Zondagse reeks Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Een tijdreis door het verleden van Lambrusco is niet alleen boeiend, maar ook verrassend leerrijk. Je stuit op het ontstaan van de wijnstok die we vandaag vanzelfsprekend vinden: de overgang van de wilde wijnstok (Vitis vinifera silvestris) naar de gecultiveerde wijnstok die onze wijngaarden vormt. Begrippen als domesticatie en piantata lijken op het eerste gezicht bijkomstig, maar ze blijken cruciaal. Niet alleen voor het verhaal van Lambrusco, ook voor dat van de moderne wijnbouw.

Ook voor mij was dit een ontdekking, want het is niet het eerste waar je aan denkt bij Lambrusco. Veel mensen kennen hem vooral als zoet en eenvoudig, soms bijna frisdrankachtig, terwijl het in werkelijkheid een grote druivenfamilie is met meerdere gezichten, meestal sprankelend en uitzonderlijk ook stil. Wat je wél meteen voelt, is dat Lambrusco een wijn is met een eigen temperament. Niet alleen door die levendigheid, maar vooral door de combinatie van hoge frisheid, levendige zuren en een directe, soms pittige energie. In de beste versies is die energie geen truc, maar een handtekening: Lambrusco smaakt jong, helder en doelbewust levend.

Die levendigheid is vandaag meestal geen toeval. Vaak steunt ze op een bewust gestuurde hergisting die koolzuur vasthoudt en het fruit optilt. Dat kan strak gecontroleerd (metodo Martinotti in tank, of metodo classico op fles), of losser in de fles zoals bij metodo ancestrale of col fondo. Net daarin schuilt de paradox: Lambrusco is toegankelijk en onmiddellijk, maar hij vraagt beheersing om frisheid, structuur en stabiliteit samen te laten vallen.

Lambrusco wordt soms omschreven als mogelijk een van de oudste nog levende cultivars van Italië, ontstaan uit een lokale wilde wijnstok en uitgegroeid tot een grote druivenfamilie. Wie Lambrusco wil begrijpen, moet dus terug naar het begin: naar de wilde plant waaruit hij vertrekt, en naar de eeuwenlange weg waarop die plant langzaam een klassieker werd.

Van wilde rank naar wijngaard: domesticatie als sleutel

Lang vóór Lambrusco een naam werd, groeiden langs waterlopen en bosranden van de Povlakte wilde wijnstokken. Je ziet ze niet als keurige rijen, maar als ranken die hun weg zoeken, klimmen, licht vangen, verdwijnen en weer opduiken. Die wilde wijnstok, Vitis vinifera silvestris, spreekt tot de verbeelding, maar ze draagt ook een nuchtere beperking in zich. Veel wilde wijnstokken zijn tweehuizig: er bestaan mannelijke en vrouwelijke planten. Zonder de juiste buur en zonder bestuiving, geen druiven. Dat detail lijkt klein, maar het bepaalt mee waarom de stap van wild naar wijngaard ooit nodig werd.

Wie van zo’n plant wil leven, leert al snel dat je keuzes moet maken, en vooral dat je die keuzes moet kunnen bewaren. Domesticatie begint bij iets heel concreets: je schuift op van een wijnstok die vaak een buur nodig heeft om druiven te zetten, naar stokken die jaar na jaar betrouwbaarder dragen, ook als ze niet toevallig naast de juiste buur staan. Daarom begin je met de beste planten niet telkens opnieuw uit zaad, maar je zet ze voort via stekken (of afleggen), zodat dezelfde eigenschappen terugkeren in de volgende aanplant. Zo groeien door de tijd heen lokale varianten uit tot iets herkenbaars, steeds dichter bij wat we vandaag een cultivar noemen. Een vast type dat je telkens opnieuw kunt aanplanten.

In theorie kiest de wijngaard voor voorspelbaarheid, en verdwijnt het wilde naar de rand. Maar in de Povlakte liep dat anders. Omdat langs perceelsranden en waterlopen wilde stokken bleven opduiken, werd er op verschillende plekken geselecteerd en verder gezet. Elke boer nam als het ware zijn “beste” stok mee, en doordat die via stekken werd bewaard, werden lokale keuzes blijvende types.

In Emilia bleef die overgang daardoor minder strak afgelijnd, en precies daarom werd Lambrusco geen enkelvoudige druif, maar een familie van rassen met verschillende accenten. Bij sommige types speelt die oude biologie bovendien nog mee in de wijngaard: vruchtzetting is niet altijd vanzelfsprekend en kan zonder geschikte bestuiving beperkt of onregelmatig zijn. Lambrusco di Sorbara is daarvan het bekendste voorbeeld. Hij heeft functioneel vrouwelijke bloemen, waardoor hij een bestuiver nodig heeft en daarom vaak naast een ras als Lambrusco Salamino wordt aangeplant. Precies die combinatie van familievariatie en een wilde erfenis helpt verklaren waarom Lambrusco vandaag tegelijk herkenbaar en zo divers is.

Labrusca en piantata: van wilde groei naar geleid systeem

Vandaag is het vanzelfsprekend dat “Lambrusco” op het etiket staat. In de Romeinse tijd circuleerde in de Povlakte een ander woord voor dit type wijnstok: labrusca (later ook lambrusca). Dat was geen rasnaam, maar een herkenningswoord voor stokken die men als wild of halfwild zag, én tegelijk een streekwoord dat hoorde bij dit landschap.

Die labrusca riep ook een bepaald gedrag op. Het waren ranken die in het bos hun weg zochten, zich vastgrepen aan bomen en omhoog klommen naar licht en lucht. Zodra je zulke stokken naar de wijngaard haalt, moet je ze dus begeleiden zonder hun natuur te breken. Zo ontstaat een geleidingsvorm waarbij de wijnstok opnieuw mag klimmen, maar nu in dienst van de oogst: ranken die men langs bomen leidt, vaak langs iepen of andere steunbomen, boven het vochtige, vlakke land. Later krijgt dat systeem de naam piantata. Het maakt wijnbouw zichtbaar in het landbouwweefsel zelf: de wijnstok bovenaan, het werk op het land eronder.

Wanneer Rome wegen, steden en markten sterker met elkaar verbindt, wordt die lokale praktijk niet kleiner maar steviger. Het woord labrusca blijft rondzingen, het systeem blijft bruikbaar, en de wijnstok krijgt een vaste plek in een regio die haar landbouw steeds opnieuw organiseert. Niet omdat “Lambrusco” toen al een moderne wijn was, wel omdat hier de bedding wordt gelegd waarin een plaatselijke wijnstokfamilie kan blijven bestaan.

1670: Lambrusco wordt een naam

In de eeuwen na de oudheid wordt het stiller in de bronnen over wijnbouw in de Povlakte. Niet omdat de wijnstok verdwijnt, maar omdat het verhaal zich vooral afspeelt op het erf en in het dorp: kleinschalig en lokaal. Wijnbouw blijft bestaan waar hij praktisch blijft, dichtbij woonkernen en op percelen die men kan beheren.

Die stilte op papier heeft wel gevolgen voor de manier waarop wijnbouw wordt gedragen. Boomgeleiding en open veldsystemen vragen ruimte en organisatie. In onzekere tijden krimpt dat vanzelf, om later, wanneer het leven en het land weer stabieler worden, opnieuw op te duiken. Wat wél herkenbaar blijft, is het profiel van de lokale wijn: in beschrijvingen uit de omgeving Parma–Modena duiken wijnen op die geurig zijn en soms zelfs “schuimen”.

Het beslissende moment komt in 1670. Dan verschijnt “Lambrusco” expliciet als naam voor wijn in een lijst bestemd voor de kelder van kardinaal Rinaldo d’Este, een prominent lid van het huis Este. Dat lijkt een detail, maar het is een omslagpunt: vanaf dan is Lambrusco niet langer alleen een streekwoord of een losse aanduiding voor wilde wijnstokken, maar een benoemde wijn die men onderscheidt en noteert.

Lambrusco in de 18e en 19e eeuw: de weg naar een herkenbaar profiel

In de 18e eeuw bereikt de piantata in Emilia haar hoogtepunt, een landschap van wijnstokken die langs bomen omhoog klimmen en de streek jaar na jaar van druiven voorzien. Lambrusco hoort bij dat dagelijkse ritme. De wijn is er overvloedig en vanzelfsprekend, maar precies daardoor ook grillig: rijping en opbrengst verschillen sterk per plek en per jaar. Zolang Lambrusco vooral lokaal wordt gedronken, is dat geen bezwaar. Zodra een markt regelmaat begint te verwachten, wordt het wél een probleem.

In de 19e eeuw wordt die druk tastbaar. Schimmelziekten zoals oidium en later peronospora dwingen wijnbouwers om alerter en zorgvuldiger te werken, terwijl handel en transport tegelijk minder ruimte laten voor wisselvalligheid. Wie buiten de eigen omgeving wil verkopen, heeft een wijn nodig die herkenbaar blijft en onderweg standhoudt. In de wijngaard begint men daarom bewuster te kiezen welke Lambrusco-types het best presteren. In de kelder groeit de aandacht voor proper werken en beter bewaren, zodat oxidatie en ongewenste hergisting minder vat krijgen.

Daarmee wordt Lambrusco’s profiel scherper. Je proeft stilaan een duidelijke signatuur: vaak licht abboccato (met een restje zoetheid), geregeld met een prikkelende levendigheid. Botteling met restsuiker wordt steeds vaker ingezet om dat karakter vast te houden. De echte doorbraak, wanneer die sprankel betrouwbaar stuurbaar wordt, komt pas in de 20e eeuw.

20e eeuw: Lambrusco wordt modern en herontdekt zichzelf

De 20e eeuw is het moment waarop Lambrusco een herkenbaar, modern gezicht krijgt. Niet omdat de wijn plots “anders” wordt, wel omdat hij voortaan op grotere schaal en met meer controle wordt gemaakt, bedoeld om ook buiten de eigen streek constant te blijven. Coöperaties en later ook grote bottelaars bundelen volume, kennis en investeringskracht. Wat vroeger versnipperd gebeurde in talloze kleine kelders, wordt professioneler georganiseerd: betere hygiëne, strakkere controle op basiswijn en een betrouwbaarder pad van druif naar fles. Dat maakt Lambrusco consistenter, beter verkoopbaar en vooral makkelijker te herhalen.

De technische sleutel is de autoclave, een drukvaste tank (metodo Martinotti/Charmat). Daarmee wordt hergisting controleerbaar: niet langer afhankelijk van seizoenen, maar gestuurd in drukvaste tanks. Vroeger kon gisting in koude maanden stilvallen terwijl er nog suiker in de wijn zat, om in het voorjaar opnieuw te starten. Als de wijn dan al min of meer afgesloten was, bleef koolzuur deels gevangen en kreeg ze haar parelende karakter. Dat kon prachtig uitpakken, maar het bleef riskant: troebelheid, ontsporende hergisting en instabiliteit lagen altijd op de loer. De autoclave maakt precies dát beheersbaar en legt zo de basis voor Lambrusco als massaal herkenbare, sprankelende wijn.

Net daar ontstaat later de kentering. Het commerciële succes duwt de stijl in veel gevallen richting makkelijk, zoetig en uniform, met een imago dat voor fijnproevers al snel “banaal” werd. Die associatie keert zich tegen Lambrusco: de wijnwereld begint hem niet langer ernstig te nemen, en precies dat zet een tegenrevolutie in gang. Kleinere producenten willen opnieuw tonen wat de druiven en de herkomst kunnen, en zetten zich af tegen het dominante beeld door droger te werken, preciezer te selecteren en meer spanning toe te laten in plaats van alles rond te polijsten.

Techniek wordt daarbij opnieuw een onderscheidingsmiddel, maar nu in een andere richting. Naast de herwaardering van vrijere stijlen zoals metodo ancestrale of col fondo, kiezen sommige producenten expliciet voor tweede gisting op fles, vaak met langere rijping. Dat geeft een ander soort verfijning: niet alleen “sprankel”, maar ook textuur en meer complexiteit. Precies daar groeit de ruimte voor differentiatie: drogere interpretaties, scherpere expressie per cultivar en cuvées die niet op volume maar op karakter mikken.

Parallel loopt een bredere kwaliteitsrevolutie. In de wijngaard verschuift men naar rationelere geleidingssystemen en betere wijngaardzorg, met meer aandacht voor selectie en rijpingscontrole. In de kelder worden inox en temperatuurcontrole standaard, en men leert beter bottelen zonder zuurstofinvloed en zonder dat de sprankel wegloopt. Ook de gisting en hygiëne worden strakker beheerst, waardoor oxidatie, depot en instabiliteit veel minder kans krijgen. Zo wordt Lambrusco frisser, zuiverder en duidelijker gedefinieerd, terwijl net die tegenbeweging het oude imago begint los te weken. De weg van eenvoudige, suikerrijke rode sprankelwijn naar een Lambrusco met ambitie is ingezet; de erkenning volgt, langzaam maar zichtbaar.

Een heldere toekomst in het glas

Als deze tijdreis één ding duidelijk maakt, dan is het dit: Lambrusco is veel meer dan het beeld dat velen ervan meedragen. Achter dat ene woord op het etiket schuilt een uitzonderlijk lange geschiedenis. Wat vandaag in het glas levendig en soms sprankelend aanvoelt, steunt op een ontwikkeling van ongeveer 4.000 jaar waarin een lokale wilde wijnstok stap voor stap werd gekozen, verder gezet en herkenbaar gemaakt.

Die oorsprong verklaart meteen waarom Lambrusco geen enkelvoudige druif is, maar een familie met meerdere cultivars, elk met een eigen toon. En ze verklaart ook een detail dat je zelden proeft maar dat wel mee het verhaal draagt: niet elke Lambrusco is vanzelf vruchtbaar. Lambrusco di Sorbara is het bekendste voorbeeld. Hij is autosteriel en heeft in de wijngaard een bestuiver nodig. Dat soort biologie is precies het bewijs dat die wilde erfenis nooit helemaal is gladgestreken.

Voor mij maakt dat het slotbeeld helder. Lambrusco werd een klassieker niet door zijn wilde kant te verliezen, maar door haar te leren sturen. Eerst in de wijngaard, via selectie en ervaring, later in de kelder, via hergisting en gedurfde keuzes. En precies daarom kan Lambrusco vandaag opnieuw overtuigen: niet als zoet cliché, maar als een wijn met karakter, geschiedenis en een energie die je met open vizier moet ervaren.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, Ligurië of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passé, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ‘pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ‘boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiëntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiënt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiënter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers én consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif én druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden én arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

Heroïsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals Ligurië en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In Ligurië spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroïsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieën die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, één gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galicië bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor Albariño. In Argentinië is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ‘grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentinië en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geïrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ‘modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

Riesling Italico: de naam die misleidt

Druivenrassen en hun namen zijn soms ware valkuilen. Riesling Italico is daar een schoolvoorbeeld van. Wie de naam leest, denkt vanzelf aan de nobele Riesling uit Duitsland en verwacht aromatische wijnen met bewaarpotentieel. Niets is minder waar. Riesling Italico heeft genetisch en stijlmatig helemaal niets te maken met de beroemde Riesling, die in Italië wordt aangeduid als Riesling Renano. De gelijkenis stopt bij de naam, en die zorgt al decennialang voor misverstanden en verkeerde verwachtingen.

Het is een druif die in de loop van de twintigste eeuw aan populariteit verloor, maar vandaag opnieuw aandacht krijgt van producenten en wijnliefhebbers. Daarmee verdient deze druif het om opnieuw bekeken te worden, niet door de bril van zijn naam, maar door wat hij werkelijk in de wijngaard en het glas te bieden heeft.

Wat zit er in een naam?

De aanduiding “Riesling Italico” heeft al sinds de 19e eeuw tot verwarring geleid. Enerzijds omdat de term “Riesling” onmiddellijk de link legt met de Duitse klassieker, anderzijds omdat de toevoeging Italico de indruk wekt dat het gaat om een Italiaanse variant daarvan. In werkelijkheid gaat het om een volledig aparte druif met een eigen geschiedenis.

Moderne DNA-analyses hebben dit definitief bevestigd: het enige gekende ouderras van Riesling Italico is de Coccalona Nera, een weinig voorkomende druif zonder grote rol in de hedendaagse wijnbouw. Dit gegeven onderstreept hoe misleidend de naam “Riesling” hier gebruikt is, en hoe weinig de druif gemeen heeft met zijn Duitse naamgenoot.

De naamgeving wordt nog complexer door regionale varianten. In Duitstalige gebieden staat de druif bekend als Welschriesling, letterlijk “vreemde Riesling”. In Veneto leeft ze verder onder volksnamen als Rismi, Risii en Riesli. Bovendien laten Italiaanse registers in sommige provincies etikettering onder de naam Riesling toe, wat de verwarring bij consumenten en sommeliers in stand houdt.

Juist deze onduidelijkheid rond de naam heeft de opbouw van een eigen identiteit jarenlang afgeremd. Terwijl andere druiven hun profiel konden aanscherpen, bleef Riesling Italico worstelen met verwachtingen die ze niet kan of hoeft waar te maken. Het erkennen van de Coccalona Nera als genetische bron was daarom van enorm belang: het helpt om de druif los te maken van de verkeerde associatie met de Duitse Riesling en een eigen plaats toe te wijzen binnen de wijnbouw.

Geschiedenis en verspreiding

De precieze oorsprong van Riesling Italico is al meer dan een eeuw onderwerp van discussie. Verschillende theorieën circuleren:

  • In 1876 suggereerde Goethe dat de druif zijn wortels had in de Champagne, waar hij bekend zou zijn geweest als Meslier, en later als Welschriesling naar Duitsland zou zijn overgewaaid.
  • In 1906 ontkrachtte de ampelograaf Molon dit, omdat hij in de Franse literatuur geen enkel spoor vond van de druif. Een Italiaanse oorsprong leek hem waarschijnlijker.
  • Een derde hypothese koppelt Riesling Italico aan de Aminea gemella uit de Romeinse tijd, een variëteit waarmee de Falerner-wijnen werden gemaakt.

Zekerheid over de oorsprong ontbreekt nog steeds. Wat wel vaststaat, is dat moderne DNA-analyses geen verwantschap hebben gevonden met Pignoletto of Verdicchio, druiven waarmee Riesling Italico in de loop van de tijd geregeld werd verward.

Binnen Italië kreeg de druif in de twintigste eeuw een vaste plaats, vooral in Lombardije. In de Oltrepò Pavese beslaat hij vandaag ongeveer 95 procent van de nationale aanplant. Daarnaast zijn er kleinere oppervlaktes in Veneto, Friuli en Trentino-Alto Adige, waar de druif vaak Welschriesling wordt genoemd. Sporadisch duikt hij ook op in Emilia, onder meer in de Colli Bolognesi.

De officiële erkenning van Riesling Italico binnen de Italiaanse wijnwetgeving is breed. Hij is toegelaten in meerdere provincies, zoals Verona, Vicenza, Treviso en Udine, en maakt deel uit van talrijke DOC’s waaronder Oltrepò Pavese, Collio, Garda, Custoza en Friuli Isonzo. Ook binnen de IGT-categorie komt zijn naam vaak voor, van Terre di Chieti tot Veneto en Vigneti delle Dolomiti.

Buiten Italië is Riesling Italico vooral bekend in Centraal-Europa. Daar wordt hij Welschriesling genoemd en speelt hij een belangrijke rol in Oostenrijk, Slovenië en Hongarije. In Slovenië staat hij bekend als Laški Rizling, in Hongarije als Olaszrizling, en in Kroatië als Graševina. Daarnaast duiken in historische bronnen en lokale tradities nog andere namen op, zoals Crouchen en Rieling Oslas. In deze landen geniet de druif meer aanzien dan in Italië zelf, met stijlen die variëren van lichte, frisse wijnen tot complexere versies met bewaarpotentieel.

Een druif op de dool

Riesling Italico heeft in Italië een bewogen traject achter de rug. In de jaren negentig stond er nog ruim 2.300 hectare aangeplant, maar sindsdien is de oppervlakte gestaag geslonken tot ongeveer 1.200 à 1.300 hectare vandaag. Die terugval weerspiegelt het geringe aanzien dat de druif decennialang genoot. Lange tijd werd ze beschouwd als een tweede keuze, een variëteit die zelden bewust werd gepositioneerd of gecommuniceerd.

Die situatie had ook gevolgen voor de markt. Het Consorzio van Oltrepò Pavese, waar het gros van de aanplant zich bevindt, heeft nooit een helder communicatief kader ontwikkeld om Italico van Renano te onderscheiden. Daardoor bleef de druif voor velen in een grijze zone hangen: aanwezig, maar niet erkend.

Toch tekenen zich de laatste jaren signalen van verandering af. Kleine producenten in Oltrepò Pavese kiezen ervoor om Riesling Italico opnieuw in de kijker te zetten, ditmaal met een focus op kwaliteit. Ook internationale initiatieven zoals het concours Grow du Monde hebben bijgedragen aan een herwaardering: ze tonen dat Italico, mits de juiste vinificatie, frisse en minerale wijnen kan leveren die perfect inspelen op de huidige vraag naar lichtvoetige, doordrinkbare stijlen.

Eigenschappen van de wijnstok

Riesling Italico is een wijnstok met een middelmatige groeikracht en een betrouwbare, vrij consistente productie. Op heuvelhellingen met klei-kalkrijke bodems, een goede drainage en een relatief droog klimaat presteert hij het best. In zulke omstandigheden behoudt de druif zijn frisse zuren, waardoor de wijnen levendig en evenwichtig blijven. In vlakke of vochtige wijngaarden is hij gevoeliger voor rot, waardoor de keuze van de locatie een doorslaggevende rol speelt in de kwaliteit.

Ampelografisch valt de plant op door zijn middelgrote bladeren, meestal gaaf of licht gelobd, met een heldergroene, bijna metaalachtige glans aan de bovenzijde. De trossen zijn klein, compact en vaak cilindrisch van vorm, soms met een korte vleugel. De bessen zijn middelgroot, goudgeel met een lichte groene tint en bedekt met een dunne maar stevige schil. Het vruchtvlees is sappig en zoet, eerder neutraal van karakter, maar daardoor juist geschikt om bij vinificatie frisse en subtiele aroma’s naar voren te laten komen.

De groeicyclus van Riesling Italico verloopt gemiddeld in tempo. Knopzetting, bloei en véraison volgen elkaar in een normaal ritme, en de druif bereikt zijn rijpheid in de derde tijdsperiode, doorgaans in de tweede helft van september. Dit geeft de wijnmaker de mogelijkheid om een goed evenwicht te vinden tussen rijpheid en behoud van natuurlijke aciditeit. Bij een nauwgezette oogstplanning kunnen de aroma’s zich optimaal ontwikkelen zonder dat de frisheid verloren gaat.

Het wijnprofiel

Riesling Italico levert wijnen met een lichte tot medium body en een bleke strogele kleur die vaak groene reflecties vertoont. Het aromatische profiel is ingetogen maar verfijnd, waarbij vinificatie doorgaans frisse tonen van citrus, kweepeer en abrikoos naar voren brengt, vaak ondersteund door een minerale ondertoon die de wijn een zekere spanning geeft.

In de mond proef je frisse zuren die zorgen voor levendigheid en een droge, evenwichtige stijl. Kenmerkend is een subtiel bittertje in de afdronk dat de wijnen een eigen signatuur meegeeft. Deze combinatie maakt Riesling Italico bijzonder geschikt om jong te drinken, wanneer de fruitigheid en de frisheid op hun hoogtepunt zijn.

Naast stille wijnen wordt de druif steeds vaker gebruikt voor mousserende vinificaties. De natuurlijke aciditeit en de delicate aroma’s lenen zich uitstekend voor frizzante en spumante stijlen, die vooral overtuigen in wijngaarden met heuvelachtige ligging en drogere klimaten. Daar komt de frisheid het best tot uiting en ontstaan wijnen die lichtvoetig maar karaktervol zijn. Het profiel van Riesling Italico sluit zo goed aan bij de huidige voorkeur voor toegankelijke, verteerbare wijnen die niet in kracht maar in zuiverheid en doordrinkbaarheid uitblinken.

Riesling Italico versus Riesling Renano

De verwarring tussen beide druiven is hardnekkig, maar in werkelijkheid gaat het om twee volledig verschillende druiven die zowel qua oorsprong, stijl als marktpositie weinig met elkaar gemeen hebben. Riesling Renano, de klassieke Duitse Riesling, staat internationaal bekend om zijn aromatische intensiteit en de veelzijdigheid waarmee hij uiteenlopende stijlen kan voortbrengen, van strakdroog tot edelzoet. Kenmerkend zijn de uitgesproken citrus- en steenvruchtaroma’s, florale tonen en een hoge zuurgraad die de basis vormt voor een uitzonderlijk bewaarpotentieel. Grote wijnen van Renano ontwikkelen zich in de fles vaak tientallen jaren en krijgen daarbij complexe tertiaire aroma’s zoals petroleum, honing en gedroogd fruit, eigenschappen die de druif tot een icoon van de wereldwijde wijnbouw hebben gemaakt.

Riesling Italico heeft een totaal ander profiel. De wijnen zijn lichter, minder aromatisch uitgesproken en bedoeld om jong te drinken. Het accent ligt op frisheid en toegankelijkheid, met subtiele fruittonen en een levendige maar niet overdreven hoge aciditeit. Waar Renano vaak aanzien en prestige uitstraalt, positioneert Italico zich eerder als een druif voor dagelijks drinkplezier en veelzijdige toepassingen. Juist dankzij zijn frisse karakter en doordrinkbaarheid is hij geschikt voor mousserende vinificatie, een domein waarin hij steeds vaker wordt ingezet.

Het fundamentele onderscheid tussen beide zit dus niet enkel in de genetische achtergrond, maar vooral in stijl, gebruik en perceptie. Riesling Renano is de druif van de lange adem en de grote bewaarwijnen, Riesling Italico die van de directe drinkbaarheid en de moderne trend naar lichtere, verfrissende wijnen. Beide druiven beantwoorden aan heel andere verwachtingen en markten, en precies daarom is het essentieel ze duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Een blik op de toekomst

Riesling Italico staat op een kruispunt. Aan de ene kant blijven de officiële aanplantcijfers dalen en ontbreekt er nog altijd een eenduidige strategie van consortia of appellaties om de druif stevig te positioneren. Aan de andere kant groeit de belangstelling vanuit nichekringen, zowel bij producenten die experimenteren met nieuwe vinificatiestijlen als bij een publiek dat meer openstaat voor frisse, lichte en minder voor de hand liggende wijnen. Internationale initiatieven spelen hierbij een belangrijke rol. Het concours Grow du Monde heeft de druif zichtbaar gemaakt op een niveau waar Italië tot 2023 nauwelijks aanwezig was. De eerste inzendingen in 2024 werden positief onthaald en toonden dat Italico, mits zorgvuldig gemaakt, kan overtuigen naast voorbeelden uit Centraal-Europa.

Ook de digitale gemeenschap draagt bij aan de herwaardering. Online fora en sociale media laten zien dat er een generatie wijnliefhebbers opstaat die bewust buiten de klassieke paden kijkt en Italico prijst om mineraliteit, frisse zuren en toegankelijkheid. In die kringen wordt de druif omschreven als een onderschat alternatief, vooral geschikt voor wie een Italiaanse witte wijn zoekt met karakter maar zonder zwaarte. Dit enthousiasme onderstreept dat Italico zich in een markt kan nestelen die steeds meer waarde hecht aan verteerbaarheid en authenticiteit.

De grote uitdaging blijft communicatie. Zolang de naam verwarring zaait en er geen gecoördineerde inspanning is om de druif een eigen profiel te geven, zal Riesling Italico niet de zichtbaarheid krijgen die hij verdient. Toch zijn er tekenen van verandering: kleine producenten die het voortouw nemen, internationale erkenning die toeneemt en een consument die klaar lijkt voor iets nieuws. Als deze lijnen worden doorgetrokken, kan de druif uitgroeien tot een verrassend relevant uithangbord van hedendaagse Italiaanse wijnbouw, niet door te wedijveren met de grote Riesling Renano, maar door zijn eigen plaats te claimen in het spectrum van frisse en authentieke wijnen.

Tabula rasa

Riesling Italico verdient een nieuwe kans, maar dan zonder de ballast van een misleidende naam. Noch Riesling noch Italico weerspiegelt zijn echte identiteit. Een herstart met een andere benaming, zoals Graševina die in de Balkanlanden stevig is ingeburgerd, kan de druif de duidelijke positionering geven die ze nodig heeft. De bal ligt bij consortia en producenten: enkel door die stap te durven zetten kan deze druif uitgroeien tot een volwaardige speler in de moderne Italiaanse wijnbouw.