We zijn augustus, nog even en de jaarlijkse stress valt weer van het gezicht van de wijnboer af te lezen. De oogstperiode komt in zicht. En telkens opnieuw blijkt hoe cruciaal dat moment is. De wijngaard en de weergoden worden nog meer dan anders in het oog gehouden.
Ben je in die periode toevallig op bezoek bij een wijndomein, dan stel je vast de meest vanzelfsprekende vraag die je kan bedenken: “En, wanneer starten jullie met de oogst?” In principe is dat helemaal geen domme vraag. Maar de kans is groot dat je er een ontwijkend antwoord op krijgt.
Ben je dan nog aanwezig op het moment dat het oogsten écht begint, dan begrijp je plots waarom. Het startmoment zit vaak in minuscule details die het verschil maken: soms dagen, soms maar enkele uren. Alles hangt af van de wijngaard en zijn specifieke omstandigheden. En het hele verschil schuilt in één lastige, maar fundamentele factor: rijpheid.
Maar rijpheid laat zich niet vatten in eenduidige cijfers. Ze is geen optelsom van suiker en zuren. De kwaliteit van wijn wordt niet alleen in het laboratorium beslist, maar vooral in het veld, in de druif en uiteindelijk in het glas. Tijd dus om onze klassieke kijk op rijpheid bij te stellen.
Alcoholische rijpheid: de klassieke meetlat
Alcoholische rijpheid is de vorm van rijpheid die het vaakst wordt gemeten en besproken. Ze draait in essentie om het suikergehalte van de druif, dat na de oogst wordt omgezet in alcohol tijdens de fermentatie. Hoe hoger het suikergehalte, hoe hoger het potentiële alcoholpercentage van de wijn.
Wijnbouwers meten dat gehalte met het mostgewicht: een eenvoudige en betrouwbare indicator die weergeeft hoeveel opgeloste suikers zich in het druivensap bevinden. Daarbij wordt ook gekeken naar de zuurgraad, die tijdens het rijpingsproces afneemt. De ideale oogsttijd ligt meestal ergens op het snijpunt waar het suikergehalte hoog genoeg is en de zuren nog voldoende frisheid geven.
Dat lijkt op papier vrij rechtdoorzee, maar in de praktijk komt daar meer bij kijken. Want suiker en zuren ontwikkelen zich niet in een vacuüm: ze reageren op temperatuur, zonlicht, waterstress en opbrengst. Op warme zomerdagen kan het suikergehalte razendsnel stijgen. De druif lijkt rijp, maar die snelle suikeropbouw betekent niet dat de druif klaar is voor de pluk.
Een ander aandachtspunt is dat alcoholische rijpheid slechts één aspect van de totale rijping weergeeft. De vergissing die nog vaak wordt gemaakt, is dat men ervan uitgaat dat een suikergehalte van bijvoorbeeld 240 gram per liter automatisch betekent dat de druif “klaar” is. Terwijl dat cijfer alleen vertelt hoeveel alcohol je kunt verwachten, niet hoe goed of evenwichtig de uiteindelijke wijn zal zijn.
Bovendien is alcoholgehalte geen doel op zich. Een wijn van 14 procent kan evenwichtig en elegant zijn als de druiven in balans geoogst zijn. Maar zonder voldoende frisheid of structuur, kan datzelfde alcoholpercentage log of vermoeiend overkomen.
Alcoholische rijpheid is dus vooral een technische parameter, en een nuttige gids in het oogstproces. Maar wie ze als enige graadmeter beschouwt, mist het bredere plaatje. Wijn is tenslotte geen wiskunde: een goed mostgewicht garandeert nog geen grote wijn.
Aromatische rijpheid: finesse vraagt tijd
Aromatische rijpheid verwijst naar het moment waarop de geurstoffen in de druif zich volledig hebben ontwikkeld. Die moleculen zijn vaak vluchtig, complex en subtiel. Maar ze bepalen in grote mate hoe een wijn ruikt én hoe hij beleefd wordt. Het verschil tussen een correcte wijn en een beklijvende wijn zit meestal niet in het alcoholgehalte, maar in het aromatische profiel.
Je meet deze niet zoals suiker of zuur. Ze vraagt dus om kennis van het terroir, ervaring in het proeven van bessen en het vermogen om geduld op te brengen. Want terwijl de suikeropbouw al gestopt is, gaat de ontwikkeling van aroma’s vaak gewoon door. Wie te vroeg oogst, heeft misschien voldoende alcohol, maar mist diepgang.
Klimaatverandering bemoeilijkt dit proces. In warme jaren stijgt het suikergehalte zo snel dat wijnbouwers voor een dilemma komen te staan: vroeg oogsten om het alcoholpercentage onder controle te houden, of wachten op volledige aromatische rijping met het risico op overrijpe druiven. Het resultaat van een compromis oogst is vaak een wijn met kracht, maar zonder elegantie.
Daar komt nog bij dat verschillende druivenrassen ook nog eens een verschillend tempo hebben als het op aroma-opbouw aankomt. Sommige ontwikkelen snel hun typische geurprofiel, andere zijn trager en kwetsbaarder. Sauvignon Blanc, Riesling of Gewürztraminer vereisen finesse en timing. Te vroeg: groen. Te laat: zwaar of muf.
Groene aroma’s: de verraderlijke ondertoon
Wanneer men het heeft over onrijpe wijn, denkt men zelden meteen aan geur. En toch is de neus vaak het eerste alarm: een zweem van groene paprika, gemaaid gras of de schil van asperges kan een teken zijn dat de druiven simpelweg te vroeg geplukt zijn. Deze aroma’s ontstaan niet door foutieve vinificatie, maar zijn het directe gevolg van onvolledige rijping.
De belangrijkste chemische veroorzaker van die groene toets is een groep geurstoffen die methoxypyrazinen heet. Deze moleculen zijn zeer aromatisch, extreem krachtig zelfs, en komen van nature voor in de schillen, pitten en steeltjes van bepaalde druivenrassen. Ze dragen in kleine dosissen bij aan het karakter van druiven zoals Sauvignon Blanc, Cabernet Sauvignon of Cabernet Franc, waar een licht vegetaal accent net typerend kan zijn. Maar eens de grens overschreden is, domineren ze het geheel en drukken ze alles plat.
Methoxypyrazinen worden gevormd vroeg in de ontwikkeling van de druif en bereiken al snel hun piekniveau. Vanaf dat moment breekt de natuur ze langzaam af. En net daar zit het spanningsveld: als de druif niet voldoende tijd krijgt om die afbraak te voltooien, blijven de groene aroma’s hardnekkig aanwezig.
Eenmaal in de kelder is er weinig dat deze moleculen echt kan verwijderen. Ze zijn chemisch inert en resistent tegen standaard wijntechnieken. Snel perswerk, het vermijden van steeltjes, en zachte klaring kunnen hun impact milderen. Ouderdom en licht kunnen ze op termijn wat afbreken, vooral in witte wijnen in heldere flessen. In rode wijn kunnen tannine ze deels binden. Maar wie vertrekt met een druif die groen ruikt, eindigt vrijwel altijd met een wijn die dat blijft doen.
Fenolische rijpheid: waar het allemaal om draait
Wat uiteindelijk het verschil maakt tussen een wijn met scherpte en een wijn met diepgang, is de fenolische rijpheid. Dit is de fase waarin de fenolen, de verzamelnaam voor kleurstoffen, tannine en andere verbindingen in schil, pitten en steeltjes, volledig zijn ontwikkeld. Fenolische rijpheid gaat dus niet over suiker of aroma, maar over textuur, mondgevoel en balans.
Laten we even teruggaan naar de inleiding van het artikel en dat bezoek aan de wijngaard, vlak voor de oogst. Je ziet de wijnbouwer over de rijen bewegen, proevend, onderzoekend, kauwend. Vooral op pitten. Niet uit verveling, maar omdat die pitten hem vertellen wat hij weten moet. Zijn oog is getraind om de kleur en textuur van de pitten te lezen. Zijn tong herkent blind het verschil tussen stroef en zijdeachtig.
Fenolische rijpheid wordt dan ook vaak de ‘rijpheid van de pitten’ genoemd, al is dat eigenlijk te beperkt. De schil, pitten en steeltjes dragen elk op hun manier bij: de schil zorgt voor kleur en lange, zachte tannine, de pitten voor structuur en grip, en de steeltjes, indien mee vergist, voor kruidigheid of ruwheid. Samen bepalen ze het mondgevoel en de stijl van de wijn.
Fenolische rijpheid speelt een grotere rol in rode wijn. Simpelweg omdat rode vinificatie gebaseerd is op schilcontact. Maar ook bij witte wijn, vooral bij rassen met dikkere schillen of bij maceratiewijnen, beïnvloeden fenolen het eindresultaat. Bitterheid, oxidatiegevoeligheid en zelfs het mondgevoel bij witte wijn zijn vaak het gevolg van een gebrekkige fenolische rijpheid of een slechte extractiebeheersing.
Een interessant aspect is dat de perceptie van tannine niet alleen afhankelijk is van hun hoeveelheid, maar van hun complexiteit en de manier waarop ze zich gedragen in wijn. Tannine binden zich aan polysachariden en eiwitten. In een omgeving met neutrale polysachariden (zoals manoproteïnen) worden ze zachter, in combinatie met zure componenten net scherper. Dezelfde tannine kan dus totaal anders aanvoelen afhankelijk van de matrix waarin ze zich bevindt.
Complexe tannine die traag en volledig rijpen, dragen bij tot structuur zonder agressie. Ze geven lengte zonder bitterheid. Ze worden pas gevormd als de druif haar volledige fenolische potentieel bereikt heeft.
Fenolische rijpheid is dus niet alleen technisch belangrijk, maar ook stilistisch bepalend. Ze beslist of een wijn elegant of hoekig zal zijn. Of hij fris zal verouderen of snel afbrokkelt. Of hij mag schitteren op tafel, of eindigt in de anonieme middenmoot. Daarom kauwt de wijnbouwer obsessief op pitten. En daarom draait in essentie alles rond dit ene moment: de volledige rijpheid van de druif in haar geheel.
Meten is weten, proeven wordt bevestigd
In de wijnkelder is technologie alomtegenwoordig. Maar in de wijngaard begint alles nog steeds met ervaring, zintuig en instinct. Want hoewel zowel aromatische als fenolische rijpheid in een laboratorium objectief meetbaar zijn, via technieken zoals spectrometrie, chromatografie of fenolextractietests, zijn het de handen, ogen en mond van de wijnbouwer die de eerste signalen opvangen.
Veel wijnbouwers vertrouwen nog steeds op hun dagelijkse rondgang door de wijngaard. Ze kijken naar de kleur van de bessen, voelen de textuur van de schil, ruiken aan de trossen, proeven op groene toetsen en kauwen op de pitten. Een rijpe witte druif toont een gele schil zonder groene zweem. Rode druiven laten makkelijk los van een verhoute steel. Pitten moeten bruin en krokant zijn. De geur van de bes is fruitig en zuiver, zonder vegetale accenten. Elk van deze signalen draagt bij tot het oordeel of een perceel klaar is voor de oogst.
Toch gebeurt rijpheidsbeoordeling vandaag niet meer uitsluitend op buikgevoel. Steeds meer wijnbouwers beschikken over een eigen labo op het domein, waar ze snel en nauwkeurig metingen kunnen uitvoeren. Denk aan mostgewicht, zuurgraad, pH, en voor wie nog een stap verder gaat: de concentratie aan fenolen of aromavoorlopers. Deze gegevens bieden een objectieve basis, zeker bij onzekere weersomstandigheden of in percelen met wisselende rijpingssnelheden. Ze helpen ook om waarnemingen in de wijngaard te bevestigen of bij te sturen.
Het proces volgt vaak dezelfde volgorde: de wijnbouwer stelt vast wat hij denkt te proeven en te zien, en gaat daarna na of de cijfers dat beeld bevestigen. Bevestigen de metingen zijn gevoel, dan komt de oogst dichterbij. Wijkt het resultaat af, dan wordt er gewacht of perceel per perceel bijgestuurd. Want hoe geavanceerd de apparatuur ook is, de beslissing blijft er een van interpretatie. En die interpretatie rust nog altijd op het samenspel tussen mens en meter. Eerst komt het zintuig, dan het cijfer, en pas dan – met beide als leidraad – de uiteindelijke keuze.
Kortom: rijp is niet zomaar rijp
Alcoholische rijpheid is slechts het begin. Voor grote wijnen zijn ook aromatische en fenolische rijpheid cruciaal. Wie te vroeg oogst, verliest finesse. Wie wacht tot alles rijp is, wint aan diepte, balans en complexiteit.
Natuurlijk is er iets moois aan de manier waarop het vroeger gebeurde, op ervaring en buikgevoel. Die instinctieve kennis blijft waardevol. Maar de realiteit vandaag is complexer. De verwachtingen zijn hoger, het klimaat grilliger, en de marge voor fouten kleiner. Moderne wijnbouw vraagt om een combinatie van zintuig en meetinstrument, van traditie en techniek.
Het glas vraagt vandaag om meer dan gevoel alleen. En net daarom verdient rijpheid, in al haar vormen, onze volle aandacht.

Filed under: oenologie | Tagged: grapes, Italian wine ambassador, mature, maturité, rijpheid, wijn, wijnkennis | 2 Comments »
