Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco

In onze Lambrusco-reeks zijn we aanbeland bij de voorstelling van de drie belangrijkste Lambrusco-variëteiten en de omgeving waar hun wijngaarden liggen. Dat ik van start ga met Sorbara is geen verrassing. Sorbara is wat mij betreft de meest markante, verrassende en fascinerende Lambrusco-variëteit.

De moderne Sorbara-stijl binnen de Lambrusco di Sorbara DOC bevalt me steeds meer. De inhoud van de fles speelt dus zeer zeker een rol, maar het is vooral het verhaal achter de druif dat me niet loslaat. De meest wilde Lambrusco, of moeten we zeggen: de minst getemde? Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen. Zeg nu zelf: dat trekt toch gewoon de aandacht.

Lambrusco di Sorbara DOC: wijngaarden en karakter van het gebied

Sorbara is historisch verbonden met de omgeving rond Sorbara, in de gemeente Bomporto (provincie Modena). In oudere contexten duikt de benaming Lambrusco sorbarese op, wat mooi illustreert hoe sterk de druif lokaal verankerd is. Sorbara is daarbij meer dan een druivennaam: ze verwijst letterlijk naar een plek.

Geografisch zitten we in Noord-Italië, in Emilia-Romagna. Lambrusco di Sorbara DOC bevindt zich ten noorden en noordoosten van de stad Modena, in het open land tussen Modena en de Po-vlakte. Het kerngebied ligt in een relatief afgebakende strook op uitgesproken alluviale gronden, gevormd door water en tijd: je bevindt je tussen de rivieren Secchia en Panaro, in een landschap van oude rivierbeddingen en afzettingen. Dit is geen decor van heuvelruggen, maar een uitgestrekte laagvlakte waar landbouw al eeuwen centraal staat.

Administratief is de zone strak afgebakend binnen de provincie Modena: de DOC omvat volledig het grondgebied van Bastiglia, Bomporto, Nonantola, Ravarino en San Prospero, en strekt zich daarnaast uit over delen van Campogalliano, Camposanto, Carpi, Castelfranco Emilia, Modena, Soliera en San Cesario sul Panaro.

Het gebied kent een uitgesproken continentaal klimaat met warme zomers en strenge winters. De ligging van de vlakte aan de voet van de Apennijnen speelt daarin mee. Vochtige zuidelijke winden komen hier vaak al droger aan, waardoor de neerslag relatief beperkt blijft en bovendien onregelmatig verdeeld is: het jaar “clustert” regen in bepaalde fases en laat andere periodes opvallend droog aanvoelen.

Een aanzienlijk deel van de modenese vlakte is van nature kleiig en compact, wat landbouw historisch niet vanzelfsprekend maakte. Dat het gebied vandaag zo productief is, heeft veel te maken met menselijke ingrepen: ontwatering, kanalisering, bescherming tegen wateroverschotten en een landbouwtraditie die zware gronden leerde beheren. In de middenvlakte waar de wijngaarden zich concentreren, spelen vooral de alluviale bodems van de twee nabij gelegen rivieren een hoofdrol, met in de kernzone een duidelijke aanwezigheid van de typische Sant’Omobono-bodems, een leem-kleiige textuur die in de streek als typisch voor het gebied geldt.

Lambrusco di Sorbara DOC: het appellatiekader in een notendop

Hoewel Lambrusco al eeuwenoud is, werd de benaming Lambrusco di Sorbara pas als DOC vastgelegd in 1970. Sindsdien vormt ze het officiële speelveld waarbinnen producenten hun Sorbara kunnen vinifiëren en op de markt brengen. Het areaal is relatief compact: het huidige beschikbare cijfermateriaal spreekt van 946 hectare, goed voor een gemiddelde productie van ongeveer 38.100 hectoliter per jaar. Met andere woorden: dit is geen mega-appellatie.

Vandaag zie je steeds vaker een trend naar monocépage en dus 100% Lambrusco di Sorbara, maar het disciplinare laat bewust ruimte voor andere Lambrusco-variëteiten. Officieel moet de wijn minstens uit 60% Lambrusco di Sorbara bestaan. Aanvullen kan met maximaal 40% Lambrusco Salamino, en daarnaast nog maximaal 15% andere Lambrusco-subvariëteiten.

Wie Lambrusco automatisch gelijkstelt aan rood en bruisend, kijkt binnen Lambrusco di Sorbara DOC net iets te smal. Je vindt hier rosato en rosso, als frizzante of als spumante. Er bestaat zelfs bianco spumante, waarbij men dezelfde basisdruiven in wit vinifieert. Het verschil zit dus vooral in hoe de wijn is gemaakt: tankgisting (autoclave), hergisting op fles, of een meer ancestrale aanpak waarbij de wijn zijn gisting op fles afwerkt en daardoor extra levendig kan overkomen. Wie daar graag dieper induikt, kan doorklikken naar mijn eerdere artikel over hoe vinificatie de stijl van Lambrusco bepaalt.

Om de kwaliteit en herkomst te bewaken, legt het disciplinare bovendien vast dat vinificatie en verdere uitwerking, maar ook botteling en conditionering, in principe binnen de provincie Modena moeten plaatsvinden, met enkele historische uitzonderingen net buiten het productiegebied.

Ook op technisch vlak zijn de krijtlijnen helder. De maximale opbrengst is vastgelegd op 18 ton druiven per hectare. Daarnaast vraagt het disciplinare een minimale natuurlijke alcoholgraad van 9,5%, wat je kan zien als het potentiële alcoholgehalte van de most op basis van druivensuikers. Voor de afgewerkte wijnen gelden minimum alcoholgehaltes van 10,5% voor frizzante en 11,0% voor spumante.

Wat restsuiker betreft is de ruimte breed: spumante mag in eender welke dosage worden gemaakt, van zero dosage tot dolce. Op rijping legt de appellatie geen minimale verplichtingen op, maar ze bewaakt wel streng de identiteit: de maximale opbrengst aan wijn uit druiven is beperkt tot 70%.

De druif ampelografisch: waarom Sorbara zo’n lastige klant is

Sorbara is een enorm boeiende druif en het sleutelbegrip is het bloemtype. Sorbara heeft functioneel vrouwelijke bloemen en is autosteriel, ze kan zichzelf dus niet netjes bestuiven. Concreet betekent het dat ze een bestuiver nodig heeft. Zonder stuifmeel van een andere, compatibele Lambrusco-variëteit wordt de vruchtzetting onzeker en krijg je trossen die slecht of onvolledig gevormd zijn. Dat is precies wat ik in de intro bedoelde met: “Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen.”. In de praktijk wordt dat opgelost door Sorbara bewust samen aan te planten met andere Lambrusco-variëteiten die de bestuiving op gang helpen.

Als we het puur over de ampelografische kenmerken van de druif hebben dan zien we dat Sorbara doorgaans middelgrote trossen heeft, langwerpig tot piramidaal, vaak met een schouder, en opvallend los van structuur. De bessen zijn middelgroot, bijna rond tot licht ovaal, en vaak bedekt met een duidelijke waslaag die ze dat matte, blauwgrijze uitzicht geeft. De schil is dik en stevig, met een sappige pulp. De groeikracht is bovendien uitbundig, wat wijngaardwerk extra belangrijk maakt. Qua weerbaarheid is het beeld genuanceerd: Sorbara kan behoorlijk goed omgaan met kou en heeft een degelijke weerstand tegen rot, maar net rond bloei en vruchtzetting blijft ze gevoelig en onvoorspelbaar.

Het proefprofiel: zo ontleed en herken je Sorbara

Sorbara herken je vaak al vóór je het glas naar je neus brengt. De kleur is meestal verrassend licht voor een rode sprankelende wijn: eerder helder, licht robijn tot rosato cerasuolo, vaak met fijne, levendige mousse. Dat delicate kleurbeeld is meteen een eerste hint dat je hier niet met de meest “donkere” Lambrusco-stijl te maken hebt.

Qua proefprofiel loont het om Sorbara in twee stromingen te bekijken. De oldschool interpretatie was doorgaans frizzante en vaak ook zachter in stijl, met restsuiker die het geheel een “frisdrank”-vibe kon geven. De bubbels zijn speels en licht, het fruit komt meteen naar voren en de florale toets is direct herkenbaar. Denk aan viooltjes en roos, met framboos, aardbei en rode bes. Dat kleine zoetje rondt de hoge zuren af, waardoor het glas soepel en makkelijk drinkt.

De moderne stijl toont Sorbara in zijn meest verfijnde vorm. Vaker droog, strakker opgebouwd en in de betere versies ook als spumante uitgewerkt, soms met fleshergisting of een ancestrale aanpak. In dat geval zijn de bubbels een dragend element dat de wijn structuur geeft en de geuren sterker laat uitkomen. In de neus blijft Sorbara uitgesproken floraal, met kleine rode vruchten zoals framboos en rode bes, maar met meer scherpte en detail, vaak aangevuld door een frisse citrustoets of een subtiel kruidig, licht aards randje. In de mond voelt dit type Sorbara slank en levendig aan: hoge zuren zorgen voor energie, het geheel blijft licht op de tong, en de afdronk is helder en strak, soms met een discreet ziltig accent. Dat maakt hem bijzonder geschikt aan tafel: hij verfrist, snijdt door vet en zout, en blijft tegelijk moeiteloos drinkbaar.

Als je blind proeft, is Sorbara meestal de Lambrusco die het meest “verticaal” aanvoelt. Licht van kleur, geurend naar bloemen en kleine rode vruchten, en altijd gedreven door frisheid. Het enige wat je nog moet bepalen is welke bril je opzet: de charmante, zachtere frizzante versie of de moderne, droge en verfijnde spumante benadering.

Mijn favoriet

Ik mag het misschien niet luidop uitspreken, maar je hebt het aan de toon van dit artikel waarschijnlijk al gemerkt: Lambrusco di Sorbara is mijn favoriete Lambrusco. Niet omdat het verhaal eromheen zo spectaculair is, maar omdat deze druif in het glas een opvallend verfijnde diversiteit kan tonen. Bovendien belichaamt ze de nieuwe richting die Lambrusco is ingeslagen, bij de beste interpretaties kan je zelfs bijna vanzelf doorstappen naar een complexe metodo classico.

Wil je namen? Proef de wijnen van Cantina della Volta. Hun Trentasei is een millesimato met, hoe kan het ook anders, 36 maanden rijping op de lies en een dosage van 5 g/l. Zet dat naast een klassieke oldschool Sorbara en je begrijpt meteen wat ik bedoel.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen

Lambrusco en zijn twaalf apostelen

We zijn ondertussen al een heel eind gevorderd in onze verkenning van Lambrusco. We kennen de boeiende geschiedenis van deze ‘wilde’ druivenstok, we weten waar de wijngaarden liggen en hoe de wijn gemaakt wordt. Maar tot op heden hebben we Lambrusco bijna uitsluitend onder één noemer besproken. Technisch gezien is dat natuurlijk onjuist, want wie “Lambrusco” zegt, bedoelt zelden één druif. In wezen gaat het om een familie van autochtone variëteiten uit Emilia-Romagna (met een uitloper richting Mantova), die, afhankelijk van herkomstbenaming en producent, solo of in assemblage worden gebruikt.

In deze aflevering focussen we op de Lambrusco-familie als geheel. Je krijgt een leesbare stamboom en een overzicht van de belangrijkste variëteiten. De drie “A-spelers”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, noemen we uiteraard, maar we laten ze hier bewust grotendeels liggen: die verdienen hun eigen artikels.

De Lambruschi-familie

Historisch was “Lambrusco” een verzamelnaam voor lokale, vaak wat wild ogende druiven die uitstekend gedijden op de vruchtbare vlaktes rond Modena en Reggio Emilia. Pas met modern ampelografisch en genetisch onderzoek werd duidelijk dat het niet om één druif gaat, maar om een cluster van nauw verwante variëteiten. Sommige zijn duidelijk als ouder en kind te koppelen; andere zijn eerder “neven en nichten”, zonder dat we vandaag een sluitend ouderpaar kunnen aanwijzen.

Wanneer we het over Lambrusco hebben als druif (en niet als wijnstijl), verwijst de naam dus niet naar één ras. In de praktijk circuleren er zelfs meer dan zestig Lambrusco-benamingen of -types. Niet al die namen zijn echter even relevant in de wijngaard of in de kelder. Voor het kwaliteitsverhaal kunnen we het veld herleiden tot een twaalftal sleutelvariëteiten: Sorbara, Salamino, Grasparossa, Foglia Frastagliata, Barghi, Maestri, Marani, Montericco, Oliva, Viadanese, Benetti en Pellegrino.

Lambrusco is doorheen de tijd uitgegroeid tot een echte druivenfamilie, met herkenbare genetische banden tussen een belangrijk deel van deze sleutelvariëteiten. Precies daarom spreken we correcter van Lambruschi. Een familie betekent dat de variëteiten dezelfde naam dragen én genetisch aan elkaar verwant zijn. “Lambruschi” dus. Een andere veel voorkomende naam in Italië, Trebbiano bijvoorbeeld, is géén familie maar een groep. Dat betekent: de variëteiten dragen dezelfde naam, maar ze zijn genetisch niet (of niet noodzakelijk) verwant. Trebbiano di Toscana, Trebbiano di Soave en Trebbiano Spoletino delen vooral een stuk van hun naam, niet hun DNA.

Een vaak voorkomend misverstand is dat Lambrusco verwant zou zijn aan de Amerikaanse soort Vitis labrusca. Dat is niet het geval: Lambrusco behoort tot de Europese wijnstoktraditie (Vitis vinifera) en staat los van Vitis labrusca.

Een poging tot stamboom

Een volledige stamboom van Lambrusco bestaat niet. Eeuwen van lokale selectie, spontane kruisingen en een flinke dosis naamverwarring hebben nu eenmaal sporen nagelaten. Toch laat modern DNA-onderzoek toe om enkele duidelijke lijnen te trekken, waardoor het geheel minder mistig wordt. Je ziet daarbij geen één allesverklarende stamvader, maar wel een paar sturende knooppunten die telkens opnieuw opduiken in de verwantschap tussen verschillende Lambruschi. Denk dus eerder aan een verwantschapskaart dan aan een klassiek genealogisch schema.

Belangrijk om mee te nemen: zo’n genetische kaart vertelt iets over verwantschap, niet automatisch over belang. De “grote drie”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, blijven de hoofdrolspelers, maar ze laten zich niet allemaal even netjes langs éénzelfde DNA-corridor in een pijlenschema tekenen. Salamino duikt bijvoorbeeld wél in een duidelijke verwantschapslijn op; Sorbara en Grasparossa markeer je eerder als centrale referentiepunten binnen de familie, ook wanneer de genetische lijnen in de literatuur minder eenduidig of minder compact worden voorgesteld.

Eén van de knooppunten die wél herhaaldelijk terugkomt in genetische studies is Besgano nero. Die oudere variëteit fungeert als een soort familie-anker: niet als fundament van de hele Lambrusco-wereld, maar wel als cruciale schakel achter meerdere leden van de genetische kern. Vanuit Besgano nero vertrekken duidelijke lijnen naar Benetti, Barghi en Marani, en er zijn ook genetische verbanden met Salamino en Oliva. Precies dat verklaart waarom Lambrusco ondanks familiebanden nooit één smaakprofiel wordt: verwantschap creëert herkenbare trekken, maar geen uniformiteit.

Naast deze Besgano-nero lijn zie je binnen de genetische kern ook variëteiten die een eigen traject volgen. Maestri verschijnt bijvoorbeeld als een duidelijke aparte lijn en is net daarom zo relevant: hij brengt vaak een heel ander gewicht in het glas en kan een blend letterlijk “optillen” in kleur en structuur. Dat soort zijpaden tonen mooi aan dat zelfs binnen één familie de karakters uiteen kunnen lopen.

Daarnaast blijven er binnen de klassieke sleutelset namen die in de praktijk sterk met Lambrusco verbonden zijn, maar die je beter niet te hard in hetzelfde ouder-kind schema duwt. Montericco en Pellegrino passen voor veel auteurs in dat vakje: ze horen thuis in het Lambrusco-verhaal en worden vaak als sleutelvariëteiten vermeld, maar hun exacte positie in de genetische puzzel laat zich minder vlot in één duidelijke pijl gieten.

Tot slot zijn er variëteiten die in stijl en historiek zeer herkenbaar zijn, maar waarbij een te strak schema vooral nuance kapotmaakt. Foglia Frastagliata is zo’n geval: een uitgesproken identiteit, maar niet handig te reduceren tot één simpele afstammingslijn. Hetzelfde geldt voor Viadanese, dat regionaal sterk verankerd is richting Lombardije en Mantova en binnen het Lambrusco-spectrum een eigen traject en accent bewaart.

Zo krijg je een stamboom die niet pretendeert elk draadje perfect te ontwarren. Tegelijk toont ze ook waar de puzzel nog open ligt: van twee hoofdrolspelers, Sorbara en Grasparossa, is het ouderschap in de beschikbare studies niet op dezelfde manier strak in één ouder-kindlijn vast te zetten als bij sommige andere Lambruschi. Sorbara blijft in dat opzicht een kernlid met een nog niet sluitend ingevuld ouderpaar, terwijl Grasparossa wel duidelijk binnen de Lambrusco-verwantschap valt maar een andere genetische route volgt dan de Besgano-nero corridor. Over één punt bestaat wél brede overeenstemming: zowel Sorbara als Grasparossa tonen genetische verwantschap met de Lambrusco-cluster en worden als volwaardige leden van de familie beschouwd.

De negen bijrolspelers!

1. Lambrusco Marani

Lambrusco Marani is in de wijngaard herkenbaar als een groeikrachtige variëteit met een middelhoge tot hoge productie. Doordat de basale knoppen doorgaans goed vruchtbaar zijn, verdraagt hij ook een korte snoei. Hij voelt zich het best in vruchtbare omstandigheden met diepe, goed drainerende bodems en voldoende warmte. Dat verklaart waarom Marani vandaag vooral voorkomt in het noordoosten van de provincie Reggio Emilia en, in mindere mate, in vergelijkbare zones van Modena, maar ook nog terug te vinden is rond Parma en richting Mantova. Het uitlopen gebeurt gemiddeld, de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Qua gevoeligheden toont hij een normale weerbaarheid tegen de klassieke wijnbouwproblemen, met in sommige situaties zelfs een opvallend goede tolerantie voor botrytis. Dat Marani al sinds de 19de eeuw rond Reggio Emilia wordt vermeld, onderstreept vooral hoe stevig hij historisch in die zone verankerd is.

Qua kleur toont Marani zich meestal levendig robijnrood, eerder helder dan diep. Die relatief lichte kleur maakt hem niet alleen geschikt voor rode Lambrusco’s, maar ook voor witte vinificatie (Lambrusco bianco) en voor mousserend. Zijn aciditeit ligt vaak vrij hoog: ze geeft extra glans aan de kleur en brengt een licht ziltige toets naar voren. Tegelijk blijft de tannine doorgaans bescheiden. In vergelijking met Lambrusco Maestri is Marani meestal minder tanninerijk en minder “vlezig”, waardoor het mondgevoel lichter kan uitvallen en in sommige jaren een vegetale toets kan opduiken. In de neus blijft het profiel fijn en delicaat, met fruittonen van marasca, ribes en zwarte bes en een florale lijn waarin viooltjes centraal staan, aangevuld met nuances van iris en pioenroos. Wanneer hij goed gemaakt is, kan Marani opvallend verfijnd, helder en sappig zijn, met een mooie kern van zwarte bes en rode kers.

Binnen Reggiano DOC Lambrusco geldt hij als een belangrijke pijler, vooral in assemblage met andere Lambruschi. Net door zijn frisse zuurstructuur en milde tannine werkt hij in blends als een betrouwbare “middenmotor”: hij brengt balans, rondt af en geeft het geheel een stabiel smaakcentrum. Tegelijk zijn de aanplantingen teruggelopen omdat moderne producenten vaker herplanten met de rijkere en fruitigere Lambrusco Maestri.

2. Lambrusco Maestri

Lambrusco Maestri wordt traditioneel gelinkt aan de provincie Parma, met als historische verwijzing het gebied rond Villa Maestri bij San Pancrazio. Vandaag ligt zijn zwaartepunt echter in Reggio Emilia, met een uitgesproken aanwezigheid in het westen van de provincie, onder meer rond Montecchio, Boretto en Gualtieri. Tegelijk is Maestri opvallend aanpasbaar: je vindt hem dan ook buiten Emilia, zelfs tot in Puglia. Hij kan zowel op minder vruchtbare hellingen als op rijkere vlaktegronden gedijen, al presteert hij vaak het best wanneer de bodem niet té weelderig is. In de wijngaard toont hij een goede weerstand tegen de belangrijkste problemen zoals peronospora en oïdium, terwijl hij voor botrytis vaak gevoeliger blijkt. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is eerder laat en valt meestal eind september tot begin oktober.

Maestri combineert een hoge groeikracht met een hoge productiviteit en heeft meestal een goede vruchtbaarheid van de basale knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is (al blijkt die aanpak niet altijd de beste keuze om kwaliteit te sturen). In het glas is het profiel meteen duidelijk: Maestri is vaak de meest intens gekleurde Lambrusco, met een donker robijnrode tot paarsgetinte kleur en uitgesproken paarse reflecties. Hij levert wijnen met meer body en een stevigere tanninestructuur, maar kan tegelijk opvallend fruitig, rond en onmiddellijk aantrekkelijk overkomen. Aromatisch kan het spectrum breed zijn: donkere pruim en rijpe zwarte kers vormen vaak de kern, geregeld aangevuld met een romige toets die aan melkchocolade doet denken, een florale lijn van viooltjes en, bij bepaalde stijlen, een speels snoepjesachtig accent dat aan kauwgom of druivensnoep doet denken. Wanneer hij goed gemaakt is en de opbrengsten worden getemperd, worden de aroma’s zuiverder en duidelijker afgelijnd, met heldere tonen van kers en wilde bosbessen naast de viooltjesgeur.

In assemblage is Maestri een echte bouwsteen. Door zijn kleur en fruit wordt hij vaak ingezet om blends meer diepte en aantrekkingskracht te geven. Hij werkt mooi samen met Lambrusco Salamino en kan ook gebruikt worden om Lambrusco di Sorbara meer kleur te bezorgen. Opvallend is dat Maestri in verschillende wijngaardzones terrein heeft gewonnen ten opzichte van Marani: zijn aanpasbaarheid en zijn rijkere fruitprofiel maken hem voor moderne producenten een logische keuze bij heraanplant.

3. Lambrusco Oliva

Lambrusco Oliva is vandaag eerder zeldzaam, al genoot hij in het verleden een zekere bekendheid. Hij werd lange tijd geassocieerd met Lambrusco Oliva Grosso, in de volksmond ook wel Lambruscone genoemd, een wijn die vooral op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw naam maakte. Die “Lambruscone” wordt in oorsprong soms gelinkt aan Lambrusco di Fiorano, wat mee verklaart waarom de naam Oliva vandaag af en toe tot verwarring leidt. Oliva dankt zijn naam aan de elliptische, olijfachtige vorm van de bes. Je komt hem vandaag nog sporadisch tegen in oude aanplantingen.

In de wijngaard is Oliva een uitgesproken rustieke en breed inzetbare variëteit. Hij kan zich aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden, zelfs op erg vruchtbare bodems, op voorwaarde dat je zijn natuurlijke groeikracht actief onder controle houdt. Hij draagt al goed aan de eerste knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is. In de praktijk vraagt hij echter nuance, want de productie is niet altijd constant en de scheuten kunnen vrij fragiel zijn. De rijping valt meestal in de tweede helft van september. Oliva heeft bovendien een hekel aan overdreven natte lentes en toont gevoeligheid voor zowel oïdium als peronospora.

In het glas kan Oliva daarentegen bijzonder aantrekkelijk uitpakken. Hij geeft een rijk gekleurd robijnrood met een goede intensiteit en paarse reflecties. De neus wordt vaak omschreven als intens, fijn en complex, met duidelijke tonen van rood bessig fruit, kers en kruidigheid. In de mond blijven aciditeit en astringentie relatief beperkt, terwijl de structuur goed aanwezig is. De tannine is licht, het geheel blijft evenwichtig, en volgens sommigen vertoont het smaakprofiel raakvlakken met Lambrusco Salamino.

Oliva duikt geregeld op in het overzicht van Lambrusco-variëteiten, maar je ziet hem minder vaak als monocepage op het etiket. Net in assemblage kan hij daarom nuttig zijn: zijn fruitige, milde karakter en zachte tannine helpen strengere componenten afronden.

4. Lambrusco Montericco

Lambrusco Montericco wijkt, qua uiterlijke kenmerken, duidelijk af van de andere Lambruschi. Oorspronkelijk stond hij bekend als Selvatica di Montericco en men gaat ervan uit dat hij afkomstig is uit de omgeving van Montericco di Albinea, in de provincie Reggio Emilia. Er zijn aanwijzingen dat hij er al sinds de 19de eeuw wordt aangeplant, met een historische band tussen Broletto en Montericco. Vandaag duikt hij ook elders in de provincie Reggio Emilia op, al blijft zijn natuurlijke biotoop vooral het heuvelachtige reggiano, bij voorkeur in minder vruchtbare omstandigheden.

Zijn verspreiding en reputatie worden mee bepaald door een uitgesproken neiging tot millerandage: trossen met zeer kleine, vaak verder uit elkaar staande bessen. Daarbij blijft de kleurvorming soms achter, omdat de bessen niet altijd volledig “op kleur” komen. Het gevolg is dat de wijnen minder kleurintensiteit halen dan je van Lambrusco verwacht en vaker naar lichtere, blekere roodtinten neigen. Het uitlopen is gemiddeld, maar de rijping is laat: vaak tussen 5 en 15 oktober. Montericco is bovendien geen uitgesproken groeikrachtige plant: hij groeit minder krachtig dan veel andere Lambruschi en heeft een vrij rechtopgaande groeiwijze. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen start pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder vanzelfsprekend is voor extreem korte snoei.

In het glas zie je de gevolgen van die millerandage en de late, soms onvolledige kleurontwikkeling: de wijn blijft robijnrood maar niet erg intens en kan soms richting kersachtig lichtrood (bijna rosé) neigen. De structuur is gemiddeld, met een levendige zuurgraad en een lage tanninestructuur, wat de wijnen bijzonder doordrinkbaar maakt en meteen verklaart waarom Montericco ook interessant kan zijn voor mousserende stijlen. Aromatisch blijft het profiel delicaat, met fruittonen van braam en bosvruchten, aangevuld met florale accenten die aan rozenbottel en viooltjes doen denken.

5. Lambrusco Viadanese

Lambrusco Viadanese staat ook bekend onder het synoniem Groppello Ruberti. De naam verwijst naar de gemeente Viadana in Mantova, waar de variëteit vandaag het sterkst aanwezig is, naast aanplantingen in de lagere vlaktes van Reggio Emilia. Het synoniem Groppello Ruberti wordt vaak verklaard als een eerbetoon aan de agronoom Ugo Rubelli, die de druif op het einde van de 19de eeuw zou hebben geïdentificeerd, geselecteerd en mee verspreid. Daarmee is Viadanese meteen het geografische buitenbeentje binnen de Lambruschi: sterker verankerd rond Viadana en Mantova dan rond de klassieke Modena/Reggio-kern.

In de wijngaard toont Viadanese een goede groeikracht en een betrouwbare productiviteit. De eerste echt vruchtbare scheuten verschijnen meestal pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder geschikt is voor heel korte snoei en beter functioneert met jaarlijks te vernieuwen hout, zoals bij Guyot. Daarbij is enige voorzichtigheid nodig, want de scheuten kunnen breekbaar zijn en bij overbelasting kan de opbrengst terugvallen. Viadanese doet het vaak goed op bodems met een gemiddelde vruchtbaarheid, bij voorkeur met een kleiige inslag, zelfs wanneer die gronden zwaarder aanvoelen. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Zijn rustieke karakter geeft hem bovendien een zekere tolerantie tegenover de belangrijkste schimmelziekten.

In het glas levert Viadanese een diep robijnrood met veel glans. Het profiel is stevig, met een goede zuurgraad en een merkbare tanninestructuur, maar tegelijk meestal afgerond en harmonieus van bouw. Aromatisch is hij mooi intens, met typische accenten van kers, amarena en braam, aangevuld met florale toetsen die vaak aan viooltjes doen denken. Stilistisch kan hij een iets andere toon zetten, met geregeld meer nadruk op rijper fruit en een rondere textuur, afhankelijk van opbrengst en vinificatie. Daardoor past hij goed in Lambrusco’s die een soepel, gul profiel nastreven.

6. Lambrusco Foglia Frastagliata

Lambrusco Foglia Frastagliata is binnen de Lambruschi een opvallende buitenstaander qua herkomst. Zijn domesticatie zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden op de morenische gronden tussen de Adige rivier en het Gardameer. Dat verklaart meteen zijn zwaartepunt: hij komt vooral voor in Trentino en in het Veronese, terwijl hij in de twee klassieke Emiliaanse provincies slechts marginaal aanwezig is. De naam is zeer letterlijk en verwijst naar de sterk ingesneden, breed uitgewaaierde bladeren met uitgesproken “sinussen”.

Foglia Frastagliata toont vaak een minder uitbundige groeikracht dan veel Lambruschi uit de vruchtbare vlaktezones rond Modena en Reggio. Hij kan zich wel aanpassen aan vruchtbare bodems, maar verkiest lichtere, lossere gronden met een grotere zandcomponent. Het uitlopen gebeurt laat, wat hem vaak helpt om aan voorjaarsvorst te ontsnappen. Ook de rijping schuift laat op: meestal in de eerste tien dagen van oktober. In de wijngaard geldt hij als een rustieke variëteit met een goede ziekteweerstand. De vegetatie groeit half rechtop en de tweede knop is vruchtbaar, wat hem in de praktijk vrij flexibel maakt in snoei en leivorm.

In het glas geeft Foglia Frastagliata vaak een rood-violette kleur met paarse reflecties. De structuur is goed, met een frisse indruk, een licht hartige toets en weinig astringentie. Aromatisch blijft het profiel uitgesproken “rustiek”, met licht vegetale accenten van wilde bloemen en viooltjes, aangevuld door fruittonen van braam, kers en bosvruchten. In de beste rijpingsjaren kan daar zelfs een nuance van gedroogd fruit bij komen, zoals pruim. Dan toont hij ook een verrassend mooie, aanhoudende geur- en smaaklengte. In assemblage waarderen wijnmakers hem omdat hij frisheid en structuur kan brengen zonder dat de wijn mager wordt: hij maakt het geheel strakker, tekent de structuur en voegt aromatische nuance toe.

7. Lambrusco Benetti

Lambrusco Benetti geldt als een vitigno minore: een minder verspreide Lambrusco die vooral voorkomt in het Modenese, met een zwaartepunt rond Campogalliano en Carpi. De eerste beschrijvingen dateren uit 1945, wat Benetti tegelijk een relatief laat gedocumenteerd, maar wel duidelijk autochtoon karakter geeft binnen die lokale context.

In de wijngaard is Benetti een rustieke, groeikrachtige en productieve variëteit, met één duidelijke zwakke plek: hij verdraagt droogte minder goed. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen is goed, waardoor korte snoei mogelijk is. Hij start vroeg in het seizoen, maar de rijping verloopt traag en lang: theoretisch is hij begin oktober rijp, al loont het vaak om nog wat langer te wachten met oogsten. Die extra tijd aan de stok is net functioneel: Benetti heeft relatief weinig kleurstoffen in de schil, en een langere rijping helpt om meer kleur en een rijpere expressie te ontwikkelen. Praktisch is er nog een voordeel: net omdat Benetti later kan worden geplukt, kan hij helpen om de oogstplanning in de kelder te spreiden.

De trossen zijn gemiddeld los, wat hem toleranter maakt tegenover rot en hem in sommige contexten interessant maakt voor biologische teelt. In het glas levert Benetti een helder robijnrood met paarse reflecties. De neus is intens en aangenaam, met een duidelijke florale component. In de mond toont hij een evenwichtige, middelmatige structuur, gedragen door een opvallend hoge zuurgraad. Het smaakprofiel kan een licht bittertje hebben, wat hem een strakker einde geeft. Door het voorkomen van onregelmatig rijpende bessen binnen de tros kan Benetti bovendien ook richting rosé-stijlen werken, waar minder extract en kleurintensiteit net een voordeel kunnen zijn.

Benetti is zo’n klein puzzelstukje dat je zelden als hoofdrolspeler ziet, maar dat in assemblage wél betekenis krijgt. Hij ondersteunt blends met frisheid en structuur, kan het geheel strakker aflijnen en blijft tegelijk een handig instrument door het vaak iets latere plukvenster. In de kelder is hij dus meer de stille kracht: nuance, samenhang en bovendien inzetbaarheid voor rosato.

8. Lambrusco Barghi

Lambrusco Barghi heeft in Reggio Emilia een duidelijke historische voetafdruk. De variëteit werd geïntroduceerd op het domein van graaf Corbelli (Rivalta en Castelnuovo di Sotto) en was in de Reggiaanse zone al goed verspreid sinds de 19de eeuw, al wordt zijn oorsprong door sommige auteurs eerder buiten Emilia gezocht, mogelijk in Toscane of in de streek rond Piacenza. Vandaag ligt zijn kern vooral rond Montecchio en Sant’Ilario d’Enza, in de provincie Reggio Emilia. Dat hij daar standhoudt, wijst erop dat Barghi in het verleden als druif met interessante oenologische mogelijkheden werd gezien.

Toch is Barghi altijd een druif met een “maar” gebleven. Het grootste struikelblok is de lage mostopbrengst, rechtstreeks gelinkt aan de opvallend dikke schil. Die schil belooft extract en kleur, maar maakt vinificatie minder efficiënt: je krijgt relatief weinig sap, en het evenwicht tussen schil en most kan het maceratiebeheer delicaat maken. Net daarom is het interessant dat moderne vinificatietechnieken het potentieel van Barghi opnieuw in een ander licht kunnen zetten. In de wijngaard werkt die dikke schil overigens ook in zijn voordeel: samen met een gemiddeld losse tros geeft ze Barghi een goede weerstand tegen botrytis. De groeikracht is stevig, in lijn met veel Lambruschi, en de rijping valt meestal eind september.

In het glas kleurt Barghi intens robijnrood. De aromatische intensiteit is vaak middelmatig, maar het profiel kan mooi verfijnd zijn, met bramen, framboos en kers als kern. Bij langere maceraties schuift het fruitprofiel op naar gedroogde pruim, en kunnen er ook toetsen opduiken van zoethout of koffie. De zuurgraad en de hartige toets liggen meestal rond het midden. Opvallend is dat de tanninestructuur vaak bescheiden blijft, niet omdat de schil dun is, maar omdat een correcte, evenwichtige maceratie net door die verhouding schil/most moeilijker te sturen is. De finale blijft doorgaans correct, met een discrete maar aangename lengte.

Barghi is één van die namen die je minder vaak op etiketten ziet, maar die inhoudelijk boeiend blijft: historisch lokaal aanwezig, vandaag vooral interessant omdat hij kleur en extractpotentieel koppelt aan een verfijnd, klassiek aromaprofiel. In assemblage kan hij als karakterdruif extra ruggengraat en lokale identiteit geven, al vraagt hij in de kelder een zorgvuldige aanpak door zijn lage sapopbrengst en de delicate maceratiebalans. Precies daar ligt ook zijn herontdekkingswaarde: met moderne vinificatietechniek kan Barghi meer laten zien dan hij vroeger vaak mocht tonen.

9. Lambrusco del Pellegrino

Lambrusco del Pellegrino staat zelden in de spotlights, maar is inhoudelijk boeiend. De druif duikt in historische contexten ook op onder benamingen zoals Lambruscone en Lambrusco di Fiorano. Vandaag situeert zijn kern zich vooral in en rond Modena (onder meer Nonantola, Fiorano, Modena en Formigine), met daarnaast ook aanwezigheid in de heuvelzone van Reggio Emilia.

In de wijngaard is dit geen “brute kracht”-Lambrusco. De groeikracht blijft eerder beperkt en de opbrengst is doorgaans niet overdreven hoog, al is de vruchtbaarheid op de eerste knoppen opvallend goed. Hij start rond het midden van het seizoen, maar veraison en rijping schuiven laat op. Praktisch is hij interessant omdat hij een sterke tolerantie kan tonen voor botrytis, terwijl de gevoeligheid voor meeldauw en valse meeldauw eerder gemiddeld blijft.

In het glas is Pellegrino geen lichtgewicht. De druif kan behoorlijk rijp worden en dus vulling en body meebrengen, terwijl de zuurgraad voldoende levendigheid bewaart en de structuur correct overeind blijft. Het profiel is minder geparfumeerd maar biedt meer ruggengraat, zonder noodzakelijk zwaar te worden.

Als bijrolspeler is Lambrusco del Pellegrino vooral nuttig in assemblage wanneer je structuur en stabiliteit zoekt zonder hardheid. Hij kan body en vulling leveren, een blend helpen “zetten” en blijft tegelijk een handige component in uitdagende jaren.

Een mooi vooruitzicht

Wie een kwalitatieve Lambrusco drinkt, zal meestal niet rechtstreeks met deze minder bekende variëteiten geconfronteerd worden. Van de twaalf sleutelnamen focusten we hier op de negen bijrolspelers; de grote drie krijgen een eigen vervolg. Dat maakt hun rol niet kleiner, integendeel: elk van deze druiven draagt op zijn manier bij, als nuancegever, bouwsteen of stille versterker in assemblage. De komende weken zetten we Sorbara, Salamino en Grasparossa centraal, en geven we tegelijk meer aandacht aan de herkomstzones waar ze het best tot hun recht komen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco was vroeger misschien een wijn die je eenvoudig kon definiëren, maar vandaag is dat helemaal niet meer zo. De veelheid aan vinificatiemogelijkheden heeft Lambrusco intussen ook bereikt en legt daardoor telkens andere accenten in het glas. Het is een wijn met vele gezichten geworden, en voor de consument is het dus opletten geblazen bij de aankoop. Het etiket vertelt je veel, op voorwaarde dat je het wijnjargon kan vertalen naar mensentaal. In dit vierde artikel van onze zondagse Lambrusco-reeks proberen we die diversiteit te ontrafelen en helder te maken welke stijlen vandaag mogelijk zijn. Van fizzy naar sparkling en van secco naar amabile: de vinificatie stuurt het eindresultaat.

Twee types Lambrusco: frizzante en spumante

Los van de vinificatiemethodes kan je Lambrusco in twee categorieën plaatsen op basis van het type bubbel dat je in het glas krijgt. Enerzijds is er Lambrusco frizzante, de “fizzy” stijl: licht bruisend, speels en direct, gemaakt om frisheid en onmiddellijke drinkbaarheid te leveren. Anderzijds is er Lambrusco spumante, de “sparkling” stijl: volwaardig schuimend, met hogere druk, een duidelijker schuimkraag bij het inschenken en doorgaans ook meer ambitie qua structuur en verfijning. Voor de consument is dit meteen een eerste sleutel om een etiket te lezen, want frizzante en spumante zeggen in de eerste plaats iets over hoe de wijn zich zal gedragen in het glas.

Frizzante en spumante verschillen immers vooral in intensiteit. Frizzante parelt zachter en voelt in de mond lichter en losser aan. Spumante zit hoger in druk en geeft vooral een fijnere en nadrukkelijkere pareling in het glas. Dat is niet alleen een verschil in bubbels, maar ook in stijl: frizzante draagt vaak het sappige, fruitgedreven en dorstlessende karakter van Lambrusco, terwijl spumante sneller richting finesse en gastronomische inzetbaarheid schuift.

Vanaf hier wordt het interessant, want het type bubbel en de vinificatiemethode zijn niet exact hetzelfde, al hangen ze wel nauw samen. Laat me dat zo eenvoudig mogelijk kaderen. Metodo ancestrale levert in de praktijk bijna altijd frizzante op, omdat de hergisting in de fles gebeurt op basis van natuurlijke restsuikers en actieve gisten. De drukopbouw blijft daardoor doorgaans gematigder, de pareling subtieler en het resultaat kan licht troebel zijn door de aanwezige gistresten. Dat is precies waarom ancestrale Lambrusco zo herkenbaar is: levend, direct en ambachtelijk, met een beperkte pareling.

Metodo classico is het andere uiterste en resulteert bij Lambrusco vrijwel altijd in spumante. Hier wordt de tweede gisting in de fles doelbewust en gecontroleerd opgestart en volgt er een traject waarbij druk, pareling en rijping centraal staan. De belletjes zijn doorgaans fijner, talrijker en langduriger aanwezig. De rijping op de lies bouwt extra structuur en complexiteit op, waardoor de wijn minder op onmiddellijk fruit speelt en meer op draagkracht aan tafel.

Metodo Martinotti, oftewel Charmat, zit ertussenin en is daarom de flexibele schakel. Deze methode kan zowel frizzante als spumante opleveren, omdat de tweede gisting in een drukbestendige tank plaatsvindt en de producent daar de drukopbouw technisch kan sturen. In deze autoclave kan men bewust op lagere druk mikken om een frizzante stijl te maken, of verder laten opbouwen tot een hogere druk voor een volwaardige spumante. Ook keuzes rond duur, temperatuur en botteling onder druk bepalen hoe intens de pareling aanvoelt. Dat verklaart meteen waarom Martinotti in Lambrusco zo’n dominante rol speelt: het is de methode die, vertrekkend van hetzelfde fruitgedreven DNA, zowel een lichtvoetige frizzante als een voller spumante profiel mogelijk maakt.

Terug zoals het ooit was: Metodo ancestrale of col fondo

Wie Lambrusco in zijn meest “oorspronkelijke” gedaante wil proeven, komt al snel uit bij metodo ancestrale. Niet omdat dit per se een romantische terugblik op vroeger is, maar omdat het perfect aansluit bij wat Lambrusco kan zijn: licht, levendig, dorstwekkend en vooral erg direct. In plaats van bubbels technisch op te bouwen tot een strak, uniform schuimwijnprofiel, laat men de wijn in deze stijl op een natuurlijke manier verder vergisten in de fles. Dat resulteert vrijwel altijd in een frizzante beleving: beperktere pareling, minder druk, en een wijn die meer “wijn” blijft dan “schuimwijn”.

Concreet betekent ancestrale bij Lambrusco dat men bottelt terwijl er nog een beetje vergisting in de wijn zit. De resterende suikers en de aanwezige gisten doen in de fles het werk verder, waardoor koolzuur ontstaat dat in de wijn wordt vastgehouden. Omdat men doorgaans niet dégorgeert, blijven gistresten aanwezig. Dat is meteen de reden waarom je deze flessen vaak licht troebel ziet en waarom het mondgevoel anders aanvoelt dan bij een helder gefilterde Martinotti-versie. De zuren komen vaak puurder en strakker door, met een levendige spanning en soms een licht gistige, korrelige toets. Aromatisch kleuren die gisten het profiel mee: naast het fruit verschijnen vaker brooddeegachtige, gistige en soms licht kruidige of reductieve accenten. Dit zijn bovendien flessen die je vaak met een kroonkurk afgesloten ziet.

Een benaming die je de laatste jaren steeds vaker op het etiket tegenkomt, is col fondo, letterlijk “met bezinksel”. In Lambrusco-context duidt dat op wijnen waarbij het depot bewust in de fles blijft. Het is verwant aan wat je internationaal soms als pét-nat-stijl ziet, al blijft de lokale terminologie hier belangrijker dan het modewoord. Sommige producenten raden aan om de fles voorzichtig rechtop te bewaren en helder uit te schenken, zodat het laatste glas troebeler en gistrijker blijft. Anderen vragen net om de fles vóór het serveren even voorzichtig te schudden, zodat het depot weer mee loskomt en je het volledige, meer “rustieke” profiel ervaart. Beide serveerstijlen bestaan naast elkaar, en ze geven effectief een andere ervaring: helder uitgeschonken is de wijn strakker en fruitiger, volledig gemengd wordt hij ronder, gistrijker en vaak iets complexer.

In het glas herken je ancestrale/col fondo Lambrusco vooral aan zijn ongedwongen karakter. De pareling is beperkter dan bij metodo classico, maar het drinkt vaak gevaarlijk vlot. Fruit blijft een kerncomponent, met kers en aardbei op kop, soms aangevuld met een florale toets die aan viooltjes doet denken, maar de omlijsting wordt aardser en puurder door die gisten. Dat kan prachtig werken bij de lokale keuken, omdat het niet alleen verfrist maar ook textuur en hartigheid kan oppikken. Het vraagt wel precisie van de producent: als de basiswijn niet zuiver is, valt dat sneller op in deze minimalistische stijl.

De standaardaanpak: Metodo Martinotti (Charmat)

Hoe populair de andere methodes de laatste jaren ook worden, Metodo Martinotti blijft de meest gebruikte en herkenbare manier om Lambrusco te maken. Dat is in principe volkomen logisch: dit is de techniek die het fruit, de florale toetsen en het jeugdige temperament van Lambrusco het best intact houdt. Je krijgt Lambrusco zoals veel locals hem het liefst drinken: toegankelijk, aromatisch en gemaakt om meteen aan tafel te zetten.

Bij Martinotti ontstaan de bubbels niet in de fles maar in een drukbestendige tank. Daardoor kan de wijnmaker veel preciezer sturen op het eindresultaat. Het grote voordeel is niet alleen controle, maar ook zuivere aromatiek: primaire aroma’s blijven helder en herkenbaar, zonder dat ze overschaduwd worden door uitgesproken gist- of rijpingstonen. Denk aan kers, aardbei en braam, soms met een florale toets van viooltjes, aangevuld met dat typische kruidige randje dat je bij Lambrusco vaak tegenkomt. De wijn blijft geurig en fris, met een mondgevoel dat vooral op sappigheid en vaart speelt.

Martinotti kan, afhankelijk van de gekozen druk, zowel frizzante als spumante opleveren. In het glas blijft de stijl echter herkenbaar: een sappige aanzet, zuren die het geheel verfrissen en een pareling die de mond zuivert. Het is geen methode die bedoeld is om jaren rijpingscomplexiteit op te bouwen; de charme zit in directe expressie en onmiddellijke drinkbaarheid.

Tegelijk moeten we eerlijk blijven over het marktbeeld. Hoezeer Lambrusco de laatste jaren een kwaliteitsboost kent en hoe boeiend de nieuwe, drogere stijlen ook zijn, het merendeel van de flessen die je vandaag nog tegenkomt blijft eenvoudig van stijl. En vooral: vaak (te) zoet. Dat is precies de stijl die bij veel consumenten nog altijd het “frisdrank-idee” oproept. Je kan zoetheid bij verschillende methodes terugvinden, maar in de praktijk zal je die associatie het vaakst tegenkomen bij Martinotti, omdat dit nu eenmaal de methode is waarmee het grootste volume wordt gemaakt en waarmee producenten heel consistent kunnen mikken op een zacht, toegankelijk profiel. Voor de lezer is dit het belangrijkste waarschuwingslampje: een Lambrusco met bubbels is niet automatisch droog of gastronomisch; het etiket moet het je vertellen.

Metodo Classico: met uitgesproken ambitie

“The sky is the limit” is misschien wel het verwachtingspatroon dat vandaag rond Lambrusco ontstaat, zeker als je kijkt naar de opvallende toename van metodo classico-versies. Deze vinificatie zag je vroeger slechts sporadisch bij Lambrusco, en wie het toch probeerde, kreeg er niet zelden hoongelach bovenop. Dat is vandaag niet langer het geval. Er is een nieuwe Lambrusco-wereld opengegaan waarin steeds meer kwaliteitsproducenten óf al minstens één metodo classico in hun gamma hebben, óf er zichtbaar mee experimenteren.

Bij metodo classico gebeurt de tweede gisting in de fles en rijpt de wijn op zijn gistcellen, zoals bij Champagne. Dat verandert het spel, vooral in de manier waarop de bubbels zich gedragen. De pareling wordt doorgaans fijner, talrijker en langduriger, en het mondgevoel krijgt meer draagkracht. Lambrusco behoudt daarbij zijn kernsmaak, maar de rijping op de lies schuift het aromatische spectrum subtiel op. Naast fruit duiken sneller nuances op die aan brooddeeg of broodkorst kunnen doen denken, soms met een nootachtige of licht geroosterde rand, afhankelijk van de rijpingsduur.

Dat deze stijl zo sterk in de lift zit, vind ik persoonlijk volkomen terecht. Tenzij men bewust anders kiest, zetten veel producenten hier een stap naar een drogere stijl. Weg van het zeemzoete, frisdrankachtige segment en richting verfijning, zonder het Lambrusco-eigen karakter te ontkennen. Classico is het visitekaartje van ambitie: meer tijd, meer werk en meer keuzes in de kelder, maar ook een Lambrusco die minder op eenvoud mikt en het imago van de regio mee optilt. Voor de consument is dit vaak een nieuwe ontdekking van een drogere, serieuzere Lambrusco. En bovendien eentje die ook echt aan tafel hoort.

De afwerking: kleur, zoetheid, druk en keuze

Los van de vinificatiemethode sturen producenten de uiteindelijke Lambrusco-stijl met drie praktische knoppen: kleur, zoetheid en druk. Dat is niets uitzonderlijks: dit is simpelweg de laatste afstelling die bij elke schuimwijn bepaalt hoe hij in het glas overkomt.

De meeste consumenten herkennen Lambrusco makkelijk omdat hij beroemd is om zijn roodpaarse gloed. Maar hij is niet altijd rood. Je vindt evengoed lichtere versies met een transparantere, frissere uitstraling. Bovendien kent het rosato-segment een groeiende interesse, en Lambrusco surft mee op die golf. Zelfs witte Lambrusco’s, waarbij men zeer beperkt of geen schilcontact gebruikt, duiken op de markt op. Onthoud dus: kleur zegt vooral iets over extractie, niet automatisch over zoetheid of kwaliteit.

De tweede knop is de zoetheid, en die herken je meestal aan termen op het etiket. Bij Lambrusco kom je vaak aanduidingen tegen zoals extra brut, brut, secco, (extra) dry, amabile en dolce. Extra brut en brut staan doorgaans voor de droogste interpretaties; je ziet die termen vandaag ook vaker opduiken bij de meer ambitieuze stijlen. Klassiek ging men in Lambrusco echter vaak voor secco: rosso secco of frizzante secco lees je geregeld op het etiket. Hoewel het letterlijk “droog” betekent, kan secco in de praktijk wat ronder aanvoelen dan brut, maar het blijft bedoeld als niet-zoete stijl. Daarna kom je bij de zachtere categorieën: (extra) dry zit meestal tussen droog en duidelijk zoet in, terwijl amabile echt op charme speelt, met meer restsuiker die fruit benadrukt en bittertjes of grip kan verzachten. Dolce is uitgesproken zoet en wordt meestal gekozen voor een duidelijk zachtere, fruitige stijl of voor een bewust contrast met zoute of pittige gerechten.

De derde knop hebben we al uitgebreid besproken: de druk bepaalt de intensiteit van de pareling. Frizzante voelt lichter en losser, spumante nadrukkelijker en voller.

De Lambrusco die je uiteindelijk in het glas wil, kan je zo perfect afstemmen op je eigen smaakprofiel. Persoonlijk ga ik resoluut voor de droge stijlen, zoals col fondo, of nog liever metodo classico extra brut. Veel consumenten die die richting ontdekken, blijven er verrassend snel aan hangen. Kies je voor de meer gekende en herkenbare zoetere Lambrusco, dan is daar niets mis mee: geniet met volle teugen van je amabile.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt

Hoe kronkelig de geschiedenis van Lambrusco ook is, geografisch is zijn echte habitat opvallend afgebakend. Je vindt hem in Noord-Italië, aan de voet van de Apennijnen en in de invloedssfeer van de Povlakte, meer bepaald in Emilia-Romagna en Lombardije. En zelfs daar blijft het, binnen die grote wijnregio’s, vaak bij een relatief klein kerngebied waar Lambrusco echt thuis is.

Je zou Trentino nog kunnen noemen. Ook daar staat Lambrusco aangeplant, meestal onder de naam Enantio. Die wijn is niet te vergelijken met de Lambrusco zoals we die kennen. Het is een wijn met een eigen karakter en context. We houden het bij deze eervolle vermelding en parkeren Trentino voor een andere gelegenheid.

Tijdens mijn laatste bezoek aan Emilia-Romagna maakte ik bovendien een grote vergissing. Ik focuste vooral op Romagna, waar Sangiovese en Albana de toon zetten. Het Emilia-gedeelte ging grotendeels op aan een andere zoektocht, naar Aceto Balsamico di Modena, Prosciutto di Parma en Parmigiano Reggiano. Ik gaf Lambrusco toen niet de aandacht die hij verdiende (ik was op dat moment nog een non-believer). Vandaag zou ik het helemaal anders aanpakken. Niet getreurd, de reden voor een volgend bezoek ligt hiermee alvast op tafel.

Een wijn van de Povlakte

De Povlakte is het brede, laaggelegen hart van Noord-Italië. Ze strekt zich uit van de Alpenrand in het westen tot aan de Adriatische Zee in het oosten, met de rivier de Po als centrale slagader. Op de kaart oogt ze als een rustige, vlakke massa, maar wie erdoor reist merkt snel dat dit landschap voortdurend door water is gevormd: door de Po zelf, door haar zijrivieren en door oude rivierarmen die zich als littekens door de bodem tekenen.

Het kerngebied van Lambrusco ligt precies daar waar de Povlakte de voet van de Apennijnen raakt. Op de plek waar het vlakke land langzaam begint te golven, waar beken en riviertjes uit de heuvels komen en hun afzettingen uitwaaieren. Geen heroïsche bergterrassen, maar vruchtbare gronden die eeuwenlang als landbouwmotor hebben gefunctioneerd, en waar wijn altijd deel is geweest van het dagelijkse ritme. Daar is Lambrusco thuis.

Emilia-Romagna: waar Lambrusco een ziel krijgt

Het is in Emilia-Romagna waar Lambrusco zijn identiteit heeft gevormd, maar het zwaartepunt ligt niet verspreid over de hele regio. Het ligt in Emilia, en binnen Emilia vooral rond Modena. Deze stad, bekend om haar balsamico en als geboorteplaats van Pavarotti, fungeert als het geografische en culturele knooppunt waar Lambrusco het duidelijkst geconcentreerd is. Ook de meest geciteerde referentiezones groeperen zich hier als een krans rond de stad.

Wie dit geografisch wil plaatsen, neemt best de Via Emilia als leidraad. Die oude route loopt door het Emilia-gedeelte en verbindt de steden die als bakens werken. In het middensegment van die as ligt Modena bijna centraal, tussen Parma en Bologna, en precies daar merk je hoe Lambrusco zich in het landschap begint af te tekenen.

Binnen dat brede, licht golvende Emilia-landschap kun je drie kernzones benoemen die vaak als referentiepunten terugkeren en die alle drie in de Modenese invloedssfeer liggen. Sorbara ligt net ten noorden van Modena, in de vlakkere zone richting Carpi. Castelvetro ligt ten zuiden van Modena, waar het terrein zichtbaar begint te golven en je de overgang naar het heuvelland voelt. Santa Croce (bij Carpi) situeer je opnieuw ten noorden van Modena, als een vaste kapstok in het noordelijke deel van de provincie.

Binnen enkele weken zoomen we in op deze kernzones met meer detail, en pas dan maken we ook het onderscheid dat de herkomstbenamingen en lokale namen echt scherp stelt.

Mantova: de oostelijke spiegel

Net over de regionale grens met Emilia-Romagna, in de provincie Mantova in Lombardije, krijg je een verwant maar net iets anders smakend Lambrusco-verhaal. Geografisch zit Mantova in het zuidoosten van Lombardije, als een soort scharnierpunt tussen drie referentiesteden: Verona ligt net oostwaarts, Modena westwaarts, en Bologna zuidelijker. De provincie leunt tegen de grote Po-as aan, en dat verklaart meteen het landschap: laag, vlak en waterrijk.

Als je Mantova op de kaart zoekt, kijk dan naar het gebied waar de rivier de Mincio (die uit het Gardameer komt) in de Po-vlakte uitwaaiert en richting de Po stroomt. De stad Mantova zelf ligt als historisch eiland in dat waterlandschap, omringd door meren en kanalen. Voor Lambrusco is vooral het zuidwestelijke deel van de provincie relevant: het brede vlakke land tussen de stad Mantova en de Po, richting de grens met Emilia-Romagna.

In het glas proef je doorgaans ook een nuanceverschil met Emilia. Lambrusco uit Emilia-Romagna, zeker rond Modena en Reggio Emilia, toont geregeld net wat meer contour en spanning. Mantova is wat eenvoudiger van smaak zonder aan identiteit in te boeten. Beide zijn lokaal heel vanzelfsprekend aan tafel.

Het landschap in één zin

De Povlakte staat bekend om haar vruchtbaarheid, en Emilia-Romagna in het bijzonder geldt niet voor niets als de “buik van Italië”, omwille van haar grote culinaire waarde. Lambrusco maakt daar integraal deel van uit en is historisch met die tafelcultuur verbonden. De aperitivo waar Italië zo beroemd om is, bereikt hier misschien wel zijn hoogtepunt.

De volgende keer dat ik de regio bezoek, zal ik dat ook zo aanpakken. Wanneer mijn wagen vanuit Langhirano, waar de beste prosciutto ligt te rijpen, verder rijdt langs de rijpingskelders van Parmigiano Reggiano richting Modena, naar Il Borgo del Balsamico, zet ik heel bewust mijn richtingaanwijzer aan. Niet om door te steken naar de volgende culinaire halte, maar om even af te slaan: langs de Lambrusco-wijngaarden, met een stop bij een van die kleine, kwalitatieve producenten, zoals Silvia Zucchi of Cantina della Volta. Een terugkeer naar deze uiterst aangename regio staat met hamer en beitel in steen gebeiteld.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Negroni: bitter, briljant en onweerstaanbaar Italiaans

Negroni, wie heeft er nu nog niet genipt van deze heerlijke rode Italiaanse cocktail? Ik alleszins wel. Sterker nog: hij prijkt al jaren bovenaan mijn persoonlijke favorietenlijst. We zorgen er thuis steevast voor dat alle ingrediënten in huis zijn, en na een lange werkdag is het niet ongebruikelijk dat ik mezelf aan het keukenaanrecht terugvind, met een glas in de ene hand en een barlepel in de andere. Roeren, nippen, genieten. De dag glijdt van me af. En soms, als de goesting me overvalt, wijk ik lichtjes af van het origineel en komt er een Negrappa op tafel: een kruidige knipoog met grappa in plaats van gin.

Beneath the Negroni’s deceptively simple recipe lies a history as complex as its flavour.

Achter die drie bescheiden ingrediënten schuilt een verhaal dat zich uitstrekt van de salons van Firenze tot de cocktailbijbels van Londen. Negroni lijkt een eenvoudige cocktail, en in wezen is het dat ook. Tijd om de bitterzoete waarheid achter Italië’s meest geliefde exportproduct te ontrafelen. Geen cowboyverhalen, of toch net wel?

De cowboy, de generaal en de graaf

Zoals dat gaat met grote klassiekers, hangt er rond de oorsprong van de Negroni een fijne waas van mythe en mist. Je weet wel, het soort verhalen dat je na een tweede glas plots met grote overtuiging vertelt. En bij de Negroni heb je dan nog keuze ook, want die heeft minstens twee mogelijke achtergronden.

De eerste voert ons naar het koloniale Afrika van de 19de eeuw. Daar zou een zekere generaal Pascal Olivier, graaf van Negroni, in 1857 ergens in Senegal een feestelijke cocktail hebben gecreëerd ter gelegenheid van een huwelijk. Een mengeling van vermout en andere drankjes werd er volgens de overlevering door de brave man geserveerd. Klinkt chic, klinkt geloofwaardig, ware het niet dat Campari pas in 1860 op de markt kwam. Daardoor kan dit verhaal onmogelijk over een Negroni gaan zoals die later bekend werd.

De tweede versie is nog net iets filmischer. Denk aan cowboylaarzen, stofwolken en een saloondeur die klappert in de aanhoudende wind. Daar zou, naar verluidt, een Amerikaanse cowboy genaamd Negroni op een dag een bar zijn binnengestapt, zijn Americano te zwak bevonden hebben en kordaat om gin gevraagd hebben. Een goed verhaal voor wie al wat verder gevorderd is dan twee Negroni’s en het hele tafereel moeiteloos voor zich ziet, met net dat tikkeltje meer verbeelding dan historische basis.

Leuk? Absoluut. Waarheidsgetrouw? Niet bepaald.

De oorsprong van de Negroni ligt veel dichter bij huis. Namelijk in Toscane, in Firenze. Daar begint het meest geloofwaardige hoofdstuk van deze cocktailgeschiedenis.

Florence, 1919: het jaar en de plaats waar de Negroni werd geboren

Na de Eerste Wereldoorlog herleefde Florence. De cafés vulden zich opnieuw met schrijvers, dromers, aristocraten en oude gewoontes die langzaam weer hun plaats innamen aan de toog. Eén van die cafés was Caffè Casoni, gelegen aan de Via de’ Tornabuoni, waar een zekere graaf Camillo Negroni graag zijn vaste plek aan de bar innam.

Camillo, geboren in 1868, was van nobele afkomst en had zijn deel van de wereld al gezien. Hij leefde een tijd in de Verenigde Staten als cowboy, gokker en bon vivant, en keerde uiteindelijk terug naar Italië met een voorkeur voor stevigere drank dan het destijds populaire brouwsel van vermouth, Campari en soda: de Americano.

Volgens de overlevering vroeg hij op een avond aan zijn barman, Fosco Scarselli, om zijn Americano “wat kracht bij te zetten”. De soda verdween uit het glas, gin kwam ervoor in de plaats. En om het nieuwe drankje visueel te onderscheiden, voegde Scarselli een schijfje sinaasappel toe in plaats van het klassieke citroentje.

Het resultaat sprak aan. Andere klanten vroegen al snel om “quello del Negroni“. De naam bleef hangen. En de cocktail ook. Is er een bonnetje uit 1919 dat dit allemaal bevestigt? Nee. Maar alles aan dit verhaal klopt blijkbaar wel: de plaats, de tijd, het personage, en vooral de cocktail zelf.

Van Florentijns recept tot wereldklassieker

De Negroni mag dan geboren zijn in Florence, het idee erachter zweefde al langer door de cocktailwereld. Reeds in 1895 noteerde een Amerikaanse barman in Chicago de Dundorado, een combinatie van Old Tom Gin, Italiaanse vermouth en Calisaya, een bitterlikeur. Niet identiek, maar opvallend verwant.

In 1927 doken in Parijs de Boulevardier (met bourbon in plaats van gin) en de Old Pal (met rye en droge vermouth) op in Barflies and Cocktails van Harry MacElhone. Ook zij bewijzen dat het principe van sterke drank, vermouth en bitter op meerdere plekken tegelijk leefde. De Negroni was dus niet de eerste in zijn soort, maar wél degene die alles perfect samenbracht.

Dat een cocktail met zo’n uitgesproken bitterheid wereldwijd geliefd zou worden, was niet vanzelfsprekend. Maar net die uitgesproken smaak, gecombineerd met eenvoud en evenwicht, maakte van de Negroni een blijver. Een cocktail met ballen én balans, geliefd bij wie het weet te roeren.

De internationale doorbraak kwam geleidelijk:

  • 1929, Frankrijk: een “Campari Mixte” duikt op in een cocktailboek. In alles een Negroni, behalve in naam.
  • 1949, Spanje: voor het eerst wordt de “Negroni-Cocktail” expliciet vermeld.
  • 1955, Verenigd Koninkrijk: de UK Bartenders’ Guild neemt het recept officieel op in haar handleiding. Vanaf dan is de Negroni niet langer een lokaal fenomeen, maar een vast anker in de internationale cocktailwereld.

Van een aangepaste Americano aan een Florentijnse toog naar een wereldwijde klassieker in een tumblerglas. Soms heeft een goed idee gewoon tijd nodig.

Zelf een Negroni maken: recept voor bitter geluk

Er zijn maar weinig rituelen zo bevredigend als het maken van een Negroni. Drie gelijke delen gin, vermouth rosso en een amaro (een bitter) over een groot ijsblok. Roeren tot de kleur diep robijnrood wordt. Dan de finale toets: een zeste van sinaasappel, net boven het glas getwist zodat de oliën zich zacht over het oppervlak verspreiden.

Je hebt nodig:

  • 3 cl gin
  • 3 cl rode vermouth (bijv. Professore Rosso, Essenziale DiBaldo, Cocchi of Antica Formula Carpano)
  • 3 cl amaro (bijv. Lucano, Ramazzotti, Montenegro, Averna)
  • IJsblokjes
  • Sinaasappelschil

Schenk de drie ingrediënten in een tumbler gevuld met ijs. Roer een tiental seconden tot het glas koud aanvoelt. Werk af met een zeste van sinaasappel. Wie begint te shaken, gaat de mist in: een Negroni wordt geroerd, niet geschud.

Moderne twist? Er zijn opties.

Een klassieke Negroni laat weinig ruimte voor discussie, maar dat wil niet zeggen dat er geen speelruimte is. Zelf wijk ik soms graag af van het originele trio. Eén van mijn vaste variaties is de Negrappa waarbij ik de gin vervang door een goede grappa. Het resultaat is robuuster, droger en net iets meer gestoeld op het Italiaanse temperament.

Liever iets winters? Dan is er de Christmas Negroni. Hier krijgt de gin een feestelijke upgrade via een kruidige snaps of een infusie met specerijen. Denk aan steranijs, kaneel of kruidnagel. Ideaal bij een haardvuur, en verrassend door zijn uitgesproken smaken.

En wie zijn espresso liever in cocktailvorm krijgt: de Coffee Negroni is een serieuze kandidaat. Een koffielikeur of een heldere koffiespirit neemt de plaats in van de gin en voegt een diep geroosterde toets toe aan het bitterzoete hart van de Negroni.

Uiteraard bestaan er nog talloze andere manieren om je Negroni een twist te geven. Of we al die drankjes nog met de naam Negroni mogen aanspreken, is een ander verhaal.

De laatste roerbeweging

Als afsluiter geef ik graag nog enkele persoonlijke tips mee voor de zoektocht naar een perfecte Negroni. Ga op zoek naar een vermouth die je op zich ook kan bekoren, eentje die nét iets meer diepte brengt. Hetzelfde met de amaro. De wereld van de amaro’s is zo rijk en divers en de smaken zijn enorm verscheiden. Ga voor een amaro die het bitter strak houdt, en tegelijk een kruidige gloed achterlaat. De zoektocht naar een perfecte Negroni is minstens zo plezierig als het drinken zelf.

Eenmaal je jouw favoriete combinatie hebt gevonden, kan je thuis uitpakken. Vul een grote karaf of afsluitbare fles van 3 of 5 liter, klaar om te serveren. Hij zal niet alleen een handig voorraadje zijn, maar ook een visueel pronkstuk in je cocktailkast. Die robijnrode kleur, met enkele gedroogde sinaasappelschijfjes erin, trekt meteen de aandacht. Geloof me, vrienden of gasten zullen niet ongevoelig blijven voor de charme van zo’n imposante, gevulde karaf.

Toch blijft het opletten. Een Negroni is geen lichtgewicht. Het is een stevig drankje, met stijl. Eén glas is perfect, twee kunnen nog net, drie… is misschien het moment waarop je begint te geloven in cowboys die cocktails uitvonden.

Zondagse reeks Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker

Een tijdreis door het verleden van Lambrusco is niet alleen boeiend, maar ook verrassend leerrijk. Je stuit op het ontstaan van de wijnstok die we vandaag vanzelfsprekend vinden: de overgang van de wilde wijnstok (Vitis vinifera silvestris) naar de gecultiveerde wijnstok die onze wijngaarden vormt. Begrippen als domesticatie en piantata lijken op het eerste gezicht bijkomstig, maar ze blijken cruciaal. Niet alleen voor het verhaal van Lambrusco, ook voor dat van de moderne wijnbouw.

Ook voor mij was dit een ontdekking, want het is niet het eerste waar je aan denkt bij Lambrusco. Veel mensen kennen hem vooral als zoet en eenvoudig, soms bijna frisdrankachtig, terwijl het in werkelijkheid een grote druivenfamilie is met meerdere gezichten, meestal sprankelend en uitzonderlijk ook stil. Wat je wél meteen voelt, is dat Lambrusco een wijn is met een eigen temperament. Niet alleen door die levendigheid, maar vooral door de combinatie van hoge frisheid, levendige zuren en een directe, soms pittige energie. In de beste versies is die energie geen truc, maar een handtekening: Lambrusco smaakt jong, helder en doelbewust levend.

Die levendigheid is vandaag meestal geen toeval. Vaak steunt ze op een bewust gestuurde hergisting die koolzuur vasthoudt en het fruit optilt. Dat kan strak gecontroleerd (metodo Martinotti in tank, of metodo classico op fles), of losser in de fles zoals bij metodo ancestrale of col fondo. Net daarin schuilt de paradox: Lambrusco is toegankelijk en onmiddellijk, maar hij vraagt beheersing om frisheid, structuur en stabiliteit samen te laten vallen.

Lambrusco wordt soms omschreven als mogelijk een van de oudste nog levende cultivars van Italië, ontstaan uit een lokale wilde wijnstok en uitgegroeid tot een grote druivenfamilie. Wie Lambrusco wil begrijpen, moet dus terug naar het begin: naar de wilde plant waaruit hij vertrekt, en naar de eeuwenlange weg waarop die plant langzaam een klassieker werd.

Van wilde rank naar wijngaard: domesticatie als sleutel

Lang vóór Lambrusco een naam werd, groeiden langs waterlopen en bosranden van de Povlakte wilde wijnstokken. Je ziet ze niet als keurige rijen, maar als ranken die hun weg zoeken, klimmen, licht vangen, verdwijnen en weer opduiken. Die wilde wijnstok, Vitis vinifera silvestris, spreekt tot de verbeelding, maar ze draagt ook een nuchtere beperking in zich. Veel wilde wijnstokken zijn tweehuizig: er bestaan mannelijke en vrouwelijke planten. Zonder de juiste buur en zonder bestuiving, geen druiven. Dat detail lijkt klein, maar het bepaalt mee waarom de stap van wild naar wijngaard ooit nodig werd.

Wie van zo’n plant wil leven, leert al snel dat je keuzes moet maken, en vooral dat je die keuzes moet kunnen bewaren. Domesticatie begint bij iets heel concreets: je schuift op van een wijnstok die vaak een buur nodig heeft om druiven te zetten, naar stokken die jaar na jaar betrouwbaarder dragen, ook als ze niet toevallig naast de juiste buur staan. Daarom begin je met de beste planten niet telkens opnieuw uit zaad, maar je zet ze voort via stekken (of afleggen), zodat dezelfde eigenschappen terugkeren in de volgende aanplant. Zo groeien door de tijd heen lokale varianten uit tot iets herkenbaars, steeds dichter bij wat we vandaag een cultivar noemen. Een vast type dat je telkens opnieuw kunt aanplanten.

In theorie kiest de wijngaard voor voorspelbaarheid, en verdwijnt het wilde naar de rand. Maar in de Povlakte liep dat anders. Omdat langs perceelsranden en waterlopen wilde stokken bleven opduiken, werd er op verschillende plekken geselecteerd en verder gezet. Elke boer nam als het ware zijn “beste” stok mee, en doordat die via stekken werd bewaard, werden lokale keuzes blijvende types.

In Emilia bleef die overgang daardoor minder strak afgelijnd, en precies daarom werd Lambrusco geen enkelvoudige druif, maar een familie van rassen met verschillende accenten. Bij sommige types speelt die oude biologie bovendien nog mee in de wijngaard: vruchtzetting is niet altijd vanzelfsprekend en kan zonder geschikte bestuiving beperkt of onregelmatig zijn. Lambrusco di Sorbara is daarvan het bekendste voorbeeld. Hij heeft functioneel vrouwelijke bloemen, waardoor hij een bestuiver nodig heeft en daarom vaak naast een ras als Lambrusco Salamino wordt aangeplant. Precies die combinatie van familievariatie en een wilde erfenis helpt verklaren waarom Lambrusco vandaag tegelijk herkenbaar en zo divers is.

Labrusca en piantata: van wilde groei naar geleid systeem

Vandaag is het vanzelfsprekend dat “Lambrusco” op het etiket staat. In de Romeinse tijd circuleerde in de Povlakte een ander woord voor dit type wijnstok: labrusca (later ook lambrusca). Dat was geen rasnaam, maar een herkenningswoord voor stokken die men als wild of halfwild zag, én tegelijk een streekwoord dat hoorde bij dit landschap.

Die labrusca riep ook een bepaald gedrag op. Het waren ranken die in het bos hun weg zochten, zich vastgrepen aan bomen en omhoog klommen naar licht en lucht. Zodra je zulke stokken naar de wijngaard haalt, moet je ze dus begeleiden zonder hun natuur te breken. Zo ontstaat een geleidingsvorm waarbij de wijnstok opnieuw mag klimmen, maar nu in dienst van de oogst: ranken die men langs bomen leidt, vaak langs iepen of andere steunbomen, boven het vochtige, vlakke land. Later krijgt dat systeem de naam piantata. Het maakt wijnbouw zichtbaar in het landbouwweefsel zelf: de wijnstok bovenaan, het werk op het land eronder.

Wanneer Rome wegen, steden en markten sterker met elkaar verbindt, wordt die lokale praktijk niet kleiner maar steviger. Het woord labrusca blijft rondzingen, het systeem blijft bruikbaar, en de wijnstok krijgt een vaste plek in een regio die haar landbouw steeds opnieuw organiseert. Niet omdat “Lambrusco” toen al een moderne wijn was, wel omdat hier de bedding wordt gelegd waarin een plaatselijke wijnstokfamilie kan blijven bestaan.

1670: Lambrusco wordt een naam

In de eeuwen na de oudheid wordt het stiller in de bronnen over wijnbouw in de Povlakte. Niet omdat de wijnstok verdwijnt, maar omdat het verhaal zich vooral afspeelt op het erf en in het dorp: kleinschalig en lokaal. Wijnbouw blijft bestaan waar hij praktisch blijft, dichtbij woonkernen en op percelen die men kan beheren.

Die stilte op papier heeft wel gevolgen voor de manier waarop wijnbouw wordt gedragen. Boomgeleiding en open veldsystemen vragen ruimte en organisatie. In onzekere tijden krimpt dat vanzelf, om later, wanneer het leven en het land weer stabieler worden, opnieuw op te duiken. Wat wél herkenbaar blijft, is het profiel van de lokale wijn: in beschrijvingen uit de omgeving Parma–Modena duiken wijnen op die geurig zijn en soms zelfs “schuimen”.

Het beslissende moment komt in 1670. Dan verschijnt “Lambrusco” expliciet als naam voor wijn in een lijst bestemd voor de kelder van kardinaal Rinaldo d’Este, een prominent lid van het huis Este. Dat lijkt een detail, maar het is een omslagpunt: vanaf dan is Lambrusco niet langer alleen een streekwoord of een losse aanduiding voor wilde wijnstokken, maar een benoemde wijn die men onderscheidt en noteert.

Lambrusco in de 18e en 19e eeuw: de weg naar een herkenbaar profiel

In de 18e eeuw bereikt de piantata in Emilia haar hoogtepunt, een landschap van wijnstokken die langs bomen omhoog klimmen en de streek jaar na jaar van druiven voorzien. Lambrusco hoort bij dat dagelijkse ritme. De wijn is er overvloedig en vanzelfsprekend, maar precies daardoor ook grillig: rijping en opbrengst verschillen sterk per plek en per jaar. Zolang Lambrusco vooral lokaal wordt gedronken, is dat geen bezwaar. Zodra een markt regelmaat begint te verwachten, wordt het wél een probleem.

In de 19e eeuw wordt die druk tastbaar. Schimmelziekten zoals oidium en later peronospora dwingen wijnbouwers om alerter en zorgvuldiger te werken, terwijl handel en transport tegelijk minder ruimte laten voor wisselvalligheid. Wie buiten de eigen omgeving wil verkopen, heeft een wijn nodig die herkenbaar blijft en onderweg standhoudt. In de wijngaard begint men daarom bewuster te kiezen welke Lambrusco-types het best presteren. In de kelder groeit de aandacht voor proper werken en beter bewaren, zodat oxidatie en ongewenste hergisting minder vat krijgen.

Daarmee wordt Lambrusco’s profiel scherper. Je proeft stilaan een duidelijke signatuur: vaak licht abboccato (met een restje zoetheid), geregeld met een prikkelende levendigheid. Botteling met restsuiker wordt steeds vaker ingezet om dat karakter vast te houden. De echte doorbraak, wanneer die sprankel betrouwbaar stuurbaar wordt, komt pas in de 20e eeuw.

20e eeuw: Lambrusco wordt modern en herontdekt zichzelf

De 20e eeuw is het moment waarop Lambrusco een herkenbaar, modern gezicht krijgt. Niet omdat de wijn plots “anders” wordt, wel omdat hij voortaan op grotere schaal en met meer controle wordt gemaakt, bedoeld om ook buiten de eigen streek constant te blijven. Coöperaties en later ook grote bottelaars bundelen volume, kennis en investeringskracht. Wat vroeger versnipperd gebeurde in talloze kleine kelders, wordt professioneler georganiseerd: betere hygiëne, strakkere controle op basiswijn en een betrouwbaarder pad van druif naar fles. Dat maakt Lambrusco consistenter, beter verkoopbaar en vooral makkelijker te herhalen.

De technische sleutel is de autoclave, een drukvaste tank (metodo Martinotti/Charmat). Daarmee wordt hergisting controleerbaar: niet langer afhankelijk van seizoenen, maar gestuurd in drukvaste tanks. Vroeger kon gisting in koude maanden stilvallen terwijl er nog suiker in de wijn zat, om in het voorjaar opnieuw te starten. Als de wijn dan al min of meer afgesloten was, bleef koolzuur deels gevangen en kreeg ze haar parelende karakter. Dat kon prachtig uitpakken, maar het bleef riskant: troebelheid, ontsporende hergisting en instabiliteit lagen altijd op de loer. De autoclave maakt precies dát beheersbaar en legt zo de basis voor Lambrusco als massaal herkenbare, sprankelende wijn.

Net daar ontstaat later de kentering. Het commerciële succes duwt de stijl in veel gevallen richting makkelijk, zoetig en uniform, met een imago dat voor fijnproevers al snel “banaal” werd. Die associatie keert zich tegen Lambrusco: de wijnwereld begint hem niet langer ernstig te nemen, en precies dat zet een tegenrevolutie in gang. Kleinere producenten willen opnieuw tonen wat de druiven en de herkomst kunnen, en zetten zich af tegen het dominante beeld door droger te werken, preciezer te selecteren en meer spanning toe te laten in plaats van alles rond te polijsten.

Techniek wordt daarbij opnieuw een onderscheidingsmiddel, maar nu in een andere richting. Naast de herwaardering van vrijere stijlen zoals metodo ancestrale of col fondo, kiezen sommige producenten expliciet voor tweede gisting op fles, vaak met langere rijping. Dat geeft een ander soort verfijning: niet alleen “sprankel”, maar ook textuur en meer complexiteit. Precies daar groeit de ruimte voor differentiatie: drogere interpretaties, scherpere expressie per cultivar en cuvées die niet op volume maar op karakter mikken.

Parallel loopt een bredere kwaliteitsrevolutie. In de wijngaard verschuift men naar rationelere geleidingssystemen en betere wijngaardzorg, met meer aandacht voor selectie en rijpingscontrole. In de kelder worden inox en temperatuurcontrole standaard, en men leert beter bottelen zonder zuurstofinvloed en zonder dat de sprankel wegloopt. Ook de gisting en hygiëne worden strakker beheerst, waardoor oxidatie, depot en instabiliteit veel minder kans krijgen. Zo wordt Lambrusco frisser, zuiverder en duidelijker gedefinieerd, terwijl net die tegenbeweging het oude imago begint los te weken. De weg van eenvoudige, suikerrijke rode sprankelwijn naar een Lambrusco met ambitie is ingezet; de erkenning volgt, langzaam maar zichtbaar.

Een heldere toekomst in het glas

Als deze tijdreis één ding duidelijk maakt, dan is het dit: Lambrusco is veel meer dan het beeld dat velen ervan meedragen. Achter dat ene woord op het etiket schuilt een uitzonderlijk lange geschiedenis. Wat vandaag in het glas levendig en soms sprankelend aanvoelt, steunt op een ontwikkeling van ongeveer 4.000 jaar waarin een lokale wilde wijnstok stap voor stap werd gekozen, verder gezet en herkenbaar gemaakt.

Die oorsprong verklaart meteen waarom Lambrusco geen enkelvoudige druif is, maar een familie met meerdere cultivars, elk met een eigen toon. En ze verklaart ook een detail dat je zelden proeft maar dat wel mee het verhaal draagt: niet elke Lambrusco is vanzelf vruchtbaar. Lambrusco di Sorbara is het bekendste voorbeeld. Hij is autosteriel en heeft in de wijngaard een bestuiver nodig. Dat soort biologie is precies het bewijs dat die wilde erfenis nooit helemaal is gladgestreken.

Voor mij maakt dat het slotbeeld helder. Lambrusco werd een klassieker niet door zijn wilde kant te verliezen, maar door haar te leren sturen. Eerst in de wijngaard, via selectie en ervaring, later in de kelder, via hergisting en gedurfde keuzes. En precies daarom kan Lambrusco vandaag opnieuw overtuigen: niet als zoet cliché, maar als een wijn met karakter, geschiedenis en een energie die je met open vizier moet ervaren.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon

“Volgens Wikipedia is Lambrusco een Italiaanse wijn uit Emilia-Romagna en Lombardije, vernoemd naar de lambruscodruif. Hij bestaat in rood, rosé en wit, in zowel zoetere als drogere stijlen, en is vaak licht mousserend.”

Met die definitie in het achterhoofd starten we onze zondagse Lambrusco-reeks. Aan jullie om na afloop te beslissen of Wikipedia het volledig bij het rechte eind heeft, of dat er nog nuances te ontdekken vallen.

Een reeks wijden aan Lambrusco is misschien gewaagd. Dit is tenslotte een naam die lang opdook in lijstjes van “minst geliefde wijnen”, vaak door zijn zoete, eenvoudige imago. En toch willen we hem opnieuw bekijken. Lambrusco is immers een wijn die de voorbije jaren opvallend vaak opnieuw opduikt bij mensen die beroepshalve veel proeven.

Lambrusco is authentiek Italië in het glas. Een combinatie die prikkelt: meestal rood en bruisend, feestelijk én verrassend doordrinkbaar. De naam roept beelden op van zonnige wijngaarden, lange feestelijke tafels en het moment waarop een fles opengaat en iedereen even opkijkt. Het is een wijn met een zeldzame belofte: tegelijk licht en karaktervol, dorstlessend en toch complexer dan je op het eerste gezicht zou denken.

Een klassieker met een lange adem

Lambrusco heeft al een hele weg afgelegd in de Italiaanse wijngeschiedenis. Al eeuwenlang hoort hij bij het Italiaanse leven, als een bruisende rode wijn die niet bedoeld is om te imponeren, maar om plezier te geven: speels, lichtvoetig en uitnodigend. Het is een wijn die vanzelf op tafel komt, bij eten en gezelschap. Hij houdt het gesprek gaande en maakt gerechten net iets levendiger, alleen al door die frisse prikkel.

Die lange traditie verklaart meteen waarom Lambrusco niet in één vakje past. Lambrusco is geen “één wijn”, maar een familie van druivenvariëteiten die al generaties lang wordt aangeplant, met zijn oorsprong in Italië en vooral in Emilia-Romagna. Dat levert een brede waaier aan expressies op, met één duidelijke gemene deler: Lambrusco brengt sprankel in het glas.

Verderop in de reeks wordt duidelijk hoe groot die variatie kan zijn. Lambrusco kan verschillende gezichten tonen: van strak en verfrissend tot wat ronder en zachter, van droog tot soms een tikje zoeter. En ja, ook de klassieke stijl bestaat nog altijd: wijnen waarin het fruit duidelijk zoet en geconcentreerd is, gemaakt om makkelijk te behagen en vaak in grote volumes.

De herwaardering van vandaag vertrekt net van het andere uitgangspunt. Steeds meer producenten zetten in op droge en halfdroge versies, waarin het fruit jeugdig blijft en de spanning de hoofdrol speelt. Dat verschil proef je meteen, en het verklaart waarom Lambrusco vandaag opnieuw serieus genomen wordt.

De opkomst en het stigma: een wijn van zijn tijd

Buiten Italië kende Lambrusco zijn grote moment in de jaren 1970. Het was een wijn die perfect paste bij de tijdsgeest en bij een jong publiek: bruisend en toegankelijk. Maar net dat succes had een keerzijde. Het zoetere, “bubbly” karakter werd door wijnpuristen al snel weggezet als vrijblijvend. Leuk voor even, maar niet ernstig genoeg om echt mee te tellen.

Wat daarna volgde, is een scenario dat de wijnwereld goed kent: populariteit lokt schaalvergroting uit, en schaalvergroting duwt kwaliteit vaak naar de achtergrond. In de jaren 1980 en 1990 raakten buitenlandse markten overspoeld met flessen die vooral mikten op snelle verkoop. Veel Lambrusco’s werden overdreven zoet, soms zelfs wat artificieel van indruk, met een vlak profiel dat weinig vertelde over wat Lambrusco eigenlijk kan zijn.

“Vergelijk het met wat er in Frankrijk met Beaujolais Nouveau is voorgevallen. Het korte-termijnsucces gaf de regio zoveel zichtbaarheid, maar duwde tegelijk een stijl naar voren die het beeld van Beaujolais jarenlang heeft scheefgetrokken. Zelfs nu, ondanks grote vooruitgang en inspanningen, roept de naam bij velen nog altijd dat oude negatieve beeld op.”

Zo schoof de wijn stilaan van publiekslieveling naar cliché. Consumenten begonnen Lambrusco te associëren met plakkerige zoetheid en eenvoudige etiketten, terwijl intussen de internationale smaak opschoof naar “serieuzere” en meer gestructureerde wijnen. Lambrusco verdween daardoor steeds vaker naar de rand van de wijnkaart. Niet omdat de wijn ophield te bestaan, maar omdat het vertrouwen weg was. En dat is in wijn soms het moeilijkst terug te winnen.

De revival: hoe Lambrusco opnieuw “cool” werd

Het reputatieverlies van Lambrusco speelde vooral buiten Italië. In zijn thuisregio bleef hij gewoon deel van het dagelijkse leven: een wijn die je openmaakt bij eten, zonder veel poeha. Niet omdat hij “status” moet uitstralen, maar omdat hij doet wat hij moet doen aan tafel. Een wijn die past bij het ritme van het leven in Italië.

Net dat helpt om zijn comeback te begrijpen. Lambrusco wordt vandaag opnieuw bekeken vanuit zijn bedoeling: toegankelijk, makkelijk drinkbaar en gemaakt om bij eten te schenken. Dat sluit aan bij hoe veel mensen nu wijn kiezen. Minder zwaar, minder nadruk op kracht of hout, meer focus op drinkplezier en inzetbaarheid aan tafel.

Die heropleving gaat ook samen met een nieuwe generatie wijnmakers, en met gevestigde namen die hun stijl bewuster zijn gaan sturen. De focus verschuift weg van “zoet en bruisend” als standaardbeeld, richting een breder aanbod waarbij kwaliteit en aanpak opnieuw belangrijk worden. Bij sommige producenten zie je meer aandacht voor de manier waarop de bubbels worden gemaakt, met stijlen die fijner en verfijnder aanvoelen dan de klassieke frizzante-versies.

Ook de omgeving veranderde mee. Wijnbars en restaurants zetten Lambrusco vaker op de kaart omdat hij praktisch is: hij combineert makkelijk met allerlei gerechten. Dankzij zijn eigenschappen komt hij bijzonder goed tot zijn recht bij vettere of zoutere bereidingen. Het is geen toeval dat hij net in Emilia-Romagna, de gastronomische buik van Italië, altijd is blijven scoren. Daar hoort Lambrusco gewoon bij een tafel waar smaak en eten centraal staan. En omdat de Italiaanse keuken wereldwijd zo populair is, volgt de wijn mee: Lambrusco duikt opnieuw op in restaurants en wijnbars buiten Italië, dit keer met een positievere context.

Hoe drink je Lambrusco zoals hij bedoeld is?

Lambrusco drink je het best met één simpele gedachte: behandel hem niet als een klassieke rode wijn. Hij is gemaakt om aan tafel te staan. Twee principes volstaan om hem juist te benaderen.

Ten eerste is hij op zijn sterkst wanneer hij mag doen waarvoor hij bedoeld is: eten ondersteunen, smaken opfrissen en een maaltijd vlot laten doorlopen. Dankzij zijn zuren en zijn lichte sprankel werkt hij opvallend goed bij gerechten met wat meer vet, zout of umami. Daarom voelt Lambrusco zich zo thuis in een keuken waar gulheid en smaak centraal staan, en daarom past hij ook zo goed bij hoe we vandaag vaak eten: delen, verschillende schotels op tafel, informele momenten met veel smaak.

Ten tweede: serveer hem licht gekoeld. Dat bepaalt hoe je hem ervaart. Koeler geserveerd komt Lambrusco strakker over: de zuren vallen duidelijker op, het fruit blijft fris en de sprankel oogt verfijnder. Serveer je hem te warm, dan verliest hij net die levendigheid die hem zo geschikt maakt aan tafel.

En nog één praktische tip die je vanzelf ontdekt: Lambrusco werkt het best in gezelschap. Niet omdat het romantisch klinkt, maar omdat het simpelweg een wijn is die gemaakt is om te schenken, door te geven en opnieuw bij te vullen. Daar komt hij het best tot zijn recht.

Een vergeten icoon, eindelijk juist begrepen?

Lambrusco’s comeback lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: een wijn die te lang werd afgerekend op zijn zwakste exportversies, krijgt opnieuw aandacht voor wat hij óók kan zijn. Veel droger, preciezer, met meer aandacht in wijngaard en kelder. Het is een herwaardering die voortkomt uit betere flessen, betere keuzes en een publiek dat opnieuw bereid is te proeven zonder het oude beeld als uitgangspunt te nemen.

Maar de titel verdient ook een kritische noot. Is Lambrusco “eindelijk juist begrepen”? Door sommeliers, wijnbars en een groeiende groep liefhebbers misschien wel. Buiten die kring is het verhaal minder eenduidig. De klassieke, zoete en vaak eenvoudige stijl bestaat nog altijd, en wordt nog steeds ruim geproduceerd. Voor veel consumenten is dát nog steeds het referentiepunt. De reputatie schuift dus wel, maar ze is niet overal gekanteld. Wie “Lambrusco” zegt, zegt nog niet automatisch “kwaliteit”. Je moet nog altijd weten wat je koopt, en van wie.

Toch is er reden om optimistisch te zijn. Consumenten worden nieuwsgieriger en producenten leggen de lat hoger. Dat helpt Lambrusco, omdat zijn sterkste versie niet gebouwd is op suiker of effect, maar op balans en bruikbaarheid aan tafel.

Dus ja, Lambrusco wordt opnieuw ontdekt. Alleen is het werk nog niet af. Misschien is dat ook precies de juiste conclusie voor dit openingsartikel: Lambrusco is terug, maar of hij “eindelijk juist begrepen” is, hangt af van welke fles je opent.

Volgende week kijken we terug: van wilde wijnstok tot klassieker, en hoe Lambrusco zich van Romeinse tijden tot vandaag ontwikkelde tot één van Italië’s oudste wijnfamilies.

Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago

🍷 Inleiding – Lambrusco: van verguisd naar verfijnd

Wat is dat toch met Lambrusco de laatste tijd?
Plots hoor je overal nieuwe geluiden over deze ooit zo verguisde wijn. De naam duikt weer op in wijnbars, op kaarten van Italiaanse trattoria’s en zelfs in gesprekken tussen sommeliers. En dat terwijl ik Lambrusco zelf jarenlang heb afgedaan als “pompbakwijn”, de “Coca-Cola onder de Italiaanse bubbels”. Een zoete, roodschuimende wijn die vooral de Amerikaanse fastfoodcultuur bediende. Tot voor kort had ik er geen goed woord voor over.

Tot die ene dag.
Tijdens mijn opleiding tot Italian Wine Ambassador verzorgde Master of Wine Gabriele Gorelli de allereerste masterclass van de cursus. Onderwerp: Lambrusco. Mijn verwachtingsniveau? Lager dan laag.
Maar nog voor Gorelli aan zijn tweede zin toe was, voelde ik mijn houding kantelen. Zijn bevlogenheid, zijn kennis, maar vooral het verhaal achter deze wijn trokken me recht uit mijn scepsis. Lambrusco bleek geen grap, geen relikwie uit de jaren ’80, maar een levende, complexe wijnfamilie met diepe wortels in de Italiaanse geschiedenis.

Wist je dat Lambrusco waarschijnlijk één van de oudste druivenrassen van Italië is, met een oorsprong als wilde wijnstok? En dat er niet één Lambrusco bestaat, maar twaalf verschillende variëteiten. Elk met hun eigen karakter, terroir en stijl? Tijdens de proeverij die volgde, proefde ik geen zoet plakkerig drankje, maar frisse, droge, verfijnde wijnen. Apart en niet alledaags, zeker, maar het contrast met mijn vooroordelen kon niet groter zijn.

Dat moment werkte als een vonk.
Sindsdien werd ik genoeg getriggerd om mezelf ertoe te zetten me te verdiepen in de wijn die ik nooit wist te appreciëren, en eindelijk te begrijpen waarom hij het verdient om herontdekt te worden.

Daarom deze nieuwe zondagse reeks ‘Lambrusco op zondag – tien weken lang schaven aan het imago’: een ontdekkingsreis langs de geschiedenis, druiven, regio’s en smaken van Lambrusco.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Wat is Lambrusco?
    We trappen af met de comeback van een vergeten icoon. Hoe een wijn die ooit synoniem stond voor zoetigheid en eenvoud vandaag opnieuw respect afdwingt.
  2. Van wilde wijnstok tot klassieker
    De geschiedenis van Lambrusco: van Romeinse tijden tot hedendaagse heropleving. Hoe een wilde druif evolueerde tot één van Italië’s oudste wijnfamilies.
  3. Waar groeit Lambrusco?
    We trekken naar Emilia-Romagna en Mantova, waar de wijn zijn ziel vindt in vruchtbare bodems, zachte heuvels en een uitgesproken eet- en wijncultuur.
  4. Hoe wordt Lambrusco gemaakt?
    Van Charmat tot Classico en Ancestrale: de verschillende vinificatiemethoden die de stijl, structuur en verfijning van Lambrusco bepalen.
  5. De Lambrusco-familie
    Een fascinerende stamboom van twaalf belangrijke variëteiten — met een hoofdrol voor Sorbara, Salamino en Grasparossa.
  6. Sorbara & Lambrusco di Sorbara DOC
    De elegante, florale expressie van Lambrusco. Licht, levendig en verrassend verfijnd.
  7. Salamino & Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC
    De fruitige, evenwichtige middenstijl: soepel, charmant en veelzijdig aan tafel.
  8. Grasparossa & Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    De krachtigste van het trio: donker, intens en vol karakter.
  9. Meer dan de grote drie
    We ontdekken de overige appellaties, van Reggiano tot Modena, die het brede smaakpalet van Lambrusco vervolledigen.
  10. Lambrusco aan tafel
    Waarom Lambrusco zo’n uitzonderlijke gastronomische begeleider is — en hoe hij gerechten tot leven brengt.
  11. Bonus: Masterclass Lambrusco
    Een afsluitende proefsessie met 8 tot 10 wijnen, waarin we alles samenbrengen wat we onderweg hebben geleerd.

Deze reeks is er voor nieuwsgierige wijnliefhebbers, ontdekkers en fijnproevers die hun blik willen verruimen. Elke zondag schenken we je een nieuw hoofdstuk over Lambrusco: boeiend, verdiepend en vooral verfrissend anders.
Tijd om deze sprankelende Italiaan opnieuw op het schavot te plaatsen, en hem te proeven zoals hij echt bedoeld is.

Casauria DOCG, a New Milestone for Abruzzo

Although 11 November is not a public holiday in Italy, as it is in Belgium, the date will undoubtedly be celebrated with extra enthusiasm in Abruzzo from now on. Who knows, perhaps the traditional panarda feast will one day be moved to that moment. On 11 November, Casauria received official confirmation that it would step out from under the broad umbrella of Montepulciano d’Abruzzo DOC, its former parent appellation, and begin life as a fully independent DOCG. The European Union placed its final seal of approval on the decision, and for anyone with a soft spot for Abruzzo, this is far more than a footnote. It is a well-earned recognition for a region that has pushed itself upward with quiet determination and hard work. With this new designation, Abruzzo now counts three DOCG areas.

Where It All Began

Abruzzo has a habit of elevating its lesser-known corners to DOCG status. Tullum, granted the designation only a few years ago, was already a surprise, and Casauria builds on that momentum. Let’s be honest: aside from a handful of Italy enthusiasts, few wine lovers could confidently point to Casauria on a map. And yet, the area has everything required to justify a DOCG in its own right.

Casauria takes its name from the Abbey of San Clemente a Casauria, a Romanesque complex founded in the ninth century in the valley of the Pescara River. Historical sources suggest that the name may derive from Casa Aurea, the “golden house”, in reference to the exceptional fertility of the surrounding soils. That fertility is no coincidence. Wine has been part of this landscape for centuries. Ancient rock-hewn pressing basins such as the Palmenti di Pietranico, alongside the historical influence of the Benedictines, testify to a deeply rooted and continuous winemaking tradition.

Today, the DOCG spans several municipalities in the province of Pescara, situated on hills and plateaus between two hundred and six hundred metres above sea level. The climate is mild and sunny, with warm summers and pronounced diurnal temperature shifts. These variations are essential for Montepulciano, enabling full ripening while preserving natural freshness. Altitude, airflow, and sunlight provide the grape with a balance seldom achieved in lower-lying sites across the region.

A Disciplinare That Clearly Prioritises Quality

The disciplinare for Casauria leaves no room for ambiguity. It outlines a precise stylistic profile and a firm commitment to quality.

Key provisions at a glance:
• Red wines only, made from one hundred percent Montepulciano
• Minimum alcohol of thirteen percent, and thirteen-and-a-half for Riserva
• Mandatory ageing of eighteen months, or twenty-four for Riserva, counted from 1 November following the harvest; oak is optional, not required
• Maximum yield of nine thousand kilograms of grapes per hectare and sixty-three hectolitres of wine per hectare
• Minimum planting density of three thousand five hundred vines per hectare, or three thousand two hundred for pergola-trained vineyards
• Vinification, ageing, and bottling must take place within the designated area to guarantee traceability and quality

Even transport is regulated. Bottling outside the zone is prohibited because shifts in temperature, oxidation, or microbiological instability can compromise the wine once it leaves its place of origin. The message is unambiguous: a bottle of Casauria DOCG must be a product of the zone from beginning to end.

How Does Casauria DOCG Taste?

Curious what Casauria DOCG delivers in the glass? Expect a deep ruby colour with youthful purple reflections. The nose shows ripe red fruit layered with subtle spice. As the wine evolves, or when aged in oak, warmer and more complex aromas emerge, while the fruit retains its clarity.

On the palate, the wine is full-bodied and flavourful, with fine-grained yet clearly present tannin. The interplay of altitude, abundant sunshine, and wide day-night temperature swings contributes to natural balance. These conditions give Montepulciano both ripeness and tension, resulting in wines with depth, length, and a distinct sense of place.

Casauria offers immediate pleasure in youth yet possesses the structure to age gracefully. It is a more finely etched expression of Montepulciano, typical of the higher elevations around Pescara, marked by concentration, vibrancy, and refinement.

Why This Is Not Really a Surprise

The announcement may seem unexpected to the broader world, but within Abruzzo, and among more specialised wine circles, the region’s rise has been unmistakable. Abruzzo has largely shed its former association with simple, inexpensive bulk wines and now demonstrates convincingly that its hillsides and higher-altitude vineyards are ideally suited to producing quality wine. In an era shaped by climate change, these elevations offer welcome resilience and freshness.

Montepulciano has been the subject of extensive study in recent decades. The variety has sharpened its identity and shows remarkable sensitivity to terroir and microclimate. The selection of local clones such as VCR 456, the so-called Casauria biotype, highlights the purposeful work growers have undertaken to refine their wines. The result is a distinctive style with concentration, precision, and aromatic complexity that stands apart from other expressions of Montepulciano.

Casauria DOCG is therefore much more than a new name on the map. It signals Abruzzo’s intent to demonstrate its full potential. The region has every necessary asset: high-elevation vineyards, a defined microclimate, and producers who refuse to accept mediocrity and instead aim for genuine distinction.

For wine lovers, this is an invitation to rediscover Montepulciano in a purer, more precisely articulated form. Not mass-produced, but crafted with ambition and care.

Casauria DOCG Is Ready for Its Debut

With this recognition, Italy now counts seventy-nine DOCG areas. Expectations are high, yet the region remains grounded. The potential is significant and the disciplinare is crystal clear. Casauria DOCG has every opportunity to become a benchmark within Abruzzo.

The first bottles bearing the new designation are unlikely to appear before 2028. Each wine must age for at least eighteen months, starting from 1 November following the harvest. Since producers can only begin DOCG production with the 2026 vintage, the earliest release for standard Casauria DOCG is mid-2028. Riserva wines will follow later, toward the end of 2028. Patience will be required, but anticipation will only grow.

A personal note to close: a few months ago, during an interview for the Italian Wine Podcast, I asked Professor Attilio Scienza which regions he believed were closest to earning DOCG status. My suggestions were Cirò Riserva and Casauria. Both have now become reality. And DOCG number eighty? Most observers think it’s just a matter of time. Etna is waiting, patiently or otherwise, for the volcano to give its next signal.

Casauria DOCG, een nieuwe mijlpaal voor Abruzzo

Hoewel elf november geen feestdag is in Italië, zoals in België, zal die datum voortaan ongetwijfeld met extra glans gevierd worden in Abruzzo. Wie weet verschuift la panarda ooit nog naar die dag want Casauria kreeg precies op elf november de officiële bevestiging dat het zich als voormalige subzone van de Montepulciano d’Abruzzo DOC losmaakt uit de brede appellatie en voortaan als zelfstandige DOCG erkend wordt. De Europese Unie zette er haar definitieve stempel op en voor iedereen die Abruzzo een warm hart toedraagt is dit veel meer dan een voetnoot. Het is een bekroning voor een streek die zich al jaren met stille overtuiging en hard werk naar de top heeft gewerkt. Met deze nieuwe benoeming telt Abruzzo nu drie DOCG gebieden.

Waar het allemaal begon

Abruzzo heeft er een handje van weg om zijn nieuwe DOCG gebieden niet uit de meest bekende hoek te kiezen. Tullum, enkele jaren geleden benoemd tot DOCG, was al een verrassing en Casauria doet daar nu nog een schep bovenop. Want laat ons eerlijk zijn, buiten een handvol Italië-adepten is er nauwelijks iemand die dit gebied spontaan op de kaart kan aanduiden. En toch heeft het alles in huis om een volwaardige DOCG te dragen.

Casauria ontleent zijn naam aan de abdij San Clemente a Casauria, een Romaanse site uit de negende eeuw in de vallei van de rivier de Pescara. Volgens historische bronnen zou de benaming teruggaan op Casa Aurea, het gouden huis, een verwijzing naar de uitzonderlijke vruchtbaarheid van de gronden rond de abdij. Die vruchtbaarheid is geen detail want wijn maakt hier al eeuwen deel uit van het landschap. Sporen zoals de Palmenti di Pietranico en de latere rol van de Benedictijnen vertellen een verhaal van continuïteit dat diep in de regio verankerd zit.

De nieuwe DOCG strekt zich vandaag uit over een reeks gemeenten in de provincie Pescara, op heuvels en plateaus tussen tweehonderd en zeshonderd meter hoogte. Het klimaat is mild maar zonnig, met warme zomers en uitgesproken temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Precies die verschillen zijn cruciaal voor Montepulciano, dat rijp fruit ontwikkelt zonder aan spanning te verliezen. Het resultaat is een druif die zich dankzij hoogte, wind en licht beter kan ontplooien dan in veel lager gelegen delen van de regio.

Een disciplinare die duidelijk kiest voor kwaliteit

De nieuwe disciplinare omschrijft scherp en zonder omwegen welke stijl en kwaliteitsambitie Casauria nastreeft. Het gebied kiest resoluut voor een duidelijke identiteit en voor streng bewaakte standaarden.

De belangrijkste bepalingen in vogelvlucht:
• De wijnen zijn rood en gemaakt van honderd procent Montepulciano
• De minimale alcoholsterkte bedraagt dertien procent, voor Riserva dertien en een half
• De verplichte rijping bedraagt achttien maanden, voor Riserva vierentwintig maanden, te rekenen vanaf één november na de oogst. Houtrijping is toegestaan maar niet verplicht
• De maximale opbrengst bedraagt negen duizend kilo druiven per hectare en drieënzestig hectoliter wijn per hectare
• De plantdichtheid bedraagt minstens drie duizend vijfhonderd stokken per hectare, voor wijngaarden in pergola is dit drie duizend tweehonderd
• Productie, rijping en botteling moeten binnen de zone plaatsvinden zodat herkomst en kwaliteit volledig controleerbaar blijven

Zelfs het transport kent grenzen. Bottelen buiten het gebied is uitgesloten omdat temperatuurwisselingen, oxidatie en microbiologische schade de wijn kunnen aantasten zodra hij buiten zijn oorsprongsgebied wordt verwerkt. De boodschap is duidelijk. Een fles Casauria DOCG moet van eerste tot laatste stap een product van de zone zelf blijven.

Hoe smaakt Casauria DOCG

Ben je benieuwd naar de wijnen van Casauria DOCG? We geven je graag een idee van wat je in het glas kan verwachten. De wijn oogt alvast diep robijnrood met jeugdige paarse schakeringen. In de neus vind je rijp rood fruit aangevuld met een subtiele kruidigheid. Naarmate de wijn rijpt of tijd in hout doorbrengt, ontwikkelen zich warmere en complexere aroma’s zonder dat het fruit aan helderheid verliest.

In de mond herken je een wijn met een volle structuur en een smakelijk profiel. De tannine is aanwezig maar fijn. De combinatie van hoogte, zon en uitgesproken temperatuurverschillen tussen dag en nacht zorgt doorgaans voor een evenwichtige spanning. Die omstandigheden geven de Montepulciano druif zowel rijpheid als frisheid, wat resulteert in wijnen met body, lengte en een duidelijke identiteit.

Casauria biedt daardoor zowel drinkplezier in zijn jeugd als potentieel voor flesrijping. Het is een strakker omlijnde interpretatie van Montepulciano, typisch voor de hoger gelegen zones van Pescara en herkenbaar door zijn concentratie en verfijning.

Waarom dit eigenlijk geen verrassing is

Misschien komt de erkenning voor de buitenwereld onverwacht maar binnen Abruzzo én in de intiemere wijnkringen groeit het vertrouwen al jaren. De regio heeft het juk van eenvoudige, banale goedkope bulkwijnen grotendeels achter zich gelaten en bewijst steeds nadrukkelijker dat haar heuvels en hoger gelegen wijngaarden uitstekend geschikt zijn voor kwaliteitswijnbouw. In een tijd waarin klimaatopwarming steeds meer meespeelt, bieden die hoogtes bovendien extra stabiliteit en frisheid.

Met Montepulciano is de voorbije decennia veel onderzoek verricht. De druif heeft in de moderne tijd zijn identiteit aangescherpt en toont zich bijzonder gevoelig voor terroir en microklimaat. De selectie van lokale klonen zoals VCR 456, het Casauria biotype, illustreert hoe doelgericht producenten werken aan verfijning. Het resultaat is een stijl die duidelijk verschilt van andere wijnen op basis van dezelfde druif, met een herkenbare combinatie van concentratie, spanning en aromatische precisie.

Casauria DOCG is dus niet zomaar een nieuwe naam op de kaart. Het is een duidelijk signaal dat Abruzzo zijn potentieel wil tonen. De regio beschikt over alle voorwaarden: hooggelegen wijngaarden, een eigen microklimaat en producenten die zich niet tevreden stellen met middelmaat maar bewust kiezen voor onderscheid.

Voor wijnliefhebbers is dit vooral een uitnodiging om Montepulciano opnieuw te ontdekken in een zuiverder en strakker gedefinieerde vorm. Geen massaproductie maar een gebied dat met overtuiging kiest voor ambitie en precisie.

Casauria DOCG is klaar voor zijn debuut

Met deze benoeming staat de teller in Italië inmiddels op negenenzeventig DOCG gebieden. De verwachtingen zijn hoog maar de regio blijft tegelijk nuchter. Het potentieel is groot en de disciplinare is helder. Alles wijst erop dat Casauria DOCG kan uitgroeien tot een vaste waarde binnen Abruzzo.

De eerste flessen met het nieuwe label zullen vermoedelijk pas vanaf 2028 in de rekken verschijnen. Elke wijn moet immers minstens achttien maanden rijpen, te starten op één november van het oogstjaar. Aangezien producenten pas vanaf oogst 2026 officieel als DOCG kunnen werken, komen de eerste Casauria DOCG-flessen ten vroegste midden 2028 op de markt. Voor Riserva wordt dat zelfs einde 2028. Het wordt dus nog even wachten maar de nieuwsgierigheid zal er alleen maar groter door worden.

En dan nog iets persoonlijks. Enkele maanden geleden vroeg ik voor de Italian Wine Podcast aan professor Attilio Scienza welke wijngebieden volgens hem het dichtst bij een DOCG-status stonden. Mijn suggesties? Cirò Riserva en Casauria. Beide voorspellingen zijn ondertussen werkelijkheid geworden. Nummer tachtig lijkt voor velen een kwestie van tijd. Etna wacht (on)geduldig… tot de vulkaan weer een seintje geeft.