Carne di cavallo in Italië: tussen traditie en taboe

Onlangs las ik opvallend nieuws in de krant: Italië wil het consumeren van paardenvlees bannen. Dat trok mijn aandacht omdat er in bepaalde delen van het land net een stevige eetcultuur rond carne di cavallo leeft. Denk aan Verona, waar paardenvlees al lang deel uitmaakt van de lokale eetcultuur.

Zelf heb ik nog nooit paardenvlees gegeten. Wellicht zit de weerstand vooral tussen mijn oren, alsof mijn hoofd het al heeft verboden nog voor het op mijn bord ligt. Maar ik heb vrienden die er wél gek op zijn. Voor hen is het zelfs een traditie: af en toe in België naar een restaurant trekken waar paardenvlees de specialiteit is. Telkens weer proberen ze me te overtuigen om mee te gaan, en telkens klinkt het alsof ik iets bijzonders mis.

Wel heb ik ooit stoofvlees van ezel geserveerd gekregen, zonder dat ik wist dat het ezel was. Dat was tijdens de druivenoogst in Davayé, in het zuiden van Bourgogne, niet ver van de Roche de Solutré. Je zit in dat oogstritme, moe en hongerig, en er komt een dampende pot op tafel die zó goed klopt dat niemand vragen stelt. Pas achteraf kwam de uitleg: een pas geslachte ezel, niets uitzonderlijks daar, eerder iets dat bij hun gewoontes hoort. En toen bleef één vraag hangen. Had ik dit ook gegeten als ik het op voorhand had geweten?

De Italiaanse traditie van carne di cavallo

Carne di cavallo kreeg in Italië pas geleidelijk een plaats in de keuken. In de Romeinse tijd waren paarden vooral werk en oorlogsdieren. Als voedselbron bleven ze meestal buiten beeld, al kon het in uitzonderlijke noodsituaties wel gebeuren, bijvoorbeeld tijdens militaire campagnes.

Na de Romeinse tijd bleef het paard vooral een werkdier. Dat maakte slachten zelden een eerste keuze: een gezond paard was te nuttig en te waardevol. Paardenvlees kwam pas in beeld wanneer die waarde wegviel, bij dieren die gewond raakten, stierven of te oud werden om nog te werken. In een strengere religieuze en culturele context kreeg voedsel bovendien vaker een morele lading. Paardenvlees werd daardoor een gevoeliger onderwerp en werd op verschillende momenten ontmoedigd, onder meer door de link met oude rituelen.

Tegelijk zie je doorheen de eeuwen hetzelfde patroon terugkeren. Als het leven hard wordt, wordt de keuken praktisch. Oorlog, epidemieën en schaarste duwen mensen richting oplossingen die ze in rustige tijden zouden vermijden. In zulke omstandigheden belandde ook paardenvlees op tafel, eerst als noodoplossing, later soms als gewoonte. Slagers leerden welke stukken het best werken, koks vonden bereidingen die het vlees mals houden, en zo kon een tijdelijke oplossing langzaam een vaste plaats krijgen in de eetcultuur.

Culinair wordt paardenvlees gewaardeerd om zijn magerheid en malsheid, met een uitgesproken vleessmaak en vaak een licht zoete toets. Het wordt ook vaak geassocieerd met een hoog ijzergehalte en met vitamine B. In de keuken kiest men meestal voor twee richtingen: kort en heet bakken zodat het sappig blijft, of lang en zacht garen zodat stoofpotten en ragù diepte krijgen zonder dat het vlees uitdroogt.

Los van die culinaire logica blijft carne di cavallo vandaag een complex onderwerp. Voor sommigen hoort het bij eetgewoontes die men al generaties kent. Tegelijk is het ethisch beladen, zeker nu paarden door velen meer als metgezellen worden gezien dan als voedsel. Daardoor raakt het debat zelden alleen aan smaak, maar ook aan emotie en veranderende normen.

Waarom het in Italië zo regionaal is

Carne di cavallo is in Italië opvallend plaatselijk verspreid. Dat heeft minder te maken met de aanwezigheid van paarden en veel meer met de vraag of een gewoonte zich kon vastzetten. Daarvoor moeten drie dingen tegelijk kloppen: het vlees moet echt in de voedselketen terechtkomen, er moet vakkennis zijn om het te verwerken, en de omgeving moet het sociaal aanvaarden als normaal eten.

Een eerste verklaring zit in de beschikbaarheid. In sommige gebieden bestaat er historisch een concretere aanvoer van paardenvlees naar slagers en keukens. Zonder stabiele aanvoer wordt het geen gewoonte, en zonder gewoonte ontstaat er ook geen repertoire aan gerechten.

Een tweede verklaring is specialisatie. In hotspots zie je vaker slagers die dit vlees kennen en er een eigen aanbod rond bouwen. Ze werken met verwerkingsvormen die aansluiten bij de lokale tafel, van gehakt en worst tot stukken die geschikt zijn om lang te stoven. Die vakkennis maakt het toegankelijker, verlaagt de drempel voor de thuiskeuken en zorgt ervoor dat het ook in de horeca mee kan draaien.

Een derde verklaring is vertrouwdheid. Zodra carne di cavallo gekoppeld raakt aan herkenbare gerechten, verschuift het imago naar: dit hoort bij onze keuken. Veneto is daar een duidelijke referentie. In en rond Verona leeft pastissada de caval als signatuurgerecht, lang gestoofd met rode wijn, uien en kruiden, vaak geserveerd met polenta.

Op Sicilië verloopt dat anders, maar het resultaat is vergelijkbaar. In en rond Catania draagt een uitgesproken slagerscultuur de traditie, met directe, krachtige bereidingen die passen bij een dagelijkse en soms ook straatgerichte eetcultuur. Cavallo con patate en polpette zijn er zeer herkenbaar.

In Emilia Romagna zie je hoe techniek en gewoonte samen een vaste plaats aan het vlees geven. Ragù van paardenvlees en bepaalde salumi tonen hoe het vlees geïntegreerd raakt in een keuken die sowieso leunt op verwerking, langzaam garen en smaakopbouw. Rond Piacenza krijgt dat nog een eigen accent met bereidingen die dicht bij het slagersambacht staan en die klassiek met polenta worden gegeten.

Ook in Puglia is carne di cavallo sterk aanwezig, met pezzetti alla pignata en braciole als vaste referenties. Het zijn gerechten die tijd vragen, met saus en lange garing als wezenlijk onderdeel van hun karakter.

In andere regio’s kan je zeker ook bereidingen met paardenvlees tegenkomen. Alleen zijn ze minder uitgesproken verankerd als herkenbare traditie, zoals dat wel het geval is in Veneto, Sicilië, Emilia Romagna en Puglia.

Recept: Braciole pugliesi, paardenvlees op zijn Pugliaans

Wie weet mag dit recept straks niet langer gemaakt worden. In Puglia zou er best wel eens een volksopstand kunnen losbarsten want dit recept is er zo oud als de straatstenen: braciole pugliesi: opgerolde lapjes paardenvlees, gevuld met lardo, pecorino, kruiden en daarna langzaam gegaard in tomatensaus. Je proeft er de huiselijke keuken in.
Ook de saus gaat zelden verloren, want in veel keukens wordt ze nadien nog gebruikt om pasta, vaak orecchiette, mee af te werken.

Voor 4 personen heb je ongeveer 800 gram dun gesneden paardenvlees nodig, 400 gram lardo, 100 gram pecorino romano, 800 gram passata, 2 uien, 2 laurierblaadjes, 2 teentjes knoflook, een stukje chilipeper, 1 glas rode wijn, een bosje peterselie, extra vergine olijfolie, zout en peper.

Klop de plakjes vlees eerst lichtjes platter zodat je ze makkelijker kan vullen en oprollen. Hak de peterselie fijn samen met de knoflook en de chilipeper. Snij de lardo in dunne reepjes en de pecorino in kleine blokjes.

Verdeel het kruidenmengsel over het vlees en leg daarop wat lardo en pecorino. Kruid licht met zout en peper. Vouw de lange zijkanten een beetje naar binnen en rol het vlees vervolgens strak op zodat de vulling goed ingesloten zit. Bind de rolletjes vast met keukentouw.

Verhit enkele eetlepels olijfolie in een brede stoofpot en laat daarin de in ringen fijngesneden uien zacht worden met een paar eetlepels water. Leg de braciole erbij, voeg de laurier toe en kleur ze enkele minuten op hoog vuur rondom aan. Blus met de rode wijn en laat die verdampen.

Voeg daarna de passata toe, samen met ongeveer twee glazen water. Zet het vuur heel laag, dek af en laat de braciole rustig garen, reken op ongeveer twee uur. Draai ze af en toe voorzichtig om. Tegen het einde moeten ze boterzacht zijn en moet de saus mooi ingekookt en geurig zijn.

Haal de braciole uit de pot, verwijder het keukentouw en serveer ze met wat van hun saus en nog wat verse peterselie. Traditioneel worden braciole pugliesi niet met een ingewikkeld garnituur geserveerd, hoogstens met wat brood om in de saus te soppen. Gebruik de overgebleven saus om orecchiette mee af te werken, die je eventueel samen met de braciole kan serveren.

Lard d’Arnad, van doils tot aperitivo

Onze Italiaanse wijnavonden zijn opnieuw van start gegaan. Zes weken lang is dit een opleiding waarin ik je gidst door het Italiaanse wijnlandschap, met een proeftafel die bewust breed wordt opgebouwd. De focus ligt op wijn, maar er is altijd een link met de Italiaanse gastronomie, simpelweg omdat je in Italië zelden over het ene spreekt zonder het andere.

Na afloop van een proefavond schuif ik de flessen even opzij en zet ik de tafel vol met typische Italiaanse lekkernijen. Ik zoek die producten gericht uit en laat ze overkomen uit Italië. Als knipoog naar het gezellige aperitivo moment: je belandt in de namiddag in een enoteca of bar, bestelt een glas wijn, en krijgt er vanzelf een bordje kleine hapjes bij.

Tussen die vaste waarden duikt ook lardo geregeld op, flinterdun gesneden. Dit jaar lag er een Lard d’Arnad op tafel, een delicatessenproduct uit de Valle d’Aosta dat op je tong wegsmelt. Eén hap volstaat om te begrijpen dat dit geen gewone charcuterie is.

Wat is Lard d’Arnad precies

Lard d’Arnad is gepekeld en gerijpt varkensrugvet. Het wordt gesneden uit de onderhuidse vetlaag van de rug en verwerkt tot compacte stukken met een duidelijke dikte, doorgaans minstens 3 cm. Visueel herken je het aan zijn bleke buitenkant, met vaak een licht rosé kern.

In smaak en geur is het mild en zacht. De textuur is smeuïg, soms bijna romig. Knoflook, laurier, rozemarijn en salie vormen de klassieke basis, eventueel aangevuld met jeneverbes, kruidnagel of nootmuskaat, waarbij de klassieke kruiden dominant blijven.

De naam is even precies als het product. Lard d’Arnad moet uit Arnad komen, een gemeente in de Bassa Valle d’Aosta. Arnad ligt op ongeveer 10 km van Pont Saint Martin en op 4 km van het Forte di Bard. Het is één van de eerste dorpen die je tegenkomt wanneer je vanuit Piemonte de Valle d’Aosta binnenrijdt.

Voor Lard d’Arnad gelden duidelijke voorschriften voor de suini, de varkens die ervoor gebruikt mogen worden. De dieren moeten minstens negen maanden oud zijn en een slachtgewicht hebben van minimaal 160 kg, met een tolerantie van ongeveer 10%. Ze moeten bovendien geboren, gekweekt en geslacht zijn binnen een afgebakende reeks regio’s: Valle d’Aosta, Piemonte, Lombardije, Veneto en Emilia Romagna. Ook voeding wordt expliciet gestuurd: het voer moet uit natuurlijke bronnen komen en sluit geïntegreerde voeders uit.

Geschiedenis, handel en doils

De vroegste sporen van Lard d’Arnad duiken al op in documenten uit de 16de eeuw. In enkele verwijzingen komt ook ruilhandel aan bod waarbij het product gekoppeld werd aan Zwitsers zout. In die tijd was zout waardevol, en wie een methode had om voedsel stabiel te bewaren, beschikte over een bepaalde economische zekerheid.

De bewaartechniek van Lard d’Arnad steunt op één centraal hulpmiddel: de doils. Deze houten kuipen vormen het herkenbare hart van de productie. Het rugvet wordt er laag per laag in ingelegd en afgedekt. Toegelaten houtsoorten zijn kastanje, eik en lariks. Hout stuurt het rijpingsmilieu door de manier waarop het met vocht en temperatuur omgaat. De eerste tastbare aanwijzingen voor dit gebruik duiken op tegen het einde van de 18de eeuw, toen men doils terugvond in de oude keukens van het kasteel van Arnad.

De werkwijze zelf bleef doorheen de tijd opmerkelijk stabiel. Het vet wordt in lagen geschikt met zout en aromaten. De kruiding volgt de klassieke basis die je bij Lard d’Arnad verwacht, met ruimte voor subtiele accenten per producent. Daarna volgt een afdekking met een mengsel van water en gekristalliseerd zout, bedoeld om de volledige inhoud te verzadigen. Zo ontstaat een aromatische pekeling die de textuur vormt en de smaak langzaam verdiept.

Lard d’Arnad kreeg midden 20ste eeuw een herkenbaar eigen imago. De familie Bertolin opende in 1957 een slagerij in het dorp en het product werd een vaste referentie. Later groeide het aantal producenten, met onder meer Le Vieux Salumificio Arnad en andere lokale families. Daardoor kreeg het product meer zichtbaarheid en continuïteit, met dezelfde kern als vertrekpunt: tijd in de doils, de juiste kruiden, en een pekelbad. Sinds 1996 draagt Lard d’Arnad bovendien het DOP label, en het wordt vaak aangehaald als de enige lardo in Europa met die bescherming.

Verschillen in rijpheid

De rijping van Lard d’Arnad start met een vaste minimumduur: minstens drie maanden in de doils. Daarna volgt het deel waar producenten hun eigen stijl bepalen. Sommige laten de lardo verder rijpen tot twaalf maanden, en soms zelfs tot vijftien maanden. Die extra tijd proef je duidelijk in het uiteindelijke profiel.

Bij een kortere rijping blijft de lardo frisser en milder. De geur is lichter, de smaak eerder zoet dan uitgesproken kruidig, en de textuur smelt sneller. Bij een langere rijping krijgt de lardo meer diepte. Je proeft meer kruidigheid, het aroma wordt complexer, en de beet wordt steviger en compacter.

Naast de rijpingsduur sturen ook kleinere parameters het eindresultaat. De kruiding kan subtiel variëren binnen de regels. Ook het houttype van de doils geeft nuance in het rijpingsverloop en in de ontwikkeling van de aroma’s. Na de rijping wordt Lard d’Arnad vacuüm verpakt of in glazen potten verkocht.

Waarom het zeldzaam is op je bord

Lard d’Arnad blijft klein in schaal. De productie zit geconcentreerd in één dorp en in een heel beperkte groep makers. In recente berichtgeving wordt gesproken over slechts vier producenten. Mede daardoor blijven ook de volumes bescheiden. In oudere, maar vaak aangehaalde beschrijvingen wordt een jaarlijkse productie van ongeveer 600 quintali (60 ton) vermeld, wat meteen duidelijk maakt waarom dit geen product is dat je in elk rek van de supermarkt terugvindt.

Daarnaast is het productieproces strikt en tijdsgebonden. Het rugvet moet snel in verwerking gaan en de rijping vraagt maanden. Dat betekent ruimte, hygiëne, controle en vakkennis, plus een omgeving waarin je die rijping stabiel kan laten verlopen. De tijd is een cruciaal element in het eindproduct en dit proces versnellen is dus uit den boze.

Ten slotte speelt ook de grondstof mee. De voorschriften rond de varkens, suini, zijn duidelijk: minimumleeftijd, minimumgewicht, afgebakende herkomstregio’s en voeder uit natuurlijke bronnen. Dat maakt de basisstroom kleiner en beter controleerbaar. Voeg daar het lokale consumptiepatroon aan toe, en je krijgt een eenvoudig gevolg: een aanzienlijk deel blijft ter plaatse, lang voor het richting export kan vertrekken.

Lard d’Arnad versus Lardo di Colonnata

Omwille van de beperkte schaal is Lard d’Arnad minder bekend dan sommige andere Italiaanse lardo. De naam die het vaakst opduikt bij het grote publiek is Lardo di Colonnata. Ze vertrekken van dezelfde basis, vet van de varkensrug, en toch kom je uit bij twee producten met een duidelijk eigen profiel. Plaats, rijpingsmateriaal en kruiding sturen elk hun eigen richting.

Lard d’Arnad hoort bij de Valle d’Aosta en bij het bergleven waar vet jarenlang het vaste condiment was. Lardo di Colonnata komt uit Colonnata bij Carrara, een omgeving die historisch samenhangt met marmergroeven. Daar groeide lardo uit tot dagelijkse kost, snel en voedzaam, voor wie in en rond de groeve werkte.

Het rijpingsmateriaal is het meest tastbare verschil. In Arnad rijpt de lardo in houten doils, met kastanje, eik of lariks als houtsoorten. In Colonnata rijpt de lardo in marmeren bakken. Hout en marmer sturen het microklimaat elk op hun manier, vooral via temperatuurstabiliteit en vochtbeleving. Dat werkt door op textuur en aroma.

Ook de kruiding vertrekt vanuit een ander vertrekpunt. Bij Lard d’Arnad ligt de klassieke basis bij knoflook, rozemarijn, salie en laurier. Daar kunnen extra accenten bij komen zoals jeneverbes, kruidnagel of nootmuskaat, met de klassieke kruiden als leidraad. Bij Lardo di Colonnata ligt de kern vaak bij zeezout, knoflook, rozemarijn en zwarte peper. Sommige producenten werken daarnaast met extra specerijen, met doseringen die per familie en huisstijl verschillen.

De rijping zelf geeft het tweede grote onderscheid. Bij Colonnata hoor je vaak een rijping rond een half jaar, met een uitgesproken kruidigheid en een zeer zijdeachtige beet. Bij Arnad start de rijping met een minimum van drie maanden en kan ze doorlopen tot twaalf of vijftien maanden. Die langere rijping geeft meer complexiteit en een stevigere, compactere structuur, met een kruidigheid die vaak sterker geïntegreerd aanvoelt.

In de keuken blijven beide het sterkst in eenvoud. Lardo di Colonnata schittert flinterdun op warm brood, op crostini, of als smeltlaag op een warme bereiding. Lard d’Arnad kan dat ook, en sluit daarnaast naadloos aan bij de Valdostaanse serveerstijl met roggebrood, pan dür en kastanjehoning. Bij warmere gerechten werkt het als smaakdrager, zeker wanneer het net genoeg warmte krijgt om te glanzen en zacht te worden.

Recept: Pane di segale met Lard d’Arnad DOP, kastanjes en kastanjehoning

Dit is een Valdostaanse klassieker. Eenvoudig, en precies daarom zo afhankelijk van de kwaliteit van je ingrediënten. De bereiding vertrekt vanuit brood, roggebrood, in de Valle d’Aosta vaak Pan Ner genoemd. Tarwe geeft in koude bergzones traditioneel minder zekere resultaten, rogge kan beter tegen lagere temperaturen en werd daarom een logische keuze. Vroeger werd dat zwarte brood slechts enkele keren per jaar gebakken. Na het bakken droogde men het op rekken, ratelé, zodat het lang kon bewaren. Later maakte men het opnieuw bruikbaar door het te weken in water of melk, bijvoorbeeld als basis voor soepen.

Ingrediënten voor 1 stevige boterham
Neem één dunne snee roggebrood. Voorzie twee plakken Lard d’Arnad DOP, twee tot drie gekookte kastanjes die je verkruimelt, kastanjehoning en enkele naaldjes rozemarijn.

Bereiding
Leg het roggebrood klaar. Beleg met de plakken Lard d’Arnad DOP. Strooi er de verkruimelde kastanjes over, voeg enkele naaldjes rozemarijn toe en werk af met een lepeltje kastanjehoning.

Tip voor de juiste textuur
Pan Ner smaakt vaak nog beter wanneer het minstens een dag oud is, dun gesneden en zonder korst. De lardo hoeft niet te bakken. Wie toch warmte wil, verwarmt het brood heel licht zodat de lardo net begint te glanzen.

Zelf Pan Ner maken, basisrecept voor twee kleine broden

Ingrediënten
Gebruik 300 g roggemeel en 200 g tarwebloem type 0. Voorzie 15 g bakkersgist, één eetlepel zonnebloempitten, één theelepel lijnzaad, ongeveer 250 ml water en 6 g zout.

Bereiding
Meng het roggemeel met de tarwebloem. Los de gist op in lauw water en voeg toe, samen met zout, zonnebloempitten en lijnzaad. Kneed stevig en lang, reken op 15 tot 20 minuten, en voeg water toe tot het deeg zacht blijft zonder plakkerig te worden. Laat ongeveer twee uur rijzen. Geef het deeg daarna een driedubbele plooi, herhaal dit twee tot drie keer, en laat nog een uur rusten. Vorm twee kleine broden, snijd de bovenkant in en laat opnieuw ongeveer een uur rijzen op bakpapier. Bak in een voorverwarmde oven op 220 °C gedurende 20 minuten. Laat afkoelen op een rooster.

La festa del lard d’Arnad

Plan je een bezoek aan de Valle d’Aosta en ben je nieuwsgierig geworden naar Lard d’Arnad, dan is er een mooi excuus om je reisagenda rond één weekend te bouwen. In Arnad vindt namelijk elk jaar, tegen het einde van de zomer, een festival plaats dat volledig in het teken staat van deze lokale lardo. Voor 2026 valt het festival op donderdag 27 augustus tot en met zondag 30 augustus.

Volgens de organisatie trekt het evenement rond de 50.000 bezoekers uit heel Europa. Dat merk je aan de sfeer: Arnad wordt vier dagen lang een levend proeflokaal waar je niet alleen Lard d’Arnad kan proeven, maar ook andere typische producten uit de regio. Denk aan streekstandjes, degustatiemomenten en het soort losse gezelligheid dat je enkel krijgt wanneer eten en dorp samen één verhaal maken.

Het leukste aan zo’n festival is dat het je proeven context geeft. Je kan Lard d’Arnad natuurlijk kopen, meenemen en thuis serveren. Je kan het ook eerst daar eten, in zijn natuurlijke habitat, tussen mensen die precies weten hoe dun je het snijdt, hoe weinig je nodig hebt, en waarom dit product al generaties lang een vaste plek heeft in de Valdostaanse keuken.

Panna cotta, het visitekaartje van Italiaans dessertplezier

Om wat inspiratie op te doen voor nieuwe blogs ging ik nog eens rondsnuisteren op de website van onze kookclub De Kemphanen. En zo belandde ik bij het onderwerp van vandaag. Wat is het favoriete Italiaanse dessert waarvan de naam letterlijk gekookte room betekent? Panna Cotta, natuurlijk. Het is een fris en licht zoet dessert dat vooral in de warmere maanden scoort: koel, romig, smakelijk. Je serveert het met vers fruit, of net zo goed met chocolade, karamel of een fruitsaus.

Die gekookte room is intussen uitgegroeid tot een publiekslieveling in heel Italië, en tegelijk tot één van de betere visitekaartjes in het buitenland als het over Italiaanse desserts gaat. Panna Cotta is in de kern verwarmde room met suiker, meestal met vanille, die je laat opstijven tot een zachte roompudding. Niet te stevig, niet te vloeibaar. Net voldoende structuur om uit een vormpje te komen, en zacht genoeg om op de tong te verdwijnen.

De oorsprong en geschiedenis van panna cotta

In veel receptenboeken wordt panna cotta omschreven als een dessert uit Piemonte, met wortels ergens in het begin van de twintigste eeuw. Er bestaat ook een hardnekkige legende dat het voor het eerst gemaakt werd door een vrouw van Hongaarse afkomst in de Langhe, zogezegd om een overschot aan melk en room een elegante bestemming te geven. Dat verhaal is moeilijk te bewijzen, maar het past wel in het landschap: Piemonte is kampioen in smakelijke oorsprongsverhalen.

Panna cotta betekent letterlijk gekookte room, maar het Italiaanse woordje panna (room) bestaat niet in het Piëmontese dialect. Daar spreekt men liever van fior dël làit, letterlijk bloem van de melk. Zelfs de naam die vandaag overal op menukaarten staat, voelt dus minder lokaal dan je intuïtief zou denken.

Rond het midden van de jaren zestig duikt een meer tastbaar spoor op. Ettore Songia, sterrenchef van I Tre Citroni in Cuneo, zou volgens zijn familie de panna cotta gecreëerd hebben. Of hij het dessert ook echt heeft uitgevonden, blijft onderwerp van discussie. Zekerder is dit: hij was één van de eersten die het recept in de vorm die we vandaag herkennen echt codificeerde, en het dessert op het menu van een gastronomisch restaurant zette. Dat is een belangrijk verschil. Iets uitvinden en iets vastleggen, verfijnen en bekendmaken zijn niet noodzakelijk hetzelfde, maar in de geschiedenis van gerechten wordt dat graag door elkaar geschud.

De oorsprong lijkt namelijk verder terug te gaan dan de jaren zestig. Er is een tweede verhaal dat vaak terugkeert, dat men in Noord Italië vroeger visgratenbouillon gebruikte om het dessert te verdikken. Vandaag klinkt dat exotisch, maar het idee erachter is logisch: collageen als natuurlijke binder. Moderne keukens kiezen gewoon voor gelatineblaadjes omdat die voorspelbaar werken en de textuur mooi zacht houden.

Nog interessanter is de literaire omweg. Panna cotta zou een min of meer verre afstammeling zijn van bereidingen die in de bronnen opduiken als latte e melle, lattemiele en soms ook lattismelle, afhankelijk van wie het vertelt en in welke context. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar een brief uit 1827 waarin Giacomo Leopardi aan zijn vader schrijft over een bereiding die hij in Bologna leerde kennen, met fior di latte en panna, een neutrale gelatine als binder, en suiker naar smaak. Dat leest als een opvallend moderne gedachte, al blijft het strikt genomen een verwant concept, geen hard bewijs dat men toen al panna cotta maakte zoals wij die vandaag kennen.

En dat brengt ons bij het grotere plaatje. Roomdesserts die opstijven bestaan al eeuwen, alleen heten ze elders anders en verschuiven de verhoudingen. Varianten die vaak genoemd worden als familie van hetzelfde idee zijn onder andere blanc manger in Frankrijk, hwit moos in Denemarken en krémes in Hongarije. In Griekenland is het opvallend: daar gebruikt men meestal gewoon de Italiaanse naam. En dat hebben ze zelf het liefste, laat de panna cotta zijn Piemontees paspoort maar behouden.

Panna Cotta vandaag

Vandaag blijft de klassieke basis herkenbaar: room, vaak wat melk, suiker, vanille en gelatine. Maar creatieve patissiers laten het daar zelden bij. Panna Cotta is een dankbaar canvas. Alles wat geur, kleur of contrast toevoegt kan werken, zolang je het romige middelpunt niet kapot drukt.

Sommigen voegen koffie toe voor meer diepte en een licht bitter randje. Anderen kiezen voor zomerse aroma’s zoals lavendel of roos, of gaan net fruitiger met granaatappel en andere frisse accenten.

Er is ook een visuele trend die je steeds vaker ziet: de schuine panna cotta. Het glaasje wordt onder een hoek gekoeld zodat de massa diagonaal opstijft, waarna je bovenop een coulis giet in een andere kleur. Het is een eenvoudig idee, maar het werkt. Het oog eet mee, en dit dessert kan dat best hebben.

En dan zijn er moderne varianten zoals kokos panna cotta met tropisch fruit. De basis blijft romig en zacht, maar het geheel krijgt een licht vakantiegevoel. Mango, ananas en passievrucht doen het hier bijzonder goed, omdat hun zuren het vet van de room precies op het juiste moment breken.

En als ik terugdenk aan onze kookclub De Kemphanen, dan zie ik hoe breed dit dessert echt is. We maakten het drie keer: in 2013, 2014 en nog eens in 2023. Drie keer anders ook: een versie met mascarpone, witte chocolade en advocaat, eentje met peer en witte chocolade en een frisse met limoen en kokos. Levende bewijsvoering dat panna cotta niet één recept is, maar een idee dat je eindeloos kan doortrekken zonder dat het zijn charme verliest.

De drie discussiepunten

Room
De eerste vraag is verrassend simpel: welke room neem je? Klassiek werk je met panna, dus slagroom van ongeveer 30 tot 35 procent vet. Dat vet is geen luxe, het is je structuur en je mondgevoel, en het verklaart waarom panna cotta zo mooi fluweelzacht kan blijven.

Wil je het lichter, dan kan je een deel room vervangen door melk. Dat werkt prima, zolang je consequent blijft. De valkuil is dat men daarna extra gelatine toevoegt om toch een strakke vorm te krijgen. Dan win je stevigheid, maar je verliest net het romige karakter dat dit dessert zo herkenbaar maakt.

Gebruik je te magere room, dan krijg je sneller een dunne, minder volle panna cotta die eerder richting melkpudding gaat dan richting roomdessert. Praktische vuistregel: hoe minder vet, hoe lastiger het wordt om die perfecte balans te houden tussen stevig genoeg en zacht genoeg.

Opstijven
In de praktijk is gelatine de norm, en dat is meteen ook het grootste discussiepunt. Niemand zit te wachten op een panna cotta die aanvoelt als Engelse jelly: te gezet en te rubberachtig. Panna cotta moet net romig en smeuïg zijn, met een zachte, fluweelachtige beweging.

Het moderne Piemontees basisrecept gebruikt daarom maar een kleine hoeveelheid gelatine, traditioneel van varkensvlees, soms ook van vis. Net genoeg om vorm te geven. Agar agar kan ook, maar gedraagt zich anders: het stolt strakker en sneller, en de structuur breekt sneller in plaats van zacht te smelten. Dat oogt vaak prachtig, maar eet minder romig.

Tegelijk zie je vandaag chefs die bewust tegen de stroom in zwemmen: zij zweren bij gekookte room in de meest letterlijke betekenis, zonder bindmiddel. Dat kan, door de room verder in te koken en de structuur te laten dragen door vet, afkoeling en techniek. Het resultaat kan fantastisch zijn, maar het is minder voorspelbaar en vraagt meer kunde.

De grootste fout blijft overdoseren, vooral met gelatine. Dan krijg je een panna cotta die perfect uit het vormpje komt, maar niet meer smelt. Panna cotta moet zacht bewegen en op de tong smelten.

Vanille
Vanille is de veilige klassieker. Ze geeft meteen herkenning, warmte en geur. Deze specerij gaat perfect samen met panna cotta, waarschijnlijk al sinds de jaren 1970, toen het dessert echt op restaurantkaarten begon op te duiken en de klassieke versie zich stilaan vastzette.

Toch is vanille geen wet. Met vanille krijg je een panna cotta die op zichzelf al afgerond aanvoelt. Zonder vanille krijg je een neutralere basis, en dat kan net interessant zijn als je werkt met uitgesproken smaken. Denk aan citrus, koffie, bittere karamel of een frisse coulis. In die gevallen kan vanille eerder afleiden dan helpen.

Panna cotta is bovendien een ideaal canvas voor andere infusies: citrusschil, amandel, laurier, saffraan of rozemarijn. Het uitgangspunt blijft simpel: kies één duidelijke richting en laat de basis meewerken.

Eén afspraak is wél nuttig. Als je vanille gebruikt, doe het doordacht. Vanillesuiker is snel, maar een echte vanillestok of een degelijk vanille extract geeft meer diepte en een natuurlijkere geur. Hou in het achterhoofd dat je vanille gebruikt als smaakmaker, niet als parfum.

Wat serveer je erbij?

Panna cotta vraagt contrast. De basis is zacht en romig, dus je wil iets dat prikkelt, of dat nu zuur is, iets bitters, of een krokante toets.

Zuur: frambozencoulis, passievrucht, citroen, rabarbercompote
Bitter en diep: karamelsaus, espresso, pure chocoladesaus
Krokant: amaretti, geroosterde hazelnoten, pistache, crumble
Fruitig en klassiek: aardbeien, perziken, vijgen

Wat meestal minder goed werkt is nog meer romigheid. Room op room is gezellig, maar vaak te vlak. Met een frisse saus of een licht bittere toets krijgt het dessert meteen meer spanning en lijkt het automatisch verfijnder.

Een modern panna cotta recept

Ik neem bewust geen van onze panna cotta recepten die we maakten bij onze kookclub. Ik kwam via een bredere zoektocht terecht bij onderstaand recept, dat we perfect kunnen integreren in één van onze volgende menu’s. We gaan panna cotta maken in combinatie met vlierbloesemsiroop en aardbeien uiteraard.

Ingrediënten
Voor 6 tot 8 porties, afhankelijk van de grootte van je vormpjes of glaasjes

Voor de crème
600 g slagroom
1 halve vanillestok
50 g suiker
1 snuifje zout
5 blaadjes gelatine
3 eetlepels vlierbloesemsiroop

Voor de fruitlaag
300 g aardbeien (frambozen kan je als alternatief nemen)
1 eetlepel poedersuiker
2 blaadjes gelatine

Voor de afwerking
Enkele verse aardbeien
2 eetlepels gehakte pistachenoten
Naar wens enkele verse vlierbloesemschermen

Bereiding
Breng de slagroom met de halve vanillestok, suiker en zout al roerend tegen de kook aan. Laat daarna op een laag vuur ongeveer 15 minuten zachtjes pruttelen.

Week intussen 5 blaadjes gelatine ongeveer 5 minuten in koud water. Knijp ze uit. Verwarm ze vervolgens in een klein pannetje op een heel zacht vuur tot ze oplossen, roer voortdurend en laat niet koken.

Haal de room van het vuur. Verwijder de vanillestok. Voeg de opgeloste gelatine al roerend toe aan de warme room. Voeg daarna de vlierbloesemsiroop toe en roer tot alles homogeen is. Laat de massa afkoelen tot lauw.

Giet de panna cotta in een tulbandvorm, siliconenvorm of in glaasjes. Zet minstens 2 uur in de koelkast. Voeg de fruitlaag pas toe wanneer de roomlaag duidelijk stevig is.

Maak intussen de fruitlaag. Pureer de aardbeien of frambozen en duw de puree door een fijne zeef. Meng met 1 eetlepel poedersuiker.

Week 2 blaadjes gelatine in koud water, knijp uit en los op zoals hierboven. Voeg vervolgens de fruitpuree geleidelijk toe aan de opgeloste gelatine terwijl je blijft roeren, zodat alles mooi mengt zonder klontertjes.

Giet de fruitlaag op de opgesteven panna cotta in de vormpjes of glaasjes. Laat opnieuw minstens 2 uur koelen, liefst een hele nacht.

Kleine tip
Werk je met een siliconenvorm, zet de volledig gekoelde panna cotta vóór het ontvormen nog ongeveer een uur in de diepvries. Zo lossen ze makkelijker en mooier uit de vorm.

Werk vlak voor het serveren af met gehakte pistachenoten en verse aardbeien. Naar wens kan je ook een klein vlierbloesemschermpje toevoegen als decoratie.

Sardegna op het bord, agnello con fregola e finocchio

Onlangs kwamen we met onze kookclub De Kemphanen samen om de menu’s voor de komende maanden vast te leggen. April werd zonder veel discussie een Italiaanse avond. We starten met zelfgemaakte grissini en een dip van fagioli bianchi. Daarna volgt pasta frutti di mare. De dolce ligt ook al vast: tiramisu alle fragole e sambuca. En bij de koffie maken we een amaretti biscotto.

Alleen het hoofdgerecht bleef nog even in de lucht hangen. Omdat april nu eenmaal de tijd is van de lammetjes, waren we er snel uit dat het agnello moest worden. Welk lamsgerecht precies, dat hielden we bewust open. En dus begon ik te zoeken naar een lekker en typisch Italiaans lamsgerecht.

Die zoektocht bracht me naar Sardegna, het schapeneiland, en niet toevallig. In april, met Pasen in de buurt, begint het bij veel Italianen te kriebelen: tijd voor lam, liefst sappig, kruidig en met een saus die je niet wil laten liggen. Op Sardegna is Pasen zelfs een hoogtepunt dat men “Sa Pasca Manna” noemt. Net in die periode krijgt lam op tafel extra gewicht, als gerecht om samen te tafelen.

Sardegna, het schapeneiland

Sardegna is ruig, winderig en behoorlijk droog. Het eiland is een lappendeken van heuvels, mediterraan struikgewas met onder meer mirte, en graslanden die voor akkerbouw niet altijd vanzelfsprekend zijn, maar voor beweiding net ideaal. Dat landschap heeft mee bepaald hoe het eiland eet en leeft. Herderscultuur is er een economische en culinaire ruggengraat. Op veel plekken is het schaap niet alleen vlees, maar vooral melk, en die melk vormt het fundament van een keuken die rond pecorino, ricotta en alles wat je uit wei kan halen, gebouwd is.

Die levendige en eeuwenoude herderscultuur is al lang eigen aan Sardegna. Hoewel de nuraghi geen rechtstreeks verband hebben met schapenhouderij, kan je ze moeilijk los zien van dat verhaal. Deze bronstijdtorens en stenen complexen staan nog altijd als bakens in het landschap en tonen hoe oud en verscheiden het Sardijnse binnenland is. En precies dat binnenland, met zijn afstanden, schrale gronden en seizoensritme, is de voedingsbodem waarop de schapencultuur later zo vorm kreeg.

Een prettige anekdote die me altijd aan ons bezoek aan Sardegna doet denken, is hoe zichtbaar en vanzelfsprekend de herders en hun schapen er nog zijn. Niet één keer, maar meerdere keren moesten we de wagen stilleggen om een passerende kudde rustig de weg te laten oversteken. En die wegen zelf lijken er soms even koppig als het landschap. Een put in het wegdek wordt niet per se hersteld of opgevuld, soms wordt er gewoon een tafel of stoel over geplaatst, alsof dat ook een vorm van infrastructuur is. De schapenkudde laat het zich alvast niet aan het hart komen.

Het is verleidelijk om herderscultuur te bekijken als folklore, maar op Sardegna is het vooral een logische aanpassing aan terroir en klimaat. Het eiland draagt al millennia een manier van leven die past bij schrale gronden, seizoenen en afstand, en dat proef je vandaag nog: in een inlandse keuken die sober maar doelgericht is, met venkel, citrus, mirte en andere mediterrane kruiden als vaste smaakgevers. En net zoals het landschap geen eenheidsworst is, is de keuken dat ook niet. Ze is vooral gebaseerd op wat het eiland te bieden heeft, en op de kunst om daar iets van te maken dat op tafel overtuigt, eenvoudig, kruidig en genereus.

Schapenrassen op Sardegna, van melkwerkpaard tot zwarte rariteit

De Pecora Sarda is de hoofdrolspeler op het eiland. Het is een robuust ras dat goed omgaat met wind, warmte en schralere weiden, en dat vooral geselecteerd werd op melk. Daarom leunt Sardijnse schapenhouderij historisch sterker op zuivel dan op vlees. Lam is er zeker belangrijk, maar het volgt vaker het ritme van het seizoen, terwijl melk de constante blijft.

Naast die dominante, witte melkwerker heeft Sardegna ook een ras dat meteen opvalt, de Nera di Arbus. Zoals de naam al zegt, gaat het om een zwarte, autochtone schapenpopulatie die vooral in een beperkter gebied voorkomt. Ze wordt vaak genoemd als voorbeeld van lokale biodiversiteit, minder massaal, meer streekgebonden, en precies daarom interessant. In een landschap met mediterraan struikgewas, waar beweiding vaak letterlijk tussen de struiken gebeurt, zijn dat soort rassen geen curiositeit maar een logische uitkomst van aanpassen, overleven en selecteren.

Uiteraard zal je op Sardegna ook andere rassen aantreffen dan deze twee. Dat zijn dan meestal ingevoerde rassen of kruisingen die je ook buiten Sardegna tegenkomt.

Sardijns lam met een IGP keurmerk

Een product met een IGP label is in essentie een beschermd streekproduct. Het is een Europese erkenning die een product koppelt aan een specifieke streek en vastlegt dat minstens één fase, productie, verwerking of bereiding, in dat gebied moet plaatsvinden volgens vastgelegde richtlijnen. Voor Sardijns lam betekent dat in de praktijk dat men waakt over herkomst en werkwijze, maar ook over dierenwelzijn en duurzaamheid. Het systeem stimuleert veehouders om het landschap te beheren via begrazing op open weiden, met respect voor biodiversiteit en bodem. Je kan dat ecologisch noemen, maar op Sardegna is het vooral logisch boeren op een eiland waar je met de natuur samenwerkt.

De manier van fokken speelt daarbij mee. Lammeren die vooral in omheinde systemen met beperkte beweging worden grootgebracht, bouwen sneller vet op en leveren zachter, ronder vlees. Dieren die meer op natuurlijke weiden bewegen, komen trager aan. Het vlees wordt doorgaans iets steviger van beet en kan wat meer structuur hebben. Op Sardegna is die weidecomponent net een deel van het kwaliteitsverhaal. Kruidenrijke vegetatie en buitenleven tekenen mee het aromatische karakter.

Ook de verwerking is deel van het lokale leven. Sardijnse slagers staan bekend om het volledig benutten van het dier. Naast vers vlees bestaan er ook lokale bereidingen die richting worst en charcuterie gaan. En dan is er de manier waarop je lam het vaakst ziet verschijnen op bijeenkomsten: a la griglia. Grillen boven open vuur past bij de Sardijnse manier van koken, met weinig opsmuk en met goede producten.

In de keuken vertaalt zich dat in bereidingen die de eigen smaak van het vlees centraal zetten. Geroosterd aan haard of spit, zacht gestoofd met knoflook en peterselie, of gecombineerd met aardappelen en lokale groenten zoals artisjok. Het zijn gerechten met veel aandacht voor sappigheid en pure smaak. Er bestaan ook uitgesproken deelgerechten die de tafelgedachte letterlijk maken, zoals sa tratalia, een klassieker uit de agro pastorale keuken waarbij men van het lam ook de minder evidente delen gebruikt. Het gerecht is van oorsprong een no waste bereiding, niets gaat verloren na de slacht, alles krijgt alsnog een plek op tafel, en dat levert een krachtige, hartige smaak op. Over het hele eiland bestaan varianten, met een bekende versie uit Ogliastra in het noordoosten. Niet voor iedereen, wel typisch Sardegna: niets verspillen en samen genieten aan de tafel.

Recept: Sardijns lam met fregola en venkel

Ingrediënten
Voor 4 personen

  • 8 lamskoteletjes en 300 g lamsvlees zonder been
  • 400 g fregola
  • 400 g tomatenpassata
  • 3 laurierbladeren
  • 1 liter groentebouillon, heet gehouden
  • 1 takje rozemarijn
  • 2 takjes mirte, of 1 eetlepel mirtebessen
  • 1 glas droge witte wijn
  • 1 teen knoflook
  • Saffraan
  • 1 grote ui
  • Extra vergine olijfolie
  • Zout
  • 1 grote venkelknol, of 2 kleine
  • Venkelgroen, fijn gesneden, optioneel ook wat wilde venkel indien beschikbaar
  • Pecorino sardo, geraspt, optioneel

Bereiding

  • Maak het lamsvlees schoon, verwijder overtollig vet en eventuele stukjes been, en snijd het vlees in blokjes van ongeveer 1 cm. Laat de koteletjes zoveel mogelijk intact met het bot, je gebruikt ze straks om de borden af te werken. Zet een pot groentebouillon op het vuur en hou die tegen de kook aan, de bouillon moet heet zijn telkens je hem toevoegt.
  • Maak de venkel schoon en hou het venkelgroen apart. Snijd de venkelknol in kleine blokjes. Wil je dat de venkel ook echt deel wordt van de saus, rasp dan de helft grof en snijd de andere helft in blokjes. Zo krijg je zowel textuur als een zachte venkelbasis.
  • Neem een lage stoofpan met dikke bodem. Giet er een scheut olijfolie in en voeg toe: de ui fijngehakt, een takje rozemarijn, één takje mirte of de mirtebessen, en de laurier. Laat dit een paar minuten zacht fruiten tot de ui glanst. Voeg dan de venkel toe en laat nog twee minuten mee fruiten.
  • Leg nu de lamskoteletjes en de blokjes lamsvlees in de pan en kleur ze rondom aan. Wanneer het lam mooi aangebakken is, blus je met de witte wijn. Laat op hoger vuur de wijn rustig verdampen. Voeg dan de tomatenpassata toe en een pollepel hete bouillon waarin je een beetje saffraan hebt opgelost. Zout naar smaak, vuur laag, deksel erop. Laat ongeveer 1 uur zacht stoven. Kijk af en toe, en voeg een pollepel bouillon toe als de saus te hard indikt.
  • Wanneer de saus bijna klaar is, begin je aan de fregola, die heeft ongeveer 20 minuten nodig. Neem een tweede pan zoals je voor risotto zou gebruiken. Doe er een scheut olijfolie in met de teen knoflook en laat die ongeveer 4 minuten zacht geuren. Voeg de fregola toe en rooster al roerend een paar minuten. Voeg dan twee pollepels hete bouillon toe. Verwijder de knoflook.
  • Gaar de fregola verder door telkens bouillon toe te voegen, zoals bij risotto. Ze slurpt veel vocht op, dus blijf roeren en let op dat ze niet aanzet op de bodem. Voeg halverwege de garing ook een deel van de lamsaus toe, inclusief de gestoofde venkel. Zo gaart de fregola verder in de saus en wordt het geheel één geheel.
  • Blijf bouillon en saus toevoegen tot je iets meer dan de helft van de saus in de fregola verwerkt hebt. Zodra de fregola beetgaar is, zet je het vuur uit.
  • Verdeel de fregola over de borden. Lepel er de resterende saus over en werk elk bord af met twee koteletjes, zijdelings tegen elkaar geplaatst. Strooi er fijn gesneden venkelgroen over. Serveer gloeiend heet. Pecorino sardo erbij mag, maar laat iedereen zelf beslissen, het blijft dan mooi in balans.

Melanzane al cioccolato, aubergine als dessert

Het heeft even geduurd vooraleer ik deze blog definitief heb afgewerkt. Ik kwam melanzane al cioccolato enkele maanden geleden toevallig tegen in een tijdschrift. Het trok mijn aandacht omdat ik de combinatie niet goed kon plaatsen. Bovendien had ik nog nooit van dit gerecht gehoord. Ik liet het even liggen, half onafgewerkt, tot mijn nieuwsgierigheid het uiteindelijk haalde van het gevoel dat dit toch vooral een curiositeit was. Een dessert gemaakt van aubergine met chocolade, dus.

Wat opzoekwerk leert, is dat melanzane al cioccolato vandaag bekendstaat als een van de meest eigenzinnige desserts van Zuid Italië. Tegelijk is het in Campania al eeuwenlang een vanzelfsprekendheid. In Napels noemen ze het zelfs mulignan ca’ ciucculat. Probeer dat één keer uit te spreken en het lijkt alsof je mond al gevuld is met dit dessert.

Chocolate eggplant dus. Het klinkt als een grap, maar melanzane al cioccolato is gewoon een klassieker uit Campania, meer bepaald van de Costiera Amalfitana. Het wordt traditioneel gemaakt rond Ferragosto, op 15 augustus, en hoort bij de zomerse feestkeuken van de regio.

Van kloosterrecept tot feestdessert

Historisch onderzoek plaatst het ontstaan van melanzane al cioccolato in Campania, met een tijdskader dat teruggaat tot tussen de achtste en negende eeuw. De meest geciteerde oorsprong verwijst naar de augustinessen van het klooster Santa Maria della Misericordia. Kloosterkeukens waren in die periode plekken van noodzaak en vindingrijkheid, waar zoete bereidingen vaak ontstonden vanuit beperkte middelen en technische kennis eerder dan luxe.

Andere bronnen situeren het ontstaan bij de franciscanen van een oud klooster in Tramonti. Zij zouden gefrituurde aubergines hebben overgoten met een zoet en licht alcoholisch mengsel. Chocolade was toen nog geen vast onderdeel en werd pas later toegevoegd, wanneer cacao in Zuid Italië beter beschikbaar raakte.

Beide pistes verwijzen naar een zoete invulling waarin de aubergine cruciaal is. In Italië is melanzane al lang geen onbekende meer in de keuken. De klassieke keuken zet haar vooral in met tomaat en kaas. De monniken die mee aan de wieg lagen van het recept kozen resoluut voor een andere weg, en die leidde uiteindelijk naar chocolade.

Melanzane al cioccolato verankerde zich stevig in de keuken van de Costiera Amalfitana en het Sorrentijnse schiereiland. Het werd een vaste waarde in de feestkeuken en bleef dat tot vandaag. De vorm waarin het gerecht verschijnt, varieert. Soms wordt het opgebouwd als een zoete parmigiana, soms als individuele porties of kleine tortini.

Als we het gerecht wat dieper ontleden, zit de sleutel tot het succes in het evenwicht. De licht bitterzoete toets van de aubergine sluit verrassend goed aan bij het uitgesproken aroma van pure chocolade. De bereiding werd eeuwenlang mondeling doorgegeven, van moeder op dochter. Elke familie bracht haar eigen accenten aan met gekonfijt fruit, rum, citrusschillen of cacao. De kern bleef echter altijd herkenbaar.

De aubergine wordt eerst zacht gebakken en daarna, na passage door bloem en ei, opnieuw gefrituurd. Dat procédé sluit aan bij een oudere kooklogica waarin dubbele garing gebruikelijk was. In sommige vroege versies werden de aubergines bovendien geweekt in Concerto, een kruidenrosolio geproduceerd door de franciscanen van Tramonti. Daarna werden ze laag per laag opgebouwd met chocoladeroom, gekonfijte sinaasappel en cedro, en noten, duidelijke sporen van Arabisch Siciliaanse invloeden. Deze uitgesproken exotische bereiding is verspreid over de hele Costiera Amalfitana, van Vietri sul Mare tot Sorrento.

Melanzane al cioccolato, klassiek recept volgens Campania

Onderstaand recept sluit aan bij de oude Campaniaanse traditie waarin gevulde aubergineplakken centraal staan, gecombineerd met chocolade, amarena en gekonfijte citrus.

Ingrediënten

Voor ongeveer 4 personen

500 g aubergines
bloem
2 eieren, losgeklopt
olie om te frituren

Voor de vulling
200 g pure chocolade, in kleine stukjes
200 g amarena confituur
150 g gekonfijte cedro, gekonfijte citrusschil of andere gekonfijte citrus

Voor de saus
40 g cacaopoeder
200 g pure chocolade
50 g suiker
1,5 dl vermout
water, indien nodig

Bereidingswijze

  • Schil de aubergines en snijd ze in dunne plakken in de lengte. Verhit voldoende olie in een ruime pan en frituur de plakken in porties kort, net tot ze soepel worden en een heel lichte goudtoon krijgen, een diepe kleur is hier niet het doel. Laat uitlekken op keukenpapier.
  • Neem telkens twee plakken aubergine en beleg ze met enkele stukjes chocolade, een beetje amarena confituur en wat fijngehakte gekonfijte cedro (of alternatief). Leg de plakken op elkaar zodat kleine pakketjes ontstaan.
  • Haal deze pakketjes eerst door de bloem en vervolgens door het losgeklopte ei. Frituur ze opnieuw in hete olie tot ze goudbruin zijn. Laat zorgvuldig uitlekken.
  • Voor de saus laat je de pure chocolade au bain-marie smelten. Meng in een steelpan het cacaopoeder met de suiker en voeg beetje bij beetje wat water toe tot een gladde massa ontstaat. Voeg de gesmolten chocolade en de vermout toe, breng aan de kook en laat zachtjes indikken tot een vrij dichte saus.
  • Dompel de auberginepakketjes kort in de warme saus, laat ze uitlekken en schik ze op een serveerschaal. Laat minstens drie uur rusten in de koelkast.
  • Haal het gerecht kort voor het serveren uit de koeling en laat enkele minuten op temperatuur komen.

Eerlijk gezegd

Ben ik tijdens het schrijven van dit artikel overtuigd geraakt dat ik dit gerecht absoluut een keer moet klaarmaken? Niet onmiddellijk. Ik stel me tevreden met er meer over te weten, zonder dat ik meteen in de potten begin te roeren. Misschien is dit bij jullie anders en is het boodschappenlijstje al gemaakt om aan de slag te gaan.

Ik rond dan ook graag af met de vaststelling dat melanzane al cioccolato een dessert is met een lange geschiedenis en een uitgesproken identiteit. Het is Campania op zijn meest eigenzinnige wijze. Alleen daarom al heeft het een bestaansrecht.