Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio

Met de situering van Marche trappen we onze nieuwe zondagse reeks officieel op gang. Beetje bij beetje pellen we deze regio verder af en duiken we dieper in een werkelijk fascinerend stuk Italië. Hoewel het ondertussen al enige tijd geleden is dat we zelf op ontdekkingstocht trokken door Marche, staan de beelden me nog scherp voor de geest. Het was een instant crush, die intussen is uitgegroeid tot een diepe genegenheid voor deze minder toeristische, maar ronduit bloedmooie regio.

En waar het hart van vol is, daar komen vroeg of laat vragen van. Zo wilden goede vrienden van ons weten wat ze absoluut moeten bezoeken wanneer ze hun jaarlijkse vakantie in Marche doorbrengen. Vermits ik beter schrijf dan spreek, kom ik op deze wijze graag tegemoet aan hun verzoek.

Sommige regio’s in Italië zijn zo bekend dat je er nauwelijks nog iets over hoeft te zeggen. Marche hoort daar niet bij. Gelukkig maar. Wie hierheen reist, krijgt niet het gevoel in een decor terecht te komen dat al eindeloos is opgevoerd. Marche voelt echt. Menselijk ook. Eens je er bent, kom je ogen tekort, proef je gulzig van al het goede dat de regio te bieden heeft, rijd je van de ene bestemming naar de andere, trek je de natuur in en neem je af en toe bewust de tijd om alles rustig te laten bezinken.

Maak je dus klaar voor veel Marche. Tegen het einde van deze reeks heb je wellicht al een vliegticket geboekt en een verblijf vastgelegd. Gewoon, omdat je het met eigen ogen wilt zien. Marche: een parel tussen de Adriatische kust en de Apennijnen.

Eerst even de kaart erbij

We openen met saaie geografische kost. Marche ligt aan de oostkant van Midden Italië, aan de Adriatische Zee. Ten noorden grenst de regio aan Emilia Romagna en San Marino. Ten westen liggen Toscane en Umbrië. In het zuiden sluiten Lazio en Abruzzo aan. Op de kaart oogt Marche misschien niet als de grootste regio van Italië, maar ze heeft wel een indrukwekkende rijkdom aan landschappen. Dat heeft alles te maken met haar langgerekte vorm tussen zee en bergketen. De Adriatische kust tekent de oostelijke grens. De Apennijnen vormen in het westen een stevige ruggengraat. Daartussen ligt een golvend heuvelland dat traag reizen als de normaalste zaak van de wereld beschouwt. Na enige tijd pas je je vanzelf aan dat ritme aan en lijkt de ratrace van bij ons plots heel ver weg.

Vanuit België heb je in de praktijk twee logische opties om naar Marche te reizen: met de wagen of met het vliegtuig. Die keuze is vooral persoonlijk en hangt af van het soort reis dat je wilt maken. Wij kozen voor het vliegtuig. Hoewel Ancona wel degelijk een luchthaven heeft, bleek die voor ons niet de meest evidente optie. Bologna werd uiteindelijk ons aankomstpunt, en dat was allerminst een slechte keuze. Daar huurden we een wagen, die tijdens onze veertiendaagse ontdekkingsreis een onmisbare compagnon werd.

Vanuit Bologna reden we richting Rimini en vervolgens de snelweg op die langs de Adriatische kust loopt, helemaal zuidwaarts, tot diep in Puglia. Aanvankelijk zijn dat brede, vlot berijdbare wegen. Hoe verder je zuidwaarts trekt, hoe minder ruim alles aanvoelt. De snelweg wordt smaller, het traject bochtiger en het comfort wat minder vanzelfsprekend. Echt onveilig wordt het gelukkig nooit. Zelf moesten we niet zo ver doorrijden, want vlak voor Ancona gaf onze gps aan dat we de snelweg moesten verlaten.

Voor wie wil rondtrekken, blijft een wagen ter plaatse echt wel onmisbaar. Op de kaart lijken veel afstanden best mee te vallen, maar in werkelijkheid ben je vaak langer onderweg dan je zou denken. Voor heel wat verplaatsingen rij je eerst richting de snelweg langs de Adriatische kust, om daarna opnieuw landinwaarts te trekken.

Federico II, Stupor Mundi

Wat doet de geschiedenis van Marche ter zake, zal je je misschien wel afvragen. Dit heeft toch weinig te maken met wat er vandaag te bezoeken valt in de regio. Toch wel. Zoals in haast elke Italiaanse regio is het verleden ook hier een blijvend hangijzer. Marche vormt daarop geen uitzondering. Zeker niet wanneer we later ook nog wat dieper in de wijnen willen duiken.

De aanwezigheid van de Picenen, de Romeinen en de ontwikkeling van handelsroutes hebben allemaal hun belang gehad, maar voor ons verhaal moeten we vrij snel richting middeleeuwen kijken. Daar begint Marche zich echt te tonen als een gebied met sterke steden, lokale machtscentra en een ingewikkeld kluwen van pauselijke, keizerlijke en regionale invloeden. Precies in die context duikt Federico II op, een van de meest fascinerende figuren uit de middeleeuwse Europese geschiedenis, geboren in 1194 in Jesi. Jawel, Jesi, het hart van de Verdicchio.

Dat we net hem hier extra in de verf zetten, is geen toeval. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Sicilië combineerde Federico II politieke macht met een opvallende intellectuele nieuwsgierigheid. Hij hield zich bezig met recht, wetenschap, talen, filosofie en natuurstudie. Die zeldzame combinatie bezorgde hem de bijnaam Stupor Mundi, verwondering van de wereld. Laat ons zeggen dat de man zijn tijd op veel vlakken vooruit was en in heel Italië zijn sporen heeft nagelaten. Als valkenier trok hij er geregeld op uit, en volgens de overlevering zou ook Montefalco in het naburige Umbrië zijn naam aan die passie te danken hebben. Of dat historisch tot op de letter waterdicht is, laten we hier even in het midden.

Helemaal tastbaar wordt Federico II in het noorden van Puglia, bij Castel del Monte. Dat kasteel, hoog op een heuvel bij Andria gelegen en uitkijkend over het landschap richting Adriatische kust, is een van de meest markante bouwwerken die met zijn naam verbonden zijn. De strakke, achthoekige vorm was voor die tijd bijzonder vernieuwend. Vandaag is het een van de meest bezochte plaatsen van Puglia en nog altijd een indrukwekkende herinnering aan de visionaire kant van Federico II.

De eenmaking van Italië werd pas in 1861 werkelijkheid, met Victor Emmanuel II, Cavour en Garibaldi als de grote namen. Naar persoonlijke interpretatie en met enige zin voor overdrijving zou je kunnen stellen dat Federico II al veel eerder een soort voorgevoel belichaamde van wat Italië ooit zou kunnen worden. Als keizer van het Heilige Roomse Rijk en als koning van Sicilië had hij macht over een enorm gebied en stond hij dichter bij een politieke samenhang op het Italiaanse schiereiland dan veel anderen voor hem. Dat is uiteraard geen letterlijke voorafname op het latere Italië, maar het zegt wel iets over de reikwijdte van zijn ambitie en zijn historische gewicht.

En hier raken we stilaan ook aan de band tussen Federico II en de wijn van Marche. De verwijzing naar de Castelli di Jesi roept niet alleen een geografische zone op, maar ook een historisch verhaal. Die castelli, de versterkte nederzettingen rond Jesi, zouden onder zijn invloed, of minstens binnen die bredere keizerlijke context, mee zijn uitgegroeid als bescherming van de stad en haar territorium. Vandaag zijn die plaatsen nog altijd zichtbaar aanwezig in het landschap.

Ancona, de hoofdstad van Marche

Ancona is de hoofdstad van Marche, en veel reizigers beschouwen de stad vooral als toegangspoort, als plek van aankomst of vertrek. Dat is begrijpelijk, want Ancona is een havenstad en speelt logistiek een belangrijke rol.

De stad ligt prachtig aan de Adriatische kust en heeft van oudsher een sterke band met de zee. Dat voel je nog altijd. Ancona kijkt niet alleen landinwaarts naar de regio, maar ook over het water naar de bredere wereld. Die maritieme gerichtheid gaf haar doorheen de geschiedenis een heel eigen karakter. Ze was een handelsstad, een strategisch punt en een plek waar invloeden samenkwamen. Daardoor heeft Ancona een ander profiel dan veel charmante binnenlandse steden van Marche. Ze is levendiger en voelt mondialer aan.

Ancona is zeker de moeite om te bezoeken, maar het is wellicht niet de stad die het langst nazindert na een verblijf in Marche. Dat neemt niet weg dat ze cultureel wel degelijk haar waarde heeft. Voor reizigers die net dat culturele willen opzoeken, is Ancona zeker een bezoek waard. Tijdens onze reis bleef de stad zelf uiteindelijk eerder een voetnoot.

De omgeving van Jesi als ideale uitvalsbasis

Op de Verdicchio wijngebieden rond Jesi en Matelica komen we in het slotartikel van deze reeks, naar aanleiding van onze masterclass, uitgebreid terug. Hier willen we het vooral hebben over de omgeving van Jesi, die voor ons tijdens deze reis een ideale uitvalsbasis bleek om Marche te verkennen.

De zone rond Jesi ligt centraal in Marche, op een half uurtje rijden van Ancona en de kust. Het is dus een bijzonder geschikte uitvalsbasis om zowel de noordelijke als de zuidelijke Marche te verkennen. Je zit er bovendien in een aantrekkelijk heuvellandschap met wijngaarden, charmante dorpjes en, voor de sportievelingen, een sterke aanwezigheid van strade bianche. Dat betekent dat je hier gemakkelijk dagen kunt afwisselen tussen wijndomeinen, stadsbezoek, lunches in het binnenland en uitstappen naar zee. Dat soort evenwicht maakt reizen gewoon aangenaam.

Wij verbleven tijdens onze reis in San Marcello en kozen, zoals we bijna altijd doen, voor een rustig wine resort. Filodivino is veel meer dan zomaar een verblijfplaats. Je vindt er rust, er is slechts een beperkt aantal kamers en dat is voor ons ideaal. Tijdens onze vakantie zijn we niet meteen op zoek naar sociaal contact. Je vindt er alle luxe en comfort, met een vriendelijke gastheer en gastvrouw. Je verblijft er midden in een wine resort, wat betekent dat de wijn, Verdicchio in dit geval, altijd aanwezig is. Voor ons was het de perfecte plek om de dag af te sluiten met een spannend boek en een lekker glas wijn, gewoon met zicht op de weidse wijngaarden terwijl de zon stilaan onderging.

Uitkijken naar wat komen gaat

Met deze eerste situering hebben we Marche eigenlijk nog maar amper aangeraakt. De regio ligt nu op tafel, de grote lijnen zijn uitgezet, maar het echte werk moet nog beginnen. In het verdere verloop van de reeks gaan we op zoek naar de vele gezichten, de vele mooie hoeken, de verrassende diversiteit op wijngebied en veel te veel plekken waar je net iets langer wilt blijven hangen dan je vooraf had gepland.

Voor onze vrienden is hiermee hopelijk een eerste aanzet gegeven. Voor ons, en vooral voor mezelf, is dit een terugblik op onze beleving ginds. Eentje die nog altijd helder voor de geest staat en die me tijdens het schrijven constant een smile bezorgde. Memories like they were only from yesterday!

Marche op zondag – Op ontdekking met de levensgenieter

De komende weken duiken we op zondag de Marche in. De aanleiding voor deze nieuwe zondagse reeks kwam van goede vrienden van ons. “Wim, wij trekken komende zomer naar de Marche”, kreeg ik te horen. “Jij gaat ons toch wel kunnen zeggen wat we daar absoluut moeten zien en doen?”

Dat zette meteen iets in gang. Marche is namelijk zo’n boeiende, aangename en mooie regio dat ze, eens je er geweest bent, onder je huid kruipt. Geen seconde hebben we ons er verveeld. Van noord tot zuid trokken we er elke dag op uit, telkens op zoek naar een ander stukje Marche dat ons wist te verrassen.

Mijn antwoord kon dus moeilijk anders luiden: ik ga die tips niet alleen aan jullie vertellen, ik ga ze uitschrijven in een blogreeks.

Zo kunnen ook jullie mee genieten van alles wat Marche te bieden heeft. En misschien begint het dan ook bij jullie te kriebelen om er zelf vakantie te plannen.

🍇 Wat mag je verwachten?

  1. Marche: tussen Adriatische kust, Apennijnen en Verdicchio
    We openen met de regio zelf: waar ligt Marche precies, hoe geraak je er, welke grote lijnen uit de geschiedenis zijn relevant, en waarom is Verdicchio de ideale eerste sleutel om dit verhaal te beginnen?
  2. Offida DOCG: zuidelijke Marche in het glas
    In het zuiden van Marche ontdekken we een nog te weinig bekende DOCG die perfect weergeeft hoe veelzijdig deze regio eigenlijk is. Offida toont zich hier niet alleen met expressieve witte wijnen van Pecorino en Passerina, maar ook met een stevige rode zijde waarin Montepulciano bepalend is.
  3. Monte Conero: waar natuur, zee en rode wijn elkaar vinden
    Rond de Monte Conero toont Marche zich van een van zijn meest markante kanten. Het Parco Naturale del Conero zorgt voor een spectaculair decor, Conero DOCG voor karaktervolle rode wijn, en de mosciolo di Portonovo verbindt het geheel met de zilte keuken van de kust.
  4. De kust van Marche: zee, sfeer en stadjes met karakter
    Wie Marche alleen met heuvels en wijn associeert, mist een belangrijk deel van het verhaal. Langs de Adriatische kust liggen badplaatsen, vissersstadjes en elegante zeepromenades die de regio een heel eigen dynamiek en uitstraling geven.
  5. Hidden gems van Marche, deel 1
    We kiezen niet voor de meest voor de hand liggende plekken, maar voor plaatsjes die je onverwacht raken: charmant, authentiek en veelzeggend voor het karakter van de regio.
  6. Hidden gems van Marche, deel 2
    We verlaten de meer voor de hand liggende routes en trekken dieper het binnenland in, naar dorpen, kleine steden en de Monti Sibillini, waar Marche zich van een ruigere, stillere en minstens even boeiende kant laat zien.
  7. Marche aan tafel: van brodetto tot vincisgrassi
    Hoewel de keuken van Marche minder naam heeft dan die van sommige andere Italiaanse regio’s, is ze bijzonder boeiend. Ze is vaak sober van uitstraling, maar rijk aan smaak, stevig verankerd in het landschap en vol gerechten die meer indruk maken dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.
  8. De rode veelzijdigheid van Marche
    Marche wordt vaak in de eerste plaats met witte wijn geassocieerd, maar daarmee is lang niet alles gezegd. Rosso Piceno, Lacrima di Morro d’Alba en Vernaccia di Serrapetrona tonen samen hoe veelzijdig, eigenzinnig en boeiend de rode kant van deze regio eigenlijk is.
  9. Bonus – Masterclass Marche
    We sluiten af met een van de boeiendste proeverijen die ik de voorbije tijd deed. We plaatsen Castelli di Jesi Verdicchio, in Superiore en Riserva, naast Verdicchio di Matelica, in de gewone versie en in Riserva, en gaan op zoek naar de subtiele verschillen tussen deze wijnen.

In deze reeks houden we het bewust ruimer en beperken we ons niet tot wijn en gastronomie alleen. Tegen het einde ligt er zo een alternatieve minireisgids door Marche op tafel. Kerken, musea en andere klassieke cultuurstops laten we doelbewust buiten beeld. Daarvoor bestaan al genoeg klassieke reisgidsen. Wij trekken vanaf volgende zondag op ontdekking vanuit het perspectief van de levensgenieter. Soms leidt het glas. Soms het bord. Soms het landschap. Meestal vloeit alles mooi in elkaar over, zoals dat in Italië wel vaker gebeurt.

Bonus: Masterclass Lambrusco

Na artikelen over herkomst, druivenrassen, stijlen, productie en gastronomie bleef er nog één logische slotstap over: Lambrusco opnieuw in het glas brengen. Want hoe volledig een reeks op papier ook kan zijn, uiteindelijk toont deze wijn zijn ware gezicht pas wanneer je hem proeft. Het opzet van deze masterclass was dan ook om Lambrusco in al zijn diversiteit te laten proeven, vertrekkend vanuit zijn meest voorkomende verschijningsvorm: de zoete amabile. Dat is immers nog altijd het beeld dat veel proevers van deze wijn hebben.

Van daaruit bouwde ik verder, met telkens minder restsuiker, om uiteindelijk te eindigen bij beendroge Lambrusco. Zo kregen onze proevers een helder beeld van de richting die Lambrusco vandaag uitgaat en van wat wij graag omschrijven als de moderne Lambrusco.

Tien flessen werden geopend: van amabile tot secco, van frizzante tot spumante, en van metodo Martinotti over metodo ancestrale tot metodo classico, zelfs tot brut nature. Ze stonden allemaal klaar voor een avond die moest aantonen wat we in deze reeks meermaals hebben benadrukt: Lambrusco mag je nooit vereenzelvigen met een eenheidsworst. Dat zeggen is één ding, het ook bewijzen is iets anders.

Voor een bescheiden bijdrage gingen we op zoek naar proevers. Met succes, want wat aanvankelijk als één enkele masterclass was voorzien, groeide al snel uit tot een tweede, eveneens volgeboekte avond. Zelfs dan moesten we nog verschillende geïnteresseerden teleurstellen.

Bij de aanvang stelde ik de deelnemers één eenvoudige vraag: wie lust er graag Lambrusco? Slechts één hand ging de lucht in. Na afloop volgde een tweede vraag: is uw mening over Lambrusco door deze masterclass gewijzigd? Toen gingen alle handen omhoog. Mission accomplished.

De proefnotities:

  1. Cleto Chiarli Centenario – Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    100% Lambrusco Grasparossa, vino frizzante amabile, gemaakt volgens de metodo Martinotti en met een restsuikergehalte van om en bij de 50 g/l. Het alcoholpercentage bedraagt 8%.
    De wijn oogt intens karmijnrood, met een levendige mousse die aanvankelijk royaal aanwezig is maar vrij snel terugvalt. In de neus staat het fruit duidelijk centraal, met rijpe rode bessen, kersen en een lichte toets van rood snoepgoed. Het is een wijn die zich meteen herkenbaar en gul toont.
    In de mond zet die stijl zich door met een duidelijk zoet, wat snoeperig karakter. De aanwezige restsuiker geeft de wijn een zachte, ronde aanzet en duwt hem nadrukkelijk in de richting van toegankelijk, eenvoudig drinkplezier. Ook hier domineert het fruit, met vooral rijpe kers, wat braam en een subtiele florale zweem. De zeer minieme pareling houdt de wijn nog enigszins in beweging, al mist hij vooral diepte en lengte. Het geheel blijft vooral trouw aan het profiel van een amabile Lambrusco zoals veel proevers die historisch hebben leren kennen: fruitig, mild en onmiskenbaar zacht van stijl.
  2. Cleto Chiarli Vigneto Cialdini 2024 – Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC
    Vigneto Cialdini is een referentiewijn als het op niet te zoete, oldschool Lambrusco aankomt. Het is een 100% Lambrusco Grasparossa, vino frizzante secco, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn klokt af op 11% alcohol en bevat 12,5 g/l restsuiker.
    Diep donkerrood van kleur, met duidelijke paarse tot violetkleurige reflecties. De mousse is fijner en overtuigender dan bij de eerdere amabile, met meer présence en een beter aansluitend frizzante karakter. In de neus is de wijn rijp van karakter, met aroma’s van braam, zwarte kers en ander donkerrood fruit, aangevuld met een florale toets en een lichte kruidigheid. Het geheel ruikt voller, compacter en duidelijk minder snoeperig.
    In de mond bevestigt hij dat profiel. Hoewel technisch als secco gepositioneerd, blijft er voldoende ronding aanwezig om de wijn zacht te houden, met alsnog een lichtzoete indruk. De aanwezigheid van tannine is duidelijk merkbaar, al kan je die bezwaarlijk stevig noemen. Het fruit staat centraal, met braam en rijpe kers op kop. De wijn bezit een correct evenwicht en heeft voldoende body en lengte, zonder zijn spontane drinkbaarheid te verliezen.
  3. Cantine Lombardini Il Signor Campanone – Lambrusco Reggiano DOC
    Il Signor Campanone is een vino spumante brut op basis van 80% Lambrusco Salamino en 20% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn behaalt 11% alcohol en bevat om en bij de 9 g/l restsuiker.
    Diep robijnrood, met violette schakeringen en een verzorgde mousse. De neus is expressief en vrij verfijnd, met donkere kersen, rijpe pruimen en een kruidige toets die doet denken aan vers gekraakte zwarte peper. Daar doorheen loopt ook iets licht floraals en een subtiele groenige frisheid.
    In de mond combineert hij sappig donker fruit met een licht drogere en ietwat strakkere lijn. De aanzet is vlot en soepel. De zuren houden het geheel levendig en geven de wijn vaart, terwijl een zachte toets van tannine voor wat grip zorgt. In de afdronk duikt nog een licht umami karakter op, wat de wijn net wat interessanter maakt. De spumante stijl geeft de wijn, in vergelijking met frizzante, meer presence en meer profiel. Dat zorgt voor extra karakter en voldoende spanning om te blijven boeien.
  4. Cantina Zucchi Marascone 2024 – Lambrusco di Modena DOC
    Marascone is een vino spumante rosso brut van 100% Lambrusco Salamino, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat 8 g/l restsuiker. Diep robijnrood, met heldere en levendige schakeringen. De mousse oogt verzorgd. De neus is rijk en behoorlijk complex, met donker bosfruit, braambes en aalbes, aangevuld met zure kers en een frisgroene toets die doet denken aan varens en een vleugje bosgrond. In de mond toont hij zich droog, kernachtig en mooi in balans. Donker bessenfruit en zure kers vormen de kern, met daaronder een frisse zurenstructuur die het geheel draagt. De textuur blijft rond genoeg om de wijn toegankelijk te houden, maar de fijne tannine en het subtiel pittige accent geven hem net wat meer reliëf. De afdronk is opvallend strak en verfrissend, wat mooi contrasteert met de vrij stevige body van de wijn. Dit is een Lambrusco met uitgesproken karakter.
  5. Cantina della Volta Rimosso 2023 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Rimosso is een vino frizzante secco van 100% Lambrusco Sorbara. Het is de eerste wijn die we proeven die gemaakt is volgens de metodo ancestrale. De wijn heeft 11,5% alcohol en bevat 11,5 g/l restsuiker. Door het ontbreken van filtratie blijft een lichte gistroebelheid aanwezig in de fles. Kersenrood, met beperkte violette reflecties. Niet helder door het bezinksel van de gisten. De neus is opvallend expressief en direct, met wilde aardbei, rode bes en een zeer frisse, haast uitbundige fruittoets. Daaronder zit ook, bijna onvermijdelijk, een lichte gisttoets, maar zonder dat dit het fruit wegdrukt. In de mond is hij energiek en een beetje nerveus, met veel framboos en een toets rabarber. Ondanks het iets hogere restsuikergehalte blijven de zuren nadrukkelijk aanwezig. Het geheel is speels, maar bezit tegelijk voldoende karakter om overeind te blijven. Dit is een Sorbara met veel fraîcheur, veel profiel en een levendig karakter. Meteen ook een compleet andere stijl dan de voorgaande wijnen.
  6. Silvia Zucchi In Purezza 2024 – Lambrusco di Sorbara DOC
    In Purezza is een vino spumante brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo Martinotti. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat 5,5 g/l restsuiker. Vanaf hier gaan we nadrukkelijk de drogere kant van Lambrusco op.
    Helder licht robijnrood, met levendige reflecties en een fijne, aanhoudende mousse. De neus is strak en zuiver, met rode kers, aardbei, framboos en een florale toets die aan viooltjes doet denken.
    In de mond is hij droog, fris en dynamisch, met een mooie spanning tussen het rode fruit en de levendige zuren. Kers, aardbei en framboos keren terug, ondersteund door subtiele tannine die de wijn net voldoende houvast geeft. De bubbel is duidelijk aanwezig, sluit goed aan bij het rankere profiel van de wijn en versterkt zijn fruitige karakter. De afdronk is hartig, pittig en voldoende lang. Dit is een zuivere en geslaagde interpretatie van Sorbara.
  7. Silvia Zucchi Infondo 2021 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Met Infondo gaan we helemaal de alternatieve weg op. Het is een vino spumante extra brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo ancestrale. De wijn bezit 11,5% alcohol en bevat amper 0,5 g/l restsuiker. Bescheiden robijnrood, met paarse schakeringen en een troebele aanblik door het aanwezige depot. De neus is fijn maar uitgesproken, met florale tonen, wilde aardbei, framboos en een lichte gisttoets die doet denken aan broodkorst en brioche. In de mond is hij strak, droog en zeer energiek. Het rode fruit blijft aanwezig, maar krijgt hier duidelijk gezelschap van frisse zuren, gistnuances en een aangename hartige ondertoon. De bubbel is levendig zonder grof te worden en past mooi bij het ranke, ietwat nerveuze profiel van de wijn. Body en zuren houden elkaar knap in evenwicht, terwijl de afdronk lang en harmonieus doorloopt. Dit is een Lambrusco voor liefhebbers van col fondo wijnen, spannend, fris en heerlijk ongepolijst.
  8. Umberto Cavicchioli Rosé del Cristo 2020 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Dit is een verhaal met een hoofdletter. Cavicchioli zette al bij de oogst van 1987 een primeur neer door het cru concept toe te passen. Ze lanceerden toen met de iconische Vigna del Cristo de eerste Lambrusco di Sorbara DOC, een wijn die de wereld liet zien wat dit druivenras waard is. Even later volgde ook deze Rosé del Cristo: een vino spumante brut van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12% alcohol en bevat 7 g/l restsuiker.
    Hiermee zitten we intussen in een nieuwe categorie van Lambrusco wijnen, namelijk de wijnen met een tweede gisting op fles en dus een lange periode van kelderrust: 24 tot 30 maanden voor deze Lambrusco.
    Helder, met opvallend genoeg een zo goed als witte kleur. Het is goed zoeken naar de lichtroze schakering. Fijne, verzorgde mousse. De neus is delicaat maar heel uitnodigend, met rozenbottel, oranjebloesem, aardbei, framboos en citruszeste. In de mond is hij fris, met een zeer mooie structuur. Het rode fruit blijft aanwezig, maar wordt hier meer gedragen door finesse en een duidelijke minerale ondertoon. De bubbel is fijn geïntegreerd en sluit perfect aan bij het ranke, zuivere profiel. De afdronk is lang, zuiver en licht ziltig. Dit is een Lambrusco van grote klasse, compleet afwijkend van het klassieke beeld, en een wijn die je waarschijnlijk zelden spontaan als Lambrusco zou herkennen.
  9. Paltrinieri Grosso 2021 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Met de Grosso van Paltrinieri gaan we helemaal de droge kant uit. Het is een vino spumante dosaggio zero van 100% Lambrusco di Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12% alcohol en bevat 0,5 g/l restsuiker. Hij rijpt 24 maanden op de lies, gevolgd door nog eens 6 maanden flesrijping.
    Heel bleek van kleur, met een lichte oranje (je bestempelt dit nooit als een rosso) schijn en een fijne, aanhoudende mousse. De neus is verleidelijk en verfijnd, met perziksorbet, citrusolie, nectarine en wilde aardbei, aangevuld met een stenige, licht rokerige mineraliteit. Alles ruikt rank en zeer zuiver, met een aanstekelijk bouquet.
    In de mond glijdt hij opvallend soepel binnen, maar meteen volgen de zuren en de strakheid. Rijp boomgaardfruit, rode bes en een duidelijke ziltige mineraliteit vormen de kern, terwijl in de achtergrond ook iets van groene appel en een lichte amandeltoets opduikt. De wijn is strak, verticaal en bijzonder zuiver, met een frisse citrus finale die lang blijft nazinderen. Dit is een Sorbara van grote klasse: verfijnd, energiek en messcherp in zijn stijl.
  10. Cantina della Volta Rosé 2018 – Lambrusco di Sorbara DOC
    Ondanks het iets hogere restsuikergehalte van 5,5 g/l dan bij de vorige wijn, kreeg deze Lambrusco bewust de slotpositie. Het is een vino spumante brut van 100% Lambrusco Sorbara, gemaakt volgens de metodo classico. De wijn bezit 12,5% alcohol. Met het oogstjaar 2018 wilde ik ook aantonen dat Lambrusco wel degelijk rijpingspotentieel kan hebben. De rijpingsperiode sur lattes bedraagt hier zelfs 60 maanden.
    Zacht lichtroze van kleur, met een fijne mousse en een aanhoudende, ragfijne pareling. De neus is rijk en verfijnd, met framboos, bosaardbei, witte aardbei, roos, wilde bloemen en een toets granaatappel, aangevuld met wat citrus en een lichte kruidigheid. Alles ruikt bijzonder aangenaam, complex zelfs, maar vooral heel uitnodigend.
    In de mond komt hij verfijnd en ziltig over, met een mooie spanning tussen rijp rood fruit, frisse zuren en een subtiel bittertje. Framboos, wilde aardbei, granaatappel en wat roze pompelmoes keren terug, terwijl ook iets van blanke amandel voor extra diepte zorgt. De bubbel is zijdezacht geïntegreerd en ondersteunt een wijn die tegelijk rank en intens overkomt. De afdronk is lang, droog, verfijnd en bijzonder watertandend. Dit is een uitzonderlijke Lambrusco, een gerijpte Sorbara die toont hoe serieus en veelzijdig deze wijnstijl kan zijn. Een meer dan waardige afsluiter van een uiterst boeiende degustatie.

Lambrusco aan tafel: een verrassend sterke gastronomische partner

Tijdens ons bezoek aan de regio hielden we halt in Modena, overigens een bijzonder aangename stad. We namen plaats bij Enoteca al Duomo en zagen hoe heel wat gasten er genoten van een schotel met lokale specialiteiten, vrijwel altijd begeleid door een glas Lambrusco. Uiteraard volgden ook wij dat voorbeeld. Er kwam een fles Lambrusco volgens de Metodo Classico op tafel, een meer verfijndere en gastronomische stijl, samen met culatello, mortadella, Parmigiano Reggiano en andere lokale lekkernijen. Ter plaatse konden we alleen maar vaststellen dat de reputatie van Lambrusco als gastronomische wijn allerminst overdreven is.

Maar Lambrusco is veel meer dan een wijn voor het aperitief. Aan tafel toont hij misschien wel zijn grootste kwaliteit: hij past zich moeiteloos aan uiteenlopende gerechten aan. Dat heeft alles te maken met zijn frisse zuren, zijn sprankelende karakter, zijn sappige fruit en, afhankelijk van de stijl, ook met voldoende structuur en tannine.

Net daarin schuilt zijn gastronomische waarde. Lambrusco kan vet counteren, zout opvangen, rijke bereidingen verlichten en hartige smaken extra reliëf geven. Van charcuterie en gevulde pasta tot bolliti, cotechino, Parmigiano Reggiano en zelfs sommige visgerechten: weinig wijnen bewegen zich zo vlot doorheen een maaltijd als Lambrusco.

Waarom Lambrusco zo goed werkt aan tafel

De vraag is niet alleen waarom Lambrusco gastronomisch inzetbaar is, maar vooral waarom hij dat in de praktijk zo overtuigend waarmaakt. De verklaring ligt in de manier waarop zuren, koolzuur, fruit en, in sommige stijlen, ook tannine en structuur reageren op textuur, vet, zout en hartigheid in gerechten.

De frisse zuren vormen daarbij een eerste belangrijke sleutel. Die zuren lossen vet niet letterlijk op, maar ze stimuleren wel de speekselproductie. Daardoor wordt de vettige film die rijke gerechten op tong en gehemelte achterlaten sneller losgemaakt en weggespoeld. Het effect merk je meteen: zulke bereidingen voelen minder zwaar aan en de mond blijft frisser, waardoor de combinatie langer aangenaam blijft.

Ook het koolzuur speelt daarin een belangrijke rol. Het versterkt het verfrissende effect van de zuren en maakt dat romige, zoute of vettige texturen minder log overkomen. Precies daardoor werkt Lambrusco zo overtuigend bij rijke en hartige bereidingen. De wijn houdt de mond fris zonder het gerecht uit balans te trekken.

Daarnaast is er het fruit. Het sappige, directe karakter van Lambrusco verzacht de impact van zout en voorkomt dat de combinatie streng of hoekig wordt. Zout vraagt vaak om een wijn met voldoende souplesse en een sappig, open smaakprofiel. Lambrusco heeft dat doorgaans van nature, zeker in goed gemaakte, droge stijlen. Dat verklaart mee waarom hij zich zo gemakkelijk voegt naar hartige gerechten met vleeswaren, kaas of gevulde pasta.

Bij krachtigere versies komt daar nog een extra dimensie bij. Meer structuur en wat meer tannine geven de wijn extra grip, waardoor hij ook bij rijkere vleesgerechten of vollere bereidingen overeind blijft. Zo behoudt Lambrusco zijn verfrissende karakter, maar heeft hij tegelijk voldoende inhoud om niet weg te vallen naast gerechten met meer gewicht.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Lambrusco in deze context vaak meer doet dan pakweg een Soave Classico of zelfs een Trento DOC. Ook die wijnen kunnen frisse zuren hebben, en in het geval van Trento DOC uiteraard ook koolzuur. Lambrusco brengt daar echter vaak nog sappig rood fruit, meer diepte in het smaakbeeld en soms ook een lichte grip van tannine bovenop. Daardoor verfrist hij niet alleen, maar sluit hij ook natuurlijker aan bij deze smaakwereld.

Precies die combinatie maakt Lambrusco zo interessant aan tafel. Hij brengt frisheid en dynamiek, maar tegelijk ook souplesse en grip. Daardoor kan hij vet opvangen, zout in balans brengen, rijke gerechten lichter doen aanvoelen en hartige smaken extra reliëf geven.

Een belangrijke nuance is wel dat niet elke Lambrusco die gastronomische rol op exact dezelfde manier speelt. De beschreven logica geldt in grote lijnen voor de categorie als geheel, maar aan tafel zijn het vooral de droge stijlen die het breedst inzetbaar zijn. Halfdroge en zoetere versies kunnen zeker ook werken, alleen verschuift hun natuurlijke terrein dan sneller richting aperitief, licht kruidige gerechten of dessert. Ook binnen de droge stijlen blijft het verschil groot: een slanke Sorbara gedraagt zich anders aan tafel dan een krachtigere Grasparossa.

Bij het aperitief: slank en opwekkend

Als aperitief komt Lambrusco het best tot zijn recht wanneer hij droog, fris en energiek blijft. De lichtere stijlen voelen hier het meest vanzelfsprekend aan. Vooral slankere en blekere Sorbara expressies zijn bijzonder geschikt om de eetlust op te wekken, zonder te zwaar of te nadrukkelijk te worden.

In die rol komt vooral de meest verfijnde kant van Lambrusco naar voren. Hij past goed bij kleine zoute hapjes, een eerste plankje met wat fijne charcuterie of een bescheiden selectie kazen. Hij brengt meteen sfeer en karakter in het glas, maar laat tegelijk voldoende ruimte voor wat nog moet volgen. Precies dat maakt hem zo geschikt als opener van de maaltijd.

Charcuterie en regionale tafelklassiekers

Bij charcuterie voelt Lambrusco zich volledig in zijn element. Dat is ook niet verwonderlijk: salame, mortadella, prosciutto, culatello en andere vleeswaren brengen vet, zout en kruiding samen, precies de elementen waarmee Lambrusco zo goed overweg kan. Hier toont hij waarom hij in Emilia al zo lang een vanzelfsprekende tafelwijn is.

Voor dit soort gerechten zijn het vooral de droge stijlen die het best werken. Zij houden het geheel strak, fris en levendig, zonder dat het zout of het vet uitvergroot wordt. Zoetere versies kunnen toegankelijk en charmant zijn, maar bij hartige bereidingen missen ze vaak de precisie die hier net zo belangrijk is.

Dat geldt ook voor regionale klassiekers als gnocco fritto, torta fritta, tigelle en crescentine. Zulke bereidingen vragen om een wijn die het geheel levendig houdt, zonder zelf naar de achtergrond te verdwijnen. Een droge Lambrusco doet dat met opvallend veel gemak.

Afhankelijk van de intensiteit van het bord kan je daarbij mooi in stijl schakelen. Bij een fijnere selectie vleeswaren werkt een lichtere Sorbara vaak uitstekend. Wordt het robuuster, vetter of krachtiger, dan komen Salamino, Grasparossa of een donkerdere Mantovaanse stijl beter tot hun recht.

Gevulde pasta en rijke primi

Ook bij de primi van Emilia toont Lambrusco zijn klasse. Lasagne, tortellini, cappelletti, anolini, ravioli en andere gevulde pasta’s vragen om een wijn die meer kan dan alleen fris ogen. Hier is een Lambrusco nodig met voldoende inhoud, maar zonder dat hij het gerecht verzwaart.

Droge stijlen zijn hier doorgaans de veiligste keuze. Salamino, Reggiano en Colli di Scandiano e di Canossa voelen zich bijzonder goed thuis naast pasta’s met rijke vulling, boter, bouillon of vleessaus. Ze brengen niet alleen frisheid, maar ook genoeg smaak om de intensiteit van het gerecht te volgen.

Ook pasta in brodo kan verrassend goed samengaan met Lambrusco. De wijn moet dan voldoende inhoud hebben om de vulling te volgen, maar tegelijk strak genoeg blijven om de bouillon niet log te maken. Precies in dat spanningsveld blijkt Lambrusco vaak sterker dan men vooraf zou vermoeden.

Van wit vlees tot bolliti en stoofgerechten

Ook bij vleesgerechten toont Lambrusco hoe breed inzetbaar hij kan zijn. Alleen verschuift hier het zwaartepunt duidelijk naar de drogere stijlen met meer structuur. Bij bolliti, cotechino, zampone, stoofpotten en andere rijke bereidingen zijn het vooral donkerdere Lambrusco’s die het best tot hun recht komen. Ze hebben voldoende body, smaakintensiteit en tannine om het gerecht te volgen, zonder het nog zwaarder te maken. Grasparossa is hier vaak de meest voor de hand liggende keuze, al kunnen ook krachtigere versies van Salamino of Reggiano uitstekend werken.

Precies daarin zit een van de sterke punten van Lambrusco aan tafel. Hij hoeft geen massieve wijn te zijn om overeind te blijven naast rijke, vettere en kruidige gerechten. Waar sommige stille rode wijnen zulke bereidingen nog zwaarder maken, houdt Lambrusco het geheel net levendig en verteerbaar.

Bij wit vlees ligt het accent iets anders. Kip, parelhoen of konijn vragen doorgaans minder kracht, maar wel voldoende frisheid en smaakdiepte. Ook hier zijn droge stijlen aangewezen, al mag het profiel soberder blijven. Salamino is dan vaak een erg bruikbare keuze, terwijl ook lichtere stijlen goed kunnen werken, zeker wanneer het gerecht geroosterde tonen heeft of gedragen wordt door een hartige saus.

Lambrusco en vis: minder vreemd dan het lijkt

Wie Lambrusco uitsluitend met vlees en charcuterie associeert, kijkt wellicht vreemd op bij vis. Toch kunnen vooral lichtere, drogere stijlen hier verrassend goed werken. Zeker in gerechten waarin zoutigheid, kruiden, tomaat of een licht vettige textuur meespelen, blijkt Lambrusco veel minder onlogisch dan vaak wordt aangenomen.

Vooral slankere en blekere expressies voelen zich in die rol het best thuis. Ze brengen frisheid en levendigheid, zonder het gerecht te overheersen. Dat maakt hen geschikt voor pasta’s met vis, bereidingen met sardines of andere gerechten waarin de vis niet alleen verfijnd, maar ook wat uitgesprokener van smaak is.

Niet elke visbereiding vraagt om Lambrusco. Bij heel delicate, subtiele gerechten ligt een andere wijn vaak meer voor de hand. Maar in de juiste context toont ook hier zijn veelzijdigheid zich. Wat op papier ongewoon lijkt, blijkt aan tafel vaak verrassend overtuigend.

Kaas als natuurlijke bondgenoot

Lambrusco voelt zich ook bijzonder goed thuis naast harde, rijpe kazen, met Parmigiano Reggiano en Grana Padano als meest vanzelfsprekende voorbeelden. Dat is geen toeval. Zulke kazen combineren zout, umami, vet en een korrelige, geconcentreerde textuur, precies de elementen waarmee Lambrusco doorgaans sterk overweg kan.

Waar de kaas kracht, hartigheid en rijpingsaroma’s aanbrengt, zorgt Lambrusco voor frisheid, sprankeling en voldoende fruit om het geheel levendig te houden. Daardoor wordt de combinatie niet zwaar, maar juist evenwichtig en zeer tafelvriendelijk. Jongere kazen sluiten vaak mooi aan bij lichtere stijlen, terwijl langer gerijpte en intensere kazen meer vragen om een Lambrusco met extra vulling en structuur.

Lambrusco als partner van dessert

Lambrusco hoeft niet noodzakelijk te stoppen bij het hoofdgerecht. In halfdroge, amabile of zoetere stijlen kan hij ook overtuigen bij dessert. Dan is het wel essentieel dat het restzoet van de wijn in verhouding staat tot het gerecht, zodat de combinatie niet schraal, hard of onevenwichtig overkomt.

Vooral fruitige desserts, verfijnd gebak en regionale klassiekers zoals een sbrisolona taart kunnen mooi samengaan met Lambrusco. De frisse zuren zorgen ervoor dat ook zachtere stijlen voldoende levendigheid behouden, waardoor het glas niet log wordt en het nagerecht aan frisheid wint.

Lambrusco hoort op tafel

Na dit alles is vooral één conclusie moeilijk te ontkennen: Lambrusco is veel meer dan een wijn voor het aperitief of een speelse opener van de maaltijd. In zijn verschillende stijlen kan hij moeiteloos mee doorheen een menu, van charcuterie en gevulde pasta tot vlees, kaas en dessert.

Precies dat maakt hem gastronomisch zo relevant. De moderne Lambrusco biedt frisheid, energie, souplesse en, waar nodig, ook structuur. Het zijn eigenschappen die hem niet alleen aantrekkelijk maken in het glas, maar vooral bijzonder bruikbaar aan tafel.

Misschien ligt daar ook een rol voor de sommelier. Wie wijnkaarten samenstelt en gasten begeleidt in hun keuzes, kan mee helpen tonen dat Lambrusco veel meer is dan het vereenvoudigde beeld dat er nog te vaak van bestaat: een volwaardige gastronomische wijn die op tafel echt iets te bieden heeft.

Lambrusco: de wereld stopt niet bij de grote drie

We zijn al een eind gevorderd in onze Lambrusco reeks. In dit negende artikel laten we de drie grote namen, Sorbara, Grasparossa di Castelvetro en Salamino di Santa Croce, even achter ons. We richten de blik op de andere DOC gebieden waar Lambrusco al lang stevig verankerd zit. Dat zijn wijnen die minder mediageniek zijn, je ziet ze simpelweg minder op wijnkaarten, in wijnbars en op etiketten.

Ik merk dat ik in proeverijen toch vaak naar de vaste bakens grijp. Waarom, vraag ik me dan af. Het ongemakkelijke antwoord is simpel: ik heb lang gedacht dat die minder bekende herkomsten per definitie minderwaardig zouden zijn. Dat klopt natuurlijk niet. De ervaring leert dat je overal het kaf van het koren moet scheiden, ook in de beroemde appellaties. En ja, dat zegt meteen iets over mijn eigen wijnsnobisme, blijkbaar zit dat dieper dan ik soms wil toegeven.

Modena DOC, de kameleon rond de stad

We moeten niet ver zoeken om de minder gekende DOC gebieden te ontdekken. We blijven, bij wijze van spreken, rond de kerktorens van Modena en Reggio Emilia cirkelen. Logisch ook, want dit is nu eenmaal Lambrusco land.

Laten we Modena als vertrekbasis nemen. Het klinkt bijna vreemd, maar de overkoepelende Modena DOC is met zijn 564 hectare wijngaarden het kleinste Lambrusco DOC gebied in de provincie. Toch is het meteen ook de enige “andere” benaming die, naast Sorbara, Grasparossa di Castelvetro en Salamino di Santa Croce, in de praktijk voldoende gewicht heeft om regelmatig op te duiken.

We zeggen bijna steeds Lambrusco di Modena maar officieel heet het Modena DOC, omdat er ook witte wijnen bestaan binnen de appellatie, met Grechetto Gentile, Montù en Trebbiano als basis. In ons Lambrusco verhaal is vooral het rosato en rosso luik relevant. Daar ligt de kern duidelijk bij Lambrusco, met een minimum van 85 procent, en met een indrukwekkende waaier aan toegelaten varianten. Denk aan Sorbara, Grasparossa, Maestri, Marani, Salamino en Viadanese, maar ook een reeks minder bekende namen die in de assemblage kunnen opduiken. De resterende marge wordt vooral gebruikt om bij te sturen met rassen zoals Ancellotta, Fortana of Malbo Gentile, afhankelijk van de stijl die men nastreeft.

Geografisch voelt Modena DOC soms als een grote paraplu, maar in de praktijk is het gebied verrassend afgebakend binnen de provincie. Het strekt zich uit van de vlakte tot aan de eerste heuvels, en net dat verklaart de stijlbreedte. Vanuit warmere, vruchtbaardere sites krijg je vaak rondere, fruitgedreven wijnen. Vanuit koelere, beter geventileerde zones kan het strakker en preciezer worden, met meer spanning in het mondgevoel. Het is een relatief jonge DOC. Pas in 2009 maakte Modena de overstap van IGT naar DOC.

Reggiano DOC, de brede schouders van Reggio Emilia

Als we de provincie Modena verlaten en westwaarts Reggio Emilia binnenrijden, komen we in een Lambrusco wereld die minder leunt op één druif of één duidelijke signatuur, en net op breedte en flexibiliteit. Reggiano DOC bestaat sinds 1971 en is met 1.626 hectare een stevige speler, ook in volume. Dat past bij het landschap: je voelt hier letterlijk de overgang van vlakke, vruchtbare gronden naar de eerste heuvels. Daardoor kan Reggiano zich in het glas op twee manieren tonen. Enerzijds als een vlot, fruitig aperitiefprofiel dat je zonder nadenken uitschenkt, anderzijds als een wijn met meer grip en bite wanneer de druiven van koelere, beter geventileerde wijngaarden komen en wanneer de opbrengsten strenger beperkt worden.

Binnen dezelfde DOC vind je rosato en rood, zowel frizzante als spumante, en zelfs novello. Lambrusco blijft de ruggengraat, met meerdere toegelaten varianten zoals Sorbara, Grasparossa, Maestri, Marani, Salamino en Viadanese. Daarnaast spelen ook Ancellotta, Fogarina en Malbo Gentile een duidelijke rol, vooral om te sturen op kleur, mondgevoel en profiel.

Binnen dat kader zijn er een paar vaste pijlers. Voor veel rosato en rode Lambrusco types geldt een minimum van 85 procent Lambrusco, met een beperkte marge voor andere toegelaten rassen om de assemblage bij te regelen. Hetzelfde principe geldt voor Lambrusco Salamino binnen Reggiano, waarbij Salamino het fundament is en kleine aanvullingen toegelaten blijven.

Tot slot is er nog een extra geografische vermelding: Gualtieri mag expliciet op het etiket worden vermeld.

Colli di Scandiano e di Canossa DOC, heuvels als ruggengraat

Binnen de provincie Reggio Emilia treffen we nog een tweede gebied, al is het in oppervlakte eerder bescheiden. Colli di Scandiano e di Canossa telt amper 228 hectare. We zitten hier zuidelijker in de provincie, in een zone met duidelijk meer reliëf dan de vlakte rond Reggio. Dat kleinschalige karakter past bij wat je in het landschap ziet: heuvelruggen, luchtstromen, koelere nachten en wijngaarden die minder op volume mikken.

Colli di Scandiano e di Canossa gaat ruimer dan Lambrusco alleen, maar voor ons is Lambrusco uiteraard de kern. Binnen de DOC werkt men met drie duidelijk onderscheiden Lambrusco types. Eerst is er de basisbenaming Lambrusco, waarbij minstens 85 procent moet komen uit Barghi, Maestri, Marani en Salamino. De resterende marge mag gebruikt worden om bij te sturen, bijvoorbeeld met Ancellotta en een beperkte set lokale rassen.
Daarnaast bestaat er een afzonderlijke Lambrusco Grasparossa, waar Grasparossa zelf de dragende druif is, opnieuw met die 85 procent logica, en met een kleine marge voor aanvullingen. En tot slot is er Lambrusco Montericco, een type dat je buiten dit gebied zelden ziet en dat hier een eigen plaats krijgt, zowel in rood als in rosato, met Montericco als kern van de assemblage.

Lambrusco Mantovano DOC, Lambrusco aan de Po

Voor de laatste, vaker vermelde Lambrusco herkomst verlaten we Emilia Romagna en steken we de grens over naar Lombardia. Rond Mantova ligt Lambrusco Mantovano DOC, een appellatie die sinds 1987 bestaat en met 262 hectare qua schaal in dezelfde orde zit als Colli di Scandiano e di Canossa. Het decor verandert meteen. Hier domineren de rivierlandschappen van de Po, met vlakke gronden, veel alluviale invloed en een stijltraditie die sterk naar frizzante en de historisch bekende frisdrankachtige Lambrusco neigt.

Binnen Mantovano draait het in essentie om rosato en rosso, telkens met dezelfde duidelijke ruggengraat. Minstens 85 procent moet komen uit Lambrusco Maestri, Marani, Salamino en Viadanese. Maestri en Viadanese zijn voor veel lezers minder vertrouwd, al hoor je ze lokaal ook wel als Grappello Maestri en Grappello Ruberti. De resterende marge, maximaal 15 procent, laat toe om bij te sturen met rassen zoals Ancellotta of Fortana, en zelfs met een kleine toevoeging van Lambrusco di Sorbara of Lambrusco Grasparossa.

Oltre Po Mantovano en Viadanese Sabbionetano worden als subzones genoemd en krijgen ook een iets strengere minimum alcohol eis.

Een ruimere oppervlakte

De aanplant van Lambrusco beperken tot enkel de hierboven beschreven DOC gebieden zou de realiteit tekortdoen. De familie staat aangeplant op een veel ruimer canvas. In totaal spreken we over een goede 10.000 hectare, verspreid over meerdere herkomsten. In verschillende andere DOC gebieden duikt Lambrusco op, meestal niet als hoofdrolspeler maar als bijrol in blends. En daarnaast is er nog het brede IGT verhaal, waar de volumes pas echt de hoogte in schieten.

Die schaal zie je meteen wanneer je naar de productie kijkt. Samen zijn de Lambrusco DOC gebieden goed voor ongeveer 40 miljoen flessen per jaar. De IGT zones doen daar met gemak nog eens ruim 100 miljoen flessen bovenop. Het is dus duidelijk dat een groot deel van de markt draait op brede herkomstbenamingen en op volume.

Lambrusco is in cijfers net géén puur lokale wijn. Ongeveer 60 procent van de flessen wordt uitgevoerd, dat maakt hem duidelijk internationaler dan nationaal. En toch is er een merkwaardige paradox. Binnen Italië blijft Lambrusco opvallend sterk aan zijn thuisbasis geklonken. In Emilia Romagna is hij alomtegenwoordig en hoort hij bij het dagelijkse tafelritme. Buiten die kernzone, zelfs wanneer je enkel binnen de landsgrenzen blijft, kom je hem veel minder spontaan tegen dan je op basis van zijn bekendheid zou verwachten. Italië is nu eenmaal een mozaïek van regionale wijngewoontes.

Als we inzoomen op de export van Lambrusco, dan zien we dat België geen kernmarkt is. Lambrusco exporteert veel, maar die export stroomt vooral naar een paar grote, vaste afzetlanden waar frizzante al jaren deel uitmaakt van het dagelijkse koopgedrag. In België is het publiek kleiner, en tijdens de masterclass die we in het spoor van deze reeks organiseerden, werd iets anders ook opvallend duidelijk. Bij veel mensen domineert nog altijd het beeld van “die” Lambrusco: zoet, snoeperig, laag in alcohol en paars schuimend. De vernieuwing is nog niet breed doorgedrongen. Daardoor blijft de vraag hier vaker beperkt tot de liefhebber, en zie je België zelden in de volumes die nodig zijn om in exportstatistieken echt mee te tellen.

De exporttop drie was trouwens een verrassing voor mezelf. Ik had de Verenigde Staten als gedoodverfde nummer één verwacht, maar Duitsland staat bovenaan. De VS volgen op plaats twee. En Zwitserland vervolledigt het podium met een sterke derde plaats.

Sluipen richting het einde

En zo sluipen we stilaan richting het einde van deze reeks. Volgende week verschijnt een artikel over de veelgeprezen gastronomische capaciteiten van Lambrusco en zoomen we daarbij uiteraard wat dieper in de regionale specialiteiten die als compagnon de table gebruikt worden.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco
  8. Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco
  9. Lambrusco Grasparossa: donker, krachtig en tanninerijk

Lambrusco Grasparossa: donker, krachtig en tanninerijk

Na Sorbara en Salamino komt Grasparossa. Dit is de Lambrusco die meteen ernst op tafel zet: donkerder van kleur, meer extract, meer tannine en een afdronk met duidelijke grip. Zelfs de naam verraadt het karakter. Grasparossa verwijst naar de rood verkleurende trossteel en de kleine bessensteeltjes, een wijngaarddetail dat je eens gezien niet snel vergeet.

In een proeverij is dit voor mij het glas dat mensen het meest zullen associëren met Lambrusco. De kleur voldoet aan het verwachte beeld. De stevig opkomende schuimkraag versterkt dat nog. Misschien heb je in je gedachten dat je een lichte en speelse Lambrusco hebt, maar de realiteit is een sprankelende rode met drive en structuur. Het hardnekkige cliché van goedkoop en simpel zal je heel zeker treffen, maar je kan het snel doorbreken door een glas amabile naast een glas secco te presenteren. Je merkt direct het verschil, terwijl het Lambrusco beeld wel degelijk overeind blijft.

Persoonlijk zal je me minder vaak naar een Grasparossa zien grijpen en zal ik bijna steeds het lichtere en frivolere van een Sorbara verkiezen. Uiteraard is dit een persoonlijke voorkeur en is het iedereen toegestaan om hierin zijn eigen weg te kiezen. Toch merken we dat er de voorbije jaren in Castelvetro zichtbaar iets verschoven is. Er wordt minder over volume gesproken en meer over percelen, oogstmoment en precisie. Die beweging levert flessen op die ook buiten de regio erkenning krijgen en ze trekt de stijl mee richting droger, met een groeiende aandacht voor Metodo Classico.

Castelvetro, waar de druif haar kracht vindt

Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC hoort bij de provincie Modena, met Castelvetro als kern. Je zit net ten zuiden van de stad Modena, op de overgang van de vlakkere Po omgeving naar de eerste heuvelruggen van de Apennijnen. Het gebied is dus geen klein postzegeltje rond één dorp. Het omvat het volledige grondgebied van dertien gemeenten in Modena en ook een deel van de gemeente Modena zelf. Denk aan plaatsen als Castelvetro, Maranello, Sassuolo, Formigine, Fiorano, Vignola en Spilamberto, naast nog een reeks omliggende gemeenten.

Het disciplinare beschrijft de afbakening bijna alsof je er te voet omheen kan lopen. Binnen die contouren zit net de overgang die voor Grasparossa zo bepalend is. Beneden vind je bredere, zachtere zones die sneller naar rijp fruit en rondeur sturen. Hogerop, richting de eerste heuvels, krijg je meer reliëf, meer expositie en vaker betere afwatering. Dat vertaalt zich in de wijn naar donkerder fruit, meer kruidigheid en een compacter mondgevoel.

Bodem speelt mee. In en rond Castelvetro wordt vaak gewezen op klei en kleileem. Klei houdt water vast en kan in warme zomers tegelijk buffering en stress geven, wat concentratie ondersteunt. Grasparossa profiteert daarvan, mede door zijn dikke schil, die bijdraagt aan kleurintensiteit, structuur en tannine. Voeg daar de lokale keuken aan toe en de logica wordt compleet. Prosciutto di Parma, Parmigiano Reggiano, ragù en balsamico uit Modena vragen om wijn die fris genoeg blijft, maar tegelijk structuur genoeg heeft. Castelvetro levert precies dat soort Lambrusco.

De spelregels voor Lambrusco Grasparossa di Castelvetro DOC

De vastgelegde spelregels voor Lambrusco Grasparossa di Castelvetro zijn er met een duidelijke bedoeling: ervoor zorgen dat je in het glas altijd Castelvetro herkent, ook wanneer producenten andere keuzes maken in vinificatie en restsuiker. Je krijgt marge voor stijl, maar binnen vaste krijtlijnen.

Voor de wijngaard vertrekt men van de lokale realiteit. De omstandigheden en teeltwijze moeten passen bij wat in de zone gebruikelijk is en moeten kwaliteit ondersteunen. Irrigatie is niet verboden, wel beperkt tot noodsituaties. Aanplant, geleidingssysteem en snoei moeten aansluiten bij wat in de streek gangbaar is.

Opbrengst is strak afgelijnd. Zowel voor frizzante als spumante ligt de maximale opbrengst op 18 ton druiven per hectare. In zeer gunstige jaren bestaat er een beperkte tolerantie.

In de kelder hanteert men het principe van toegelaten en gangbare praktijken. Traditionele hergisting hoort daarbij en is zelfs essentieel voor het profiel. Belangrijk is ook de geografische verankering. Vinificatie, prise de mousse, stabilisatie, dosage, botteling en conditionering moeten in de provincie Modena gebeuren.

Wat de stijl betreft is de DOC expliciet gebouwd rond twee families. Frizzante en spumante, in rosso en rosato. Beide mogen verschillende zoetheidsniveaus hebben. Bij frizzante loopt dat van secco tot dolce, bij spumante van brut nature tot dolce. Het disciplinare legt daarnaast minimale potentiële alcoholwaarden vast bij vrijgave, 10,5 procent voor frizzante en 11 procent voor spumante, en het bewaakt basisparameters zoals minimale zuren en minimale extractwaarden. De vermelding van het restsuikerprofiel is verplicht, zowel bij frizzante en bij spumante volgens de wettelijke categorieën.

De herkenningspunten in het veld

Grasparossa heeft een sterke visuele handtekening door de link met de rood verkleurende takjes en steeltjes. Vooral later in het seizoen vallen deze rode tinten visueel heel duidelijk op. In de herfst kleurt het blad immers opvallend roodachtig, een mooi detail dat opnieuw bij de naam aansluit.

Ook de jonge groei heeft typische kenmerken. De scheuttop oogt bleekgroen met een donzige indruk en krijgt later vaak een bronsachtige schijn. Ranken zijn meestal tweedelig en keren in een regelmatig patroon terug. De bloemen zijn normaal en zelfbestuivend, wat een stabiele vruchtzetting ondersteunt.

Het blad is middelgroot en meestal rond tot vijfhoekig, vaak drielobbig. De bladsteelinsnijding is doorgaans smal en V-vormig, met beperkte laterale insnijdingen. De bovenzijde oogt donkerder en mat, de onderzijde toont lichte beharing, met kleine haarplukjes bij de nerven.

De tros is middelgroot en piramidaal, geregeld met een schouder of vleugeltje. In percelen waar men op kwaliteit mikt, zie je vaak graag een wat lossere tros, omdat dat de rijping gelijkmatiger maakt en de druiven beter laat ventileren. De bessen zijn middelgroot en eerder subovaal. De schil is dik en stevig, met een blauwzwarte kleur en een duidelijke waslaag. Dat schilmateriaal is cruciaal. Het levert kleurintensiteit, fenolen en dus tannine, precies de bouwstenen die Grasparossa in het glas zijn stevige profiel geven.

Hij rijpt meestal laat, vaak eind september tot begin oktober. De plant is vitaal en kan overvloedig en vrij constant produceren. Dat maakt selectie, snoei, groenwerk en opbrengstbeheersing extra belangrijk wanneer men mikt op een wijn met meer complexiteit en een verfijnde structuur.

Een herkenbaar glas

Begin bij het visuele. Grasparossa schenkt robijnrood tot diep robijn, vaak met violette reflectie wanneer hij jong is. Bij frizzante zie je een levendige pareling met een vlotte, schuimige indruk. Bij spumante is de mousse doorgaans fijner en aanhoudender, afhankelijk van de gekozen methode.

Ga dan naar de neus. Verwacht donker fruit, braam en zwarte kers staan vaak vooraan, met pruim en soms ook zwarte bes. Kruidigheid duikt geregeld op, denk aan zwarte peper of gedroogde kruiden. Bij rijpere versies kan ook een lichte aardse toets opduiken, terwijl de fruitkern mooi overeind blijft.

In de mond is de herkenning het duidelijkst. Tannine is merkbaar en geeft grip, vaak met een licht bittertje in de finale dat de afdronk strakker maakt. Zuren zorgen voor spanning en houden de wijn verteerbaar. Het evenwicht tussen bubbels, fruit, tannine en eventuele restsuiker is de plek waar producenten hun stijl tonen. Droge versies proeven compacter en strakker, zachtere versies tonen meer ronding, en laten die typische coca cola indruk na.

Een praktische proefstap helpt. Proef meteen na het inschenken en proef opnieuw na vijf minuten. Vaak worden fruit en kruidigheid opener, de mousse rustiger, de tannine beter geïntegreerd. Dat tweede moment toont meestal het echte evenwicht. Grasparossa is dus echt herkenbaar in het glas, op kleur en structuur.

Proef en vergelijk

Grasparossa maakt de reeks over de drie belangrijkste Lambrusco variëteiten compleet. Sorbara zet in op spanning en finesse, Salamino brengt sappigheid en balans, Grasparossa voegt structuur en karakter toe. Je proeft het meteen in kleur en fruitdruk, en vooral in tannine, die het glas grip geeft tot in de finale.

De beste manier om dit te begrijpen is vergelijken. Schenk de drie naast elkaar, het liefst in dezelfde stijl. Neem bijvoorbeeld een spumante brut volgens de metodo Martinotti. Proef in korte stappen. Kijk eerst naar kleur en schuim, ga dan naar het fruitregister, en eindig bij mondgevoel en afdronk.

Zet er vervolgens eten bij en het kwartje valt nog sneller. Parmigiano Reggiano met een paar druppels balsamico, Prosciutto di Parma, of tagliatelle al ragù, maakt meteen duidelijk waarom deze wijnen zo goed aan tafel passen. De bubbels maken het vet lichter, het fruit blijft aanwezig, de structuur draagt het geheel.

Of het nu Grasparossa, Salamino of Sorbara is, serieuze Lambrusco is gemaakt om te plezieren, tijdens een aperitivo met lekkernijen uit Emilia.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco
  8. Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco

Salamino, de fruitige evenwichtskunstenaar van Lambrusco

In onze Lambrusco-reeks zijn we aanbeland bij de voorstelling van de drie belangrijkste Lambrusco variëteiten en de omgeving waar hun wijngaarden liggen. Na Sorbara is Salamino de meest logische volgende stap. Misschien vraag je je af waar die logica dan exact zit. Wel, dat is eenvoudig. Als je het voorgaande artikel over Lambrusco di Sorbara hebt gelezen dan weet je dat Lambrusco Salamino vaak als bestuiver voor Sorbara wordt gebruikt.

En dat is exact ook wat me triggert aan Lambrusco Salamino. Waarom wordt deze Lambrusco variëteit net gekozen om die bestuivende rol van Sorbara op zich te nemen? Het antwoord blijkt even simpel als logisch te zijn. In de praktijk is bestuiving vooral een kwestie van timing, betrouwbaarheid en rendement. Sorbara is autosteriel en zet zonder passend stuifmeel onregelmatig vrucht, met risico op coulure en trossen die slecht gevormd zijn. Salamino blijkt in de vlakte rond Modena een bijzonder praktische partner. Zijn bloei valt doorgaans voldoende samen met die van Sorbara, waardoor het stuifmeel beschikbaar is op het moment dat Sorbara het nodig heeft. Daarnaast gedraagt Salamino zich in de wijngaard vitaal en voorspelbaar, met een productie die jaar na jaar relatief constant blijft. Dat maakt hem niet alleen een betrouwbare pollenleverancier, maar ook een variëteit die vlot mee te beheren is binnen hetzelfde wijngaardregime, zonder dat je voor enkele rijen een compleet andere aanpak moet hanteren. En er is nog een praktische reden. De rijen die je aan een bestuiver toewijst, nemen ruimte in. Dan is het logisch dat je kiest voor een druif die niet enkel functioneel is voor Sorbara, maar die je ook in de kelder kan benutten, als basis voor een eigen wijn of als bouwsteen in assemblages.

Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC, wijngaarden en karakter van het gebied

Salamino is historisch sterk verbonden met de omgeving rond Santa Croce, een deelgemeente bij Carpi in de provincie Modena. Net zoals bij Sorbara verwijst ook Salamino in deze DOC naar een heel concrete lokale verankering. Geografisch blijven we in Emilia Romagna, in dezelfde brede vlakte rond Modena, maar met een andere focus. Waar Sorbara vaak geassocieerd wordt met de strook tussen de rivieren Secchia en Panaro, ligt de historische zwaartekracht van Salamino eerder rond Carpi en het noordelijke deel van de provincie.

Het landschap is opnieuw vlak tot licht golvend en landbouwgericht. Dit is een gebied dat zijn identiteit haalt uit bodem, waterhuishouding en klimaat. De provincie Modena draagt in grote lijnen de kenmerken van de Povlakte, al zijn er binnen de provincie duidelijke verschillen door de overgang naar de Apennijnen. Die ligging aan de voet van het gebergte stuurt het weerbeeld richting een uitgesproken continentaal regime, met warme zomers en koude winters. De nabijheid van de Apennijnen speelt mee in de zuidelijke, vochtige winden. Die bereiken de modenese vlakte vaak al droger, waardoor de totale neerslag relatief laag blijft, vaak lager dan in delen van centraal Italië. Bovendien is de neerslag slecht verdeeld over het jaar. Er zijn twee piekperiodes, lente en herfst, met risico op hydrologische overlast, en twee tekortperiodes, winter en zomer. In de zomer is dat effect het scherpst. De natuurlijke neerslag dekt gemiddeld niet eens de helft van de waterbehoefte van landbouwgewassen. Dat verklaart waarom waterbeheer in deze vlakte een structurele factor is.

Bodemkundig komt daar nog een tweede uitdaging bij. Grote delen van de modenese vlakte bestaan uit kleirijke, compacte bodems. Dat heeft de landbouw historisch nooit gemakkelijk gemaakt, en ook vandaag blijft die bodemsamenstelling een van de moeilijkere aspecten van het gebied. De wijnbouw staat hier dus niet los van ingrepen in het landschap. In een vlakte waar klei domineert en neerslag grillig verdeeld is, wordt de druivenkwaliteit mee bepaald door hoe goed de bodem kan ademen en hoe gecontroleerd water zijn weg vindt.

Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC, regels, speelruimte en stijlkeuzes

De DOC Lambrusco Salamino di Santa Croce behoort tot de klassieke Lambrusco DOC’s die in 1970 formeel werden vastgelegd. Vandaag is dit een duidelijk afgebakend kader in Emilia Romagna, met een wijngaardareaal van ongeveer 1.641 hectare en een gemiddelde productie rond 39.600 hectoliter. Het is dus geen microappellatie, maar ook geen onoverzichtelijke mastodont, eerder een stevig regionaal volume met een herkenbare identiteit.

Die identiteit wordt in de eerste plaats bewaakt via de druivensamenstelling. Zowel rosato als rosso moeten minimaal voor 85% uit Lambrusco Salamino bestaan. De resterende 15% mag ingevuld worden met Ancellotta en Fortana, lokaal vaak Uva d’Oro genoemd, en eventueel andere Lambrusco subvariëteiten. Dat bevestigt mooi wat je in de streek in de praktijk ziet, Salamino staat centraal, maar het disciplinare laat voldoende ruimte om nuance en consistentie te sturen via kleine aanvullingen.

Binnen Lambrusco Salamino di Santa Croce DOC draait stijl niet om één vast sjabloon, maar om een reeks duidelijke keuzes. Je kan in rosato of in rosso werken, en vervolgens bepaal je of je de wijn als frizzante houdt of doorwerkt tot spumante. Het scharnierpunt is de tweede gisting. Die kan op fles gebeuren, met een meer ambachtelijke signatuur en vaak een directer textuurgevoel, of in autoclave, waar de wijn doorgaans strakker gestuurd wordt en het fruit vaker op de voorgrond blijft. Het resultaat is een appellatie waar producenten met methode en stijlkeuzes duidelijk richting kunnen geven, zonder dat één profiel verplicht wordt.

De regels worden hier vooral bewaakt via ondergrenzen. Voor de frizzante versies moet het alcoholgehalte minstens 10,5% bedragen, voor spumante ligt de lat op 11,0%. Dat zet meteen een minimum aan rijpheid en basisgewicht. Tegelijk laat het disciplinare opvallend veel ruimte in afwerking. Bij spumante is elke zoetheidsgraad toegestaan, van helemaal droog zonder dosage tot uitgesproken dolce, en er zijn geen verplichte minimumtermijnen voor rijping. Het gevolg is dat de producent zijn stijl vooral moet “maken” via oogstmoment, basiswijn en kelderwerk, eerder dan via wettelijke verplichtingen.

Ampelografie, hoe ziet Salamino eruit in de wijngaard

Lambrusco Salamino is doorgaans makkelijk te onderscheiden van de andere Lambrusco variëteiten, en dat begint al bij de naam. Salamino verwijst naar de trosvorm, cilindrisch en strak gebouwd, met het silhouet van een kleine salami. In de wijngaard zie je dat meteen bevestigd. De tros is meestal eerder klein, typisch een tiental centimeter lang, cilindrisch tot licht kegelvormig. Geregeld hangt er aan de zijkant nog een klein extra trosje, alsof er een vleugeltje aan vastzit. De steel is kort en groen, soms met een lichte roze schijn aan één kant.

In de wijngaard duikt in oudere beschrijvingen vaak het idee op van twee “types” Salamino. Sommige stokken tonen rond de oogst opvallend roder blad, andere blijven groener. Dat klinkt alsof je met aparte klonen te maken hebt, maar het blijkt niet stabiel jaar na jaar. Het blad is middelgroot en meestal drie lobbig, al komt vijf lobbig ook voor. Het bladweefsel is vrij stevig. De bovenkant oogt donkergroen en mat, de onderzijde grijsgroen met een fijne, spinragachtige beharing. In de herfst valt Salamino extra op, het blad kleurt rood, en precies die roodverkleuring is in de praktijk vaak een van de snelste visuele herkenningspunten.

Wie de plant van dichtbij bekijkt, ziet een jonge scheut met een zacht, wat donzig topje. Dat topje oogt groen tot witgroen en kan soms een lichte roze schijn hebben. Als de scheut verder doorgroeit, verschijnen de ranken vrij regelmatig en vaak gesplitst in twee. Rond de bloei zijn de bloeiwijzen eerder klein en vrij geconcentreerd.

De bessen zijn doorgaans middelgroot, met een typisch detail dat je geregeld ziet, binnen dezelfde tros zijn ze niet altijd exact even groot. Ze hebben een blauwzwarte kleur met een duidelijke matte waas. De schil is wat dikker en voelt stevig aan. Het vruchtvlees is sappig en zacht, met een eenvoudige, licht frisse toets. In de meeste bessen vind je twee tot drie pitten.

Als wijnstok is Salamino dankbaar. Hij heeft een goede groeikracht en staat bekend als overvloedig en constant productief, met meestal één tot twee bloeiwijzen per scheut. De rijping valt typisch in de eerste helft van oktober, wat hem fenologisch in de middenmoot zet, maar met een duidelijk late oogst in het werkritme van de streek. Die trosbouw en die betrouwbare productie bepalen ook het wijngaardwerk. Je wil lucht en licht rond het fruit, en je houdt de opbrengst graag onder controle als je meer precisie nastreeft. Precies daar wordt Salamino meer dan alleen een makkelijke producent.

Van druif naar glas, zo proef en herken je Salamino

Tijdens een blindproef laat Salamino zich meestal minder snel raden op kleur dan Sorbara. In het glas toont hij vaker een dieper robijnrood, bijna altijd met paarse reflecties. Bij de mousserende stijlen is de pareling duidelijk aanwezig, zelden extreem fijn, maar wel levendig genoeg om het fruit op te tillen en het geheel fris te houden zonder dat de belletjes gaan domineren.

In de neus zit Salamino op rijper rood fruit en hij laat weinig aan de verbeelding over. Kers is vaak het startpunt, gevolgd door braam en soms een pruimtoets. Je kan florale accenten tegenkomen, maar doorgaans minder uitgesproken dan bij Sorbara. Wat je wél geregeld merkt is een zachte kruidige ondertoon die het profiel net wat meer richting geeft. Het aromaprofiel blijft direct en helder, met één duidelijke focus: fruit en drinkflow.

In de mond herken je Salamino aan zijn balans. Hij voelt ronder aan dan de meest nerveuze Lambrusco stijlen, maar hij wordt zelden log. Je krijgt sappigheid, frisse zuren en een milde tannine die net genoeg grip geeft om het geheel strak te houden. Die tannine is belangrijk omdat ze de wijn bij hartige gerechten houdt. Vet en zout kan hij uitstekend aan, hij verfrist en snijdt door zonder de maaltijd te breken.

Waarom Salamino vandaag nog relevanter is

Lambrusco Salamino staat in de wijngaard vaak letterlijk naast Sorbara, eerst als bestuiver, maar in de praktijk ook als vaste schakel in het landschap rond Modena. Dat is meteen een mooie samenvatting van zijn karakter. Salamino is geen druif die je enkel begrijpt vanuit één stijl of één appellatie. Hij behoort tot de meest wijd verspreide namen binnen de Lambrusco familie, en dat is niet toevallig. Hij combineert groeikracht met regelmaat, en hij levert wijnen die verschillende richtingen aankunnen, van secco tot amabile en dolce, zonder dat het profiel uit elkaar valt.

Net omdat Salamino zo sterk aanwezig is in de modenese vlakte, komt hij ook sneller in aanraking met de uitdagingen van vandaag. Warmer groeiweer, piekbuien in lente en herfst, langere droge periodes in de zomer, het zijn geen abstracte begrippen in dit deel van Emilia Romagna. In een omgeving waar klei domineert en water niet gelijkmatig verdeeld is, wordt wijngaardbeheer steeds meer een kwestie van timing en keuzes. Dat hoeft Salamino niet af te remmen. Het dwingt producenten vooral om preciezer te werken, met aandacht voor canopy, waterhuishouding en de juiste balans tussen opbrengst en rijpheid.

Wie Salamino dan toch nog te vaak als “makkelijke” Lambrusco wegzet, mist het punt. Makkelijk drinkbaar, ja. Makkelijk gemaakt, niet per se. Juist omdat hij zo’n bruikbare middenstijl kan opleveren, zie je in de beste interpretaties hoe scherp de hand van de producent meetelt.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen
  7. Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco

Sorbara: de verfijnde, florale expressie van Lambrusco

In onze Lambrusco-reeks zijn we aanbeland bij de voorstelling van de drie belangrijkste Lambrusco-variëteiten en de omgeving waar hun wijngaarden liggen. Dat ik van start ga met Sorbara is geen verrassing. Sorbara is wat mij betreft de meest markante, verrassende en fascinerende Lambrusco-variëteit.

De moderne Sorbara-stijl binnen de Lambrusco di Sorbara DOC bevalt me steeds meer. De inhoud van de fles speelt dus zeer zeker een rol, maar het is vooral het verhaal achter de druif dat me niet loslaat. De meest wilde Lambrusco, of moeten we zeggen: de minst getemde? Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen. Zeg nu zelf: dat trekt toch gewoon de aandacht.

Lambrusco di Sorbara DOC: wijngaarden en karakter van het gebied

Sorbara is historisch verbonden met de omgeving rond Sorbara, in de gemeente Bomporto (provincie Modena). In oudere contexten duikt de benaming Lambrusco sorbarese op, wat mooi illustreert hoe sterk de druif lokaal verankerd is. Sorbara is daarbij meer dan een druivennaam: ze verwijst letterlijk naar een plek.

Geografisch zitten we in Noord-Italië, in Emilia-Romagna. Lambrusco di Sorbara DOC bevindt zich ten noorden en noordoosten van de stad Modena, in het open land tussen Modena en de Po-vlakte. Het kerngebied ligt in een relatief afgebakende strook op uitgesproken alluviale gronden, gevormd door water en tijd: je bevindt je tussen de rivieren Secchia en Panaro, in een landschap van oude rivierbeddingen en afzettingen. Dit is geen decor van heuvelruggen, maar een uitgestrekte laagvlakte waar landbouw al eeuwen centraal staat.

Administratief is de zone strak afgebakend binnen de provincie Modena: de DOC omvat volledig het grondgebied van Bastiglia, Bomporto, Nonantola, Ravarino en San Prospero, en strekt zich daarnaast uit over delen van Campogalliano, Camposanto, Carpi, Castelfranco Emilia, Modena, Soliera en San Cesario sul Panaro.

Het gebied kent een uitgesproken continentaal klimaat met warme zomers en strenge winters. De ligging van de vlakte aan de voet van de Apennijnen speelt daarin mee. Vochtige zuidelijke winden komen hier vaak al droger aan, waardoor de neerslag relatief beperkt blijft en bovendien onregelmatig verdeeld is: het jaar “clustert” regen in bepaalde fases en laat andere periodes opvallend droog aanvoelen.

Een aanzienlijk deel van de modenese vlakte is van nature kleiig en compact, wat landbouw historisch niet vanzelfsprekend maakte. Dat het gebied vandaag zo productief is, heeft veel te maken met menselijke ingrepen: ontwatering, kanalisering, bescherming tegen wateroverschotten en een landbouwtraditie die zware gronden leerde beheren. In de middenvlakte waar de wijngaarden zich concentreren, spelen vooral de alluviale bodems van de twee nabij gelegen rivieren een hoofdrol, met in de kernzone een duidelijke aanwezigheid van de typische Sant’Omobono-bodems, een leem-kleiige textuur die in de streek als typisch voor het gebied geldt.

Lambrusco di Sorbara DOC: het appellatiekader in een notendop

Hoewel Lambrusco al eeuwenoud is, werd de benaming Lambrusco di Sorbara pas als DOC vastgelegd in 1970. Sindsdien vormt ze het officiële speelveld waarbinnen producenten hun Sorbara kunnen vinifiëren en op de markt brengen. Het areaal is relatief compact: het huidige beschikbare cijfermateriaal spreekt van 946 hectare, goed voor een gemiddelde productie van ongeveer 38.100 hectoliter per jaar. Met andere woorden: dit is geen mega-appellatie.

Vandaag zie je steeds vaker een trend naar monocépage en dus 100% Lambrusco di Sorbara, maar het disciplinare laat bewust ruimte voor andere Lambrusco-variëteiten. Officieel moet de wijn minstens uit 60% Lambrusco di Sorbara bestaan. Aanvullen kan met maximaal 40% Lambrusco Salamino, en daarnaast nog maximaal 15% andere Lambrusco-subvariëteiten.

Wie Lambrusco automatisch gelijkstelt aan rood en bruisend, kijkt binnen Lambrusco di Sorbara DOC net iets te smal. Je vindt hier rosato en rosso, als frizzante of als spumante. Er bestaat zelfs bianco spumante, waarbij men dezelfde basisdruiven in wit vinifieert. Het verschil zit dus vooral in hoe de wijn is gemaakt: tankgisting (autoclave), hergisting op fles, of een meer ancestrale aanpak waarbij de wijn zijn gisting op fles afwerkt en daardoor extra levendig kan overkomen. Wie daar graag dieper induikt, kan doorklikken naar mijn eerdere artikel over hoe vinificatie de stijl van Lambrusco bepaalt.

Om de kwaliteit en herkomst te bewaken, legt het disciplinare bovendien vast dat vinificatie en verdere uitwerking, maar ook botteling en conditionering, in principe binnen de provincie Modena moeten plaatsvinden, met enkele historische uitzonderingen net buiten het productiegebied.

Ook op technisch vlak zijn de krijtlijnen helder. De maximale opbrengst is vastgelegd op 18 ton druiven per hectare. Daarnaast vraagt het disciplinare een minimale natuurlijke alcoholgraad van 9,5%, wat je kan zien als het potentiële alcoholgehalte van de most op basis van druivensuikers. Voor de afgewerkte wijnen gelden minimum alcoholgehaltes van 10,5% voor frizzante en 11,0% voor spumante.

Wat restsuiker betreft is de ruimte breed: spumante mag in eender welke dosage worden gemaakt, van zero dosage tot dolce. Op rijping legt de appellatie geen minimale verplichtingen op, maar ze bewaakt wel streng de identiteit: de maximale opbrengst aan wijn uit druiven is beperkt tot 70%.

De druif ampelografisch: waarom Sorbara zo’n lastige klant is

Sorbara is een enorm boeiende druif en het sleutelbegrip is het bloemtype. Sorbara heeft functioneel vrouwelijke bloemen en is autosteriel, ze kan zichzelf dus niet netjes bestuiven. Concreet betekent het dat ze een bestuiver nodig heeft. Zonder stuifmeel van een andere, compatibele Lambrusco-variëteit wordt de vruchtzetting onzeker en krijg je trossen die slecht of onvolledig gevormd zijn. Dat is precies wat ik in de intro bedoelde met: “Beplant een wijngaard vol met Sorbara-wijnstokken en je zal, bij wijze van spreken, geen druif zien verschijnen.”. In de praktijk wordt dat opgelost door Sorbara bewust samen aan te planten met andere Lambrusco-variëteiten die de bestuiving op gang helpen.

Als we het puur over de ampelografische kenmerken van de druif hebben dan zien we dat Sorbara doorgaans middelgrote trossen heeft, langwerpig tot piramidaal, vaak met een schouder, en opvallend los van structuur. De bessen zijn middelgroot, bijna rond tot licht ovaal, en vaak bedekt met een duidelijke waslaag die ze dat matte, blauwgrijze uitzicht geeft. De schil is dik en stevig, met een sappige pulp. De groeikracht is bovendien uitbundig, wat wijngaardwerk extra belangrijk maakt. Qua weerbaarheid is het beeld genuanceerd: Sorbara kan behoorlijk goed omgaan met kou en heeft een degelijke weerstand tegen rot, maar net rond bloei en vruchtzetting blijft ze gevoelig en onvoorspelbaar.

Het proefprofiel: zo ontleed en herken je Sorbara

Sorbara herken je vaak al vóór je het glas naar je neus brengt. De kleur is meestal verrassend licht voor een rode sprankelende wijn: eerder helder, licht robijn tot rosato cerasuolo, vaak met fijne, levendige mousse. Dat delicate kleurbeeld is meteen een eerste hint dat je hier niet met de meest “donkere” Lambrusco-stijl te maken hebt.

Qua proefprofiel loont het om Sorbara in twee stromingen te bekijken. De oldschool interpretatie was doorgaans frizzante en vaak ook zachter in stijl, met restsuiker die het geheel een “frisdrank”-vibe kon geven. De bubbels zijn speels en licht, het fruit komt meteen naar voren en de florale toets is direct herkenbaar. Denk aan viooltjes en roos, met framboos, aardbei en rode bes. Dat kleine zoetje rondt de hoge zuren af, waardoor het glas soepel en makkelijk drinkt.

De moderne stijl toont Sorbara in zijn meest verfijnde vorm. Vaker droog, strakker opgebouwd en in de betere versies ook als spumante uitgewerkt, soms met fleshergisting of een ancestrale aanpak. In dat geval zijn de bubbels een dragend element dat de wijn structuur geeft en de geuren sterker laat uitkomen. In de neus blijft Sorbara uitgesproken floraal, met kleine rode vruchten zoals framboos en rode bes, maar met meer scherpte en detail, vaak aangevuld door een frisse citrustoets of een subtiel kruidig, licht aards randje. In de mond voelt dit type Sorbara slank en levendig aan: hoge zuren zorgen voor energie, het geheel blijft licht op de tong, en de afdronk is helder en strak, soms met een discreet ziltig accent. Dat maakt hem bijzonder geschikt aan tafel: hij verfrist, snijdt door vet en zout, en blijft tegelijk moeiteloos drinkbaar.

Als je blind proeft, is Sorbara meestal de Lambrusco die het meest “verticaal” aanvoelt. Licht van kleur, geurend naar bloemen en kleine rode vruchten, en altijd gedreven door frisheid. Het enige wat je nog moet bepalen is welke bril je opzet: de charmante, zachtere frizzante versie of de moderne, droge en verfijnde spumante benadering.

Mijn favoriet

Ik mag het misschien niet luidop uitspreken, maar je hebt het aan de toon van dit artikel waarschijnlijk al gemerkt: Lambrusco di Sorbara is mijn favoriete Lambrusco. Niet omdat het verhaal eromheen zo spectaculair is, maar omdat deze druif in het glas een opvallend verfijnde diversiteit kan tonen. Bovendien belichaamt ze de nieuwe richting die Lambrusco is ingeslagen, bij de beste interpretaties kan je zelfs bijna vanzelf doorstappen naar een complexe metodo classico.

Wil je namen? Proef de wijnen van Cantina della Volta. Hun Trentasei is een millesimato met, hoe kan het ook anders, 36 maanden rijping op de lies en een dosage van 5 g/l. Zet dat naast een klassieke oldschool Sorbara en je begrijpt meteen wat ik bedoel.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt
  6. Lambrusco en zijn twaalf apostelen

Lambrusco en zijn twaalf apostelen

We zijn ondertussen al een heel eind gevorderd in onze verkenning van Lambrusco. We kennen de boeiende geschiedenis van deze ‘wilde’ druivenstok, we weten waar de wijngaarden liggen en hoe de wijn gemaakt wordt. Maar tot op heden hebben we Lambrusco bijna uitsluitend onder één noemer besproken. Technisch gezien is dat natuurlijk onjuist, want wie “Lambrusco” zegt, bedoelt zelden één druif. In wezen gaat het om een familie van autochtone variëteiten uit Emilia-Romagna (met een uitloper richting Mantova), die, afhankelijk van herkomstbenaming en producent, solo of in assemblage worden gebruikt.

In deze aflevering focussen we op de Lambrusco-familie als geheel. Je krijgt een leesbare stamboom en een overzicht van de belangrijkste variëteiten. De drie “A-spelers”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, noemen we uiteraard, maar we laten ze hier bewust grotendeels liggen: die verdienen hun eigen artikels.

De Lambruschi-familie

Historisch was “Lambrusco” een verzamelnaam voor lokale, vaak wat wild ogende druiven die uitstekend gedijden op de vruchtbare vlaktes rond Modena en Reggio Emilia. Pas met modern ampelografisch en genetisch onderzoek werd duidelijk dat het niet om één druif gaat, maar om een cluster van nauw verwante variëteiten. Sommige zijn duidelijk als ouder en kind te koppelen; andere zijn eerder “neven en nichten”, zonder dat we vandaag een sluitend ouderpaar kunnen aanwijzen.

Wanneer we het over Lambrusco hebben als druif (en niet als wijnstijl), verwijst de naam dus niet naar één ras. In de praktijk circuleren er zelfs meer dan zestig Lambrusco-benamingen of -types. Niet al die namen zijn echter even relevant in de wijngaard of in de kelder. Voor het kwaliteitsverhaal kunnen we het veld herleiden tot een twaalftal sleutelvariëteiten: Sorbara, Salamino, Grasparossa, Foglia Frastagliata, Barghi, Maestri, Marani, Montericco, Oliva, Viadanese, Benetti en Pellegrino.

Lambrusco is doorheen de tijd uitgegroeid tot een echte druivenfamilie, met herkenbare genetische banden tussen een belangrijk deel van deze sleutelvariëteiten. Precies daarom spreken we correcter van Lambruschi. Een familie betekent dat de variëteiten dezelfde naam dragen én genetisch aan elkaar verwant zijn. “Lambruschi” dus. Een andere veel voorkomende naam in Italië, Trebbiano bijvoorbeeld, is géén familie maar een groep. Dat betekent: de variëteiten dragen dezelfde naam, maar ze zijn genetisch niet (of niet noodzakelijk) verwant. Trebbiano di Toscana, Trebbiano di Soave en Trebbiano Spoletino delen vooral een stuk van hun naam, niet hun DNA.

Een vaak voorkomend misverstand is dat Lambrusco verwant zou zijn aan de Amerikaanse soort Vitis labrusca. Dat is niet het geval: Lambrusco behoort tot de Europese wijnstoktraditie (Vitis vinifera) en staat los van Vitis labrusca.

Een poging tot stamboom

Een volledige stamboom van Lambrusco bestaat niet. Eeuwen van lokale selectie, spontane kruisingen en een flinke dosis naamverwarring hebben nu eenmaal sporen nagelaten. Toch laat modern DNA-onderzoek toe om enkele duidelijke lijnen te trekken, waardoor het geheel minder mistig wordt. Je ziet daarbij geen één allesverklarende stamvader, maar wel een paar sturende knooppunten die telkens opnieuw opduiken in de verwantschap tussen verschillende Lambruschi. Denk dus eerder aan een verwantschapskaart dan aan een klassiek genealogisch schema.

Belangrijk om mee te nemen: zo’n genetische kaart vertelt iets over verwantschap, niet automatisch over belang. De “grote drie”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, blijven de hoofdrolspelers, maar ze laten zich niet allemaal even netjes langs éénzelfde DNA-corridor in een pijlenschema tekenen. Salamino duikt bijvoorbeeld wél in een duidelijke verwantschapslijn op; Sorbara en Grasparossa markeer je eerder als centrale referentiepunten binnen de familie, ook wanneer de genetische lijnen in de literatuur minder eenduidig of minder compact worden voorgesteld.

Eén van de knooppunten die wél herhaaldelijk terugkomt in genetische studies is Besgano nero. Die oudere variëteit fungeert als een soort familie-anker: niet als fundament van de hele Lambrusco-wereld, maar wel als cruciale schakel achter meerdere leden van de genetische kern. Vanuit Besgano nero vertrekken duidelijke lijnen naar Benetti, Barghi en Marani, en er zijn ook genetische verbanden met Salamino en Oliva. Precies dat verklaart waarom Lambrusco ondanks familiebanden nooit één smaakprofiel wordt: verwantschap creëert herkenbare trekken, maar geen uniformiteit.

Naast deze Besgano-nero lijn zie je binnen de genetische kern ook variëteiten die een eigen traject volgen. Maestri verschijnt bijvoorbeeld als een duidelijke aparte lijn en is net daarom zo relevant: hij brengt vaak een heel ander gewicht in het glas en kan een blend letterlijk “optillen” in kleur en structuur. Dat soort zijpaden tonen mooi aan dat zelfs binnen één familie de karakters uiteen kunnen lopen.

Daarnaast blijven er binnen de klassieke sleutelset namen die in de praktijk sterk met Lambrusco verbonden zijn, maar die je beter niet te hard in hetzelfde ouder-kind schema duwt. Montericco en Pellegrino passen voor veel auteurs in dat vakje: ze horen thuis in het Lambrusco-verhaal en worden vaak als sleutelvariëteiten vermeld, maar hun exacte positie in de genetische puzzel laat zich minder vlot in één duidelijke pijl gieten.

Tot slot zijn er variëteiten die in stijl en historiek zeer herkenbaar zijn, maar waarbij een te strak schema vooral nuance kapotmaakt. Foglia Frastagliata is zo’n geval: een uitgesproken identiteit, maar niet handig te reduceren tot één simpele afstammingslijn. Hetzelfde geldt voor Viadanese, dat regionaal sterk verankerd is richting Lombardije en Mantova en binnen het Lambrusco-spectrum een eigen traject en accent bewaart.

Zo krijg je een stamboom die niet pretendeert elk draadje perfect te ontwarren. Tegelijk toont ze ook waar de puzzel nog open ligt: van twee hoofdrolspelers, Sorbara en Grasparossa, is het ouderschap in de beschikbare studies niet op dezelfde manier strak in één ouder-kindlijn vast te zetten als bij sommige andere Lambruschi. Sorbara blijft in dat opzicht een kernlid met een nog niet sluitend ingevuld ouderpaar, terwijl Grasparossa wel duidelijk binnen de Lambrusco-verwantschap valt maar een andere genetische route volgt dan de Besgano-nero corridor. Over één punt bestaat wél brede overeenstemming: zowel Sorbara als Grasparossa tonen genetische verwantschap met de Lambrusco-cluster en worden als volwaardige leden van de familie beschouwd.

De negen bijrolspelers!

1. Lambrusco Marani

Lambrusco Marani is in de wijngaard herkenbaar als een groeikrachtige variëteit met een middelhoge tot hoge productie. Doordat de basale knoppen doorgaans goed vruchtbaar zijn, verdraagt hij ook een korte snoei. Hij voelt zich het best in vruchtbare omstandigheden met diepe, goed drainerende bodems en voldoende warmte. Dat verklaart waarom Marani vandaag vooral voorkomt in het noordoosten van de provincie Reggio Emilia en, in mindere mate, in vergelijkbare zones van Modena, maar ook nog terug te vinden is rond Parma en richting Mantova. Het uitlopen gebeurt gemiddeld, de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Qua gevoeligheden toont hij een normale weerbaarheid tegen de klassieke wijnbouwproblemen, met in sommige situaties zelfs een opvallend goede tolerantie voor botrytis. Dat Marani al sinds de 19de eeuw rond Reggio Emilia wordt vermeld, onderstreept vooral hoe stevig hij historisch in die zone verankerd is.

Qua kleur toont Marani zich meestal levendig robijnrood, eerder helder dan diep. Die relatief lichte kleur maakt hem niet alleen geschikt voor rode Lambrusco’s, maar ook voor witte vinificatie (Lambrusco bianco) en voor mousserend. Zijn aciditeit ligt vaak vrij hoog: ze geeft extra glans aan de kleur en brengt een licht ziltige toets naar voren. Tegelijk blijft de tannine doorgaans bescheiden. In vergelijking met Lambrusco Maestri is Marani meestal minder tanninerijk en minder “vlezig”, waardoor het mondgevoel lichter kan uitvallen en in sommige jaren een vegetale toets kan opduiken. In de neus blijft het profiel fijn en delicaat, met fruittonen van marasca, ribes en zwarte bes en een florale lijn waarin viooltjes centraal staan, aangevuld met nuances van iris en pioenroos. Wanneer hij goed gemaakt is, kan Marani opvallend verfijnd, helder en sappig zijn, met een mooie kern van zwarte bes en rode kers.

Binnen Reggiano DOC Lambrusco geldt hij als een belangrijke pijler, vooral in assemblage met andere Lambruschi. Net door zijn frisse zuurstructuur en milde tannine werkt hij in blends als een betrouwbare “middenmotor”: hij brengt balans, rondt af en geeft het geheel een stabiel smaakcentrum. Tegelijk zijn de aanplantingen teruggelopen omdat moderne producenten vaker herplanten met de rijkere en fruitigere Lambrusco Maestri.

2. Lambrusco Maestri

Lambrusco Maestri wordt traditioneel gelinkt aan de provincie Parma, met als historische verwijzing het gebied rond Villa Maestri bij San Pancrazio. Vandaag ligt zijn zwaartepunt echter in Reggio Emilia, met een uitgesproken aanwezigheid in het westen van de provincie, onder meer rond Montecchio, Boretto en Gualtieri. Tegelijk is Maestri opvallend aanpasbaar: je vindt hem dan ook buiten Emilia, zelfs tot in Puglia. Hij kan zowel op minder vruchtbare hellingen als op rijkere vlaktegronden gedijen, al presteert hij vaak het best wanneer de bodem niet té weelderig is. In de wijngaard toont hij een goede weerstand tegen de belangrijkste problemen zoals peronospora en oïdium, terwijl hij voor botrytis vaak gevoeliger blijkt. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is eerder laat en valt meestal eind september tot begin oktober.

Maestri combineert een hoge groeikracht met een hoge productiviteit en heeft meestal een goede vruchtbaarheid van de basale knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is (al blijkt die aanpak niet altijd de beste keuze om kwaliteit te sturen). In het glas is het profiel meteen duidelijk: Maestri is vaak de meest intens gekleurde Lambrusco, met een donker robijnrode tot paarsgetinte kleur en uitgesproken paarse reflecties. Hij levert wijnen met meer body en een stevigere tanninestructuur, maar kan tegelijk opvallend fruitig, rond en onmiddellijk aantrekkelijk overkomen. Aromatisch kan het spectrum breed zijn: donkere pruim en rijpe zwarte kers vormen vaak de kern, geregeld aangevuld met een romige toets die aan melkchocolade doet denken, een florale lijn van viooltjes en, bij bepaalde stijlen, een speels snoepjesachtig accent dat aan kauwgom of druivensnoep doet denken. Wanneer hij goed gemaakt is en de opbrengsten worden getemperd, worden de aroma’s zuiverder en duidelijker afgelijnd, met heldere tonen van kers en wilde bosbessen naast de viooltjesgeur.

In assemblage is Maestri een echte bouwsteen. Door zijn kleur en fruit wordt hij vaak ingezet om blends meer diepte en aantrekkingskracht te geven. Hij werkt mooi samen met Lambrusco Salamino en kan ook gebruikt worden om Lambrusco di Sorbara meer kleur te bezorgen. Opvallend is dat Maestri in verschillende wijngaardzones terrein heeft gewonnen ten opzichte van Marani: zijn aanpasbaarheid en zijn rijkere fruitprofiel maken hem voor moderne producenten een logische keuze bij heraanplant.

3. Lambrusco Oliva

Lambrusco Oliva is vandaag eerder zeldzaam, al genoot hij in het verleden een zekere bekendheid. Hij werd lange tijd geassocieerd met Lambrusco Oliva Grosso, in de volksmond ook wel Lambruscone genoemd, een wijn die vooral op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw naam maakte. Die “Lambruscone” wordt in oorsprong soms gelinkt aan Lambrusco di Fiorano, wat mee verklaart waarom de naam Oliva vandaag af en toe tot verwarring leidt. Oliva dankt zijn naam aan de elliptische, olijfachtige vorm van de bes. Je komt hem vandaag nog sporadisch tegen in oude aanplantingen.

In de wijngaard is Oliva een uitgesproken rustieke en breed inzetbare variëteit. Hij kan zich aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden, zelfs op erg vruchtbare bodems, op voorwaarde dat je zijn natuurlijke groeikracht actief onder controle houdt. Hij draagt al goed aan de eerste knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is. In de praktijk vraagt hij echter nuance, want de productie is niet altijd constant en de scheuten kunnen vrij fragiel zijn. De rijping valt meestal in de tweede helft van september. Oliva heeft bovendien een hekel aan overdreven natte lentes en toont gevoeligheid voor zowel oïdium als peronospora.

In het glas kan Oliva daarentegen bijzonder aantrekkelijk uitpakken. Hij geeft een rijk gekleurd robijnrood met een goede intensiteit en paarse reflecties. De neus wordt vaak omschreven als intens, fijn en complex, met duidelijke tonen van rood bessig fruit, kers en kruidigheid. In de mond blijven aciditeit en astringentie relatief beperkt, terwijl de structuur goed aanwezig is. De tannine is licht, het geheel blijft evenwichtig, en volgens sommigen vertoont het smaakprofiel raakvlakken met Lambrusco Salamino.

Oliva duikt geregeld op in het overzicht van Lambrusco-variëteiten, maar je ziet hem minder vaak als monocepage op het etiket. Net in assemblage kan hij daarom nuttig zijn: zijn fruitige, milde karakter en zachte tannine helpen strengere componenten afronden.

4. Lambrusco Montericco

Lambrusco Montericco wijkt, qua uiterlijke kenmerken, duidelijk af van de andere Lambruschi. Oorspronkelijk stond hij bekend als Selvatica di Montericco en men gaat ervan uit dat hij afkomstig is uit de omgeving van Montericco di Albinea, in de provincie Reggio Emilia. Er zijn aanwijzingen dat hij er al sinds de 19de eeuw wordt aangeplant, met een historische band tussen Broletto en Montericco. Vandaag duikt hij ook elders in de provincie Reggio Emilia op, al blijft zijn natuurlijke biotoop vooral het heuvelachtige reggiano, bij voorkeur in minder vruchtbare omstandigheden.

Zijn verspreiding en reputatie worden mee bepaald door een uitgesproken neiging tot millerandage: trossen met zeer kleine, vaak verder uit elkaar staande bessen. Daarbij blijft de kleurvorming soms achter, omdat de bessen niet altijd volledig “op kleur” komen. Het gevolg is dat de wijnen minder kleurintensiteit halen dan je van Lambrusco verwacht en vaker naar lichtere, blekere roodtinten neigen. Het uitlopen is gemiddeld, maar de rijping is laat: vaak tussen 5 en 15 oktober. Montericco is bovendien geen uitgesproken groeikrachtige plant: hij groeit minder krachtig dan veel andere Lambruschi en heeft een vrij rechtopgaande groeiwijze. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen start pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder vanzelfsprekend is voor extreem korte snoei.

In het glas zie je de gevolgen van die millerandage en de late, soms onvolledige kleurontwikkeling: de wijn blijft robijnrood maar niet erg intens en kan soms richting kersachtig lichtrood (bijna rosé) neigen. De structuur is gemiddeld, met een levendige zuurgraad en een lage tanninestructuur, wat de wijnen bijzonder doordrinkbaar maakt en meteen verklaart waarom Montericco ook interessant kan zijn voor mousserende stijlen. Aromatisch blijft het profiel delicaat, met fruittonen van braam en bosvruchten, aangevuld met florale accenten die aan rozenbottel en viooltjes doen denken.

5. Lambrusco Viadanese

Lambrusco Viadanese staat ook bekend onder het synoniem Groppello Ruberti. De naam verwijst naar de gemeente Viadana in Mantova, waar de variëteit vandaag het sterkst aanwezig is, naast aanplantingen in de lagere vlaktes van Reggio Emilia. Het synoniem Groppello Ruberti wordt vaak verklaard als een eerbetoon aan de agronoom Ugo Rubelli, die de druif op het einde van de 19de eeuw zou hebben geïdentificeerd, geselecteerd en mee verspreid. Daarmee is Viadanese meteen het geografische buitenbeentje binnen de Lambruschi: sterker verankerd rond Viadana en Mantova dan rond de klassieke Modena/Reggio-kern.

In de wijngaard toont Viadanese een goede groeikracht en een betrouwbare productiviteit. De eerste echt vruchtbare scheuten verschijnen meestal pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder geschikt is voor heel korte snoei en beter functioneert met jaarlijks te vernieuwen hout, zoals bij Guyot. Daarbij is enige voorzichtigheid nodig, want de scheuten kunnen breekbaar zijn en bij overbelasting kan de opbrengst terugvallen. Viadanese doet het vaak goed op bodems met een gemiddelde vruchtbaarheid, bij voorkeur met een kleiige inslag, zelfs wanneer die gronden zwaarder aanvoelen. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Zijn rustieke karakter geeft hem bovendien een zekere tolerantie tegenover de belangrijkste schimmelziekten.

In het glas levert Viadanese een diep robijnrood met veel glans. Het profiel is stevig, met een goede zuurgraad en een merkbare tanninestructuur, maar tegelijk meestal afgerond en harmonieus van bouw. Aromatisch is hij mooi intens, met typische accenten van kers, amarena en braam, aangevuld met florale toetsen die vaak aan viooltjes doen denken. Stilistisch kan hij een iets andere toon zetten, met geregeld meer nadruk op rijper fruit en een rondere textuur, afhankelijk van opbrengst en vinificatie. Daardoor past hij goed in Lambrusco’s die een soepel, gul profiel nastreven.

6. Lambrusco Foglia Frastagliata

Lambrusco Foglia Frastagliata is binnen de Lambruschi een opvallende buitenstaander qua herkomst. Zijn domesticatie zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden op de morenische gronden tussen de Adige rivier en het Gardameer. Dat verklaart meteen zijn zwaartepunt: hij komt vooral voor in Trentino en in het Veronese, terwijl hij in de twee klassieke Emiliaanse provincies slechts marginaal aanwezig is. De naam is zeer letterlijk en verwijst naar de sterk ingesneden, breed uitgewaaierde bladeren met uitgesproken “sinussen”.

Foglia Frastagliata toont vaak een minder uitbundige groeikracht dan veel Lambruschi uit de vruchtbare vlaktezones rond Modena en Reggio. Hij kan zich wel aanpassen aan vruchtbare bodems, maar verkiest lichtere, lossere gronden met een grotere zandcomponent. Het uitlopen gebeurt laat, wat hem vaak helpt om aan voorjaarsvorst te ontsnappen. Ook de rijping schuift laat op: meestal in de eerste tien dagen van oktober. In de wijngaard geldt hij als een rustieke variëteit met een goede ziekteweerstand. De vegetatie groeit half rechtop en de tweede knop is vruchtbaar, wat hem in de praktijk vrij flexibel maakt in snoei en leivorm.

In het glas geeft Foglia Frastagliata vaak een rood-violette kleur met paarse reflecties. De structuur is goed, met een frisse indruk, een licht hartige toets en weinig astringentie. Aromatisch blijft het profiel uitgesproken “rustiek”, met licht vegetale accenten van wilde bloemen en viooltjes, aangevuld door fruittonen van braam, kers en bosvruchten. In de beste rijpingsjaren kan daar zelfs een nuance van gedroogd fruit bij komen, zoals pruim. Dan toont hij ook een verrassend mooie, aanhoudende geur- en smaaklengte. In assemblage waarderen wijnmakers hem omdat hij frisheid en structuur kan brengen zonder dat de wijn mager wordt: hij maakt het geheel strakker, tekent de structuur en voegt aromatische nuance toe.

7. Lambrusco Benetti

Lambrusco Benetti geldt als een vitigno minore: een minder verspreide Lambrusco die vooral voorkomt in het Modenese, met een zwaartepunt rond Campogalliano en Carpi. De eerste beschrijvingen dateren uit 1945, wat Benetti tegelijk een relatief laat gedocumenteerd, maar wel duidelijk autochtoon karakter geeft binnen die lokale context.

In de wijngaard is Benetti een rustieke, groeikrachtige en productieve variëteit, met één duidelijke zwakke plek: hij verdraagt droogte minder goed. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen is goed, waardoor korte snoei mogelijk is. Hij start vroeg in het seizoen, maar de rijping verloopt traag en lang: theoretisch is hij begin oktober rijp, al loont het vaak om nog wat langer te wachten met oogsten. Die extra tijd aan de stok is net functioneel: Benetti heeft relatief weinig kleurstoffen in de schil, en een langere rijping helpt om meer kleur en een rijpere expressie te ontwikkelen. Praktisch is er nog een voordeel: net omdat Benetti later kan worden geplukt, kan hij helpen om de oogstplanning in de kelder te spreiden.

De trossen zijn gemiddeld los, wat hem toleranter maakt tegenover rot en hem in sommige contexten interessant maakt voor biologische teelt. In het glas levert Benetti een helder robijnrood met paarse reflecties. De neus is intens en aangenaam, met een duidelijke florale component. In de mond toont hij een evenwichtige, middelmatige structuur, gedragen door een opvallend hoge zuurgraad. Het smaakprofiel kan een licht bittertje hebben, wat hem een strakker einde geeft. Door het voorkomen van onregelmatig rijpende bessen binnen de tros kan Benetti bovendien ook richting rosé-stijlen werken, waar minder extract en kleurintensiteit net een voordeel kunnen zijn.

Benetti is zo’n klein puzzelstukje dat je zelden als hoofdrolspeler ziet, maar dat in assemblage wél betekenis krijgt. Hij ondersteunt blends met frisheid en structuur, kan het geheel strakker aflijnen en blijft tegelijk een handig instrument door het vaak iets latere plukvenster. In de kelder is hij dus meer de stille kracht: nuance, samenhang en bovendien inzetbaarheid voor rosato.

8. Lambrusco Barghi

Lambrusco Barghi heeft in Reggio Emilia een duidelijke historische voetafdruk. De variëteit werd geïntroduceerd op het domein van graaf Corbelli (Rivalta en Castelnuovo di Sotto) en was in de Reggiaanse zone al goed verspreid sinds de 19de eeuw, al wordt zijn oorsprong door sommige auteurs eerder buiten Emilia gezocht, mogelijk in Toscane of in de streek rond Piacenza. Vandaag ligt zijn kern vooral rond Montecchio en Sant’Ilario d’Enza, in de provincie Reggio Emilia. Dat hij daar standhoudt, wijst erop dat Barghi in het verleden als druif met interessante oenologische mogelijkheden werd gezien.

Toch is Barghi altijd een druif met een “maar” gebleven. Het grootste struikelblok is de lage mostopbrengst, rechtstreeks gelinkt aan de opvallend dikke schil. Die schil belooft extract en kleur, maar maakt vinificatie minder efficiënt: je krijgt relatief weinig sap, en het evenwicht tussen schil en most kan het maceratiebeheer delicaat maken. Net daarom is het interessant dat moderne vinificatietechnieken het potentieel van Barghi opnieuw in een ander licht kunnen zetten. In de wijngaard werkt die dikke schil overigens ook in zijn voordeel: samen met een gemiddeld losse tros geeft ze Barghi een goede weerstand tegen botrytis. De groeikracht is stevig, in lijn met veel Lambruschi, en de rijping valt meestal eind september.

In het glas kleurt Barghi intens robijnrood. De aromatische intensiteit is vaak middelmatig, maar het profiel kan mooi verfijnd zijn, met bramen, framboos en kers als kern. Bij langere maceraties schuift het fruitprofiel op naar gedroogde pruim, en kunnen er ook toetsen opduiken van zoethout of koffie. De zuurgraad en de hartige toets liggen meestal rond het midden. Opvallend is dat de tanninestructuur vaak bescheiden blijft, niet omdat de schil dun is, maar omdat een correcte, evenwichtige maceratie net door die verhouding schil/most moeilijker te sturen is. De finale blijft doorgaans correct, met een discrete maar aangename lengte.

Barghi is één van die namen die je minder vaak op etiketten ziet, maar die inhoudelijk boeiend blijft: historisch lokaal aanwezig, vandaag vooral interessant omdat hij kleur en extractpotentieel koppelt aan een verfijnd, klassiek aromaprofiel. In assemblage kan hij als karakterdruif extra ruggengraat en lokale identiteit geven, al vraagt hij in de kelder een zorgvuldige aanpak door zijn lage sapopbrengst en de delicate maceratiebalans. Precies daar ligt ook zijn herontdekkingswaarde: met moderne vinificatietechniek kan Barghi meer laten zien dan hij vroeger vaak mocht tonen.

9. Lambrusco del Pellegrino

Lambrusco del Pellegrino staat zelden in de spotlights, maar is inhoudelijk boeiend. De druif duikt in historische contexten ook op onder benamingen zoals Lambruscone en Lambrusco di Fiorano. Vandaag situeert zijn kern zich vooral in en rond Modena (onder meer Nonantola, Fiorano, Modena en Formigine), met daarnaast ook aanwezigheid in de heuvelzone van Reggio Emilia.

In de wijngaard is dit geen “brute kracht”-Lambrusco. De groeikracht blijft eerder beperkt en de opbrengst is doorgaans niet overdreven hoog, al is de vruchtbaarheid op de eerste knoppen opvallend goed. Hij start rond het midden van het seizoen, maar veraison en rijping schuiven laat op. Praktisch is hij interessant omdat hij een sterke tolerantie kan tonen voor botrytis, terwijl de gevoeligheid voor meeldauw en valse meeldauw eerder gemiddeld blijft.

In het glas is Pellegrino geen lichtgewicht. De druif kan behoorlijk rijp worden en dus vulling en body meebrengen, terwijl de zuurgraad voldoende levendigheid bewaart en de structuur correct overeind blijft. Het profiel is minder geparfumeerd maar biedt meer ruggengraat, zonder noodzakelijk zwaar te worden.

Als bijrolspeler is Lambrusco del Pellegrino vooral nuttig in assemblage wanneer je structuur en stabiliteit zoekt zonder hardheid. Hij kan body en vulling leveren, een blend helpen “zetten” en blijft tegelijk een handige component in uitdagende jaren.

Een mooi vooruitzicht

Wie een kwalitatieve Lambrusco drinkt, zal meestal niet rechtstreeks met deze minder bekende variëteiten geconfronteerd worden. Van de twaalf sleutelnamen focusten we hier op de negen bijrolspelers; de grote drie krijgen een eigen vervolg. Dat maakt hun rol niet kleiner, integendeel: elk van deze druiven draagt op zijn manier bij, als nuancegever, bouwsteen of stille versterker in assemblage. De komende weken zetten we Sorbara, Salamino en Grasparossa centraal, en geven we tegelijk meer aandacht aan de herkomstzones waar ze het best tot hun recht komen.

Reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
  5. Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Lambrusco was vroeger misschien een wijn die je eenvoudig kon definiëren, maar vandaag is dat helemaal niet meer zo. De veelheid aan vinificatiemogelijkheden heeft Lambrusco intussen ook bereikt en legt daardoor telkens andere accenten in het glas. Het is een wijn met vele gezichten geworden, en voor de consument is het dus opletten geblazen bij de aankoop. Het etiket vertelt je veel, op voorwaarde dat je het wijnjargon kan vertalen naar mensentaal. In dit vierde artikel van onze zondagse Lambrusco-reeks proberen we die diversiteit te ontrafelen en helder te maken welke stijlen vandaag mogelijk zijn. Van fizzy naar sparkling en van secco naar amabile: de vinificatie stuurt het eindresultaat.

Twee types Lambrusco: frizzante en spumante

Los van de vinificatiemethodes kan je Lambrusco in twee categorieën plaatsen op basis van het type bubbel dat je in het glas krijgt. Enerzijds is er Lambrusco frizzante, de “fizzy” stijl: licht bruisend, speels en direct, gemaakt om frisheid en onmiddellijke drinkbaarheid te leveren. Anderzijds is er Lambrusco spumante, de “sparkling” stijl: volwaardig schuimend, met hogere druk, een duidelijker schuimkraag bij het inschenken en doorgaans ook meer ambitie qua structuur en verfijning. Voor de consument is dit meteen een eerste sleutel om een etiket te lezen, want frizzante en spumante zeggen in de eerste plaats iets over hoe de wijn zich zal gedragen in het glas.

Frizzante en spumante verschillen immers vooral in intensiteit. Frizzante parelt zachter en voelt in de mond lichter en losser aan. Spumante zit hoger in druk en geeft vooral een fijnere en nadrukkelijkere pareling in het glas. Dat is niet alleen een verschil in bubbels, maar ook in stijl: frizzante draagt vaak het sappige, fruitgedreven en dorstlessende karakter van Lambrusco, terwijl spumante sneller richting finesse en gastronomische inzetbaarheid schuift.

Vanaf hier wordt het interessant, want het type bubbel en de vinificatiemethode zijn niet exact hetzelfde, al hangen ze wel nauw samen. Laat me dat zo eenvoudig mogelijk kaderen. Metodo ancestrale levert in de praktijk bijna altijd frizzante op, omdat de hergisting in de fles gebeurt op basis van natuurlijke restsuikers en actieve gisten. De drukopbouw blijft daardoor doorgaans gematigder, de pareling subtieler en het resultaat kan licht troebel zijn door de aanwezige gistresten. Dat is precies waarom ancestrale Lambrusco zo herkenbaar is: levend, direct en ambachtelijk, met een beperkte pareling.

Metodo classico is het andere uiterste en resulteert bij Lambrusco vrijwel altijd in spumante. Hier wordt de tweede gisting in de fles doelbewust en gecontroleerd opgestart en volgt er een traject waarbij druk, pareling en rijping centraal staan. De belletjes zijn doorgaans fijner, talrijker en langduriger aanwezig. De rijping op de lies bouwt extra structuur en complexiteit op, waardoor de wijn minder op onmiddellijk fruit speelt en meer op draagkracht aan tafel.

Metodo Martinotti, oftewel Charmat, zit ertussenin en is daarom de flexibele schakel. Deze methode kan zowel frizzante als spumante opleveren, omdat de tweede gisting in een drukbestendige tank plaatsvindt en de producent daar de drukopbouw technisch kan sturen. In deze autoclave kan men bewust op lagere druk mikken om een frizzante stijl te maken, of verder laten opbouwen tot een hogere druk voor een volwaardige spumante. Ook keuzes rond duur, temperatuur en botteling onder druk bepalen hoe intens de pareling aanvoelt. Dat verklaart meteen waarom Martinotti in Lambrusco zo’n dominante rol speelt: het is de methode die, vertrekkend van hetzelfde fruitgedreven DNA, zowel een lichtvoetige frizzante als een voller spumante profiel mogelijk maakt.

Terug zoals het ooit was: Metodo ancestrale of col fondo

Wie Lambrusco in zijn meest “oorspronkelijke” gedaante wil proeven, komt al snel uit bij metodo ancestrale. Niet omdat dit per se een romantische terugblik op vroeger is, maar omdat het perfect aansluit bij wat Lambrusco kan zijn: licht, levendig, dorstwekkend en vooral erg direct. In plaats van bubbels technisch op te bouwen tot een strak, uniform schuimwijnprofiel, laat men de wijn in deze stijl op een natuurlijke manier verder vergisten in de fles. Dat resulteert vrijwel altijd in een frizzante beleving: beperktere pareling, minder druk, en een wijn die meer “wijn” blijft dan “schuimwijn”.

Concreet betekent ancestrale bij Lambrusco dat men bottelt terwijl er nog een beetje vergisting in de wijn zit. De resterende suikers en de aanwezige gisten doen in de fles het werk verder, waardoor koolzuur ontstaat dat in de wijn wordt vastgehouden. Omdat men doorgaans niet dégorgeert, blijven gistresten aanwezig. Dat is meteen de reden waarom je deze flessen vaak licht troebel ziet en waarom het mondgevoel anders aanvoelt dan bij een helder gefilterde Martinotti-versie. De zuren komen vaak puurder en strakker door, met een levendige spanning en soms een licht gistige, korrelige toets. Aromatisch kleuren die gisten het profiel mee: naast het fruit verschijnen vaker brooddeegachtige, gistige en soms licht kruidige of reductieve accenten. Dit zijn bovendien flessen die je vaak met een kroonkurk afgesloten ziet.

Een benaming die je de laatste jaren steeds vaker op het etiket tegenkomt, is col fondo, letterlijk “met bezinksel”. In Lambrusco-context duidt dat op wijnen waarbij het depot bewust in de fles blijft. Het is verwant aan wat je internationaal soms als pét-nat-stijl ziet, al blijft de lokale terminologie hier belangrijker dan het modewoord. Sommige producenten raden aan om de fles voorzichtig rechtop te bewaren en helder uit te schenken, zodat het laatste glas troebeler en gistrijker blijft. Anderen vragen net om de fles vóór het serveren even voorzichtig te schudden, zodat het depot weer mee loskomt en je het volledige, meer “rustieke” profiel ervaart. Beide serveerstijlen bestaan naast elkaar, en ze geven effectief een andere ervaring: helder uitgeschonken is de wijn strakker en fruitiger, volledig gemengd wordt hij ronder, gistrijker en vaak iets complexer.

In het glas herken je ancestrale/col fondo Lambrusco vooral aan zijn ongedwongen karakter. De pareling is beperkter dan bij metodo classico, maar het drinkt vaak gevaarlijk vlot. Fruit blijft een kerncomponent, met kers en aardbei op kop, soms aangevuld met een florale toets die aan viooltjes doet denken, maar de omlijsting wordt aardser en puurder door die gisten. Dat kan prachtig werken bij de lokale keuken, omdat het niet alleen verfrist maar ook textuur en hartigheid kan oppikken. Het vraagt wel precisie van de producent: als de basiswijn niet zuiver is, valt dat sneller op in deze minimalistische stijl.

De standaardaanpak: Metodo Martinotti (Charmat)

Hoe populair de andere methodes de laatste jaren ook worden, Metodo Martinotti blijft de meest gebruikte en herkenbare manier om Lambrusco te maken. Dat is in principe volkomen logisch: dit is de techniek die het fruit, de florale toetsen en het jeugdige temperament van Lambrusco het best intact houdt. Je krijgt Lambrusco zoals veel locals hem het liefst drinken: toegankelijk, aromatisch en gemaakt om meteen aan tafel te zetten.

Bij Martinotti ontstaan de bubbels niet in de fles maar in een drukbestendige tank. Daardoor kan de wijnmaker veel preciezer sturen op het eindresultaat. Het grote voordeel is niet alleen controle, maar ook zuivere aromatiek: primaire aroma’s blijven helder en herkenbaar, zonder dat ze overschaduwd worden door uitgesproken gist- of rijpingstonen. Denk aan kers, aardbei en braam, soms met een florale toets van viooltjes, aangevuld met dat typische kruidige randje dat je bij Lambrusco vaak tegenkomt. De wijn blijft geurig en fris, met een mondgevoel dat vooral op sappigheid en vaart speelt.

Martinotti kan, afhankelijk van de gekozen druk, zowel frizzante als spumante opleveren. In het glas blijft de stijl echter herkenbaar: een sappige aanzet, zuren die het geheel verfrissen en een pareling die de mond zuivert. Het is geen methode die bedoeld is om jaren rijpingscomplexiteit op te bouwen; de charme zit in directe expressie en onmiddellijke drinkbaarheid.

Tegelijk moeten we eerlijk blijven over het marktbeeld. Hoezeer Lambrusco de laatste jaren een kwaliteitsboost kent en hoe boeiend de nieuwe, drogere stijlen ook zijn, het merendeel van de flessen die je vandaag nog tegenkomt blijft eenvoudig van stijl. En vooral: vaak (te) zoet. Dat is precies de stijl die bij veel consumenten nog altijd het “frisdrank-idee” oproept. Je kan zoetheid bij verschillende methodes terugvinden, maar in de praktijk zal je die associatie het vaakst tegenkomen bij Martinotti, omdat dit nu eenmaal de methode is waarmee het grootste volume wordt gemaakt en waarmee producenten heel consistent kunnen mikken op een zacht, toegankelijk profiel. Voor de lezer is dit het belangrijkste waarschuwingslampje: een Lambrusco met bubbels is niet automatisch droog of gastronomisch; het etiket moet het je vertellen.

Metodo Classico: met uitgesproken ambitie

“The sky is the limit” is misschien wel het verwachtingspatroon dat vandaag rond Lambrusco ontstaat, zeker als je kijkt naar de opvallende toename van metodo classico-versies. Deze vinificatie zag je vroeger slechts sporadisch bij Lambrusco, en wie het toch probeerde, kreeg er niet zelden hoongelach bovenop. Dat is vandaag niet langer het geval. Er is een nieuwe Lambrusco-wereld opengegaan waarin steeds meer kwaliteitsproducenten óf al minstens één metodo classico in hun gamma hebben, óf er zichtbaar mee experimenteren.

Bij metodo classico gebeurt de tweede gisting in de fles en rijpt de wijn op zijn gistcellen, zoals bij Champagne. Dat verandert het spel, vooral in de manier waarop de bubbels zich gedragen. De pareling wordt doorgaans fijner, talrijker en langduriger, en het mondgevoel krijgt meer draagkracht. Lambrusco behoudt daarbij zijn kernsmaak, maar de rijping op de lies schuift het aromatische spectrum subtiel op. Naast fruit duiken sneller nuances op die aan brooddeeg of broodkorst kunnen doen denken, soms met een nootachtige of licht geroosterde rand, afhankelijk van de rijpingsduur.

Dat deze stijl zo sterk in de lift zit, vind ik persoonlijk volkomen terecht. Tenzij men bewust anders kiest, zetten veel producenten hier een stap naar een drogere stijl. Weg van het zeemzoete, frisdrankachtige segment en richting verfijning, zonder het Lambrusco-eigen karakter te ontkennen. Classico is het visitekaartje van ambitie: meer tijd, meer werk en meer keuzes in de kelder, maar ook een Lambrusco die minder op eenvoud mikt en het imago van de regio mee optilt. Voor de consument is dit vaak een nieuwe ontdekking van een drogere, serieuzere Lambrusco. En bovendien eentje die ook echt aan tafel hoort.

De afwerking: kleur, zoetheid, druk en keuze

Los van de vinificatiemethode sturen producenten de uiteindelijke Lambrusco-stijl met drie praktische knoppen: kleur, zoetheid en druk. Dat is niets uitzonderlijks: dit is simpelweg de laatste afstelling die bij elke schuimwijn bepaalt hoe hij in het glas overkomt.

De meeste consumenten herkennen Lambrusco makkelijk omdat hij beroemd is om zijn roodpaarse gloed. Maar hij is niet altijd rood. Je vindt evengoed lichtere versies met een transparantere, frissere uitstraling. Bovendien kent het rosato-segment een groeiende interesse, en Lambrusco surft mee op die golf. Zelfs witte Lambrusco’s, waarbij men zeer beperkt of geen schilcontact gebruikt, duiken op de markt op. Onthoud dus: kleur zegt vooral iets over extractie, niet automatisch over zoetheid of kwaliteit.

De tweede knop is de zoetheid, en die herken je meestal aan termen op het etiket. Bij Lambrusco kom je vaak aanduidingen tegen zoals extra brut, brut, secco, (extra) dry, amabile en dolce. Extra brut en brut staan doorgaans voor de droogste interpretaties; je ziet die termen vandaag ook vaker opduiken bij de meer ambitieuze stijlen. Klassiek ging men in Lambrusco echter vaak voor secco: rosso secco of frizzante secco lees je geregeld op het etiket. Hoewel het letterlijk “droog” betekent, kan secco in de praktijk wat ronder aanvoelen dan brut, maar het blijft bedoeld als niet-zoete stijl. Daarna kom je bij de zachtere categorieën: (extra) dry zit meestal tussen droog en duidelijk zoet in, terwijl amabile echt op charme speelt, met meer restsuiker die fruit benadrukt en bittertjes of grip kan verzachten. Dolce is uitgesproken zoet en wordt meestal gekozen voor een duidelijk zachtere, fruitige stijl of voor een bewust contrast met zoute of pittige gerechten.

De derde knop hebben we al uitgebreid besproken: de druk bepaalt de intensiteit van de pareling. Frizzante voelt lichter en losser, spumante nadrukkelijker en voller.

De Lambrusco die je uiteindelijk in het glas wil, kan je zo perfect afstemmen op je eigen smaakprofiel. Persoonlijk ga ik resoluut voor de droge stijlen, zoals col fondo, of nog liever metodo classico extra brut. Veel consumenten die die richting ontdekken, blijven er verrassend snel aan hangen. Kies je voor de meer gekende en herkenbare zoetere Lambrusco, dan is daar niets mis mee: geniet met volle teugen van je amabile.

Zijn reeds verschenen in deze reeks:

  1. Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
  2. Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
  3. Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
  4. Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt