Baffo all’orvietana: de snor uit Umbria die je wil opeten

Stanley Tucci’s Searching for Italy is een reeks die op VRT werd of wordt uitgezonden. Omdat het over Italië gaat, hadden we de afleveringen opgenomen en bekijken we ze op een rustig moment, wanneer het eens past. Eén van de afleveringen ging over Umbrië, en na onze recente passage daar was ik wel benieuwd wat die man over de streek te vertellen had.

Dat het varken er een hoofdrol speelt, is geen understatement maar een waarheid als een koe. Tijdens de uitzending veerde ik recht, want wat kwam daar plots op het scherm? Een gerecht dat we nog maar net hadden gegeten in Orvieto: baffo all’orvietana. Toen ik het ter plekke proefde, had ik er nog nooit van gehoord. Maar het was verdomd lekker. Se lecca i baffi.

Een gerecht met de naam baffo roept vanzelf de vraag op: wat heeft een snor te maken met eten? In dit geval ligt het antwoord op je bord. Dit eenvoudige maar smaakvolle gerecht komt uit de streek rond Orvieto, een middeleeuws stadje in het zuiden van Umbrië. Het draait om één centraal ingrediënt: gezouten en licht gerookt varkensvlees met een stevige structuur, dat zich krult als een snor en met een heerlijke smaak.

Terwijl ik dit op een zondagmorgen zit te schrijven, realiseer ik me dat het zover is gekomen: ik zit een artikel te maken over, godbetert, spek. In plaats van zelf een pannetje op het vuur te zetten en een pistoletje te beleggen. Niet dus…

Wat is baffo eigenlijk?

In Umbrië, en meer bepaald in de streek rond Orvieto, bedoelt men met baffo natuurlijk niet letterlijk een snorhaar, maar een stuk varkensvlees. Meer specifiek: een snede afkomstig van de wang van het dier. Het gaat om een spier die doortrokken is van edel vet, met een stevige textuur en een uitgesproken smaak. Dit deel staat in de slagerswereld bekend als guanciale. In sommige delen van Midden-Italië wordt het ook wel barbazza genoemd, een naam die verwijst naar de baardstreek van het varken. De associatie met gezichtsbeharing is dus niet toevallig.

In de pan krult het spek tot slierten die doen denken aan borstelige snorharen, wat de bijnaam baffo meteen verklaart. De naam verwijst misschien ook wel naar wat er gebeurt nadat je het gegeten hebt. Leccarsi i baffi, zeggen de Italianen: je snor aflikken, of met andere woorden, smullen tot de laatste hap. En bij een goed gemaakte baffo all’orvietana is dat een logische reflex.

Oorspronkelijk werd dit stuk vlees gegeten uit noodzaak. Het was een betaalbaar alternatief voor de duurdere stukken, maar zeker niet minder smakelijk. Vandaag weten we dat guanciale of barbazza bijzonder rijk is aan vetten en energie. Het is dus geen ingrediënt voor elke dag.

Guanciale of pancetta: wat is het verschil?

Guanciale en pancetta worden allebei gemaakt van varkensvlees, maar ze komen uit verschillende delen van het dier en hebben elk een eigen karakter.

Guanciale is afkomstig van de guancia, de wang van het varken. Het is een stuk vlees dat rijk doortrokken is van vet, stevig van structuur en bijzonder vol van smaak. Die smaak wordt versterkt door het pekelen, het kruiden met peper of andere specerijen en het laten drogen, soms met een lichte rookbehandeling. Het resultaat is een intens, kruidig en smeuïg stuk vlees dat bij verhitting bijna smelt, zonder zijn bite te verliezen.

Pancetta daarentegen komt van de buik. Zoals de naam al laat vermoeden. Dit vlees is doorgaans zachter van smaak, iets milder gekruid en minder uitgesproken van geur. Pancetta wordt meestal opgerold, gezouten en gedroogd, maar bevat minder vetmarmering dan guanciale en is ook iets egaler van structuur.

Voor baffo all’orvietana is guanciale zonder twijfel de juiste keuze. De specifieke Umbrische variant is vaak licht gerookt en heeft een krachtig aroma dat perfect samengaat met eenvoudige ingrediënten als salie en witte wijn of wijnazijn. Het vlees moet bestand zijn tegen een korte maar stevige verhitting, waarbij het vet zacht wordt maar het geheel niet uit elkaar valt.

Toch grijpt men soms naar pancetta, vooral wanneer guanciale moeilijk te vinden is. De meest geschikte vervanger is dan ventresca di maiale, een Umbrische pancetta die opgerold wordt en qua vetgehalte en textuur dicht in de buurt komt. Maar eerlijk is eerlijk: wie de kans krijgt om met echte guanciale te werken, moet die grijpen. Het verschil proef je meteen. In de smaak, in de structuur en in het laatste straaltje vet dat in de pan achterblijft.

Wat bindt dit gerecht aan Orvieto?

De naam baffo is volgens onze opzoekingen niet meteen gangbaar in andere delen van Italië. Die informele benaming doet vermoeden dat het hier niet gaat om een klassiek gerecht dat via culinaire scholen werd doorgegeven, maar om een bereiding die ontstond in huiselijke keukens, waar mondelinge traditie en plaatselijke woorden minstens zo belangrijk waren als recepten. De toevoeging all’Orvietano bevestigt die geografische verankering.

De band met Orvieto is dus duidelijk, maar de link met Umbrië ligt nog breder ingebed. Het varken speelt een hoofdrol in de Umbrische keuken. Wie niets met varkensvlees heeft, zal in vele keukens in deze regio op z’n zachtst gezegd vreemd worden aangekeken. Norcia, een ander Umbrisch bolwerk, staat zelfs bekend als de bakermat van de slagersstiel in Italië, met een eeuwenlange traditie in het verwerken van varkensvlees.

De naam baffo maakt dit gerecht niet uniek in technische zin, maar geeft het wel een eigen identiteit. De combinatie met all’Orvietano zorgt voor herkenbaarheid. Nergens anders in Italië wordt dit gerecht op precies deze manier genoemd of in het lokale geheugen zo verankerd. En net dat maakt het de moeite waard om te bewaren en door te geven.

De rol van salie, de plant van het goede humeur

Een opvallend element in het gerecht is het gebruik van salie. Een kruid dat absoluut een vaste waarde is in de Italiaanse keuken. In Umbrië groeit salie in zowat elke tuin en wordt ze niet alleen gewaardeerd om haar geur en smaak, maar ook om haar symbolische en zelfs medicinale reputatie.

In het Italiaans spreekt men van pianta del buonumore, de plant van het goede humeur. Aan salie worden sinds de oudheid allerlei verkwikkende eigenschappen toegeschreven. Ze zou helpen tegen melancholie, vermoeidheid, mentale uitputting en zelfs een geheugenoppepper zijn. Monniken, herboristen en nonna’s waren het daarover eens: een beetje salie doet wonderen. Of dat wetenschappelijk bewezen is, doet er in dit geval minder toe.

Smaaktechnisch doet salie precies wat dit gerecht nodig heeft. Het scherpe, licht medicinale aroma snijdt door het vet van de guanciale als een mes. Het geeft frisheid zonder zuur toe te voegen. In tegenstelling tot basilicum of oregano blijft salie eerder discreet. Ze versterkt de andere smaken zonder ze te overstemmen.

In baffo all’Orvietano is de rol van salie klein maar onmisbaar. Ze wordt meestal meegebakken met het vlees, zodat ze haar oliën vrijgeeft op het juiste moment. Het is geen garnituur maar een werkend onderdeel van het gerecht. Je zou het verschil merken als ze er niet was.

Het traditionele recept voor Baffo all’Orvietano

Ingrediënten (voor 4 personen)

  • 600 gram baffo (guanciale, het spier- en vetweefsel van de varkenswang), in sneetjes van ongeveer 2 mm dikte
  • 20 blaadjes verse salie
  • 2 eetlepels witte wijnazijn
  • 2 eetlepels extra vergine olijfolie
  • 2 teentjes knoflook, gekneusd

Bereiding

  1. Snijd het vlees in niet te dunne sneetjes, ongeveer twee millimeter dik. Het mogen best onregelmatige plakjes zijn, zolang er voldoende vet aan zit.
  2. Verhit de olijfolie in een brede pan. Laat de gekneusde knoflook en een deel van de salie licht kleuren zodat de olie geur en smaak opneemt.
  3. Voeg de sneetjes baffo toe aan de pan. Laat ze rustig bakken tot ze licht goudbruin beginnen kleuren.
  4. Sprenkel de witte wijnazijn over het vlees en laat die kort inkoken. De zuren moeten verdampen, maar mogen nog licht te proeven zijn.
  5. Zodra het vlees krokant is aan de randjes maar nog soepel vanbinnen, haal je het met een schuimspaan uit de pan.
  6. Serveer het vlees warm met een lepel van het braadvocht en de krokante salieblaadjes erbovenop.

Opmerkingen

  • Serveer het gerecht eventueel met wat geroosterd brood of als warm voorgerecht.
  • De smaakcombinatie is krachtig maar elegant: vet, kruidig en licht zurig.

Wijnsuggestie
Een droge, geurige witte wijn met zachte zuren. Uiteraard mag een Orvieto Classico niet ontbreken.

Tot slot

Baffo all’orvietana is niet wat je onmiddellijk als een Italiaanse klassieker gaat bestempelen. Het is één van die vele lokale verankerde gerechten die vooral herinneringen oproepen aan je verblijf ginds.

Op het eerste gezicht lijkt het simpel, bijna bescheiden. Voor wie in België op zondagmorgen al eens een sneetje spek in de pan legt, voelt het zelfs enigszins vertrouwd. Maar net die kleine twist maakt het anders. De keuze voor guanciale in plaats van gewoon spek. De toevoeging van salie. Die vleug witte wijnazijn. En de onvermijdelijke knoflook die zacht op de achtergrond blijft hangen.

Dat eenvoud kan smaken, hoeven ze ons al lang niet meer uit te leggen. En voor wie het zelf een keer probeert: je hoeft geen chef te zijn om dit te maken.

Carbonara: Romig zonder room

Onlangs ontdekte ik Pasta Grannies op You Tube. Een heerlijk concept waar men de nonna’s pasta gerechten laat klaarmaken volgens oude familietradities. Je wordt op slag verliefd en verslaafd aan het kanaal en ik heb op korte tijd dan ook al heel wat video’s verslonden. Uiteraard kom je er ook de klassieker der klassiekers tegen: Spaghetti alla Carbonara. Een gerecht dat z’n plaats op de wereldkaart veroverde zonder veel show, maar met des te meer smaak. Wat ooit begon als een eenvoudige maaltijd uit Lazio is intussen uitgegroeid tot een van de meest geliefde pastagerechten wereldwijd. Reden genoeg om verder uit te spitten wat een Carbonara allemaal inhoudt.

Waar komt Carbonara eigenlijk vandaan?

Carbonara komt uit Lazio, dat staat vast. Maar hoe dit iconisch pastagerecht precies ontstond, is een culinair raadsel waar zelfs de meest doorgewinterde Italiaanse nonna het antwoord niet op heeft. Wat vaststaat: de oorsprong van Carbonara is niet zo oud als je misschien zou denken. Tot 1950 kom je het gerecht in geen enkel Italiaans kookboek tegen. Geen voetnoot, geen vermelding, niets. Alsof het plots, bijna magisch, opdook in de Romeinse keukens.

Een van de hardnekkigste theorieën linkt Carbonara aan de komst van het Amerikaanse leger tijdens de bevrijding van Rome in 1944. Terwijl Glenn Miller door de radio klonk en de geur van Marlboro zich mengde met die van versgebakken brood, maakten Amerikaanse soldaten hun opwachting in de Eeuwige Stad. Met in hun bagage: sigaretten, chocolade, kauwgom en hun fameuze K-rantsoenen. Die noodrantsoenen, standaard meegegeven voor op het slagveld, bevatten onder andere spek in blik en eieren in poedervorm. Niet bepaald haute cuisine, maar in een stad waar voedsel nog steeds schaars was, een kleine goudmijn.

Romeinse herbergiers, nooit vies van een creatieve ingeving, zouden op verzoek van deze soldaten een bord spaghetti met bacon en eieren hebben samengesteld. “Spaghetti breakfast” werd het genoemd. Geen verfijnde bedoening, maar een stevig, vullend gerecht dat aansloeg als een bom. Zo ontstond, volgens deze theorie, de eerste versie van wat later Carbonara zou worden: een huwelijk tussen Amerikaanse ingrediënten en Italiaanse improvisatie.

Maar dat is niet het enige verhaal.

Sommigen leggen de oorsprong verder terug in de tijd, bij de zogenaamde carbonari. Houtskoolbranders die in de bergen werkten en enkel houdbare producten konden meenemen. Spek, harde kaas, eieren, pasta: allemaal ingrediënten die lang meegaan en weinig zorg vereisen. Volgens deze versie was Carbonara geen culinair kunstwerk, maar een praktische oplossing.

Beide verhalen hebben hun charme en waarschijnlijk een stukje waarheid. Maar het is pas na de oorlogsjaren, in een Rome dat opnieuw begon te ademen, dat Carbonara echt naam maakte. De jaren vijftig brachten niet alleen een economische heropleving, maar ook een hernieuwde interesse in de eenvoudige, lokale keuken. In 1954 schreef journalist Herbert L. Matthews van de New York Times een artikel over de Romeinse trattoria’s, waarin hij melding maakte van een ware carbonara-rage. De rest is geschiedenis.

Een naam met rookgordijn

De naam Carbonara klinkt als iets robuusts, iets met vuur en rook. En dat is precies waar de verwarring begint. Want wie het etiket op deze klassieker wil verklaren, belandt snel in een doolhof van theorieën, halve waarheden en charmante verzinsels. Geen enkele uitleg is sluitend, maar elk spoor zegt iets over het karakter van het gerecht.

Een populaire theorie linkt Carbonara aan de carbonari, houtskoolbranders uit de Apennijnen. Zij leefden in barre omstandigheden, aten wat lang houdbaar was en hadden vooral nood aan vullende maaltijden. Spek, eieren, kaas en pasta: het klinkt als het menu van een berghut, maar of deze robuuste mannen ook werkelijk de uitvinders van Carbonara zijn? Niemand weet het zeker. De theorie is plausibel, maar niet verifieerbaar.

Dan is er de uitleg dat het gerecht zijn naam dankt aan de zwarte peper, royaal over het bord gemalen en visueel vergelijkbaar met steenkoolstof. Een mooi beeld: een zachte regen van zwarte spikkels die zich als as neervlijen op een goudgele pastawolk. Poëtisch en aantrekkelijk, maar meer literair dan feitelijk onderbouwd.

Sommige fantasierijke geesten willen dan weer geloven dat het gerecht een link heeft met de Carbonari, een geheime revolutionaire beweging uit het begin van de 19de eeuw. Maar zelfs de meest romantische historicus geeft toe dat er geen enkel culinair verband te vinden is tussen de samenzweerders en een bord spaghetti met eigeel. Deze piste mag dus met een gerust hart als legendarisch worden afgevinkt.

Ook de bewering dat een Sardijnse kok uit de stad Carbonia het gerecht bedacht tijdens zijn Romeinse jaren lijkt vooral gebaseerd op geografisch toeval. Een aantrekkelijke theorie voor wie van eenvoudige verbanden houdt, maar zonder enig historisch gewicht.

Een andere piste, vaak over het hoofd gezien maar verrassend aannemelijk, is de link met de zwarte markt in Rome tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In het Romeinse dialect werd deze markt wel eens mercato carbonaro genoemd. Het was de plek waar Amerikaanse soldaten hun K-rantsoenen ruilden of verkochten. Net die ingrediënten vormden de basis van de eerste rudimentaire versies van Carbonara. Vanuit die context is het niet ondenkbaar dat het gerecht zijn naam ontleende aan die clandestiene voedingsbron. De saus is dus misschien niet vernoemd naar de houtskool, maar naar het ‘zwarte’ karakter van haar ingrediënten.

Welke pasta kies je best?

In de wereld van Carbonara is pasta geen neutrale drager, maar een volwaardig onderdeel van het gerecht. De keuze van de juiste pastasoort bepaalt niet alleen de structuur, maar ook hoe de saus zich hecht en hoe de smaken samenkomen.

Spaghetti blijft de onbetwiste klassieker. In Rome is er weinig discussie over: Carbonara eet je met spaghetti. De lange slierten wikkelen zich mooi rond de romige saus, nemen net genoeg mee van de guanciale en de kaas en zorgen voor een evenwichtige verdeling op het bord én in de mond.

Voor wat variatie is er spaghettoni: een dikkere variant van spaghetti die iets meer bite biedt en de saus nog beter vasthoudt. Spaghettoni geeft meer mondgevoel, meer structuur en iets meer ruimte aan de rijke saus om zich te nestelen tussen de strengen. Het vraagt wel een paar minuutjes extra kooktijd, maar de beloning is een bord dat net wat voller en luxueuzer aanvoelt.

Toch zijn er ook kortere alternatieven die niet meteen als fout worden aanzien. Rigatoni of mezze maniche bijvoorbeeld: brede pastavormen met ribbels aan de buitenkant en een holle binnenkant. Ideaal om de saus op te vangen en kleine stukjes guanciale als een soort schatkistje mee te dragen. Bij elke hap krijg je een smaakbommetje. Iets minder elegant misschien, maar voor wie van een robuustere structuur houdt, perfect geschikt.

Wat je absoluut moet vermijden, zijn dunne of gladde pasta’s zoals capellini of linguine. Die worden sneller papperig, verliezen hun beet en laten de saus letterlijk van zich afglijden. Carbonara heeft houvast nodig.

Wanneer pleeg je heiligschennis?

Laten we duidelijk zijn: Carbonara is geen speeltuin voor wie graag experimenteert met room, kruiden of restjes uit de koelkast. Er bestaan duizenden pastagerechten waar je je creativiteit op kan botvieren, maar Carbonara hoort daar niet bij. Hier gelden regels. Strenge regels. Wie zich daar niet aan houdt, verdient minstens een kookverbod, of in het ergste geval: verbanning naar een onbewoond eiland zonder fornuis.

Room toevoegen? Altijd een slecht idee. Geen discussie mogelijk. Het resultaat mag dan smeuïg lijken, het heeft niets te maken met wat Carbonara hoort te zijn. Die typische romigheid komt niet van room, maar van de emulsie tussen eigeel, kaas en een beetje zetmeelrijk pastawater. Room gebruiken is niet alleen overbodig, het is culinair verraad.

Maar de heiligschennis stopt daar niet. Knoflook, ui, peterselie? Nee. Het is geen groentestoofpot. Laat ook de olijfolie voor wat ze is. De guanciale zorgt voor het vet. Extra vet toevoegen is als ketchup op een bistecca fiorentina: het verraadt een gebrek aan vertrouwen in het gerecht zelf.

Dan is er het vlees. Guanciale is de norm. Punt. Geen ontbijtspek, geen spekblokjes uit de supermarkt, geen bacon. Pancetta kan in uiterste nood, als je echt geen guanciale te pakken krijgt, maar zelfs dan knijp je alleen een oog dicht als de rest van de bereiding onberispelijk is.

Wat kaas betreft: Carbonara draait rond Pecorino Romano. Wie alléén Parmezaanse kaas gebruikt, begeeft zich op glad ijs. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan, met mate, maar ook dat is eerder een toegift dan een regel. Pecorino zorgt voor de zoute punch, de karaktervolle scherpte die het gerecht zijn ruggengraat geeft.

Ook met eieren moet je precies zijn. In principe gebruik je enkel eigeel. Dat zorgt voor de romigheid zonder dat je met roerei eindigt. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, maar alleen als je weet wat je doet. En witte peper? Dat mag, als je echt geen zwarte hebt. Maar wees voorzichtig: Carbonara is geen plek voor smaken die de boel overstemmen.

Samengevat: Carbonara maak je met vier ingrediënten. Guanciale, Pecorino Romano, eigeel en zwarte peper. Alles wat daar buiten valt, is op z’n best verdacht, op z’n slechtst culinair misdadig. Gebruik je spekblokjes, witte saus, smeltkaas, knoflook én peterselie in één pan, dan is zelfs de biecht niet meer voldoende. Dan is het tijd voor de strengst mogelijke straf: levenslange opsluiting in een keuken waar alleen magnetrons staan. Met room. Veel room.

Kies je ingrediënten met zorg

Zoals al gemeld, Carbonara maak je met vier ingrediënten, niet meer en niet minder. En net omdat die lijst zo kort is, komt het op elk detail aan. Geen ruimte voor compromissen, geen ‘het is maar voor een doordeweekse avond’. Elk ingrediënt moet z’n rol met overtuiging spelen. Het geheim zit niet in wat je toevoegt, maar in wat je juist weglaat. En vooral: in de kwaliteit van wat je wél gebruikt.

Begin bij het ei. Gebruik verse eieren van goede kwaliteit, liefst van kippen die weten wat daglicht is. Alleen het eigeel wordt gebruikt. Het zorgt voor de romige textuur, de diepgang en de kleur. Wie per ongeluk een heel ei in de kom gooit, zal snel merken dat de saus te dun wordt of verandert in roerei. Een klein beetje eiwit toevoegen kan, voor wie ervaring heeft en exact weet hoe ver hij kan gaan, maar standaard blijf je bij enkel dooier.

Dan is er de kaas. En die is heilig. Pecorino Romano is de juiste keuze: een zoute, scherpe, gerijpte (minstens 8 maanden) schapenkaas die precies dat extra duwtje geeft aan het gerecht. Geen Parmezaan dus, en al helemaal geen Grana Padano die zich in het middenveld nestelt zonder pit of karakter. Een mengeling van Pecorino en Parmigiano kan door de beugel als je je gasten wil sparen van al te veel zoutigheid, maar laat je niet misleiden: het is een compromis, geen standaard.

Guanciale is het hart van Carbonara. Het vlees komt uit de wangen of de kin van het varken, wordt gezouten, gekruid (maar niet overdreven) en enkele weken gerijpt. Het resultaat is een stuk spek met een uitgesproken smaak en een vetlaag die smelt als boter in de pan. Snijd het in blokjes of reepjes, bak het op matig vuur en laat het eigen vet het werk doen. Gebruik zeker geen olie.

En dan de zwarte peper: vaak onderschat, maar essentieel. Hij zorgt voor de pittige tegenstem die de vetheid van het spek en de romigheid van het ei in balans houdt. Gebruik alleen versgemalen zwarte peper, liefst uit een molen met wat karakter. Wees royaal, maar met gevoel: peper moet aanwezig zijn, niet overheersen.

Tot slot: koop je ingrediënten met zorg. Guanciale haal je niet bij de supermarkt, maar bij een Italiaanse delicatessenzaak of een slager die weet waar zijn varken vandaan komt. Eieren koop je niet omdat ze in promotie zijn, maar omdat ze kleur, smaak en textuur geven aan je saus. En je Pecorino mag gerust een beetje brokkelen, dat betekent dat hij leeft. Carbonara is simpel, maar alleen als je de juiste dingen kiest. Met vier ingrediënten heb je geen marge voor middelmaat. Alleen het beste telt.

Spaghetti Carbonara voor 4 personen

Ingrediënten:

  • 800 g spaghetti
  • 450 à 500 g guanciale
  • 6 eidooiers
  • 320 g Pecorino Romano (minstens 12 maanden gerijpt)
  • 30 g versgemalen zwarte peper (meer of minder naar smaak)

Bereiding:

Verwijder de peperkorst en eventuele harde randjes van de guanciale. Snijd het vlees in plakjes van ongeveer een halve centimeter en vervolgens in blokjes van ongeveer 1 cm. Bak de blokjes op hoog vuur in een pan zonder vetstof. Zodra het eerste laagje vet begint te smelten en één kant krokant is, roer je voorzichtig zodat de stukjes gelijkmatig krokant worden. Laat de guanciale vervolgens ongeveer 20 minuten zachtjes garen in zijn eigen vet, zodat het vlees mooi konfijt. Als de blokjes krokant zijn, zet je het vuur uit en hou je ze apart, mét het vet. Gooi dit dus zeker niet weg.

Rasp de Pecorino en meng er 20 g van de versgemalen zwarte peper doorheen. Klop in een aparte kom de eidooiers los en meng daar ongeveer 220 g van de geraspte Pecorino-pepermix doorheen. Hou de rest van de kaas apart voor de afwerking.

Kook de spaghetti in ruim gezouten water tot net al dente. Vergeet niet een flinke pollepel kookvocht opzij te houden voor de saus.

Doe de uitgelekte pasta meteen in een grote schaal of pan, weg van het vuur. Voeg het eimengsel toe en roer stevig met een draaiende beweging. Voeg beetje bij beetje het warme pastawater toe om een gladde, romige emulsie te creëren. Voeg daarna de krokante guanciale en een eetlepel van het gesmolten vet toe. Roer nogmaals goed door tot alles perfect gemengd is. Dit moment is cruciaal: snel werken, goed roeren en niet laten stollen.

Serveer onmiddellijk, bestrooi elke portie royaal met de overgebleven Pecorino en een extra draai zwarte peper.