Carbonara: Romig zonder room

Onlangs ontdekte ik Pasta Grannies op You Tube. Een heerlijk concept waar men de nonna’s pasta gerechten laat klaarmaken volgens oude familietradities. Je wordt op slag verliefd en verslaafd aan het kanaal en ik heb op korte tijd dan ook al heel wat video’s verslonden. Uiteraard kom je er ook de klassieker der klassiekers tegen: Spaghetti alla Carbonara. Een gerecht dat z’n plaats op de wereldkaart veroverde zonder veel show, maar met des te meer smaak. Wat ooit begon als een eenvoudige maaltijd uit Lazio is intussen uitgegroeid tot een van de meest geliefde pastagerechten wereldwijd. Reden genoeg om verder uit te spitten wat een Carbonara allemaal inhoudt.

Waar komt Carbonara eigenlijk vandaan?

Carbonara komt uit Lazio, dat staat vast. Maar hoe dit iconisch pastagerecht precies ontstond, is een culinair raadsel waar zelfs de meest doorgewinterde Italiaanse nonna het antwoord niet op heeft. Wat vaststaat: de oorsprong van Carbonara is niet zo oud als je misschien zou denken. Tot 1950 kom je het gerecht in geen enkel Italiaans kookboek tegen. Geen voetnoot, geen vermelding, niets. Alsof het plots, bijna magisch, opdook in de Romeinse keukens.

Een van de hardnekkigste theorieƫn linkt Carbonara aan de komst van het Amerikaanse leger tijdens de bevrijding van Rome in 1944. Terwijl Glenn Miller door de radio klonk en de geur van Marlboro zich mengde met die van versgebakken brood, maakten Amerikaanse soldaten hun opwachting in de Eeuwige Stad. Met in hun bagage: sigaretten, chocolade, kauwgom en hun fameuze K-rantsoenen. Die noodrantsoenen, standaard meegegeven voor op het slagveld, bevatten onder andere spek in blik en eieren in poedervorm. Niet bepaald haute cuisine, maar in een stad waar voedsel nog steeds schaars was, een kleine goudmijn.

Romeinse herbergiers, nooit vies van een creatieve ingeving, zouden op verzoek van deze soldaten een bord spaghetti met bacon en eieren hebben samengesteld. ā€œSpaghetti breakfastā€ werd het genoemd. Geen verfijnde bedoening, maar een stevig, vullend gerecht dat aansloeg als een bom. Zo ontstond, volgens deze theorie, de eerste versie van wat later Carbonara zou worden: een huwelijk tussen Amerikaanse ingrediĆ«nten en Italiaanse improvisatie.

Maar dat is niet het enige verhaal.

Sommigen leggen de oorsprong verder terug in de tijd, bij de zogenaamde carbonari. Houtskoolbranders die in de bergen werkten en enkel houdbare producten konden meenemen. Spek, harde kaas, eieren, pasta: allemaal ingrediƫnten die lang meegaan en weinig zorg vereisen. Volgens deze versie was Carbonara geen culinair kunstwerk, maar een praktische oplossing.

Beide verhalen hebben hun charme en waarschijnlijk een stukje waarheid. Maar het is pas na de oorlogsjaren, in een Rome dat opnieuw begon te ademen, dat Carbonara echt naam maakte. De jaren vijftig brachten niet alleen een economische heropleving, maar ook een hernieuwde interesse in de eenvoudige, lokale keuken. In 1954 schreef journalist Herbert L. Matthews van de New York Times een artikel over de Romeinse trattoria’s, waarin hij melding maakte van een ware carbonara-rage. De rest is geschiedenis.

Een naam met rookgordijn

De naam Carbonara klinkt als iets robuusts, iets met vuur en rook. En dat is precies waar de verwarring begint. Want wie het etiket op deze klassieker wil verklaren, belandt snel in een doolhof van theorieƫn, halve waarheden en charmante verzinsels. Geen enkele uitleg is sluitend, maar elk spoor zegt iets over het karakter van het gerecht.

Een populaire theorie linkt Carbonara aan de carbonari, houtskoolbranders uit de Apennijnen. Zij leefden in barre omstandigheden, aten wat lang houdbaar was en hadden vooral nood aan vullende maaltijden. Spek, eieren, kaas en pasta: het klinkt als het menu van een berghut, maar of deze robuuste mannen ook werkelijk de uitvinders van Carbonara zijn? Niemand weet het zeker. De theorie is plausibel, maar niet verifieerbaar.

Dan is er de uitleg dat het gerecht zijn naam dankt aan de zwarte peper, royaal over het bord gemalen en visueel vergelijkbaar met steenkoolstof. Een mooi beeld: een zachte regen van zwarte spikkels die zich als as neervlijen op een goudgele pastawolk. Poƫtisch en aantrekkelijk, maar meer literair dan feitelijk onderbouwd.

Sommige fantasierijke geesten willen dan weer geloven dat het gerecht een link heeft met de Carbonari, een geheime revolutionaire beweging uit het begin van de 19de eeuw. Maar zelfs de meest romantische historicus geeft toe dat er geen enkel culinair verband te vinden is tussen de samenzweerders en een bord spaghetti met eigeel. Deze piste mag dus met een gerust hart als legendarisch worden afgevinkt.

Ook de bewering dat een Sardijnse kok uit de stad Carbonia het gerecht bedacht tijdens zijn Romeinse jaren lijkt vooral gebaseerd op geografisch toeval. Een aantrekkelijke theorie voor wie van eenvoudige verbanden houdt, maar zonder enig historisch gewicht.

Een andere piste, vaak over het hoofd gezien maar verrassend aannemelijk, is de link met de zwarte markt in Rome tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In het Romeinse dialect werd deze markt wel eens mercato carbonaro genoemd. Het was de plek waar Amerikaanse soldaten hun K-rantsoenen ruilden of verkochten. Net die ingrediĆ«nten vormden de basis van de eerste rudimentaire versies van Carbonara. Vanuit die context is het niet ondenkbaar dat het gerecht zijn naam ontleende aan die clandestiene voedingsbron. De saus is dus misschien niet vernoemd naar de houtskool, maar naar het ā€˜zwarte’ karakter van haar ingrediĆ«nten.

Welke pasta kies je best?

In de wereld van Carbonara is pasta geen neutrale drager, maar een volwaardig onderdeel van het gerecht. De keuze van de juiste pastasoort bepaalt niet alleen de structuur, maar ook hoe de saus zich hecht en hoe de smaken samenkomen.

Spaghetti blijft de onbetwiste klassieker. In Rome is er weinig discussie over: Carbonara eet je met spaghetti. De lange slierten wikkelen zich mooi rond de romige saus, nemen net genoeg mee van de guanciale en de kaas en zorgen voor een evenwichtige verdeling op het bord Ʃn in de mond.

Voor wat variatie is er spaghettoni: een dikkere variant van spaghetti die iets meer bite biedt en de saus nog beter vasthoudt. Spaghettoni geeft meer mondgevoel, meer structuur en iets meer ruimte aan de rijke saus om zich te nestelen tussen de strengen. Het vraagt wel een paar minuutjes extra kooktijd, maar de beloning is een bord dat net wat voller en luxueuzer aanvoelt.

Toch zijn er ook kortere alternatieven die niet meteen als fout worden aanzien. Rigatoni of mezze maniche bijvoorbeeld: brede pastavormen met ribbels aan de buitenkant en een holle binnenkant. Ideaal om de saus op te vangen en kleine stukjes guanciale als een soort schatkistje mee te dragen. Bij elke hap krijg je een smaakbommetje. Iets minder elegant misschien, maar voor wie van een robuustere structuur houdt, perfect geschikt.

Wat je absoluut moet vermijden, zijn dunne of gladde pasta’s zoals capellini of linguine. Die worden sneller papperig, verliezen hun beet en laten de saus letterlijk van zich afglijden. Carbonara heeft houvast nodig.

Wanneer pleeg je heiligschennis?

Laten we duidelijk zijn: Carbonara is geen speeltuin voor wie graag experimenteert met room, kruiden of restjes uit de koelkast. Er bestaan duizenden pastagerechten waar je je creativiteit op kan botvieren, maar Carbonara hoort daar niet bij. Hier gelden regels. Strenge regels. Wie zich daar niet aan houdt, verdient minstens een kookverbod, of in het ergste geval: verbanning naar een onbewoond eiland zonder fornuis.

Room toevoegen? Altijd een slecht idee. Geen discussie mogelijk. Het resultaat mag dan smeuĆÆg lijken, het heeft niets te maken met wat Carbonara hoort te zijn. Die typische romigheid komt niet van room, maar van de emulsie tussen eigeel, kaas en een beetje zetmeelrijk pastawater. Room gebruiken is niet alleen overbodig, het is culinair verraad.

Maar de heiligschennis stopt daar niet. Knoflook, ui, peterselie? Nee. Het is geen groentestoofpot. Laat ook de olijfolie voor wat ze is. De guanciale zorgt voor het vet. Extra vet toevoegen is als ketchup op een bistecca fiorentina: het verraadt een gebrek aan vertrouwen in het gerecht zelf.

Dan is er het vlees. Guanciale is de norm. Punt. Geen ontbijtspek, geen spekblokjes uit de supermarkt, geen bacon. Pancetta kan in uiterste nood, als je echt geen guanciale te pakken krijgt, maar zelfs dan knijp je alleen een oog dicht als de rest van de bereiding onberispelijk is.

Wat kaas betreft: Carbonara draait rond Pecorino Romano. Wie allƩƩn Parmezaanse kaas gebruikt, begeeft zich op glad ijs. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan, met mate, maar ook dat is eerder een toegift dan een regel. Pecorino zorgt voor de zoute punch, de karaktervolle scherpte die het gerecht zijn ruggengraat geeft.

Ook met eieren moet je precies zijn. In principe gebruik je enkel eigeel. Dat zorgt voor de romigheid zonder dat je met roerei eindigt. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, maar alleen als je weet wat je doet. En witte peper? Dat mag, als je echt geen zwarte hebt. Maar wees voorzichtig: Carbonara is geen plek voor smaken die de boel overstemmen.

Samengevat: Carbonara maak je met vier ingrediĆ«nten. Guanciale, Pecorino Romano, eigeel en zwarte peper. Alles wat daar buiten valt, is op z’n best verdacht, op z’n slechtst culinair misdadig. Gebruik je spekblokjes, witte saus, smeltkaas, knoflook Ć©n peterselie in ƩƩn pan, dan is zelfs de biecht niet meer voldoende. Dan is het tijd voor de strengst mogelijke straf: levenslange opsluiting in een keuken waar alleen magnetrons staan. Met room. Veel room.

Kies je ingrediƫnten met zorg

Zoals al gemeld, Carbonara maak je met vier ingrediĆ«nten, niet meer en niet minder. En net omdat die lijst zo kort is, komt het op elk detail aan. Geen ruimte voor compromissen, geen ā€˜het is maar voor een doordeweekse avond’. Elk ingrediĆ«nt moet z’n rol met overtuiging spelen. Het geheim zit niet in wat je toevoegt, maar in wat je juist weglaat. En vooral: in de kwaliteit van wat je wĆ©l gebruikt.

Begin bij het ei. Gebruik verse eieren van goede kwaliteit, liefst van kippen die weten wat daglicht is. Alleen het eigeel wordt gebruikt. Het zorgt voor de romige textuur, de diepgang en de kleur. Wie per ongeluk een heel ei in de kom gooit, zal snel merken dat de saus te dun wordt of verandert in roerei. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, voor wie ervaring heeft en exact weet hoe ver hij kan gaan, maar standaard blijf je bij enkel dooier.

Dan is er de kaas. En die is heilig. Pecorino Romano is de juiste keuze: een zoute, scherpe, gerijpte (minstens 8 maanden) schapenkaas die precies dat extra duwtje geeft aan het gerecht. Geen Parmezaan dus, en al helemaal geen Grana Padano die zich in het middenveld nestelt zonder pit of karakter. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan door de beugel als je je gasten wil sparen van al te veel zoutigheid, maar laat je niet misleiden: het is een compromis, geen standaard.

Guanciale is het hart van Carbonara. Het vlees komt uit de wangen of de kin van het varken, wordt gezouten, gekruid (maar niet overdreven) en enkele weken gerijpt. Het resultaat is een stuk spek met een uitgesproken smaak en een vetlaag die smelt als boter in de pan. Snijd het in blokjes of reepjes, bak het op matig vuur en laat het eigen vet het werk doen. Gebruik zeker geen olie.

En dan de zwarte peper: vaak onderschat, maar essentieel. Hij zorgt voor de pittige tegenstem die de vetheid van het spek en de romigheid van het ei in balans houdt. Gebruik alleen versgemalen zwarte peper, liefst uit een molen met wat karakter. Wees royaal, maar met gevoel: peper moet aanwezig zijn, niet overheersen.

Tot slot: koop je ingrediƫnten met zorg. Guanciale haal je niet bij de supermarkt, maar bij een Italiaanse delicatessenzaak of een slager die weet waar zijn varken vandaan komt. Eieren koop je niet omdat ze in promotie zijn, maar omdat ze kleur, smaak en textuur geven aan je saus. En je Pecorino mag gerust een beetje brokkelen, dat betekent dat hij leeft. Carbonara is simpel, maar alleen als je de juiste dingen kiest. Met vier ingrediƫnten heb je geen marge voor middelmaat. Alleen het beste telt.

Spaghetti Carbonara voor 4 personen

Ingrediƫnten:

  • 800 g spaghetti
  • 450 Ć  500 g guanciale
  • 6 eidooiers
  • 320 g Pecorino Romano (minstens 12 maanden gerijpt)
  • 30 g versgemalen zwarte peper (meer of minder naar smaak)

Bereiding:

Verwijder de peperkorst en eventuele harde randjes van de guanciale. Snijd het vlees in plakjes van ongeveer een halve centimeter en vervolgens in blokjes van ongeveer 1 cm. Bak de blokjes op hoog vuur in een pan zonder vetstof. Zodra het eerste laagje vet begint te smelten en ƩƩn kant krokant is, roer je voorzichtig zodat de stukjes gelijkmatig krokant worden. Laat de guanciale vervolgens ongeveer 20 minuten zachtjes garen in zijn eigen vet, zodat het vlees mooi konfijt. Als de blokjes krokant zijn, zet je het vuur uit en hou je ze apart, mƩt het vet. Gooi dit dus zeker niet weg.

Rasp de Pecorino en meng er 20 g van de versgemalen zwarte peper doorheen. Klop in een aparte kom de eidooiers los en meng daar ongeveer 220 g van de geraspte Pecorino-pepermix doorheen. Hou de rest van de kaas apart voor de afwerking.

Kook de spaghetti in ruim gezouten water tot net al dente. Vergeet niet een flinke pollepel kookvocht opzij te houden voor de saus.

Doe de uitgelekte pasta meteen in een grote schaal of pan, weg van het vuur. Voeg het eimengsel toe en roer stevig met een draaiende beweging. Voeg beetje bij beetje het warme pastawater toe om een gladde, romige emulsie te creƫren. Voeg daarna de krokante guanciale en een eetlepel van het gesmolten vet toe. Roer nogmaals goed door tot alles perfect gemengd is. Dit moment is cruciaal: snel werken, goed roeren en niet laten stollen.

Serveer onmiddellijk, bestrooi elke portie royaal met de overgebleven Pecorino en een extra draai zwarte peper.

Affogato: Een warme omhelzing van koffie en ijs

Af en toe ontdek je iets dat je eigenlijk al kende. Zo belandde er onlangs voor het eerst een affogato voor mijn neus. Niet dat het een complete verrassing was, want ik wist wat het betekende: ijs, espresso, Italiƫ. Maar geproefd? Nee. Gegeten? Gedronken? Ook niet. Tot die ene dag dus. En dat moment was reden genoeg om wat dieper te duiken in deze ogenschijnlijk eenvoudige Italiaanse klassieker.

Er zijn van die combinaties die moeiteloos kloppen: zomer en zee, espresso en ochtend, ijs en… koffie? Absoluut. De affogato is daar het smakelijke bewijs van. Een dessert dat zó eenvoudig oogt dat je bijna denkt dat het per ongeluk ontstaan is. En eerlijk? Dat zou best kunnen. Maar achter dat simpele huwelijk van ijs en koffie schuilt meer verhaal dan je zou denken.

Van koffietoeval naar klassieker

Affogato betekent letterlijk ā€˜verdronken’ in het Italiaans. En dat is precies wat er gebeurt: een koude bol vanille-ijs wordt overgoten met een hete shot espresso, tot hij langzaam maar onvermijdelijk wegzinkt in de aromatische diepte. Het klinkt als iets wat een verstrooide barista per ongeluk deed op een warme namiddag, maar waarschijnlijk was het een goedbedoelde ingeving ergens in het noorden van ItaliĆ«. In Piemonte bijvoorbeeld, een regio waar men wel vaker twee goede dingen samenbrengt tot iets briljants, zoals gianduja of vitello tonnato.

Toch is het opvallend: de affogato is nooit officieel erkend als dessert, maar het is ook geen drankje. Het zweeft ergens tussenin. Je eet het met een lepel, maar je drinkt er ook van mee. Die twijfelachtige status is net wat hem zo aantrekkelijk maakt. Een klein rebels gerechtje dat zich niet laat vastpinnen, maar gewoon doet waar het goed in is: verleiden.

Over de precieze geboorteplek wordt nog wel eens gediscussieerd. In Emilia-Romagna zou het zijn opgediend als digestief, een warme afsluiter van een maaltijd. In Piemonte ging het verhaal rond dat men het als ontbijt gebruikte, wat op z’n minst opmerkelijk is tenzij je echt veel vertrouwen hebt in de dag die voor je ligt. Wat wĆ©l vaststaat, is dat de affogato in de late 19e of vroege 20e eeuw aan populariteit begon te winnen. Net op het moment dat industrieel geproduceerd roomijs voor het eerst breed beschikbaar werd en espresso definitief zijn intrede deed in de Italiaanse huizen en cafĆ©s.

De affogato is dus geen eeuwenoud familierecept, maar het resultaat van twee gelijktijdige revoluties: ijs werd bereikbaar, espresso werd een cultuur. En waar die twee elkaar vonden, ontstond een klein meesterwerkje. Geen ingewikkeld dessert met veel toeters en bellen, maar een eenvoudige vondst die moeiteloos de tand des tijds doorstaat. Een ontmoeting tussen warm en koud, bitter en zoet, vloeibaar en romig. Alsof het zo moest zijn.

Waarom is affogato zo populair?

De affogato dankt zijn populariteit aan iets wat zeldzaam is in de wereld van desserts: de perfecte balans tussen eenvoud en raffinement. EƩn bol ijs, ƩƩn shot espresso. Meer heeft het niet nodig. Toch ontstaat er op dat moment iets verrassends gelaagd. Niet alleen qua smaak, maar ook in beleving. De hitte van de espresso raakt het koude ijs en creƫert iets nieuws, een zachte, romige smeltzone die nooit twee keer hetzelfde is. Het is net die vluchtigheid die de affogato zo onweerstaanbaar maakt. Je hebt een paar minuten, hooguit, waarin alles samenvalt. Daarna is het moment voorbij.

Het is ook een gerecht zonder pretentie. Geen opgeklopte schuimpjes, geen ingewikkelde texturen of gepersonaliseerde borden. De affogato vraagt geen techniek, geen oven, geen voorbereiding. Enkel een goed bolletje ijs en een sterke espresso. En toch voelt het bijzonder, alsof je even een geheim deelt met de Italiaanse barista-traditie.

Wat de affogato ook aantrekkelijk maakt, is zijn veelzijdigheid. Het is even geschikt als elegante afsluiter van een chic diner, als snelle oppepper op een zomermiddag of als troostrijke verwennerij op een luie avond. En doordat het tussen een dessert en een koffie zweeft, past het in veel contexten. Voor wie geen zin heeft in een uitgebreid nagerecht maar wƩl iets nodig heeft om de maaltijd waardig af te ronden, is het de ideale keuze.

Bovendien sluit de affogato aan bij een groeiende waardering voor minimalistische gerechten met hoogwaardige ingrediƫnten. In een wereld waar smaken vaak overdadig en zoet zijn, biedt deze klassieker een gebalanceerde, volwassen afwisseling. EƩn lepel, en je hebt bitter, romig, koud, warm, zacht en krachtig in ƩƩn keer geproefd. Dat is geen toevalstreffer, dat is doordachte eenvoud die blijft hangen.

Essentiƫle ingrediƫnten: eenvoud vraagt om kwaliteit

Bij een affogato heb je maar twee ingrediƫnten nodig, maar juist daarom is er geen ruimte voor middelmaat. De eenvoud van dit dessert legt genadeloos bloot wat je in je glas hebt. Slecht ijs of fletse koffie? Dan krijg je ook een affogato die nergens heen gaat. Alles begint dus bij een zorgvuldige keuze van wat er in dat kleine glas belandt.

Neem het ijs. Ga niet voor de eerste de beste pot uit het vriesvak. Wat je zoekt is roomijs met een hoog vetgehalte, een volle textuur en een natuurlijke vanillesmaak. Die herken je vaak aan de zichtbare zwarte puntjes van echte vanille. Vermijd varianten die vooral lucht en suiker bevatten, die smelten sneller, verliezen hun structuur in de espresso en geven vooral een plakkerige zoetheid in plaats van die romige, koele balans. Ambachtelijk ijs of ijs van een goede ijssalon is geen overbodige luxe, maar een essentieel ingrediĆ«nt. Bij voorkeur eentje zonder kunstmatige smaakstoffen of overdreven aroma’s die de koffie gaan overheersen.

Dan de espresso. Ook hier geldt: kwaliteit boven gemak. Versgemalen bonen zijn een must, het liefst een medium tot donkere branding met een volle, ronde smaak. De espresso moet krachtig genoeg zijn om zich niet te laten ondersneeuwen door het ijs, maar ook niet zo bitter dat hij het hele glas domineert. Vermijd dus koffie die zuur of verbrand smaakt. Dat verraadt slechte branding of een verkeerde zetmethode.

Heb je geen espressomachine? Geen paniek. Een moka kan perfect werken, zolang je zorgt dat je koffie stevig is en niet te waterig. Zelfs een goede filterkoffie is mogelijk, al mis je dan wel het romige mondgevoel van een echte espresso. Wat je absoluut wil vermijden zijn capsules of instantkoffie: die missen het karakter dat nodig is om het ijs te omarmen en op te tillen.

En dan is er nog de timing. Een affogato leef je in het moment. De espresso moet net gezet zijn, heet, geurig, vol levendigheid. Als hij te lang staat, verliest hij zijn punch. En het ijs? Dat moet ijskoud zijn, net uit de diepvries, stevig genoeg om niet meteen te verdwijnen.

Kies dus zorgvuldig. Alleen twee ingrediƫnten die hun werk doen. Maar dan wel op hun allerbest. Want in de affogato valt er niets te verbergen.

Variaties: is er ruimte voor creativiteit?

Hoewel de klassieke affogato gebouwd is op de combinatie van vanille-ijs en een stevige espresso, leent dit eenvoudige concept zich verrassend goed voor interpretatie. Het basisidee blijft overeind: koud ijs, warme koffie. Maar binnen die grenzen is er verrassend veel ruimte voor variatie. Niet om het recept per se te verbeteren, maar om het af te stemmen op het moment, het seizoen of simpelweg de persoonlijke voorkeur.

Vanille blijft de meest gebruikte smaak en dat is terecht. De zachte, romige ondertoon combineert moeiteloos met de bitterheid van espresso. Toch hoeft het daar niet te stoppen. Hazelnoot geeft een nootachtige diepgang, chocolade versterkt de intensiteit van de koffie en stracciatella voegt een subtiele textuur toe. Wie avontuurlijker is aangelegd kan munt, gezouten karamel of zelfs citroen proberen. Die vragen wel een zorgvuldige afstemming met de koffie, want niet elke combinatie is vanzelfsprekend in evenwicht.

Ook de koffie zelf biedt ruimte om te experimenteren. Wie geen espresso wil of kan gebruiken, kan aan de slag met een moka, een stevige filterkoffie of zelfs een ristretto voor een krachtigere punch. Sommigen kiezen een kleine cappuccino, waarbij het melkschuim een zachtere toets geeft. Andere liefhebbers kiezen voor een koude bereiding, zoals cold brew. Dat geeft een andere temperatuurbeleving en een zachter mondgevoel, maar behoudt het contrast dat zo kenmerkend is voor een affogato.

Wat je aan de basis toevoegt, is optioneel maar kan het geheel verrijken. Slagroom maakt het zachter, een lepeltje krokante nootjes voegt textuur toe, en een drupje likeur zoals amaretto of koffielikeur geeft het dessert een volwassener karakter. Ook chocoladesiroop of karamel kunnen, mits met mate, zorgen voor een zoet accent zonder dat het geheel uit balans raakt.

Hoe maak je een klassieke Affogato?

Ingrediƫnten (voor 1 persoon):

  • 1 bol hoogwaardig vanille-ijs
  • 1 shot (circa 30 ml) hete, verse espresso

Bereiding:

  1. Schep een bol vanille-ijs in een gekoeld glas of kommetje.
  2. Zet een stevige espresso.
  3. Giet de hete koffie langzaam over het ijs.
  4. Serveer onmiddellijk. Voeg indien gewenst toppings toe.

Extra toevoeging: wil je het een tikkeltje decadenter? Voeg een scheutje amaretto of hazelnootlikeur toe. Of werk af met geraspte pure chocolade. Maar eigenlijk heeft de affogato dat allemaal niet nodig.

Wat affogato zo tijdloos maakt.

De affogato is een klein meesterwerkje. Hij toont hoe weinig je nodig hebt om iets memorabels op tafel te zetten, zolang de kwaliteit klopt. Geen spektakel, geen overdaad, maar een warme ontmoeting tussen eenvoud en smaak. Italiƫ begrijpt dat als geen ander. En wij? Wij lepelen graag mee.