Nomacorc en de evolutie van de wijnafsluiting

Wie de wijnwereld een beetje volgt, is de naam Nomacorc vast al eens tegengekomen. Het klinkt modern, misschien zelfs wat industrieel, maar het verhaal erachter is verrassend herkenbaar. Het draait om een oude vraag met grote gevolgen: hoe sluit je een fles wijn zo af dat de inhoud zich optimaal kan ontwikkelen, zonder onaangename verrassingen.

Eeuwenlang was natuurlijke kurk de vanzelfsprekende keuze. De bast van de kurkeik, vooral afkomstig uit Zuid Europa, combineert elasticiteit met een lichte zuurstofdoorlaatbaarheid. Net dat maakte rijping op fles mogelijk en gaf kurk zijn bijna mythische status. Tegelijk blijft het een natuurproduct, met variatie van fles tot fles en een klein maar hardnekkig risico op kurksmaak.

Die onzekerheid heeft het debat over wijnafsluitingen de voorbije jaren aangewakkerd. Schroefdoppen winnen terrein omwille van hun gebruiksgemak en perfecte afsluiting. Maar ook daar klinken kanttekeningen, vooral over reductie en bewaarpotentieel.

Tussen traditie en absolute afsluiting ontstond ruimte voor een derde weg. Technisch verfijnde synthetische afsluitingen die mikken op controle, voorspelbaarheid en het vermijden van defecten, zonder het karakter van wijn te verstikken. In dat spanningsveld groeide Nomacorc uit van alternatief tot vaste waarde.

Wat is een Nomacorc afsluiting?

Nomacorc is een synthetische wijnafsluiting die werd ontwikkeld om de beperkingen van natuurlijke kurk te vermijden. Het is geen eenvoudige plastic stop, maar een technisch ontworpen afsluiting waarbij de eigenschappen vooraf vastliggen. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek.

Voor de wijn betekent dat vooral voorspelbaarheid. Nomacorc kan geen kurktoets veroorzaken en laat toe om de zuurstofdoorlaatbaarheid nauwkeurig af te stemmen op wijnstijl en bewaarpotentieel. Daardoor evolueert de wijn na botteling zoals bedoeld, zonder grote verschillen van fles tot fles.

In tegenstelling tot natuurlijke kurk, waarvan de interne structuur varieert, en tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, positioneert Nomacorc zich als een gecontroleerde tussenoplossing. Niet gebaseerd op toeval of absolute afsluiting, maar op beheersing van een cruciale factor in flesrijping.

Vanwaar komt dit en hoe is het ontstaan?

Het verhaal van Nomacorc begint aan een eettafel in Belgiƫ. Gert Noƫl, ondernemer en fervent wijnliefhebber, opende samen met zijn zoon Marc meerdere flessen die aangetast bleken door kurktoets. Die frustratie was herkenbaar voor elke wijnliefhebber, maar bij hen bleef het niet bij een zucht en een nieuwe fles.

De familie Noƫl beschikte over meer dan veertig jaar ervaring in extrusietechnologie voor synthetische materialen. In plaats van het probleem te aanvaarden, besloten ze hun technische kennis toe te passen op een zeer concrete wijnbouwkundige vraag. In 1993 startte het ontwikkelingsproject. Eind jaren negentig was de eerste Nomacorc commercieel beschikbaar.

De verdere ontwikkeling en industriĆ«le uitbouw vonden plaats in de Verenigde Staten, meer bepaald in North Carolina. Daar groeide Nomacorc in de jaren negentig uit tot een volwaardig product, met ƩƩn duidelijke ambitie. Een afsluiting creĆ«ren die eruitziet en functioneert als kurk, maar zonder de risico’s van natuurlijke variatie en TCA.

Wat wijnproducenten wereldwijd meteen overtuigde, was de eenvoud van het concept. Geen kurktoets, geen onvoorspelbare flesverschillen, geen onaangename verrassingen bij het openen. Dat bleek een antwoord op een structureel probleem in de wijnsector.

Vandaag maakt Nomacorc deel uit van de Vinventions groep, die verschillende afsluitingsoplossingen voor de wijnsector verenigt. Binnen die groep blijft Nomacorc het referentiemerk voor synthetische afsluitingen met gecontroleerd zuurstofbeheer.

Techniek achter de afsluiting

Het onderscheidende karakter van Nomacorc ligt in de productietechniek en de mate van controle die die techniek mogelijk maakt. De afsluiting wordt gemaakt via een gepatenteerd co extrusieproces, waarbij twee materialen gelijktijdig worden gevormd en samengebracht tot ƩƩn geheel. Concreet bestaat elke Nomacorc uit twee perfect op elkaar afgestemde delen. In het midden zit een kern van schuim met een uniforme celstructuur, daaromheen een soepele buitenlaag die zorgt voor een betrouwbare afdichting in de flessenhals.

Waar natuurlijke kurk afhankelijk is van groeiringen, lenticellen en toevallige dichtheidsverschillen, is de zuurstoftransmissie bij Nomacorc exact vastgelegd. Elke afsluiting van hetzelfde type gedraagt zich identiek. Dat maakt een wezenlijk verschil voor wijnmakers. Zuurstof bepaalt immers in sterke mate hoe een wijn zich ontwikkelt op fles. Te veel zuurstof kan leiden tot oxidatie, te weinig kan reductieve aroma’s in de hand werken.

Nomacorc speelt hierop in met verschillende types afsluitingen, elk met een specifiek zuurstofprofiel. Sommige laten in de eerste fase iets meer zuurstof toe en stabiliseren daarna, wat interessant is voor wijnen die jong gedronken worden maar toch wat ademruimte nodig hebben. Andere zijn strenger en constanter, geschikt voor wijnen waarbij frisheid en precisie primeren. In tegenstelling tot schroefdoppen, die vrijwel geen zuurstof doorlaten, biedt Nomacorc dus een gecontroleerde interactie tussen wijn en zuurstof. En in tegenstelling tot natuurlijke kurk is die interactie voorspelbaar en vrij van TCA.

Een minder zichtbaar maar essentieel onderdeel is de kwaliteitscontrole. Nomacorc test niet enkel grondstoffen en afgewerkte afsluitingen, maar ook wijnen die ermee zijn gebotteld. In speciaal ingerichte sensorische laboratoria wordt bewaakt dat de afsluitingen volledig neutraal zijn en geen invloed hebben op geur of smaak. Zelfs transport, opslag en handling van materialen worden opgevolgd om elke mogelijke contaminatie uit te sluiten.

Het productieproces zelf verloopt continu en niet in afzonderlijke batches. Grondstoffen worden gemengd, gesmolten en onder druk in vorm gebracht tot een lange schuimcilinder die de kern vormt. In een tweede stap wordt de flexibele buitenlaag aangebracht en thermisch verbonden met die kern. Na afkoeling worden de afsluitingen met grote precisie op lengte gesneden. Lasers controleren vorm en afmetingen, afwijkingen worden meteen geweerd. Het resultaat is een afsluiting die keer op keer hetzelfde presteert.

Bio door rietsuiker

De huidige generatie Nomacorc afsluitingen wordt vervaardigd uit biopolymeren op basis van suikerriet. Die keuze vervangt aardolie als grondstof en maakt de afsluitingen biobased, COā‚‚ neutraal over hun levenscyclus volgens de gangbare berekeningsmodellen.

Door efficiƫnter materiaalgebruik en optimalisatie van het productieproces werd de ecologische voetafdruk van de afsluitingen met ongeveer vijfentwintig procent verminderd. Dat sluit aan bij een wijnsector waarin duurzaamheid steeds vaker een meetbaar criterium wordt, niet alleen een intentie.

Ook na gebruik blijft de keten gesloten. Wereldwijd werden inmiddels meer dan vier miljard gebruikte afsluitingen ingezameld voor recyclage, goed voor tienduizenden tonnen materiaal. In grote wijnlanden, zoals Frankrijk, gebeurt dit via grootschalige inzamelacties waarbij miljoenen mensen betrokken zijn, vaak gekoppeld aan sociale initiatieven.

Van alternatief naar standaard

Wat ooit begon als een oplossing voor een hardnekkig probleem, is vandaag uitgegroeid tot een vaste waarde. Nomacorc is inmiddels de grootste producent van synthetische wijnsluitingen ter wereld. Jaarlijks worden meer dan twee miljard afsluitingen geproduceerd, verspreid over productiesites in Belgiƫ, de Verenigde Staten, China en Argentiniƫ. In de Verenigde Staten wordt ondertussen meer dan een derde van alle wijnen met Nomacorc afgesloten, en ook in Europa blijft het aandeel gestaag groeien.

Die opmars laat zich eenvoudig verklaren. Wijnmakers zoeken vooral zekerheid. Minder flessenverlies, meer consistentie tussen flessen en controle over hoe een wijn zich ontwikkelt na botteling. Wereldwijd gaan naar schatting dagelijks bijna een miljoen flessen verloren door defecte afsluitingen. Dat is economisch moeilijk te verantwoorden, ecologisch problematisch en voor producent Ʃn consument bijzonder frustrerend.

Ook de marktcontext speelt mee. Horeca wil geen discussies aan tafel over kurktoets bij een dure fles, consumenten zijn gevoeliger geworden voor duurzaamheid en producenten willen vermijden dat hun wijn door toeval wordt beoordeeld in plaats van op kwaliteit. In dat spanningsveld biedt Nomacorc een praktisch antwoord dat weinig aandacht vraagt en net daardoor gewaardeerd wordt.

Vandaag wordt Nomacorc gebruikt door zeven van de tien grootste wijnbedrijven in Frankrijk, Duitsland en Italiƫ, en door dertig van de veertig grootste wijnproducenten wereldwijd. In Frankrijk en Duitsland gaat het om ongeveer ƩƩn fles op vijf. Dat zijn cijfers die tonen dat de afsluiting niet langer als alternatief wordt gezien, maar als een volwaardig onderdeel van het standaardarsenaal.

Opvallend is dat gebruikers vaak dezelfde ervaring delen. Minder retourflessen, geen klachten over de afsluiting en wijnen die zich stabiel ontwikkelen. Producenten die het gebruik al jaren toepassen laten eensgezind positieve geluiden horen. Sinds de overstap kwam de afsluiting nooit meer ter sprake, terwijl oudere flessen fris bleven, met intact fruit en soepele tannine, zonder oxidatieve of reductieve afwijkingen.

Zo verschuift Nomacorc langzaam maar duidelijk van een technische keuze naar een vanzelfsprekendheid.

Zijn er dan geen kanttekeningen bij Nomacorc?

Voor een correct en geloofwaardig beeld hoort ook nuance bij het verhaal. Ondanks de technische vooruitgang en brede toepassing bestaan er duidelijke kanttekeningen bij Nomacorc, en die zijn niet louter theoretisch.

Een eerste punt blijft het rijpingspotentieel. Vooral bij iconische bewaarklassiekers leeft de vraag of synthetische afsluitingen zich al over meerdere decennia voldoende hebben bewezen. Die terughoudendheid is deels technisch, maar zeker ook cultureel. In segmenten waar lange flesrijping en verzamelwaarde centraal staan, blijft natuurlijke kurk vaak de referentie, los van rationele argumenten.

Daarnaast speelt het hardnekkige stigma van plastic. Ondanks het biobased karakter van de huidige generaties blijft voor sommige consumenten en producenten een synthetische afsluiting botsen met het idee van authenticiteit en ambacht. Dat is minder een kwestie van prestaties dan van perceptie, maar in de wijnwereld is perceptie zelden een detail.

Ook vraagt Nomacorc meer precisie van de wijnmaker. Door de uniforme zuurstoftransmissie is de afsluiting weinig vergevingsgezind. De wijn ontwikkelt zich exact zoals hij werd gebotteld. Eventuele onevenwichten in vinificatie of stabiliteit worden niet gemaskeerd door flesvariatie, maar consequent doorgetrokken. Voor sommigen is dat een voordeel, voor anderen een risico.

Tot slot speelt het verleden mee. Oudere generaties synthetische kurken kenden inderdaad problemen met oxidatie, uitdroging of afdichting. Hoewel die producten technisch niet te vergelijken zijn met de huidige Nomacorc afsluitingen, blijven zulke ervaringen lang nazinderen in een sector die traag vergeet.

Een afsluiting als bewuste keuze

De discussie over wijnafsluitingen is de voorbije jaren veranderd. Waar het vroeger ging over voor of tegen, natuur of techniek, draait het vandaag steeds vaker om context en intentie. De vraag is niet langer welke afsluiting de beste is, maar welke het meest coherent is met de stijl van de wijn en de verwachtingen van de markt.

Natuurlijke kurk behoudt daarbij zijn plaats. Voor wijnen met een uitgesproken bewaardoel en een sterke emotionele lading blijft hij cultureel verankerd. Schroefdoppen blijven voor veel producenten een efficiƫnte en praktische keuze, wat landen als Oostenrijk en Australiƫ al jaren aantonen. Tegelijk hebben technische en synthetische afsluitingen hun rol opgeƫist.

De flessenhals is daarmee geen ideologisch strijdtoneel meer, maar een plek waar keuzes worden gemaakt zoals elders in de wijnbouw, rationeel en op basis van stijl, context en intentie. De wijnwereld blijft gevoelig voor symboliek, maar ze is tegelijk pragmatisch genoeg om oplossingen te omarmen die werken.

Pergola: een klassiek systeem in een nieuw daglicht

Indien je bij het lezen van de titel denkt aan een houten constructie in de tuin waarlangs planten omhoog klimmen, dan heb je waarschijnlijk nog niet veel tijd doorgebracht tussen de wijngaarden. Wie door de steile hellingen van Trentino, Aosta, LiguriĆ« of zelfs Veneto wandelt, merkt meteen dat de wijnranken er anders geleid worden dan in de meeste klassieke regio’s. Geen guyot of cordon, maar een pergola.

Zelf heb ik lange tijd meewarig gekeken naar wijnbouwers die dit systeem gebruikten. In mijn ogen draaide het vooral om het behalen van zoveel mogelijk volume in plaats van de bescherming tegen natuurelementen. Ondertussen heb ik dat oordeel lang achter mij gelaten. Meer nog: vandaag zie ik het nut, en op sommige plaatsen zelfs de absolute noodzaak, van dit oude geleidingssysteem.

Pergola stond lange tijd symbool voor een voorbijgestreefde manier van wijnbouw. Vandaag is het systeem geen curiositeit meer, maar opnieuw volop onderwerp van aandacht. Dankzij, of beter: door, de opwarming van de aarde. Wat ooit werd afgedaan als passƩ, blijkt bijzonder actueel.

Wat is het Pergola geleidingsysteem eigenlijk?

Het pergola geleidingsysteem is een manier om wijnstokken te leiden waarbij de scheuten niet verticaal omhoog groeien, zoals bij guyot of cordon, maar horizontaal worden uitgeleid over een latwerk dat zich boven het hoofd van de wijnbouwer bevindt. De ranken vormen zo een doorlopend bladerdak, terwijl de druiventrossen onder het loof hangen.

Dat bladerdak is geen esthetisch detail, maar een functioneel onderdeel van het systeem. Het werkt als een natuurlijke bescherming tegen zon, regen en wind. De druiven blijven uit de directe zon, wat het risico op zonnebrand en uitdroging beperkt. Tegelijk zorgt de open structuur ervoor dat lucht kan circuleren, wat helpt om schimmelziektes onder controle te houden.

De naam ā€˜pergola’ is dan ook geen toeval. Ze komt uit het Latijn pergula, wat een afdak of overdekte doorgang betekent. In de wijngaard krijgt die betekenis een heel concrete invulling: een levende overkapping van bladeren waaronder gewerkt en geoogst wordt.

Het onderhoud van een pergola wijngaard is arbeidsintensief. Snoeien, aanbinden en oogsten gebeuren vaak met de armen boven het hoofd of zelfs in gebogen houding. Vooral in steile of moeilijk toegankelijke wijngaarden vraagt dat een flinke fysieke inspanning. Hoewel het systeem dus letterlijk en figuurlijk ā€˜boven het hoofd groeit’, is het tegelijk een doordachte, eeuwenoude manier van wijnbouw die vandaag opnieuw aan belang wint.

Waarom werd het systeem vergeten?

In de twintigste eeuw werd traditie al te vaak gelijkgesteld aan achterstand. Nieuwe technieken, mechanisatie, agrochemie en de opmars van internationale druivenrassen zorgden voor een grootschalige modernisering in de wijngaard. Ambachtelijke wijnbouw, gebaseerd op lokale ervaring en handwerk, werd ingeruild voor strak geleide draadsystemen met lage stokken en hogere efficiƫntie.

De pergola viel daarbij uit de gratie. Het systeem kreeg het etiket van ouderwets, inefficiĆ«nt en gericht op massaproductie. In regio’s als Trentino werden complete hellingen gerooid. De lokale druif Schiava (ook bekend als Vernatsch), die makkelijk veel draagt en lang het beeld van de streek bepaalde, werd vaak vervangen door internationale rassen en marktgerichte aanplant, zoals Cabernet Sauvignon en Pinot Grigio. Het resultaat? Meer opbrengst, meer standaardisatie… maar ook het verlies van biodiversiteit en een uniek cultureel landschap.

Dat oordeel bleef lang hangen: de pergola stond symbool voor flauwe wijn, overproductie en achterhaalde technieken. Veel wijnbouwers lieten zich overtuigen door consultants die beweerden dat guyot en VSP (Vertical Shoot Positioning – een rechtop geleid, modern draadgeleidingssysteem) efficiĆ«nter, kwalitatiever en vooral moderner waren.

Toch verandert dat beeld vandaag snel. Wijnmakers, onderzoekers Ʃn consumenten herontdekken de kwaliteiten van het systeem. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Klimaatverandering, arbeidstekorten en de zoektocht naar duurzamere wijnbouw brengen de pergola terug op het voorplan. Daardoor krijgt dit geleidingsysteem vandaag een nieuwe invulling in een veranderend klimaat.

Schaduw voor druif Ʃn druivenplukker

In een tijd waarin temperaturen stijgen en de wijnbouw onder druk staat van extreme weersomstandigheden Ʃn arbeidskrapte, biedt het pergolasysteem een opvallend praktisch antwoord.

Een driejarige studie van Amaroneproducent Masi toonde aan dat druiven onder een pergola op hete zomerdagen tot wel 20°C koeler blijven dan druiven geleid via het guyot-systeem. Dat verschil is meer dan een voetnoot: het voorkomt zonnebrand, verlaagt verdamping en vermindert stress voor de plant. Het resultaat? Meer kleurstoffen (anthocyanen), minder tannine, en minder risico op overrijping. Zeker relevant voor wijnen die gebaat zijn bij evenwichtige concentratie, zoals Amarone.

Maar ook op sociaal vlak scoort de pergola. Volgens Andrea Lonardi MW is het een systeem dat beter inspeelt op het veranderende arbeidspotentieel in de wijnbouw. In tegenstelling tot VSP-systemen, die veel loofbeheer vereisen (scheuten dunnen, bladeren verwijderen, draden spannen), is het werk bij een pergola meer gespreid en minder geconcentreerd in korte piekmomenten.

En dan is er nog een bijna ironisch voordeel: onder een pergola werk je in de schaduw. Wie met de hand oogst, zoals in veel kwaliteitsregio’s nog steeds gebeurt, hoeft geen trossen te plukken in de brandende zon, maar kan letterlijk wat koelte vinden tussen de bladeren.

HeroĆÆsche wijnbouw: kruipen onder de druiven

De pergola mag dan schaduw en werkcomfort bieden in veel regio’s, dat is niet overal het geval. In gebieden zoals LiguriĆ« en de Valle d’Aosta krijgt het systeem een heel andere dimensie. Daar volgt de pergola niet de mens, maar het landschap. En dat landschap is vaak allesbehalve vriendelijk.

Op steile hellingen, tussen rotspartijen en eeuwenoude terrassen, worden de pergola’s bewust laag gehouden, vaak omschreven als pergola bassa. Soms om te profiteren van de warmere luchtlagen dicht bij de grond, soms gewoon omdat de geografie niets anders toelaat. Hoog bouwen is daar geen optie, en dus groeit de wijnstok net boven de stenen.

Het resultaat: oogsten gebeurt gebukt, gehurkt of, in het ergste geval, half liggend op de buik tussen de druiventrossen. Het is geen werk voor wie houdt van ergonomie of rechte rijen. In LiguriĆ« spreekt men dan ook niet voor niets van viticoltura eroica – heroĆÆsche wijnbouw. Een vorm van landbouw die niet alleen wijn oplevert, maar ook knieĆ«n die het terrein letterlijk ondergaan, en een doorzettingsvermogen dat geen machine evenaart.

Dit soort wijngaarden zijn geen Instagram-decor, maar levend erfgoed. Ze tonen tot hoever wijnbouwers bereid zijn te gaan om hun hellingen te blijven bewerken, druiven te telen op plaatsen waar de machine allang heeft afgehaakt, en wijn te maken die de strijd met het terrein weerspiegelt.

Vele gezichten, ƩƩn gedachte

De herwaardering van de pergola stopt niet aan de Italiaanse grens. Al sinds de oudheid werden wijnranken omhoog geleid om lucht en licht te benutten, en door de eeuwen heen paste het systeem zich telkens aan aan streek, druif en klimaat. Vandaag raakt het opnieuw ingeburgerd in uiteenlopende delen van de wijnwereld. In Galiciƫ bijvoorbeeld grijpen wijnbouwers terug naar de pergola voor AlbariƱo. In Argentiniƫ is het systeem al lang in gebruik voor Bonarda, onder de naam parral. Zelfs in Napa overwegen gerenommeerde domeinen om Cabernet Sauvignon onder pergola te leiden, uit bezorgdheid over oververhitting.

Die internationale verspreiding gaat gepaard met een rijke variatie aan vormen, aangepast aan het klimaat, de druif en het landschap:

  1. De Pergola Veronese, klassiek en nog steeds wijdverspreid in Valpolicella.
  2. De tendone of ā€˜grote tent’, een draadgestuurde overkapping, typisch voor Abruzzo
  3. Latada, een Portugese benaming voor pergola achtige overkappingen in de wijngaard.
  4. De dubbele pergola in Soave, met loof aan weerszijden van de druivenrij.
  5. De Parral in Zuid-Amerika, vooral in Argentiniƫ en Chili.
  6. De betonnen, witgeschilderde zuilen in Valle d’Aosta.

Sommige systemen doen zelfs denken aan moderne innovaties zoals de Geneva Double Curtain, al is het doel daar om de zon toe te laten, in plaats van haar buiten te houden.

Hoe verschillend ook in vorm, al deze varianten delen dezelfde filosofie: streven naar perfectie, passend bij het microklimaat, bescherming van de druif, en een leidingsysteem dat zich voegt naar de plek, niet omgekeerd.

En nee, een pergola hoeft heus geen waterige wijn op te leveren. Het is immers vaak niet het systeem zelf dat zorgt voor uitgezakte trossen, maar de manier waarop ermee omgegaan wordt. In een test met Schiava druiven van pergola’s in Alto-Adige bleek het verschil duidelijk: de overrijpe, opgeblazen bessen kwamen van een perceel dat geĆÆrrigeerd werd, de geconcentreerde, evenwichtige bessen kwamen van dezelfde druif, maar zonder kunstmatige watergift. De les? Het succes van een pergola hangt niet af van de hoogte van het bladerdak, maar van de visie van de wijnbouwer eronder.

Een nieuwe toekomst voor de pergola?

Wie vandaag opnieuw een pergola wil aanleggen, moet daar niet licht over denken. Het systeem vraagt een serieuze investering, is moeilijker te mechaniseren en vraagt planning op lange termijn. Maar tegenover die inspanning staan duidelijke voordelen: duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, en een herwaardering van erfgoed die meer is dan nostalgie.

De pergola herinnert ons eraan dat niet alles wat ā€˜modern’ oogt ook een verbetering is. Soms ligt de vooruitgang in het herontdekken van vergeten kennis. Een goed begrepen traditie is geen ballast, maar een bron van veerkracht.

Dat betekent niet dat de pergola een wondermiddel is. Voor krachtige, geconcentreerde wijnen met veel extract en stevige tannine kan een systeem als guyot of VSP nog steeds geschikter zijn. De pergola geeft vaak wijnen met meer luchtigheid, finesse en verteerbaarheid. Geen brute kracht, maar verfijning met spanning. En laat net dat het profiel zijn waar veel wijnliefhebbers opnieuw naar verlangen.

Aciditeit in wijn: ruggengraat, smaakmaker en hoeder van kwaliteit

We zijn al jarenlang actief in verschillende wijnclubs en geven intussen meer dan twintig jaar wijnopleidingen, waaronder de basiscursus wijnproeven. En telkens opnieuw laait dezelfde discussie op: de zuurtegraad van wijn. Of het nu over wit of rood gaat, de aanwezigheid van zuren blijft een bron van meningsverschillen.

Proeven is geen exacte wetenschap, maar wie zich wil verdiepen in het onderwerp, vindt net in die exacte wetenschap de nodige helderheid. Tijdens het proeven lijkt het eenvoudig: speekselaanmaak in de mond betekent dat er zuren aanwezig zijn. In werkelijkheid ligt het een stuk complexer.

Zuur: meer dan een bijsmaak

In het dagelijks taalgebruik klinkt zuur vaak negatief: zuurpruim, iemand het leven zuur maken, zure regen. Ook aan tafel roept het woord soms weerstand op. Een gerecht dat ā€œzuurā€ wordt genoemd, lijkt plots minder verfijnd, alsof zuur gelijkstaat aan fout. Toch is dat een misvatting. In wijn is zuur geen tegenstander maar een essentieel onderdeel van het geheel.

Zuur geeft spanning en richting aan een wijn. Het is de structuur die de aroma’s draagt, het ritme waarop smaak en textuur zich ontvouwen. Het maakt een wijn levendig, zuiver en doordrinkbaar. Een wijn zonder zuur is als muziek zonder maat, een schilderij zonder contrast. Zonder zuur verliest wijn zijn spanning en drinkbaarheid.

Zuren wekken speeksel op, prikkelen de tong en doen de mond licht samentrekken, waardoor de wijn dynamiek krijgt. Dat kleine moment van weerstand maakt de proever alert en prikkelt tot aandacht.

In evenwicht zijn zuren een teken van vitaliteit. Ze accentueren fruit, verlengen de afdronk en laten een wijn groeien in de fles. Een goed gemaakte wijn toont zuur niet als scherpte, maar als spanning.

pH: de kern van zuurbegrip

De zuurgraad van wijn drukken we uit in pH, een begrip dat op het eerste gezicht wat abstract klinkt, maar in de praktijk veel vertelt over de persoonlijkheid van een wijn. De pH meet de concentratie vrije waterstofionen (H+) in een vloeistof. Hoe meer van die ionen aanwezig zijn, hoe lager de pH, en hoe zuurder de vloeistof aanvoelt. Zuiver water heeft een pH van 7 en is neutraal. Wijn bevindt zich meestal tussen 2,8 en 4, en zit dus duidelijk in het zure gebied.

Om dat in perspectief te plaatsen: cola heeft een pH rond 2,5 en is dus nog iets zuurder, terwijl fruitsap ongeveer 3,5 haalt. Toch smaakt wijn frisser en levendiger dan cola, omdat smaak niet enkel afhangt van de pH. Suiker, koolzuur, temperatuur en aroma’s spelen mee in de manier waarop zuur ervaren wordt.

Voor de wijnmaker is pH geen theoretisch cijfer maar een praktische leidraad. Een kleine wijziging van 0,1 op de pH-schaal kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit en de smaak van de wijn. Een nuance die nauwlettend wordt opgevolgd tijdens de vinificatie.

De pH beĆÆnvloedt onder meer:

  • De microbiologische stabiliteit: bij een lage pH hebben ongewenste bacteriĆ«n en gisten veel minder kans om zich te ontwikkelen.
  • De kleur en frisheid van rode wijn: anthocyanen, de kleurstoffen uit druivenschillen, blijven stabieler bij lagere pH-waarden.
  • De werking van zwaveldioxide (SOā‚‚): dit natuurlijke conserveermiddel is veel effectiever bij lage pH, waardoor minder hoeft te worden toegevoegd.
  • Oxidatie en bruining: bij een hogere pH oxideert wijn sneller, wat vooral bij witte wijn kan leiden tot kleurverandering en doffe aroma’s.
  • De klaring en eiwitstabiliteit: de pH beĆÆnvloedt hoe goed stoffen zoals bentoniet onzuiverheden kunnen binden en verwijderen.

Een wijn met lage pH is dus frisser, stabieler en doorgaans beter bewaarbaar. Een hogere pH maakt de wijn zachter, ronder en toegankelijker, maar ook gevoeliger voor oxidatie en bederf. Het is de taak van de wijnmaker om dat evenwicht te vinden: genoeg zuur voor levendigheid, niet te veel om scherpte te vermijden.

Daarom wordt pH vaak al tijdens de oogst gecontroleerd. Ze is als een kompas dat de wijnmaker vertelt waar de balans tussen frisheid, kracht en stabiliteit ligt.

Zuur en SOā‚‚: de beschermers van het evenwicht

Zuur en zwaveldioxide (SOā‚‚) zijn twee natuurlijke pijlers die samen de stabiliteit van wijn ondersteunen. Zuren zorgen voor frisheid en spanning, terwijl SOā‚‚ een beschermende rol speelt tegen oxidatie en ongewenste micro-organismen.

Dit hoofdstuk gaat niet over de overtuiging van een wijnmaker om al dan niet SOā‚‚ toe te voegen, en evenmin over het debat rond het nut of de wenselijkheid van die toevoeging. Het is een eenvoudige, neutrale weergave van hoe SOā‚‚ functioneert binnen het natuurlijke evenwicht van wijn.

Zwaveldioxide is namelijk niet louter een toevoeging. Het ontstaat ook spontaan tijdens de gisting, als natuurlijk bijproduct van gistactiviteit. In elke wijn is dus van nature een kleine hoeveelheid aanwezig, zelfs wanneer men niets extra toevoegt.

Wanneer een wijnmaker wél extra SO₂ gebruikt, doet hij dat doorgaans om een fragiel evenwicht te beschermen. De effectiviteit ervan hangt sterk af van de pH van de wijn. Bij een lage pH is het actieve, beschermende deel van SO₂ sterker aanwezig. Naarmate de pH stijgt, vermindert dat effect en is er meer nodig om dezelfde bescherming te bieden.

Het gebruik van SOā‚‚ is geen zwart-witverhaal, maar een kwestie van nuance en ervaring. Te veel kan de wijn afsluiten of ruwer maken, te weinig maakt hem kwetsbaar voor oxidatie en bederf. In warme jaren, waarin druiven vaak een hogere pH hebben, vraagt dit om bijzonder fijngevoelig werk.

Goed gebruikt fungeert SOā‚‚ als een stille wachter: onzichtbaar, maar cruciaal in het bewaren van evenwicht, frisheid en zuiverheid. Dat gebeurt niet tegen de natuur in, maar in samenwerking ermee.

Titratie en pH: twee verschillende meetschalen

Om de zuurtegraad van wijn goed te begrijpen, volstaat ƩƩn meting niet. Naast de pH gebruiken wijnmakers ook de titratie van zuren, uitgedrukt als titratable acidity (TA). Beide cijfers zeggen iets over het zuur in wijn, maar ze meten niet hetzelfde.

De pH vertelt hoeveel van de aanwezige zuren actief zijn, of met andere woorden: hoeveel vrije waterstofionen (H⁺) op dat moment in de wijn rondzweven. Die ionen bepalen de scherpte, de frisheid en de microbiologische stabiliteit van de wijn.

De titratable acidity (TA) daarentegen drukt uit hoeveel zuur er in totaal aanwezig is, of het nu actief is of niet. Ze meet de totale potentiƫle hoeveelheid protonen die vrijkomt als men het zuur zou neutraliseren. De waarde wordt meestal weergegeven in gram wijnsteenzuur per liter.

Daarom kunnen twee wijnen met dezelfde TA heel verschillend smaken. Een wijn met hoge pH en hoge TA kan zacht en rond overkomen, terwijl een wijn met lage pH en gelijke TA juist levendiger en strakker smaakt. Het gaat dus niet alleen om hoeveel zuur er is, maar vooral om hoe dat zuur zich gedraagt in de wijn.

Voor wijnmakers is het samenspel van pH en TA cruciaal bij het sturen van stijl en stabiliteit. De pH geeft directe informatie over hoe de wijn zich gedraagt tijdens de gisting, rijping en bewaring. TA helpt vooral bij het vergelijken van wijnen of bij het beoordelen van balans in smaak.

Schommelingen van TA tijdens de gisting
Tijdens de gisting daalt de totale zuurgraad (TA) doorgaans licht, omdat wijnsteenzuur zich bindt tot kalium en neerslaat als kaliumbitartraat. In sommige rode wijnen kan de TA echter tijdelijk stijgen door de vorming van succinzuur, een natuurlijk bijproduct van de gisting dat door bepaalde giststammen in hogere concentraties wordt geproduceerd.

Vorming van wijnsteenzuurkristallen (kaliumbitartraat)

Zuur is in wijn geen vaststaand gegeven. Ook na de gisting blijft het in beweging. Een van de meest zichtbare gevolgen daarvan is het neerslaan van wijnsteenkristallen, in de kelder beter bekend als kaliumwaterstoftartraat of kaliumbitartraat (KHT).

Deze kristallen ontstaan wanneer wijnsteenzuur, het meest stabiele en dominante zuur in wijn, gedeeltelijk reageert met kaliumionen die van nature in druiven aanwezig zijn. In oplossing blijft dit kaliumwaterstoftartraat nog zuur van aard, maar zodra de wijn wordt blootgesteld aan lagere temperaturen of veranderingen in samenstelling, kan het uitkristalliseren en neerslaan.

Pas op dat moment verdwijnt dit zout effectief uit de wijn, wat een subtiele maar meetbare invloed heeft op zowel de pH als de titratable acidity (TA):

  • Bij een lage pH (onder 3,65) daalt de pH nog iets verder, samen met de TA.
  • Bij een hogere pH (boven 3,65) stijgt de pH licht, terwijl de TA toch afneemt.

Voor de wijnmaker is dit proces belangrijk om te begrijpen, omdat het natuurlijke zuur-evenwicht van de wijn ook na de gisting kan blijven evolueren. Wanneer wijnsteen neerslaat, vermindert het effectieve zuurgehalte van de wijn licht, waardoor de smaak iets ronder en zachter wordt. In zeldzame gevallen waarin de zuurbalans bewust werd bijgestuurd (bijvoorbeeld in warme oogstjaren) kan een deel van die correctie later deels worden geneutraliseerd door deze kristalvorming.

Om dit gecontroleerd te laten verlopen, passen wijnmakers vaak koude stabilisatie toe. Daarbij wordt de wijn gekoeld zodat overtollige wijnsteen zich in het vat afzet en niet later in de fles verschijnt.

Voor de consument zijn deze kristallen volkomen onschadelijk, al worden ze soms verward met glasdeeltjes of fouten. In werkelijkheid zijn ze een natuurlijk teken van een weinig bewerkte wijn.

De oorsprong en rol van zuren in wijn

Zuren zijn geen toevalstreffers in wijn, maar het natuurlijke resultaat van wat in de druif gebeurt vóór en tijdens de gisting. Hun concentratie en samenstelling worden bepaald door het druivenras, het klimaat en de rijpheid bij de oogst.

De belangrijkste zuren zijn wijnsteenzuur en appelzuur.

  • Wijnsteenzuur is het meest stabiele en karakteristieke wijnzuur. Het vormt de ruggengraat van de zuurgraad en blijft nagenoeg onveranderd tijdens de gisting.
  • Appelzuur is levendiger en scherper van smaak. Tijdens de zogenaamde malolactische gisting zetten melkzuurbacteriĆ«n het om in melkzuur, dat zachter en romiger aanvoelt. Rode wijnen ondergaan dit proces meestal volledig, waardoor ze ronder en stabieler worden. Bij witte wijnen wordt het vaak bewust vermeden om hun frisse spanning te bewaren.

Naast deze twee hoofdrolspelers komen er ook kleinere hoeveelheden citroenzuur en succinezuur voor. Citroenzuur draagt subtiel bij aan frisheid, terwijl succinezuur, gevormd tijdens de alcoholische gisting, een licht ziltig of bitter accent kan toevoegen dat de complexiteit verhoogt.

In zoete witte wijnen, zoals Sauternes of Trockenbeerenauslese, krijgt zuur een andere betekenis. Daar fungeert het als tegengewicht voor de suikers. Zonder voldoende zuur zouden deze wijnen log of plakkerig aanvoelen. Met de juiste dosis zuurgraad blijven ze fris, spannend en elegant.

Klimaat en rijpheid

Niet alleen de chemie, ook de natuur bepaalt hoeveel zuur in een wijn aanwezig is. De hoeveelheid zuur in wijn wordt al bepaald lang vóór de oogst. Tijdens de groei slaan druiven zuren op in hun bessen. In het vroege stadium zijn die zuren, vooral wijnsteenzuur en appelzuur, in hoge concentraties aanwezig. Naarmate de druif rijpt en de temperatuur stijgt, beginnen die zuren langzaam af te breken door natuurlijke ademhaling.

In warme klimaten verloopt dat proces sneller. De druif ademt haar zuur uit, terwijl ze tegelijk meer suikers opbouwt. Het resultaat is een wijn met rijp fruit, hogere alcohol en lagere zuurgraad. Zulke wijnen kunnen rond en zwoel aanvoelen, maar missen soms spanning. Wijnmakers grijpen daar soms in door wat wijnsteenzuur toe te voegen of door vroeger te oogsten om het evenwicht te bewaren.

In koelere regio’s gebeurt net het omgekeerde. De druif rijpt trager, houdt meer zuur vast, maar produceert minder suiker. Dat levert frissere, levendigere wijnen op met een lager alcoholgehalte. Het risico daar is dat de zuren te dominant worden, waardoor de wijn streng of onrijp kan smaken.

De kunst van de wijnmaker zit precies in het kiezen van het juiste oogstmoment, wanneer suiker en zuur in evenwicht zijn. Dat moment kan per perceel of druivenras verschillen, en vraagt ervaring, kennis en soms ook durf.

Hoe proeven we zuur?

Zuur is een van de eerste smaaksensaties die we waarnemen wanneer wijn de mond raakt. Zodra de wijn zich vermengt met speeksel, komen de vrije waterstofionen in contact met de smaakreceptoren op de tong en het zachte gehemelte. Deze receptoren sturen elektrische signalen naar de hersenen, waar ze worden gecombineerd met indrukken van zoetheid, bitterheid, aroma en textuur.

Zuur voelen we niet alleen als een smaak, maar ook als een fysieke prikkel: het doet de speekselklieren werken, laat de tong licht samentrekken en wekt een gevoel van spanning in de mond. Die reactie is een verdedigingsmechanisme van het lichaam tegen te sterke zuren, maar in wijn zorgt het juist voor levendigheid en verfrissing.

Niet iedereen ervaart zuur even sterk. Leeftijd, speekselproductie, temperatuur van de wijn en zelfs het moment van de dag kunnen de gevoeligheid beĆÆnvloeden. Wie veel frisse wijnen proeft, ontwikkelt een zekere gewenning, waardoor dezelfde wijn voor een beginnende proever veel scherper kan lijken dan voor een ervaren degustator.

De zuursensatie wordt bovendien nooit op zichzelf beleefd. Zoet (uit suiker, alcohol of glycerol) verzacht het zuur en maakt het ronder. Bitterheid en tannine versterken het tegenovergestelde effect en laten de wijn strakker en pittiger overkomen. Daarom kan een wijn met identieke pH totaal anders aanvoelen afhankelijk van zijn restsuiker, textuur of houtlagering.

Wijnproevers gebruiken woorden als fris, levendig, pittig of verkwikkend voor goed geĆÆntegreerd zuur. Bij overdaad spreken ze van scherp, agressief of groen, terwijl een gebrek aan zuur de wijn vlak of log maakt. Het geheim van een grote wijn ligt vaak precies in die fragiele grens: genoeg zuur om spanning te geven, maar niet zoveel dat het het geheel overheerst.

Conclusie

Aciditeit is geen detail, maar de ruggengraat van wijn. Ze bepaalt frisheid, balans, aromaprofiel, microbiologische stabiliteit en bewaarpotentieel. pH en TA samen geven inzicht in het zuur-evenwicht, maar in de praktijk is pH vaak de doorslaggevende graadmeter voor kwaliteit en levensduur.

Cola mag dan op papier zuurder zijn, in wijn is zuur geen toevallig bijproduct maar een zorgvuldig bewaakte structuurdrager. Het houdt de wijn levend, zuiver en spannend. Een wijn zonder zuur verliest zijn ziel, een wijn met goed geĆÆntegreerd zuur blijft groeien, verleiden en verrassen.

Cognac, het verhaal achter de geest van Charente

Is de geest van Charente achterhaald, of ontwaakt hij juist opnieuw? Cognac draagt een grote reputatie mee, tegelijk kleeft er voor sommigen een oubollig imago aan. Whisky lijkt de wereldspeler van het moment. Zonde, want een echte cognac is een hemels digestief, en meer dan dat. Jonge drinkers ontdekken hem opnieuw via bars, cocktails en verfijnde pairings.

Je kan het verhaal van cognac ook vertellen als een dialoog tussen geschiedenis en toekomst. Ja, het is een eeuwenoud product, geworteld in traditie. Maar tegelijk is het een levende, veranderende categorie waarin terroir, druivenrassen en vakmanschap elkaar blijven beĆÆnvloeden.

Van de krijtrijke hellingen van Grande Champagne tot de zandige kuststroken van Bois Ordinaires, elk terroir geeft zijn stempel mee. De keuze voor druiven bepaalt mee de frisheid en de zuiverheid van de basiswijn. Die basiswijn, in de streek bekend als Vin de ChaudiĆØre, is geen pronkwijn voor aan tafel: laag in alcohol, hoog in zuren, discreet in aroma. Maar precies die eigenschappen maken hem ideaal voor de dubbele distillatie in de iconische koperen alambic charentais.

Herkomst en afbakening

Cognac is een strikt beschermde herkomstbenaming (Appellation d’Origine ContrĆ“lĆ©e) met nauwkeurig vastgelegde geografische grenzen. De contouren van het productiegebied werden in 1909 bepaald op basis van geologische en bodemkundige studies, en in 1936 wettelijk verankerd. Het gebied strekt zich uit over delen van vier departementen in het zuidwesten van Frankrijk: Charente, Charente-Maritime (inclusief de eilanden Ǝle de RĆ© en Ǝle d’OlĆ©ron), een deel van Deux-SĆØvres en het noorden van de Dordogne.

Binnen deze AOC worden zes officiƫle crus onderscheiden, elk met een eigen terroir en smaakprofiel: Grande Champagne, Petite Champagne, Borderies, Fins Bois, Bons Bois en Bois Ordinaires. Ze liggen als concentrische zones rond de stad Cognac, met Grande Champagne in het centrum als hoogst gewaardeerde herkomst. De aanduiding Fine Champagne verwijst naar een blend van Grande en Petite Champagne, met minimaal 50% Grande Champagne in de assemblage.

Bodem en geologie

De ondergrond van de Cognacstreek is gevarieerd en beĆÆnvloedt rechtstreeks de stijl van de geproduceerde soorten cognac.

  • Grande Champagne & Petite Champagne: bodems rijk aan kalk en klei, met een krijtachtige kalkonderlaag die water vasthoudt en de wortels diep laat reiken. In Grande Champagne is deze krijtlaag dikker, wat resulteert in wijnen met groot rijpingspotentieel en een uitgesproken finesse.
  • Borderies: zanderige en kleiige bodems met een hoog gehalte aan vuursteen (silex). Dit terroir geeft ronde, florale aroma’s die sneller tot ontwikkeling komen.
  • Fins Bois: gedomineerd door groies – klei-kalkbodems met veel keien op een harde kalkondergrond – en delen met Pays-Bas-gronden, rijk aan klei. De eaux-de-vie zijn hier fruitig, met een kortere rijpingstijd.
  • Bons Bois & Bois Ordinaires: lichte, vaak vrijwel zuivere zandbodems (sables), vooral in kuststreken. Ze leveren aromatisch eenvoudige distillaten die sneller op dronk zijn.

Deze combinatie van klimaat, bodem en ligging maakt dat elke cru een eigen bijdrage levert aan de diversiteit van cognac. Die bodemeigenschappen bepalen niet alleen de druivengroei, maar ook hoe de basiswijn zich tijdens distillatie en rijping ontwikkelt. Een distillaat uit kalkrijke bodems zal bijvoorbeeld anders verouderen dan een distillaat uit zandgronden. Voor producenten is de keuze van herkomst en verhoudingen in de blend een essentieel instrument om stijl en kwaliteit te sturen.

Van druif tot Vin de ChaudiĆØre

De belangrijkste druif van de cognacproductie is Ugni Blanc. Deze druif rijpt laat, heeft een hoge natuurlijke zuurtegraad en levert wijnen met een laag alcoholpercentage, eigenschappen die essentieel zijn voor een zuivere distillatie. Daarnaast zijn ook Colombard, Folle Blanche, Montils en SƩmillon toegestaan, maar hun aandeel in de aanplant is beperkt. Folle Blanche en Colombard geven aromatischere distillaten, maar zijn gevoeliger voor ziekten en minder productief, waardoor ze vooral bij kleinere producenten voorkomen die op zoek zijn naar specifieke stijlen.

De wijn die bestemd is voor distillatie wordt in de streek Vin de ChaudiĆØre genoemd. Het is geen wijn die bedoeld is om te drinken. Het alcoholgehalte ligt rond de 8 Ć  9%, de zuren zijn uitgesproken en de aroma’s bescheiden. Juist deze bescheidenheid is gewenst: een te uitgesproken basiswijn zou tijdens distillatie te dominante smaken ontwikkelen.

De wet schrijft voor dat de basiswijn volledig natuurlijk moet zijn. Het toevoegen van suiker, zuurcorrectie, smaakstoffen of conserveermiddelen is verboden. Sulfiet is uitgesloten, omdat het tijdens de dubbele distillatie zou concentreren en storende aroma’s kan veroorzaken. Deze strikte benadering zorgt ervoor dat de uiteindelijke eau-de-vie puur het resultaat is van druif, terroir en vergisting.

De oogst vindt doorgaans in oktober plaats, afhankelijk van druivenras en klimaat in het oogstjaar. Meteen na de pluk worden de druiven geperst. De most vergist vervolgens ƩƩn tot twee weken, vaak bij relatief lage temperaturen en zonder ingrijpen van de wijnmaker. Het resultaat is een jonge, levendige wijn, zuur en laag in alcohol, klaar om getransformeerd te worden in de volgende fase: de distillatie tot cognac.

Distillatie: het hart van de creatie

Na de oogst en gisting volgt de fase waarin wijn wordt omgevormd tot eau-de-vie: de dubbele distillatie in de alambic charentais. Dit traditionele koperen apparaat bestaat uit vier hoofdonderdelen:

  • Ketel (chaudiĆØre) waar de basiswijn wordt verwarmd.
  • Kap (chapiteau) die de opstijgende alcoholdampen opvangt.
  • Zwanenhals (col de cygne) die de dampen naar de condensor leidt.
  • Condensor waarin de dampen afkoelen en terug vloeibaar worden.

Sommige distilleerders gebruiken ook een chauffe-vin, een warmtewisselaar die de wijn voorverwarmt met restwarmte uit de condensor. Dit bespaart energie en zorgt voor een gelijkmatigere opwarming. De capaciteit van de ketels is wettelijk beperkt tot 30 hectoliter, met een maximale vulling van 25 hectoliter per distillatie. Vorm, afmetingen en materiaal zijn strikt gereglementeerd.

De methode Ć  repasse bestaat uit twee opeenvolgende distillaties. De eerste distillatie duurt 8 tot 10 uur en levert de brouillis op: een troebele vloeistof van 28 tot 32% alcohol. Deze bevat alle basisaroma’s, maar is nog ruw en ongeraffineerd.

In de tweede distillatie, bonne chauffe, wordt de brouillis opnieuw verhit. De distillateur scheidt drie fracties:

  • TĆŖtes: het eerste deel, rond 80-85% alcohol, rijk aan vluchtige stoffen zoals methanol en esters; wordt apart gehouden.
  • Coeur: het hart van de distillatie, met 60–70% alcohol, zuiver van geur en smaak; dit is de toekomstige cognac.
  • Queues: het laatste deel, met zware, minder gewenste componenten.

TĆŖtes en queues worden samen met nieuwe brouillis of wijn opnieuw gedistilleerd, zodat geen waardevolle aroma’s verloren gaan.

Na de bonne chauffe is de eau-de-vie kleurloos, met een scherpe maar frisse geur die vaak wordt vergeleken met vochtige wijngaardgrond na regen. Het alcoholpercentage ligt rond de 70%, ideaal voor verdere rijping.

De distillatieperiode loopt van de oogst tot uiterlijk 31 maart van het daaropvolgende jaar. Tijdens deze maanden is de activiteit intensief: ketels draaien vaak 24 uur per dag, en distillateurs blijven op locatie om het proces voortdurend te controleren. Elke stap vraagt aandacht: van de kwaliteit en helderheid van de basiswijn tot de beheersing van de verhitting, de snelheid van destillatie en de precieze selectie van het hart. Deze combinatie van techniek en ervaring bepaalt in hoge mate de kwaliteit en stijl van de uiteindelijke cognac.

Rijping en het werk van de keldermeester

Na de distillatie wordt de jonge eau-de-vie overgebracht in eikenhouten vaten van 270 tot 450 liter. Alleen hout uit de Franse bossen van Limousin en TronƧais is toegestaan. Limousin-eik heeft een grove nerf waardoor de extractie van tannine en aromatische stoffen sneller verloopt, wat krachtigere, robuustere cognacs oplevert. TronƧais-eik is fijner van structuur en geeft een subtielere, meer verfijnde houtinvloed.

Nieuwe vaten worden vaak slechts 12 tot 18 maanden gebruikt voor de eerste rijping. In deze periode vindt de meest intense overdracht van kleur- en smaakstoffen plaats. Daarna wordt de cognac overgestoken naar oudere vaten om verdere rijping trager en evenwichtiger te laten verlopen.

Het rijpingsproces kent drie kernfases:

  1. Extractie: fenolen, kleurstoffen en aroma’s lossen uit het hout in de eau-de-vie, waardoor de kleur van kleurloos naar licht goudgeel evolueert.
  2. Oxidatie: onder invloed van zuurstof ontwikkelt de spirit complexere aroma’s, de kleur verdiept richting amber en mahonie, en de eerste tonen van rancio verschijnen.
  3. Polymerisatie en versmelting: tannine breken af en binden zich aan aromacomponenten, wat de cognac zachter, ronder en homogener maakt.

Jaarlijks verdampt ongeveer 3% van het volume, la part des anges, wat zowel alcohol als water betreft. De verhouding tussen beide verdampingen wordt mede bepaald door de vochtigheid van de kelder: droge kelders laten vooral water verdampen en verhogen zo het alcoholgehalte, vochtige kelders doen het omgekeerde.

De keldermeester (maître de chai) bewaakt elk detail van dit proces. Hij beslist wanneer een cognac wordt overgestoken naar een ander vat, of verplaatst wordt naar een andere kelder met een ander microklimaat. Soms kiest hij voor hout met een specifieke doorlaatbaarheid om de verdamping te sturen. Hij kan ook experimenteren met vaten van verschillende leeftijden om het rijpingsprofiel te beïnvloeden.

Tijdens de rijping reduceert de keldermeester geleidelijk het alcoholgehalte. Dit gebeurt door kleine hoeveelheden gedistilleerd of gedemineraliseerd water toe te voegen, zodat de sterkte langzaam daalt tot het wettelijke minimum van 40% alcohol, of iets hoger indien gewenst voor stijl en balans.

Pas wanneer de keldermeester van mening is dat de eau-de-vie het gewenste aromatische en texturale evenwicht heeft bereikt, besluit hij tot botteling. Dat kan als single vintage of na assemblage met andere jaargangen, afhankelijk van het beoogde karakter. Zo begeleidt hij de cognac van ruwe jeugd tot volwassenheid, totdat het moment komt om te bepalen of verdere rijping op vat nog zinvol is.

Leeftijd en classificaties

Wettelijk moet cognac minimaal twee jaar op eikenhouten vaten rijpen voordat hij mag worden verkocht. Die rijping verloopt traag. De inwoners van de streek worden niet voor niets les cagouillards genoemd, ā€œde slakkenā€, een verwijzing naar hun geduld. Tijdens deze periode neemt de eau-de-vie tannine en aroma’s op uit het hout, wordt de kleur dieper, daalt het alcoholgehalte met gemiddeld ƩƩn graad per jaar en ontstaan door oxidatie nieuwe geuren en smaken.

In de regio geldt de overtuiging dat een cognac na ongeveer vijftig jaar op vat zijn natuurlijke evolutie voltooit. Dan wordt hij overgebracht naar grote glazen flessen (dame-jeannes), afgesloten van lucht. In deze vorm blijft hij stabiel, zonder verdere ontwikkeling. Vanaf dat moment wordt hij bewaard voor toekomstige assemblages of als zeldzame, op zichzelf staande botteling. Vanwege de hoge kosten is het tegenwoordig zeldzaam dat producenten een cognac zo lang laten rijpen, al zijn er huizen zoals Frapin, Ragnaud-Sabourin, Martell en RƩmy Martin die aanzienlijke voorraden in dame-jeannes bewaren.

De leeftijd van een cognac wordt weergegeven met officiƫle classificaties:

  • VS (Very Special) of ***: minimaal 2 jaar rijping.
  • VSOP (Very Superior Old Pale): minimaal 4 jaar rijping.
  • NapolĆ©on: minimaal 6 jaar rijping.
  • XO (Extra Old): minimaal 10 jaar rijping.
  • XXO (Extra Extra Old): minimaal 14 jaar rijping.
  • Hors d’Âge: geen wettelijke definitie boven XO, maar in de praktijk vaak 30 tot 50 jaar oud.
  • MillĆ©simĆ© (Vintage): cognac uit ƩƩn oogstjaar, met het jaartal op het etiket.

Hoewel sommige uitzonderlijke cognacs ouder zijn dan vijftig jaar, bereikt het merendeel zijn optimale balans veel eerder. Het is de taak van de keldermeester om het ideale moment te bepalen waarop de cognac zijn beoogde stijl en karakter heeft bereikt.

Blenden of single cru

Het merendeel van de cognacs die op de markt komen, is het resultaat van een zorgvuldig samengestelde blend (assemblage) van verschillende eaux-de-vie. Daarbij kan het gaan om distillaten uit meerdere cru’s, verschillende oogstjaren of zelfs diverse percelen binnen ƩƩn wijngaard. Het doel is steeds hetzelfde: een stabiele huisstijl creĆ«ren die van jaar tot jaar herkenbaar blijft. Voor prestigieuze XO’s gebruiken grote huizen soms meer dan 150 afzonderlijke eaux-de-vie, waarbij elke component een specifieke rol speelt in geur, smaak en textuur.

Het samenstellen van een blend vraagt encyclopedische kennis van de inhoud van de vaten Ʃn een fijnzinnig gevoel voor balans. Een maƮtre de chai werkt vaak tientallen jaren onder begeleiding van een ervaren voorganger voordat hij zelfstandig verantwoordelijk is voor de assemblages. Hij moet niet alleen weten hoe elke eau-de-vie zich ontwikkelt, maar ook hoe zij op elkaar reageren in een blend.

Niet alle producenten mengen distillaten van verschillende herkomst. Bij een single cru komt alle eau-de-vie uit ƩƩn erkende cru, zoals Grande Champagne of Borderies. Soms worden wel verschillende jaren of percelen gecombineerd, maar het terroirkarakter blijft volledig behouden. Deze stijl benadrukt de specifieke aroma’s van het gebied: florale finesse in Grande Champagne, de meer fruitige en toegankelijke varianten van Petite Champagne, ronde parfums in Borderies, rijp fruit in Fins Bois en een vleugje ziltigheid in Bons Bois.

Kleur en misverstanden

De kleur van cognac is geen vanzelfsprekende graadmeter voor leeftijd of kwaliteit. Jonge eau-de-vie is volledig kleurloos. Pas tijdens de rijping in eiken vaten ontwikkelt zij tinten die variƫren van licht strogeel tot diep mahonie.

De kleur ontstaat hoofdzakelijk door extractie van houtcomponenten. Nieuwe vaten geven sneller kleur en meer tannine dan gebruikte vaten. Ook de toastgraad van het hout speelt een rol: licht getoast eikenhout geeft subtielere tinten, zwaar getoast hout zorgt voor diepere kleuren, maar kan aanvankelijk ook bitterheid meebrengen die tijd nodig heeft om te verzachten. Veel keldermeesters laten cognac daarom slechts kort in nieuwe, eventueel sterker getoaste vaten rijpen (12 tot 18 maanden) en zetten de verdere rijping voort in oudere vaten.

Kleinere vaten hebben een groter contactoppervlak tussen hout en eau-de-vie, wat de kleurontwikkeling versnelt. Limousin-eik, met zijn grove nerf, geeft doorgaans sneller kleur en smaak af dan het fijnere TronƧais-eikenhout.

Naast natuurlijke extractie mag een keldermeester binnen de AOC-regels bepaalde toevoegingen gebruiken om de kleur subtiel te corrigeren:

  • BoisĆ©: een donkere infusie van eikenhout, vooral bedoeld om structuur en tannine te beĆÆnvloeden, en kan als bijkomend effect ook de kleur verdiepen.
  • Caramel E150a: vrijwel smaakloos en alleen gebruikt om kleurverschillen tussen vaten of batches te egaliseren.

Het gebruik van deze middelen verschilt per producent. Sommige huizen vermijden toevoegingen volledig, anderen gebruiken ze met mate om consistentie te waarborgen.

Hoewel langere rijping vaak samengaat met een diepere kleur, is dit geen vaste regel. Vatkeuze, toastgraad, vatgrootte, opslagomstandigheden en eventuele kleurcorrectie spelen allemaal een rol. Een jonge cognac kan door rijping in kleine, nieuwe, zwaar getoaste vaten opvallend donker zijn, terwijl een oudere cognac uit grote, gebruikte vaten juist lichter van kleur blijft.

Het is daarom verstandiger om bij de beoordeling van cognac te vertrouwen op geur, smaak en balans, in plaats van op kleur alleen.

Traditie en toekomst

Cognac blijft een van de meest verfijnde distillaten ter wereld. Van de stille wijngaarden in de Charente tot de donkere kelders waar eaux-de-vie decennialang rusten, draait alles om geduld, precisie en kennis die vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Vandaag staat cognac op een kruispunt. De grote huizen blijven het wereldbeeld bepalen, maar kleinschalige producenten tonen dat authenticiteit en terroir net zo goed een publiek vinden. Innovatie en traditie bestaan er naast elkaar: klassieke blends worden niet alleen puur genoten, maar ook verwerkt in verfijnde cocktails, terwijl liefhebbers ontdekken dat cask strength en single cru expressies een heel ander spectrum aan smaken openen.

De toekomst van cognac zal afhangen van hoe de sector inspeelt op veranderende klimaatomstandigheden en nieuwe smaakvoorkeuren, zonder het evenwicht te verliezen tussen traditie en vernieuwing. EƩn ding blijft zeker: een goed gemaakte cognac is geen modetrend, maar een tijdloze expressie van plaats, vakmanschap en geduld.

De onderstok: wortels met een buitenlands paspoort

Wie door een wijngaard slentert, denkt al snel aan zon, druiven en wijn. Weinigen staan stil bij wat daar eigenlijk groeit. Want die ogenschijnlijk eenvoudige stokken bestaan meestal uit twee delen, netjes op elkaar gezet als een botanisch duo. Bovenaan: een Europees druivenras dat sappige besjes voortbrengt. Onderin: een Amerikaanse onderstok die met beide voeten stevig in de grond staat Ʃn ongewenste beestjes buitenhoudt.

Dat samengestelde bestaan is vandaag de norm, maar het is er niet gekomen uit liefde op het eerste gezicht. Het had meer weg van een verstandshuwelijk, gesloten onder druk van een gemeenschappelijke vijand. Die vijand? Een minuscuul luisje dat zich in de 19de eeuw door de Europese wortels werkte: phylloxera. De druifluis veroorzaakte een ware catastrofe in de wijngaarden en bracht de wijnbouw tot op de knieƫn.

De redding kwam van overzee. Amerikaanse stokken, die deze druifluis al langer kenden en overleefden, boden de oplossing. Europese druivenrassen werden op deze onderstokken geƫnt. Geen romantisch sprookje, eerder een verplichte blind date, maar wel eentje dat werkte. En tot op vandaag standhoudt.

We willen wel volledig zijn: niet elke wijnstok is gedwongen in het huwelijksbootje gestapt. Er bestaan nog altijd uitzonderingen, stokken die fier op eigen wortels staan en niet geƫnt zijn op een Amerikaanse onderstam. Die noemen we franc de pied. Een zeldzaam soort eigenzinnige vrijgezel in een wereld vol verstandshuwelijken. Laten we hopen dat ze resistent blijven tegen toekomstige plagen, want plan B is intussen druk bezet.

Meer dan alleen een schild tegen phylloxera

Door Amerikaanse stokken als onderstam te gebruiken en daarop Europese druivenrassen te enten, kon men de plaag ontwijken zonder afscheid te nemen van vertrouwde druiven als Riesling, Tempranillo of Chardonnay. Een biologisch huzarenstukje, dat niet alleen de wijnbouw redde maar ook nieuwe fundamenten legde voor hoe wijnstokken vandaag functioneren.

Want vanaf dat moment werd de wijnstok niet langer als ƩƩn ondeelbaar geheel beschouwd. Wat boven de grond groeit en wat zich daaronder afspeelt, zijn sindsdien twee afzonderlijke componenten geworden, elk met hun eigen kenmerken, sterktes en zwakheden. De onderstok werd een selecteerbaar, stuurbaar element. Hij is een bepalende factor in hoe een wijnstok zich ontwikkelt en hoe hij zich aanpast aan zijn omgeving.

Dat inzicht heeft de manier van aanplanten drastisch veranderd. De bodem werd geen neutraal gegeven meer, maar een bepalende factor in het plantplan. Want niet alleen de druivensoort moest passen bij het terroir, ook de onderstok moest afgestemd worden op het profiel van de grond. Kalkrijk of zuur? Diep of juist oppervlakkig? Droog of net vochtig? De juiste onderstokkeuze werd een soort ondergrondse architectuur, waarop het hele groeiproces voortbouwt.

Enten: chirurgische precisie met toekomstimpact

Enten is in essentie een subtiel spel van samenvoegen en laten vergroeien. Het edele druivenras, dat verantwoordelijk is voor de smaak en kwaliteit van de wijn, wordt als jonge ent samengebracht met een zorgvuldig gekozen onderstok. Die onderstok vormt de wortelstructuur van de plant en bepaalt in grote mate hoe de stok zich zal gedragen in de bodem.

Hoewel het principe al eeuwenlang wordt toegepast – ook bij fruitbomen bijvoorbeeld – is de uitvoering in de wijnbouw vandaag bijzonder verfijnd. De inkepingen waarmee ent en onderstok in elkaar worden geschoven, zijn tot op de millimeter afgemeten. Het contactoppervlak moet perfect aansluiten om een vlotte vergroeiing mogelijk te maken. Die vergroeiing gebeurt op celniveau, en elk detail telt: de snijhoek, de vochtigheidsgraad, de temperatuur, en zelfs het moment van de dag waarop geĆ«nt wordt.

De handeling zelf gebeurt manueel of machinaal, vaak met een toestel dat inderdaad verdacht veel weg heeft van een naaimachine, maar dan voor planten. Na het enten worden de jonge stokken in een warme, vochtige omgeving geplaatst, waar ent en onderstok rustig kunnen samengroeien. Pas als de ent en de onderstok als ƩƩn geheel functioneren, mogen de planten naar buiten, richting serre of tijdelijk veld, waar ze verder uitgroeien tot meer robuuste stokken.

Het enten vraagt niet alleen technische vaardigheid, maar ook vooruitziendheid. Want de keuze van ent en onderstok gebeurt met het oog op wat de wijnbouwer wil bereiken: bepaalde aroma’s, beheersing van groeikracht, aanpassing aan de bodem. Wat hier op het snijvlak gebeurt, bepaalt de komende decennia hoe een wijnstok zich zal gedragen.

Bodem en onderstok: een dynamisch duo

Een onderstok mag dan resistent zijn tegen phylloxera, dat betekent nog niet dat hij overal tot zijn recht komt. De relatie tussen onderstok en bodem is een spannend gegeven. Bodemtype, zuurgraad, kalkgehalte, drainage, hoeveelheid organisch materiaal en de aanwezigheid van een harde onderlaag: al deze factoren bepalen in welke mate een onderstok zich thuisvoelt en hoe hij zich ontwikkelt.

Hoewel de meeste wijnstokwortels zich bevinden in de bovenste zestig centimeter van de bodem, kunnen ze, als de omstandigheden het toelaten, tot meerdere meters diep reiken. Dat hangt sterk af van de bodemstructuur. In losse, goed doorlaatbare gronden gaan wortels vlot de diepte in, terwijl compacte of natte onderlagen hen dwingen dichter bij het oppervlak te blijven. En net dan is het van belang welke onderstok je gaat gebruiken: sommige types wortelen krachtig en diep, andere blijven oppervlakkiger of ontwikkelen meer zijdelingse vertakkingen.

Opvallend genoeg blijkt uit onderzoek dat onderstokken niet zozeer verschillen in waar hun wortels groeien, maar vooral in hoeveel wortels ze vormen. Die worteldichtheid blijkt cruciaal. Onderstokken die een rijker wortelnetwerk aanmaken, geven de wijnstok meer toegang tot water en voedingsstoffen, wat leidt tot meer bladmassa en doorgaans ook hogere opbrengsten. In proeven uit onder meer Californiƫ en Zuid-Afrika werd een duidelijke correlatie vastgesteld tussen worteldichtheid, scheutgroei en vruchtproductie.

Die inzichten onderstrepen dat de keuze van een onderstok niet in een vacuüm gebeurt. Een onderstok die uitstekend presteert op kalkrijke klei, doet dat niet per se op zure zandgrond. En omgekeerd. Daarom is de juiste match tussen bodem en onderstok een van de meest bepalende keuzes in de wijngaard.

Geen eenheidsworst dus

Er bestaan tientallen variƫteiten, elk met hun eigen karakter, voorkeuren en temperament. Natuurlijk zijn ze allemaal resistent tegen phylloxera maar hun invloed reikt veel verder. Sommige onderstokken zijn dorstig, andere juist zuinig. De ene houdt van kalk, de andere krijgt er spontaan bladvergeling van. Sommige stuwen de groeikracht van de plant vooruit, anderen houden ze net in toom.

Onderstokken dragen namen die eerder aan laboratoria doen denken dan aan wijngaarden: 3309 Couderc, SO4, 110R, Riparia Gloire de Montpellier… De meeste stammen uit de late 19de of vroege 20ste eeuw en zijn het resultaat van kruisingen tussen Amerikaanse soorten zoals Vitis riparia, Vitis rupestris en Vitis berlandieri.

Die genetische diversiteit maakt het mogelijk om de onderstok af te stemmen op de specifieke noden van elk perceel. Niet alleen weerstand tegen phylloxera telt, ook de beoogde wijnstijl en de match met het druivenras spelen een rol. Een onderstok die floreert op droge zandgrond met irrigatie, zoals Ramsey of 99R, zakt mogelijk door het ijs op een natte, zure kleibodem. Daar komt dan weer een robuuste 1103P beter tot zijn recht.

Ook de druivensoort zelf heeft een stem in het verhaal. Een onderstok die perfect matcht met Grenache hoeft dat niet te doen met Pinot Noir. Wat op het ene perceel een droomhuwelijk is, leidt elders tot koppige onenigheid. Daarom is lokale ervaring goud waard. Wijnbouwers die hun bodem tot op de vierkante meter kennen, maken betere keuzes. Ze kijken naar actieve kalk, zuurtegraad, drainage, bodemdiepte en het doel dat ze voor ogen hebben, of dat nu rendement, concentratie of rijpingstijd is. Al die factoren zijn beĆÆnvloedbaar via de juiste onderstok.

Uit het oog, maar niet uit het hart

Wortels blijven onzichtbaar onder de grond, maar bepalen in grote mate de gezondheid, groeikracht en productiviteit van de wijnstok. Een onderstok die zorgt voor een vitaal wortelstelsel is goud waard. Wie wijnstokken plant zonder goed na te denken over de ondergrondse helft van de plant, loopt het risico om later met een zwakke of onevenwichtige wingerd te zitten.

Een doordachte keuze van de onderstok, afgestemd op bodem en klimaat, is geen detail. Het is het fundament waarop decennialang wijn zal groeien.

De densiteit van de most: een moderne blik op een beproefde parameter

Binnen de wijnvinificatie zijn er tal van factoren die de uiteindelijke kwaliteit van een wijn beĆÆnvloeden. Voor de wijnmaker zijn die parameters vaak van cruciaal belang, terwijl de consument er doorgaans geen weet van heeft, laat staan er belang aan hecht.

Een treffend voorbeeld is de densiteit van de most. Voor wie aan de basis van de wijn staat, is dit een essentieel meetpunt. Voor de buitenstaander klinkt het vooral technisch. En toch: deze meting speelt een sleutelrol vanaf het moment dat de druiven geoogst zijn.

Wat ooit begon als een eenvoudige indicatie van het suikergehalte is vandaag uitgegroeid tot een verfijnd instrument binnen precisie-viticultuur. De densiteit laat niet enkel toe om het alcoholpotentieel in te schatten, maar dient ook als kompas tijdens fermentatie, gisting en zelfs stilistische keuzes bij het bottelen. Dankzij moderne technologieƫn kunnen wijnmakers deze parameter niet alleen accurater meten, maar ook veel gerichter inzetten.

Voor de oogst: meten is weten

De pluk begint lang voor de schaar de tros raakt. De wijnbouwer proeft, kijkt en meet. De densiteit van de most zet daarbij de toon, want die volgt het natuurlijke suikergehalte in de druif en geeft dus zicht op alcoholpotentieel en stijl.

Elk wijnverhaal start in het blad. Zonlicht wekt suikers tot leven via fotosynthese. Die suikers reizen als saccharose door de plant en worden in de bessen omgezet in glucose en fructose. In het begin van het seizoen is glucose de baas, dichter bij de oogst groeien beide naar elkaar toe, wat later de gisting beĆÆnvloedt omdat sommige gisten fructose trager verwerken. Wie deze verschuiving volgt, maakt gerichtere en dus betere keuzes.

Meten gebeurt niet ƩƩn keer, maar als een reeks die een ritme blootlegt. De refractometer blijft een trouwe compagnon tussen de rijen. Hij is snel, eenvoudig en precies genoeg, op voorwaarde dat je zorgvuldig staalneemt. Pluk bessen aan zon en schaduwzijde, uit kop en hart van de rij, laat gekneusd fruit links liggen, meng tot een homogeen sap. Noteer tijdstip en temperatuur, want warm sap leest anders dan koel sap. Spoel en kalibreer regelmatig met water op twintig graden, zo blijft de hele meetreeks betrouwbaar.

Moderne technologie tilt dit dagelijkse werk naar een hoger plan. Draagbare digitale meters registreren automatisch temperatuur en correctie. Infrarood meet niet alleen suikers, maar geeft ook informatie over bladtemperatuur en verdamping, een vroege waarschuwing bij waterstress. Drones vliegen boven het perceel en leveren kaartbeelden die verschillen in groei en bladbedekking tonen. Op zo’n vegetatiekaart zie je meteen welke hoek achterloopt of juist vooruit snelt. Bodemvochtsensoren en slimme weerstations geven daar context bij. Samen vormen ze een dashboard dat het veldwerk niet vervangt, maar wel uitvergroot. De emmer en de meter blijven, alleen komt er technologisch inzicht bovenop.

Cijfers krijgen betekenis zodra je ze naast elkaar legt. Afhankelijk van druivenras, perceel en klimaat bevat een rijpe druif meestal tussen honderdzeventig en tweehonderdvijftig gram vergistbare suikers per kilo. Dat geeft richting voor alcohol, maar zegt ook iets over rijpheid. Regen kan de most kortstondig verdunnen, een droge noordenwind concentreert, hitte kan de suikeropbouw doen haperen terwijl zuren sneller dalen. Daarom lees je de densiteit samen met zuurmetingen en met wat de druif zelf vertelt, frisheid van het sap, stevigheid van de schil, kleur en smaak van de pitten. Dronebeelden en infrarood vullen dat beeld aan met waar en waarom.

Daaruit groeit een planning die rust brengt in de drukste weken van het jaar. Het perceel dat vroeg piekt en gezonde zuren houdt, komt als eerste aan de beurt. Het koelere hoekje dat nog wat tijd vraagt, volgt later. Gefaseerd oogsten is intussen een vaste praktijk geworden.

Tijdens de fermentatie: de dans van suikers en alcohol

Zodra de gisting op gang komt, verandert de densiteit van de most bijna dagelijks. Suikers worden stap voor stap omgezet in ethanol en koolzuurgas. Omdat ethanol lichter is dan water, zakt de gemeten densiteit sneller naarmate de alcoholproductie vordert. Die daling is geen bijzaak, maar een signaal dat de wijnmaker vertelt hoe ver de fermentatie staat.

Vroeger werd dit proces uitsluitend gevolgd met een aerometer of mustimeter. De wijnmaker vulde een cilinder met most, liet het instrument drijven en las de waarde af. Het werkte, maar vroeg handwerk en tijd. Vandaag voegen digitale dichtheidsmeters daar snelheid en precisie aan toe. Ze leveren real-time data en zijn vaak verbonden met fermentatiemanagementsystemen. Zo kan de keldermeester rechtstreeks ingrijpen op temperatuur, zuurstoftoevoer of remontage zodra de metingen daar aanleiding toe geven.

Die koppeling tussen meten en sturen maakt fermentatie veel beter beheersbaar. Een plots afvlakkende curve kan wijzen op een gisting die vertraagt of dreigt stil te vallen, zodat er tijdig kan worden bijgestuurd. Een stabiele, gelijkmatige daling wijst op een gezonde vergisting zonder nood aan interventie.

Bij witte wijnen is de rol van densiteitsmeting extra groot. Het moment waarop de gisting wordt gestopt, bepaalt het restsuikerniveau en daarmee de stijl van de wijn: van strak droog tot zijdezacht zoet. In mousserende basiswijnen ligt de nadruk op het bereiken van een zeer laag restsuikergehalte, terwijl bij edelzoete wijnen juist een aanzienlijk deel behouden blijft.

Densiteit tijdens de gisting is dus meer dan een getal. Het is een dagboek van het fermentatieproces, waarin elke meting een nieuwe regel toevoegt. Wie dat dagboek goed leest, kan niet alleen de afloop voorspellen, maar ook ingrijpen om het verhaal precies zo te laten eindigen als gepland.

Plantdichtheid: de wijngaard als basis voor mostdensiteit.

De densiteit van de most wordt in de kelder gemeten, maar haar basis wordt al in de wijngaard gelegd. Een van de minder zichtbare schakels daarin is de plantdichtheid, het aantal stokken per hectare, bepaald door de afstand tussen de rijen en tussen de planten in de rij.

De keuze voor die dichtheid beĆÆnvloedt hoe de druiven rijpen en hoeveel suikers ze opbouwen. In een dicht beplante wijngaard concurreren de stokken sterker om water en voedingsstoffen. Dat kan leiden tot kleinere bessen met minder sap en een hogere concentratie aan vergistbare suikers, wat zich later vertaalt in een hogere densiteit van de most. Op vruchtbare bodems of in koelere klimaten helpt extra competitie om de groeikracht te temperen, terwijl in droge of arme bodems een te hoge dichtheid juist de rijping kan vertragen en de suikeropbouw beperken.

Plantdichtheid is dus geen louter agronomische keuze, maar ook een instrument om indirect te sturen op de waarden die later bij de densiteitsmeting zichtbaar worden. De afstand tussen de stokken bepaalt mee het tempo van de rijping, de concentratie van suikers in de bes en uiteindelijk het cijfer dat de wijnmaker in de kelder op zijn meter afleest. Wie de link tussen wijngaard en most begrijpt, kan al voor de oogst beginnen bijsturen naar het gewenste resultaat in het glas.

Meetschalen voor suikergehalte en mostdensiteit

Het suikergehalte van most kan op verschillende manieren worden weergegeven. Niet overal gebruikt men dezelfde schaal, maar in veel wijnregio’s heeft zich door traditie of regelgeving een voorkeursmethode ontwikkeld.

In Duitstalige wijngebieden zoals Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg vergelijkt de Oeschlé-schaal de soortelijke massa van most met water. Een most met een soortelijk gewicht van 1,090 komt overeen met 90° Oeschlé. Hoe hoger de waarde, hoe meer suikers en hoe hoger het potentiële alcoholgehalte.

Frankrijk en Spanje werken eerder met graden Baumé. Deze schaal is gebaseerd op de concentratie opgeloste stoffen, voornamelijk suikers, en wordt berekend via een vaste formule. Een most van 1,090 komt uit op ongeveer 11,97° Baumé. In veel Franse appellaties is Baumé ook opgenomen in de regelgeving rond minimumrijpheid bij de oogst.

In Engelstalige landen is Brix de standaard. EƩn graad Brix staat voor ƩƩn gram saccharose per 100 gram oplossing. De omzetting van BaumƩ naar Brix is eenvoudig: deel de BaumƩ-waarde door 0,55. Brix wordt breed toegepast, niet alleen in de wijnbouw, maar ook in andere dranken- en voedingssectoren.

In Italiƫ werkt men doorgaans met graden Babo, een schaal vergelijkbaar met Brix, vooral in gebruik binnen de nationale wijnbouwpraktijk.

Daarnaast bestaan er regionale varianten zoals de Klosterneuburger Mostwaage (KMW) in Oostenrijk, vooral gebruikt voor kwaliteitsclassificaties zoals Prädikatswein. Eén graad KMW komt grofweg overeen met 5° Oeschlé. Moderne digitale meetapparatuur kan vaak meerdere schalen tegelijk weergeven, zodat wijnmakers altijd in hun vertrouwde eenheid kunnen werken.

Welke schaal men ook hanteert, de bedoeling blijft dezelfde: het suikergehalte meten om het alcoholpotentieel in te schatten en de oogst- en vinificatiebeslissingen gericht te sturen. De gekozen schaal is dus vooral de taal waarin de wijnmaker zijn most leest.

Van most tot markt

De densiteit van de most is het startpunt, een eerste blik op wat de wijn kan worden. Maar tussen die meting en het openen van de fles ligt een keten van keuzes. Elke beslissing, in de wijngaard en in de kelder, geeft richting aan het eindresultaat. Suiker- en alcoholpotentieel bieden houvast, maar pas in samenhang met factoren als plantdichtheid, oogstmoment, gistkeuze en rijping krijgt de wijn zijn eigen karakter.

In elk wijngebied spelen andere spelregels. Een koel perceel in Marlborough vraagt om een ander oogstvenster dan een zonovergoten helling in de Douro. Bodem, klimaat, druivenras en stijlambitie komen samen in een reeks afwegingen waarbij techniek en intuĆÆtie elkaar aanvullen.

Wie de densiteit van de most meet, focust zich op een geheel, dat begint in het blad, verder groeit in de bes, doorloopt in de tank en eindigt in het glas. De wijnmaker die dit alles begrijpt Ʃn durft te sturen, is degene die de stap zet van potentieel naar persoonlijkheid. Want uiteindelijk is het niet de meter die de wijn maakt, maar de handen en de geest die ermee werken.

Elegantie in wijn: een nuttig wijnwoord of een leeg clichĆ©?

Het zal je misschien verbazen, maar er zijn wel degelijk elementen in de wijnwereld waar ik me mateloos aan stoor. Ik heb het dan vooral over het woordgebruik dat je hoort of leest in interviews, podcasts of wijnbesprekingen. Twee van de termen die me – laten we zeggen – lichtjes op de zenuwen werken zijn elegance en sustainable. Vandaag tackel ik in dit opiniestuk het gebruik van elegance om een wijn te omschrijven.

Laten we eerlijk zijn: als een wijnboer over zijn wijn spreekt als elegant, wat bedoelt hij daar precies mee? Draagt de wijn een smoking? Heeft hij hakjes onder de kurk? Of maakt hij bij het inschenken een buiging?

Wat bedoelen we eigenlijk met ā€˜elegant’ in wijn?

Om een vorm van definitie te vinden voor het gebruik van elegantie in wijn ben ik even te raden gegaan bij het kwaliteitsmagazine/website Wine Enthusiast. Daar wordt het gebruik als volgt uitgelegd:

In the realm of wine, the term ā€œeleganceā€ goes beyond aromas and flavors: It encapsulates a harmonious balance of finesse, restraint and sophistication. An elegant wine is one that seamlessly integrates its components, leaving a lasting impression. This delicate quality is often associated with subtlety rather than boldness, with a focus on nuance and refinement.
These wines are not your big, broad-shouldered bottles. However, elegant wines do not have to be light-bodied. They do tend to be more restrained and often will not show you all they have to offer in the first sip. It’s an overall vibe as much as a mouthfeel, which includes the texture on the palate—like the way a fine cashmere sweater feels on your skin, or the sensation of hearing Yo-Yo Ma play Bach’s soft, soothing Cello Suite No. 1. But one thing all elegant wines must possess is true balance and searing acidity, which sets these restrained wines in contrast to their opulent and powerful counterparts.

Vrij vertaald: volgens Wine Enthusiast gaat elegance in wijn verder dan aroma’s en smaken. Het is de kunst om finesse, terughoudendheid en verfijning in balans te brengen. Een elegante wijn is er een die zijn componenten naadloos samenbrengt, zonder grof of luidruchtig te worden. Het zijn wijnen die hun kracht niet tonen in volume of breedte, maar in nuance en subtiliteit. Vaak zijn ze ingetogen bij de eerste slok en laten ze pas gaandeweg zien wat ze te bieden hebben. Wat ze volgens de definitie altijd gemeen hebben, is een zuivere balans en een stevige frisheid, die hen onderscheidt van de rijkere, meer uitgesproken tegenpolen.

Waarom gebruiken wijnmakers (en proevers) het dan zo graag?

Toegegeven, de beschrijving die Wine Enthusiast eraan geeft klinkt mooi en er zit in zekere zin wel enige waarheid in. Alleen zit hier meteen het probleem: elegance wordt opgetild tot een bijna mystieke kwaliteit, een sfeer, een vibe, een gevoel dat je zou moeten ervaren. Dat klinkt prachtig in een magazine, maar in de praktijk is het vooral een glibberige term. Moet niet elke wijn in balans zijn? Is evenwicht niet altijd het sleutelwoord bij een correcte omschrijving van een goede wijn? Een wijn kan verfijnd zijn, breekbaar tot fragiel zelfs, maar elegant? En toch kakelt bijna elke producent erover alsof het vanzelfsprekend is.

Maar waarom doen ze dat toch, en waarom nemen wijnrecensenten het woord zo gretig over? Terwijl ik dit schrijf, moet ik toegeven dat ik me er ongetwijfeld zelf ook al aan heb bezondigd. Het antwoord is eenvoudig: elegant klinkt goed. Het is een compliment dat niemand in twijfel trekt. Het schept een verwachting die de wijn meteen een niveau hoger tilt. Bovendien is het veelzijdig inzetbaar. Een lichte Pinot Noir, een gerijpte Barolo, een verfijnde Champagne of zelfs een zonnige rosƩ uit Siciliƫ: allemaal kunnen ze zonder schroom worden bestempeld als elegant. Het is een veilige keuze. Wie elegant zegt, positioneert zich aan de juiste kant van de smaak. Weg van bombast, houtgeweld en overextractie. Elegant betekent: ik heb stijl, ik heb begrip, ik heb klasse.

En toch wringt het. Want voor mij hoort elegance eerder thuis bij de manier waarop je wijn drinkt dan bij de wijn zelf. Het boers vastgrijpen van een glas met de handpalm eromheen en het bruut achterover kieperen: dat is allesbehalve elegant. Het glas bij de steel nemen, de pink licht vooruit, rustig nippen: dƔƔr kan ik perfect mee leven. Dan proef ik een verfijnde, uitgebalanceerde wijn waar ik eindeloos van kan genieten. Maar elegant? Dat ligt eerder in de houding van de drinker dan in de fles.

Maar wat is de wijn dan?

Ik heb nog nooit een wijnboer zijn eigen wijn weten afschieten. Geen producent die zegt: ā€œMijn wijn is log, zwaar en mist finesse, maar ach, hij doet het goed bij de barbecue.ā€ Nee, natuurlijk niet. Elke wijn wordt in de markt gezet als een klein meesterwerk, en dan is het woord elegant snel uitgesproken. Het is een term die veilig, flatterend en bovenal onschadelijk klinkt.

Als elegantie neerkomt op ā€œniet te veel alcohol, niet te veel hout, niet te veel tannineā€, dan hebben we het gewoon over balans. En balans is eenvoudigweg een basisvereiste voor goede wijn. Anders gezegd: als elegantie betekent dat er nergens een hoek of randje zit, dan is het misschien gewoon een nette wijn zonder uitgesproken karakter. En dat klinkt al minder sexy, niet?

Misschien wordt het tijd om het woord ā€˜elegantie’ op pensioen te sturen, of op z’n minst op sabbatical. Er zijn zoveel woorden die meer zeggen. Verfijnd. Delicaat. Gespannen. Sappig. Evenwichtig. Lineair. Complex. Subtiel. Fluwelig. Je kan nog wel ettelijke andere benamingen bedenken. Je moet er misschien wat langer over nadenken, maar je komt dichter bij wat je Ć©cht bedoelt.

Een elegant einde

Je hoeft het natuurlijk niet met me eens te zijn. Misschien vind jij elegant wel de perfecte omschrijving voor die ene wijn die je zo dierbaar is. Dat mag. Dit is mijn mening, mijn persoonlijke ergernis en mijn idee van hoe het ook kan.

Misschien denk je er helemaal anders over. Of misschien heb je een alternatief woord dat volgens jou beter vat wat er in een glas te beleven valt. Laat het gerust weten. Stel je voor dat we er een poll van maken: Is ā€œelegantā€ een nuttig wijnwoord of gewoon een leeg clichĆ©? Ik ben benieuwd wat er uitkomt.

Hoe dan ook: als dit stuk je even aan het denken heeft gezet over de woorden die we gebruiken voor wijn, dan heeft het zijn doel bereikt. En of je dat nu elegant noemt of niet, dat laat ik aan jou over.

Field blends: tussen romantiek en realiteit

September is voor ons traditioneel het moment om een van onze wijnbouwers op te zoeken. Dit jaar gaat de reis richting Ourense, in Galiciƫ. Midden in het hart van het Ribeirogebied ligt ons doel: Coto de Gomariz. De ligging? Rustig gesteld: afgelegen. Zo afgelegen zelfs dat het plannen van een rechtstreekse vlucht niet evident bleek. Uiteindelijk viel de keuze op Porto als aankomstplaats, met een huurwagen die ons via de Dourovallei naar Spanje brengt. En wanneer je door de Douro rijdt, denk je automatisch aan vrienden. In ons geval: die van Quinta do Crasto. Een halte daar ligt voor de hand: even bijpraten, banden aanhalen, en genieten van de vertrouwde omgeving.

En daarmee zijn we waar dit artikel over gaat: field blends. Een vanzelfsprekendheid in de Dourovallei, maar evenzeer een vaste waarde bij Coto de Gomariz. Aanleiding dus om een ouder artikel over dat onderwerp op te frissen en in lijn te brengen met hoe wijnbouw er vandaag uitziet.

Wat is een field blend?

Een field blend is een wijn die ontstaat uit druiven van verschillende rassen die samen in ƩƩn en dezelfde wijngaard staan aangeplant, gelijktijdig worden geoogst en in ƩƩn enkele vinificatie worden vergist. De beslissing over de blend gebeurt dus niet in de kelder, maar in de wijngaard zelf.

In tegenstelling tot klassieke assemblages, waarbij wijnen van verschillende rassen apart worden gevinifieerd en nadien geblend, is een field blend het resultaat van een collectieve oogst en een gezamenlijke gisting. Het eindproduct is doorgaans minder gericht op de expressie van een specifiek druivenras, en meer op het geheel: het samenspel van variƫteiten, rijpingsgraden, zuurtegraad en aromatische profielen, gestuurd door de plaats waar ze samen groeien.

Het aantal rassen in zo’n wijngaard varieert sterk. In sommige percelen gaat het om drie tot vijf soorten, elders zijn er meer dan twintig terug te vinden. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij oude portwijngaarden, telt men tot dertig verschillende druivenrassen. Niet zelden weten wijnmakers zelfs niet exact wat er allemaal in hun veld groeit. Vooral bij oude aanplanten ontbreekt vaak gedetailleerde documentatie, en wordt de druivenmix bepaald door ervaring, waarneming en historische overlevering.

De filosofie achter field blends gaat uit van complementariteit. Rassen met verschillende eigenschappen, vroeg of laat rijpend, meer of minder gevoelig voor droogte, verschillend in zuren en aroma’s, worden gecombineerd in de hoop dat ze samen een gebalanceerd geheel opleveren. Dat vereist keuzes: een exacte rijpheid per ras is onmogelijk. De oogst gebeurt op een moment dat voor het geheel aanvaardbaar is, wat impliceert dat sommige rassen net iets onderrijp zijn en andere net iets verder in hun ontwikkeling. Dit is tegelijk het grootste risico Ć©n de grootste charme van het systeem.

Van old fashion tot hipsterfavoriet

De tijd dat druivenrassen netjes gescheiden groeiden in aparte percelen is verrassend recent. Tot diep in de 19e eeuw was het net omgekeerd: wijnboeren plantten verschillende variƫteiten door elkaar in dezelfde wijngaard. Niet omdat ze toen al droomden van terroirexpressie of complexiteit, maar simpelweg omdat ze weinig andere keuze hadden.

Field blends ontstonden uit pragmatiek. Wijnbouwers werkten vaak zonder kennis van rasverschillen of ziektes, en beschikten niet over gecertificeerd plantmateriaal. Stekken werden doorgegeven van buur tot buur, zonder veel controle of uniformiteit. Een perceel met vijf, tien of meer druivenrassen was het gevolg van beschikbaarheid.

De gemengde aanplant had wel zijn voordelen. Door verschillende rassen samen te zetten, kon men de risico’s van misoogsten beperken. Als het ene ras te vroeg uitliep en ten prooi viel aan vorst, kon een later uitlopend ras de oogst nog redden. Bij regen in de herfst kon een vroeg rijpende variĆ«teit al geoogst zijn. Het was een vorm van natuurlijke verzekering.

Daarnaast speelde ook de sociale en economische context een grote rol. In het pachtsysteem, waar boeren op het land van anderen werkten en een deel van de opbrengst moesten afstaan, was kwantiteit belangrijker dan kwaliteit. Er werd wijn gemaakt voor consumptie, niet voor finesse. MonocƩpagewijngaarden waren zeldzaam en vooral voorbehouden aan kapitaalkrachtige domeinen of uitzonderlijke terroirs.

Vandaag zien we een opvallende omkering van perspectief. Wat ooit als wanordelijk en inefficiƫnt werd gezien, wordt nu herontdekt als authentiek en karaktervol. Field blends zijn opnieuw populair, geliefd bij sommeliers, wijnschrijvers en liefhebbers die het verleden romantiseren. Oude wijngaarden met gemengde aanplant krijgen hierdoor opnieuw een tweede leven.

Toch is het belangrijk die romantiek in perspectief te plaatsen. De veldblend van toen was geen filosofisch statement, maar een gevolg van improvisatie, armoede en beperkte middelen. Dat doet niets af aan het potentieel van field blends vandaag, maar vraagt wel om nuance. Wie deze aanpak nu bewust kiest, doet dat meestal met een andere ingesteldheid: met meer kennis, betere selectie en een duidelijk doel voor ogen.

Van vergeten naar gewild

Field blends zijn opnieuw in trek. Niet alleen bij wijnmakers, maar ook bij een publiek dat moe is van voorspelbaarheid in het glas. In een wereld waar wijn vaak gestroomlijnd wordt tot een commercieel herkenbaar product, groeit de aantrekkingskracht van het ongecontroleerde, het gelaagde en het onverwachte. Field blends bieden precies dat: wijnen die niet altijd perfect zijn, maar zelden saai.

De heropleving is deels een tegenreactie op de globalisering van smaak. De dominante aanwezigheid van internationale druivenrassen, gestandaardiseerde vinificatietechnieken en eenduidige stijlvoorkeuren heeft de laatste decennia gezorgd voor een zekere eenvormigheid. Field blends positioneren zich daar lijnrecht tegenover. Ze worden geassocieerd met authenticiteit, lokale geschiedenis en terroirgebondenheid. Oude wijngaarden waarin rassen zij aan zij groeien, worden vandaag niet langer gezien als verouderd, maar als levend erfgoed.

Dat erfgoed krijgt een nieuwe invulling. Wijnmakers zien hun gemengde percelen niet langer als een curiositeit uit het verleden, maar als een bewuste keuze. Ze spreken over natuurlijke balans, over co-evolutie van rassen, over een symbiose in de wijngaard. Elk druivenras draagt volgens hen bij aan het geheel.

Die beeldspraak werkt. Zeker bij consumenten die gevoelig zijn voor verhalen. In een markt waar herkomst steeds vaker op zoek gaat naar betekenis, is het idee van een ā€˜symfonie van druiven’ aantrekkelijk. Field blends vinden daardoor vandaag vlot hun plaats op wijnkaarten en in gespecialiseerde winkels.

Maar achter dat verhaal schuilt ook een zekere marketinglogica. Er wordt opvallend weinig kritisch geschreven over het fenomeen. Veel publicaties herhalen het discours van de producent zonder het in vraag te stellen. Het lijkt soms makkelijker om het romantische beeld in stand te houden dan om lastige vragen te stellen. Wat als die oude field blend gewoon de enige overgebleven optie was, en niet het resultaat van inzicht? Wat als de kwaliteit van de wijn eerder te danken is aan de leeftijd van de stokken dan aan de gemengde aanplant?

De ongemakkelijke vragen

De heropleving van field blends gaat gepaard met veel enthousiasme, maar zelden met een grondige analyse. De meeste verhalen die de ronde doen, zijn positief, soms zelfs lyrisch. Maar bij wie iets verder kijkt dan het marketingverhaal, duiken vragen op die moeilijk te negeren zijn.

Timing: wie oogst voor wie?

De eerste vraag is misschien ook de meest evidente: hoe rijp je druiven met verschillende fenologische profielen tegelijkertijd optimaal? Neem de Dourovallei, waar rassen als Touriga Nacional, touriga Franca, Tinta Barroca, Sousão en Bastardo samen in oude wijngaarden staan. Touriga Franca rijpt relatief laat, terwijl Tinta Barroca veel vroeger op optimale suikerrijpheid zit, maar gevoeliger is voor hitte en oxidatie. Voeg daar een ras als Sousão aan toe, dat rijk is aan zuren en kleur, maar zijn structuur pas opbouwt in de allerlaatste rijpingsfase, en je zit met een timingpuzzel die moeilijk op te lossen valt.

Een vergelijkbaar spanningsveld zien we in Wenen, waar een Gemischter Satz wettelijk uit minstens drie druivenrassen moet bestaan, samen geoogst en vergist. Zoals eerder aangehaald, verschillen die variĆ«teiten sterk in rijpingstijd en gevoeligheid voor weersomstandigheden. Toch wordt er vaak voor gekozen om alles in ƩƩn keer te plukken, met het idee dat het geheel zichzelf corrigeert. Maar de praktijk wijst uit dat dit zelden ideaal is: het ene ras is al op zijn piek, het andere nog net niet of net voorbij. ā€˜Gemiddelde rijpheid’ klinkt evenwichtig, maar levert zelden een perfect resultaat op.

Bodem: ƩƩn terroir, vele rassen?

Een tweede fundamentele bedenking betreft de bodem. Terroir speelt een centrale rol in de moderne wijnbouwfilosofie, maar het is naïef om te denken dat één perceel tegelijk de ideale voedingsbodem vormt voor een breed scala aan druivenrassen. Wat goed is voor de ene druif is zelden ideaal voor de andere. Toch staan zulke combinaties soms zij aan zij. Als terroir iets betekent, dan vereist het een zekere afstemming tussen druif en grond. Wie dat negeert, zet het terroirverhaal onder druk.

Oud is niet per se slim

Dan is er nog het argument van de oude stokken. Veel geprezen field blends komen uit percelen met wijnstokken van veertig, zestig of zelfs honderd jaar oud. En inderdaad: oude stokken leveren vaak minder druiven, maar wel met meer concentratie en diepgang. Alleen is het de vraag of de kwaliteit van zulke wijnen Ʃcht te danken is aan de gemengde aanplant, of eerder aan de leeftijd van de planten. Het is best mogelijk dat een monocepage van diezelfde oude stokken minstens even goed zou presteren. Die hypothese wordt zelden onderzocht.

Het compromis als standaard

Wie field blends verdedigt, spreekt vaak over balans, harmonie en complexiteit. Maar als die balans voortkomt uit het midden van een reeks compromissen, dan is dat niet noodzakelijk een kwaliteitsgarantie. Het idee dat een wijn ā€˜alles een beetje’ moet zijn, is misschien interessant op papier, maar zelden een recept voor uitmuntendheid. In veel gevallen ontstaat er eerder ruis dan synergie.

Waar werkt het wƩl?

Field blends mogen dan kritisch bevraagd worden, er zijn regio’s waar ze aantoonbaar werken. Meestal is dit omdat de omstandigheden – historisch, klimatologisch Ć©n cultureel – het toelaten. In zulke gevallen leveren ze wijnen die niet alleen boeiend zijn, maar ook karaktervol en consistent van kwaliteit.

Douro: complexiteit uit traditie

De Dourovallei in Portugal is het klassieke voorbeeld. Hier zijn field blends nooit weggeweest. Oude, steile wijngaarden bevatten soms tientallen druivenrassen door elkaar aangeplant, vaak zonder dat precies geweten is wat er allemaal groeit. Deze diversiteit is geen experiment, maar het resultaat van eeuwenlange praktijk.

Een van de sterkste bewijzen van hun potentieel is de Old Vines Reserva van Quinta do Crasto. De wijn is afkomstig van meer dan veertig oude percelen, waarvan sommige stokken tot honderd jaar oud zijn. De complexiteit van het eindresultaat spreekt voor zich: rijk, evenwichtig en vol karakter. Niet omdat ƩƩn ras uitblinkt, maar omdat het geheel van boven de dertig rassen meer is dan de som der delen. Hier wordt de field blend niet als curiosum gepresenteerd, maar als structurele pijler van een topcuvƩe.

Wenen: precisie in diversiteit

In Oostenrijk kreeg de field blend een wettelijk kader via de Wiener Gemischter Satz DAC. De regels zijn duidelijk: minstens drie druivenrassen, samen aangeplant, samen geoogst, samen vergist. Dit is het schoolvoorbeeld van een wijngaardpraktijk die uiteindelijk is uitgegroeid tot een erkend model van gecontroleerde variƫteit.

De sterkte van Gemischter Satz zit in zijn beheersbaarheid. Waar de Douro draait op ervaring en intuĆÆtie, bouwt Wenen op structuur en regelgeving. De veldblends zijn doordacht samengesteld en afgestemd op bodem, ligging en microklimaat. Het resultaat: frisse, energieke wijnen die toegankelijk zijn maar toch een zekere diepgang bezitten.

Ribeiro: terug naar de wortels

In het noordwesten van Spanje, in de DOP Ribeiro, is gemengde aanplant geen reliek uit het verleden, maar een levende traditie. In de vaak terrasvormige wijngaarden op granietrijke bodems staan lokale rassen als Treixadura, AlbariƱo, Godello, Lado, Loureira en TorrontƩs sinds generaties samen aangeplant. Deze percelen zijn zelden volledig heringericht, waardoor een opmerkelijke biodiversiteit behouden bleef.

Die traditie wordt vandaag met overtuiging verdergezet door producenten als Coto de Gomariz, waar blends zoals Finca O Figueiral ontstaan uit historische wijngaarden met tientallen lokale variƫteiten. De druiven worden samen geoogst en vergist, in een poging het terroir niet per component, maar als geheel te laten spreken. Het resultaat is geen technische assemblage, maar een natuurlijke gelaagdheid die alleen in deze context kan ontstaan.

Van Alsace tot Tasmania

Field blends zijn lang niet beperkt tot een handvol uitzonderingen. Naast Douro, Wenen en Ribeiro komen ze ook elders voor, zij het in verschillende gedaantes. In Californiƫ zijn oude wijngaarden in Napa en Sonoma, vaak aangeplant met Zinfandel, Carignan, Petite Sirah en Alicante Bouschet, stille getuigen van een praktijk die teruggaat tot de 19e eeuw. In Australiƫ herontdekken domeinen in onder meer Barossa en Tasmaniƫ het principe met moderne, vaak witte field blends.

In de Elzas leeft de traditie van edelzwicker voort bij producenten als Marcel Deiss, al gaat het daar zelden om Ʃchte gemengde aanplant. En in Alto Piemonte, op de Canarische Eilanden en delen van Zuid-Frankrijk blijven oude co-aanplanten bestaan, vaak aangeplant door vroegere generaties.

Maar zijn alle orkesten even goed?

Opvallend is dat ondanks de waardering voor field blends de laatste jaren sterk is toegenomen, ze zelden onderwerp zijn van grondige wetenschappelijke studie. Terwijl wijnmakers en sommeliers vlot spreken over balans, harmonie en terroirexpressie, ontbreekt het aan objectieve gegevens die deze kwaliteiten fundamenteel onderbouwen.

Er is geen breed gedragen bewijs dat field blends complexere of beter gebalanceerde wijnen opleveren dan zorgvuldig samengestelde assemblages of precieze monocepagewijnen. Integendeel, de praktijk leert dat het co-vergisten van rassen met uiteenlopende rijptijden en fysiologische behoeften vaak leidt tot een compromis: sommige druiven zijn nog niet rijp, anderen al over hun piek. Het idee dat rassen zich aan elkaar aanpassen in rijping of gedrag binnen een perceel is voorlopig eerder anekdotisch dan bewezen.

Uiteraard bestaan er field blends die overtuigen. Vaak komen die uit oude wijngaarden met decennialange geschiedenis, aangeplant vóór er sprake was van klonale selectie of wetenschappelijk onderbouwde plantkeuze. Denk aan die bepaalde percelen in Douro, waar de druivenkeuze niet voortkwam uit een plan, maar uit generatieslange ervaring, geografische toevalligheden en praktische noodzaak. De kracht van deze wijnen ligt niet per se in het principe van de field blend, maar in de rijpheid van de stokken, de natuurlijke selectie die plaatsvond door de jaren heen, en de intimiteit tussen wijnbouwer en perceel.

Dat maakt de vraag des te relevanter: wat gebeurt er als een wijnbouwer vandaag besluit een nieuwe field blend aan te leggen? De kans is reƫel dat de uitkomst minder overtuigend is dan gehoopt. Zonder die opgebouwde veldkennis, zonder de ingesleten balans tussen rassen, zonder het organisch gegroeide evenwicht van oude aanplant, blijft het risico bestaan dat de wijn ongericht, onevenwichtig of vlak wordt. De complexiteit van een historische field blend is vaak niet het gevolg van de blend op zich, maar van de geschiedenis die eraan voorafging.

En precies daar ligt het antwoord op de vraag in de titel: niet elk orkest speelt vanzelf goed samen. Sommige hebben jaren nodig om op elkaar ingespeeld te raken. Andere klinken harmonieus enkel omdat de partituur generaties geleden al werd geschreven.

Een revival van nooit weggeweest

Ook al erkennen we de bedenkingen uit het voorgaande hoofdstuk, toch vraagt de realiteit vandaag om nuance. Je kan moeilijk om de hype heen die een Gemischter Satz uit Wenen momenteel teweegbrengt. Het succes van dit type wijn maakt field blends opnieuw aantrekkelijk voor wijnmakers die willen meedeinen op die golf Ʃn voor een publiek dat openstaat voor iets anders dan de vertrouwde smaken.

Field blends hebben wel degelijk hun plek in de wijnwereld. Ze verrassen, verleiden en brengen vaak een smaakervaring die buiten de lijntjes kleurt. Maar ze zijn geen shortcut naar grote wijn, geen automatische route naar complexiteit of expressie. Zoals zo vaak ligt de waarheid ergens tussen passie en precisie, tussen traditie en techniek. En vooral: in het glas.

Hun revival is dus terecht. Soms als hype, soms als herontdekking. Maar laten we mild nostalgisch zijn, en erkennen dat deze wijnen nooit helemaal zijn verdwenen. Ze zijn er altijd geweest. Het is alleen onze blik die veranderd is.

Vigna Vecchia: de stille kracht van oude wijnstokken

Wijnetiketten kunnen je veel vertellen. Maar ze vertellen niet altijd de hele waarheid. Neem nu de term Vigna Vecchia, de Italiaanse tegenhanger van het Franse Vieilles Vignes. Het klinkt indrukwekkend: een eerbetoon aan verweerde wijnstokken, diepe wortels en wijnen met een verleden. Maar wat betekent het Ʃcht? Niet overal bestaat wetgeving over de leeftijd van oude stokken. In Italiƫ echter wƩl. Sinds 2016 bepaalt de Testo Unico del Vino dat Vigna Vecchia enkel mag worden gebruikt voor geregistreerde wijngaarden met stokken van minstens veertig jaar oud, afzonderlijk geoogst en gevinifieerd. Wie dat label draagt, moet dat kunnen bewijzen.

Toch blijft verwarring bestaan. Wanneer je Vigna Vecchia op een label ziet staan, verwacht je een eerbiedwaardige leeftijd van pakweg 75 jaar. Maar soms blijkt het om stokken van net boven de 40 te gaan, of wordt er ongemerkt jongere aanplant mee verwerkt. De term klinkt historisch, maar is niet altijd even historisch ingevuld.

In een wijnwereld die barst van regeltjes, herkomstbenamingen en certificaten is het merkwaardig dat een begrip als ā€˜oude wijnstokken’ nog zo vaag en elastisch kan worden toegepast. De wettelijke grens ligt dus op veertig jaar, maar of dat voor iedereen ā€˜oud’ betekent, is een andere kwestie.

Een kwestie van wortels

Wie het over oude wijnstokken heeft, begint best bij de basis: de Vitis vinifera. Deze Europese wijnstok is al eeuwenlang de stamvader van de edelste druivenrassen. Het is een meester in overleven, maar niet zonder hulp. Sinds de verwoestende komst van de druifluis (phylloxera) in de 19de eeuw, worden bijna alle wijnstokken in Europa geƫnt op Amerikaanse onderstammen, resistent tegen deze parasiet. Een noodzakelijke ingreep die de Europese wijncultuur letterlijk van de ondergang heeft gered.

Toch is de onderstam slechts het fundament. Het echte verhaal van oude wijnstokken speelt zich af onder de oppervlakte, in het wortelgestel. Naarmate een wijnstok ouder wordt, groeit zijn wortelnetwerk niet alleen dieper maar ook wijder. In sommige gevallen reiken wortels tot meer dan tien meter diep, doorheen gesteente, zandlagen en klei, op zoek naar water en voedingsstoffen. Dat klinkt heroĆÆsch en dat is het ook. Want elke meter dieper betekent toegang tot complexere minerale lagen, die jonge wijnstokken eenvoudigweg niet bereiken.

Wat dat oplevert? Minder druiven, maar meer essentie. Oude wijnstokken leveren kleinere trossen met dikkere schillen en een hogere concentratie van aroma’s, zuren en fenolische stoffen. Dat vertaalt zich in druiven met meer structuur, meer diepgang en een sterker gevoel van herkomst. Wijnen van oude stokken bezitten vaak een stille intensiteit, een zekere ingetogen kracht.

De wortels dienen ook als geheugen. Ze kennen de grond, het ritme van de seizoenen, de stressmomenten van droogte of hitte, en hoe daarop te reageren. Terwijl jonge wijnstokken vaak grillig reageren op klimatologische schommelingen, zijn oude stokken veerkrachtiger. Ze hebben geleerd te doseren.

En uiteraard is er de wisselwerking met de bodem zelf. In Italiƫ spreken wijnbouwers, net als elders ter wereld, met eerbied over hun terroir, maar vaak zonder te overdrijven of te vervallen in het Franse chauvinisme. Op de lavabodem van de Etna, in de tufsteen van Campania of tussen de kalkrijke heuvels van de Marche neemt de stok de geologische geschiedenis op. Hoe ouder de wijnstok, hoe beter hij deze vertaling maakt. Geen enkel wijnjaar staat op zichzelf, het draagt altijd iets van de diepte mee.

De harde leerschool van de wijnstok

Oude wijnstokken zijn het resultaat van decennia van strijd, aanpassing en doorzettingsvermogen. Geen enkele stok haalt zomaar de kaap van vijftig, zestig of zelfs honderd jaar. Alleen wie de juiste balans vindt tussen stress en overleving, maakt kans om oud te worden en om betere druiven te leveren naarmate de jaren vorderen.

Dat begint bij de bodem. Wijnstokken houden niet van gemak. Geef ze een rijke, vochtige grond en ze zullen uitbundig groeien, maar oppervlakkig wortelen. De druiven worden waterig, de wijn dun. Pas op schrale gronden, waar stenen, klei of kalk de weg versperren, moeten ze zich bewijzen. Hun wortels graven dieper, hun tempo vertraagt, hun productie daalt. En dat is precies wat er moet gebeuren.

Oude wijnstokken hebben geleerd om met schaarste om te gaan. Ze kennen het ritme van de seizoenen en weten hoe ze moeten doseren. Hun wortels reiken vaak tot in lagen waar mineralen, sporenelementen en microflora hun complexiteit voeden.

Ook concurrentie speelt een rol. In een dichte aanplanting vechten de stokken jaar na jaar voor dezelfde beperkte middelen. Die strijd selecteert. De zwakkere stokken verdwijnen, de sterkste blijven. Wat overblijft na tientallen jaren is een netwerk van stokken die zichzelf hebben bewezen, seizoen na seizoen. Ze produceren minder, maar beter. Een goede wijnbouwer weet exact welke stokken in zijn wijngaard nog relevant zijn, en welke hun rol hebben uitgespeeld.

Water is een ander sleutelelement. Oude wijnstokken zijn minder afhankelijk van regen. Hun diepe wortels vinden reserves waar jonge planten allang zouden bezwijken. Toch is waterstress, tot op zekere hoogte, net gezond. Ze triggert de plant om zich te concentreren op haar vruchten, om te rijpen met overtuiging. Te veel stress, te lang, en zelfs een oude wijnstok geeft het op. Maar de beste stokken weten precies hoe lang ze het kunnen volhouden.

Wie dus een oude wijnstok ziet, ziet in de eerste plaats een overlever.

Wanneer is een wijnstok oud genoeg?

Niet elke stok van veertig jaar verdient het label Vigna Vecchia. In sommige regio’s wordt die leeftijd zelfs al als ā€˜oud’ bestempeld. Maar in principe is de wijnstok op die leeftijd pas een plant die in haar volwassen fase zit, niet aan het eind van haar loopbaan. De echte oude stokken beginnen pas vanaf vijftig jaar. Dat is het punt waarop de natuur begint te selecteren en de wijnstok langzaam minder maar kwalitatiever geeft.

Vanaf die leeftijd verandert alles. De groeikracht neemt af, de opbrengst vermindert, maar wat overblijft is geconcentreerder. De druiven zijn kleiner, de trossen losser, de schillen dikker. De verhouding tussen vruchtvlees en schil, en dus tussen volume en extractie, verschuift ten gunste van de kwaliteit. Suikergehaltes zijn vaak stabieler, zuren beter gebalanceerd, en de fenolische rijpheid wordt eerder bereikt. Met andere woorden: de druif is compacter geworden, en dus ook de wijn.

Een oude wijnstok stelt ook duidelijke voorwaarden. Hij vraagt rust, ruimte en respect. Snoei je hem te hard, dan raakt hij uit balans. Vraag je te veel opbrengst, dan krijg je middelmaat. De wijnmaker moet doseren, keuzes maken in de wijngaard. Daarom is het ook zo belangrijk dat oude wijnstokken niet zomaar aangevuld worden met jonge aanplant. EƩn jonge, krachtige plant in een veld van oude stokken verandert de dynamiek. Hij eist meer water op, groeit sneller, verstoort het ritme van de wijngaard. Een homogene oude aanplant is geen vanzelfsprekendheid. Ze ontstaat door tijd, zorg en terughoudendheid.

Traditie of marketing?

In een wereld waar authenticiteit steeds luider wordt geclaimd, is het ironisch dat net diezelfde term zo vaak verdwijnt achter het rookgordijn van marketing. Vigna Vecchia is daar een schoolvoorbeeld van. Het klinkt krachtig, suggestief en rijk aan geschiedenis. Het roept beelden op van verweerde wijnstokken, diepe wortels en druiven vol karakter. En dus duikt de term steeds vaker op, ook wanneer de realiteit iets minder heroĆÆsch blijkt.

In de praktijk is Vigna Vecchia vaak niet meer dan een etiket. In theorie mag het niet zomaar. In praktijk wordt het soms toch losjes toegepast. Voor de consument wordt het dan een spelletje giswerk. De ene fles met Vigna Vecchia bevat druiven van 60 jaar oude stokken, zorgvuldig geselecteerd en met lage opbrengst geoogst. De andere komt van een perceel van 40 jaar, gemengd met jong aanplant, maar met een vlot ogend label en een stevig prijskaartje. Beide wijnen claimen hetzelfde verhaal, maar spreken een andere waarheid.

Gelukkig maakt de Italiaanse wet sinds 2016 duidelijk dat dat niet zomaar kan. Alleen wie voldoet aan strikte voorwaarden mag de term gebruiken. Maar de grens ligt laag genoeg om twijfel te zaaien. Veertig jaar klinkt misschien oud, maar is in druiventermen eerder rijp dan bejaard.

Tegelijk blijft transparantie de krachtigste vorm van geloofwaardigheid. Een producent die op zijn etiket of rugetiket duidelijk vermeldt wat de gemiddelde leeftijd van zijn stokken is, wekt vertrouwen. Nog beter: vertel het verhaal van het perceel, van de stokken, van hun geschiedenis. In een tijd waar storytelling alomtegenwoordig is, zou het fijn zijn als het verhaal ook echt waar is.

Vigna Vecchia moet geen marketinginstrument zijn, maar een eretitel.

De kleur van karakter: anthocyanen in wijn

Een rode wijn krijgt zijn kleur doordat het sap in contact komt met de schil van de druif. Dat lijkt vanzelfsprekend. Geen schilcontact, geen kleur. Het sap van een druif, of die nu wit of blauw is, is immers kleurloos. Alleen bij uitzonderlijke rassen, de zogenaamde teinturiers, zit de kleur ook in het vruchtvlees.

Toch zijn er opvallende verschillen in kleur tussen rode wijnen. Zet tien glazen naast elkaar en je krijgt tien tinten: van doorschijnend robijnrood tot bijna ondoorzichtig paars. Daar zijn meerdere verklaringen voor. De rijpheid van de schil speelt een rol, net als de duur van het schilcontact tijdens de vinificatie. Maar de grootste bepalende factor is het druivenras zelf. Want elke druif bevat een ander type en hoeveelheid anthocyanen.

Een Pinot Noir bijvoorbeeld bevat beduidend minder anthocyanen dan een Syrah. En het zijn precies die anthocyanen, natuurlijke kleurstoffen uit de schil, die de kleur van de wijn bepalen.

Wat zijn anthocyanen eigenlijk?

Anthocyanen zijn wateroplosbare kleurstoffen die behoren tot de groep van polyfenolen, en meer specifiek tot de flavonoĆÆden. Ze bevinden zich in de schil van blauwe druiven en zijn grotendeels verantwoordelijk voor de kleur van rode wijn. Zonder anthocyanen zou wijn er bleek, flets of zelfs kleurloos uitzien. Het dieprood, robijn of purper in het glas begint bij deze pigmenten.

Tijdens de gisting komen anthocyanen vrij uit de schil en lossen ze op in het druivensap. Hoeveel ervan in de wijn terechtkomt, hangt af van verschillende factoren: het druivenras, de rijpheid van de schil en hoe lang het sap contact heeft gehad met de vaste delen. Sommige druivenrassen, zoals Syrah, Aglianico of Sagrantino, bevatten van nature veel anthocyanen. Andere, zoals Nebbiolo, geven ondanks hun krachtige structuur een opvallend bleke wijn. In jonge rode wijnen kan het gehalte aan anthocyanen oplopen tot 2000 milligram per liter, al ligt het gemiddelde dichter bij 500 milligram.

De kleur die anthocyanen aan wijn geven, is niet vast. Ze verandert onder invloed van de zuurtegraad. In een zure omgeving, zoals dat meestal het geval is bij wijn, kleuren anthocyanen intens rood. Bij een hogere pH, bijvoorbeeld in warmere klimaten of bij bepaalde vinificatietechnieken, verschuift de tint richting blauw of paars. Dat verklaart waarom eenzelfde druif er anders kan uitzien naargelang de regio.

Niet alle druiven bevatten evenveel anthocyanen. Witte druiven bevatten amper anthocyanen, en als ze er al zijn, dan zitten ze enkel in de schil. Omdat bij witte wijn de schillen meestal niet mee vergisten, blijft het sap kleurloos. Bij teinturierdruiven, een zeldzame groep binnen de blauwe rassen, zit het pigment ook in het vruchtvlees. Deze druiven worden vooral gebruikt om kleur toe te voegen aan blends.

De hoeveelheid anthocyanen bepaalt niet alleen hoe donker een wijn is, maar ook de nuance. Het verschil tussen een jonge Barbera en een stevige Cahors zit deels in de verhouding tussen de verschillende types anthocyanen. Die beĆÆnvloeden hoe helder, diep of doorschijnend een wijn eruitziet. Bovendien reageren anthocyanen met andere stoffen in de wijn, zoals tannine en andere fenolen. Die interacties zorgen ervoor dat de kleur zich verder ontwikkelt tijdens de rijping.

Anthocyanen zijn dus meer dan kleurstoffen. Ze zijn actief, veranderlijk en vormen een belangrijk deel van het verhaal dat wijn vertelt. Wat begint als een fel pigment in een jonge wijn, groeit uit tot een complexe kleurstructuur in een gerijpte wijn. Het is chemie met visueel karakter.

Waarom zijn ze belangrijk in wijn?

Anthocyanen zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de kleur van rode wijn. Die kleur is niet alleen decoratief, ze vormt vaak de eerste indruk die een wijn nalaat, nog voor hij wordt geroken of geproefd. Van doorschijnend robijnrood tot ondoorzichtig paars, het kleurbeeld vertelt iets over druif, leeftijd en stijl. Maar de rol van anthocyanen gaat verder dan dat visuele visitekaartje.

Tijdens de eerste fase van de vinificatie komen anthocyanen geleidelijk vrij uit de schil en lossen ze op in het sap. In dat stadium zijn het losse moleculen, relatief instabiel en gevoelig voor zuurstof, pH en temperatuur. Zodra de alcoholische gisting op gang komt, gaan deze moleculen verbindingen aan met andere stoffen in de wijn, zoals tannine en flavonolen. Zo ontstaan stevigere kleurstructuren die minder snel afbreken. Tijdens de rijping gaan sommige van deze pigmenten nog een stap verder en vormen ze nieuwe kleurstoffen, zoals pyranoanthocyanen. Die ontstaan wanneer anthocyanen zich binden met kleine moleculen (zoals pyruvaat of acetaldehyde). Pyranoanthocyanen zijn veel stabieler en zorgen ervoor dat wijn zijn kleur behoudt, zelfs wanneer de oorspronkelijke pigmenten afnemen. Ze dragen bij aan de warmere, baksteenrode tinten die je vaak ziet in oudere wijnen.

Deze omzettingen zijn essentieel voor de kleurstabiliteit. Zonder die reacties zouden de meeste jonge wijnen hun kleur binnen enkele maanden verliezen. Naarmate de wijn ouder wordt, daalt de hoeveelheid vrije anthocyanen, maar in de plaats ontstaan stabielere verbindingen die zorgen voor een diepere, warmere kleur. Wat je in een oudere wijn ziet, is dus niet meer het oorspronkelijke pigment, maar het resultaat van chemische samenwerking in de fles.

Anthocyanen beĆÆnvloeden ook hoe we een wijn ervaren. Ze dragen niet rechtstreeks bij aan geur of smaak, maar kunnen zich binden aan aromastoffen of ze stabiliseren. Dat kan een rol spelen in hoe fruitig, fris of rijp een wijn overkomt, zelfs als de pigmenten zelf geurloos zijn.

Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar mogelijke gezondheidsvoordelen. In laboratoriumomstandigheden vertonen anthocyanen antioxidatieve werking en lijken ze een beschermend effect te hebben op cellen en bloedvaten. Al moet daar meteen aan toegevoegd worden dat de meeste van deze bevindingen voorlopig niet zijn bevestigd in robuuste klinische studies.

Wat wel zeker is: zonder anthocyanen verliest rode wijn zijn identiteit. Ze vormen de brug tussen druif en stijl, tussen kleur en beleving. Hun gedrag tijdens fermentatie en rijping is bepalend voor de visuele, en indirect ook de zintuiglijke gelaagdheid van wijn.

De belangrijkste anthocyanen en wat ze doen

De kleur van rode wijn wordt grotendeels bepaald door een beperkt aantal anthocyanen. In druiven van Vitis vinifera gaat het vooral om vijf tot zes pigmenten, die chemisch gezien 3-O-glucosiden zijn: kleurmoleculen die van nature aan een suikergroep gekoppeld zijn. In de praktijk spreken we kortweg van malvidine, delphinidine, petunidine en enkele andere. Elk type anthocyaan heeft zijn eigen kleur, stabiliteit en gedrag tijdens het rijpen van de wijn.

  • Malvidine-3-O-glucoside (oenin)
    Dit is veruit de meest dominante anthocyaan in de meeste klassieke druivenrassen. In sommige wijnen, zoals Merlot of Grenache, kan het meer dan 80 procent van het totale anthocyaangehalte uitmaken. Malvidine zorgt voor een diepe paars-rode kleur en is relatief stabiel: ze houdt goed stand tijdens de rijping en is minder gevoelig voor afbraak door zuurstof. In veel jonge Bordeauxwijnen is de geconcentreerde kleur voor een groot deel aan dit pigment te danken.
  • Delphinidine-3-O-glucoside (myrtilline)
    Kleurt wijn eerder blauw-paars en komt veel voor in druiven met een intens kleurprofiel, zoals Syrah of Aglianico. Deze anthocyaan is chemisch minder stabiel dan malvidine en wordt sneller afgebroken tenzij ze gebonden wordt in stabiele kleurstructuren. Toch draagt delphinidine duidelijk bij aan het koele, donkere uiterlijk van veel mediterrane rode wijnen.
  • Petunidine-3-O-glucoside (petunine)
    Deze bevindt zich qua kleur en gedrag tussen malvidine en delphinidine. Ze levert zowel blauwe als rode tinten en zorgt zo voor extra diepte. Dit pigment komt vaak voor in druiven zoals Malbec, waar het mee instaat voor de robuuste paarse kleur die typisch is voor jonge wijnen van dat ras.
  • Peonidine-3-O-glucoside (peonine)
    Neigt meer naar helder rood en komt veel voor in rassen met een fijnere kleurstructuur, zoals Pinot Noir of Gamay. Peonidine is minder dominant in hoeveelheid, maar haar aanwezigheid zorgt voor nuance in lichtere, elegantere wijnen. Ze draagt bij tot een zachtere en meer toegankelijke visuele stijl.
  • Cyanidine-3-O-glucoside (kuromanine)
    Levert een opvallend fris, rood accent maar is minder stabiel en verdwijnt vaak sneller tijdens het rijpingsproces. Ze komt voor in druiven met een bescheiden kleurcapaciteit en speelt vooral een rol in de jeugd van de wijn. Hoewel tijdelijk, kan haar aanwezigheid visueel verfrissend zijn.
  • Pelargonidine-3-O-glucoside (callistefine)
    Is zelden aanwezig in Vitis vinifera en wordt meestal alleen in kleine sporen aangetroffen. Ze komt eerder voor in hybride of niet-Europese druivensoorten. Indien aanwezig, geeft ze een oranjerode tint, maar haar invloed op klassieke Europese rode wijn is minimaal.

De precieze mix van deze anthocyanen verschilt per druivenras en wordt genetisch bepaald. Elke druif maakt een eigen combinatie aan op basis van haar DNA, dat bepaalt welke enzymen actief zijn in de aanmaak van pigmenten. Zo bevatten Sangiovese en Nebbiolo relatief weinig malvidine, wat hun lichtere kleur helpt verklaren ondanks hun stevige tanninestructuur. Aglianico en Syrah daarentegen bevatten grote hoeveelheden malvidine en delphinidine, wat leidt tot diepdonkere, ondoorzichtige wijnen.

De impact van elk type anthocyaan is dus niet alleen visueel, maar ook stilistisch. Wat we zien in het glas is het resultaat van een chemisch samenspel van deze pigmenten, elk met hun eigen karakter en gedrag.

Zelfassociatie en copigmentatie: kleurversterking van binnenuit

Anthocyanen zijn van nature instabiele kleurstoffen. Als ze los in de wijn aanwezig zijn, zijn ze gevoelig voor invloeden van buitenaf zoals zuurstof, temperatuur en pH. Om hun kleur te behouden en te versterken, gaan ze verbindingen aan met zichzelf of met andere moleculen in de wijn. Die samenwerking helpt om de kleur niet alleen intenser te maken, maar ook stabieler. Er zijn twee belangrijke manieren waarop dit gebeurt: zelfassociatie en copigmentatie.

Bij zelfassociatie gaan verschillende anthocyaanmoleculen samenklonteren, zonder dat er echte chemische bindingen ontstaan. Ze stapelen zich als het ware op elkaar, wat verhindert dat watermoleculen toegang krijgen tot het gevoelige deel van de kleurstof. Daardoor blijven de anthocyanen langer in hun gekleurde vorm. Dit leidt tot een intensere kleur (het zogenoemde hyperchromisch effect) en soms tot een lichte verschuiving naar meer paarse tinten (bathochromisch effect). Zelfassociatie gebeurt vooral in jonge rode wijnen met een hoge concentratie anthocyanen, zoals bij malvidine in een geconcentreerde wijn van Syrah of Aglianico.

Copigmentatie werkt volgens een gelijkaardig principe, maar hier vormen anthocyanen tijdelijke complexen met andere kleurloze stoffen in de wijn. Deze hulpstoffen, of ‘copigmenten’, kunnen bijvoorbeeld flavonolen zijn, of flavan-3-olen zoals catechine. Ook bepaalde zuren (zoals caffeĆÆnezuur en ferulinezuur), aminozuren en zelfs metaalionen kunnen als copigment functioneren. De copigmenten gaan vlakbij het gekleurde deel van de anthocyaan liggen en vormen als het ware een beschermend schild. Zo voorkomen ze dat de kleur verdwijnt of vervaagt. Het resultaat is een intensere, vaak ook blauwere kleur met meer diepte.

Copigmentatie speelt vooral een rol in jonge rode wijn, waar het verantwoordelijk kan zijn voor 30 tot 50 procent van de zichtbare kleur. Hoe sterk dit effect is, hangt af van de soort anthocyaan, het type copigment en hun onderlinge verhouding. Sommige moleculen, zoals flavonolen, zijn bijzonder effectieve copigmenten. Anthocyanen die op specifieke plaatsen een extra groep dragen (zoals acylgroepen) kunnen deze binding nog versterken. In sommige gevallen gebeurt copigmentatie zelfs binnen ƩƩn molecule, als bijvoorbeeld een anthocyaan al gebonden is aan een aromatisch zuur: dat noemen we intramoleculaire copigmentatie.

In tegenstelling tot polymerisatie, die eerder optreedt in oudere wijn, is copigmentatie een fenomeen dat vooral zichtbaar is in jonge rode wijnen. In rosƩ is het effect minimaal: daar zijn simpelweg te weinig anthocyanen aanwezig om deze kleurversterkende reacties op gang te brengen. De kleur blijft daar lichter, vaak zonder de paarse reflexen die je in jonge rode wijnen ziet.

Zelfassociatie en copigmentatie zijn dus de eerste verdedigingslinie van een wijnkleur. Ze helpen om de fragiele pigmenten uit de druif te beschermen en zichtbaar te houden in het glas. Wijnmakers kunnen dit mee ondersteunen via technieken die zorgen voor een optimale extractie van zowel anthocyanen als copigmenten, zoals koude schilinweking of het gebruik van specifieke enzymen.

Uiteindelijk zijn deze interacties geen detail, maar essentieel voor het kleurverloop en de stijl van een wijn. Ze bepalen of een wijn er jong, strak en levendig uitziet, of eerder dof en futloos. En dat is geen chemisch toeval, maar het resultaat van een subtiel samenspel tussen moleculen.

Factoren die de kleur beĆÆnvloeden

De kleur van wijn hangt niet alleen af van het soort en de hoeveelheid anthocyanen, maar ook van de omstandigheden waarin deze kleurstoffen zich bevinden. Verschillende chemische en omgevingsfactoren bepalen of de kleur behouden blijft, versterkt wordt of juist vervaagt. Deze invloed begint al tijdens de gisting en loopt door tot in de fles.

Een van de belangrijkste factoren is de zuurtegraad van de wijn. Anthocyanen kunnen verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de pH. Bij lage pH-waarden, typisch voor jonge rode wijn, nemen anthocyanen hun meest gekleurde vorm aan: een rode, stabiele structuur die flavyliumion wordt genoemd. Als de pH stijgt, verschuift het evenwicht naar minder gekleurde of zelfs kleurloze vormen. Daardoor kan een wijn met een iets hogere pH lichter ogen of een blauwere schijn vertonen. Zelfs kleine verschillen in zuurtegraad kunnen dus merkbaar zijn in het glas.

Een andere invloedrijke factor is zwaveldioxide, een stof die vaak wordt toegevoegd om wijn te beschermen tegen oxidatie en bederf. Zwavel kan zich tijdelijk binden aan het flavyliumion van anthocyanen, waardoor deze kleurstoffen onzichtbaar worden. Die binding is omkeerbaar, maar zolang ze aanwezig is, ziet de wijn er minder intens uit. Bij normaal gebruik is dat geen probleem, maar een overdosis kan de kleur flatter afdoen lijken.

Ook zuurstof speelt een rol. Anthocyanen zijn gevoelig voor oxidatie, vooral wanneer ze nog vrij in de wijn aanwezig zijn. Blootstelling aan lucht kan leiden tot de afbraak van pigmenten of tot chemische omzettingen die de kleur bruiner of doffer maken. Sommige anthocyanen, zoals malvidine en peonidine, zijn beter bestand tegen oxidatie dan bijvoorbeeld cyanidine of delphinidine. Daarom behouden wijnen met een hoger aandeel aan stabielere anthocyanen doorgaans langer hun kleur.

Licht is een andere vijand van wijnkleur. Vooral UV-licht versnelt de afbraak van pigmenten, zeker als dat gepaard gaat met warmte of zuurstof. Donkere flessen en koele opslag zijn dus geen overbodige luxe, maar een bewuste keuze om kleurverlies te vermijden.

Ook temperatuur heeft een effect. Hoe warmer de omstandigheden, hoe sneller chemische reacties verlopen, inclusief de afbraak van kleurstoffen. Wijnen die aan hitte zijn blootgesteld, verliezen sneller hun levendige tint en neigen naar bruinere schakeringen. Daarom is het belangrijk om wijn koel te bewaren, zowel in het magazijn als in de distributie.

Ten slotte zijn er nog enzymen en micro-organismen die de kleur kunnen aantasten. Een schimmel zoals Botrytis cinerea produceert het enzym laccase, dat anthocyanen kan oxideren nog voor ze goed en wel opgelost zijn. Ook bepaalde gisten en bacteriƫn kunnen pigmenten opnemen of chemisch veranderen. Dat gebeurt vooral bij beschadigde druiven of als er tijdens de vinificatie onvoldoende hygiƫnisch wordt gewerkt.

Kortom, de kleur van wijn is geen vaststaand gegeven. Ze is het resultaat van een voortdurend evenwicht tussen pigmenten en invloeden van buitenaf. Wijnmakers kunnen niet alles controleren, maar inzicht in deze factoren helpt om de visuele kwaliteit van wijn te behouden of zelfs te versterken.

Tot slot

Anthocyanen zijn geen simpele kleurstoffen. Ze zijn chemisch actief, gevoelig voor hun omgeving en bepalen mee het karakter van rode wijn. Wat we in het glas zien, is niet enkel kleur, maar een weerspiegeling van druif, techniek en tijd.

Dit artikel is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten over anthocyanen en hun rol in wijn.