We zijn ondertussen al een heel eind gevorderd in onze verkenning van Lambrusco. We kennen de boeiende geschiedenis van deze ‘wilde’ druivenstok, we weten waar de wijngaarden liggen en hoe de wijn gemaakt wordt. Maar tot op heden hebben we Lambrusco bijna uitsluitend onder één noemer besproken. Technisch gezien is dat natuurlijk onjuist, want wie “Lambrusco” zegt, bedoelt zelden één druif. In wezen gaat het om een familie van autochtone variëteiten uit Emilia-Romagna (met een uitloper richting Mantova), die, afhankelijk van herkomstbenaming en producent, solo of in assemblage worden gebruikt.
In deze aflevering focussen we op de Lambrusco-familie als geheel. Je krijgt een leesbare stamboom en een overzicht van de belangrijkste variëteiten. De drie “A-spelers”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, noemen we uiteraard, maar we laten ze hier bewust grotendeels liggen: die verdienen hun eigen artikels.
De Lambruschi-familie
Historisch was “Lambrusco” een verzamelnaam voor lokale, vaak wat wild ogende druiven die uitstekend gedijden op de vruchtbare vlaktes rond Modena en Reggio Emilia. Pas met modern ampelografisch en genetisch onderzoek werd duidelijk dat het niet om één druif gaat, maar om een cluster van nauw verwante variëteiten. Sommige zijn duidelijk als ouder en kind te koppelen; andere zijn eerder “neven en nichten”, zonder dat we vandaag een sluitend ouderpaar kunnen aanwijzen.
Wanneer we het over Lambrusco hebben als druif (en niet als wijnstijl), verwijst de naam dus niet naar één ras. In de praktijk circuleren er zelfs meer dan zestig Lambrusco-benamingen of -types. Niet al die namen zijn echter even relevant in de wijngaard of in de kelder. Voor het kwaliteitsverhaal kunnen we het veld herleiden tot een twaalftal sleutelvariëteiten: Sorbara, Salamino, Grasparossa, Foglia Frastagliata, Barghi, Maestri, Marani, Montericco, Oliva, Viadanese, Benetti en Pellegrino.
Lambrusco is doorheen de tijd uitgegroeid tot een echte druivenfamilie, met herkenbare genetische banden tussen een belangrijk deel van deze sleutelvariëteiten. Precies daarom spreken we correcter van Lambruschi. Een familie betekent dat de variëteiten dezelfde naam dragen én genetisch aan elkaar verwant zijn. “Lambruschi” dus. Een andere veel voorkomende naam in Italië, Trebbiano bijvoorbeeld, is géén familie maar een groep. Dat betekent: de variëteiten dragen dezelfde naam, maar ze zijn genetisch niet (of niet noodzakelijk) verwant. Trebbiano di Toscana, Trebbiano di Soave en Trebbiano Spoletino delen vooral een stuk van hun naam, niet hun DNA.
Een vaak voorkomend misverstand is dat Lambrusco verwant zou zijn aan de Amerikaanse soort Vitis labrusca. Dat is niet het geval: Lambrusco behoort tot de Europese wijnstoktraditie (Vitis vinifera) en staat los van Vitis labrusca.
Een poging tot stamboom
Een volledige stamboom van Lambrusco bestaat niet. Eeuwen van lokale selectie, spontane kruisingen en een flinke dosis naamverwarring hebben nu eenmaal sporen nagelaten. Toch laat modern DNA-onderzoek toe om enkele duidelijke lijnen te trekken, waardoor het geheel minder mistig wordt. Je ziet daarbij geen één allesverklarende stamvader, maar wel een paar sturende knooppunten die telkens opnieuw opduiken in de verwantschap tussen verschillende Lambruschi. Denk dus eerder aan een verwantschapskaart dan aan een klassiek genealogisch schema.
Belangrijk om mee te nemen: zo’n genetische kaart vertelt iets over verwantschap, niet automatisch over belang. De “grote drie”, Sorbara, Salamino en Grasparossa, blijven de hoofdrolspelers, maar ze laten zich niet allemaal even netjes langs éénzelfde DNA-corridor in een pijlenschema tekenen. Salamino duikt bijvoorbeeld wél in een duidelijke verwantschapslijn op; Sorbara en Grasparossa markeer je eerder als centrale referentiepunten binnen de familie, ook wanneer de genetische lijnen in de literatuur minder eenduidig of minder compact worden voorgesteld.
Eén van de knooppunten die wél herhaaldelijk terugkomt in genetische studies is Besgano nero. Die oudere variëteit fungeert als een soort familie-anker: niet als fundament van de hele Lambrusco-wereld, maar wel als cruciale schakel achter meerdere leden van de genetische kern. Vanuit Besgano nero vertrekken duidelijke lijnen naar Benetti, Barghi en Marani, en er zijn ook genetische verbanden met Salamino en Oliva. Precies dat verklaart waarom Lambrusco ondanks familiebanden nooit één smaakprofiel wordt: verwantschap creëert herkenbare trekken, maar geen uniformiteit.
Naast deze Besgano-nero lijn zie je binnen de genetische kern ook variëteiten die een eigen traject volgen. Maestri verschijnt bijvoorbeeld als een duidelijke aparte lijn en is net daarom zo relevant: hij brengt vaak een heel ander gewicht in het glas en kan een blend letterlijk “optillen” in kleur en structuur. Dat soort zijpaden tonen mooi aan dat zelfs binnen één familie de karakters uiteen kunnen lopen.
Daarnaast blijven er binnen de klassieke sleutelset namen die in de praktijk sterk met Lambrusco verbonden zijn, maar die je beter niet te hard in hetzelfde ouder-kind schema duwt. Montericco en Pellegrino passen voor veel auteurs in dat vakje: ze horen thuis in het Lambrusco-verhaal en worden vaak als sleutelvariëteiten vermeld, maar hun exacte positie in de genetische puzzel laat zich minder vlot in één duidelijke pijl gieten.
Tot slot zijn er variëteiten die in stijl en historiek zeer herkenbaar zijn, maar waarbij een te strak schema vooral nuance kapotmaakt. Foglia Frastagliata is zo’n geval: een uitgesproken identiteit, maar niet handig te reduceren tot één simpele afstammingslijn. Hetzelfde geldt voor Viadanese, dat regionaal sterk verankerd is richting Lombardije en Mantova en binnen het Lambrusco-spectrum een eigen traject en accent bewaart.
Zo krijg je een stamboom die niet pretendeert elk draadje perfect te ontwarren. Tegelijk toont ze ook waar de puzzel nog open ligt: van twee hoofdrolspelers, Sorbara en Grasparossa, is het ouderschap in de beschikbare studies niet op dezelfde manier strak in één ouder-kindlijn vast te zetten als bij sommige andere Lambruschi. Sorbara blijft in dat opzicht een kernlid met een nog niet sluitend ingevuld ouderpaar, terwijl Grasparossa wel duidelijk binnen de Lambrusco-verwantschap valt maar een andere genetische route volgt dan de Besgano-nero corridor. Over één punt bestaat wél brede overeenstemming: zowel Sorbara als Grasparossa tonen genetische verwantschap met de Lambrusco-cluster en worden als volwaardige leden van de familie beschouwd.
De negen bijrolspelers!
1. Lambrusco Marani
Lambrusco Marani is in de wijngaard herkenbaar als een groeikrachtige variëteit met een middelhoge tot hoge productie. Doordat de basale knoppen doorgaans goed vruchtbaar zijn, verdraagt hij ook een korte snoei. Hij voelt zich het best in vruchtbare omstandigheden met diepe, goed drainerende bodems en voldoende warmte. Dat verklaart waarom Marani vandaag vooral voorkomt in het noordoosten van de provincie Reggio Emilia en, in mindere mate, in vergelijkbare zones van Modena, maar ook nog terug te vinden is rond Parma en richting Mantova. Het uitlopen gebeurt gemiddeld, de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Qua gevoeligheden toont hij een normale weerbaarheid tegen de klassieke wijnbouwproblemen, met in sommige situaties zelfs een opvallend goede tolerantie voor botrytis. Dat Marani al sinds de 19de eeuw rond Reggio Emilia wordt vermeld, onderstreept vooral hoe stevig hij historisch in die zone verankerd is.
Qua kleur toont Marani zich meestal levendig robijnrood, eerder helder dan diep. Die relatief lichte kleur maakt hem niet alleen geschikt voor rode Lambrusco’s, maar ook voor witte vinificatie (Lambrusco bianco) en voor mousserend. Zijn aciditeit ligt vaak vrij hoog: ze geeft extra glans aan de kleur en brengt een licht ziltige toets naar voren. Tegelijk blijft de tannine doorgaans bescheiden. In vergelijking met Lambrusco Maestri is Marani meestal minder tanninerijk en minder “vlezig”, waardoor het mondgevoel lichter kan uitvallen en in sommige jaren een vegetale toets kan opduiken. In de neus blijft het profiel fijn en delicaat, met fruittonen van marasca, ribes en zwarte bes en een florale lijn waarin viooltjes centraal staan, aangevuld met nuances van iris en pioenroos. Wanneer hij goed gemaakt is, kan Marani opvallend verfijnd, helder en sappig zijn, met een mooie kern van zwarte bes en rode kers.
Binnen Reggiano DOC Lambrusco geldt hij als een belangrijke pijler, vooral in assemblage met andere Lambruschi. Net door zijn frisse zuurstructuur en milde tannine werkt hij in blends als een betrouwbare “middenmotor”: hij brengt balans, rondt af en geeft het geheel een stabiel smaakcentrum. Tegelijk zijn de aanplantingen teruggelopen omdat moderne producenten vaker herplanten met de rijkere en fruitigere Lambrusco Maestri.
2. Lambrusco Maestri
Lambrusco Maestri wordt traditioneel gelinkt aan de provincie Parma, met als historische verwijzing het gebied rond Villa Maestri bij San Pancrazio. Vandaag ligt zijn zwaartepunt echter in Reggio Emilia, met een uitgesproken aanwezigheid in het westen van de provincie, onder meer rond Montecchio, Boretto en Gualtieri. Tegelijk is Maestri opvallend aanpasbaar: je vindt hem dan ook buiten Emilia, zelfs tot in Puglia. Hij kan zowel op minder vruchtbare hellingen als op rijkere vlaktegronden gedijen, al presteert hij vaak het best wanneer de bodem niet té weelderig is. In de wijngaard toont hij een goede weerstand tegen de belangrijkste problemen zoals peronospora en oïdium, terwijl hij voor botrytis vaak gevoeliger blijkt. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is eerder laat en valt meestal eind september tot begin oktober.
Maestri combineert een hoge groeikracht met een hoge productiviteit en heeft meestal een goede vruchtbaarheid van de basale knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is (al blijkt die aanpak niet altijd de beste keuze om kwaliteit te sturen). In het glas is het profiel meteen duidelijk: Maestri is vaak de meest intens gekleurde Lambrusco, met een donker robijnrode tot paarsgetinte kleur en uitgesproken paarse reflecties. Hij levert wijnen met meer body en een stevigere tanninestructuur, maar kan tegelijk opvallend fruitig, rond en onmiddellijk aantrekkelijk overkomen. Aromatisch kan het spectrum breed zijn: donkere pruim en rijpe zwarte kers vormen vaak de kern, geregeld aangevuld met een romige toets die aan melkchocolade doet denken, een florale lijn van viooltjes en, bij bepaalde stijlen, een speels snoepjesachtig accent dat aan kauwgom of druivensnoep doet denken. Wanneer hij goed gemaakt is en de opbrengsten worden getemperd, worden de aroma’s zuiverder en duidelijker afgelijnd, met heldere tonen van kers en wilde bosbessen naast de viooltjesgeur.
In assemblage is Maestri een echte bouwsteen. Door zijn kleur en fruit wordt hij vaak ingezet om blends meer diepte en aantrekkingskracht te geven. Hij werkt mooi samen met Lambrusco Salamino en kan ook gebruikt worden om Lambrusco di Sorbara meer kleur te bezorgen. Opvallend is dat Maestri in verschillende wijngaardzones terrein heeft gewonnen ten opzichte van Marani: zijn aanpasbaarheid en zijn rijkere fruitprofiel maken hem voor moderne producenten een logische keuze bij heraanplant.
3. Lambrusco Oliva
Lambrusco Oliva is vandaag eerder zeldzaam, al genoot hij in het verleden een zekere bekendheid. Hij werd lange tijd geassocieerd met Lambrusco Oliva Grosso, in de volksmond ook wel Lambruscone genoemd, een wijn die vooral op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw naam maakte. Die “Lambruscone” wordt in oorsprong soms gelinkt aan Lambrusco di Fiorano, wat mee verklaart waarom de naam Oliva vandaag af en toe tot verwarring leidt. Oliva dankt zijn naam aan de elliptische, olijfachtige vorm van de bes. Je komt hem vandaag nog sporadisch tegen in oude aanplantingen.
In de wijngaard is Oliva een uitgesproken rustieke en breed inzetbare variëteit. Hij kan zich aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden, zelfs op erg vruchtbare bodems, op voorwaarde dat je zijn natuurlijke groeikracht actief onder controle houdt. Hij draagt al goed aan de eerste knoppen, waardoor korte snoei mogelijk is. In de praktijk vraagt hij echter nuance, want de productie is niet altijd constant en de scheuten kunnen vrij fragiel zijn. De rijping valt meestal in de tweede helft van september. Oliva heeft bovendien een hekel aan overdreven natte lentes en toont gevoeligheid voor zowel oïdium als peronospora.
In het glas kan Oliva daarentegen bijzonder aantrekkelijk uitpakken. Hij geeft een rijk gekleurd robijnrood met een goede intensiteit en paarse reflecties. De neus wordt vaak omschreven als intens, fijn en complex, met duidelijke tonen van rood bessig fruit, kers en kruidigheid. In de mond blijven aciditeit en astringentie relatief beperkt, terwijl de structuur goed aanwezig is. De tannine is licht, het geheel blijft evenwichtig, en volgens sommigen vertoont het smaakprofiel raakvlakken met Lambrusco Salamino.
Oliva duikt geregeld op in het overzicht van Lambrusco-variëteiten, maar je ziet hem minder vaak als monocepage op het etiket. Net in assemblage kan hij daarom nuttig zijn: zijn fruitige, milde karakter en zachte tannine helpen strengere componenten afronden.
4. Lambrusco Montericco
Lambrusco Montericco wijkt, qua uiterlijke kenmerken, duidelijk af van de andere Lambruschi. Oorspronkelijk stond hij bekend als Selvatica di Montericco en men gaat ervan uit dat hij afkomstig is uit de omgeving van Montericco di Albinea, in de provincie Reggio Emilia. Er zijn aanwijzingen dat hij er al sinds de 19de eeuw wordt aangeplant, met een historische band tussen Broletto en Montericco. Vandaag duikt hij ook elders in de provincie Reggio Emilia op, al blijft zijn natuurlijke biotoop vooral het heuvelachtige reggiano, bij voorkeur in minder vruchtbare omstandigheden.
Zijn verspreiding en reputatie worden mee bepaald door een uitgesproken neiging tot millerandage: trossen met zeer kleine, vaak verder uit elkaar staande bessen. Daarbij blijft de kleurvorming soms achter, omdat de bessen niet altijd volledig “op kleur” komen. Het gevolg is dat de wijnen minder kleurintensiteit halen dan je van Lambrusco verwacht en vaker naar lichtere, blekere roodtinten neigen. Het uitlopen is gemiddeld, maar de rijping is laat: vaak tussen 5 en 15 oktober. Montericco is bovendien geen uitgesproken groeikrachtige plant: hij groeit minder krachtig dan veel andere Lambruschi en heeft een vrij rechtopgaande groeiwijze. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen start pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder vanzelfsprekend is voor extreem korte snoei.
In het glas zie je de gevolgen van die millerandage en de late, soms onvolledige kleurontwikkeling: de wijn blijft robijnrood maar niet erg intens en kan soms richting kersachtig lichtrood (bijna rosé) neigen. De structuur is gemiddeld, met een levendige zuurgraad en een lage tanninestructuur, wat de wijnen bijzonder doordrinkbaar maakt en meteen verklaart waarom Montericco ook interessant kan zijn voor mousserende stijlen. Aromatisch blijft het profiel delicaat, met fruittonen van braam en bosvruchten, aangevuld met florale accenten die aan rozenbottel en viooltjes doen denken.
5. Lambrusco Viadanese
Lambrusco Viadanese staat ook bekend onder het synoniem Groppello Ruberti. De naam verwijst naar de gemeente Viadana in Mantova, waar de variëteit vandaag het sterkst aanwezig is, naast aanplantingen in de lagere vlaktes van Reggio Emilia. Het synoniem Groppello Ruberti wordt vaak verklaard als een eerbetoon aan de agronoom Ugo Rubelli, die de druif op het einde van de 19de eeuw zou hebben geïdentificeerd, geselecteerd en mee verspreid. Daarmee is Viadanese meteen het geografische buitenbeentje binnen de Lambruschi: sterker verankerd rond Viadana en Mantova dan rond de klassieke Modena/Reggio-kern.
In de wijngaard toont Viadanese een goede groeikracht en een betrouwbare productiviteit. De eerste echt vruchtbare scheuten verschijnen meestal pas vanaf de tweede tot derde knop, waardoor hij minder geschikt is voor heel korte snoei en beter functioneert met jaarlijks te vernieuwen hout, zoals bij Guyot. Daarbij is enige voorzichtigheid nodig, want de scheuten kunnen breekbaar zijn en bij overbelasting kan de opbrengst terugvallen. Viadanese doet het vaak goed op bodems met een gemiddelde vruchtbaarheid, bij voorkeur met een kleiige inslag, zelfs wanneer die gronden zwaarder aanvoelen. Het uitlopen gebeurt gemiddeld; de rijping is middel- tot laat en valt meestal eind september tot begin oktober. Zijn rustieke karakter geeft hem bovendien een zekere tolerantie tegenover de belangrijkste schimmelziekten.
In het glas levert Viadanese een diep robijnrood met veel glans. Het profiel is stevig, met een goede zuurgraad en een merkbare tanninestructuur, maar tegelijk meestal afgerond en harmonieus van bouw. Aromatisch is hij mooi intens, met typische accenten van kers, amarena en braam, aangevuld met florale toetsen die vaak aan viooltjes doen denken. Stilistisch kan hij een iets andere toon zetten, met geregeld meer nadruk op rijper fruit en een rondere textuur, afhankelijk van opbrengst en vinificatie. Daardoor past hij goed in Lambrusco’s die een soepel, gul profiel nastreven.
6. Lambrusco Foglia Frastagliata
Lambrusco Foglia Frastagliata is binnen de Lambruschi een opvallende buitenstaander qua herkomst. Zijn domesticatie zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden op de morenische gronden tussen de Adige rivier en het Gardameer. Dat verklaart meteen zijn zwaartepunt: hij komt vooral voor in Trentino en in het Veronese, terwijl hij in de twee klassieke Emiliaanse provincies slechts marginaal aanwezig is. De naam is zeer letterlijk en verwijst naar de sterk ingesneden, breed uitgewaaierde bladeren met uitgesproken “sinussen”.
Foglia Frastagliata toont vaak een minder uitbundige groeikracht dan veel Lambruschi uit de vruchtbare vlaktezones rond Modena en Reggio. Hij kan zich wel aanpassen aan vruchtbare bodems, maar verkiest lichtere, lossere gronden met een grotere zandcomponent. Het uitlopen gebeurt laat, wat hem vaak helpt om aan voorjaarsvorst te ontsnappen. Ook de rijping schuift laat op: meestal in de eerste tien dagen van oktober. In de wijngaard geldt hij als een rustieke variëteit met een goede ziekteweerstand. De vegetatie groeit half rechtop en de tweede knop is vruchtbaar, wat hem in de praktijk vrij flexibel maakt in snoei en leivorm.
In het glas geeft Foglia Frastagliata vaak een rood-violette kleur met paarse reflecties. De structuur is goed, met een frisse indruk, een licht hartige toets en weinig astringentie. Aromatisch blijft het profiel uitgesproken “rustiek”, met licht vegetale accenten van wilde bloemen en viooltjes, aangevuld door fruittonen van braam, kers en bosvruchten. In de beste rijpingsjaren kan daar zelfs een nuance van gedroogd fruit bij komen, zoals pruim. Dan toont hij ook een verrassend mooie, aanhoudende geur- en smaaklengte. In assemblage waarderen wijnmakers hem omdat hij frisheid en structuur kan brengen zonder dat de wijn mager wordt: hij maakt het geheel strakker, tekent de structuur en voegt aromatische nuance toe.
7. Lambrusco Benetti
Lambrusco Benetti geldt als een vitigno minore: een minder verspreide Lambrusco die vooral voorkomt in het Modenese, met een zwaartepunt rond Campogalliano en Carpi. De eerste beschrijvingen dateren uit 1945, wat Benetti tegelijk een relatief laat gedocumenteerd, maar wel duidelijk autochtoon karakter geeft binnen die lokale context.
In de wijngaard is Benetti een rustieke, groeikrachtige en productieve variëteit, met één duidelijke zwakke plek: hij verdraagt droogte minder goed. De vruchtbaarheid van de onderste knoppen is goed, waardoor korte snoei mogelijk is. Hij start vroeg in het seizoen, maar de rijping verloopt traag en lang: theoretisch is hij begin oktober rijp, al loont het vaak om nog wat langer te wachten met oogsten. Die extra tijd aan de stok is net functioneel: Benetti heeft relatief weinig kleurstoffen in de schil, en een langere rijping helpt om meer kleur en een rijpere expressie te ontwikkelen. Praktisch is er nog een voordeel: net omdat Benetti later kan worden geplukt, kan hij helpen om de oogstplanning in de kelder te spreiden.
De trossen zijn gemiddeld los, wat hem toleranter maakt tegenover rot en hem in sommige contexten interessant maakt voor biologische teelt. In het glas levert Benetti een helder robijnrood met paarse reflecties. De neus is intens en aangenaam, met een duidelijke florale component. In de mond toont hij een evenwichtige, middelmatige structuur, gedragen door een opvallend hoge zuurgraad. Het smaakprofiel kan een licht bittertje hebben, wat hem een strakker einde geeft. Door het voorkomen van onregelmatig rijpende bessen binnen de tros kan Benetti bovendien ook richting rosé-stijlen werken, waar minder extract en kleurintensiteit net een voordeel kunnen zijn.
Benetti is zo’n klein puzzelstukje dat je zelden als hoofdrolspeler ziet, maar dat in assemblage wél betekenis krijgt. Hij ondersteunt blends met frisheid en structuur, kan het geheel strakker aflijnen en blijft tegelijk een handig instrument door het vaak iets latere plukvenster. In de kelder is hij dus meer de stille kracht: nuance, samenhang en bovendien inzetbaarheid voor rosato.
8. Lambrusco Barghi
Lambrusco Barghi heeft in Reggio Emilia een duidelijke historische voetafdruk. De variëteit werd geïntroduceerd op het domein van graaf Corbelli (Rivalta en Castelnuovo di Sotto) en was in de Reggiaanse zone al goed verspreid sinds de 19de eeuw, al wordt zijn oorsprong door sommige auteurs eerder buiten Emilia gezocht, mogelijk in Toscane of in de streek rond Piacenza. Vandaag ligt zijn kern vooral rond Montecchio en Sant’Ilario d’Enza, in de provincie Reggio Emilia. Dat hij daar standhoudt, wijst erop dat Barghi in het verleden als druif met interessante oenologische mogelijkheden werd gezien.
Toch is Barghi altijd een druif met een “maar” gebleven. Het grootste struikelblok is de lage mostopbrengst, rechtstreeks gelinkt aan de opvallend dikke schil. Die schil belooft extract en kleur, maar maakt vinificatie minder efficiënt: je krijgt relatief weinig sap, en het evenwicht tussen schil en most kan het maceratiebeheer delicaat maken. Net daarom is het interessant dat moderne vinificatietechnieken het potentieel van Barghi opnieuw in een ander licht kunnen zetten. In de wijngaard werkt die dikke schil overigens ook in zijn voordeel: samen met een gemiddeld losse tros geeft ze Barghi een goede weerstand tegen botrytis. De groeikracht is stevig, in lijn met veel Lambruschi, en de rijping valt meestal eind september.
In het glas kleurt Barghi intens robijnrood. De aromatische intensiteit is vaak middelmatig, maar het profiel kan mooi verfijnd zijn, met bramen, framboos en kers als kern. Bij langere maceraties schuift het fruitprofiel op naar gedroogde pruim, en kunnen er ook toetsen opduiken van zoethout of koffie. De zuurgraad en de hartige toets liggen meestal rond het midden. Opvallend is dat de tanninestructuur vaak bescheiden blijft, niet omdat de schil dun is, maar omdat een correcte, evenwichtige maceratie net door die verhouding schil/most moeilijker te sturen is. De finale blijft doorgaans correct, met een discrete maar aangename lengte.
Barghi is één van die namen die je minder vaak op etiketten ziet, maar die inhoudelijk boeiend blijft: historisch lokaal aanwezig, vandaag vooral interessant omdat hij kleur en extractpotentieel koppelt aan een verfijnd, klassiek aromaprofiel. In assemblage kan hij als karakterdruif extra ruggengraat en lokale identiteit geven, al vraagt hij in de kelder een zorgvuldige aanpak door zijn lage sapopbrengst en de delicate maceratiebalans. Precies daar ligt ook zijn herontdekkingswaarde: met moderne vinificatietechniek kan Barghi meer laten zien dan hij vroeger vaak mocht tonen.
9. Lambrusco del Pellegrino
Lambrusco del Pellegrino staat zelden in de spotlights, maar is inhoudelijk boeiend. De druif duikt in historische contexten ook op onder benamingen zoals Lambruscone en Lambrusco di Fiorano. Vandaag situeert zijn kern zich vooral in en rond Modena (onder meer Nonantola, Fiorano, Modena en Formigine), met daarnaast ook aanwezigheid in de heuvelzone van Reggio Emilia.
In de wijngaard is dit geen “brute kracht”-Lambrusco. De groeikracht blijft eerder beperkt en de opbrengst is doorgaans niet overdreven hoog, al is de vruchtbaarheid op de eerste knoppen opvallend goed. Hij start rond het midden van het seizoen, maar veraison en rijping schuiven laat op. Praktisch is hij interessant omdat hij een sterke tolerantie kan tonen voor botrytis, terwijl de gevoeligheid voor meeldauw en valse meeldauw eerder gemiddeld blijft.
In het glas is Pellegrino geen lichtgewicht. De druif kan behoorlijk rijp worden en dus vulling en body meebrengen, terwijl de zuurgraad voldoende levendigheid bewaart en de structuur correct overeind blijft. Het profiel is minder geparfumeerd maar biedt meer ruggengraat, zonder noodzakelijk zwaar te worden.
Als bijrolspeler is Lambrusco del Pellegrino vooral nuttig in assemblage wanneer je structuur en stabiliteit zoekt zonder hardheid. Hij kan body en vulling leveren, een blend helpen “zetten” en blijft tegelijk een handige component in uitdagende jaren.
Een mooi vooruitzicht
Wie een kwalitatieve Lambrusco drinkt, zal meestal niet rechtstreeks met deze minder bekende variëteiten geconfronteerd worden. Van de twaalf sleutelnamen focusten we hier op de negen bijrolspelers; de grote drie krijgen een eigen vervolg. Dat maakt hun rol niet kleiner, integendeel: elk van deze druiven draagt op zijn manier bij, als nuancegever, bouwsteen of stille versterker in assemblage. De komende weken zetten we Sorbara, Salamino en Grasparossa centraal, en geven we tegelijk meer aandacht aan de herkomstzones waar ze het best tot hun recht komen.
Reeds verschenen in deze reeks:
- Inleiding – Lambrusco op zondag – Tien weken lang schaven aan het imago
- Wat is Lambrusco? De comeback van een vergeten icoon
- Lambrusco – Van wilde wijnstok tot klassieker
- Emilia-Romagna en Mantova: het decor waar Lambrusco zijn karakter vindt
- Lambrusco vandaag: hoe vinificatie de stijl bepaalt

Filed under: Vini Italiani | Tagged: discover lambrusco, Emilia-Romagna, grasparossa, Italian wine ambassador, Lambrusco, lambrusco lover, salamino, sorbara, wijnblog, wijnkennis, wineblog, wineblogger |
Plaats een reactie