Baffo all’orvietana: de snor uit Umbria die je wil opeten

Stanley Tucci’s Searching for Italy is een reeks die op VRT werd of wordt uitgezonden. Omdat het over Italië gaat, hadden we de afleveringen opgenomen en bekijken we ze op een rustig moment, wanneer het eens past. Eén van de afleveringen ging over Umbrië, en na onze recente passage daar was ik wel benieuwd wat die man over de streek te vertellen had.

Dat het varken er een hoofdrol speelt, is geen understatement maar een waarheid als een koe. Tijdens de uitzending veerde ik recht, want wat kwam daar plots op het scherm? Een gerecht dat we nog maar net hadden gegeten in Orvieto: baffo all’orvietana. Toen ik het ter plekke proefde, had ik er nog nooit van gehoord. Maar het was verdomd lekker. Se lecca i baffi.

Een gerecht met de naam baffo roept vanzelf de vraag op: wat heeft een snor te maken met eten? In dit geval ligt het antwoord op je bord. Dit eenvoudige maar smaakvolle gerecht komt uit de streek rond Orvieto, een middeleeuws stadje in het zuiden van Umbrië. Het draait om één centraal ingrediënt: gezouten en licht gerookt varkensvlees met een stevige structuur, dat zich krult als een snor en met een heerlijke smaak.

Terwijl ik dit op een zondagmorgen zit te schrijven, realiseer ik me dat het zover is gekomen: ik zit een artikel te maken over, godbetert, spek. In plaats van zelf een pannetje op het vuur te zetten en een pistoletje te beleggen. Niet dus…

Wat is baffo eigenlijk?

In Umbrië, en meer bepaald in de streek rond Orvieto, bedoelt men met baffo natuurlijk niet letterlijk een snorhaar, maar een stuk varkensvlees. Meer specifiek: een snede afkomstig van de wang van het dier. Het gaat om een spier die doortrokken is van edel vet, met een stevige textuur en een uitgesproken smaak. Dit deel staat in de slagerswereld bekend als guanciale. In sommige delen van Midden-Italië wordt het ook wel barbazza genoemd, een naam die verwijst naar de baardstreek van het varken. De associatie met gezichtsbeharing is dus niet toevallig.

In de pan krult het spek tot slierten die doen denken aan borstelige snorharen, wat de bijnaam baffo meteen verklaart. De naam verwijst misschien ook wel naar wat er gebeurt nadat je het gegeten hebt. Leccarsi i baffi, zeggen de Italianen: je snor aflikken, of met andere woorden, smullen tot de laatste hap. En bij een goed gemaakte baffo all’orvietana is dat een logische reflex.

Oorspronkelijk werd dit stuk vlees gegeten uit noodzaak. Het was een betaalbaar alternatief voor de duurdere stukken, maar zeker niet minder smakelijk. Vandaag weten we dat guanciale of barbazza bijzonder rijk is aan vetten en energie. Het is dus geen ingrediënt voor elke dag.

Guanciale of pancetta: wat is het verschil?

Guanciale en pancetta worden allebei gemaakt van varkensvlees, maar ze komen uit verschillende delen van het dier en hebben elk een eigen karakter.

Guanciale is afkomstig van de guancia, de wang van het varken. Het is een stuk vlees dat rijk doortrokken is van vet, stevig van structuur en bijzonder vol van smaak. Die smaak wordt versterkt door het pekelen, het kruiden met peper of andere specerijen en het laten drogen, soms met een lichte rookbehandeling. Het resultaat is een intens, kruidig en smeuïg stuk vlees dat bij verhitting bijna smelt, zonder zijn bite te verliezen.

Pancetta daarentegen komt van de buik. Zoals de naam al laat vermoeden. Dit vlees is doorgaans zachter van smaak, iets milder gekruid en minder uitgesproken van geur. Pancetta wordt meestal opgerold, gezouten en gedroogd, maar bevat minder vetmarmering dan guanciale en is ook iets egaler van structuur.

Voor baffo all’orvietana is guanciale zonder twijfel de juiste keuze. De specifieke Umbrische variant is vaak licht gerookt en heeft een krachtig aroma dat perfect samengaat met eenvoudige ingrediënten als salie en witte wijn of wijnazijn. Het vlees moet bestand zijn tegen een korte maar stevige verhitting, waarbij het vet zacht wordt maar het geheel niet uit elkaar valt.

Toch grijpt men soms naar pancetta, vooral wanneer guanciale moeilijk te vinden is. De meest geschikte vervanger is dan ventresca di maiale, een Umbrische pancetta die opgerold wordt en qua vetgehalte en textuur dicht in de buurt komt. Maar eerlijk is eerlijk: wie de kans krijgt om met echte guanciale te werken, moet die grijpen. Het verschil proef je meteen. In de smaak, in de structuur en in het laatste straaltje vet dat in de pan achterblijft.

Wat bindt dit gerecht aan Orvieto?

De naam baffo is volgens onze opzoekingen niet meteen gangbaar in andere delen van Italië. Die informele benaming doet vermoeden dat het hier niet gaat om een klassiek gerecht dat via culinaire scholen werd doorgegeven, maar om een bereiding die ontstond in huiselijke keukens, waar mondelinge traditie en plaatselijke woorden minstens zo belangrijk waren als recepten. De toevoeging all’Orvietano bevestigt die geografische verankering.

De band met Orvieto is dus duidelijk, maar de link met Umbrië ligt nog breder ingebed. Het varken speelt een hoofdrol in de Umbrische keuken. Wie niets met varkensvlees heeft, zal in vele keukens in deze regio op z’n zachtst gezegd vreemd worden aangekeken. Norcia, een ander Umbrisch bolwerk, staat zelfs bekend als de bakermat van de slagersstiel in Italië, met een eeuwenlange traditie in het verwerken van varkensvlees.

De naam baffo maakt dit gerecht niet uniek in technische zin, maar geeft het wel een eigen identiteit. De combinatie met all’Orvietano zorgt voor herkenbaarheid. Nergens anders in Italië wordt dit gerecht op precies deze manier genoemd of in het lokale geheugen zo verankerd. En net dat maakt het de moeite waard om te bewaren en door te geven.

De rol van salie, de plant van het goede humeur

Een opvallend element in het gerecht is het gebruik van salie. Een kruid dat absoluut een vaste waarde is in de Italiaanse keuken. In Umbrië groeit salie in zowat elke tuin en wordt ze niet alleen gewaardeerd om haar geur en smaak, maar ook om haar symbolische en zelfs medicinale reputatie.

In het Italiaans spreekt men van pianta del buonumore, de plant van het goede humeur. Aan salie worden sinds de oudheid allerlei verkwikkende eigenschappen toegeschreven. Ze zou helpen tegen melancholie, vermoeidheid, mentale uitputting en zelfs een geheugenoppepper zijn. Monniken, herboristen en nonna’s waren het daarover eens: een beetje salie doet wonderen. Of dat wetenschappelijk bewezen is, doet er in dit geval minder toe.

Smaaktechnisch doet salie precies wat dit gerecht nodig heeft. Het scherpe, licht medicinale aroma snijdt door het vet van de guanciale als een mes. Het geeft frisheid zonder zuur toe te voegen. In tegenstelling tot basilicum of oregano blijft salie eerder discreet. Ze versterkt de andere smaken zonder ze te overstemmen.

In baffo all’Orvietano is de rol van salie klein maar onmisbaar. Ze wordt meestal meegebakken met het vlees, zodat ze haar oliën vrijgeeft op het juiste moment. Het is geen garnituur maar een werkend onderdeel van het gerecht. Je zou het verschil merken als ze er niet was.

Het traditionele recept voor Baffo all’Orvietano

Ingrediënten (voor 4 personen)

  • 600 gram baffo (guanciale, het spier- en vetweefsel van de varkenswang), in sneetjes van ongeveer 2 mm dikte
  • 20 blaadjes verse salie
  • 2 eetlepels witte wijnazijn
  • 2 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 2 teentjes knoflook, gekneusd

Bereiding

  1. Snijd het vlees in niet te dunne sneetjes, ongeveer twee millimeter dik. Het mogen best onregelmatige plakjes zijn, zolang er voldoende vet aan zit.
  2. Verhit de olijfolie in een brede pan. Laat de gekneusde knoflook en een deel van de salie licht kleuren zodat de olie geur en smaak opneemt.
  3. Voeg de sneetjes baffo toe aan de pan. Laat ze rustig bakken tot ze licht goudbruin beginnen kleuren.
  4. Sprenkel de witte wijnazijn over het vlees en laat die kort inkoken. De zuren moeten verdampen, maar mogen nog licht te proeven zijn.
  5. Zodra het vlees krokant is aan de randjes maar nog soepel vanbinnen, haal je het met een schuimspaan uit de pan.
  6. Serveer het vlees warm met een lepel van het braadvocht en de krokante salieblaadjes erbovenop.

Opmerkingen

  • Serveer het gerecht eventueel met wat geroosterd brood of als warm voorgerecht.
  • De smaakcombinatie is krachtig maar elegant: vet, kruidig en licht zurig.

Wijnsuggestie
Een droge, geurige witte wijn met zachte zuren. Uiteraard mag een Orvieto Classico niet ontbreken.

Tot slot

Baffo all’orvietana is niet wat je onmiddellijk als een Italiaanse klassieker gaat bestempelen. Het is één van die vele lokale verankerde gerechten die vooral herinneringen oproepen aan je verblijf ginds.

Op het eerste gezicht lijkt het simpel, bijna bescheiden. Voor wie in België op zondagmorgen al eens een sneetje spek in de pan legt, voelt het zelfs enigszins vertrouwd. Maar net die kleine twist maakt het anders. De keuze voor guanciale in plaats van gewoon spek. De toevoeging van salie. Die vleug witte wijnazijn. En de onvermijdelijke knoflook die zacht op de achtergrond blijft hangen.

Dat eenvoud kan smaken, hoeven ze ons al lang niet meer uit te leggen. En voor wie het zelf een keer probeert: je hoeft geen chef te zijn om dit te maken.

Spaghetti alle vongole: Pasta met zeelucht en een snufje roem

Een zeer goede vriend van me is gek op spaghetti alle vongole. Onlangs vertelde hij me, bij een goed glas wijn uiteraard, een verhaal over hoe hij dit gerecht nog eens had besteld in een restaurant en compleet verbouwereerd was toen het bord werd geserveerd. Het was namelijk overstrooid met Parmezaanse kaas. De Italianen gebruiken kaas bij het merendeel van hun pasta’s, maar op een vongole is dat, bij wijze van spreken, een doodzonde.

Opdat dit soort fouten niet meer gemaakt worden, duiken we vandaag dieper in de spaghetti alle vongole. Het is een iconisch gerecht waarin de Italiaanse eenvoud perfect tot uiting komt. Dit meesterwerkje is al lang bekend tot ver buiten de grenzen van zijn geboortestreek Campania. En terecht: het is een combinatie van smaken die recht naar de essentie gaat. Zee, knoflook, olijfolie en al dente pasta. En natuurlijk… de vongole.

Van vissersboot tot trattoria

De oorsprong van spaghetti alle vongole ligt aan de kust van Campania, meer bepaald in de omgeving van Napels. Daar, waar vissers in de vroege ochtend hun boten vol verse vangst binnenbrachten, ontstond een gerecht dat simpel oogt maar ervaring vereist. De vongole, de kleine schelpjes die bij elke aanvoer op tafel belandden, gaven het gerecht zijn naam. Volgens de overlevering waren sommige vissersboten zó trouw aan hun lading dat ze in de volksmond zelfs le vongole werden genoemd. Maar laten we duidelijk zijn: het waren de schelpen, niet de boten, die de naam op het bord brachten.

Aanvankelijk werd het gerecht klaargemaakt op vissersboten of in eenvoudige keukens vlak bij de haven. Geen menu, geen witte wijn, enkel wat er beschikbaar was: knoflook, olijfolie, chilipeper en een pan. Maar al snel vond dit bescheiden bordje zijn weg naar de trattoria’s in Napels en omstreken. De eenvoud bleef behouden, maar de presentatie werd verfijnder, en de ingrediënten iets selectiever.

Hoewel Campania algemeen erkend wordt als de bakermat van het gerecht, met Napels als spirituele thuisbasis, kent spaghetti alle vongole intussen vele regionale varianten langs de Italiaanse kust. Zo kwam Abruzzo met zijn clams di Abruzzo in beeld: kleine, karaktervolle schelpen die door vissers liefkozend “de paparazzi” werden genoemd. Niet omwille van hun nieuwsgierigheid, maar om het geluid dat ze maken wanneer ze openen, alsof een dozijn fototoestellen tegelijk afgaat.

Een schijnbaar simpel gerecht vol valkuilen

Wie ooit spaghetti alle vongole heeft geprobeerd te maken, weet dat achter de eenvoud een hoop valkuilen schuilen. Het zijn weinig ingrediënten, ja, maar dat maakt het net zo verraderlijk. Alles moet kloppen: de kwaliteit van de schelpen, de timing van het koken, de balans tussen zout en olie. Misschien is dat net waarom dit gerecht zo populair is geworden.

Het is ook hét zomergerecht bij uitstek geworden in de Italiaanse kustkeukens. Licht, fris en vol smaak van de zee. In Campania hoort het zelfs bij het kerstmenu, de cena della Vigilia: op 24 december, tijdens het traditionele visdiner, is spaghetti alle vongole een vaste waarde. Volgens sommige verhalen werd het eerste officiële bord zelfs geserveerd in 1762 aan het hof van koning Ferdinand IV van Bourbon in Napels. Koning of niet, hij wist duidelijk wat lekker was.

De oudste geschreven versie vinden we terug in het boek Cucina teorico-pratica van Ippolito Cavalcanti uit 1837. Daarin staat een recept voor vermicelli all’aglio con le vongole, waarin het sap van de geopende schelpen wordt gebruikt als smaakvolle bouillon voor de pasta. Klinkt bekend, niet?

Wit of rood: een twist die blijft duren

Over welke spaghetti alle vongole nu de echte is, wordt er binnen Italië al decennialang gediscussieerd. Er zijn een paar essentiële vragen die telkens terugkomen: met of zonder tomaten? Met of zonder schelpen? Met of zonder wijn? We tackelen ze één voor één, te beginnen met misschien wel de meest omstreden kwestie: moet een echte spaghetti alle vongole bianco of rosso zijn?

Voor de puristen is er geen discussie: bianco, zonder tomaat. Alleen vongole, knoflook, olijfolie, chili en peterselie. Toch bestaat er ook een ‘vervuilde’ versie met een paar zacht geplette kerstomaatjes, die net genoeg kleur en zoetheid geven zonder het gerecht te overheersen. Maar pas op met passata of tomatensaus: dat haalt de zilte finesse van de vongole volledig onderuit. En dan kan je evengoed spaghetti allo scoglio gaan maken.

Wijn hoort erbij, maar ook als ingrediënt?

Moet er nu wijn in een spaghetti alle vongole of net niet? Het is een vraag die je zelfs bij Italiaanse chefs tot verhitte discussies kan leiden. Laten we meteen duidelijk zijn: als er wijn gebruikt wordt, dan is het altijd witte wijn. Maar zelfs dan is de keuze niet eenduidig.

Het gebruik van witte wijn in de bereiding voegt een subtiel zuur accent toe dat het gerecht frisheid en diepte kan geven. Voor veel koks is dat net wat de smaken openbreekt: de wijn helpt het zilte sap van de vongole te balanceren, en versterkt de aroma’s van knoflook en chili. Een goeie slok droge witte wijn verdampt tijdens het koken en laat alleen de essentie achter: frisheid, mineraliteit, spanning.

Maar er is ook een andere school van denken. Die stelt dat je met wijn net de delicate smaak van de vongole verstoort. Zeker als je echt kwalitatieve clams gebruikt, wil je net hun eigen sap centraal zetten. Dan wordt de wijn een indringer, een extra laag die het natuurlijke karakter overschaduwt. In dat geval laat je hem beter achterwege en werk je enkel met het pure kookvocht van de schelpen.

Wat is dan juist? Zoals wel vaker in de Italiaanse keuken: het hangt af van de streek, de kok en de gelegenheid. In sommige Napolitaanse recepten ontbreekt wijn volledig, terwijl het in andere versies, vaak iets noordelijker, een standaard is.

Wat je ook doet in de pan, één ding is zeker: aan tafel hoort er wijn bij. En liefst eentje die de frisheid van de zee en de eenvoud van het gerecht ondersteunt. Ga voor een minerale en droge witte wijn, zoals een Greco di Tufo, Falanghina, Passerina, Verdicchio of een goede Vermentino. Ze zorgen niet alleen voor harmonie met het bord, maar tillen het hele moment naar een hoger niveau. Geen zware houtgerijpte krachtpatsers dus, maar levendige wijnen met zuren en finesse.

Spaghetti alle vongole… fujute?

We kunnen het niet over spaghetti alle vongole hebben zonder ook de spaghetti alle vongole fujute te vermelden, oftewel… “gevlucht”. Wat betekent dat precies? In dit gerecht zorgt de overvloedige aanwezigheid van peterselie, met zijn sterke en doordringende aroma, voor de illusie dat je de smaak van vongole proeft, ook al zitten ze er niet in.

Het is geen echt twistpunt, eerder een totaal andere interpretatie. Je zou je kunnen afvragen of je een spaghetti alle vongole zonder vongole überhaupt nog wel zo mag noemen. De Italianen hebben daar een charmante oplossing voor gevonden: ze plakken er gewoon fujute achteraan. Probleem opgelost.

De legende wil dat deze ‘ontschelpte’ variant werd bedacht door Eduardo De Filippo, de beroemde Napolitaanse acteur. Na een lange werkdag kwam hij thuis met reuzenhonger, maar vond niets anders dan pasta, peterselie, chili en knoflook. Hij maakte ermee wat hij kon en merkte op dat de geur en smaak hem deden denken aan vongole, ook al zaten ze er niet in.

Stadslegende of waarheid? We zullen het wellicht nooit zeker weten… Waarschijnlijker is dat het gerecht ontstond in de armere Napolitaanse wijken, waar vongole, een ogenschijnlijk alledaags maar niet goedkoop ingrediënt, niet altijd binnen handbereik waren. Peterselie nam de rol van smaakdrager over. Eén ding is zeker: aan creativiteit en vindingrijkheid heeft het de Napolitanen nooit ontbroken.

Voor de duidelijkheid: in het klassieke gerecht worden de schelpen zeker niet verwijderd. Wat je wél doet: laat ze minstens een uur in gezouten water weken zodat al het zand eruit komt, en spoel ze daarna nog een drietal keer goed schoon. Want schelpen met een knarsje zijn allesbehalve feestelijk.

Kaas laten we liggen!

Kaas gebruiken in een spaghetti alle vongole is een regelrecht taboe. Mijn goede vriend had dus groot gelijk dat hij ontzet en verbaasd was toen zijn bordje werd geserveerd met een wolkje Parmezaan erbovenop. Het mag dan goed bedoeld zijn geweest, maar in Italië is zoiets vergelijkbaar met ketchup op een ossobuco. Een regelrechte culinaire heiligschennis.

Waarom ligt dat zo gevoelig? Het antwoord zit zowel in smaaklogica als in culturele traditie.

Ten eerste: kaas en zeevruchten botsen qua smaakprofiel. Parmezaan, pecorino of grana hebben een rijke, umami-achtige zoutsmaak met een romige, ietwat zoete afdronk. Vongole daarentegen zijn zilt en mineraal, met een fijn maritiem aroma. Voeg je daar kaas aan toe, dan duw je het gerecht in een volledig andere richting. Je overrompelt de finesse van de schelpen en drukt hun subtiele karakter plat onder een deken van melkachtig vet.

Ten tweede: de Italiaanse culinaire traditie volgt geen vastgelegde regels, maar wel duidelijke gewoontes. In die traditie worden zuivelproducten bijna nooit gecombineerd met vis of schaaldieren, tenzij het om gerechten uit het noorden van het land gaat waar room en boter vaker opduiken. Maar in het zuiden is de combinatie van zeevruchten en kaas zo goed als ondenkbaar. Het wordt gezien als een disbalans, een clash tussen land en zee.

En ten derde: de eenvoud van het gerecht is precies zijn kracht. Spaghetti alle vongole draait om pure smaken, om een paar goed gekozen ingrediënten die elkaar niet overschaduwen. Elke toevoeging, of het nu kaas, truffelolie of room is, maakt het minder ‘vongole’ en meer ‘fusion’. En daar is op zich niets mis mee, maar noem het dan geen spaghetti alle vongole meer.

Wil je het gerecht echt afwerken? Dan is een drupje extra vierge olijfolie en wat verse peterselie alles wat je nodig hebt.

De schelpkeuze!

Rest er nog de hamvraag, of beter gezegd de ‘schelpvraag’! Er is een overvloed aan aanbod als het over schelpen gaat, maar welke zijn nu net gepast om als hoofdingrediënt gebruikt te worden voor onze Spaghetti alle vongole? We maken een suggestie voor de juiste schelpen die je hiervoor gebruikt:

1. Vongola verace (Ruditapes decussatus)

Deze schelp, ook bekend als de geruite tapijtschelp, is de aristocraat onder de vongole. Met een stevige, ovale schelp en een patroon van fijne ribbels, is hij niet alleen visueel aantrekkelijk maar ook culinair gewaardeerd. De vongola verace leeft in lagunes en estuaria, waar het brakke water bijdraagt aan zijn delicate, lichtzoete smaak. Bij het koken opent hij gemakkelijk en geeft een helder, geurig kookvocht af dat de basis vormt voor een sublieme saus.

2. Vongola comune (Chamelea gallina)

Deze kleinere schelp, vaak aangeduid als gestreepte venusschelp, is een favoriet in de Adriatische keuken. Met een afgeronde driehoekige vorm en een patroon van bruine strepen, biedt hij een stevige textuur en een uitgesproken zilte smaak. De vongola comune leeft in schone zandbodems en wordt vaak met hydraulische methoden geoogst. Hoewel hij iets minder verfijnd is dan de vongola verace, levert hij een robuuste smaak die goed standhoudt in eenvoudige bereidingen.

3. Tellina (Donax trunculus)

De tellina, of wigschelp, is klein maar krachtig. Met een gladde, driehoekige schelp en een lengte van slechts 10 tot 30 mm, is hij een delicate toevoeging aan pasta’s. De tellina leeft in ondiepe, schone zandstranden en staat bekend om zijn zoetige, verfijnde smaak. Vanwege zijn kleine formaat wordt hij vaak in grote hoeveelheden gebruikt, wat resulteert in een subtiele, maar complexe saus.

De keuze hangt af van persoonlijke voorkeur en beschikbaarheid. Voor een klassieke, verfijnde Spaghetti alle vongole is de vongola verace de beste keuze. Voor een meer robuuste, zilte smaak is de vongola comune ideaal. En voor een subtiele, zoetige toets is de tellina een uitstekende optie. Ongeacht de keuze, zorg ervoor dat de schelpen vers zijn en goed zijn schoongemaakt om zand en gruis te verwijderen.

Het recept: puur en krachtig

Ingrediënten voor 2 personen

  • 500 g verse vongole
  • 200 g spaghetti
  • 2 à 3 tenen knoflook, fijngehakt
  • 1 klein rood pepertje of wat gedroogde chili
  • 4 eetlepels goede olijfolie
  • 100 ml droge witte wijn (optioneel)
  • Verse peterselie, fijngehakt
  • Zout (maar wees voorzichtig, de vongole zijn al zout)

Zo maak je het

  1. Maak zeker dat je de gebroken of open schelpen verwijderd hebt uit de selectie. Spoel de resterende vongole grondig, laat ze minstens een uur in gezouten water staan zodat ze het zand uitspuwen. Geef ze nadien nog minstens 3 extra wasbeurten.
  2. Verhit ondertussen de olijfolie in een ruime pan, fruit de knoflook met het pepertje (ontdaan van de zaadjes) met een klein beetje peterselie op zacht vuur.
  3. Voeg de uitgelekte vongole toe, bak ze 1 minuut op een hoger vuur, giet eventueel de witte wijn erbij en laat die dan verdampen, dek af en laat een paar minuten koken tot de schelpen opengaan. Laat ze niet te lang op het vuur staan, anders worden ze rubberachtig en dus onsmakelijk.
  4. Gooi nog dicht gebleven schelpen weg.
  5. Zeef de schelpen en vangt het kookvocht op.
  6. Breng gezouten water aan de kook en doe daarin de spaghetti. Kook deze al dente.
  7. Verhit wat olijfolie in een pan. Voeg de overgebleven knoflook, rode peper (naar smaak) en het gezeefde sap toe.
  8. Voeg de uitgelekte pasta toe aan de pan, zet deze op een hoger vuur en laat enkele minuten nog verder koken. Voeg indien nodig nog een extra pollepel van het kookvocht toe.
  9. Haal van het vuur en roer er alle schelpen met een scheutje olijfolie door.
  10. Werk af met peterselie en serveer onmiddellijk.

Tot slot

Geen kaas. Nooit. Echt niet. Zelfs geen schaafsel uit nieuwsgierigheid hoort thuis in een spaghetti alle vongole. Je mag je bord met een gerust gemoed, en dit artikel als sluitend bewijs, teruggeven als je het geserveerd krijgt door een onwetende would-be kok.

De ingrediënten van een spaghetti alle vongole zijn een sacristie, en dus heilig. Alles draait om die typische Italiaanse keuken waar eenvoud en kwaliteit elkaar ontmoeten. Als je dat weet te respecteren én te combineren, zit je goed. En wie weet, hoor je dan zelfs het klikken van een paar paparazzi-schelpen in je bord.

Carbonara: Romig zonder room

Onlangs ontdekte ik Pasta Grannies op You Tube. Een heerlijk concept waar men de nonna’s pasta gerechten laat klaarmaken volgens oude familietradities. Je wordt op slag verliefd en verslaafd aan het kanaal en ik heb op korte tijd dan ook al heel wat video’s verslonden. Uiteraard kom je er ook de klassieker der klassiekers tegen: Spaghetti alla Carbonara. Een gerecht dat z’n plaats op de wereldkaart veroverde zonder veel show, maar met des te meer smaak. Wat ooit begon als een eenvoudige maaltijd uit Lazio is intussen uitgegroeid tot een van de meest geliefde pastagerechten wereldwijd. Reden genoeg om verder uit te spitten wat een Carbonara allemaal inhoudt.

Waar komt Carbonara eigenlijk vandaan?

Carbonara komt uit Lazio, dat staat vast. Maar hoe dit iconisch pastagerecht precies ontstond, is een culinair raadsel waar zelfs de meest doorgewinterde Italiaanse nonna het antwoord niet op heeft. Wat vaststaat: de oorsprong van Carbonara is niet zo oud als je misschien zou denken. Tot 1950 kom je het gerecht in geen enkel Italiaans kookboek tegen. Geen voetnoot, geen vermelding, niets. Alsof het plots, bijna magisch, opdook in de Romeinse keukens.

Een van de hardnekkigste theorieën linkt Carbonara aan de komst van het Amerikaanse leger tijdens de bevrijding van Rome in 1944. Terwijl Glenn Miller door de radio klonk en de geur van Marlboro zich mengde met die van versgebakken brood, maakten Amerikaanse soldaten hun opwachting in de Eeuwige Stad. Met in hun bagage: sigaretten, chocolade, kauwgom en hun fameuze K-rantsoenen. Die noodrantsoenen, standaard meegegeven voor op het slagveld, bevatten onder andere spek in blik en eieren in poedervorm. Niet bepaald haute cuisine, maar in een stad waar voedsel nog steeds schaars was, een kleine goudmijn.

Romeinse herbergiers, nooit vies van een creatieve ingeving, zouden op verzoek van deze soldaten een bord spaghetti met bacon en eieren hebben samengesteld. “Spaghetti breakfast” werd het genoemd. Geen verfijnde bedoening, maar een stevig, vullend gerecht dat aansloeg als een bom. Zo ontstond, volgens deze theorie, de eerste versie van wat later Carbonara zou worden: een huwelijk tussen Amerikaanse ingrediënten en Italiaanse improvisatie.

Maar dat is niet het enige verhaal.

Sommigen leggen de oorsprong verder terug in de tijd, bij de zogenaamde carbonari. Houtskoolbranders die in de bergen werkten en enkel houdbare producten konden meenemen. Spek, harde kaas, eieren, pasta: allemaal ingrediënten die lang meegaan en weinig zorg vereisen. Volgens deze versie was Carbonara geen culinair kunstwerk, maar een praktische oplossing.

Beide verhalen hebben hun charme en waarschijnlijk een stukje waarheid. Maar het is pas na de oorlogsjaren, in een Rome dat opnieuw begon te ademen, dat Carbonara echt naam maakte. De jaren vijftig brachten niet alleen een economische heropleving, maar ook een hernieuwde interesse in de eenvoudige, lokale keuken. In 1954 schreef journalist Herbert L. Matthews van de New York Times een artikel over de Romeinse trattoria’s, waarin hij melding maakte van een ware carbonara-rage. De rest is geschiedenis.

Een naam met rookgordijn

De naam Carbonara klinkt als iets robuusts, iets met vuur en rook. En dat is precies waar de verwarring begint. Want wie het etiket op deze klassieker wil verklaren, belandt snel in een doolhof van theorieën, halve waarheden en charmante verzinsels. Geen enkele uitleg is sluitend, maar elk spoor zegt iets over het karakter van het gerecht.

Een populaire theorie linkt Carbonara aan de carbonari, houtskoolbranders uit de Apennijnen. Zij leefden in barre omstandigheden, aten wat lang houdbaar was en hadden vooral nood aan vullende maaltijden. Spek, eieren, kaas en pasta: het klinkt als het menu van een berghut, maar of deze robuuste mannen ook werkelijk de uitvinders van Carbonara zijn? Niemand weet het zeker. De theorie is plausibel, maar niet verifieerbaar.

Dan is er de uitleg dat het gerecht zijn naam dankt aan de zwarte peper, royaal over het bord gemalen en visueel vergelijkbaar met steenkoolstof. Een mooi beeld: een zachte regen van zwarte spikkels die zich als as neervlijen op een goudgele pastawolk. Poëtisch en aantrekkelijk, maar meer literair dan feitelijk onderbouwd.

Sommige fantasierijke geesten willen dan weer geloven dat het gerecht een link heeft met de Carbonari, een geheime revolutionaire beweging uit het begin van de 19de eeuw. Maar zelfs de meest romantische historicus geeft toe dat er geen enkel culinair verband te vinden is tussen de samenzweerders en een bord spaghetti met eigeel. Deze piste mag dus met een gerust hart als legendarisch worden afgevinkt.

Ook de bewering dat een Sardijnse kok uit de stad Carbonia het gerecht bedacht tijdens zijn Romeinse jaren lijkt vooral gebaseerd op geografisch toeval. Een aantrekkelijke theorie voor wie van eenvoudige verbanden houdt, maar zonder enig historisch gewicht.

Een andere piste, vaak over het hoofd gezien maar verrassend aannemelijk, is de link met de zwarte markt in Rome tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In het Romeinse dialect werd deze markt wel eens mercato carbonaro genoemd. Het was de plek waar Amerikaanse soldaten hun K-rantsoenen ruilden of verkochten. Net die ingrediënten vormden de basis van de eerste rudimentaire versies van Carbonara. Vanuit die context is het niet ondenkbaar dat het gerecht zijn naam ontleende aan die clandestiene voedingsbron. De saus is dus misschien niet vernoemd naar de houtskool, maar naar het ‘zwarte’ karakter van haar ingrediënten.

Welke pasta kies je best?

In de wereld van Carbonara is pasta geen neutrale drager, maar een volwaardig onderdeel van het gerecht. De keuze van de juiste pastasoort bepaalt niet alleen de structuur, maar ook hoe de saus zich hecht en hoe de smaken samenkomen.

Spaghetti blijft de onbetwiste klassieker. In Rome is er weinig discussie over: Carbonara eet je met spaghetti. De lange slierten wikkelen zich mooi rond de romige saus, nemen net genoeg mee van de guanciale en de kaas en zorgen voor een evenwichtige verdeling op het bord én in de mond.

Voor wat variatie is er spaghettoni: een dikkere variant van spaghetti die iets meer bite biedt en de saus nog beter vasthoudt. Spaghettoni geeft meer mondgevoel, meer structuur en iets meer ruimte aan de rijke saus om zich te nestelen tussen de strengen. Het vraagt wel een paar minuutjes extra kooktijd, maar de beloning is een bord dat net wat voller en luxueuzer aanvoelt.

Toch zijn er ook kortere alternatieven die niet meteen als fout worden aanzien. Rigatoni of mezze maniche bijvoorbeeld: brede pastavormen met ribbels aan de buitenkant en een holle binnenkant. Ideaal om de saus op te vangen en kleine stukjes guanciale als een soort schatkistje mee te dragen. Bij elke hap krijg je een smaakbommetje. Iets minder elegant misschien, maar voor wie van een robuustere structuur houdt, perfect geschikt.

Wat je absoluut moet vermijden, zijn dunne of gladde pasta’s zoals capellini of linguine. Die worden sneller papperig, verliezen hun beet en laten de saus letterlijk van zich afglijden. Carbonara heeft houvast nodig.

Wanneer pleeg je heiligschennis?

Laten we duidelijk zijn: Carbonara is geen speeltuin voor wie graag experimenteert met room, kruiden of restjes uit de koelkast. Er bestaan duizenden pastagerechten waar je je creativiteit op kan botvieren, maar Carbonara hoort daar niet bij. Hier gelden regels. Strenge regels. Wie zich daar niet aan houdt, verdient minstens een kookverbod, of in het ergste geval: verbanning naar een onbewoond eiland zonder fornuis.

Room toevoegen? Altijd een slecht idee. Geen discussie mogelijk. Het resultaat mag dan smeuïg lijken, het heeft niets te maken met wat Carbonara hoort te zijn. Die typische romigheid komt niet van room, maar van de emulsie tussen eigeel, kaas en een beetje zetmeelrijk pastawater. Room gebruiken is niet alleen overbodig, het is culinair verraad.

Maar de heiligschennis stopt daar niet. Knoflook, ui, peterselie? Nee. Het is geen groentestoofpot. Laat ook de olijfolie voor wat ze is. De guanciale zorgt voor het vet. Extra vet toevoegen is als ketchup op een bistecca fiorentina: het verraadt een gebrek aan vertrouwen in het gerecht zelf.

Dan is er het vlees. Guanciale is de norm. Punt. Geen ontbijtspek, geen spekblokjes uit de supermarkt, geen bacon. Pancetta kan in uiterste nood, als je echt geen guanciale te pakken krijgt, maar zelfs dan knijp je alleen een oog dicht als de rest van de bereiding onberispelijk is.

Wat kaas betreft: Carbonara draait rond Pecorino Romano. Wie alléén Parmezaanse kaas gebruikt, begeeft zich op glad ijs. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan, met mate, maar ook dat is eerder een toegift dan een regel. Pecorino zorgt voor de zoute punch, de karaktervolle scherpte die het gerecht zijn ruggengraat geeft.

Ook met eieren moet je precies zijn. In principe gebruik je enkel eigeel. Dat zorgt voor de romigheid zonder dat je met roerei eindigt. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, maar alleen als je weet wat je doet. En witte peper? Dat mag, als je echt geen zwarte hebt. Maar wees voorzichtig: Carbonara is geen plek voor smaken die de boel overstemmen.

Samengevat: Carbonara maak je met vier ingrediënten. Guanciale, Pecorino Romano, eigeel en zwarte peper. Alles wat daar buiten valt, is op z’n best verdacht, op z’n slechtst culinair misdadig. Gebruik je spekblokjes, witte saus, smeltkaas, knoflook én peterselie in één pan, dan is zelfs de biecht niet meer voldoende. Dan is het tijd voor de strengst mogelijke straf: levenslange opsluiting in een keuken waar alleen magnetrons staan. Met room. Veel room.

Kies je ingrediënten met zorg

Zoals al gemeld, Carbonara maak je met vier ingrediënten, niet meer en niet minder. En net omdat die lijst zo kort is, komt het op elk detail aan. Geen ruimte voor compromissen, geen ‘het is maar voor een doordeweekse avond’. Elk ingrediënt moet z’n rol met overtuiging spelen. Het geheim zit niet in wat je toevoegt, maar in wat je juist weglaat. En vooral: in de kwaliteit van wat je wél gebruikt.

Begin bij het ei. Gebruik verse eieren van goede kwaliteit, liefst van kippen die weten wat daglicht is. Alleen het eigeel wordt gebruikt. Het zorgt voor de romige textuur, de diepgang en de kleur. Wie per ongeluk een heel ei in de kom gooit, zal snel merken dat de saus te dun wordt of verandert in roerei. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, voor wie ervaring heeft en exact weet hoe ver hij kan gaan, maar standaard blijf je bij enkel dooier.

Dan is er de kaas. En die is heilig. Pecorino Romano is de juiste keuze: een zoute, scherpe, gerijpte (minstens 8 maanden) schapenkaas die precies dat extra duwtje geeft aan het gerecht. Geen Parmezaan dus, en al helemaal geen Grana Padano die zich in het middenveld nestelt zonder pit of karakter. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan door de beugel als je je gasten wil sparen van al te veel zoutigheid, maar laat je niet misleiden: het is een compromis, geen standaard.

Guanciale is het hart van Carbonara. Het vlees komt uit de wangen of de kin van het varken, wordt gezouten, gekruid (maar niet overdreven) en enkele weken gerijpt. Het resultaat is een stuk spek met een uitgesproken smaak en een vetlaag die smelt als boter in de pan. Snijd het in blokjes of reepjes, bak het op matig vuur en laat het eigen vet het werk doen. Gebruik zeker geen olie.

En dan de zwarte peper: vaak onderschat, maar essentieel. Hij zorgt voor de pittige tegenstem die de vetheid van het spek en de romigheid van het ei in balans houdt. Gebruik alleen versgemalen zwarte peper, liefst uit een molen met wat karakter. Wees royaal, maar met gevoel: peper moet aanwezig zijn, niet overheersen.

Tot slot: koop je ingrediënten met zorg. Guanciale haal je niet bij de supermarkt, maar bij een Italiaanse delicatessenzaak of een slager die weet waar zijn varken vandaan komt. Eieren koop je niet omdat ze in promotie zijn, maar omdat ze kleur, smaak en textuur geven aan je saus. En je Pecorino mag gerust een beetje brokkelen, dat betekent dat hij leeft. Carbonara is simpel, maar alleen als je de juiste dingen kiest. Met vier ingrediënten heb je geen marge voor middelmaat. Alleen het beste telt.

Spaghetti Carbonara voor 4 personen

Ingrediënten:

  • 800 g spaghetti
  • 450 à 500 g guanciale
  • 6 eidooiers
  • 320 g Pecorino Romano (minstens 12 maanden gerijpt)
  • 30 g versgemalen zwarte peper (meer of minder naar smaak)

Bereiding:

Verwijder de peperkorst en eventuele harde randjes van de guanciale. Snijd het vlees in plakjes van ongeveer een halve centimeter en vervolgens in blokjes van ongeveer 1 cm. Bak de blokjes op hoog vuur in een pan zonder vetstof. Zodra het eerste laagje vet begint te smelten en één kant krokant is, roer je voorzichtig zodat de stukjes gelijkmatig krokant worden. Laat de guanciale vervolgens ongeveer 20 minuten zachtjes garen in zijn eigen vet, zodat het vlees mooi konfijt. Als de blokjes krokant zijn, zet je het vuur uit en hou je ze apart, mét het vet. Gooi dit dus zeker niet weg.

Rasp de Pecorino en meng er 20 g van de versgemalen zwarte peper doorheen. Klop in een aparte kom de eidooiers los en meng daar ongeveer 220 g van de geraspte Pecorino-pepermix doorheen. Hou de rest van de kaas apart voor de afwerking.

Kook de spaghetti in ruim gezouten water tot net al dente. Vergeet niet een flinke pollepel kookvocht opzij te houden voor de saus.

Doe de uitgelekte pasta meteen in een grote schaal of pan, weg van het vuur. Voeg het eimengsel toe en roer stevig met een draaiende beweging. Voeg beetje bij beetje het warme pastawater toe om een gladde, romige emulsie te creëren. Voeg daarna de krokante guanciale en een eetlepel van het gesmolten vet toe. Roer nogmaals goed door tot alles perfect gemengd is. Dit moment is cruciaal: snel werken, goed roeren en niet laten stollen.

Serveer onmiddellijk, bestrooi elke portie royaal met de overgebleven Pecorino en een extra draai zwarte peper.

Baci di dama: Laat die dameskusjes maar komen!

Dacht je dat België dé koekjeskampioen is? Wel, ook in Italië weten ze hoe je heerlijke koekjes bakt! Ontelbare verschillende varianten kan je er vinden. Net als de Italiaanse keuken, zijn ook de koekjes vaak sterk regionaal en lokaal gebonden. Laten we het dus maar eens hebben over een koekje dat niet alleen heerlijk smaakt, maar ook een onweerstaanbaar charmante naam heeft: Baci di dama. Deze Italiaanse lekkernij, letterlijk vertaald als ‘dameskusjes’, is een ware traktatie die zowel bij de espresso in een chic café als in een knusse keuken perfect tot zijn recht komt.

De oorsprong: een Piemontese schat

Binnen de lange lijst van overheerlijke Piemontese koekjes verdienen de beroemde Baci di dama een ereplaats. Sinds de 19e eeuw hebben ze de smaakpapillen van zoetekauwen verleid en de fantasie geprikkeld van iedereen die zich afvraagt waar die bijzondere naam vandaan komt.

Zoals bij veel patisserieverhalen vermengen geschiedenis en legende zich. De oorsprong van de Baci di dama wordt vaak omhuld door een romantisch en sprookjesachtig aura. En zoals het bij vele Piemontese en Torinese tradities gaat, is ook hier de koninklijke familie Savoia betrokken.

Een populaire legende vertelt dat op een zonnige dag in 1852 koning Vittorio Emanuele II zijn hofkoks vroeg om een nieuw gebakje te bedenken met een unieke smaak en vorm. De koks experimenteerden met bloem, suiker, boter en chocolade en presenteerden de vorst uiteindelijk een nieuw meesterwerk: de Baci di dama. De koning was zo onder de indruk dat het koekje een vaste plek kreeg op de koninklijke tafels, niet alleen in Italië maar ook in de rest van Europa.

In werkelijkheid vindt de herkomst van Baci di dama zijn wortels in Tortona, een gemeente in de provincie Alessandria, Piemonte. De koekjes bestaan uit twee ronde helften, samengebracht door een laagje pure chocolade, wat lijkt op een tedere kus. Dit romantische beeld zou de oorsprong van hun naam verklaren. Een andere theorie suggereert dat de vorm lijkt op de lippen van een jongedame die een kus geeft. En zo kregen deze lekkernijen hun naam.

Oorspronkelijk werd het recept bereid met Piemontese hazelnoten, omdat deze makkelijker verkrijgbaar en goedkoper waren dan amandelen. Pas later introduceerde de bakker Stefano Vercesi in 1810 een variant met amandelen en patenteerde hij de Baci dorati. Deze gouden kusjes werden beroemd nadat ze in 1906 een gouden medaille wonnen op de internationale beurs van Milaan, de hoogste erkenning in de patisserie van die tijd

Vandaag de dag bestaan er talloze varianten van de beroemde Baci Piemontesi. Een van de bekendste is de Baci di Alassio, waarin cacao en honing worden toegevoegd aan het deeg. Dit recept werd zo succesvol dat de bedenker, Pasquale Balzola, het in 1919 officieel liet patenteren. Tot op de dag van vandaag worden deze koekjes volgens zijn oorspronkelijke recept gemaakt en zijn zoon Rinaldo werd zelfs de persoonlijke banketbakker van koning Vittorio Emanuele III.

De naam: een kus van een dame

Waarom noemen ze deze koekjes ‘dameskusjes’? Nou, kijk eens goed: Baci di dama bestaat uit twee kleine ronde koekjes die door een laagje chocolade met elkaar verbonden zijn – net zoals twee lippen die elkaar zachtjes raken. De naam is dus niet toevallig gekozen; de vorm doet denken aan de sierlijke lippen van een dame die een kus uitdeelt. Dat maakt deze koekjes niet alleen overheerlijk, maar ook bijzonder romantisch!

Wat maakt Baci di dama zo speciaal?

Buiten het feit dat deze koekjes een naam hebben die tot de verbeelding spreekt, zit de magie in de eenvoud van de ingrediënten en de perfecte balans tussen knapperigheid en zachtheid. De originele versie werd gemaakt met hazelnoten, maar later kwamen er ook varianten met amandelen. Het boterdeeg zorgt voor een smeuïge structuur, terwijl de chocolade een subtiele bitterheid toevoegt die de zoetheid in toom houdt. Het is dat soort koekje dat je in één hap opeet, om daarna onmiddellijk nog één te nemen. En nog één. En… je snapt het idee.

Het originele recept: zelf maken? Ja graag!

Wil je zelf de magie van Baci di dama ervaren? Hier is een authentiek recept waarmee je deze Italiaanse klassieker in je eigen keuken tot leven brengt.

Ingrediënten (voor ongeveer 20 koekjes):

  • 100 g bloem
  • 100 g hazelnootmeel (of amandelmeel)
  • 100 g suiker
  • 1 ei
  • 70 g koude boter in stukjes
  • 80 g gianduja- of pralinéchocolade
  • 1 snufje zout

Bereiding:

  1. Maak het deeg: Meng de suiker en het hazelnootmeel in een kom. Voeg de bloem, ei, boter en zout toe en roer goed tot een homogeen deeg.
  2. Laat het deeg rusten: Kneed het mengsel tot een ronde vorm, wikkel het in plasticfolie en laat het 30 minuten rusten in de koelkast.
  3. Vorm en bak: Maak van het deeg in kleine balletjes van ongeveer 2,5 cm en leg ze op een met bakpapier beklede bakplaat. Laat ze nog eens 30 minuten rusten in de koelkast.
  4. Bakken: Verwarm de oven voor tot 180°C en bak de balletjes 15-20 minuten in de voorverwarmde oven tot ze mooi goudbruin zijn. Haal de koekjes uit de oven en laat ze rustig maar volledig afkoelen op de bakplaat.
  5. Chocolade magie: Breek de chocolade in fijne stukjes of hak ze fijn en smelt de gianduja- of pralinéchocolade au bain-marie. Eenmaal gesmolten, blijven roeren om het te laten afkoelen en een stevige consistentie te krijgen.
  6. Samenstellen: Smeer een beetje gesmolten chocolade op de platte kant van een koekje en bedek het met een ander koekje. Herhaal dit voor alle koekjes.
  7. Genieten maar! Laat de koekjes opstijven, neem een lekkere espresso en proef de heerlijke Italiaanse finesse.

Conclusie: Baci di dama is niet zomaar een koekje; het is een symbool van Italiaanse elegantie en eenvoud. Een klein moment van luxe dat je met een paar ingrediënten en een beetje liefde gewoon thuis kunt maken. Of je ze nu serveert bij een feestelijke koffie of gewoon als zelfverwennerij: deze ‘dameskusjes’ zijn altijd een voltreffer.

Saltimbocca alla Romana: Simpele klasse die je tong verleidt

We zitten midden in onze gezellige Italiaanse wijnavonden, een zesdaagse opleiding waarin ik je meeneem langs de mooiste wijnregio’s van Italië. Naar goede Italiaanse traditie toveren we na de proeverij de tafel vol met wat antipasti en verzorgen we een kleinigheidje om het knorrende maaggevoel te doen zwijgen. We zijn inmiddels aangekomen bij de regio’s van midden Italië met uitzondering van Toscane, waar we een aparte avond aan zullen spenderen. We verwenden onze gasten met een Saltimbocca alla Romana met een Marsalasausje en wat gnocchi.
Toepasselijk want als er één gerecht is dat de essentie van de keuken van Lazio belichaamt, dan is het wel Saltimbocca alla Romana. Het woord is afgeleid van het Italiaanse werkwoord saltare in bocca, wat letterlijk „in de mond springen” betekent, en dat is precies wat dit gerecht doet. Flinterdun kalfsvlees, bedekt met een plakje prosciutto en een blaadje salie, zachtjes gebakken in boter en een scheutje witte wijn. Eenvoudiger en smaakvoller wordt het niet!

Een hap geschiedenis

Saltimbocca alla Romana heeft, zoals de naam al doet vermoeden, een sterke link met Rome, maar de echte oorsprong van dit gerecht is voer voor culinaire discussie. Sommige historici beweren dat het gerecht eerder uit Noord-Italië komt, meer bepaald uit de streek rond Brescia. Interessant genoeg zijn er oude kookboeken waarin wordt verwezen naar een “Saltimbocca alla Bresciana”, wat wijst op een mogelijke oorsprong daar. Deze variant gebruikte eveneens kalfsvlees en ham, al dan niet met lokale accenten. Ook Zwitserland wordt soms genoemd als mogelijke bakermat, waar men eveneens dol is op kalfsvlees en fijne charcuterie. Toch heeft Rome dit gerecht geadopteerd en gepopulariseerd, en tegenwoordig is het onlosmakelijk verbonden met de Eeuwige Stad.

De eerste geschreven vermelding van saltimbocca vinden we in het kookboek van Pellegrino Artusi, een 19e-eeuwse Italiaanse gastronoom. Hij noteerde een recept dat hij had geproefd in een restaurant in Rome. Het bewijs dat het gerecht toen al stevig verankerd was in de lokale keuken.

Wat maakt Saltimbocca zo speciaal?

Sommige gerechten zijn gecompliceerd en vereisen een diploma in moleculaire gastronomie, maar niet deze. Saltimbocca alla Romana is een schoolvoorbeeld van Italiaanse eenvoud op z’n best. Slechts drie basisingrediënten – kalfsvlees, prosciutto en salie – zorgen voor een harmonie van smaken die verrassend complex aanvoelt. De boter en witte wijn in de pan voegen die extra touch van romigheid en diepte toe, waardoor het gerecht een rijke, fluweelzachte textuur krijgt.

Het geheim zit hem in de juiste balans: het zilte van de prosciutto, het aromatische van de salie en de subtiele, zachte smaak van het kalfsvlees vullen elkaar perfect aan. Een gerecht dat letterlijk smelt op je tong en binnen 10 minuten op tafel staat. Wat wil een mens nog meer?

Varianten op de klassieke Saltimbocca

Hoewel de klassieke versie de bekendste is, leent saltimbocca zich uitstekend voor variaties. Creatieve chefs over de hele wereld hebben het gerecht aangepast aan hun eigen smaak of gelegenheid. Hier zijn enkele ideeën om deze klassieker een verrassende twist te geven:

  • Mini Saltimbocca als aperitief: Snijd het kalfsvlees in kleinere porties en maak mini-versies die perfect zijn als elegante aperitiefhapjes. Ideaal voor feestjes of als onderdeel van een antipasti-plank.
  • Andere vleessoorten: Geen kalfsvlees in huis? Geen probleem. Kippenborst, een kalkoenlapje of varkenshaas zijn prima alternatieven en geven elk een eigen karakter aan het gerecht. Zorg er wel voor dat het vlees dun genoeg is en snel gaart.
  • Involtini-stijl: Rol het vlees op met de prosciutto en salie erin verwerkt, en steek het vast met een prikker. Deze “involtini”-variant is niet alleen visueel aantrekkelijk, maar ook handig om te serveren.
  • Extra smaakmakers: Voeg ingrediënten toe zoals mozzarella voor een romige toets, kappertjes voor een zilt accent, of artisjokken voor een aardse diepgang. Let op: hou het in balans zodat de eenvoud van het originele recept niet verloren gaat.

Het originele recept met mijn eigen touch

Voor het bereiden van de Saltimbocca ga ik graag uit van het meest klassieke recept en probeer ik de puurheid van het gerecht te behouden. Wel voeg ik een Marsala-saus toe, zodat de Saltimbocca licht kan zwemmen in een rijke, aromatische jus.

Ingrediënten (voor 4 personen):

  • 4 dunne kalfslapjes
  • 4 plakjes prosciutto crudo
  • 4 blaadjes verse salie
  • 150 g boter
  • 200 ml droge witte wijn
  • 100 ml Marsala Vergine
  • Peper en zout naar smaak
  • Een paar tandenstokers om alles vast te zetten

Bereiding:

  1. Zorg ervoor dat de kalfslapjes dun genoeg zijn! Zijn ze wat te dik, sla ze dan platter met een deegroller of een zware pan. Leg een stuk plasticfolie over het vlees om hygiënisch en netjes te werken.
  2. Leg een plakje prosciutto op elk kalfslapje en plaats een blaadje salie erop. Zet indien nodig vast met een tandenstoker.
  3. Verhit 50 g boter in een koekenpan op middelhoog vuur en bak de Saltimbocca aan beide kanten goudbruin. Begin met de kant zonder ham (2 minuten) en draai dan om voor slechts 1 minuut op de hamzijde, om taaiheid te voorkomen.
  4. Blus af met de helft van de witte wijn, zet het vuur lager en laat 2-3 minuten sudderen zodat de saus iets indikt.
  5. Haal het vlees uit de pan en houd het warm in een voorverwarmde oven van 80 °C, overgoten met een beetje braadvocht en een klontje boter zodat het niet uitdroogt.
  6. Voeg de Marsala en de resterende witte wijn toe aan de pan, schraap de aanbaksels los en laat inkoken tot de helft. Breng op smaak met peper en zout.
  7. Roer de resterende boter door de saus tot een glad geheel.
  8. Leg de Saltimbocca op een voorverwarmd bord, lepel er wat Marsala-saus over (niet te veel!) en serveer. Lekker met gnocchi als contorno, zoals ik dat ook voor mijn cursisten doe.

Zorg dat er wat brood op tafel staat om die heerlijke saus op te vegen!

Saltimbocca alla Romana is het perfecte voorbeeld van de Italiaanse filosofie: kwaliteit boven kwantiteit. Probeer het zelf en ontdek waarom dit gerecht al eeuwenlang de sterren van de Italiaanse keuken verovert!

Welke wijn serveren we hierbij?

Saltimbocca alla Romana vraagt om een witte wijn die het zilte van de prosciutto, de boterige saus en de aromatische salie mooi in balans houdt. Hier zijn vier witte Italiaanse suggesties die je kan terugvinden op www.wijnkennis.be:

  • Fattoria Zerbina – Bianco di Ceparano (Romagna Albana DOCG)
    Deze wijn, gemaakt van de Albana druif, heeft een licht goudgele kleur en aroma’s van acaciabloesem, perzik, honingmeloen, appel en citrus. De fijne structuur en uitstekende zuurgraad complementeren de rijke smaken van de Saltimbocca zonder deze te overheersen.
  • Fattoria di Petrognano – Mostofiore Trebbiano (Toscane IGT)
    Deze 100% Trebbiano wijn ondergaat fermentatie in inox kuipen en rijpt vervolgens enkele maanden op zijn droesem, wat resulteert in een frisse en toegankelijke wijn. De levendige zuurgraad en subtiele fruitige tonen maken het een uitstekende partner voor de delicate smaken van Saltimbocca.
  • Pfitscher – Sauvignon Blanc Saxum (Alto Adige)
    Een expressieve Sauvignon Blanc. De droge, zuivere smaak en perfecte zuurgraad zorgen voor een harmonieuze pairing met de kruidige nuances van de salie in de Saltimbocca.
  • Col del Mondo – Sunnae Bianco (Abruzzo)
    Een blend van Trebbiano, Pecorino en Passerina die zorgt voor een frisse, licht bloemige wijn met mooie citrusaccenten. De zuiverheid en complexiteit maken hem ideaal bij de boterige en hartige elementen van Saltimbocca.

De smeltende magie van Fricò Friulano

Enkele weken terug zijn we van start gegaan met onze cursus ‘Italiaanse wijnavonden’. Afgelopen woensdag hadden we de derde wijnavond waarbij we het hadden over het noordoosten van Italië. Na afloop van de cursus serveerde ik een typisch Friulaans gerecht: Fricò Friulano. Het doet me steeds met heel veel plezier terugdenken aan ons verblijf ginds bij Russiz Superiore en de allereerste keer dat ik een Fricò geserveerd kreeg. Dit was in het fantastische restaurant La Subida waar Bruce Springsteen de hele avond lang door de boxen galmde… Nostalgie noemen ze dit, dacht ik.

Fricò Friulano is een eenvoudig maar smaakvol gerecht uit de Italiaanse regio Friuli-Venezia Giulia. Het is een goudbruin, knapperig kaaspannenkoekje met aardappelen dat in veel huishoudens en restaurants op tafel komt. Of het nu als voorgerecht, snack of hoofdgerecht wordt geserveerd, Fricò staat voor traditie en puurheid in de keuken. Maar wat maakt dit gerecht zo bijzonder?

Geschiedenis en oorsprong

Fricò heeft diepe wortels in de Friulaanse keuken en gaat eeuwen terug. Oorspronkelijk was het een armengerecht, bedacht door boeren die overgebleven kaasresten combineerden met aardappelen en uien om een voedzame en smakelijke maaltijd te bereiden. Volgens een legende ontving Sint Ermacora, de patroonheilige van Udine, tijdens zijn bezoek aan Carnia een eenvoudige maaltijd van polenta, wei en kaas van arme herders. Om de maaltijd te versterken, verwarmde de herbergier de wei opnieuw, voegde ricotta en kaas toe en creëerde zo een voedzamer gerecht, dat in de loop der eeuwen werd verfijnd.

De naam Fricò, die aanvankelijk werd uitgesproken met een eindaccent voordat het Friulaans verder werd geitalianiseerd, is afgeleid van het Franse ‘fricot’. Dit verwijst naar een gerecht van gekookte groenten, elders ook bekend als ‘fricandò’ of ‘fricassee’. Vandaag de dag bestaan er twee hoofdvarianten van Fricò. De eerste is de dunne en knapperige versie, die uitsluitend uit gebakken kaas bestaat en qua textuur lijkt op een krokant wafeltje. De tweede variant is hoger en zachter, gemaakt met aardappelen en kaas. Om deze zachte versie te bereiden, beginnen sommige koks met rauwe aardappelen, terwijl anderen ze eerst blancheren. De aardappelen worden vervolgens grof geraspt. In een licht ingevette pan – traditioneel met boter – wordt de ui zacht gebakken, waarna de aardappelen worden toegevoegd en langzaam gaar gestoofd totdat ze zacht zijn. Dan wordt Montasio DOP-kaas (of Latteria-kaas) in verschillende rijpingsgraden toegevoegd en goed gemengd. Het gerecht wordt verder gebakken totdat zich een korst vormt, waarna het wordt omgedraaid en de andere kant op dezelfde manier krokant wordt gebakken.

Waarom Montasio en geen andere kaas?

De sleutel tot een authentieke Fricò ligt in de kaaskeuze: Montasio. Deze DOP-kaas wordt uitsluitend geproduceerd in Friuli-Venezia Giulia en enkele aangrenzende gebieden. Montasio heeft een unieke rijping die de smaak en textuur van Fricò bepaalt. Jonge Montasio (fresco) smelt perfect en geeft een zachte, romige structuur, terwijl gerijpte Montasio (stagionato) een intensere, pittigere smaak toevoegt en een heerlijke knapperige korst vormt bij het bakken. Andere kazen missen deze specifieke eigenschappen en zouden het karakter van het gerecht veranderen. Toch kan Fricò ook met andere kazen worden bereid, afhankelijk van de regio en persoonlijke voorkeur. Alternatieve kazen die vaak worden gebruikt zijn Latteria-kaas, Asiago, Piave en zelfs Fontina, die vergelijkbare smelteigenschappen hebben en een eigen twist aan het gerecht geven.

Rode aardappel

Een ander cruciaal ingrediënt voor een geslaagde Fricò zijn de aardappelen. De keuze van de juiste soort maakt een groot verschil in de uiteindelijke textuur van het gerecht. Rode aardappelen, zoals een Roseval, zijn hier de beste optie. Ze bevatten minder zetmeel en hebben een hoger gehalte aan natuurlijke suikers dan andere aardappelsoorten. Dit zorgt ervoor dat de aardappelen tijdens het bakken niet te melig worden, maar juist een licht kleverige en stevige structuur behouden. Deze eigenschappen dragen bij aan de perfecte balans tussen smeuïgheid en krokantheid in Fricò. Een goed gekozen aardappel tilt het gerecht dus van een middelmatig resultaat naar een ware smaaksensatie!

Is Fricò populair en wat maakt het zo speciaal?

Absoluut! Fricò is niet alleen geliefd in Friuli, maar heeft ook internationaal aan bekendheid gewonnen, vooral onder liefhebbers van de authentieke Italiaanse keuken. In Friuli zelf wordt het vaak geserveerd tijdens traditionele feesten en festivals, en het blijft een trots symbool van de lokale gastronomie. Ook chef-koks buiten Italië experimenteren met het gerecht en geven er soms een moderne twist aan, maar de essentie blijft behouden: een eenvoudige, smaakvolle combinatie van kaas en aardappelen.

Wat Fricò zo bijzonder maakt, is de combinatie van knapperigheid en smeuïgheid in elke hap. De Montasio-kaas smelt en karamelliseert, waardoor een smaakvolle en textuurrijke ervaring ontstaat. Bovendien is het een uiterst veelzijdig gerecht: het kan op zichzelf worden gegeten, maar ook worden gecombineerd met polenta, salades of vleesgerechten. Het is een perfect voorbeeld van hoe de Italiaanse keuken met minimale ingrediënten maximale smaak kan bereiken.

Het Originele Fricò Recept (voor 2 personen)

Ingrediënten

  • 225 g Montasio-kaas, geraspt
  • 1 middelgrote aardappel (225 g), geschild en geraspt
  • 1 kleine ui, in dunne plakjes gesneden
  • 2 eetlepels extra vergine olijfolie
  • Zout en versgemalen zwarte peper, naar smaak

Bereidingswijze

  1. Voorbereiding van de groenten:
    Verhit de olijfolie in een koekenpan op middelhoog vuur en voeg de gesneden ui toe. Bak een minuutje en voeg dan de geraspte aardappel toe. Meng de aardappel en ui goed door elkaar en breng op smaak met zout en zwarte peper. Bak dit mengsel al roerend gedurende 5-10 minuten, totdat de aardappelen licht knapperig en goudbruin zijn.
  2. Kaas toevoegen:
    Voeg de geraspte Montasio-kaas toe en meng goed met de aardappelen en ui, zodat de kaas gelijkmatig verdeeld is. Gebruik een spatel om de randen van de pan schoon te maken en vorm het mengsel tot een compacte, pannenkoekachtige schijf die de hele bodem van de pan bedekt.
  3. Frico laten garen:
    Zet het vuur lager en laat de frico ongestoord bakken. De kaas zal smelten en krokant worden, en de onderkant moet mooi bruin en knapperig zijn, wat ongeveer 5 minuten duurt. Schud de pan om de frico los te maken, leg een groot bord op de pan en draai het geheel om zodat de frico op het bord ligt. Schuif hem daarna terug in de pan met de ongekookte kant naar beneden. Bak nog eens 5 minuten tot ook deze kant goudbruin en knapperig is.
  4. Serveren:
    Haal de frico uit de pan en leg hem op een bord. Snijd in 6 punten en serveer direct.

Costoletta alla Milanese: het delicate, gouden culinaire kunstwerkje uit Milaan

Een rasechte Italiaanse klassieker kan je vinden in het culinaire hart van Milaan. Hier schittert een gerecht dat eenvoud en verfijning combineert: Costoletta alla Milanese. Deze traditionele delicatesse, waarbij een kalfslapje wordt gepaneerd en gebakken tot een goudkleurige perfectie, belichaamt de culinaire ziel van Lombardije. Het gerecht, dat zijn oorsprong in de middeleeuwen vindt, blijft een symbool van de rijke Milanese keuken en een bron van discussie met zijn Oostenrijkse neef, de Wiener Schnitzel.

De oorsprong van costoletta alla milanese

De geschiedenis van de Costoletta alla Milanese gaat terug tot de 12e eeuw. In documenten van de basiliek van Sant’Ambrogio wordt gesproken over een gerecht genaamd “lombolos cum panitio” (kalfsvlees met broodkruim). Hoewel de Oostenrijkse keuken vaak claimt dat de Wiener Schnitzel de voorganger van de Milanese versie is, toont de tijdlijn aan dat de Italiaanse variant eerder bestond.

Het onderscheid tussen de twee zit niet alleen in hun oorsprong, maar ook in de bereiding en presentatie. Terwijl de Wiener Schnitzel doorgaans door bloem wordt gehaald in plaats van gepaneerd, wordt de Costoletta alla Milanese juist omhuld in een luchtige laag van eieren en paneermeel. Bovendien wordt de Wiener Schnitzel traditioneel zonder bot bereid, terwijl het bot bij de Costoletta onmisbaar is voor smaak en authenticiteit.

De regels van de perfecte costoletta alla milanese

Het bereiden van een authentieke Costoletta alla Milanese is een kunstvorm die nauwkeurigheid en respect voor traditie vereist. Hier zijn de belangrijkste regels:

  1. Het juiste stuk vlees
    Gebruik uitsluitend kalfsvlees van de ribben, met het bot intact. Het bot is essentieel voor de presentatie en geeft extra smaak aan het vlees tijdens het bakken.
  2. De juiste techniek om het vlees te pletten
    Het vlees moet voorzichtig worden geplet, zodat het een gelijkmatige dikte krijgt van ongeveer 1,5 cm. Dit kun je doen met de handen of een batticarne (vleeshamer). Zorg ervoor dat het vlees niet te dun wordt om de sappigheid te behouden.
  3. De paneerlaag
    De kostbare gouden korst wordt gemaakt van paneermeel, dat stevig tegen het vlees moet worden gedrukt na een bad in losgeklopte eieren. Kruiden in het paneermeel zijn overbodig; de smaak moet puur en verfijnd blijven.
  4. De baktechniek
    Traditioneel wordt Costoletta alla Milanese gebakken in geclarifieerde boter, maar je kunt optioneel enkele blaadjes salie toevoegen aan de pan om het gerecht een subtiele aromatische toets te geven. Belangrijk is om de Costoletta tijdens het bakken regelmatig te arrosseren: schep de gesmolten boter herhaaldelijk over het vlees om de korst gelijkmatig krokant te maken.
  5. De garnituur
    Een authentieke Costoletta alla Milanese wordt geserveerd met een eenvoudige garnering van citroenpartjes en een frisse salade van rucola en tomaten. Sommige versies bevatten gremolata of risotto alla milanese als bijgerecht.

Regionale benamingen en verschillen

In Lombardije kent de Costoletta alla Milanese verschillende namen, afhankelijk van de regio en de culinaire tradities.

  • Costoletta verwijst naar de traditionele versie met bot.
  • Cotoletta wordt gebruikt voor dunner en botloos vlees, vaak een modernere interpretatie.
  • Orecchia di Elefante (olifantsoren) verwijst naar een grotere, plattere variant, die qua grootte bijna het bord bedekt.

Deze benamingen weerspiegelen niet alleen culinaire variaties, maar ook de trots en inventiviteit van de regio.

Recept: authentieke costoletta alla milanese

Ingrediënten (voor 4 personen):

  • 4 kalfskoteletten met bot (elk ongeveer 200 g)
  • 2 eieren
  • 150 g paneermeel
  • 100 g geclarifieerde boter
  • Optioneel: 2-3 blaadjes salie
  • Citroenpartjes
  • Zout naar smaak

Bereidingswijze:

  1. Leg de kalfskoteletten tussen twee vellen bakpapier en plet ze voorzichtig tot een dikte van ongeveer 2 cm. Gebruik hiervoor je handen of een batticarne (vleeshamer).
  2. Klop de eieren los in een kom. Doe het paneermeel in een ondiepe schaal.
  3. Haal de koteletten eerst door het ei en daarna door het paneermeel. Druk het paneermeel stevig aan, zodat het vlees volledig bedekt is.
  4. Verhit de geclarifieerde boter in een grote koekenpan op middelhoog vuur. Voeg, indien gewenst, enkele blaadjes salie toe voor extra smaak.
  5. Bak de koteletten aan beide zijden goudbruin, ongeveer 4-5 minuten per kant. Schep tijdens het bakken regelmatig de gesmolten boter over het vlees (arrosseren) voor een gelijkmatig krokante korst.
  6. Laat de koteletten kort uitlekken op keukenpapier en bestrooi ze licht met zout.
  7. Serveer onmiddellijk, gegarneerd met citroenpartjes en een frisse salade.

De Costoletta alla Milanese blijft een culinair icoon dat de rijke traditie van de Milanese keuken viert. Proef de geschiedenis, en geniet van een gerecht dat eenvoud tot kunst verheft. Buon appetito!