Sexual confusion – Verliefde wijngaardvlinders in de war

Vraag een gemiddelde wijndrinker wat er allemaal komt kijken bij een fles wijn, en je krijgt waarschijnlijk iets te horen over druivensoorten, houtrijping of terroir. Maar wat veel mensen niet weten: achter de schermen wordt er in de wijngaard een subtiel spel gespeeld tussen wetenschap, natuur en… seks.

Of nou ja, het gebrek daaraan. Welkom in de wereld van sexual confusion.

Geen romantiek in de lucht

Voor wie dacht dat de wijngaard vooral het decor is van zonovergoten ranken, fluitende vogels en een kabbelend briesje, komt hier een reality check. Want onder de bladeren speelt zich een venijnig liefdesdrama af. Of beter gezegd: het liefdesdrama wordt expres gesaboteerd door de wijnboer. En dat met volle overtuiging.

De hoofdrolspelers zijn klein maar invloedrijk: motten, en dan vooral de druivenbladroller. Deze mot legt zijn eitjes op jonge druivenbloemen of onrijpe trossen, en de larven die eruit kruipen zijn geen fijnproevers. Ze boren zich dwars door het vruchtvlees heen, maken gangen in de bessen en beschadigen de schil. Niet alleen wordt de druif er direct minder van, maar die beschadigingen maken de plant ook vatbaarder voor schimmels zoals Botrytis cinerea — wat je niet wil, tenzij je opzettelijk zoete wijn maakt. Denk aan grijze rot in plaats van edele rotting. En geloof me: daar proef je het verschil van in het glas.

Maar het punt waar sexual confusion ingrijpt, is dus nog vóór de eieren, vóór de larven, vóór de schade. Het richt zich op het moment waarop motten elkaar proberen te vinden om te paren. In de schemering komt het vrouwtje tevoorschijn en verspreidt een loksignaal in de vorm van feromonen. Dat geurtje is haar Tinderprofiel, en het mannetje gaat er blind (en letterlijk neus-vooruit) op af. In normale omstandigheden zou hij haar feilloos weten te vinden.

Maar als de hele wijngaard doordrongen is van datzelfde geurspoor, dankzij die feromoondispensers, dan wordt het mannetje compleet gedesoriƫnteerd. Hij blijft zoeken, draait rondjes, landt op de verkeerde plekken, of geeft het gewoon op. De wijngaard is veranderd in een soort nachtclub waar iedereen hetzelfde parfum draagt en niemand nog weet wie wie is.

Resultaat? Totale radiostilte in het mottenliefdesleven en de wijngaard haalt opgelucht adem. De wijngaard blijft gespaard van een motteninvasie zonder dat er een druppel gif aan te pas komt. En dat is cruciaal, want pesticiden zijn niet alleen schadelijk voor de plaag zelf, maar ook voor alles eromheen: bijen, vlinders, bodemleven, zelfs vogels die op insecten jagen. Bovendien kan overmatig pesticidengebruik leiden tot resistentie bij de plaag. En dan zit je pas echt met de gebakken peren.

Door dus in te grijpen op het niveau van insectenseks, halen wijnbouwers het meest natuurlijke wapen boven: verwarring. Geen geweld, geen chemie, gewoon een liefde die nooit van de grond komt. En die stilte in de lucht? Dat is het geluid van een wijngaard die opgelucht ademhaalt.

Hoe werkt het precies?

Het principe van sexual confusion klinkt bijna te elegant om waar te zijn: je zet een geurval op zonder val, en de motten verliezen het noorden. Maar hoe zit dat technisch gezien?

In de praktijk worden er in de wijngaard honderden tot duizenden kleine capsules of buisjes verspreid. Je hebt ze vast al wel zien hangen als je door een wijngaard aan het slenteren bent, die kleine bruine buisjes of strips die aan de leidraden hangen. Deze dispensers bevatten een synthetische versie van het feromoon dat vrouwelijke druivenbladrollers (Lobesia botrana) uitscheiden om mannetjes aan te trekken. Dit feromoon is uiterst soortspecifiek (andere insecten reageren er niet op) en wordt met een trage, continue afgifte in de lucht verspreid, gedurende het hele actieve seizoen van de mot. Denk lente tot vroege herfst.

De kracht zit hem in de overdaad. Door het feromoon op veel plekken tegelijk en in hoge concentratie in de lucht te brengen, raakt het mannetje overprikkeld. Hij wordt letterlijk gebombardeerd met signalen die hem in alle richtingen sturen. Zijn reukorgaan (want ja, motten ruiken met hun antennes) raakt zo overvoerd dat hij de weg naar het echte vrouwtje niet meer vindt. Het resultaat? Geen paring, geen eitjes, geen larven, geen vraatschade.

Er zijn verschillende methodes om die feromonen in de wijngaard te brengen:

  1. Passieve dispensers – meestal kleine buisjes, strengen of strips van plastic of rubber die handmatig aan de wijnranken worden gehangen. Deze zijn goedkoop en eenvoudig, maar wel arbeidsintensief om aan te brengen.
  2. AĆ«rosolvernevelaars – deze high-tech apparaten spuiten op gezette tijden een microdosis feromoon in de lucht. Ze werken op zonne-energie of batterijen, zijn programmeerbaar, en vereisen minder installatiewerk. Een soort automatische parfumdiffuser, maar dan met een duidelijke boodschap: geen seks hier.
  3. Microcapsules of sprays – sommige wijnbouwers gebruiken een feromoonspray of zelfs drones die microcapsules in het bladerdak verstuiven. Minder duurzaam op de lange termijn, maar handig als aanvulling of in lastige hoekjes.

Afhankelijk van de grootte van de wijngaard, de ligging en de druk van de plaag kan de wijnbouwer kiezen voor een specifieke methode of een combinatie ervan. In alle gevallen geldt: het is een preventieve maatregel. Sexual confusion werkt alleen als de populatie motten nog relatief laag is. Heb je al een plaag op gang? Dan moet je mogelijk bijsturen met biologische bestrijding of zelfs een noodbehandeling.

Een extra voordeel: het feromoon is geurloos voor mensen, niet giftig, en laat geen residu achter in de druiven of op de plant. Je interfereert dus met het gedrag van ƩƩn specifieke soort, zonder het ecosysteem als geheel te verstoren. Het is high precision landbouw, maar dan zonder lasers of pesticiden. Alleen met een onzichtbaar, geurend signaal.

Dat klinkt bijna als sciencefiction, maar het is pure toegepaste entomologie. En het resultaat mag er zijn: gezondere druiven, meer biodiversiteit in de wijngaard en uiteindelijk betere wijn in de fles. Niet slecht voor een technologie die eigenlijk alleen maar motjes in de war brengt.

Werkt het altijd?

Zoals met veel mooie ideeƫn in de landbouw geldt: sexual confusion is geen toverstaf. Het werkt goed, vaak zelfs uitstekend, maar niet overal en niet onder alle omstandigheden. Het is dus geen garantie op succes, maar wel een krachtig wapen, mits juist ingezet.

De effectiviteit hangt sterk af van een aantal factoren:

1. Grootte en vorm van het perceel
Deze techniek heeft het meeste effect in aaneengesloten wijngaarden van een zekere schaal. Denk aan minstens een paar hectare, zonder al te veel onderbrekingen of open grenzen. In kleine of gefragmenteerde percelen kunnen feromonen zich moeilijk gelijkmatig verspreiden, en is het risico groter dat motten van buiten alsnog invliegen. Als je een lapje grond hebt naast een conventionele buur die niks doet tegen de mot, dan dans je alsnog mee op zijn mottenfeest.

2. Wind en ligging
De feromonen werken via luchtverspreiding. Wind speelt daarbij dus een cruciale rol. In heuvelachtige of winderige regio’s kunnen geurstoffen sneller vervliegen of ongelijk verspreid worden. Daardoor ontstaan ā€˜blinde zones’ waar de verwarring minder groot is, en dus meer kans op een geslaagde paring. Goede plaatsing en dichtheid van de dispensers is daarom belangrijk, en soms moet je bijsturen tijdens het seizoen.

3. Beginpopulatie van de plaag
Sexual confusion werkt preventief, niet curatief. Als je al een zware mottenplaag in je wijngaard hebt zitten, is het simpelweg te laat om ze te verwarren. Dan zijn er al paringen geweest en eitjes gelegd. In dat geval moet je extra maatregelen nemen. Dit doe je door bijvoorbeeld biologische insecticiden zoals Bacillus thuringiensis (Bt), of natuurlijke vijanden inschakelen zoals sluipwespen. Zie het als brandpreventie: je voorkomt vuur, maar als het eenmaal brandt, heb je blusmiddelen nodig.

4. Omgeving en samenwerking
Een van de grote lessen uit het gebruik van sexual confusion is dat het succes groter wordt als buren meedoen. Als meerdere wijngaarden binnen een vallei of regio tegelijk inzetten op feromoonverwarring, dan wordt de hele mottenpopulatie onder druk gezet. Geen toevluchtsoorden meer, geen buitenposten. Daarom zijn coƶperaties, wijncollectieven of biodistrict-initiatieven ideaal: samen sta je sterker, en de motten staan zwakker.

5. Monitoring blijft cruciaal
Ook al gebruik je feromonen, je moet blijven meten. Wijnbouwers plaatsen vaak controlevallen met lokferomonen om te controleren of er toch nog mannetjes worden gevangen. Op die manier kunnen ze tijdig ingrijpen als de verwarring niet volledig werkt. Het is geen ‘instellen en vergeten’-systeem. Goede observatie is onderdeel van de methode.

Dus: werkt het altijd?

Nee. Maar onder de juiste omstandigheden, met een beetje planning, samenwerking en monitoring, is sexual confusion een van de meest effectieve en duurzame methoden om motten onder controle te houden. Het vraagt meer denkwerk dan een chemische spuitbeurt, maar levert op de lange termijn meer op: gezonde druiven, een levendig ecosysteem, en een wijngaard waarin de natuur niet bestreden, maar gestuurd wordt.

En de wijn?

Uiteindelijk draait alles in de wijngaard om wat er in het glas belandt. En ook daar heeft sexual confusion invloed, al proef je die niet letterlijk. Het is geen smaakje, geen aroma. Wat je wƩl proeft, is het resultaat van een gezondere wijngaard.

Minder vraatschade betekent dat de druiven gelijkmatiger rijpen, met een betere balans tussen suikers, zuren en aroma-opbouw. Omdat de plant minder stress ervaart, hoeft de wijnmaker minder te corrigeren in de kelder. Geen nood aan overmatige filtering, zuren bijstellen of restsuiker maskeren. De wijn wordt zuiverder, preciezer, vaak ook eleganter.

Daar komt bij: het gebruik van sexual confusion past vaak in een bredere duurzame aanpak. Wijnmakers die hiervoor kiezen, zijn meestal ook bezig met bodemgezondheid, biodiversiteit en minimale interventie. En dat voel je: er zit meer levendigheid in de wijn, meer expressie van de plek.

Dus nee, je proeft geen feromonen. Maar je proeft wel rust. Balans. En een druif die in vrede heeft kunnen groeien. Zonder drama in de lucht.

Sur lie rijping: Het effect van gistcellen op wijn

De wijnwereld zit vol met prachtige tradities en een van de meest fascinerende is zonder twijfel de rijping sur lie, oftewel op de droesem. Klinkt chique, niet? Maar wat betekent het eigenlijk? Simpel gezegd laten wijnmakers hun wijn een tijdje rusten op de afgestorven gistcellen die overblijven na de gisting. En ja, dat klinkt misschien een beetje als een wijnversie van badderen in je eigen vuil, maar geloof ons, het doet wonderen voor de smaak en structuur van de wijn.

Wat gistcellen doen in de kelder

De lies zijn een natuurlijk bijproduct van het wijnmaken: een mengsel van afgestorven gistcellen, restjes druivenschil en andere zwevende deeltjes die na de gisting bezinken. In de eerste zes maanden zijn het vooral de gistcellen die het meeste effect hebben. Tijdens hun afbraak komen stoffen vrij zoals polysacchariden, glucanen en de bekende mannoproteĆÆnen.

Die laatste zijn complexe eiwitten met suikers die een sleutelrol spelen in het verbeteren van mondgevoel, stabiliteit en aromatische complexiteit. Ze binden zich aan fenolen en tannine waardoor de wijn zachter smaakt en helpen ook om oxidatie tegen te gaan. In sprankelende wijnen stabiliseren ze het schuim, wat zorgt voor fijnere, romigere bubbels.

Romigheid, mousse en balans

In mousserende wijn zijn mannoproteĆÆnen van groot belang voor het mondgevoel. Vergelijk het met een bellenblaas. Zonder stabiliserende stoffen ploffen de bubbels zo uit elkaar. MannoproteĆÆnen houden de belletjes langer in stand wat zorgt voor een zachtere, elegantere mousse. Geen brute kracht maar fijne pareling met een fluwelen textuur.

Ook in stille wijnen doen deze eiwitten hun werk. Ze binden zich aan houtaroma’s zoals vanilline en aan tannine waardoor de wijn zachter aanvoelt en de houtinvloed op de achtergrond blijft. Vooral in het midden van het gehemelte zorgt dat voor een mooi afgerond geheel. Vandaar dat je steeds vaker ook rode wijnen ziet die een tijd op fijne droesem rijpen. Zeker in regio’s waar druiven extra zon kregen en dus wat bitterder uit de hoek kunnen komen.

Evenwicht tussen lucht en reductie

Rijping op droesem heeft ook een beschermende functie. De gistcellen kunnen namelijk zuurstof opnemen. Zo bescherm je de wijn tegen vroegtijdige oxidatie, vooral in houten vaten. In roestvrijstalen vaten die geen zuurstof doorlaten moet je dan weer opletten dat de wijn niet in een reductieve hoek terechtkomt. Duurt dat te lang dan zit je met aroma’s van lucifer of nat karton. Maar met de juiste timing levert het juist een wijn op die lang fris blijft.

Over tijd neemt het vermogen van droesem om zuurstof te binden af. Na ongeveer drieƫnhalf jaar is dat effect uitgewerkt. Dat speelt vooral in zuurstofdichte vaten zoals roestvrijstaal. Tot die tijd heb je er echter een natuurlijke buffer aan.

Droesem als stabilisator

Behalve aroma en structuur draagt sur lie ook bij aan de helderheid van de wijn. Door interactie met wijnsteenzuurkristallen, de bekende wijnsteentjes, helpt de droesem om neerslag te voorkomen. Die kristallen zijn volkomen onschuldig maar veel consumenten denken dat het stukjes glas zijn. Wijnmakers willen ze dus liever kwijt dan rijk.

Het subtiele spel van geur

Een van de mooiste effecten van sur lie rijping is de subtiele invloed op aroma’s. Terwijl een wijn die pas na de gisting op hout gaat vaak stevige houttonen heeft, blijft de houtinvloed bij sur lie gerijpte wijnen juist zachter. Dit komt doordat de gistcellen bepaalde aroma’s kunnen binden waardoor de wijn een elegantere balans krijgt. Dit zorgt voor complexe maar verfijnde aroma’s, van boterige tonen tot lichte hints van brioche, hazelnoot en soms zelfs een vleugje rook.

Praktisch werk met finesse

Om het maximale uit de droesem te halen gebruiken wijnmakers technieken als bâtonnage, het regelmatig roeren van de gistcellen door de wijn. Dit versnelt de afbraak van de gistwand en vergroot de afgifte van nuttige stoffen. Sommigen gaan nog verder en voegen verse droesem toe, gebruiken enzymen of zelfs ultrasone trillingen om het proces een duwtje te geven. Het klinkt misschien hypermodern maar het doel blijft klassiek: meer aroma, meer textuur, meer balans.

Gezonde droesem is daarbij essentieel. Wijnmakers checken kleur, geur en zelfs smaak om te bepalen of de droesem schoon genoeg is. Is er sprake van rot of schimmel dan wordt die vervangen door propere droesem uit een andere tank of persing.

Conclusie: van kelder tot karakter

Sur lie rijping is allesbehalve ouderwets. Het is een slimme, veelzijdige methode die een wijn niet alleen aromatisch verrijkt maar hem ook stabiliseert en structureel versterkt. Van fijne bubbels tot rijpe Chardonnays en zelfs rode wijnen met karakter. Het geheim zit vaak op de bodem van het vat. En soms zelfs in het glas ernaast. In Bourgogne wordt van hoogwaardige droesem een distillaat gemaakt: Fine de Bourgogne. Wat ooit reststof was blijkt een bron van smaak, structuur en zelfs distillaat – met recht een tweede leven waard.

Tannine in wijn: De stoere spierballen van rode wijn

Tannine is een van de meest bepalende elementen in wijn, maar blijft vaak een mysterie voor veel wijnliefhebbers. Het vormt de ruggengraat van rode wijn en beĆÆnvloedt niet alleen de structuur en het mondgevoel, maar ook de rijpingspotentie. Hoewel witte wijn ook tannine bevat, is de concentratie veel lager, en spelen vooral zuren en suikers een rol bij de houdbaarheid. Maar waar komt tannine vandaan, hoe wordt het gevormd, en welke impact heeft het op de wijnervaring? Met inzichten van wijnexperts duiken we diep in de wetenschap achter tannine.

Wat is tannine?

Tannine is een polyfenol, een natuurlijke verbinding die voorkomt in planten en een beschermende rol speelt. In wijn wordt het gevormd uit flavonoĆÆden en non-flavonoĆÆden, waarbij vooral de flavonoĆÆden bijdragen aan de textuur en structuur van de wijn. Tannine polymeriseert: kleine moleculen binden zich samen tot grotere structuren, waardoor de structuur in wijn zich gaandeweg ontwikkelt.

Een van de meest opvallende kenmerken van tannine is het vermogen om zich te binden aan eiwitten, zoals die in speeksel. Dit proces zorgt voor de samentrekkende, droge sensatie die vaak wordt geassocieerd met rode wijn. Dit verklaart ook waarom rode wijnresten in een spuugbak er een stuk onaantrekkelijker uitzien dan witte wijn: de eiwitcomplexen vormen klonterige structuren.

De bronnen van tannine in wijn

Tannine komt in wijn voort uit verschillende natuurlijke en soms technische bronnen. Elke bron levert een uniek profiel aan structuur, bitterheid en astringentie. Hieronder worden de vijf hoofdbronnen verder uitgediept:

  1. Druivenschillen:
    De schil van de druif is de meest voorname leverancier van tannine in rode wijn. Tijdens de fermentatie geeft langdurig schilcontact tannine af, vooral wanneer de schillen dikker zijn, zoals bij druivenrassen als Cabernet Sauvignon. Schiltannine is doorgaans meer gepolymeriseerd, wat leidt tot grotere moleculen die bijdragen aan een meer gestructureerd en vaak eleganter mondgevoel. Deze tannine is essentieel voor het rijpingspotentieel van kwaliteitswijnen.
  2. Druivenpitten:
    De zaden bevatten kortere tanninemoleculen (2 tot 20 polymeren), die over het algemeen bitterder van smaak zijn. Wanneer wijnmakers hard persen of een lange inweking gebruiken, neemt de kans toe dat deze bitterheid in de wijn terechtkomt. Daarom vermijden veel wijnmakers overmatige extractie van zaadtannine, tenzij ze bewust op zoek zijn naar een krachtig, gestructureerd profiel.
  3. Steeltjes:
    Bij het gebruik van hele druiventrossen tijdens de fermentatie (ook wel ā€˜whole cluster fermentation’ genoemd), worden ook de steeltjes meegemacereerd. Steeltannine varieert sterk in grootte en impact, afhankelijk van de mate van rijping (lignificatie) van de stelen. Goed verhoute steeltjes geven fijne, aardse tannine af die structuur toevoegt zonder bitterheid. Onrijpe steeltjes kunnen daarentegen leiden tot een harde, groene smaak.
  4. Houten vaten:
    Eikenhouten vaten, met name nieuwe, dragen bij aan het tanninegehalte van wijn, vooral in de eerste jaren van gebruik. Deze tannine is meestal afkomstig uit non-flavonoĆÆde verbindingen en speelt ook een rol bij kleurstabilisatie. De invloed van het vat hangt af van het type eik (Frans, Amerikaans, Hongaars), de mate van toasting en de duur van de rijping. Houttannine zorgt vaak voor een fijnkorrelige structuur en subtiele kruidige of rokerige tonen.
  5. Additieven:
    In sommige gevallen voegen wijnmakers tijdens of na de vinificatie gezuiverde tannine toe. Deze kunnen afkomstig zijn van hout, schil of pitextracten. Toevoeging kan dienen om balans te brengen in een wijn met weinig natuurlijke tannine, of om kleur en structuur te versterken. Dit gebeurt vooral bij instabiele of aromatisch zwakkere wijnen. De dosering moet zorgvuldig gebeuren om overextractie en onevenwichtige bitterheid te vermijden.

Tannine in de wijngaard

Tannine vormt zich al in een vroeg stadium, vanaf de vruchtzetting tot aan vƩraison, het moment waarop de druiven beginnen te verkleuren. Tijdens deze periode hopen tannine zich voornamelijk op in de schillen, zaden en, in sommige gevallen, de steeltjes. Schiltannine speelt hierbij een dubbele rol: enerzijds draagt het bij aan de uiteindelijke structuur van de wijn, anderzijds beschermt het de druif tegen zonlicht en andere omgevingsinvloeden.

De hoeveelheid en kwaliteit van tannine in een druif wordt sterk beĆÆnvloed door externe factoren zoals klimaat, ligging van de wijngaard, en de hoeveelheid zonlicht die de druif ontvangt. In koelere klimaten, of bij vroege oogst, bevatten druiven doorgaans minder gepolymeriseerde tannine. Deze geeft vaak een scherper en strakker mondgevoel. In warmere klimaten of bij latere oogst zijn tannine doorgaans rijper en zachter van karakter, door een hogere graad van polymerisatie.

Ook het beheer van de wijngaard heeft een grote invloed op de ontwikkeling van tannine. De hoeveelheid bladbedekking bepaalt hoeveel zonlicht de druiventrossen ontvangen: meer blad betekent meer schaduw en dus minder tannine-opbouw in de schillen. Tegelijkertijd speelt irrigatie een belangrijke rol. Wanneer druiven tijdens hun rijping te veel water krijgen, zwellen ze op, wat resulteert in een lagere concentratie tannine ten opzichte van het sapvolume. Omgekeerd bevordert gecontroleerde waterstress kleinere bessen met een hoger schil-tot-sap-ratio, en dus meer geconcentreerde tannine.

In de laatste fase van rijping kan lichte irrigatie helpen om de druiven langzaam te laten doorrijpen, waardoor tannine verder polymeriseert en zachter wordt. Ook de keuze om bladeren later in het seizoen te verwijderen, bijvoorbeeld om de steeltjes goed te laten verhouten, kan van invloed zijn op de uiteindelijke structuur van de wijn. Dit is zeker het geval als er gewerkt wordt met hele trossen tijdens fermentatie.

Tannine in de wijnkelder

Naast de invloed van druivenras en wijngaard speelt het wijnmaakproces een centrale rol in hoe tannine zich ontwikkelt en uitdrukt in het eindproduct. Terwijl kleurstoffen al beginnen vrij te komen zodra de schil van een druif wordt gekneusd, vereist tannine alcohol om effectief geƫxtraheerd te worden. De extractie neemt dus toe naarmate de fermentatie vordert en het alcoholpercentage stijgt.

Wijnmakers beschikken over een breed palet aan technieken om de hoeveelheid Ʃn kwaliteit van tannine te sturen:

  • Temperatuur: Hogere fermentatietemperaturen (boven de 26°C) bevorderen een intensere extractie.
  • Inweking: Langdurig contact met schillen en pitten (extended maceration) leidt tot meer tannine en complexiteit.
  • Mechanische bewerkingen: Punchdowns, overpompen, en hard persen verhogen de extractie van met name zaadtannine.
  • Houtgebruik: Rijping op eikenhouten vaten voegt niet alleen aroma’s toe, maar ook structuur via houttannine.

Een bijzondere techniek om tannine zachter te maken is micro-oxygenatie: het gecontroleerd toevoegen van kleine hoeveelheden zuurstof aan de wijn. Deze aanpak kan vooral bij druivenrassen met van nature ruwe of groene tannine, zoals Nebbiolo of Syrah, helpen om de structuur te versoepelen en beter te integreren. Wanneer deze techniek vóór de malolactische gisting en vóór toevoeging van zwavel wordt toegepast, kan dit bijdragen aan een meer gebalanceerd mondgevoel en verlengde rijpingscapaciteit.

Het succes van deze techniek hangt af van nauwkeurige dosering: net voldoende om polymerisatie te stimuleren, maar zonder oxidatieve schade. Correct toegepast leidt dit tot wijnen met een grotere aromatische complexiteit, zachtere textuur en een langere levensduur.

Tannine en rijping

Tijdens de rijping polymeriseert tannine steeds verder. De monomeren hechten zich aan elkaar, waardoor ze groter worden en uiteindelijk zo groot dat ze niet langer kunnen binden met speekseleiwitten, het moment waarop de wijn soepeler wordt.

Bij rode wijn stabiliseren tannine en anthocyanen (kleurstoffen) elkaar. De juiste hoeveelheid zuurstof versnelt dit proces, terwijl overmatige blootstelling schadelijk kan zijn. Wijnmakers gebruiken technieken zoals gecontroleerde zuurstofdosering en rijping op vat om de structuur optimaal te laten ontwikkelen.

Conclusie

Tannine vormt het skelet van rode wijn, beĆÆnvloedt het mondgevoel en is essentieel voor rijping. De kunst van goed tanninebeheer begint in de wijngaard en loopt door tot in de fles. Elke beslissing, van druivenras tot fermentatie, vormt het uiteindelijke karakter van de wijn.

Of je nu houdt van stevige, robuuste rode wijn of een fluweelzachte stijl prefereert, inzicht in tannine helpt je wijn op een dieper niveau te waarderen.

Het belang van onderstokken – Weg met het luisje in de pels

De invasie van de phylloxera op het eind van de 19de eeuw heeft geleid tot een diepgaande metamorfose van de wijnwereld. Vanaf dat moment was het not done om druivelaars te planten zonder Amerikaanse onderstok of onderstam (enkele uitzonderingen niet te na gesproken).

Het gebruik van de onderstokken maakte het mogelijk om de dreiging die uitging van de phylloxera (druifluis) volledig af te wenden. We staan er zelden bij stil, maar in feite was dit een slimme biologische oplossing voor een groot probleem. Maar de wingerd veranderde nadien wel wezenlijk. Druivenstokken werden hierdoor gevoeliger voor chlorose (geelgroene verkleuring van de bladeren), grijsrot en droogte. Ook de rendementen namen toe met mogelijk kwaliteitsverlies als gevolg.

Entingstechniek

De wijnstok enten komt neer op het samenvoegen van twee takken: de ent of de stok en de onderstok. Anders dan bij fruitbomen wordt de ent niet geplaatst op een in de grond gewortelde onderstok maar op een simpel soort stek.
De entingstechniek van vandaag berust nog steeds op de methodes uit de Middeleeuwen. Ze werd evenwel verfijnd op het vlak van precisie, de vorm van de inkeping en de verzorging van de jonge planten (behandeling tegen schimmels, waterhuishouding, passage door een koude kamer om het hout te hydrateren,…). Het samenvoegen van ent en onderstok gebeurt soms machinaal met een toestel dat iets weg heeft van een naaimachine. Eens geĆ«nt, wordt het plantje aangebracht in een vochtig substraat bij een temperatuur van +/- 30°C tot het litteken dichtgegroeid is. Het plantje blijft dan in serres tot het klaar is om een volwassen leven te beginnen in de wingerd.

De keuze van de onderstok

Er bestaan ruim 30 verschillende soorten onderstokken voor de wijnbouw. Ze garanderen allemaal een resistentie tegen phylloxera, maar geven andere resultaten op het niveau van rendementen, aanpassing aan bodemtypes en resistentie tegen andere parasieten en wijngaardziekten. Het overgrote deel van de onderstokken die tegenwoordig in omloop zijn, waren reeds gekend op het einde van de 19de eeuw. Ze zijn ontstaan uit kruisingen tussen Amerikaanse variƫteiten en dragen soms eigenaardige namen zoals Riparia Gloire de Montpellier, Fercal, 116 Couderc, 333 Ecole de Montpellier of SO4.
De keuze van de onderstok heeft een grote invloed op de ontwikkeling van de plant, het voortgebrachte volume en moet bewust gebeuren in functie van het pedo-klimatologisch karakter van de bodem van de betrokken percelen. Tenslotte moet men ook rekening houden met de productiedoelen. Men kan zelfs stellen dat de onderstok belangrijker is voor het eindresultaat dan de kloon van het druivenras.
Bij de uiteindelijke keuze van de onderstok moet de wijnbouwer dus op de hoogte zijn van de kenmerken van elk van zijn percelen. Elementen die meespelen: de diepte van de bodem, het gehalte aan actieve kalk, de drainage, de resistentie van de bodem tegen parasieten en de zuurgraad van de grond. Hij moet ook rekening houden met zijn doelen en met het gekozen druivenras. De grote groeikracht van een onderstok gecombineerd met de vruchtbaarheid van de grond kan leiden tot overdreven rendementen. Een vroegrijpende onderstok kan het tijdstip van de bloei en de oogst beĆÆnvloeden, in casu vervroegen. Dat kan dus risico’s meebrengen in hooggelegen of frissere wijnregio’s waar er een behoorlijke kans is op laattijdige vorst.

the

(Met dank aan Vinomagazine voor het artikel).