Whole cluster fermentation, heb je daar al eens van gehoord? En zo ja, weet je ook wat men hier eigenlijk mee bedoelt? Als ik daar zelf eerlijk op moet antwoorden, dan kan ik volmondig ja zeggen op het eerste deel van de vraag. Hoe kan je dit begrip de afgelopen jaren ook maar negeren? Het lijkt wel alsof de hele wijnmakende wereld plots in de ban is van whole cluster fermentation. Het duikt steeds vaker op in technische fiches en in vakartikelen, en het lijkt niet meer weg te denken uit het hedendaagse kelderjargon. Zelfs onze wijnmeester Peter bij Amici begon onlangs, bij de introductie van een Pinot Noir degustatie, uitgebreid te vertellen over whole cluster fermentation en het belang ervan voor deze druif.
Met het tweede deel van de vraag heb ik het lange tijd moeilijker gehad. Misschien juist omdat ik er aanvankelijk te weinig bij stil stond. In mijn hoofd leek het een vrij evidente vertaling van koolzuurmaceratie, maceration carbonique, waarbij een deel van de gisting binnenin de druif plaatsvindt, intracellulaire gisting dus. Tot het me enkele jaren geleden begon te dagen dat die gelijkstelling te kort door de bocht was. Whole cluster fermentation bleek geen synoniem, maar een veel ruimer begrip, met andere doelen, andere effecten en vooral veel meer nuances.
Als je er even op doorvraagt, kom je al snel tot een opmerkelijke vaststelling. Whole cluster fermentation is in wezen geen moderne uitvinding, maar een eeuwenoude vinificatiewerkwijze die vandaag opnieuw in de belangstelling staat. Niet uit nostalgie, maar omdat ze antwoorden lijkt te bieden op hedendaagse uitdagingen rond rijpheid, alcohol, frisheid en ook op de opwarming van het klimaat. Voor we naar die hedendaagse redenen kijken, helpt het om kort te weten waar deze werkwijze vandaan komt.
Pas in de negentiende eeuw werden machines ontwikkeld om druiven efficiënt te ontstelen. Daarvoor gingen druiventrossen vanzelfsprekend in hun geheel het gistvat in. In regio’s als Beaujolais en Rioja bleef die aanpak zelfs daarna gedeeltelijk behouden. Vandaag zien we dat wijnmakers opnieuw bewust kiezen voor hele trossen, niet omdat het vroeger vanzelfsprekend was, maar omdat deze werkwijze een heel eigen wijnstijl oplevert.
Wat bedoelen we met whole cluster fermentation
Whole cluster fermentation wordt vaak als één techniek voorgesteld, terwijl het dat in wezen niet is. De term beschrijft vooral wat er in het gistvat gaat, en niet hoe de vergisting exact verloopt. Whole cluster betekent simpelweg dat druiventrossen in hun geheel, inclusief steeltjes, in het gistvat terechtkomen. Wat er daarna gebeurt, ligt niet vast maar is het resultaat van keuzes die de wijnmaker in de kelder maakt.
Zodra volledige trossen in het gistvat liggen, opent zich een spectrum aan mogelijkheden. Druiven kunnen intact blijven of gekneusd worden, bewust of door hun eigen gewicht. Het gistvat kan open zijn of afgesloten, en de wijn kan vroeg of pas later geperst worden. Al die beslissingen bepalen of de vergisting vooral klassiek verloopt, of dat er daarnaast ook intracellulaire gisting optreedt. In de praktijk is het zelden alles of niets. Veel wijnmakers werken met een beperkt whole cluster aandeel, vaak tussen ongeveer 20 en 40 procent van de oogst, precies omdat je met zulke percentages al effect krijgt terwijl je de risico’s beter beheersbaar houdt. Let wel, ook wanneer men spreekt over het fermenteren van hele trossen, betekent dat niet automatisch dat alles vooraf gekneusd wordt. Sommige producenten laden de trossen zo intact mogelijk en laten kneuzing grotendeels door gewicht en verloop ontstaan.
In heel wat gevallen wordt gewerkt met een gedeeltelijke kneuzing van de trossen. Onderaan ontstaat dan sap dat klassiek begint te vergisten met gist, terwijl hogerop intacte bessen tijdelijk intracellulair vergisten. Die combinatie levert wijnen op die zowel fruitigheid als structuur tonen. De aanwezigheid van steeltjes beïnvloedt daarbij textuur, tannine en mondgevoel, zonder dat dit per se tot uitgesproken groene aroma’s hoeft te leiden. Dit type whole cluster fermentation vormt voor veel wijnmakers de gulden middenweg tussen expressie en balans.
Worden de druiven volledig gekneusd, dan overheerst de klassieke alcoholische vergisting. De steeltjes blijven wel aanwezig en oefenen hun invloed uit op structuur, tannine en zuurgraad, maar intracellulaire gisting speelt nauwelijks nog een rol. In dat geval draait whole cluster fermentation vooral om het effect van de steeltjes en niet om wat zich binnenin de bes afspeelt.
Pas wanneer druiven intact blijven en men bewust een koolzuurrijke, zuurstofarme omgeving creëert, spreken we van koolzuurmaceratie, in de strikte zin. Hier is whole cluster fermentation geen middel tot structuur of complexiteit, maar een manier om intracellulaire gisting maximaal te laten plaatsvinden. De vergisting gebeurt hoofdzakelijk binnenin de druif, extractie blijft beperkt en de wijn wordt doorgaans vroeg geperst. Het resultaat zijn uitgesproken fruitige, lichtvoetige wijnen waarbij steeltjes wel aanwezig zijn, maar niet het doel vormen en doorgaans weinig bijdragen aan extractie en structuur.
Waarom wijnmakers vandaag voor whole cluster fermentation kiezen
Die vraag is terecht. In de praktijk zie je vooral vijf redenen waarom wijnmakers, meestal in beperkte mate, voor whole cluster fermentation kiezen.
Ten eerste is er de confrontatie met de realiteit van warmere oogstjaren. In heel wat regio’s schuift het rijpheidsvenster op. Suikers lopen sneller op, zuren zakken sneller en het evenwicht tussen rijp fruit, matig alcohol en voldoende frisheid wordt moeilijker te treffen. Whole cluster fermentation biedt wijnmakers extra speelruimte om net dat evenwicht te bewaren, zonder automatisch naar zwaardere extractie of meer hout te moeten grijpen.
Een tweede reden is de gewenste stijl. Whole cluster fermentation kan wijnen meer spanning geven, meer aromatische frisheid, meer nuance en meer textuur. Dat komt doordat vergisting en extractie zich anders gedragen wanneer trossen intact blijven en steeltjes mee in het vat zitten. De wijn voelt daardoor vaak minder log, ook wanneer het fruit rijp is.
Een derde reden is de veranderende vraag vanuit het jongere marksegment. De wijnwereld maakt zich zorgen over een generatie die minder wijn drinkt en andere verwachtingen heeft, met onder meer een duidelijke voorkeur voor wijnen met minder alcohol. Zelf heb ik met 15 procent geen probleem, maar producenten kijken nu eenmaal naar waar de vraag naartoe schuift. Whole cluster fermentation past in dat verhaal, omdat ze wijnmakers de mogelijkheid geeft om iets vroeger te oogsten, zo wordt de suikeropbouw, en dus het potentiële alcoholpercentage, afgeremd, zonder dat de wijn daardoor meteen structuur of complexiteit verliest. Doordat steeltjes mee vergisten en de extractie anders verloopt, bouwt de wijn toch grip en textuur op, ook wanneer het fruit net iets minder ver in rijpheid werd geduwd. Het gevolg is dat het alcoholpercentage soms effectief lager uitvalt, en dat de wijn bovendien vaak minder warm aanvoelt door een lichter extractieprofiel en een strakkere ruggengraat.
Een vierde reden is frisheid, en hier zit vaak de verwarring. Op papier kunnen de zuren bij whole cluster fermentation dalen, vooral omdat een deel van het appelzuur in de intacte bessen al vroeg wordt afgebroken en omdat kalium uit steeltjes de pH kan doen stijgen. Toch kan de wijn frisser aanvoelen. Frisheid is namelijk meer dan zuur alleen. Aromatische lift, een minder zwaar extractieprofiel en een strakkere, fijnere structuur geven spanning in het mondgevoel. Die spanning wordt vaak als frisheid ervaren, zelfs wanneer de meetbare zuurgraad iets lager ligt. Met andere woorden, de zuren kunnen in analyse wat lager uitvallen, maar de wijn kan toch frisser aanvoelen.
Een vijfde en laatste reden is doseerbaarheid en risicobeheer. Whole cluster fermentation werkt als een ingrediënt. Met een beperkte inzet kan men het effect precies afstemmen op perceel, jaargang en gewenste stijl. Dat verklaart meteen waarom technische fiches zo vaak spreken over gedeeltelijke whole cluster. Met pakweg twintig tot veertig procent kan een wijnmaker al merkbare textuur en complexiteit opbouwen, terwijl de risico’s van groen karakter, hogere pH, kleurverlies of microbiologische risico’s beter beheersbaar blijven. Volledig werken met hele trossen kan prachtig zijn, maar vraagt perfect fruit, rijpe steeltjes en een zeer nauwkeurige sturing van zuurstof, temperatuur en persmoment.
Whole cluster fermentation is dus geen hype door het woord alleen. Het is vooral een hedendaags antwoord op een veranderend klimaat en op een markt die vaker finesse verkiest boven zwaarte, met als kernvraag steeds dezelfde: welke dosis en welke aanpak leveren de meeste finesse op, zonder dat de wijn zijn evenwicht verliest.
Wat er in het bij de vergisting anders loopt
Bij whole cluster fermentation blijft de motor van het proces dezelfde als bij een klassieke rode vinificatie: gist zet suiker om in alcohol, en tijdens de maceratie worden kleur en tannine uit de schillen geëxtraheerd. Het grote verschil zit dus niet in een “ander soort” vergisting, maar in hoe de druivenmassa zich gedraagt zodra je met volledige trossen werkt. Je werkt minder met één uniforme massa sap en schillen, en meer met een gelaagd geheel waarin bessen, schillen en steeltjes elkaar letterlijk ruimte geven.
Onderaan ontstaat vrij snel sap, deels door het gewicht van de trossen en deels door een eventuele lichte kneuzing tijdens het vullen. Dat sap start de klassieke alcoholische vergisting en begint warmte en koolzuurgas te produceren. Hoger in het vat blijven bessen vaak langer intact of half intact. Daardoor komt het sap niet overal tegelijk vrij, maar in stappen. Eerst vergist het sap dat al aanwezig is, daarna komt er extra sap bij wanneer bessen open gaan door warmte, druk en toenemende alcohol. Dat geeft vaak een ander ritme dan bij volledig ontsteelde en gekneusde druiven, al blijft de vergisting in essentie klassiek.
Omdat bessen niet allemaal tegelijk openscheuren, komen kleur en tannine geleidelijk vrij. Tegelijk vormt zich bovenaan, zoals bij elke rode vinificatie, een drijvende bovenlaag van schillen en trossen, meestal de hoed genoemd. Steeltjes geven die bovenlaag meer structuur en houden haar minder compact. Daardoor kan warmte zich gelijkmatiger verspreiden en kan het vergistende sap makkelijker door die bovenlaag bewegen. Wanneer de wijnmaker de hoed zachtjes nat houdt en mengt, bijvoorbeeld door sap over de bovenkant te laten lopen (remontage) of de massa voorzichtig naar beneden te duwen (pigéage). Zo verloopt de extractie vaak rustiger, met minder plotse pieken.
Belangrijk is ook wat je als wijnmaker doet. Bij een laag tot matig aandeel whole cluster en een actievere aanpak, met regelmatige remontage of pigéage, komt het geheel snel dicht bij een klassieke vinificatie. Het grootste verschil blijft dan vooral de invloed van de steeltjes op structuur en pH. Ga je hoger in percentage en werk je zachter, dan bouwt de wijn zich trager en meer in fases op. In beide gevallen geldt dezelfde conclusie: whole cluster fermentation is geen totaal andere wereld, maar een manier om stijl te sturen via de manier waarop trossen zich in het gistvat stapelen en openscheuren.
Steeltjes: meerwaarde en risico
Bij whole cluster fermentation zijn steeltjes een bewuste keuze. Ze doen meer dan alleen “meegaan” met de tros. Ze sturen het mondgevoel, ze kunnen de pH beïnvloeden en ze kunnen het aromaprofiel een kruidige, theeachtige toets geven, of net te groen worden als ze niet rijp genoeg zijn. Daarom draait dit hoofdstuk in essentie om één vraag: wanneer zijn steeltjes een meerwaarde, en wanneer worden ze een risico.
Daarnaast hebben steeltjes ook een chemische invloed. Ze brengen kalium in het vergistende sap, wat een deel van de zuren kan binden en zo de pH licht kan doen stijgen. Bovendien bevatten ze aromatische componenten die zich kunnen uiten in kruidige of groenige toetsen. Ook leveren ze tannine, die anders aanvoelt dan schiltannine. Bij druivenrassen met een van nature zachtere tanninestructuur, zoals Pinot Noir, kan dat zorgen voor meer structuur en een strakkere tannineruggengraat. Steeltjes kunnen bovendien de kleur wat temperen. Enerzijds kunnen kleurstoffen zich deels aan het stengelweefsel hechten, waardoor er minder kleur in de wijn achterblijft. Anderzijds speelt diezelfde pH-verschuiving mee: bij een hogere pH oogt rood doorgaans minder intens en wordt kleur minder stabiel. Daarom lijken wijnen met een hogere whole cluster inzet soms sneller lichter van kleur.
Cruciaal in dit verhaal is de rijpheid van de steeltjes. In de praktijk kijken veel wijnmakers naar lignificatie, het verharden van het stengelweefsel, en een bruiner, houtachtiger uitzicht is daarbij vaak een duidelijke aanwijzing dat de steeltjes voldoende afgerijpt zijn. Onvoldoende rijpe steeltjes geven harde, groene tannine die zich moeilijk laat integreren, ongeacht hoe zorgvuldig de vinificatie gebeurt. Bij vroeg geplukte druiven kunnen steeltjes nog groen en soepel aanvoelen, en net dan is de kans groter dat kruidig groene of vegetale tonen gaan domineren. Daarmee komen we bij het belangrijkste risico van whole cluster fermentation: als steeltjes niet rijp genoeg zijn, kan het profiel doorslaan naar tomatenblad, groene bonen of broccoli. Of whole cluster fermentation hier een meerwaarde is, hangt dus sterk af van het oogstmoment en de gekozen dosis whole cluster.
Praktijk en druivenkeuze
Of wijnmakers voor whole cluster fermentation kiezen, hangt vooral af van wat ze willen bereiken. Het kan een wijn verfijnen of verzachten, versterken of temperen. Het succes zit niet in het percentage hele trossen op zich, maar in het consequent uitvoeren van de juiste keuzes in de kelder.
Die keuze vraagt doorgaans meer discipline dan een klassieke vinificatie. De druiven moeten perfect gezond en zo intact mogelijk zijn. Bij ontsteelde en gekneusde druiven komt de vergisting snel op gang in een bad van sap en alcohol. Met hele trossen kan die beschermende omgeving trager ontstaan, waardoor beschadigde bessen sneller ruimte geven aan ongewenste microorganismen en azijnachtige tonen.
Ook praktisch weegt het door. Hele trossen nemen meer plaats in dan ontsteelde druiven, waardoor vatkeuze en capaciteit belangrijk worden, vooral tijdens de gisting. Whole cluster fermentation gebeurt zelden in een klassiek 225 liter eiken vat. Niet omdat hout fout is, maar omdat je in zo’n klein volume weinig marge hebt voor temperatuur en beweging tijdens de gisting, terwijl trossen veel plaats vragen. Voeg daarbij dat het eindvolume moeilijker te voorspellen is, en je begrijpt waarom toevoegingen met voorzichtigheid gebeuren. Bij het persen komt bovendien vaak extra suiker vrij, vooral in het perssap, wat actieve gist en voldoende warmte vereist om alles netjes te laten uitgisten. Tot slot moeten de zuren secuur opgevolgd worden, omdat whole cluster fermentation geregeld leidt tot een hogere pH en een lagere aciditeit.
Niet elke druif leent zich even gemakkelijk tot deze aanpak. Whole cluster fermentation werkt het vlotst bij rassen waar aromatische finesse en textuur belangrijk zijn en waar je met een beperkte dosis al verschil proeft. Daarom duikt Pinot Noir zo vaak op als referentie: het ras reageert sterk op kleine verschuivingen in mondgevoel en structuur, en steeltjes kunnen daar snel extra spanning en definitie geven. Gamay sluit daar logisch bij aan, omdat het ras traditioneel vaak met trossen wordt verwerkt en omdat het evenzeer gevoelig is voor de balans tussen fruit, grip en frisheid. Bij Grenache, Syrah en Mourvèdre kan het ook bijzonder goed werken, maar daar wordt de dosis vaak nog bewuster gekozen omdat rijpheid en stengel karakter sneller het profiel bepalen. Zelfs bij Nebbiolo kan het interessant zijn, al vraagt dat doorgaans een zeer precieze regie omdat het ras van nature al veel structuur meebrengt.
Omgekeerd zijn rassen met een uitgesproken groenkruidig of vegetaal profiel in de basis vaker lastiger kandidaten, omdat steeltjes dat accent sneller kunnen versterken. Denk bijvoorbeeld aan klassiek Bordeaux geïnspireerde variëteiten zoals Cabernet Sauvignon, Cabernet Franc en in mindere mate Merlot, waar paprika, groene kruiden of grafiet nuances al van nature deel van het aromaspectrum kunnen zijn. Dat betekent niet dat whole cluster fermentation onmogelijk is, maar het vraagt meer voorzichtigheid in dosis en oogstmoment, net om te vermijden dat het profiel doorslaat naar te groen. Uiteindelijk hangt het vooral af van rijpheid, schilstructuur en de begeleiding van de gisting. Eén aanpak voor alle rassen bestaat niet.
Daarom zie je op technische fiches veel vaker een gedeeltelijke inzet dan een volledige. Met beperkte percentages kan een wijnmaker het effect doseren, net genoeg extra definitie in textuur en spanning, zonder dat steeltjes of intacte trossen het profiel gaan overheersen. Wanneer alles klopt, levert whole cluster fermentation wijnen op met spanning, geurcomplexiteit en een eigenzinnig karakter. Dat verklaart waarom het onderwerp de voorbije jaren zo vaak opduikt, ook aan tafel, zoals bij onze Pinot Noir degustatie.

Filed under: oenologie | Tagged: Italian wine ambassador, oenologie, vergisting, whole cluster fermentation, wijn, wijnblog, wijnkennis, wijnmaken, wineblog, wineblogger |
Plaats een reactie