Schioppettino: De Peperknal uit Friuli

Of: hoe een vergeten druif, een podcast met Petrussa en een snufje rotundone een stille revolutie in je glas ontketent

Laat me je meenemen naar een podcast die ik recent beluisterde, waarin de Friuliaanse wijnmaker Vigna Petrussa openhartig sprak over één van de spannendste druiven van Noord-Italië: Schioppettino. De passie waarmee ze vertelden over hun wijnstokken, de bodem van Prepotto, en de mysterieuze geurcomponent rotundone, die geur van gemalen zwarte peper in je glas, was zo aanstekelijk dat ik meteen het diepe indook in deze druif met een tumultueus verleden en een hopelijk sprankelende toekomst.

Wat Shakespeare voor toneel is, is Schioppettino voor Friuli

Elke regio heeft zijn grote verteller. Voor toneel was dat Shakespeare: meester van dramatische wendingen met diepgravende karakters en verhalen die eeuwenlang blijven hangen. Voor Friuli is dat, zij het in vloeibare vorm, Schioppettino. Een druif die alle elementen van een goed drama bevat: een glorieuze oorsprong, tragisch verval, onverwachte comeback en een hedendaagse cultstatus.

Schioppettino, ook bekend als Ribolla Nera of in het Sloveens Pokalza, is geen doorsnee druif. Ze is temperamentvol, lastig in de wijngaard en zeker geen allemansvriend. Maar net als bij een Shakespeareaanse held, ligt haar kracht juist in die gelaagdheid. De druif werd al in de 13e eeuw verbouwd in het oosten van Friuli, langs de grens met Slovenië. Vooral in het dal van de Judrio-rivier, rond de dorpen Prepotto, Cialla en Albana, vond ze haar natuurlijke habitat. Daar, in de koele, goed geventileerde microklimaten op mergelbodems (ponca), kon ze schitteren.

Maar het ging mis!

In de 19e eeuw werd Schioppettino zwaar getroffen door de ziektes oidium en phylloxera. Wat volgde was geen pauze, maar een bijna definitieve exit. In de 20e eeuw was er geen plaats meer voor grillige druiven met lage opbrengsten. Consistentie en commercie waren koning. Zo verdween Schioppettino uit de wijngaarden en letterlijk ook van de radar: in 1970 haalde ze het niet eens tot de officiële lijst van toegestane druiven in de nieuwe Colli Orientali del Friuli DOC.

In 1978 volgde de reïncarnatie. Dankzij een paar koppige, visionaire wijnboeren in Prepotto, onder wie de familie Petrussa, werd Schioppettino opnieuw aangeplant. Niet omdat het moest, maar omdat het mócht. De wet werd aangepast, de druif werd gerehabiliteerd. Van obscure overlevering keerde ze terug als regionale ster.

De naam zelf is al pure poëzie: Schioppettino is afgeleid van het Italiaanse schioppare, ‘knappen’ of ‘ploffen’, een verwijzing naar het knapperige mondgevoel van de druif, de licht bruisende wijnen van vroeger, of misschien wel naar het onverwachte vuurwerk aan kruidigheid en zuren in het glas.

Vandaag de dag wordt Schioppettino weer gezien als een van dé identiteitsdragers van Friuli. Niet zomaar een lokale variëteit, maar een druif die met elegantie én karakter een compleet wijnverhaal vertelt.

Waar groeit de druif dan?

Als Schioppettino het hoofdpersonage is in het Friuliaanse wijnverhaal, dan is het toneel waarop hij schittert zonder twijfel de regio rond Prepotto, in de provincie Udine, vlak tegen de Sloveense grens. Hier, in een heuvelachtig landschap dat doet denken aan Toscane vóór het massatoerisme, is de druif in haar element. Geen glitter en glamour, maar een decor van oude stenen muren, mistige ochtenden en ponca-bodem: broze mergel die afbrokkelt onder je voeten en tegelijk de ruggengraat vormt van enkele van de meest karaktervolle wijnen van Italië.

Schioppettino is hier weer helemaal terug van weggeweest, en hoe! In topappellaties zoals Colli Orientali del Friuli en Friuli Isonzo is ze niet langer een verdwaalde bijrolspeler, maar mag ze in volle glorie optreden: in purezza, dus als monocépage, zonder blends, zonder trucjes. Gewoon druif, terroir en de wijnmaker als gids.

Maar laat je niet misleiden door die wederopstanding: Schioppettino is allesbehalve makkelijk. Warmte ligt haar niet want in hete jaren verliest ze haar finesse. Ze is gevoelig voor millerandage (ongelijke rijping binnen één tros), voor ziektes zoals peronospora, en stelt hoge eisen aan haar ondergrond. Die moet bestaan uit ponca, een gelaagde mix van zandsteen en kalkhoudende klei, die water goed afvoert en tegelijk mineralen vasthoudt. Combineer dat met constante ventilatie en een breed temperatuurverschil tussen dag en nacht, en je krijgt precies wat deze druif nodig heeft om te schitteren.

Dat verklaart waarom je haar vooral vindt in dorpen zoals Prepotto, Albana en Cialla. Elk van deze zones geeft een ander karakter aan de wijn:

  • Prepotto en Albana liggen in iets warmere microklimaten. Hier levert Schioppettino wijnen op met meer rijp fruit, vollere body en uitgesproken aromatische intensiteit. Perfect voor wie houdt van structuur en geurige kracht.
  • Cialla, daarentegen, is koeler en hoger gelegen. De wijnen van hier zijn strakker, slanker en frisser, met meer nadruk op zuren en finesse. Ze zijn verfijnd, bijna Bourgondisch in hun elegantie, en kunnen prachtig ouderen.

Wat overal hetzelfde blijft? Dat typische kruidige, bijna nerveuze karakter van Schioppettino. Maar het is het samenspel tussen druif en plek dat elke fles uniek maakt. Dit is terroir in zijn puurste vorm.

De plant: een gespierde druif met elegantie

Als je Schioppettino zou tekenen als stripfiguur, zou het een soort gespierde acrobaat zijn met een fluwelen cape. Stoer, veerkrachtig, maar verrassend verfijnd als je dichterbij komt.

De trossen zijn groot, langwerpig en vaak cilindrisch van vorm, soms voorzien van een eigenzinnig ‘vleugeltje’ alsof de natuur zich bedacht heeft halverwege het ontwerp. De bessen zijn ellipsvormig en middelgroot, met een diepe blauwzwarte kleur en een stevige huid die bedekt is met een dikke laag bloeiwas. Ideaal voor een wijn met structuur en bewaarpotentieel.

De schil is dik en taai, wat de druif niet alleen resistent maakt tegen regenbuien vlak voor de oogst, maar ook zorgt voor een intense extractie van kleur en aroma’s tijdens het vinificatieproces. De pulp is vast, weinig sappig, maar smakelijk, met geen bijzondere aroma’s in de vrucht zelf. Dit suggereert dat de magie vooral in de schil zit.

Wat betreft groei, is Schioppettino een soort late bloeier met flair. De plant loopt gemiddeld laat uit (eind april), bloeit in juni en wordt meestal pas begin oktober geoogst. Wanneer de eerste herfstgeuren zich aandienen en de oogstploeg al verlangt naar risotto en fricò friulano. Het is dan ook een druif die koele nachten en lange rijpingstijd nodig heeft om haar zuren te behouden en tannine mooi te laten rijpen.

In de wijngaard is het geen makkelijke klant. De plant houdt niet van natte lentes en is gevoelig voor bloeiverlies (colatura), waarbij bloemen wel verschijnen maar zich niet ontwikkelen tot bessen. Vooral aan de top van de tros ontstaan er soms misvormde bloemetjes die simpelweg niet ‘af’ zijn, waardoor de vruchtzetting onvolledig blijft. Het gevolg: minder druiven, en vaak ongelijkmatig gevormde trossen.

Qua productie is ze ook behoorlijk eigenzinnig. In sommige jaren produceert de plant nauwelijks 40–50 quintalen per hectare, terwijl in gunstige seizoenen uitschieters tot 160 q/ha worden genoteerd. Kortom: lage opbrengst, hoge kwaliteit, als alles meezit. De suikergehaltes in het sap zijn gemiddeld (rond de 18%), net als de zuren (tot 8–9‰ tartarisch), maar het zijn de aromatische verbindingen in de schil, denk aan rotundone, die het verschil maken.

Ook opvallend: de plant groeit met matige kracht, heeft een halfopgerichte tot rechtopgaande groeiwijze, en produceert doorgaans maar één tros per scheut. Het bladerdek is middelgroot tot groot, met bladeren die vaak drie- tot vijflobbig zijn, licht behaard aan de onderzijde en frisgroen aan de bovenkant. De hele plant ademt balans: geen overdaad, maar gericht op concentratie.

Tot slot: de druif is officieel hermafrodiet, dus volledig zelfbestuivend. En de pedicels (de steeltjes waarmee de bessen aan de tros hangen) zijn stevig en moeilijk te scheiden. Een handige eigenschap bij mechanische oogst, al wordt bij kwaliteitswijnen nog vrijwel altijd met de hand geplukt.

In het glas: violette fluwelen handschoenen met een peperklap

Een glas Schioppettino inschenken en je weet dat je iets bijzonders in handen hebt. De wijn bezit een diep robijnrode kleur met paarse reflexen. Al bij het walsen van het glas voel je de spanning: dit wordt geen simpele dorstlesser, maar een glas vol gelaagdheid en karakter.

De neus is expressief. Aroma’s van rijp rood en donker fruit. Denk aan kersen, frambozen, bramen en blauwe bes die worden gedragen door een subtiele florale toets en een onmiskenbare kruidigheid. Die laatste komt van het geheimzinnige stofje rotundone, dat zorgt voor die karakteristieke geur van versgemalen zwarte peper. Het is geen hint, het is een punch. Een kleine peperklap in een fluwelen handschoen.

In de mond toont Schioppettino zijn finesse: levendige zuren, een medium body en fijnkorrelige tannine die nooit schurend worden. Het is een wijn die niet bulkt van kracht, maar juist overtuigt door balans en definitie. Hij houdt het midden tussen elegantie en bite.

Wat hem extra boeiend maakt, is zijn leeftijdspotentieel. Jong gedronken is Schioppettino levendig en speels, met de nadruk op fruit en frisse kruidigheid. Maar geef hem een paar jaar flesrijping, en de toon verschuift: de peper blijft, maar krijgt gezelschap van bosgrond, ceder, gedroogde bladeren, tabak en een vleugje teer. Dan verandert de wijn in een herfstwandeling door een vochtig bos, met modder op je laarzen en paddenstoelen in je neus.

En toch blijft hij ook dan lichtvoetig: zelfs in zijn gerijpte vorm behoudt hij een zekere luchtigheid, een bijna gewichtloos mondgevoel dat zelden voorkomt bij rode wijnen met zoveel complexiteit. Dat is misschien wel zijn grootste troef: diepgang zonder zwaarte.

Rotundone: de geur van zwarte peper en potentieel

Ah, rotundone. Daar had Petrussa het uitgebreid over in de podcast die me aan het denken zette. Niet als een vluchtige voetnoot, maar als een centraal element in het DNA van Schioppettino. En terecht, want dit geurstofje, nauwelijks waarneembaar, maar o zo bepalend, is wat deze druif onderscheidt van de massa.

In wetenschappelijke termen is rotundone een sesquiterpeen. Een type aromatische verbinding die voorkomt in de schil van bepaalde druiven, waaronder kruiden als zwarte peper, kruidnagel en oregano. In de wijnwereld staat rotundone vooral bekend als dé veroorzaker van dat karakteristieke, prikkelende aroma van zwarte peper. Als een zachte pepermolenwolk die boven je glas zweeft.

Het komt voor in enkele druivenrassen, zoals Syrah, Grüner Veltliner, en jawel: Schioppettino. Maar hier komt het: niet élke druif bevat rotundone, en zelfs binnen één druivensoort is de aanwezigheid ervan grillig. Het is extreem afhankelijk van terroir, microklimaat, rijping en vinificatie. Dat maakt het uiteraard mysterieus.

In Schioppettino gedijt rotundone bijzonder goed. Dankzij de langzame rijping in de koele, goed geventileerde heuvels van Prepotto en Cialla, kunnen de bessen zich langzaam ontwikkelen, waarbij de schil voldoende suikers, zuren én aromatische stoffen zoals rotundone opbouwt. Dat verklaart waarom je bij een goede Schioppettino meteen wordt getroffen door die geur van gemalen zwarte peper, soms aangevuld met kruidnagel, viooltjes of zelfs wierook.

Maar rotundone is meer dan een geurcomponent. Het is een soort geparfumeerde vingerafdruk die niet alleen de herkomst verraadt, maar ook het vakmanschap van de wijnmaker. Wijnen met rotundone zijn complexer, gelaagder, en vaak ook langer houdbaar. Het is niet voor niets dat sommigen rotundone “de truffel van de wijnaroma’s” noemen: zeldzaam, aards, intens en bijna onmogelijk om kunstmatig na te bootsen. Dat maakt het des te indrukwekkender dat Schioppettino, een lokale druif uit een vergeten hoekje van Noord-Italië, zo rijk kan zijn aan dit molecuul.

Slotgedachte: Waarom Schioppettino nu?

We leven in een tijd waarin wijnliefhebbers niet meer tevreden zijn met de zoveelste Merlot of Sangiovese. Er is honger naar authenticiteit, naar wijnen waar een verhaal achter schuilt en een eigen karakter. Precies daar komt Schioppettino binnengewandeld.

Deze druif, lang over het hoofd gezien, blijkt verrassend actueel: verfijnd maar uitgesproken, klassiek maar rebels, met een aromatisch profiel dat tegelijk uitnodigt én intrigeert. En zoals de podcast met Petrussa mooi illustreerde: dit is geen heropleving uit nostalgie, maar een beweging voorwaarts. De druif leeft, evolueert, en laat elk jaar nieuwe facetten zien.

Schioppettino is laat zich niet vergelijken met een andere druif, en dat is maar goed ook. Hij is de vertegenwoordiger van Friuli, krachtig in zijn subtiliteit, kruidig als het landschap, en altijd trouw aan zijn herkomst.

Ribolla Gialla: De oude ziel van Friuli in een modern jasje

Wijnliefhebbers, opgelet. Maak kennis met Ribolla Gialla! Een druif die ouder is dan je overgrootmoeder en toch helemaal van nu lijkt te zijn. Als je dacht dat Italiaanse witte wijn alleen draaide om Pinot Grigio en Vermentino, think again: Ribolla Gialla is bezig aan een glorieuze comeback, en eerlijk gezegd, wij zijn helemaal aan boord.

Oud, ouder, oudst (maar springlevend)

Ribolla Gialla is niet zomaar een oude bekende. Het is een druif met serieuze levenservaring. Je komt haar tegen in documenten die teruggaan tot 1296, waar ze opduikt als “Rabolla wine”. En in 1324 werd ze al expliciet genoemd in de wijnarchieven van Friuli en Istrië. We hebben het hier dus over een druif die al wijn maakte toen Dante nog zijn Divina Commedia aan het dichten was. Respect.

De naam “Ribolla” werd eeuwenlang vrij losjes gebruikt, een beetje zoals “Malvasia”. Soms als druivennaam, soms gewoon als wijn, niet noodzakelijk van Ribolla, met kwaliteitslabel. In de Venetiaanse Republiek werd Ribolla-wijn zelfs zo populair dat het bijna een merknaam werd, vooral bij de adel in Venetië in de 13e en 14e eeuw. Iedereen wilde Ribolla, want dat stond voor klasse. Er werd gespeculeerd of deze Rabolla misschien zelfs verwant was aan de Griekse Robola. Wijnhistorici zijn er nog niet helemaal uit.

Tegelijkertijd zijn er een heleboel spellingvarianten in omloop geweest: Rabola, Rabiola, Rebolla, Ribuèle. Taalbarrières, lokale dialecten en creatieve middeleeuwse spelling zorgden ervoor dat het allemaal een beetje troebel werd. Maar één ding bleef overeind: Ribolla was speciaal.

Sommige ampelografen (druivenwetenschappers, ja dat is een ding) vermoeden zelfs een genetische link met de Gouais Blanc, die op zijn beurt een van de ouders is van o.a. Chardonnay, Aligoté en Gamay. Dat plaatst Ribolla Gialla dus in bijzonder goed gezelschap.

En dan is er natuurlijk de verwarring rondom haar “familieleden”.

  • Ribolla Verde: een zeldzame, wat bescheiden verschijning met minder aromatische impact.
  • Ribolla Nera: leuk feitje – dat is gewoon een andere naam voor Schioppettino, een robuuste rode druif uit dezelfde streek. Klinkt verwant, maar is genetisch en organoleptisch compleet anders.
  • Rebula: de Sloveense tegenhanger van Ribolla Gialla. Dezelfde druif, andere taal, en vaak een ander wijnmaakfilosofie.

Maar laat je niet misleiden: Ribolla Gialla is geen verzamelnaam of generiek begrip. Ze is een op zichzelf staande variëteit met een uniek profiel, eigenzinnig temperament, en een grote historische én culturele waarde.

En het mooiste? Ze is allesbehalve stoffig. Na eeuwen van respect, verwaarlozing en herontdekking is Ribolla Gialla vandaag relevanter dan ooit. Als klassiek witte wijn én als speerpunt van de orange wine revival. Een veteraan met een comeback waar zelfs Mick Jagger jaloers op zou zijn.

Diva met diepgang – Waar Ribolla Gialla zich écht thuis voelt

Ribolla Gialla is geen makkelijke meid. Ze vraagt veel, want als er één druif is die het liefst met de voeten in kalkrijke mergel staat, het hoofd in de frisse berglucht en de zon subtiel op haar schouders, dan is het Ribolla Gialla wel. Deze wijnpersoonlijkheid bij uitstek floreert niet zomaar overal. Ze heeft duidelijke eisen. Maar geef haar wat ze nodig heeft, en ze geeft je een wijn met verfijning, kracht én spanning.

Gelegen in het uiterste noordoosten van Italië, tegen de grens met Slovenië, ligt een regio die net zo complex is als de druif zelf. Friuli Venezia Giulia is een kruispunt van culturen, klimaten en bodems. Adriatische invloeden vermengen zich hier met alpine frisheid, en dat zie je terug in de stijl en finesse van de wijnen. Hier voelt Ribolla Gialla zich thuis als een vis in het water.

Haar ware karakter komt pas naar boven op heuvelachtig terrein met goed doorlatende bodems. In de vruchtbare vlaktes is ze haarzelf niet: daar verliest ze haar zuren, haar frisheid, haar kenmerkende grip. Ze wordt flauw, voorspelbaar. En dat is nu precies wat Ribolla Gialla niet is. Ze is een druif die piekt als ze moet vechten voor haar plek, diep moet wortelen in arme grond, en het zonlicht net moet verdienen.

Wat deze regio uniek maakt, en Ribolla Gialla haar fundament geeft, is de bodemsoort die lokaal bekendstaat als ponca. Deze brokkelige, gelaagde mix van mergel en zandsteen komt vooral voor in de heuvels van Collio en Oslavia. Ponca is niet alleen goed waterdoorlatend, maar ook licht alkalisch en mineraalrijk. Perfect om zuren te behouden, mineraliteit te accentueren en wortels diep te laten graven.

Het effect op de wijn is spectaculair: strakke, zinderende zuren, een kalkachtige textuur, en een subtiele ziltigheid die Ribolla’s pure stijl onderscheidt van andere witte druiven. Hier, in deze fragiele maar krachtige bodem, ontwikkelt ze die kenmerkende combinatie van energie en elegantie.

De vier gezichten van Ribolla: terroir in kaart

Binnen Friuli zijn er vier sleutelregio’s waar Ribolla Gialla haar potentieel ten volle laat zien. Elk met een eigen profiel en stijl.

1. Collio DOC

De Collio is een zachtglooiend gebied op de grens met Slovenië, beroemd om zijn witte wijnen. Hier vinden we klassieke Ribolla Gialla: droog, fris, lichtvoetig maar met diepgang, en vaak vinificatie in staal of beton om haar levendigheid te bewaren. De invloed van ponca is hier groot, wat resulteert in een zeer mineraal profiel, met aroma’s van citrus, appel en witte bloemen.

2. Friuli Colli Orientali DOC

Ten oosten van Udine vinden we de Colli Orientali, een net iets warmer gebied dan Collio. Hier zie je variatie: zowel klassieke stijlen als houtgerijpte en zelfs licht gemacereerde versies komen voor. De zuren blijven hoog, maar de wijnen kunnen net iets voller aanvoelen, met tonen van peer, rijpe appel en soms een vleugje honing.

3. Oslavia

Oslavia, geen aparte DOC maar wel een mythische naam binnen Collio, verdient een hoofdstuk op zich, maar laten we proberen het kort te houden. Dit is het spirituele hart van de orange wine-beweging in Italië. Hier krijgt Ribolla Gialla de “amfora-behandeling”: lange schilweking, spontane fermentatie, vaak rijping in grote houten vaten. Het resultaat? Amberkleurige wijnen met grip, spanning en lagen van citruszest, thee, noten en kruiden. Oslavia’s hoger gelegen wijngaarden leveren zuren van chirurgische precisie. Hier laat Ribolla zien dat wit niet per se licht hoeft te zijn.

4. Rosazzo DOCG (binnen Friuli Colli Orientali DOC)

Rosazzo ligt op een kruising van warme zuidelijke invloeden en koele bergbriesjes. Dit gebied produceert rijpere, zachtere Ribolla met een rijkere body en aroma’s die neigen naar gele perzik, abrikoos en bloesemhoning. Het is Ribolla met fluwelen handschoenen. Iets ronder, iets verleidelijker, zonder haar spanning te verliezen.

Ribolla Gialla is geen massaproduct. Ze heeft ouderdom nodig. Wijnstokken van twintig, dertig jaar en ouder geven complexiteit. Ze heeft lage opbrengsten nodig, anders verwatert haar persoonlijkheid. En ze vraagt om aandacht in de kelder: sommige wijnmakers kiezen voor beschermde vergisting in staal om haar frisheid te behouden, anderen durven schilcontact of zelfs oxidatie toe te laten, om haar ziel bloot te leggen. Moderne wijnmakers buiten Italië experimenteren met Ribolla, van Californië tot Australië, vaak met verrassend goede resultaten. Toch blijft Friuli haar spirituele thuis.

Enter “Ribolla di Oslavia”!

In een recent beluisterde podcast (de aanleiding tot het schrijven van dit artikel) werd het prachtig uitgelegd: Ribolla di Oslavia is niet zomaar een wijn, het is een beweging die een levensovertuiging accentueert. Wat begon als een nieuwsgierige verkenning van een lokale druif, mondde uit in een ontmoeting met een diepe, haast filosofische wijncultuur. Want daar, in de heuvels rond het dorpje Oslavia, is Ribolla Gialla geen neutrale witte wijn, maar een karaktervolle, amberkleurige vertelling over traditie, terroir en tijd.

Wat deze wijnen zo bijzonder maakt, is hun bereidingswijze: maceratie, ofwel het langdurig contact tussen sap en schillen. Iets wat normaal gesproken alleen bij rode wijn gebeurt en wat we benoemen als een Orange Wine. In Oslavia laten ze Ribolla Gialla wekenlang, soms maandenlang, vergisten mét schil. Daardoor krijgt de wijn kleur, structuur, tannine en een complexiteit die veel verder reikt dan het frisse citrusprofiel van haar lichtere familieleden uit andere delen van Friuli. Hier proef je sinaasappelschil, gedroogde abrikozen, kamille, bijenwas, thee, specerijen. Allemaal gedragen door een bijna ziltige mineraliteit en een indrukwekkende frisheid.

Maar Ribolla di Oslavia is meer dan een stijl of techniek. Het is een collectieve houding, ontstaan uit een vorm van verzet. Begin jaren ’90 besloten enkele wijnmakers dat ze niet langer wilden bijdragen aan de standaardisering van wijn. Ze wilden terug naar iets echts, iets dat niet gladgestreken was door technologie en commercie, maar gevormd werd door hun omgeving en hun handen. Wijnmakers als Josko Gravner, Stanko Radikon, Dario Princic, en collega’s van La Castellada, Primosic, en Il Carpino vormden samen de Associazione Ribolla di Oslavia. Niet als merk of keurmerk, maar als een cultureel pact. Hun uitgangspunten waren helder: spontane vergisting, geen klaring of filtering, weinig tot geen sulfiet, en bovenal: geduld. Deze wijnen worden niet in een seizoen gemaakt, maar in jaren.

Wat hen bindt, is niet alleen hun visie, maar ook hun grond. De beroemde ponca-bodem, een fragiele mengeling van mergel en zandsteen, is bepalend voor het karakter van de wijn. De wortels reiken diep, de opbrengsten zijn laag, en de expressie is puur. De Ribolla’s uit Oslavia zijn amberkleurig, maar nooit zwaar; krachtig, maar altijd levendig. Het zijn wijnen die niet vragen om aandacht, maar die haar opeisen.

En ja, ze zijn uitdagend. Deze wijnen passen zich niet aan. Ze vragen de drinker om zich aan te passen. Ze zijn niet gemaakt voor wie wijn zoekt als dorstlesser, maar voor wie wijn wil begrijpen als uitdrukking van plaats en filosofie. Je kunt ze moeilijk vinden in het schap van een doorsnee wijnhandel. En terecht. Ribolla di Oslavia wil niet geconsumeerd worden, ze wil begrepen worden.

De podcast besloot met een rake uitspraak: “Ribolla di Oslavia is geen trend, maar een herontdekking van wat we nooit hadden mogen vergeten.” En dat is precies wat deze wijnen zijn. Een herinnering in vloeibare vorm. Aan een tijd waarin wijn traag, eerlijk en mysterieus mocht zijn. Aan wijnmakers die liever een stap terug deden, dan in te leveren op karakter.

De druif in de wijngaard

Op het eerste gezicht oogt Ribolla Gialla misschien ingetogen, bijna bescheiden. Maar vergis je niet: deze druif is een stille kracht in de wijngaard. Geen theatrale trossen of flamboyante kleuren, maar een geconcentreerde, compacte verschijning die duidelijk laat zien waar haar prioriteiten liggen: finesse, zuiverheid en structuur.

Als we even nerdy worden dan kunnen we de wijnstok en de druif als volgt omschrijven.
De druiventros is compact tot middelmatig van formaat, met een kenmerkende cilindrisch-piramidale vorm. De bessen zijn middelgroot en licht afgeplat, met een geel-alabastrine schil die een delicate waas draagt van natuurlijke was (pruina). De schil is stevig genoeg voor maceratie, een belangrijke eigenschap, zeker in Oslavia-stijl vinificatie, terwijl de pulp juist neutraal en sappig blijft, met een friszuur karakter en een lichte astringentie. Vaak zijn de bessen subtiel gevlekt, wat in Friuliaans aangeduid wordt als “punzecchiata”: een soort roodachtig stippenpatroon op de schil.

Ribolla Gialla is een laatrijpende variëteit, wat betekent dat de oogst doorgaans pas eind september of later plaatsvindt. Die lange rijpingstijd, gecombineerd met haar natuurlijke zuurbalans, maakt haar tot een ideale kandidaat voor complexe witte wijnen – fris, krachtig of lang op schil geweekt.

Haar groeicyclus start traag. De knoppen lopen laat uit, wat haar beschermt tegen voorjaarsvorst. Een welkom voordeel in de heuvelachtige, soms koele wijngaarden van Friuli. De bloei en kleurverandering verlopen gemiddeld, met een gestage, robuuste ontwikkeling door het seizoen heen.

Wat teelt betreft is Ribolla Gialla redelijk genereus en stabiel, met meestal één tot twee trossen per scheut en een behoorlijke groeikracht. Toch vraagt ze om aandacht: in vochtige jaren is ze vatbaar voor coulure (slechte vruchtzetting) en botrytis (grijsrot). Goede luchtcirculatie en een beheerste opbrengst zijn daarom essentieel.

Dankzij haar hoge zuurgraad, subtiele aromaprofiel en stevige schil is Ribolla Gialla breed inzetbaar: ze leent zich perfect voor frisse vinificatie in inox, maar ook voor houtlagering, mousserende wijn, en voor orange wines met lange maceratie. Haar neutrale pulp werkt als een blanco canvas waarop het terroir en de hand van de wijnmaker zich volledig kunnen uitleven.

En hoe smaakt de wijn?

Ribolla Gialla is een wijn die zich langzaam zal openen. In het glas oogt ze bescheiden maar elegant, met een kleur die varieert van helder strogeel tot goudgeel. Zodra je je neus boven het glas brengt, zal je merken dat deze langzaam tot bloei komt. De geur is subtiel maar gelaagd: florale tonen van acaciabloesem en kamille worden afgewisseld met hints van citrus (citroenschil, mandarijn) en groene elementen als venkel of vers gemaaid gras. Soms duikt er een minerale ondertoon op, die doet denken aan natte steen of krijt.

In de mond ontvouwt Ribolla Gialla zich met een verrassende combinatie van strakheid en textuur. Ze is droog, levendig en helder, maar met een subtiele diepgang die zich pas na enkele slokken laat voelen. De zuren zijn altijd aanwezig, fris en pittig maar nooit scherp, en zorgen voor een lineaire spanning die de wijn elegant en energiek houdt. Door haar relatief neutrale pulp laat Ribolla Gialla niet meteen een uitbundig fruitbombardement los, maar juist die ingetogenheid geeft ruimte aan terroir, rijping en de hand van de wijnmaker. Het is wijn die vorm krijgt door structuur, niet door expressieve aroma’s.

Die structuur maakt haar ook uitermate geschikt voor rijping, zowel in hout als op fles. Een beetje houtrijping, bij voorkeur op groot hout of acacia in plaats van op barrique, voegt geen zwaarte toe, maar verrijkt het palet met tonen van bijenwas, amandel, subtiele specerijen en iets wat doet denken aan de geur van oud papier of droge bloemen. Na een paar jaar rijping ontwikkelt de wijn zich richting kweepeer, honing, gekonfijte citrus en zelfs een vleugje gember, zonder ooit haar frisheid te verliezen. Dat is haar geheim: ze verandert, maar wordt nooit log of vermoeid.

En dan is er natuurlijk haar andere gezicht. Dat van de maceratie, de orange wine-stijl. Wanneer Ribolla Gialla weken- of maandenlang op haar schillen fermenteert, zoals in Oslavia, verandert ze radicaal. De kleur wordt diep amber, de geur evolueert naar sinaasappelschil, thee, hars, gedroogde abrikoos en kruiden. De textuur krijgt grip, de wijn wordt bijna tactiel, met zachte tannine en een lange, gelaagde afdronk. Dit is Ribolla in haar meest filosofische gedaante: niet zomaar een witte wijn, maar een meditatieve, levendige expressie van druif, bodem en tijd.

Of ze nu jong, fris en strak is of gerijpt en diep, Ribolla Gialla toont zich altijd met een zekere terughoudendheid die intrigeert. Het is een wijn die niet gemaakt is om snel te behagen, maar om langzaam te overtuigen. Geen spektakel in het glas, maar een subtiele spanningsboog die zich uitstrekt van de eerste slok tot ver na de laatste. Een wijn die, net als haar beste makers, meer geïnteresseerd is in eerlijkheid dan in effect.

Waarom je deze wijn móét proeven

Ribolla Gialla is zo’n wijn die zich moeilijk in één stijl laat vangen, maar juist daarin schuilt haar kracht. Ze combineert frisheid, structuur en subtiliteit op een manier die je zelden tegenkomt. In haar jeugdige vorm is ze levendig en dorstlessend. Ideaal bij lichte antipasti, rauwe vis of een bord dampende vongole. Maar geef haar wat tijd, of kies een versie die wat hout of maceratie heeft gezien, en je ontdekt een wijn die moeiteloos overeind blijft naast gerechten met meer body: geroosterde kip met citroen, paddenstoelenrisotto, zelfs kruidige Aziatische keuken met gember of miso. De levendige zuren en minerale ruggengraat zorgen voor balans, zelfs bij uitgesproken gerechten.

Kortom: of je nu zin hebt in een verfrissend glas op een zomerse middag of een diepgravende wijn voor een avond vol gesprekken, Ribolla Gialla, in al haar verschijningsvormen, verdient een plek in je kelder, je glas en je geheugen. Klinken met een glas Ribolla doen we het best op gepaste Friulische wijze: Salût!

Flysch als terroir

In de wereld van de wijnbouw speelt de bodem waarop de wijnstokken groeien een cruciale rol in de uiteindelijke smaak en kwaliteit van de wijn. Eén van de meest bijzondere bodemtypen die bijdraagt aan de karaktervolle wijnen van Italië, is de zogenaamde ‘flysch’. Deze complexe bodemstructuur, die zowel fascinerend als essentieel is voor de wijnproductie, komt veelvuldig voor in Italiaanse wijnstreken en geeft de wijnen een unieke signatuur.

Wat is flysch?

Flysch is een sedimentair gesteente dat is ontstaan door miljoenen jaren van geologische processen. Het is een opeenstapeling van verschillende lagen klei, zandsteen en kalksteen, afgewisseld met soms schalie of andere afzettingen. Dit gelaagde profiel van hardere en zachtere sedimenten zorgt voor een goed gedraineerde, voedingsrijke bodem waarin wijnstokken kunnen floreren. Flysch wordt vaak gevormd in mariene omgevingen, waar de afzetting van klei en zand gedurende lange periodes plaatsvindt.

Deze bodems zijn vooral te vinden in bergachtige gebieden of heuvels en zijn ontstaan door de druk van aardplaten en het verschuiven van zeebodems, een proces dat het Italiaanse landschap kenmerkt. De combinatie van gesteenten maakt de bodem niet alleen vruchtbaar, maar ook bijzonder geschikt voor de wijnbouw vanwege zijn mineralenrijkdom en goede drainagecapaciteit.

Flysch in diverse Italiaanse wijnregio’s

Flysch is een prominente factor in vele van Italië’s meest gerespecteerde wijngebieden. Hoewel een veel grotere opsomming kunnen maken (met ook onder andere Chianti en Taurasi) beperken we ons tot enkele voorbeelden!

 Een van de meest bekende regio’s waar flysch de bodem domineert, is de Cinque Terre in Ligurië, langs de steile kust van de Ligurische Zee. Hier worden op de terrassen van flysch-rijke hellingen prachtige wijnen geproduceerd, vaak met lokale druivensoorten zoals Vermentino en Bosco. De wijnstokken die in deze stenige, gelaagde bodems gedijen, worden gedwongen diep te wortelen om water en voedingsstoffen te vinden, wat resulteert in een hogere concentratie aan smaken in de druiven.

Ook in de Friuli-Venezia Giulia, een regio bekend om zijn verfijnde witte wijnen, speelt flysch een belangrijke rol. In de Collio-heuvels, gelegen nabij de grens met Slovenië, zorgt deze bodem voor uitzonderlijk mineraalrijke wijnen, met frisse zuren en een intense aromatische complexiteit. Druivensoorten zoals Friulano en Sauvignon Blanc profiteren van de minerale invloed van de flysch-bodems (lokaal Ponca genoemd), die bijdraagt aan hun kenmerkende frisheid en finesse.

Een ander voorbeeld is de regio Marche, en in het bijzonder het gebied rondom de stad Ancona, waar Verdicchio-wijnen beroemd zijn om hun zuiverheid en levendige karakter. De flysch-bodems hier dragen bij aan de mineraliteit en structuur van deze wijnen, wat ze bijzonder geschikt maakt voor veroudering.

De invloed van flysch op wijn

Het is algemeen bekend dat de bodem een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van het terroir van een wijn. Flysch-bodems zijn bijzonder gunstig voor wijnbouw vanwege hun unieke mix van eigenschappen: 

  1. Goede Drainage: De gelaagde structuur van flysch zorgt voor uitstekende drainage. Dit voorkomt wateroverlast en wortelrot, waardoor de wijnstokken gezond blijven.
  2. Minerale Rijkdom: Flysch is rijk aan mineralen zoals calcium, magnesium en kalium. Deze mineralen worden langzaam vrijgegeven aan de wijnstokken, wat bijdraagt aan de complexiteit en diepte van de wijn.
  3. Warmteregulatie: De donkere lagen van flysch absorberen warmte overdag en geven deze ’s nachts langzaam af. Dit helpt bij het handhaven van een stabiele temperatuur rond de wortels van de wijnstokken, wat essentieel is voor een gelijkmatige rijping van de druiven.
  4. De mogelijkheid voor diepe worteling van de wijnstokken. Dit zorgt voor evenwichtige en complexe wijnen, waarin zowel fruitige als minerale tonen sterk naar voren komen.

De stenige samenstelling van flysch zorgt ervoor dat de wijnstokken niet te veel water vasthouden. Dit resulteert in druiven met geconcentreerde suikers en zuren, wat bijdraagt aan de structuur en het bewaarpotentieel van de wijn. De minerale aanwezigheid uit de klei- en kalksteenlagen voegt daarnaast verfijning toe aan de aroma’s en de textuur, met vaak een uitgesproken frisheid en elegantie in de wijnen die op flysch groeien.

Flysch: een uitdaging én een zegen voor wijnmakers

Hoewel flysch-bodems grote voordelen bieden, vormen ze ook uitdagingen voor wijnmakers. De steile hellingen waar deze bodems vaak te vinden zijn, maken mechanisatie lastig, waardoor veel werk nog met de hand moet worden gedaan. In regio’s zoals de Cinque Terre, waar de wijngaarden als terrassen tegen de bergen zijn aangelegd, vereist de wijnbouw intensieve arbeid en zorgvuldige planning.

Desalniettemin zien wijnmakers flysch-bodems vaak als een zegen vanwege het unieke karakter dat deze bodem aan de wijn geeft. De diepe wortels die wijnstokken moeten ontwikkelen in deze omstandigheden, leiden tot een grotere resistentie tegen droogte en zorgen voor een natuurlijke beperking van de opbrengst, wat de kwaliteit van de druiven verhoogt. Dit vertaalt zich in wijnen met een bijzondere diepte, complexiteit en een uitgesproken regionaal karakter.

Conclusie

Flysch-bodems zijn zonder twijfel een van de geheime wapens van de Italiaanse wijnbouw. Hun unieke geologische samenstelling biedt wijnstokken ideale groeiomstandigheden, terwijl de moeilijkheden van het cultiveren op deze gronden bijdragen aan de hoge kwaliteit van de wijnen. Of het nu gaat om de minerale frisheid van een Vermentino uit Ligurië of de intense complexiteit van een Friulano uit Friuli, flysch draagt bij aan enkele van de meest karaktervolle en authentieke wijnen die Italië te bieden heeft. Voor wijnliefhebbers is het ontdekken van deze flysch-geïnspireerde wijnen een uitnodiging om de diepere lagen van het Italiaanse terroir te proeven.