertemperatuur geserveerd.

Bagnet verde (groene saus)
Een pittige, frisse saus met peterselie als basis.

Ingrediƫnten:

  • 1 stevige bos platte peterselie
  • 1 teentje knoflook
  • 2 Ć  3 ansjovisfilets (uit olie)
  • 1 eetlepel kappertjes
  • 1 Ć  2 sneetjes oud witbrood, zonder korst
  • Wittewijnazijn naar smaak
  • Goede olijfolie

Bereiding:
Week het brood kort in een scheutje witte wijnazijn en knijp uit. Hak de peterselie, knoflook, kappertjes en ansjovis fijn met een mes of gebruik een vijzel voor een grovere structuur. Meng alles met het geweekte brood en voeg olijfolie toe tot een smeuĆÆge saus ontstaat. Laat minstens een uur rusten voor het opdienen.

Bagnet rosso (rode saus)
Vol en licht pittig, met tomaat en paprika als basis.

Ingrediƫnten:

  • 2 rijpe tomaten of 150 g tomatenblokjes
  • 1 rode paprika, geroosterd en ontveld
  • 1 Ć  2 teentjes knoflook
  • 1 kleine chilipeper (optioneel)
  • Wittewijnazijn
  • 1 theelepel suiker
  • Olijfolie

Bereiding:
Fruit de knoflook zachtjes in olijfolie, voeg de tomaat en paprika toe en laat sudderen tot het meeste vocht verdampt is. Voeg de chili, azijn en suiker toe en laat nog even inkoken. Mix tot een gladde saus. Laat volledig afkoelen voor gebruik.

Mostarda di frutta
Een zoet-pittige bereiding van gekonfijte vruchten in mosterdsiroop, typisch voor Noord-Italiƫ.

Ingrediƫnten:

  • Gekonfijte vruchten (zoals peer, kers, abrikoos, pompelmoes)
  • Mosterdessence of mosterdolie (zeer geconcentreerd)
  • Suiker
  • Water

Bereiding:
Maak een lichte suikersiroop van gelijke delen suiker en water, en voeg op het einde enkele druppels mosterdessence toe (wees voorzichtig, deze is zeer krachtig). Voeg de gekonfijte vruchten toe aan de afgekoelde siroop en laat enkele uren trekken. Serveer op kamertemperatuur als zoet en aromatisch tegengewicht bij vet vlees zoals cotechino.

Recept voor Gran Bollito Misto Piemontese

Bereidingstijd: 3 tot 4 uur

Porties: 8 tot 10 personen

1. Bouillon voorbereiden

  1. Vul een grote pan met water en voeg groenten, kruiden, peper en zout toe
  2. Breng aan de kook en laat 10 minuten trekken voor een aromatische basis

2. Vlees koken in volgorde

  1. Start met de hardere vleessoorten zoals rundvlees en kalfstong
  2. Voeg na 1,5 uur de zachtere delen toe zoals kip, cotechino en eventueel orgaanvlees
  3. Zorg dat elk stuk vlees apart wordt gekookt in dezelfde bouillon of in afzonderlijke pannen voor zuivere smaken
  4. Schep schuim af tijdens het koken voor helderheid

3. Sauzen bereiden

Zie de volledige bereidingswijze in het vorige hoofdstuk. Zorg dat ze op kamertemperatuur klaarstaan voor het serveren.

4. Serveren

  1. Snijd het vlees in dikke plakken en presenteer het op een warme schaal
  2. Serveer met kommetjes saus, aardappelen, prei of andere seizoensgroenten
  3. Begin met de bouillon als voorgerecht, gevolgd door het vlees in etappes

Culturele waarde van Gran Bollito Misto

Met zijn diepe wortels in de Piemontese cultuur en zijn gelaagde smaken is Gran bollito misto Piemontese veel meer dan een gerecht. Het is een eerbetoon aan ambacht, seizoenen en samen eten. Of je nu valt voor de subtiele smaak van kalfstong, de smeuĆÆgheid van cotechino of de verrassende kracht van een salsa: dit gerecht nodigt uit tot ontdekken, proeven en waarderen.

Dus, of je nu na je eerste hap nog twijfelt of je dit nu echt lekker vindt of niet, ƩƩn ding is zeker: je moet het minstens een keer geprobeerd hebben. Want pas dan begrijp je waarom dit ritueel al generaties lang overeind blijft. Met dit recept breng je niet alleen een stukje Piemonte naar je tafel, je stapt ook even binnen in een wereld waar eten tijd, aandacht en betekenis krijgt.